<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR45140_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Ouder-Amstel 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Ouder-Amstel, 29/07/2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Ouder-Amstel 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-09-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-04-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009/09</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening Ouder-Amstel 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 februari
                        2009, nummer 2009/9 </al><al><vet>s t e l t v a s t:</vet></al><al>de “Erfgoedverordening 2008 gemeente Ouder-Amstel”</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen: </al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde
                                    registers;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15, lid 1 Monumentenwet
                                    1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of
                                    uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische waardekaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="f."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="g."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="h."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardekaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="i."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="j."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="k."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="l."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="m."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="n."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan de monumentencommissie.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is
                                    aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 12 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken
                                    na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen zes weken na ontvangst van het advies
                                    van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen dertien
                                    weken na de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als eigenaar zakelijk gerechtigden in de kadastrale
                            legger bekend staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding
                                    en een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing,
                                    als bedoeld in lid 2, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                    lid, en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988
                                    of aan artikel 2, lid 1 van de monumentenverordening van de
                                    provincie Noord-Holland.</al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    geregistreerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                    artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college: </al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te
                                            verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                            gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                            of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
                                    lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met
                                    betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden
                                    uitgevoerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op de voorbereiding van een besluit om de aanvraag om
                                            vergunning als bedoeld in artikel 10 is afdeling 3.4 van
                                            de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                            ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een
                                            gemeentelijk monument aan de monumentencommissie voor
                                            advies.</al></li><li nr="3."><al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het
                                            afschrift brengt de monumentencommissie schriftelijk
                                            advies uit aan het college.</al></li><li nr="4."><al>Indien het college niet besluit binnen de in artikel
                                            3:18 Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn, wordt
                                            de vergunning geacht te zijn geweigerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                            onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld
                                            in artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
                                            zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het
                                            monument zwaarder dient te wegen;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                            ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                            rijksmonument aan de monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de
                                            aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending
                                            van het afschrift.</al></li><li nr="3."><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde
                                            termijn wordt de monumentencommissie geacht geadviseerd
                                            te hebben.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische
                                        terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om in een archeologisch monument,
                                            bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of een
                                            archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1,
                                            onder h, de bodem dieper dan 30 cm onder de oppervlakte
                                            te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; </al><lijst><li nr=""><al>a.het een verstoring betreft van een
                                                  archeologisch monument of archeologisch
                                                  verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                                  provinciale Archeologische Monumentenkaart of de
                                                  landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische
                                                  Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt:
                                                </al></li><li nr="-"><al>In een gebied met lage archeologische
                                                  verwachtingdwaarde en het te verstoren gebied
                                                  kleiner is dan 100 m2, of;</al></li><li nr="-"><al>in een gebied met een middelhoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                  kleiner is dan 50 m2, of;</al></li><li nr="-"><al>in een gebied met hoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                  kleiner is dan 25 m2.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                            omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="c."><al>in een ontheffing dan wel een projectbesluit als bedoeld
                                            in artikel 3.6, 3.32, 3.10 of 3.23 van de Wet
                                            ruimtelijke ordening voorschriften zijn opgenomen
                                            omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                            uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
                                            verstoring van een archeologisch monument of
                                            archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op
                                            gemeentelijke archeologische waardenkaart of de
                                            gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het
                                            ontbreken daarvan,de provinciale Archeologische
                                            Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van
                                            Archeologische Waarden;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde
                                            van het te verstoren terrein naar het oordeel van
                                            burgemeester en wethouders in voldoende mate is
                                            vastgesteld en waaruit blijkt dat:</al><lijst><li nr="-"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                  voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="-"><al>- de archeologische waarden door de verstoring
                                                  niet onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="-"><al>- in het geheel geen archeologische waarden
                                                  aanwezig zijn.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente
                                            Ouder-Amstel onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van
                                            het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h
                                            Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige
                                            bepalingen van deze wet: </al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                            bedoeld in artikel 1 onder o, waarbij nadere regels
                                            worden gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan
                                            van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder l van deze
                                            verordening ter goedkeuring aan het college te
                                            overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen
                                                  op met betrekking tot het toezicht op de
                                                  feitelijke uitvoering van het plan van aanpak.
                                                  Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het
                                                  college in acht te worden genomen.</al></li><li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak
                                                  aan het programma van eisen en eventuele nadere
                                                  regels voldoet, vraagt het college advies aan een
                                                  deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                                  Archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende
                                            schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of
                                            niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het
                                            college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te
                                            bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in
                                            relatie staat tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld
                                            in artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het college verbonden aan een
                                            vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                            in artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                            in artikel 14, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 15, tweede lid,
                                            tweede volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de
                                            bepalingen van de verordening ter regeling van de
                                            procedure bij toepassing van artikel 49 van de Wet op de
                                            Ruimtelijke Ordening van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 10, 14 en 15,
                                    eerste lid, onder b van deze verordening, wordt gestraft met een
                                    geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten
                                    hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het
                                                  bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn
                                                  belast: </al><lijst><li nr="b."><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als
                                                  bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1; de door het
                                                  college aangewezen (handhavings)ambtenaren;</al></li><li nr="c."><al>Met betrekking tot monumentale terreinen als
                                                  bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2; de door het
                                                  college aangewezen (handhavings)ambtenaren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het
                                            bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij
                                            besluit van het college dan wel de burgemeester aan te
                                            wijzen personen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Verordening Monumentenverordening van de gemeente
                                    Ouder-Amstel, vastgesteld 20 juni 1991 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>N.v.t.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op
                                            gemeentelijke monumenten treedt zij in werking op de
                                            eerste dag na het verstrijken van een termijn van zes
                                            weken na bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op
                                            beschermde rijksmonumenten, treedt zij in werking
                                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, tweede lid,
                                            van de Monumentenwet 1988.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening 2008
                                    Ouder-Amstel</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 maart
                        2009</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>A. Algemene toelichting</vet></al><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de
                                    verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                                    monumentenzorg van september 2007, alsmede de feitelijke
                                    samenhang tussen monumenten en archeologie, is de bestaande
                                    model monumentenverordening aangevuld met een archeologisch
                                    deel. De beide samengevoegde delen worden aangehaald als de
                                    model Erfgoedverordening.</al><al>Specifiek in het kader van de deregulering is getracht om de
                                    bestaande monumentenvergunning te vereenvoudigen door de
                                    mogelijkheid op te nemen dat het college nadere regels kan
                                    stellen (uitvoeringsrichtlijnen) waarmee de vergunningplicht
                                    (deels) komt te vervallen. Dit is een analoge toepassing van wat
                                    op rijksniveau het Algemeen Positief Advies (APA) wordt genoemd:
                                    bepaalde (eenvoudige en vastomlijnde) wijzigingen aan een
                                    monument mogen op grond hiervan vrijwel altijd worden uitgevoerd
                                    zonder een instandhoudingbepaling te overtreden. De
                                    vergunningplicht voor andere, complexe wijzigingen wordt
                                    gehandhaafd.</al><al>De instandhoudingbepaling met betrekking tot archeologische
                                    terreinen vloeit voort uit de Wet op de archeologische
                                    monumentenzorg (tot stand gekomen op grond het Verdrag van
                                    Malta) en komt neer op het feit dat gemeenten hun
                                    bestemmingsplannen moeten actualiseren met een archeologische
                                    paragraaf, zodat voldoende rekening kan worden gehouden (wat
                                    betreft de bescherming) met archeologische waarden en het behoud
                                    daarvan. Omdat de actualiteit van bestemmingsplannen ‘an sich’
                                    al voor problemen kan zorgen, is het opnemen van een
                                    archeologische paragraaf voor veel gemeenten ook niet eenvoudig
                                    of snel te realiseren. De verordening voorziet daarom in een
                                    overgangssituatie door het college de bevoegdheid te geven
                                    nadere regels te stellen voor verstorende activiteiten in een
                                    archeologisch monument of verwachtingsgebied. Deze nadere regels
                                    kunnen dezelfde regels zijn die gaan gelden indien een
                                    aanlegvergunning zou worden aangevraagd op grond van een
                                    aangepast bestemmingsplan, waarin wel een archeologisch
                                    paragraaf is opgenomen (Malta-proof). Indien een gemeente geen
                                    gebruik wenst te maken van de nadere regels kan ook gekozen
                                    worden om een (tijdelijke) archeologievergunning in het leven te
                                    roepen.</al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening
                                    rekening gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale
                                    regelgeving'. Ook in dit nieuwe model zijn de bepalingen van de
                                    Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek als
                                    uitgangspunt genomen. In de modelverordening zijn geen
                                    bepalingen opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke
                                    beschermde stads- en dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de
                                    gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt gemaakt. Al in een
                                    voorgaand dereguleringstraject zijn deze artikelen reeds
                                    gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten
                                    bij burgers genereert. In het kader van het dereguleringsproject
                                    in 2007 is ervoor gekozen om deze bepalingen daarom niet opnieuw
                                    in de modelverordening op te nemen. Het staat gemeenten
                                    uiteraard vrij om het VNG-model op dit en op andere onderdelen
                                    zelf aan te vullen.</al><al><vet>B. Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemeen</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is,
                                    met uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij
                                    de omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De
                                    cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting
                                    de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door
                                    het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop
                                    van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft
                                    gemaakt. Dit is een dermate ruime omschrijving dat het ook
                                    betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                                    geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1,
                                    dient ruim te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het
                                    locaties waar archeologische waarden in de bodem (kunnen)
                                    zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist
                                    dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde
                                    over een gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is
                                    immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor
                                    gemeentelijke monumenten is overgenomen, biedt de verordening
                                    ook de mogelijkheid om monumenten die (nog) niet op de
                                    rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’,
                                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’
                                    alleen onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren
                                    van de bescherming vormt een probleem, aangezien roerende
                                    monumenten meestal eenvoudig kunnen worden verplaatst en
                                    daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de
                                    werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun
                                    aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de
                                    beschermde status krijgen, op basis van de redengevende
                                    omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende
                                    monumenten aan te wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat
                                    gemeenten door middel van aanvullende regelgeving voorkomen dat
                                    cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk monument
                                    zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle
                                    en handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks
                                    mogelijk.</al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de
                                    verordening aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op
                                    de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts
                                    een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op
                                    de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en
                                    de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de
                                    toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel
                                        7<cursief>.</cursief></al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd
                                    rijksmonument' in de gemeentelijke monumentenverordening op te
                                    nemen. Deze verordening is namelijk een voorwaarde voor het
                                    verkrijgen door het college van de bevoegdheid om vergunningen
                                    voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op
                                    de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de
                                    artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988 van
                                    toepassing.</al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering in 2002 kan elk
                                    bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester)
                                    zelf zijn commissies instellen. De monumentencommissie is een
                                    commissie die adviseert aan het college. Normaal gesproken zou
                                    het dan ook het college zelf zijn, die deze commissie instelt op
                                    grond van artikel 84 Gemeentewet. In de monumentenverordening
                                    wordt echter door de raad bepaald dat een monumentencommissie
                                    advies moet uitbrengen aan het college. Dit vloeit voort uit de
                                    Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de
                                    gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                                    moet regelen die adviseert aan het college over aanvragen van
                                    vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De
                                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen
                                    keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een
                                    commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het
                                    college moet middels een apart collegebesluit. Er bestaat geen
                                    modelbesluit voor het instellen van een (monumenten) commissie
                                    door het college. Wij adviseren het college bij het besluit tot
                                    instellen van een monumentencommissie gebruik te maken van de
                                    VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is
                                    te downloaden via de databank van de Sdu Uitgevers,
                                    www.modelverordeningen.nl.</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                                    monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de
                                    monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te
                                    verklaren over de toepassing van de Monumentenwet 1988 te
                                    adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste, genoemd
                                    in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. Mocht een
                                    gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit
                                    niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens kan de
                                    monumentencommissie worden gecombineerd met een
                                    welstandscommissie.</al><al><cursief>Sub n</cursief></al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing
                                    bieden in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is
                                    vastgesteld. In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke
                                    beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien blijkt dat daar op
                                    grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden
                                    aangetroffen.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim
                                    omschreven, zodat deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog
                                    wel een nadere toelichting behoeft zijn een tweetal
                                    begripsbepalingen die ten opzichte van de voorgaande versie van
                                    de model monumentenverordening zijn geschrapt. Het gaat om de
                                    volgende begrippen:</al><al>het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet
                                    langer deel uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin
                                    was bepaald dat het college ten behoeve van de aanwijzing tot
                                    monument een bouwhistorisch onderzoek kon laten verrichten). Bij
                                    de aanwijzing tot monument kan de eigenaar/gebruiker echter niet
                                    gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten, met name
                                    vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens
                                    het ontbreken van de mogelijkheid om binnen te kunnen treden
                                    puur in het geval dat een dergelijk onderzoek gewenst is. Bij
                                    niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen is
                                    binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De strenge eisen
                                    die hieraan verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor
                                    slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot
                                    monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan
                                    wanneer wordt binnengetreden in het kader van toezicht op de
                                    naleving van de verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid
                                    om een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen
                                    kan worden ondervangen nadat een woning is aangewezen tot
                                    monument. De voorwaarden die de gemeente omtrent de afhandeling
                                    van aanvragen om een beschikking (in casu de
                                    monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen,
                                    bieden voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de
                                    cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van
                                    de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De
                                    gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch
                                    onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een
                                    beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake
                                    zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging
                                    van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en
                                    de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het
                                    daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een
                                    bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te
                                    worden. </al><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend
                                    uit het dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van
                                    nadere regels, maakt het gebruik van het historisch
                                    bouwonderzoek een te zwaar instrument. Immers, de nadere regels
                                    in het derde lid van artikel 10 vragen om een vereenvoudigde
                                    aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait hier
                                    feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere
                                    onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel noch
                                    evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een
                                    bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer
                                    verplicht stellen doet echter niets af aan het intrinsieke
                                    belang van bouwhistorisch onderzoek.</al><al>Ook het kerkelijk monument keert niet terug in de
                                    modelverordening. Dit op grond van het feit dat de wijze van
                                    aanwijzing niet wezenlijk anders is dan voor reguliere
                                    (niet-kerkelijke) monumenten. De insteek van deze
                                    modelverordening is namelijk dat gemeenten overleg voeren met de
                                    eigenaar/gebruiker van het aan te wijzen object. Het bestaande
                                    (en wellicht ook toekomstige) gebruik van het object moet
                                    daarbij worden meegenomen, zodat op dit punt ook het wezenlijke
                                    belang van de godsdienstuitoefening kan worden geborgd. Een
                                    speciale regeling voor kerkelijke monumenten is daarmee niet
                                    noodzakelijk.</al><al><vet>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</vet></al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al><vet>Het gebruik van een monument</vet></al><al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de
                                    eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze
                                    gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van
                                    het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf.
                                    In toelichting bij artikel 1 is al kort aangegeven dat het
                                    gemeentelijk kerkelijke monument niet als ‘specialis’ in deze
                                    model erfgoedverordening is opgenomen. Het specifieke gebruik in
                                    het geval van kerkgenootschappen, namelijk de erediensten, kan
                                    daarmee op grond van deze bepaling worden gewaarborgd, zodat ook
                                    in die zin geen afzonderlijke regeling voor gemeentelijke
                                    kerkelijke monumenten noodzakelijk is.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al><vet>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                                    monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg.
                                    De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve
                                    handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van
                                    het college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot
                                    aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de
                                    rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale
                                    waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op
                                    schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het
                                    algemeen niets aan het bestaande gebruik van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden
                                    wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object.
                                    Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met
                                    een vergunning (zie art. 10, tweede lid) of slechts op grond van
                                    de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden gewijzigd. Het
                                    wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen
                                    vergunningvrij wanneer ook geen bouwvergunning is vereist. Om
                                    deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken,
                                    dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving
                                    zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object
                                    tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen
                                    en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven.
                                    Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten
                                    zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen,
                                    zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het
                                    interieur in dat geval geen monumentenvergunning is vereist maar
                                    bijvoorbeeld alleen een bouwvergunning.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie
                                    als bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het
                                    advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een
                                    regeling die de taak en werkwijze van de monumentencommissie
                                    bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het
                                    college over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en
                                    andere belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al
                                    geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet
                                    bestuursrecht (Awb).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of
                                    provincie reeds op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen
                                    niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in
                                    aanmerking.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al><vet>Voorbescherming</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige
                                    gemeentelijke monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten
                                    geldt. Dat betekent dat in de periode van kennisgeving van het
                                    voornemen van het college om een monument op de gemeentelijke
                                    monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                                    artikelen 10 tot en met 12 van deze verordening van toepassing
                                    zijn. Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de
                                    aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument niet
                                    mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                                    gemeentelijke monumentenvergunning of anders dan de bij nadere
                                    regels opgestelde wijze. Het gebruik van de
                                    voorbeschermingsprocedure is gebonden aan motivatieplicht,
                                    aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                                    consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de
                                    voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort.
                                    Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                                    publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin
                                    de van artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub
                                    5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
                                    onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van
                                    deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van
                                    gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een gemeente gegronde
                                    redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                                    voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                                    van deze verordening.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al><vet>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de
                                    monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college een
                                    beslissing moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een
                                    termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan toe
                                    zijn. In het kader van de vermindering van administratieve
                                    lasten dient goed nagedacht te worden over de specifieke
                                    invulling met betrekking tot de duur van de termijnen. Over het
                                    algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te minder zijn
                                    de administratieve lasten voor de burger.</al><al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                                    monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de
                                    volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of
                                    besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in het
                                    eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het
                                    college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van
                                    een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de
                                    aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief
                                    beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het
                                    besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al><vet>Mededeling aanwijzingsbesluit</vet></al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een
                                    afschrift van de inschrijving) van het college is voor alle aan
                                    het monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van
                                    essentieel belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot
                                    monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid
                                    publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                                    voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een
                                    aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing
                                    wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de
                                    Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is
                                    toegepast (horen van geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan
                                    dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel 3:43
                                    Awb eveneens een mededeling te ontvangen. </al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al><vet>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve
                                    handeling (en geen besluit). De bedoeling van de bij te houden
                                    monumentenlijst is om een ieder snel inzicht te geven in welke
                                    zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens
                                    verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                                    (aanwijzing).</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al><vet>Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                                    gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt
                                    dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf
                                    (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is
                                    (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al><vet>Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van
                                    gemeentelijke monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking
                                    van de aanwijzing is het advies van de monumentencommissie
                                    nodig, tenzij sprake is van spoedeisende gevallen (lid 2).
                                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de
                                    aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins
                                    volledig teloor gegaan), worden door het college van de
                                    monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt lid 3 dat
                                    monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn
                                    in het geval dat het object ook als rijks- of provinciaal
                                    monument is aangewezen en geregistreerd. In dat geval vervalt de
                                    gemeentelijke aanwijzing en registratie als monument. Ook is het
                                    mogelijk dat de provinciale monumentenverordening dit zelf
                                    regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag
                                    tot intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige)
                                    documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede
                                    afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis
                                    gedocumenteerd.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Instandhouding van gemeentelijke monumentale
                                        zaken</vet></al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al><vet>Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont
                                    gelijkenis met artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De
                                    artikelen 11 tot en met 21 van de Wet juncto artikel 13 van deze
                                    verordening regelen de vergunningverlening voor de wijziging van
                                    rijksmonumenten door het college. In dit artikel gaat het
                                    derhalve alleen over gemeentelijke monumenten. Het is verstandig
                                    de vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten
                                    procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te
                                    stemmen. Het is voor de aanvrager, maar ook voor de behandelende
                                    gemeentelijke diensten en voor het college van praktische
                                    betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs dezelfde weg
                                    worden afgehandeld. Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor
                                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van
                                    gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel
                                    4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een aanvraagformulier voor
                                    de vergunning kan de gemeente aangeven welke gegevens zijn
                                    vereist. In dat kader kan (zoals reeds eerder is in de algemene
                                    toelichting bij het geschrapte onderdeel van het bouwhistorisch
                                    onderzoek) ook het overleggen van een rapportage met betrekking
                                    tot een bouwhistorisch onderzoek als vereiste bij de
                                    vergunningaanvraag worden opgenomen. Hierbij moet wel sprake
                                    zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging
                                    van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en
                                    de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het
                                    daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een
                                    bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te
                                    worden.</al><al>In het kader van de vermindering van administratieve lasten voor
                                    burgers dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag
                                    zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het overleggen
                                    van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar en kunnen
                                    bouw- en monumentenvergunning ook op dit punt
                                    (indieningsvereisten) worden gecombineerd. Omdat een
                                    monumentenvergunning verleend moet zijn voordat een
                                    bouwvergunning kan worden afgegeven, is tijdwinst te behalen
                                    door, gelijktijdig met het noodzakelijke adviseringstraject van
                                    de monumentencommissie en Rijksdienst Archeologie,
                                    Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), ook het overleg over de
                                    bouwvergunning met de aanvrager te starten.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het
                                    college om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen
                                    worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de
                                    vergunningplicht uit het tweede lid. Het zal hierbij over het
                                    algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die
                                    niet van ingrijpende aard zijn. Met name het reguliere onderhoud
                                    kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers niet
                                    voor relatief eenvoudige wijzigen (bijvoorbeeld met betrekking
                                    tot kleurstelling of het gebruik van identieke materialen)
                                    worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze
                                    nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd
                                    waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien
                                    echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote
                                    (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit
                                    toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat
                                    burgers nog minder met administratieve lasten worden
                                    geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van
                                    eisen) kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en
                                    aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden
                                    opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit
                                    (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het
                                    voeren van (voor)overleg staat centraal bij dit artikel, zodat
                                    maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een
                                    medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en
                                    gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke
                                    aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels,
                                    zodat de monumentale waarde van het object niet of zo min
                                    mogelijk wordt aangetast.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al><vet>Termijnen advies en vergunningverlening</vet></al><al>De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is niet alleen van
                                    toepassing op de verlening van de monumentenvergunning voor
                                    rijksmonumenten op grond van de Aanpassingswet uniforme openbare
                                    voorbereidingsprocedure Awb (UOV), Stb. 2005, 282. Complicerend
                                    is dat voor bouwvergunningen de UOV niet is voorgeschreven. In
                                    deze verordening is ervoor gekozen om deze procedure ook van
                                    toepassing te verklaren voor de verlening van een
                                    monumentenvergunning voor gemeentelijke monumenten. Dit houdt in
                                    dat de aanvraag niet meer ter inzage wordt gelegd, maar een
                                    ontwerpbesluit (de vergunning in concept) eerst verzonden wordt
                                    naar de aanvrager (Awb artikel 3:13), vervolgens gepubliceerd
                                    wordt (een aantal zaken moet in de publicatie vermeld worden,
                                    zie Awb art 3:12), en ten slotte zes weken ter inzage gelegd
                                    wordt (Awb artikel 3:11 en 3:16). Als er zienswijzen
                                    binnenkomen, dan wordt de aanvrager zo nodig in de gelegenheid
                                    gesteld te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen (Awb
                                    artikel 3:15, derde lid). De verwerking van de zienswijzen in
                                    het definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van
                                    de vergunningaanvraag plaatsvinden. Als er geen zienswijzen zijn
                                    binnengekomen, dan moet dit zo snel mogelijk na het verstrijken
                                    van de termijn voor de ter inzagelegging gepubliceerd worden en
                                    neemt het dagelijks bestuur het definitieve besluit binnen vier
                                    weken na het einde van deze termijn (Awb artikel 3:18, vierde
                                    lid).</al><al>Van de mogelijkheid om de besluitvorming te verdagen met een
                                    redelijke termijn kan alleen in de eerste acht weken van de
                                    proceduretermijn gebruik gemaakt worden, als de aanvraag een
                                    zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft én de aanvrager
                                    in de gelegenheid gesteld is hierover zijn zienswijze kenbaar te
                                    maken (Awb artikel 3:18, tweede lid).</al><al>De beoordelingstermijn is krap. Het verdient dan ook aanbeveling
                                    op basis van een schetsplan overleg te plegen voordat de
                                    vergunningaanvraag wordt ingediend.</al><al>De terzagelegging van de aanvraag en de mogelijkheid van bezwaar
                                    tegen het definitieve besluit zijn gecombineerd in het ter
                                    inzage leggen van een ontwerpbesluit, waarop zienswijzen kunnen
                                    worden ingebracht. Omdat de mogelijkheid is opgenomen
                                    zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen, is tegen het
                                    definitieve besluit alleen nog maar beroep mogelijk. Een
                                    volgende beperking is dat alleen de aanvrager en belanghebbenden
                                    die tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht (Awb 3:41
                                    en 3:43) of belanghebbenden die een goede reden hebben geen
                                    zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13) beroep kunnen
                                    instellen.</al><al>De totale termijn van zes maanden spoort niet met die voor de
                                    bouwvergunning. Het vereist (en het niet verleend) zijn van een
                                    gemeentelijke monumentenvergunning is een grond voor de
                                    weigering van de bouwvergunning (art 44 sub e Woningwet).
                                    Wanneer een monumentenvergunning is aangevraagd en daarop niet
                                    is beslist (of deze is geweigerd), zal de bouwvergunning dus
                                    tijdig geweigerd moeten worden. Nadrukkelijk moet erop worden
                                    gewezen dat in de Woningwet alleen een aanhoudingsregeling voor
                                    vergunningen van rijksmonumenten is opgenomen (artikel 54
                                    Woningwet). Om niet gedurende de lopende monumentenprocedure de
                                    bouwvergunning te moeten weigeren kan de aanvrager van de
                                    monumenten- en bouwvergunning het beste de aanvraag
                                    bouwvergunning pas later indienen. Laat het college de termijn
                                    voor de verlening van de bouwvergunning verlopen, dan is de
                                    bouwvergunning van rechtswege verleend, omdat de Woningwet boven
                                    de monumentenverordening gaat. Er mag echter pas gebruik gemaakt
                                    worden van de bouwvergunning als ook de monumentenvergunning is
                                    verleend.</al><al>In het vierde lid wordt bij niet tijdige besluitvorming door het
                                    college de vergunning geacht te zijn verleend. Indien het behoud
                                    van monumenten een van de meest wezenlijke speerpunten van een
                                    gemeente is en men dus niet van rechtswege vergunningen wil
                                    verlenen, kan in het artikel ‘verleend’ worden vervangen door
                                    ‘geweigerd’. Let wel, indien voor deze benadering wordt gekozen,
                                    wordt het belang van het behoud van het monument duidelijk
                                    geplaatst boven het belang van de burger om het object te
                                    wijzigen. Dit geeft het college meer lucht bij de
                                    besluitvorming, maar is voor de aanvrager erg frustrerend en
                                    verhoogd de administratieve lasten. Er is hier voor de gang van
                                    zaken bij weigering gekozen.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage
                                    gelegd en opengesteld voor beroep. De werking van de vergunning
                                    wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of als
                                    er beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Titel 8.3 van
                                    de Awb is van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al><vet>Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in
                                    te trekken. De bepaling onder c heeft de volgende achtergrond:
                                    als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van
                                    het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een
                                    nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van
                                    het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college
                                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Rijksmonumenten</vet></al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al><vet>Vergunning voor beschermd rijksmonument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning
                                    voor rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de
                                    Monumentenwet 1988 en afdeling 3.4 van de Awb. De Rijksdienst
                                    voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: RACM)
                                    en, buiten de bebouwde kom, ook Gedeputeerde Staten (hierna: GS)
                                    moeten binnen twee maanden na verzending van de adviesaanvraag
                                    adviseren (Monumentenwet 1988, artikel 16.2). Het definitieve
                                    besluit moet binnen vier maanden na ontvangst van het laatste
                                    van de adviezen van RACM en GS plaatsvinden (Monumentenwet 1988,
                                    artikel 16.3). Op het definitieve besluit kan nog slechts door
                                    een beperkt groep van belanghebbende beroep worden ingesteld
                                    (zie de toelichting bij artikel 11).</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op
                                    verschillende wijzen invulling te geven. De voorgenomen
                                    beperking adviesplicht van de rijksdienst zal ingaande 2009 zal
                                    op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet
                                    1988 in verband met onder meer beperking van de ministeriële
                                    adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning’ los
                                    gelaten. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en
                                    herbestemming van een rijksmonument zal de adviesplicht van
                                    toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten ingaande 2009
                                    een monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die
                                    onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de
                                    monumentenwet, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een
                                    monumentencommissie in diens advisering trad, wordt ingetrokken.
                                    Indien het monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college
                                    van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te
                                    zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen
                                    inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan,
                                    waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS
                                    reeds op voorhand kenbaar maakt in welke gevallen zij niet
                                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan
                                    worden gehaald.</al><al><cursief>Leden 2 en 3</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie
                                    bij de aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten wordt
                                    ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit wettelijke vereiste door
                                    het ontbreken van het advies van de monumentencommissie tot
                                    moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid
                                    3 bepaald dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben
                                    geadviseerd na het verstrijken van de in lid 2 gestelde
                                    adviestermijn.</al><al><vet>Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische
                                        terreinen</vet></al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al><vet>Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006
                                    verplicht de raad om, bij de vaststelling van een
                                    bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond
                                    aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van
                                    deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Valletta, Malta) en
                                    daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het
                                    bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                                    archeologische waardekaart, wordt vastgelegd waar zich
                                    archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel
                                    voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment
                                    dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden
                                    vastgesteld, biedt deze verordening bij wijze van artikel 14 de
                                    nodige bescherming aan archeologische waarden in de bodem. Het
                                    eerste lid van artikel 14 biedt bescherming door het opgenomen
                                    verbod om dieper dan 30 cm de bodem te verstoren. In de bepaling
                                    is nadrukkelijk geen standaard diepte opgenomen, aangezien de
                                    lokale situatie zeer uiteen kan lopen. In het buitengebied kan
                                    mogelijk volstaan met een diepte van 30 cm, waarbij nog steeds
                                    voldoende bescherming kan worden geboden, terwijl een
                                    dichtbevolkt stedelijk gebied of een middeleeuwse stadskern
                                    mogelijk al bij 10 cm problemen kan hebben om archeologische
                                    waarden voldoende te beschermen. Gemeenten moeten hier dus zelf
                                    een invulling aan geven.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 14 worden een vijftal
                                    uitzonderingsmogelijkheden geven op het eerste lid. In onderdeel
                                    a kan van het verbod uit het eerste lid worden afgeweken indien
                                    de verstoring plaats vindt in een archeologisch monument of
                                    verwachtingsgebied als aangegeven op de landelijk of een
                                    provinciale archeologische waardekaart. Een gemeente kan van
                                    deze kaarten gebruik maken indien het zelf nog niet beschikt
                                    over een gemeentelijke archeologische waardekaart. Deze
                                    waardekaarten hanteren over het algemeen een driedeling wat
                                    betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen
                                    worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden is
                                    vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren
                                    verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte archeologische
                                    waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een
                                    verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal
                                    het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter
                                    aanzienlijk kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen dient
                                    voldoende rekening gehouden te worden met de vraag wat er binnen
                                    het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden
                                    aangetroffen. In ieder geval moet binnen de gehanteerde
                                    oppervlakte dusdanig zijn dat voldoende informatie verkregen kan
                                    worden over de aard, het karakter en de datering van de
                                    (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen. Om
                                    dezelfde reden als in het eerste lid zijn ook in dit onderdeel
                                    geen standaardwaarden opgenomen, zodat de lokale situatie
                                    hieraan een invulling moet geven.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel
                                    up-to-date is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit
                                    artikel. In dat geval biedt het bestemmingplan, aan de hand van
                                    een bijbehorende archeologische waardekaart, voldoende
                                    bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                                    archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een drietal ontheffingsmogelijkheden en
                                    een projectbesluit genoemd in de Wet ruimtelijke ordening.
                                    Dergelijke besluiten kunnen tot stand komen doordat bij de
                                    ontheffing voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking
                                    tot archeologische waarden in het gebied waarvoor de
                                    vrijstelling wordt aangevraagd. Aan de aanvraag kan dan de
                                    voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd
                                    waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in
                                    voldoende mate is vastgesteld. Een dergelijke uitzondering wordt
                                    feitelijk ook in onderdeel e gegeven, maar ziet dan ook op
                                    situaties buiten de aanvraag van een vrijstelling. Dit rapport
                                    kan ook in de nadere regels onder d. worden gevraagd en komt
                                    overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de
                                    Monumentenwet in geval van een bestemmingsplan in de geest van
                                    het Verdrag van Valletta, Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op
                                    grond van dit artikel kan het college nadere regels stellen wat
                                    betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende
                                    werkzaamheden in een archeologische monument of
                                    verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’
                                    bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk
                                    aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een
                                    archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                                    werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een
                                    aanlegvergunning, waarin vereisten omtrent de bescherming van
                                    archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de
                                    handreiking van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al><vet>Opgravingen en begeleiding</vet></al><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen
                                    alleen goed functioneren indien een gemeente hierover actief de
                                    archeologische onderzoekers informeert. Immers, indien een
                                    gemeente deze bepaling in haar verordening opneemt, wordt
                                    gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische
                                    opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een
                                    dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst, dient deze
                                    bepaling niet overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog
                                    steeds voldoende bescherming bij opgravingen aangezien al in de
                                    Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo
                                    bestaat een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen;
                                    dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de
                                    opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen
                                    verricht; en is ook de eigendomskwestie van de archeologische
                                    vondsten uitputtend geregeld.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het
                                    college een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders
                                    worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van
                                    archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van
                                    de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft
                                    hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het
                                    programma van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op
                                    grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden
                                    gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het
                                    toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.</al><al><vet>Hoofdstuk 6. Overige bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al><vet>Schadevergoeding</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt
                                    dat de monumentenverordening zonder een
                                    schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Voor het
                                    archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden.
                                    De rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande
                                    2009 niet meer van toepassing. Het veroorzaker-betaalt-
                                    principe, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op
                                    de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de
                                    afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt
                                    voor alle in het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m e). De
                                    gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of
                                    ‘buitenproportioneel’ is. In deze modelverordening is gekozen
                                    voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de
                                    specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college
                                    mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe
                                    te kennen.</al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al><vet>Strafbepaling</vet></al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een
                                    keuzemogelijkheid aan de raad om op overtreding van
                                    verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere dan
                                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                                    tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de
                                    rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te
                                    leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is
                                    maximaal € 370,- (januari 2008); in de tweede categorie maximaal
                                    € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente niet toegestaan om
                                    een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. In
                                    de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het
                                    verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te
                                    breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie €
                                    74.000,- (januari 2008).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp,
                                    de hoogte van de strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om
                                    enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de
                                    geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van drie
                                    maanden voor de hand liggend.</al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al><vet>Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                                    modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale
                                    regelgeving. De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt
                                    gevonden in hoofdstuk 5, waarin algemene regels worden gegeven
                                    voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende
                                    rechtsregels en individueel geldende voorschriften.
                                    Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                                    personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn
                                    met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van
                                    toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening kan
                                    plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd,
                                    wat inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag
                                    uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van
                                    zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb
                                    standaard aan toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de
                                    afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van
                                    zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is
                                    de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                                    toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke
                                    plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder
                                    toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim
                                    begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook
                                    gebouwen (niet-woningen).Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het
                                    college op grond van artikel 18 niet zelf opsporingsambtenaren
                                    aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en
                                    hoeft het college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1
                                    sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij verordening
                                    aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt.
                                    Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een
                                    opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare
                                    feiten.</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 19</vet></al><al><vet>Intrekken oude regeling</vet></al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude
                                    monumentenverordening, zodat niet twee verordeningen van kracht
                                    zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk
                                    intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden
                                    gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling
                                    ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al><al><vet>Artikel 20</vet></al><al><vet>Overgangsrecht</vet></al><al>N.v.t.</al><al><vet>Artikel 21</vet></al><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude
                                    verordening is allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten
                                    (lid 1) en daarna voor rijksmonumenten (lid 2). Het eerste lid
                                    is gebaseerd op artikel 139 van de Gemeentewet. Hierin wordt de
                                    bekendmaking van verordeningen geregeld.</al><al><vet>Artikel 22</vet></al><al><vet>Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gelet op het
                                    samenvoegen van de oude monumentenverordening en het nieuwe
                                    archeologische deel in de verordening, is gekozen voor de nieuwe
                                    en overkoepelende term ‘erfgoed’.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>