<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44963_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren gemeente Dronten 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2010, nr. 21</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren gemeente Dronten 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, eerste lid;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 12, eerste lid, sub e en artikel 35.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-06-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B10.000868</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren gemeente Dronten 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dronten,</al><al>gelezen het voorstel van het college van 6 juli 2010, No.
                        B10.000934</al><al>gelet op artikel 12 lid 1 sub e in samenhang met artikel 35 van de Wet
                        investeren in jongeren (WIJ);</al><al>gezien het advies van de raadscommissie van september 2010;</al><al>overwegende dat op grond van de genoemde artikelen noodzakelijk is om
                        ingevolge de WIJ bij verordening regels vast te stellen voor welke
                        categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en welke criteria daaraan
                        ten grondslag liggen:</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>I.Vast te stellen de <vet>Verordening</vet><vet> toeslagen en
                        verlagingen Wet investeren in jongeren gemeente Dronten
                        2010</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet investering in
                            jongeren. </al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet</cursief>: de Wet investeren in
                                            jongeren</al></li><li nr="b."><al><cursief>zorgbehoefte</cursief>: zodanige behoefte aan
                                            zorg dat het zelfstandig wonen van de zorgbehoevende
                                            niet mogelijk is voor zover dit door middel van een
                                            indicatie tot opname of een andere medische indicatie is
                                            vastgesteld:</al></li><li nr="c."><al><cursief>gehuwdennorm</cursief>: de norm bedoeld in
                                            artikel 28, eerste lid onderdeel c, van de</al><al> Wet investeren in jongeren </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Leeftijdsbepaling en individualisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van
                                21 jaar of ouder, doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden
                                gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden
                                beiden 21 jaar of ouder, doch jonger dan 27 jaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk II, III en IV laten de toepassing van
                                artikel 41, eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CATEGORIEËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een
                                categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende categorieën worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toeslagen alleenstaande of alleenstaande ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt
                                20% van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander
                                zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt
                                10% van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of meerdere
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 5%
                                van de gehuwdenorm voor de jongere die met één of beide ouders in
                                dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid van de wet bedraagt
                                eveneens 20% van de gehuwdenorm voor de jongere indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er uitsluitend sprake is van een zorgbehoevende medebewoner,
                                        waarbij als gevolg van die medebewoning beroepsmatige
                                        verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege
                                        blijft;</al></li><li nr="b."><al>er uitsluitend één of meerdere kinderen jonger dan 21 jaar
                                        hun hoofdverblijf</al><al> hebben in dezelfde woning;</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlaging van de norm blijft achterwege indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er uitsluitend sprake is van een zorgbehoevende medebewoner,
                                        waarbij als gevolg van die medebewoning beroepsmatige
                                        verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege
                                        blijft;</al></li><li nr="b."><al>er uitsluitend één of meerdere kinderen jonger dan 21 jaar
                                        hun hoofdverblijf</al><al> hebben in dezelfde woning; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 15% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met één of beide ouders in dezelfde
                                woning hun hoofdverblijf hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt 20% van de
                                gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de jongere
                                geen woonkosten verbonden zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In overige situaties waarin sprake is van lagere algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan in verband met de woonsituatie
                                kan de bijstandsnorm of toeslag afwijkend worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging voor een schoolverlater als bedoeld in artikel 33 van
                                de wet bedraagt 20% van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlaging wordt toegepast gedurende zes maanden na het tijdstip
                                van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder een schoolverlater wordt de belanghebbende verstaan die recent
                                de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of beroepsopleiding,
                                waarbij voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond
                                op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of
                                op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op
                                grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                schoolkosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verlaging toeslag voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21
                                        jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22
                                        jaar betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 4 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid
                                1 zou leiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een jongere
                                op wie artikel 7 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Toepassing van de artikelen 4 tot en met 8 geschiedt zodanig, dat de
                                toepasselijke norm voor belanghebbenden tenminste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>35% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>55% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>65% van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college behoudt zich het recht voor anders te besluiten indien
                                de bepalingen in deze verordening leiden tot onbillijkheden van
                                ernstige aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag volgend op die van
                            haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Een persoon die op het moment dat de Verordening in werking treedt een
                            uitkering heeft ingevolge de WIJ, behoudt de toeslag zoals vermeld in de
                            beschikking waarbij op grond van de WIJ een uitkering is verleend,
                            gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste tot 1 januari
                            2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Uitvoering van de verordening</titel></kop><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening toeslagen en
                            verlagingen wet Investeren in Jongeren gemeente Dronten 2010 van de
                            gemeente Dronten.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Dronten op 30 september
                        2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al><vet>De wet Investeren in Jongeren en de inkomensvoorziening</vet></al><al>Op 1 oktober 2009 is de wet Investeren in Jongeren (WIJ) in werking
                            getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie
                            in regulier werk van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de
                            wet een recht op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het
                            werkleerrecht berust op het uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold
                            zijn en over voldoende kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het
                            werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen
                            voorzien. </al><al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld
                            deel (de norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan
                            worden op grond van gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit
                            gemeentelijk beleid moet door de gemeenteraad in een verordening worden
                            vastgelegd. </al><al><vet>Relatie met de WWB </vet></al><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                            uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met
                            de WWB, op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets,
                            verlaging van bijstand en terugvordering en verhaal. Hoewel die
                            aansluiting niet in alle opzichten volledig is gerealiseerd, is ten
                            aanzien van het te voeren toeslagen- en verlagingenbeleid sprake van een
                            identiek wettelijk kader als thans in de WWB. Normen die specifiek
                            betrekking hebben op jong-meerderjarigen zijn uit de WWB overgeheveld
                            naar de WIJ. </al><al><vet>Een toeslagenverordening wet Investeren in Jongeren </vet></al><al>Evenals in de WWB heeft de wetgever in de WIJ het college en de
                            gemeenteraad afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is
                            verantwoordelijk voor de uitvoering van de WIJ, terwijl de gemeenteraad
                            de opdracht heeft gekregen in een vijftal verordeningen regels vast te
                            stellen, ondermeer met betrekking tot het verhogen en verlagen van de
                            normen die voor de inkomensvoorziening gelden (artikel 12, eerste lid,
                            sub e, WIJ). Deze regels moeten exclusief in een verordening worden
                            vastgelegd, ter wille van de rechtszekerheid, aldus de Memorie van
                            Toelichting (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 37).
                            Aangenomen mag worden dat deze regelgevende bevoegdheid rechtens niet
                            kan worden overgedragen aan het college. </al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen
                            dat voor een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de
                            toeslag dan wel verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is
                            beschreven. Het is daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke
                            situaties uitputtend te beschrijven. In niet geregelde gevallen is het
                            college immers bevoegd én verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze
                            van individualisering afwijkend vast te stellen (artikel 35, vierde lid,
                            WIJ). </al><al><vet>Berekening toepasselijke uitkering </vet></al><al>In de WIJ is evenmin als in de WWB voorgeschreven, dat in gevallen
                            waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging
                            met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang
                            toepassen van de verlaging op de toeslag blijft ook in de WIJ de
                            aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de
                            combinatie verlaging wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een
                            andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de
                            leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten. Bovenstaande in acht
                            nemend kan de hoogte van de normuitkering voor jongeren als volgt worden
                            berekend: </al><lijst><li nr="1."><al>Norm;</al></li><li nr="2a."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                                    ouders)</al></li></lijst><al>OF </al><lijst><li nr="2b."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                                    (alleen bij gehuwden)</al></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li><li nr="4a."><al>Korten met verlaging schoolverlater</al></li></lijst><al>OF </al><al>4b.Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het
                            restant van) de toeslag.</al><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden
                            toegepast. De Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt. </al><al>Leidt de uitkomst tot een lager bedrag aan bijstand dan de gestelde
                            minima in artikel 9 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de
                            bijstand vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens
                            dit artikel. </al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WIJ of
                            de WWB niet</al><al>afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt dat in geval
                            van wijziging van</al><al>betreffende definities in de WIJ of de WWB ook de verordening moet
                            worden gewijzigd.</al><al>Omdat uit de verordening moet blijken waar belanghebbenden recht op
                            hebben, zijn de</al><al>begripsomschrijvingen en de daarbij behorende toelichting uit de wet
                            overgenomen en in de verordening opgenomen.</al><al>In het tweede lid zijn een aantal begripsomschrijvingen opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: als in de verordening gesproken wordt over de wet, dan
                                    wordt de wet Investeren in Jongeren (WIJ) bedoeld.</al></li><li nr="b."><al>zorgbehoefte: in de wet en de verordening wordt diverse malen
                                    het begrip zorgbehoefte genoemd. In artikel 4 WIJ wordt een
                                    alleenstaande omschreven als een ongehuwde die geen tot zijn
                                    last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding
                                    voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de
                                    eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er
                                    bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
                                    zorgbehoefte.</al></li></lijst><al>In de wet is geen nadere omschrijving van het begrip zorgbehoefte
                            opgenomen. Daarom is een nadere uitwerking opgenomen in deze
                            verordening. Deze nadere uitwerking houdt in dat er sprake is van
                            zorgbehoefte indien de zorgbehoevende bloedverwant zonder de zorg van de
                            ander opgenomen zou worden in een inrichting. Dit moet aangetoond worden
                            door een indicatie tot opname of een andere medische indicatie.</al><al>c.gehuwdennorm: bij het vaststellen van de hoogte van toeslagen en
                            verlagingen wordt in deze verordening gebruik gemaakt van percentages
                            die gerelateerd zijn aan de gehuwdennorm. Met de gehuwdennorm wordt de
                            norm bedoeld die geldt voor gehuwden die beiden tot de
                            leeftijdscategorie van 21 tot 27 jaar behoren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Leeftijdsbepaling en individualisering</titel></kop><al>Het eerste lid spreekt voor zich. De in het tweede lid opgenomen
                            verplichting voor het college om -zo nodig in afwijking van de uit de
                            toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de bijstand- de bijstand
                            anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden, mogelijkheden
                            en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 35 lid 4
                            WIJ. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin de
                            toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de
                            toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor
                            gekozen om deze plicht expliciet in de toeslagenverordening op te
                            nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Artikel 35 van de WIJ schrijft voor dat de verordening vaststelt voor
                            welke categorieën de norm wordt verlaagd of verhoogd. De
                            categorie-indeling is gebaseerd op de systematiek van de WIJ.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toeslagen alleenstaande of alleenstaande ouder</titel></kop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad
                            verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm
                            bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning
                            geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot
                            verlaging van norm of toeslag op andere gronden). Bij de vaststelling
                            van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de
                            wetgever namelijk uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de
                            bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval
                            is, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag zoals in lid 1 van deze
                            verordening staat vermeldt.</al><al>In lid 2 is vastgelegd dat ingeval in de woning een of meer anderen zijn
                            hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van
                            het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten).
                            Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter
                            van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                            toeslag blijft op zijn plaats. Evenals in de model-toeslagenverordening
                            WWB is in deze verordening als uitgangspunt gekozen voor de zgn.
                            forfaitaire variant voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag.
                            Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de mate
                            waarin deze in concrete gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte van
                            de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van kosten
                            mogelijk is. De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat
                            deze de meest efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst
                            fraudegevoelig is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant
                            algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In
                            de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10
                            procent van de gehuwdennorm in het geval één of meerdere anderen in
                            dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de
                            uitzonderlijke situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van
                            inkomen beschikt (denk aan de niet rechthebbende partner of inwonende
                            uitgeprocedeerde) verlaging van de toeslag vanwege medebewoning niet kan
                            worden toegepast. De medebewoner kan dan immers daadwerkelijk geen
                            bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen voordeel is voor
                            de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129 NABW). </al><al>In lid 3 wordt beschreven dat ingeval een jongere een woning deelt met
                            een ouder een lagere toeslag – in dit geval 5% - toe te kennen dan
                            jongere die een woning deelt met een ander. Het betreft hier feitelijk
                            jongeren die hun hoofdverblijf hebben bij (één van de) ouders. In dat
                            geval mag aangenomen worden dat de mogelijkheid om bestaanskosten te
                            delen in het algemeen groter zal zijn dan in andere gevallen (zie ook
                            CRvB 2 maart 1999, JABW 1999/61 en 69).</al><al>In een aantal situaties is weliswaar sprake van woningdeling, maar wordt
                            toch geen lagere toeslag toegekend. Dit staat omschreven in lid 4. Het
                            betreft hier een tweetal situaties waarin sprake is van
                            verzorgingsbehoeftigheid of zorgbehoefte. Daarnaast wordt een lagere
                            toeslag achterwege gelaten als er sprake is van één of meerdere kinderen
                            jonger dan 21 jaar die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>Bij echtparen is eveneens sprake van schaalvoordelen als zij de kosten
                            met een ander kunnen delen. Lid 1 van dit artikel beschrijft daarom dat
                            het consequent is om de norm lager vast te stellen als sprake is van een
                            situatie waarin kosten gedeeld kunnen worden. </al><al>In een aantal situaties is weliswaar sprake van woningdeling, maar wordt
                            toch geen verlaging van de norm toegekend. Het betreft hier een tweetal
                            situaties waarin sprake is van verzorgingsbehoeftigheid of zorgbehoefte.
                            Daarnaast wordt een lagere toeslag achterwege gelaten als er sprake is
                            van één of meerdere kinderen jonger dan 21 jaar die hun hoofdverblijf
                            hebben in dezelfde woning. Deze staan beschreven in lid 2.</al><al>Lid 3 geeft aan dat de verlaging van de norm voor gehuwden op 15% wordt
                            gesteld indien de persoon in kwestie met één of beide ouders in dezelfde
                            woning hun hoofdverblijf hebben. Zie hiervoor toelichting artikel 4, lid
                            3 van voorliggende verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De uitkering in het kader van de WIJ dient voldoende te zijn om in de
                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De
                            kosten van het wonen maken daar deel van uit. Indien betrokkene geen
                            woonlasten heeft, wordt de uitkering verlaagd. Dit kan zich voordoen bij
                            krakers of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld
                            de ouders. Er is gekozen voor een korting van 20% omdat dit bedrag
                            overeen komt met de minimale woonlasten welke verondersteld worden in de
                            norm te zijn begrepen. Dit staat als zodanig omschreven in artikel 32
                            WIJ.</al><al>Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de
                            jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de
                            aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar
                            omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november
                            2001, nrs 99/7 en 99/29 NABW). </al><al>Wordt bijvoorbeeld de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen
                            woonlasten heeft en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook
                            nog eens op die grond verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver
                            gaande vorm van verlaging van de uitkering worden aangemerkt, gelet op
                            het totale effect van de dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN:
                            2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan
                            beperkt moeten worden. </al><al>Het kan ook voorkomen dat de jongere geen woning bewoont. De bepaling in
                            het tweede lid ziet evenals de voorgaande alinea op de mogelijkheid om
                            bijvoorbeeld de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze
                            lagere bestaanskosten hebben dan jongeren die een woning bewonen.
                            Mochten dak- en thuislozen regelmatig gebruik maken van een opvangadres,
                            dan kan de uitkering afwijkend worden vastgesteld, met toepassing van
                            artikel 35, vierde lid, WIJ bij wijze van individualisering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging voor schoolverlaters van artikel 33 WIJ is bedoeld om de
                            schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een betere
                            financiële positie te brengen dan toen hij nog aangewezen was op
                            studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de Wtos. Er wordt
                            daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit of
                            thuiswonende student. Met deze omstandigheden wordt immers al rekening
                            gehouden in artikel 4 en 5 van de toeslagenverordening. </al><al>De verlaging bedraagt 20% van de gehuwdennorm. Hierbij speelt de
                            overweging een rol dat de schoolverlater financieel gestimuleerd wordt
                            richting de arbeidsmarkt (werk boven uitkering). </al><al>Opmerking verdient nog dat bij gehuwden die beiden schoolverlater zijn,
                            de verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft dan 20%. Wel is
                            denkbaar, dat de periode waarover de verlaging wordt toegepast, verlengd
                            wordt, als beide partners na elkaar schoolverlater worden. </al><al>Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast
                            i.v.m. medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg hebben dat de totale
                            verlaging te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het
                            individualiseringsbeginsel. Dat kan afgeleid worden uit CRvB 12 mei
                            2009, LJN: BI5349. Als de schoolverlater voor beëindiging van de studie
                            studiefinanciering WSF2000 ontving naar de norm van uitwonende student,
                            dan moet de inkomensvoorziening minimaal op die norm worden
                            vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verlaging toeslag voor alleenstaande van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                            passen indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                            jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden.
                            Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor
                            een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere
                            verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. </al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat - in overeenstemming met het
                            bepaalde in artikel 34 WIJ - de verlaging voor een 21- of 22-jarige
                            alleen kan plaatsvinden op de toeslag van artikel 30 WIJ. </al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van
                            artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te stellen
                            dat de schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast
                            met de verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen
                            van de schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige
                            schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een
                            23-jarige schoolverlater op grond van artikel 6 van de
                            Toeslagenverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op
                            verschillende omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk
                            als redelijk worden aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen
                            betekenen, dat het college de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop
                            dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer
                            zou zijn van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen zou het
                            college op grond van artikel 35, vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening
                            hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de
                            Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast te leggen, waarop
                            het college de norm (inclusief eventuele toeslag en verlagingen)
                            tenminste moet vaststellen. Dat laat onverlet dat in concrete
                            omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar is dat de norm hoger moet
                            worden vastgesteld. Zie bijvoorbeeld de hierboven beschreven
                            jurisprudentie t.a.v. de samenloop van een verlaging i.v.m. medebewoning
                            en het ontbreken van woonkosten (CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698) en de
                            samenloop van een schoolverlaterverlaging en een verlaging i.v.m.
                            medebewoning (CRvB 12 mei 2009, LJN: BI5349). Het
                            individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop
                            ook bij een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde
                            percentages ligt, al aanleiding is om tot verhoging daarvan over te
                            gaan, gelet op alle omstandigheden van de jongere. </al><al>Aan de verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ, t.w. dat in
                            de Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlaterverlaging
                            (artikel 33 WIJ) en de leeftijdsverlaging (artikel 34 WIJ) niet
                            gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de
                            formulering van artikel 8, lid 3 van de Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In de dagelijkse uitvoeringspraktijk kan in een incidenteel geval de
                            toepassing van deze</al><al>verordening leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Het college
                            kan dan afwijken van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Spreekt voor zich</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Uitvoering van de verordening</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Dronten, 30 september 2010</al><al>D.Petrusma mr. A.B.L. de Jonge</al><al>griffier voorzitter</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>