<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR449333_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening gemeente Almere 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Almere, nr. 709, 12-04-2017</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Participatieverordening Almere 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 6, tweede lid, art. 7, 8, eerste lid, onderdeel c, art. 8a, 9, 10, 10a, 10b, 10c en 10 d</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-03-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-04-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-05-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV-20/2017</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Participatieverordening gemeente Almere 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Almere;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 28 februari
                        2017;</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet, artikel 6, tweede
                        lid, 7, 8 eerste lid, onderdeel c, 8a, 9, 10, 10a, 10b, 10c en 10d van
                        de Participatiewet, de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, </al><al/><al>besluit vast te stellen de</al><al/><al><vet>Participatieverordening gemeente Almere 2017</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="b."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Almere;</al></li><li nr="c."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onder a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>doelgroep loonkostensubsidie: personen als bedoeld in
                                        artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van wie is vastgesteld
                                        dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het
                                        verdienen van het wettelijk minimum uurloon, doch wel
                                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, alsmede
                                        personen als bedoeld in artikel 10d, tweede lid van de
                                        wet;</al></li><li nr="e."><al>gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Almere;</al></li><li nr="f."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="g."><al>individuele studietoeslag: een toeslag voor personen, die
                                        studeren en van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn
                                        om het minimumloon te verdienen;</al></li><li nr="h."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="i."><al>loonwaarde: vastgesteld percentage van het rechtens geldende
                                        loon voor de door een persoon, die tot de doelgroep
                                        loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een functie
                                        naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie
                                        van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding
                                        en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie
                                        behoort ;</al></li><li nr="j."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="k."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="l."><al>voorzieningen: voorzieningen bedoeld in artikel 7, lid 1
                                        onder a van de wet en als onderdeel van een traject
                                        beschreven in deze verordening;</al></li><li nr="m."><al>vermogen: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                                        of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken als
                                        bedoeld in artikel 34 van de wet, met uitzondering van het
                                        in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld
                                        in artikel 50, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="n."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="o."><al>sociale activering: het verrichten van onbeloonde
                                        maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                        arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                        mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                                        participatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle niet nader omschreven begrippen die in deze verordening worden
                                gebruikt zoals zij zijn gedefinieerd in de Algemene wet
                                bestuursrecht, de Participatiewet of overige in deze verordening
                                aangehaalde wetten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Beleid en Financiering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt aan een persoon uit de doelgroep ondersteuning
                                    bij de arbeidsinschakeling en, voor zover het college dat
                                    noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                    arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning, waaronder
                                    het aanbieden van voorzieningen, biedt het college maatwerk.
                                    Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij
                                    gekeken wordt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden,
                                    capaciteiten en wensen van de belanghebbende, het meest
                                    doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid.</al></li><li nr="3."><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                    opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                    functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden
                                    hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en
                                    de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                                    werk.</al><al/><al>Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van
                                            mantelzorg.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut
                                    Werknemersverzekeringen, voorzieningen als bedoeld in deze
                                    verordening aanbieden aan personen aan wie het
                                    Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen een uitkering
                                    verstrekt.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verplichtingen van de cliënt</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon die deelneemt aan een voorziening is
                                            gehouden te voldoen aan de verplichtingen die
                                            voortvloeien uit de wet, de IOAW, de IOAZ en de Wet
                                            Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening,
                                            alsmede aan de verplichtingen die het college aan de
                                            aangeboden voorziening heeft verbonden.</al></li><li nr="2."><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een
                                            voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het eerste
                                            lid, dan kan het college de uitkering verlagen conform
                                            hetgeen hierover is bepaald in de Maatregelen- en
                                            handhavingsverordening Gemeente Almere.</al></li><li nr="3."><al>Indien een persoon, niet zijnde een
                                            uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een
                                            voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het eerste
                                            lid, kan het college de kosten van de voorziening dan
                                            wel de subsidie geheel of gedeeltelijk
                                            terugvorderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds
                                            vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                                            door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond
                                            vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                            specifieke voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal
                                            personen dat in aanmerking komt voor een specifieke
                                            voorziening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorziening moet gericht zijn op de
                                            arbeidsinschakeling en bijdragen aan het al dan niet op
                                            termijn mogelijk maken van het verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid door een persoon.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere beleidsregels stellen ten aanzien
                                            van de uitvoering van de in deze verordening genoemde
                                            voorzieningen.</al></li><li nr="3."><al>De regels, als bedoeld in het tweede lid, kunnen in
                                            ieder geval betrekking hebben op de:</al><lijst><li nr="a."><al>voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                                  aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>weigeringsgronden van een voorziening;</al></li><li nr="c."><al>aanvraag van, en de besluitvorming over een
                                                  voorziening;</al></li><li nr="d."><al>betaling van subsidies en het verlenen van
                                                  voorschotten op deze subsidies;</al></li><li nr="e."><al>wijze van verlening en vaststelling van
                                                  subsidies;</al></li><li nr="f."><al>overige criteria voor het aanbieden van
                                                  voorzieningen en het verlenen van subsidies.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                                  verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17
                                                  van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet
                                                  inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                  arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                                  artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening
                                                  oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                                  zelfstandigen niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet
                                                  meer behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt
                                                  algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij
                                                  geen gebruik wordt gemaakt van een in deze
                                                  verordening genoemde voorzieningen, tenzij het
                                                  betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                                  eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de
                                                  wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening
                                                  onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                                  arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college
                                                  niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik
                                                  maakt van de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet
                                                  naar behoren gebruik maakt van de aangeboden
                                                  voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet
                                                  meer voldoet aan de voorwaarden die in deze
                                                  verordening worden gesteld om in aanmerking te
                                                  komen voor die voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sociale Activering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                            activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                                            activering .</al></li><li nr="2."><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid
                                            bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en
                                            capaciteiten van die persoon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Werkervaringsplaats</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                            als onderdeel van een traject een werkervaringsplaats
                                            met behoud van uitkering aanbieden, gericht op
                                            arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van
                                            werkervaring of het leren functioneren in een
                                            arbeidsrelatie. </al></li><li nr="3."><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor
                                            de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                            beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt
                                            plaatsvindt. </al></li><li nr="4."><al>Er is geen sprake van verdringing op de arbeidsmarkt als
                                            bedoeld in het derde lid als de werkgever kan aantonen
                                            dat de functie gedurende een bepaalde periode als
                                            bedoeld in het vijfde lid niet werd vervuld door een
                                            persoon die daarvoor minimaal het wettelijk minimum
                                            uurloon ontving.</al></li><li nr="5."><al>De periode als bedoeld in het vierde lid bedraagt
                                            minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden
                                            afhankelijk van de economische omstandigheden op de
                                            markt waarop de onderneming opereert.</al></li><li nr="6."><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                            vastgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkervaringsplaats,</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt
                                                  en</al></li><li nr="c."><al>de toetsbare leerdoelen</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Het college stemt de duur van de in het eerste en tweede
                                            lid bedoelde traject af op de mogelijkheden en
                                            capaciteiten van die persoon en kan hiervoor nadere
                                            regels stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Participatievoorziening Beschut werk</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden
                                            aan een persoon uit de doelgroep die door een
                                            lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                                            zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de
                                            werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever
                                            redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                            persoon in dienst neemt.</al></li><li nr="2."><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                            voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of
                                            zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                                            aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                            arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor
                                            deze beoordeling uitsluitend personen met een grote
                                            afstand tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="3."><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de
                                            Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te
                                            maken zet het college de volgende ondersteunende
                                            voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek
                                            of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of
                                            aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo
                                            of arbeidsduur.</al></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut
                                            werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de
                                            gemeente beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt
                                            het college met het Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen, aan de gemeente gelieerde
                                            bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9. Scholing </label></kop><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    scholing aanbieden voor zover de scholing naar het oordeel van
                                    het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject </label></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de
                                    doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een
                                    leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig
                                    is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen
                                    betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of
                                            de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969,
                                            nog niet is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie
                                            hebben behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. Detacheringsbaan</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon
                                            die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met
                                            een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid
                                            gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt
                                            vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen
                                            zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen
                                            de werknemer en inlenende organisatie.</al></li><li nr="3."><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor
                                            de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                            beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt
                                            plaatsvindt.</al></li><li nr="4."><al>Er is geen sprake van verdringing op de arbeidsmarkt als
                                            bedoeld in het derde lid als de werkgever kan aantonen
                                            dat de functie gedurende een bepaalde periode als
                                            bedoeld in het vijfde lid niet werd vervuld door een
                                            persoon die daarvoor minimaal het wettelijk minimum
                                            uurloon ontving.</al></li><li nr="5."><al>De periode als bedoeld in het vierde lid bedraagt
                                            minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden
                                            afhankelijk van de economische omstandigheden op de
                                            markt waarop de onderneming opereert.</al></li><li nr="6."><al>Van verdringing op de arbeidsmarkt is geen sprake als de
                                            werkgever kan aantonen dat de afgelopen zes maanden tot
                                            een jaar de functie niet werd vervuld door een betaalde
                                            kracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Opstartsubsidie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan tijdelijk loonkostensubsidie, de
                                            opstartsubsidie, verstrekken aan werkgevers die met een
                                            persoon die behoort tot de doelgroep een
                                            arbeidsovereenkomst sluiten gericht op
                                            arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De opstartsubsidie kan maximaal gedurende zes
                                            aaneengesloten maanden worden verstrekt.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte en de duur van de opstartsubsidie is
                                            afhankelijk van een viertal indicatoren:</al><lijst><li nr="a."><al>opleidingsniveau;</al></li><li nr="b."><al>relevante werkervaring;</al></li><li nr="c."><al>duur sinds laatste reguliere
                                                  arbeidsbetrekking;</al></li><li nr="d."><al>medische of sociaal maatschappelijke
                                                  belemmeringen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                            concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                            beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. </al></li><li nr="5."><al>Er is geen sprake van verdringing op de arbeidsmarkt als
                                            bedoeld in het derde lid als de werkgever kan aantonen
                                            dat de functie gedurende een bepaalde periode als
                                            bedoeld in het vijfde lid niet werd vervuld door een
                                            persoon die daarvoor minimaal het wettelijk minimum
                                            uurloon ontving.</al></li><li nr="6."><al>De periode als bedoeld in het vierde lid bedraagt
                                            minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden
                                            afhankelijk van de economische omstandigheden op de
                                            markt waarop de onderneming opereert.</al></li><li nr="7."><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                                            duur van de subsidie, de hoogte, en deverplichtingen die
                                            aan de subsidie worden verbonden.</al></li><li nr="8."><al>Werkgevers die optreden als intermediairs komen niet in
                                            aanmerking voor opstartsubsidie wanneer het
                                            werkgeverschap gecombineerd wordt met re-integratie
                                            taken, tenzij de Raad daar anders over beslist;</al></li><li nr="9."><al>Op de subsidies bedoeld in dit artikel is de Algemene
                                            subsidieverordening gemeente Almere 2011 van
                                            toepassing;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. Begeleidingssubsidie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Aanvullend op de loonkostensubsidie kan een
                                            begeleidingssubsidie worden verstrekt als de werkgever
                                            voor een werknemer in de betreffende functie extra
                                            kosten moet maken voor begeleiding en/of opleiding.
                                        </al></li><li nr="2."><al>Met extra kosten wordt bedoeld begeleidingskosten die
                                            uitstijgen boven hetgeen redelijkerwijs van een
                                            werkgever mag worden verwacht bij de begeleiding van een
                                            werknemer.</al></li><li nr="3."><al>De werkgever moet de noodzaak van de kosten aantonen met
                                            een opleidingsplan.</al></li><li nr="4."><al>Het betreft een subsidie voor een werkgever die een
                                            arbeidsovereenkomst aanbiedt en extra kosten maakt voor
                                            scholing en/of begeleiding voor maximaal € 3000,= </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14. Persoonlijke ondersteuning/Job coaching</label></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                                    persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die
                                    persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van
                                    begeleiding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15. Overige vergoedingen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten
                                            die gemaakt zijn in het kader van de
                                            arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het gaat hierbij in ieder geval om: a. kosten van
                                            kinderopvang b. reiskosten</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 16. Loonkostensubsidie</label></kop><al>Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan
                                    werkgevers die met de in het volgende artikel bedoelde doelgroep
                                    een arbeidsovereenkomst sluiten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op grond van artikel 10c van de
                                            Participatiewet vaststellen of een persoon behoort tot
                                            de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
                                            6, eerste lid, onderdeel e van deze
                                            Participatiewet.</al></li><li nr="2."><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in
                                            acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals
                                                  omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
                                                  van de Participatiewet, die persoon is niet in
                                                  staat met voltijdse arbeid het wettelijk
                                                  minimumloon te verdienen en die persoon heeft
                                                  mogelijkheden tot arbeidsparticipatie: of</al></li><li nr="b."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals
                                                  omschreven in artikel 10d, tweede lid van de
                                                  Participatiewet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Vaststelling loonwaarde</label></kop><al>Het college gebruikt de frequentie en de omschreven wijze om de
                                    loonwaarde van een persoon vast te stellen als omschreven in de
                                    bijlage.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19. Forfaitaire loonkostensubsidie</label></kop><al>Het college kan op grond van artikel 10d van de Participatiewet
                                    aan een werkgever ten behoeve van een kandidaat een forfaitaire
                                    loonkostensubsidie verlenen voor een maximale periode van 6
                                    maanden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>Individuele studietoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 20. Individuele studietoeslag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                            onderdeel a van de wet kan een aanvraag individuele
                                            studietoeslag indienen. Hiervoor is vereist dat deze
                                            persoon op de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>18 jaar of ouder is; en</al></li><li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van
                                                  de Wet studiefinanciering 2000 of recht heeft op
                                                  een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de
                                                  Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                                  schoolkosten; en</al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen heeft;
                                                  en</al></li><li nr="-"><al>met voltijdse arbeid niet in staat is tot het
                                                  verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                                                  mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van
                                            de Participatiewet, wordt schriftelijk ingediend middels
                                            een door het college vastgesteld formulier. </al></li><li nr="3."><al>Het college kan een externe organisatie vragen te
                                            adviseren of een persoon met voltijdse arbeid niet in
                                            staat is tot het verdienen van het wettelijk
                                            minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft tot
                                            arbeidsparticipatie.</al></li><li nr="4."><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van
                                            12 maanden in aanmerking komen voor een individuele
                                            studietoeslag.</al></li><li nr="5."><al>Een individuele studietoeslag bedraagt op jaarbasis 2000
                                            euro. </al></li><li nr="6."><al>De studietoeslag wordt in maandelijkse termijnen
                                            uitgekeerd.</al></li><li nr="7."><al>Het bedrag genoemd in het derde lid wordt jaarlijks
                                            geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de
                                            consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor
                                            de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op
                                            hele euro's.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 21. Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden.</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, indien de toepassing van bepalingen in
                                            deze verordening in de individuele situatie tot
                                            onbillijkheden van overwegende aard leidt voor zover het
                                            de bevoegdheid betreft die voortvloeit uit deze
                                            verordening, afwijken van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet
                                            beslist het college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De Participatieverordening Almere 2015 wordt
                                            ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende
                                            voorziening op grond van de Participatieverordening
                                            Almere 2015 die moet worden beëindigd op grond van deze
                                            verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt
                                            voldaan aan de voorwaarden uit de
                                            Participatieverordening Almere 2015 voor de duur van de
                                            ingezette voorziening, doch niet langer 12 maanden,
                                            gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                            verordening.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid
                                            bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                            voortgezet.</al></li><li nr="4."><al>De Participatieverordening Almere 2015 blijft van
                                            toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening
                                            als bedoeld in het tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag
                                            na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als:
                                            Participatieverordening Almere 2017.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 maart 2017</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.D. Pruim E.T.M. Müller-Klijn </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>bij artikel 18 vaststelling van de loonwaarde</titel></kop><al>Naar aanleiding van de wijzigingen in de Participatiewet per 1 januari
                            2017 is in de Participatieverordening van Almere artikel 18,
                            vaststelling van de loonwaarde gewijzigd en is artikel 19, forfaitaire
                            loonkostensubsidie toegevoegd. Met de wijzigingen in de Participatiewet
                            is geregeld dat de loonwaardemeting niet langer jaarlijks (bij regulier
                            werk) of driejaarlijks (bij beschut werk) moet worden verricht, maar dat
                            de frequentie wordt afgestemd op de individuele omstandigheden van de
                            werknemer en het perspectief op eventuele ontwikkelmogelijkheden. </al><al/><al>Voor het vaststellen van de loonwaarde maakt het college gebruik van
                            Matchcare loonwaardeberekening. Hieronder wordt de werkwijze van deze
                            methode besproken.</al><al><vet>Het proces van vaststellen van de loonwaarde</vet></al><al>Een getrainde professional van de gemeente bezoekt de werkplek en gaat
                            in gesprek met de werkgever. Het doel van dit gesprek is het vaststellen
                            van het bedrijfsfunctieprofiel van de werkplek van de kandidaat waarvoor
                            de loonwaarde moet worden bepaald. </al><al/><al>Het bedrijfsfunctieprofiel bestaat uit algemene functievoorwaarden,
                            benodigde vaardigheden en competenties en de werkactiviteiten die moeten
                            worden uitgevoerd. De professional wordt door Matchcare ondersteund bij
                            het in kaart brengen van de functie. Dit leidt tot vragenlijsten die
                            online aan werknemer en werkgever worden verstuurd. Zij vullen beiden
                            onafhankelijk van elkaar de lijsten in. Zij geven aan in hoeverre wordt
                            voldaan aan de eisen van de functie. De methode maakt gebruik van
                            eenvoudige vragen zodat alle doelgroepen er mee over weg kunnen. De
                            vragenlijsten gaan over werkvaardigheden, competenties en
                            werkactiviteiten. Bij de aspecten vaardigheden, competenties en
                            activiteiten wordt aangegeven wat de zwaarte van het aspect is en hoe
                            vaak dit voorkomt. </al><al/><al><onderstreept>Vaststellen van de loonwaarde</onderstreept></al><al>Zodra de lijsten ingevuld terug zijn, vergelijkt de professional de
                            resultaten met het bedrijfsfunctieprofiel en gaat na in hoeverre hieraan
                            wordt voldaan volgens werkgever en werknemer. Deze antwoorden zijn
                            gewogen vergeleken met de norm. De professional maakt aan de hand van
                            Matchcare een finale weging door de gegevens van de drie bronnen te
                            combineren. Het systeem maakt daarbij de berekening naar de feitelijke
                            loonwaarde.</al><al>Matchcare laat zien welke werkactiviteit leidt tot welke waarde in de
                            berekening. De scores van de werkgever en werknemer staan hierbij in het
                            scherm.</al><al/><al><onderstreept>Het resultaat </onderstreept></al><al>Het resultaat wordt besproken met de werkgever en biedt een handvat voor
                            voortzetting van het dienstverband.</al><al>Door de resultaten te vergelijken met het bedrijfsfunctieprofiel
                            ontstaat een objectief beeld van de prestatiewaarde van de kandidaat. In
                            het resultatenscherm is transparant gemaakt op basis van welke
                            resultaten de loonwaarde tot stand is gekomen. De metertjes geven de
                            professional inzicht in de calculatiegrond.</al><al>De resultaten worden gepresenteerd in een rapportage waarin ook alle
                            onderzoeksresultaten zijn opgenomen. Op basis van de berekende
                            loonwaarde wordt de loonkostensubsidie berekend en vastgelegd in een
                            beschikking.</al><al/><al><onderstreept>Schematisch weergegeven ziet de loonwaardemeting er als
                                volgt uit:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De loonwaardespecialist (LW-specialist) bezoekt de werkplek en
                                    gaat in gesprek met de werkgever; </al></li><li nr="2."><al>De LW-specialist stelt in overleg met de werkgever de functie
                                    vast;</al></li><li nr="3."><al> Werkgever en werknemer vullen elk de digitale vragenlijst
                                    in;</al></li><li nr="4."><al>De LW-specialist observeert de werknemer op de werkplek en
                                    verzamelt informatie van leidinggevende/ begeleider van de
                                    werknemer en van de werknemer zelf door middel van de digitale
                                    vragenlijsten;</al></li><li nr="5."><al>De LW-specialist bepaalt aan de hand van de input die de
                                    werkgever en werknemer aanleveren en de eigen observatie de
                                    scores van de werknemer. Op basis hiervan wordt door het
                                    programma de Loonwaarde berekend; </al></li><li nr="6."><al>Op basis van de verkregen informatie komt er een rapport, waarin
                                    onder meer het ontwikkelpotentieel wordt vastgelegd; </al></li><li nr="7."><al> Vervolgens wordt de loonwaarde door de gemeente vastgesteld en
                                    de verlening van de subsidie bepaald na ontvangst van 3 maanden
                                    loonstroken; </al></li><li nr="8."><al> Elke 3 maanden wordt door de gemeente de beschikking
                                    loonkostensubsidie en de rapportage vastgesteld onder
                                    vermindering van eventuele ziektedagen.</al></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting Participatieverordening Almere 2017</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken
                            met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij
                            verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien
                            van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere
                            aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen
                            en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot
                            het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van
                            toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal
                            afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete
                            geval een passend re-integratietraject is. Het uitgangspunt is maatwerk.
                            Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal
                            punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet
                            bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning
                            bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte
                            voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is
                            ervoor gekozen in de verordening alleen die voorzieningen vast te leggen
                            die het college in ieder geval kan aanbieden.</al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad
                            verplicht om regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a, eerste lid,
                                            onderdeel a, en 10, eerste lid, van de
                                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>scholing of opleiding als bedoeld in artikel 10a, vijfde
                                            lid, van de Participatiewet (artikel 8a, eerste lid,
                                            onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, van de
                                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid,
                                            Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, en
                                            tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk als bedoeld in
                                            artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste
                                            lid, onderdeel e, en 10b, vierde lid, van de
                                            Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van
                                            de Participatiewet).</al></li></lijst><al>Ook is de gemeenteraad verplicht om regels vast te stellen over het
                            verlenen van een individuele studietoeslag (artikel 8, eerste lid,
                            onderdeel c van de Participatiewet) en over de doelgroep
                            loonkostensubsidie en de loonwaarde (artikel 6, tweede lid van de
                            Participatiewet). </al><al/><al>Er is voor gekozen alle hierboven genoemde regels in deze verordening
                            samen te voegen. Omdat er geen participatieplaatsen worden aangeboden,
                            wordt ook de hierboven genoemde premie niet nader bepaald. </al><al/><tussenkop><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></tussenkop><al/><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                            behandeld.</al><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1. Begrippen</label></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals
                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. </al><al>Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b van
                                            de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna:
                                            WIA), artikel 35, vierde lid, onderdeel b, van de WIA en
                                            artikel 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het
                                            moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                                            gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in
                                            die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in
                                            artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op
                                            grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna:
                                            ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                            college aangeboden voorziening.</al><al/><al><cursief>Doelgroep loonkostensubsidie</cursief></al><al>De doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid, onderdeel e,
                            Participatiewet) betreft personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel a, van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                            staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.</al><al>Dit wordt nader uitgewerkt in artikel 18 van deze verordening.</al><al/><al><cursief>Loonwaarde</cursief></al><al>De loonwaarde (artikel 6, eerste lid, onderdeel g, Participatiewet)
                            betreft het vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor
                            de door een persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort,
                            verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de
                            arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een
                            soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort. Dit wordt nader uitgewerkt in artikel 19 van
                            deze verordening.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een
                            persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                            arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                            verordening.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een
                            persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname
                            aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2: Beleid en Financiering</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2. Opdracht college </label></kop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                            moet de gemeenteraad in de verordening aangeven welke voorzieningen
                            worden ingezet, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en
                            de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                            gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele
                            beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met
                            het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De
                            doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen
                            van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                            mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het
                            bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                            artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><al/><al>Het eerste lid bevat de opdracht aan het college analoog aan artikel 7
                            van de wet. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en
                            consistentie. Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het
                            college specifieke opdrachten mee te geven. Artikel 10 lid 3 van de wet
                            bepaalt dat artikel 40 lid 1 van de wet van overeenkomstige toepassing
                            is. Dit brengt met zich mee dat de voorzieningen alleen gelden voor die
                            personen die ook daadwerkelijk inwoners van de gemeente zijn. Door deze
                            verwijzing ook aan de opdracht aan het college te koppelen, kan de
                            gemeente aangeven voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te
                            willen zetten.</al><al/><al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de wet dat de
                            gemeente evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet
                            besteden.</al><al/><al>Het vierde lid is een vertaling van artikel 7 lid 3 van de wet, waarin
                            is geregeld dat, ondanks de verantwoordelijkheidsverdeling tussen
                            gemeente en UWV zoals neergelegd in de Wet Suwi, de gemeente aan
                            personen die van het UWV een uitkering ontvangen een voorziening kan
                            aanbieden.</al><al/><al><cursief>Rekening houden met omstandigheden en
                            beperkingen</cursief></al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met
                            de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel
                            2, derde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening
                            moet houden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3. Verplichtingen van de cliënt</label></kop><al>In de Participatiewet is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen
                            gelden bij het recht op een uitkering. Uit oogpunt van kenbaarheid en
                            consistentie zijn de verplichtingen conform de wet geformuleerd.</al><al>Het tweede lid biedt de verbinding met de Maatregelen- en
                            handhavingsverordening Gemeente Almere 2015. Deze verordening regelt het
                            opleggen van een maatregel indien de uitkeringsgerechtigde of een
                            personen met een uitkering ingevolge de IOAW of IOAZ niet aan zijn
                            verplichtingen voldoet. Deze maatregel bestaat uit het verlagen van de
                            uitkering met een bepaald percentage.</al><al>Echter, voor personen zonder uitkering kan de gemeente de uitkering niet
                            verlagen als maatregel. Daarom is in het derde lid de mogelijkheid
                            opgenomen dat in die gevallen de gemeente (een deel van) de kosten die
                            gemaakt zijn terug kan vorderen. Daartoe is het noodzakelijk dat
                            afspraken hierover schriftelijk worden vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4. Budget- en subsidieplafonds</label></kop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling
                            maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput
                            zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen
                            voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de
                            gemeente bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen.</al><al>De Participatiewet stelt dat het ontbreken van financiële middelen
                            alleen geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De
                            gemeente dient dan na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er
                            beschikbaar zijn. Dit houdt dus is dat er geen algemeen plafond
                            ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een plafond
                            wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                            instrument wordt uitgeweken.</al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om
                            plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van
                            de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in de begroting voor de
                            verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in
                            het kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor
                            voorzieningen die subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel
                            bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (artikel
                            4:27 lid 1 Algemene wet bestuursrecht).</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3. Voorzieningen</label></kop><al>In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke instrumenten het college onder
                            andere in kan zetten ter bevordering van re-integratie en participatie.
                            In beleidsregels wordt de precieze inzet van de diverse instrumenten
                            uitgewerkt (artikel 4 tweede lid).</al><al/><al>Het college kan onder andere de volgende instrumenten inzetten:</al><lijst><li nr="-"><al>Werkervaring. Een werkervaringsplaats draagt bij aan het
                                            verkleinen van de afstand tot werk door te werken aan
                                            werknemers- en vakvaardigheden.</al></li><li nr="-"><al>Proefplaatsing. Een proefplaatsing wordt onder andere
                                            ingezet om de loonwaarde van iemand te bepalen zodat het
                                            juiste bedrag aan loonkostensubsidie ingezet kan worden.
                                            Een proefplaatsing is ook een ideale manier voor een
                                            werkgever en werknemer voor een eerste
                                            kennismaking.</al></li><li nr="-"><al>Sociale activering. Voor mensen met een grote afstand
                                            tot de arbeidsmarkt kan sociale activering worden
                                            ingezet. Op deze manier verwerven zij weer arbeidsritme,
                                            sociale contacten en interpersoonlijke vaardigheden die
                                            bijdragen aan het uiteindelijk kunnen bereiken van een
                                            betaalde baan.</al></li><li nr="-"><al>Detachering: Dit instrument kunnen we inzetten om
                                            kwetsbare mensen makkelijker aan het werk te helpen. De
                                            werknemer werkt voor de opdrachtgever zonder dat deze
                                            werkgever is. Voor veel werkgevers maakt dit de stap om
                                            kwetsbare mensen een kans te geven kleiner.</al></li><li nr="-"><al>Ondersteuning bij leer-werktrajecten, zoals bedoeld in
                                            artikel 10f van de wet</al></li><li nr="-"><al>Participatievoorziening beschut werk: Voor mensen die
                                            een aangepaste werkomgeving nodig hebben is het mogelijk
                                            om de voorziening beschut werk te organiseren.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5. Algemene bepalingen over voorzieningen</label></kop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het
                            college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening
                            gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het
                            (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al
                            naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een
                            voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het
                            voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met
                            behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het
                            opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via een werkervaringsplaats).</al><al/><al><cursief>Nadere regels</cursief></al><al>Het derde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor
                            voorzieningen nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om
                            bij subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college
                            over te laten.</al><al/><al><cursief>Beëindigingsgronden</cursief></al><al>Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen
                            en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij
                            ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het
                            opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij detachering. Bij deze laatste
                            wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen
                            uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in
                            acht te worden genomen.</al><al/><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                            opgenomen in artikel 3, vierde lid, van deze verordening. Een
                            voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel
                            7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit
                            punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in
                            artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel en 36,
                            derde lid, onderdeel b, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het
                            college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende
                            twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                            behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is
                            verstrekt. </al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                            re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                            bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die
                            kosten worden teruggevorderd.<noot id="d566e901"><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al>Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999,
                                    ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540</noot.al></noot>Terugvordering dient te geschieden op grond van het
                            Burgerlijk Wetboek.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6. Sociale Activering</label></kop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk
                            gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                            arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                            staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. . Bij
                            activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan
                            het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van
                            vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt<sup/>.<noot id="d566e915"><noot.nr> 2 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2002/03 28870, nr. 3, blz. 35. </noot.al></noot></al><al/><al><cursief>Doelgroep sociale activering </cursief></al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                            activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de
                            mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde
                            arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                            voorziening (artikel 6, eerste lid). </al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
                            van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op
                            sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een
                            persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen
                            waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die
                            mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te
                            maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel
                            personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar
                            de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te
                            bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                            maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                            arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die
                            persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht
                            op sociale activering. </al><al/><al><cursief>College stemt duur activiteiten af op de persoon
                            </cursief></al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van
                            activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het
                            college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van
                            een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit
                            gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7. Werkervaringsplaats</label></kop><al>Een werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone
                            arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van
                            een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het
                            bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid,
                            loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten
                            zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is
                            overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke
                            invulling van de overeenkomst. </al><al>Een werkervaringsplaats is gericht op uitbreiden kennis en ervaring. Er
                            is sprake van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit
                            overwegend is gericht op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de
                            werknemer. Er is geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                            verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand.
                            Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk
                            sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten. </al><al>Het gaat bij deze werkervaringsplaatsen om werken met behoud van
                            uitkering.</al><al/><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkervaringsplaats</cursief></al><al> Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            werkervaringsplaats aanbieden voor zover hij een afstand tot de
                            arbeidsmarkt heeft. </al><al/><al><cursief>Doel van de werkervaringsplaats</cursief></al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                            werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding
                            aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon
                            claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter
                            loonbetaling afdwingt. </al><al>De werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan
                            het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Op de tweede plaats
                            kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                            werkervaringsplaats kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op
                            tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. </al><al/><al><cursief>Opstellen schriftelijke overeenkomst </cursief></al><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een
                            schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het
                            doel worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze
                            schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij
                            een werkervaringsplaats niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding. </al><al/><al><cursief>Geen verdringing </cursief></al><al>De termijn waarbij er geen sprake is van verdringing is afhankelijk van
                            de economische omstandigheden op de markt waar de onderneming opereert.
                            Indien er sprake is van een hoogconjunctuur op die markt dient een
                            termijn van een jaar te worden gehanteerd door het college. Indien er
                            sprake is van een laagconjunctuur dient er een termijn van minimaal zes
                            maanden te worden gehanteerd. De mate waarin sprake is van hoog dan wel
                            laagconjunctuur kan verschillen. Zo is bijvoorbeeld herstel van de
                            economie over het algemeen het eerst zichtbaar in de uitzendbranche maar
                            andere bedrijven kunnen nog in de recessie zitten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8. Participatievoorziening Beschut werk</label></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de
                            werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                            niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid). </al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie </cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de
                            gemeente een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het
                            college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op
                            welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze
                            voorselectie uitvoeren<sup/>.<noot id="d566e986"><noot.nr> 3 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113, blz. 3.
                                </noot.al></noot> Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend
                            personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de
                            beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden
                            tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat
                            personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt veelal niet
                            uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot
                            de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die
                            uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                            beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de
                            Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig.
                            Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het
                            college moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                            inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in
                            een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                            </cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college
                            met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut
                            werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op
                            basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede
                            lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente </cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep
                            'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                            totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen<sup/>.<noot id="d566e1009"><noot.nr> 4 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113. </noot.al></noot></al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk' </cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                            zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                            beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van
                            de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                            publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f,
                            van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd,
                            behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan
                            bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV
                            of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte
                            omgeving bij reguliere werkgevers werken.</al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in
                            deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling
                            ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid).
                            Tevens is in deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de
                            omvang van het aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken,
                            vaststelt. Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld
                            een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen
                            zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden
                            waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden.</al><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                            hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het
                            aanbod is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare
                            plaatsen bij werkgevers. Daarom moet het college overleg voeren met
                            partners om de omvang van het aanbod te kunnen bepalen (vierde
                            lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9. Scholing </label></kop><al><cursief>Startkwalificatie </cursief></al><al>Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een
                            startkwalificatie. Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of
                            VWO-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo),
                            niveau twee. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing
                            noodzakelijk zijn voor de re-integratie. </al><al/><al><cursief>Jongeren </cursief></al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit
                            's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen
                            voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling op
                            grond van artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject </label></kop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                            ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van
                            oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig
                            moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit volgt uit
                            artikel 10f van de Participatiewet. </al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college
                            uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan
                            personen: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of
                                            de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969,
                                            nog niet is geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie
                                            hebben behaald.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                            jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                            school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                            kunnen behalen. Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of
                            VWO-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo),
                            niveau twee. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                            mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan
                            ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van
                            achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een
                            startkwalificatie kunnen behalen. </al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                            onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van
                            artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie
                            dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is
                            vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of
                            daarvoor in aanmerking komt<sup/>.<noot id="d566e1068"><noot.nr> 5 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, blz. 49.</noot.al></noot> In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de
                            Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de
                            jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11. Detacheringsbaan</label></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                            dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te
                            doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de
                            banen vormgegeven worden. </al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het
                            dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een
                            dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde
                            kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt
                            bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken
                            afspraken gemaakt.</al><al/><al><cursief>Geen verdringing</cursief></al><al>In het derde lid is bepaald dat de detacheringsbaan uitsluitend wordt
                            verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats vindt. Of er
                            sprake is van verdringing is afhankelijk van de economische
                            omstandigheden op de markt waar de onderneming opereert. Indien er
                            sprake is van een hoogconjunctuur op die markt dient een termijn van een
                            jaar te worden gehanteerd door het college. Indien er sprake is van een
                            laagconjunctuur dient er een termijn van minimaal zes maanden te worden
                            gehanteerd. De mate waarin sprake is van hoog dan wel laagconjunctuur
                            kan verschillen. Zo is bijvoorbeeld herstel van de economie over het
                            algemeen het eerst zichtbaar in de uitzendbranche maar andere
                            ondernemingen kunnen nog in de recessie zitten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12. Opstartsubsidie</label></kop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om
                            arbeidsinschakeling te bevorderen. Het moet gaan om voorzieningen die
                            een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen.</al><al/><al><cursief>Compensatie</cursief></al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor
                            het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet
                            worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet volledig kan
                            inzetten. De voorziening van opstartsubsidie is een tijdelijke
                            loonkostensubsidie aan de werkgever om tijdelijk het verschil in
                            arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie te
                            bewerkstelligen. </al><al/><al><cursief>Verdringing</cursief></al><al>De subsidie wordt uitsluitend verleend als er geen sprake is van
                            verdringing. Dit is afhankelijk van de economische omstandigheden op de
                            markt waar de onderneming opereert. Indien er sprake is van een
                            hoogconjunctuur op die markt dient een termijn van een jaar te worden
                            gehanteerd door het college. Indien er sprake is van een laagconjunctuur
                            dient er een termijn van minimaal zes maanden te worden gehanteerd. De
                            mate waarin sprake is van hoog dan wel laagconjunctuur kan verschillen.
                            Zo is bijvoorbeeld herstel van de economie over het algemeen het eerst
                            zichtbaar in de uitzendbranche maar andere ondernemingen kunnen nog in
                            de recessie zitten.</al><al/><al>De in dit artikel genoemde opstartsubsidie moet worden onderscheiden van
                            de loonkostensubsidie zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 13. Begeleidingssubsidie</label></kop><al>De uitvoeringspraktijk heeft behoefte aan een subsidie voor de extra
                            kosten van scholing en/of begeleiding van mensen die niet behoren tot de
                            doelgroepers (dit zijn dus de niet garantiebaners).</al><al>De begeleidingssubsidie was in de verordening 2012opgenomen en
                            uitgewerkt in de nadere regels loonkostensubsidie. De
                            begeleidingssubsidie is niet meer opgenomen in de verordening 2015. In
                            de praktijk blijkt daar wel behoefte aan te bestaan. Het betreft een
                            subsidie voor een werkgever die een arbeidsovereenkomst aanbiedt en
                            extra kosten maakt voor scholing en/of begeleiding voor maximaal €
                            3000,= Met extra kosten wordt bedoeld begeleidingskosten die uitstijgen
                            boven hetgeen redelijkerwijs van een werkgever mag worden verwacht bij
                            de begeleiding van een werknemer. Bij een doelgroeper krijgt een
                            werkgever een coach van de gemeente voor de begeleiding. Door deze
                            begeleidingssubsidie in te voeren wordt de grens tussen mensen die
                            vallen onder de doelgroep en degene die daartoe niet toe behoort minder
                            scherp. Wij stellen daarom voor om aan de verordening 2017 een artikel
                            toe te voegen waarin de kaders voor het verlenen van een
                            begeleidingssubsidie worden vastgelegd. De begeleidingssubsidie kan ook
                            worden ingezet voor werkgevers die zelf de jobcoaching op de werkplek
                            willen regelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14. Persoonlijke ondersteuning </label></kop><al>In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader
                            geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste
                            tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij
                            het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                            systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning
                            noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning
                            in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.
                            Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                            begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via
                            een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn<sup/>.<noot id="d566e1125"><noot.nr> 6 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013-2014,33 161, nr. 107, blz.
                                    115.</noot.al></noot></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14. Overige vergoedingen </label></kop><al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de
                            arbeidsinschakeling, besluit diverse kosten te vergoeden voor
                            activiteiten die daaraan bijdragen. Middels dit artikel wordt de
                            mogelijkheid geboden om bepaalde kosten te vergoeden. Voorbeelden zijn:
                            reiskosten, verhuiskosten en kledingkosten.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4: Loonkostensubsidie</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Algemeen </label></kop><al>Dit hoofdstuk van deze verordening geeft uitvoering aan artikel 6,
                            tweede lid, van de Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient
                            de gemeenteraad bij verordening regels vast te stellen over de doelgroep
                            loonkostensubsidie en de loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te
                            bepalen: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep
                                            loonkostensubsidie behoort, en</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al></li></lijst></li></lijst><al>Het college kan op verzoek of ambtshalve vaststellen wie tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie behoort op grond van artikel 10c van de
                            Participatiewet. Personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel a, van de Participatiewet die mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij met
                            voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk
                            minimumloon, behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie op grond van
                            artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. </al><al>Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een
                            dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de
                            loonwaarde van die persoon vast op grond van artikel 10d, eerste lid,
                            van de Participatiewet. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De
                            vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking
                            waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever
                            bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende
                            loon voor de door een persoon - die behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie - verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid
                            van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met
                            een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort (artikel 6, eerste lid, onderdeel g, van de
                            Participatiewet).</al><al/><al>Forfaitaire Loonwaarde</al><al>In verband met de wettelijke invoering van de mogelijkheid om voor de
                            eerste 6 maanden van het dienstverband een forfaitaire loonwaarde van
                            50% van het wettelijk minimumloon te hanteren, hebben gemeenten
                            toestemming om al vanaf de indiening van het wetsontwerp aan de tweede
                            kamer, hierop te anticiperen. Gemeente Almere heeft van de mogelijkheid
                            om te anticiperen gebruik gemaakt en hiervoor, net als de overige
                            regiogemeenten, een beleidsregel vastgesteld. Werkgevers krijgen
                            hierdoor de mogelijk om snel en zonder administratieve rompslomp kennis
                            te maken met de werknemer en een beter inzicht te vormen van de
                            competenties van de werknemer, om daarna een reële loonwaardemeting uit
                            te voeren. </al><al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in dit hoofdstuk van deze
                            verordening kan uitsluitend worden ingezet als de persoon in kwestie
                            behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6,
                            eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet: mensen met een
                            arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per
                            definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor een langere periode
                            worden ingezet. Met dit instrument compenseert de gemeente werkgevers
                            voor de verminderde productiviteit van de werknemer (zie Kamerstukken II
                            2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 16. Loonkostensubsidie</label></kop><al>Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan personen die
                            voldoen aan de vereisten doelgroep loonkostensubsidie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 17. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</label></kop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt
                            vastgesteld of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort:
                            op schriftelijke aanvraag of ambtshalve. </al><al>Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid,
                                            onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en36, derde
                                            lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar
                                            arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het
                                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                                            aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt
                                            en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                                            verleend; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college
                            is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie
                            behoort. Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te
                            stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt
                            ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). </al><al>In artikel 18, tweede lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht
                            genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6,
                            eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers
                            wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 18. Vaststelling loonwaarde.</label></kop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als
                            een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever
                            voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het
                            college de loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen
                            aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in
                            een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens
                            (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al>In de bijlage bij artikel 18 wordt de methode die het college gebruikt
                            om de loonwaarde van die persoon te bepalen omschreven. </al><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college
                            loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van
                            de Participatiewet.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 19 Forfaitaire loonkostensubsidie</label></kop><al>Met de forfaitaire loonkostensubsidie is het voor werkgevers eenvoudiger
                            om iemand met een beperking in dienst te nemen. Werkgevers en gemeenten
                            hebben de mogelijkheid een forfaitaire loonkostensubsidie van 50 procent
                            van het wettelijk minimumloon overeen te komen, tot maximaal 6 maanden
                            na ingang van het dienstverband. Aan het einde van die periode volgt de
                            loonwaardemeting op de werkplek en past de gemeente de
                            loonkostensubsidie aan op basis van de objectief vastgestelde loonwaarde
                            van de werknemer. Om in aanmerking te komen voor een (forfaitaire)
                            loonkostensubsidie kan een werkgever een aanvraag indienen. Hierdoor
                            wordt de loonwaardemeting meer op de persoon en zijn individuele
                            situatie gericht.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5: Individuele studietoeslag</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Algemeen</label></kop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                            Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het
                            college de mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in
                            staat zijn het minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag
                            te verstrekken als ze studeren. Het afronden van een studie versterkt de
                            positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover
                            werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft.</al><al/><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra
                            steuntje in de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de
                            drempel om te lenen een stuk hoger, omdat de kans op een baan later
                            lager is. Een studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten
                            om naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een
                            financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak
                            moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan (TK 2013-2014, 33
                            161, nr. 125, p. 2).</al><al/><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van
                            bijzondere bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de wet). De individuele
                            studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                            inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat
                            ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen.</al><al/><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op
                            in een verordening regels vast te stellen over het verlenen van een
                            individuele studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in
                            artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De regels
                            moeten in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie
                            van de betaling van de individuele studietoeslag (artikel 8, derde lid,
                            van de Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Discretionaire bevoegdheid </cursief></al><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire
                            bevoegdheid van het college. Dit betekent dat het college aan personen
                            die voldoen aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de
                            Participatiewet, een individuele studietoeslag kan toekennen, maar
                            hiertoe niet is gehouden. Het college kan in beleidsregels aangeven of
                            bepaalde groepen niet in aanmerking komen voor een studietoeslag. Het
                            college kan in plaats daarvan - en in aanvulling op artikel 36b, eerste
                            lid, van de Participatiewet - in beleidsregels aangeven wie, wanneer en
                            op grond van welke nadere voorwaarden recht heeft op een individuele
                            studietoeslag. </al><al/><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                            WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                            studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                            studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding,
                            leeftijd en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in
                            de Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van
                            een individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het
                            recht op een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een
                            persoon recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. De
                            persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk moeten maken
                            dat hij recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft,
                            bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een bewijs van
                            inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen.</al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van
                            toepassing bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b,
                            tweede lid, van de Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend
                            bij het college. Een individuele studietoeslag kan niet als lening
                            worden verstrekt als een persoon met de studietoeslag schulden wil
                            aflossen. Artikel 49 van de Participatiewet is namelijk niet van
                            toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van
                            de Participatiewet). Ook artikel 52 van de Participatiewet is niet van
                            toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van
                            de Participatiewet). Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan
                            worden verstrekt in de vorm van een voorschot.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 20. Individuele studietoeslag</label></kop><al><cursief>Voorwaarden individuele studietoeslag </cursief></al><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
                            van de Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele
                            studietoeslag. Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt
                            overigens zowel over verzoek als aanvraag. Het college kan op een
                            dergelijk verzoek – gelet op de individuele omstandigheden van een
                            persoon - een individuele studietoeslag verlenen. Hiervoor is vereist
                            dat deze persoon op de datum van de aanvraag: </al><lijst><li nr="-"><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet
                                            studiefinanciering 2000 of recht heeft op een
                                            tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                                            tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in
                                            artikel 34 van de Participatiewet heeft; en</al></li><li nr="-"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met
                                            voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van
                                            het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                                            arbeidsparticipatie heeft.</al><al/></li></lijst><al><cursief>Aanvraag individuele studietoeslag</cursief></al><al>Een verzoek om een individuele studietoeslag kan worden ingediend door
                            personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                            Participatiewet. Dit betreft personen die het college ondersteunt bij
                            arbeidsinschakeling:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid,
                                            onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde
                                            lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar
                                            arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit
                                            arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve
                                            van die persoon in die twee jaren geen
                                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                                            verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op
                                            grond van de Algemene nabestaandenwet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers,</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; en</al></li><li nr="-"><al>niet-uitkeringsgerechtigden.</al><al/></li></lijst><al>Het college kan aan deze personen, op een daartoe strekkend verzoek, een
                            individuele studietoeslag verlenen (artikel 36b, eerste lid</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>