<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44846_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening langdurigheidstoeslag 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-12-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wiekslag, 07-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening langdurigheidstoeslag 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening langdurigheidstoeslag 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening langdurigheidstoeslag 2010</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>I.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>– Begrippen</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De wet: de Wet werk en bijstand </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                                peildatum. </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Peildatum: de datum waarop voor dat kalenderjaar het recht op de
                                langdurigheidstoeslag ontstaat. </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien
                                verstande dat voor de zinsnede ‘een periode waarover een beroep op
                                bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de referteperiode’. Een
                                bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet
                                voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als
                                inkomen gezien. </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>Gehuwdennorm: de norm van artikel 21 onderdeel c van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>– Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>II.</nr><titel>Recht op langdurigheidstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– Langdurig, laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van
                                het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende
                                de referteperiode het gemiddeld inkomen per maand niet uitkomt boven
                                105 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van perioden waarin een belanghebbende is uitgesloten
                                van het recht op bijstand wordt een belanghebbende voor de
                                toepassing van het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben
                                ter hoogte van 100 procent van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van perioden waarin bij gehuwden één echtgenoot is
                                uitgesloten van het recht op bijstand worden zij voor de toepassing
                                van het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte
                                van 100 procent van de gehuwdennorm,</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>– Hoogte van de langdurigheidstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor gehuwden 40% van de gehuwdennorm, </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor een alleenstaande ouder 35% van de gehuwdennorm </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>voor een alleenstaande 30 % van de gehuwdennorm</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum
                                bepalend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien één van de gezinsleden op de peildatum is uitgesloten van het
                                recht op langdurigheidstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13,
                                eerste lid van de wet, waardoor slechts één van de gezinsleden recht
                                op langdurigheidstoeslag heeft, komt dit gezinslid voor een
                                langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande
                                of alleenstaande ouder zou gelden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari
                                aangepast aan de hand van de op die datum geldende
                                gehuwdennorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen 'alleenstaande',
                                'alleenstaande ouder' en 'gezin' worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over 'gehuwde(n)' of
                                'gehuwdennorm' hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als 'gezin', bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                'gezinsnorm', bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4b</nr><titel>Laag inkomen vanaf 1 januari 2012</titel></kop><al>Vanaf 1 januari 2012 wordt in deze verordening onder 'laag inkomen' als
                            bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet, verstaan: een inkomen tot
                            105% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>III.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            langdurigheidstoeslag 2010 </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>-Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2010. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting verordening langdurigheidstoeslag </tussenkop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel d WWB dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te leggen met betrekking tot het verlenen van een
                    langdurigheidstoeslag. Deze regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op
                    de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt
                    gegeven aan de begrippen langdurig, laag inkomen zoals die in artikel 36 lid 1
                    WWB wordt gebruikt. </al><al>In deze verordening is gekozen voor invulling die rekening houdt met de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de in de huidige regeling en
                    uitvoeringspraktijk gesignaleerde tekortkomingen. Voorts is gekozen voor een
                    invulling die zo veel mogelijk ongewenste armoedeval-effecten voorkomt. </al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>Begrippen die in de WWB voorkomen hebben in deze verordening dezelfde betekenis
                    als in de </al><al>WWB. Ten aanzien van een aantal begrippen, die als zodanig niet in de WWB zelf
                    staan is een </al><al>definitie gegeven in deze verordening. </al><al>De peildatum is zo gedefinieerd om de langdurigheidstoeslag per 1 januari van
                    het betreffende jaar toe te kunnen kennen.</al><al>Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van de WWB afwijkende definitie
                    opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht heeft gegeven om in de
                    verordening regels te geven met betrekking tot het begrip ‘langdurig, laag
                    inkomen’, is de gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van
                    artikel 36 lid 1 WWB nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt
                    aangesloten bij de in de bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door
                    de wetgever bedoelde) invulling van het begrip inkomen in artikel 36 lid 1 WWB
                    (tekst tot 1-1-2009), doch wordt de wettechnische imperfectie weggenomen. </al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Een referteperiode van 5 jaar, zoals artikel 36 WWB (tekst tot 1-1-2009)
                    voorschreef wordt als te lang ervaren. Nadat belanghebbenden 3 jaar op een
                    minimum inkomen zijn aangewezen is er over het algemeen niet veel
                    reserveringsruimte over. Daarom wordt hier een termijn van drie jaar
                    aangehouden. Dit sluit ook aan bij de impliciet door de wetgever gegeven
                    termijn. De </al><al>minimumleeftijd is door de wetgever teruggebracht van 23 naar 21 jaar. Een </al><al>belanghebbende is immers (normaal gesproken) vanaf zijn 18e voor de WWB een
                    zelfstandig </al><al>rechtssubject. </al><al>Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat niet
                    hoger is dan 105% van de bijstandsnorm. Marginale overschrijdingen van deze
                    105%-grens dienen genegeerd te worden (zie CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB
                    e.a.). </al><al>De methode van het kijken naar het gemiddelde loon maakt dat iemand die wegens
                    werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad
                    niet zonder meer zijn recht op langdurigheidstoeslag kwijt is. Een dergelijk
                    gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van werk. Dat
                    geldt temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid heeft over de
                    duur van dit werk. Het is evenwel niet de bedoeling dat een belanghebbende
                    perioden waarin hij een inkomen boven de bijstandsnorm heeft kan middelen met
                    perioden waarin hij vanwege de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond, zoals
                    bijvoorbeeld detentie, geen recht op bijstand had.</al><al>Dit geldt overeenkomstig voor gehuwden van wie één partner is uigesloten van het
                    recht op langdurigheidstoeslag. Daarom geldt dat dergelijke perioden voor het
                    berekenen van het gemiddelde inkomen meetellen als perioden waarin tenminste
                    100% van de bijstandsnorm is ontvangen. Het woord ‘tenminste’ in deze leden,
                    maakt, dat als er in bedoelde perioden in werkelijkheid meer inkomen dan
                    bijstandsnorm is geweest, dit hogere, werkelijke inkomen moet meetellen.</al><al>Er is bewust niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe
                    kennen bij een </al><al>inkomen boven 105 % bijstandsniveau. Van deze bevoegdheid wordt om een twee
                    redenen geen gebruik gemaakt. Ten eerste omdat dit ongewenste
                    armoedeval-effecten in zich heeft. Ten tweede omdat het in aanmerking laten
                    komen van belanghebbenden met een inkomen van bijvoorbeeld 110% van de bijstand
                    niet valt te rijmen met de wettelijke uitsluiting van </al><al>belanghebbenden van 65 jaar of ouder. Zij zijn immers uitgesloten van het recht
                    op </al><al>langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen al voldoende hoger zou zijn dan de
                    bijstandsnorm voor belanghebbenden tot 65 jaar. Het verschil is echter maar
                    ongeveer 5 tot 9 % ten opzichte van de 100% norm (precieze percentage is
                    afhankelijk van de vraag of iemand een alleenstaande, alleenstaande ouder of
                    gehuwde is). Het hanteren van een grens van 110% zou daarom maken dat de
                    uitsluiting van 65-plussers in dat geval strijdig is met het verbod op
                    leeftijdsdiscriminatie zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van Internationaal
                    Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. De feitelijke ruimte is dus
                    beperkt tot een grens van maximaal ongeveer 105 % van de bijstandsnorm. Door uit
                    te gaan van een maximaal inkomen van 105% is deze ruimte maximaal benut en
                    blijft de armoedeval beperkt.</al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>Om niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte
                    jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de
                    bijstandsnormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de
                    langdurigheidstoeslag maar eenmaal, wordt steeds vergelijking gemaakt met de
                    bijstandsnormen per 1 januari van het lopende jaar. </al><tussenkop>Artikel 5 en 6</tussenkop><al>Dit spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>