<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44840_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Winsum</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wiekslag, 10-08-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WIJ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12, lid 1, onderdeel e</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-08-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WIJ </intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Toeslagenverordening WIJ</vet></al><al/><al>Officiële titel Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren
                        gemeente Winsum</al><al>citeertitel Toeslagenverordening WIJ</al><al>Wettelijke grondslag Artikel 12, eerste lid onder e</al><al>Datum aanmaak april 2010</al><al/><al>De raad van de gemeente Winsum;</al><al>gelet op artikel 12, eerste lid, onderdeel e van de Wet investeren in
                        jongeren; </al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de wet: de Wet investeren in jongeren; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel
                                d, van de wet; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>college: het college van burgemeester en wethouders; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de
                                huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in
                                artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand; </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>woonkosten: </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de
                                huurtoeslag; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                                omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband
                                met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten
                                en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of meer
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21 jaar of
                                22 jaar betreft in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;
                            </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>5 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21 of 22
                                jaar betreft in wiens woning een of meer anderen hun hoofdverblijf
                                hebben;. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent
                                van de gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr/><al>De verlaging bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>15 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                waaraan voor belanghebbende geen hypotheeklasten verbonden zijn;
                            </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                waaraan voor de jongere geen woonkosten verbonden zijn; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>20 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het college stelt de norm als bedoeld in artikel 33 van de wet
                                gedurende zes maanden na het tijdstip van beeindiging onderwijs of
                                beroepsopleiding vast op: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het bedrag zoals genoemd in <onderstreept>artikel 33, lid 2a van de
                                    WWB </onderstreept>voor de thuiswonende schoolverlater </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het bedrag zoals genoemd in artikel 33, lid 2b van de WWB voor de
                                uitwonende schoolverlater </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>artikel 3 tot en met 6 zijn niet van toepassing wanneer dit artikel
                                van toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><lid><lidnr/><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat
                                de toepasselijke norm voor de jongere ten minste bedraagt: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>45 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande, </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>65 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder, </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>75 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van [DATUM
                            INWERKINGTREDING]. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van ………….. </ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING TOESLAGENVERANTWOORDING WIJ </tussenkop><tussenkop>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert, of als er nog geen werkleeraanbod kan worden
                    gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de
                    inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. Deze uitkering, de zogenaamde
                    inkomensvoorziening, volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de
                    voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering die geldt voor de
                    hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel (de
                    norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van
                    gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit gemeentelijk beleid moet door de
                    gemeenteraad in een verordening worden vastgelegd. </al><tussenkop>Relatie met de WWB </tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor
                    jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene bijstand
                    meer ontvangen. </al><tussenkop>Een toeslagenverordening Wet investeren in jongeren </tussenkop><al>Evenals in de WWB heeft de wetgever in de WIJ het college en de gemeenteraad
                    afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is verantwoordelijk voor de
                    uitvoering van de WIJ, terwijl de gemeenteraad de opdracht heeft gekregen in een
                    vijftal verordeningen regels vast te stellen, ondermeer met betrekking tot het
                    verhogen en verlagen van de normen die voor de inkomensvoorziening gelden
                    (artikel 12, eerste lid, sub e, WIJ). Deze regels moeten exclusief in een
                    verordening worden vastgelegd, ter wille van de rechtszekerheid, aldus de
                    Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 37).
                    Aangenomen mag worden dat deze regelgevende bevoegdheid rechtens niet kan worden
                    overgedragen aan het college. </al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat voor
                    een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                    verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Het is
                    daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                    beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                    verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend
                    vast te stellen </al><al>(artikel 35, vierde lid, WIJ). </al><tussenkop>Normen, toeslagen en verlagingen </tussenkop><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                    normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                    nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                    normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van </al><al>18 tot 21 jaar) en oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen
                    voor beide leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor
                    beide groepen gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij
                    het verblijf in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel
                    dus niet tot een wijziging van de financiële positie van de jongeren die
                    afhankelijk worden van een inkomensvoorziening. </al><tussenkop>Normen </tussenkop><al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (‘Recht op inkomensondersteuning’) zijn de normen
                    vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties (artikelen 26 t/m 29
                    WIJ). Voor personen van 21 jaar tot en met 27 jaar bestaat een drietal
                    basisnormen (artikelen 26, 27 en 28 WIJ), te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>1. gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>2. alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>3. alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige WWB-normering,
                    die is afgestemd op de kinderbijslag (artikelen 26, sub a, en 27, sub a, WIJ).
                    Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met bijzondere bijstand, voor
                    zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht
                    van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden. Artikel 12, WWB, blijft voor
                    deze groep onverkort van toepassing. </al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot 21
                    jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens identieke
                    normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot 65 jaar. </al><tussenkop>Toeslagen en verlagingen </tussenkop><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                    en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als thans in de WWB is
                    vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting om de norm voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met een toeslag als deze een
                    woning bewonen zonder medebewoner. Omdat de kosten van het bestaan dan niet
                    gedeeld kunnen worden met een ander bedraagt de toeslag het maximale bedrag,
                    zijnde 20% van de norm voor gehuwden in die leeftijdscategorie. Kunnen de
                    bestaanskosten wel met een ander gedeeld worden dan kan de toeslag worden
                    verlaagd. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten maar kan er ook voor kiezen
                    om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de
                    maximale toeslag te verstrekken (zie voor de WWB Kamerstukken II 2002-2003, 28
                    870, nr. 3, p. 52 en 53). </al><al>De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook voor de
                    norm voor gehuwden. Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de
                    woonsituatie, los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich meebrengt.
                    Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de jongere een
                    schoolverlater is. Ten slotte kan het college bij een 21- of 22-jarige
                    alleenstaande de toeslag verlagen om de uitkering in de pas te laten lopen met
                    het wettelijk minimumjeugdloon. De laatstgenoemde verlagingen kunnen niet in
                    combinatie met elkaar worden toegepast. Binnen de gestelde randvoorwaarden staat
                    het de gemeenten in beginsel vrij om eigen beleid te voeren over de hoogte van
                    de toeslagen en verlagingen. Er bestaat geen wettelijke verplichting om de norm
                    en/of toeslag te verlagen. </al><al>Ook voor gehuwde jongeren waarvan één van de partners in de leeftijdsgroep van
                    18 tot 21 jaar en de ander in de leeftijd van 21 tot 27 jaar zit, geldt dat de
                    norm verlaagd kan worden. De WIJ sluit dit, evenmin als de WWB, uit. Dit geldt
                    evenzeer voor het geval beide partners in de leeftijdsgroep 18 tot 21 jaar
                    zitten. Ook de voor hen geldende norm kan verlaagd worden. Niettemin wordt dit
                    niet opportuun geacht. De normen voor deze categorie jongeren zijn immers al
                    lager vastgesteld, vanwege de (vaak theoretische) onderhoudsplicht van ouders.
                    Het verder verlagen van deze normen kan er spoedig toe leiden dat deze jongeren
                    onder het bestaansminimum terechtkomen. Bovendien maakt categoriale verlaging op
                    deze groep jongeren de toch al behoorlijk complexe normensystematiek nog
                    ingewikkelder. </al><tussenkop>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met niet-rechthebbende partner </tussenkop><al>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een oudere partner, geldt dat de norm
                    gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of alleenstaande ouder geldt
                    (artikel 28, eerste lid, sub e, respectievelijk artikel 28, tweede lid, sub e,
                    WIJ). Personen van 27 jaar of ouder komen immers niet in aanmerking voor een
                    inkomensvoorziening in het kader van de WIJ.De norm alleenstaande of
                    alleenstaande ouder geldt ook als de andere partner om andere redenen
                    (bijvoorbeeld in geval van detentie) geen recht heeft op een inkomensvoorziening
                    (artikel 28, derde lid, WIJ). </al><al>De mogelijkheid om de norm voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met een
                    toeslag is in de WIJ evenwel beperkt tot de jongere die <cursief>feitelijk
                    </cursief>alleenstaande (ouder) <cursief>is </cursief>(artikel 30, eerste lid,
                    in verbinding met 26, sub b en 27, sub b, WIJ). Naar de letter bestaat dus voor
                    de gehuwde met niet-rechthebbende partner geen recht op toeslag. Niettemin mag,
                    gegeven de wens van de wetgever om een en ander zoveel mogelijk conform de WWB
                    te regelen en met een beroep op de jurisprudentie die gevormd is onder de WWB en
                    Abw, worden aangenomen dat ook gehuwde jongeren die voor de normering worden
                    gelijkgesteld met een alleenstaande (ouder), onder omstandigheden recht kunnen
                    hebben op een toeslag, mede gelet op het individualiseringsbeginsel, dat binnen
                    de WIJ klaarblijkelijk ook een rol speelt op het punt van normen, toeslagen en
                    verlagingen (artikel 35, vierde lid, WIJ; zie m.b.t. de bijstand bijvoorbeeld
                    CRvB 12 december 1995, JABW 1996/40). </al><al>Heeft de niet-rechthebbende partner geen of een zeer laag inkomen en is geen
                    sprake van medebewoning, dan zal de toeslag, naar analogie van de WWB, in
                    beginsel zelfs 20% van de gehuwdennorm moeten bedragen (CRvB 4 maart 2003, LJN:
                    AF6326). </al><al>Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er geen
                    aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de
                    bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers nimmer een uitkering
                    ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor gehuwden.
                    Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een alleenstaande
                    geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in verband met medebewoning
                    formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze beperkt is tot de gehuwdennorm (als
                    bedoeld in artikel 28, eerste/tweede lid onderdeel d, WIJ). In voorkomende
                    gevallen is het in dat geval mogelijk met toepassing van </al><al>artikel 18, eerste lid, WWB de bijstandsnorm van de bijstandsgerechtigde partner
                    te verlagen. </al><al>Voor de situatie dat beide partners ten laste komende kinderen hebben, is een
                    specifieke regeling getroffen. Dan geldt voor de jongere partner de
                        <cursief>gehuwdennorm </cursief>die bij zijn leeftijd past (artikel 28,
                    vierde lid, WIJ). Omdat daar expliciet over gehuwdennorm wordt gesproken, is
                    verlaging van die norm wegens medebewoning, wel mogelijk. De algemene bijstand
                    die de bijstandsgerechtigde partner ontvangt, moet vervolgens daarop in
                    mindering worden gebracht. </al><tussenkop>Berekening toepasselijke uitkering </tussenkop><al>In de WIJ is evenmin als in de WWB voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel
                    de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de
                    toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang toepassen van de verlaging op
                    de toeslag blijft ook in de WIJ de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit
                    overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en
                    leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de
                    leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten. </al><al>Bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de normuitkering voor jongeren als
                    volgt worden berekend: </al><lijst><li nr="1."><al>1. Norm;</al></li><li nr="2a."><al>2a. Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                            ouders)</al></li></lijst><al>OF </al><lijst><li nr="2b."><al>2b. Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                            (alleen bij gehuwden)</al></li><li nr="3."><al>3. Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li></lijst><al>Schoolverlaters hebben gedurende een half jaar conform artikel 33 een aparte
                    norm waarop het bovenstaande niet van toepassing is.</al><al>Leidt de uitkomst tot een lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                    artikel 8 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand
                    vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. </al><tussenkop>Zelfstandigen </tussenkop><al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod of inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e,
                    respectievelijk artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep
                    doen op de WWB. Dat geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke bijstand
                    voor levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal. Aandachtspunt bij de algemene
                    bijstand voor levensonderhoud is wel dat voor die jongeren de normensystematiek
                    uit de WIJ van toepassing is (zie artikel 58 WIJ). </al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>Evenals in de modeltoeslagenverordening WWB is het begrip ‘gehuwdennorm’
                    omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen en
                    verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd. Volstaan is met een
                    verwijzing naar artikel 28, tweede lid, sub e, WIJ. De daar genoemde
                    gehuwdennorm is gelijk aan de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub a, WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet op
                    de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip is
                    bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op de
                    huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige
                    woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd,
                    alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                    begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in
                    het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Deze omschrijving
                    wordt in veel verordeningen nog gebruikt. Het is aan het college overgelaten om
                    de onderhoudskosten vast te stellen. Het is ook denkbaar dat geen gebruik wordt
                    gemaakt van het begrip ‘woonkosten’, maar van de begrippen ‘huur’ en
                    ‘hypotheek’. Het verdient aanbeveling deze dan nader te omschrijven. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                    naar artikel 3, zesde lid, WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                    gelijkgesteld. </al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze verordening meerdere
                    malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste lid, WIJ omschrijft dit
                    begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te lande woonachtige Nederlander
                    (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter
                    verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                    (zie ook artikel 2). </al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht om
                    te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet
                    er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                    toeslag blijft op zijn plaats.</al><al>Evenals in de model-toeslagenverordening WWB is in deze verordening als
                    uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van
                    de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke
                    bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn
                    voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van
                    kosten mogelijk is. De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat
                    deze de meest efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst
                    fraudegevoelig is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen
                    aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de
                    toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de
                    gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde woning zijn
                    hoofdverblijf heeft.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om de toeslag voor
                    alleenstaanden van 21 of 22 jaar afwijkend vast te stellen indien het van
                    oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een drempel zou
                    kunnen zijn om werk te aanvaarden.</al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>Artikel 5 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld wordt met
                    een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in dezelfde situatie.
                    De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten delen met één of meer
                    anderen en daarom is een verlaging op zijn plaats. </al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><al>Als aan een woning geen <cursief>woonkosten </cursief>verbonden zijn, is sprake
                    van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32, WIJ, opent om die
                    reden de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 6
                    gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat de norm of toeslag met 20%
                    wordt verlaagd als de jongere geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen bij
                    krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld de
                    ouders of de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur
                    of, als de jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en
                    de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden
                    vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29
                    NABW). </al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonlasten heeft en is
                    hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd
                    wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de
                    uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele verlaging
                    (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel
                    zal de verlaging dan beperkt moeten worden. </al><al>Onder sub c. is bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of
                    toeslag met 20% wordt verlaagd. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 33, WIJ, is blijkens de toelichting op
                    dat artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in
                    een veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de WTOS. </al><al>Indien de schoolverlatersverlaging wordt toegepast zijn de artikelen 3 tot en
                    met 6 niet van toepassing. Medebewoning heeft dus geen invloed op de hoogte van
                    de norm die conform artikel 7 wordt toegekend.</al><al>Relevante jurisprudentie met betrekking tot dit artikel CRvB 12 mei 2009, LJN:
                    BI5349. Als de schoolverlater voor beëindiging van de studie studiefinanciering
                    WSF2000 ontving naar de norm van uitwonende student, dan moet de
                    inkomensvoorziening minimaal op die norm worden vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 8 </tussenkop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                    aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat het college
                    de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een toereikende
                    uitkering. In voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 35,
                    vierde lid, WIJ, de inkomensvoorziening hoger moeten vaststellen. </al><al>Daarom is ervoor gekozen om reeds in de Toeslagenverordening een
                        <cursief>absoluut </cursief>minimumbedrag vast te leggen, waarop het college
                    de norm (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen.
                    Dat laat onverlet dat in concrete omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar
                    is dat de norm hoger moet worden vastgesteld. Zie bijvoorbeeld jurisprudentie
                    ten aanzien van de samenloop van een verlaging in verband met medebewoning en
                    het ontbreken van woonkosten (CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698) en de samenloop van
                    een schoolverlatersverlaging en een verlaging in verband medebewoning (CRvB 12
                    mei 2009, LJN: BI5349). </al><al>Het individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop ook
                    bij een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde percentages ligt,
                    al aanleiding is om tot verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle
                    omstandigheden van de jongere. </al><al>Aan de verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ, te weten dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging (artikel
                    33, WIJ) en de leeftijdsverlaging (artikel 34, WIJ) niet gelijktijdig mogen
                    worden toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel 7 van de
                    Toeslagenverordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>