<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR4483_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening Dongen 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad voor Dongen van 9 augustus 2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening Dongen 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 150 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-06-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-08-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraakverordening Dongen 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 begripsbepalingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>inspraak:</vet> het betrekken van ingezetenen en
                                belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="2."><al><vet>inspraakprocedure: </vet>de wijze waarop de inspraak gestalte
                                wordt gegeven.</al></li><li nr="3."><al><vet>beleidsvoornemen:</vet> het voornemen van het bestuursorgaan
                                tot het vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                            inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                            beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een
                                            eerder vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift
                                            is uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                            waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                            beleidsvrijheid heeft.</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                            dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV
                                            van de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen zo
                                            spoedeisend is dat inspraak niet kan worden
                                            afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het
                                            belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor
                                            kwetsbare groepen in de samenleving.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                    mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                    wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van
                                    het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                            openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Inspraakverordening, zoals vastgesteld op 18 mei 1995, na gemeentelijke
                        herindeling bekrachtigd bij raadsbesluit van 2 januari 1997, wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt 8 dagen na de dag van bekendmaking in werking.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening Dongen 2007.</al></artikel></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Bijlage 1 – Inspraakprocedure Wet op de Ruimtelijke Ordening</vet></al><al>(horende bij Inspraakverordening Dongen 2007)</al><lijst><li nr="A."><al>Voor vrijstelling als bedoeld in artikel 19, lid 1 of 2 van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening kan de Inspraakverordening Dongen 2007 van
                            toepassing worden verklaard met dien verstande dat artikel 4 gewijzigd
                            wordt door:</al></li><li nr="1."><al>Het verzoek om vrijstelling c.q. aanvraag om bouwvergunning, de
                            (concept) ruimtelijke onderbouwing en alle relevante stukken worden
                            gedurende een termijn van tenminste twee weken voor inspraak ter inzage
                            gelegd.</al></li><li nr="2."><al>Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder schriftelijk of
                            mondeling zienswijzen naar voren brengen. Het mondeling naar voren
                            brengen van een zienswijze is enkel mogelijk op afspraak.</al></li><li nr="3."><al>Het verzoek om vrijstelling kan aanleiding zijn voor het houden van een
                            inspraakavond.</al></li><li nr="B."><al>Op de voorbereiding van een ontwerp van een bestemmingsplan kan de
                            Inspraakverordening Dongen 2007 van toepassing worden verklaard met dien
                            verstande dat artikel 4 gewijzigd wordt door:</al><lijst><li nr="1."><al>Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van
                                    de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande
                                    dat zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een
                                    ieder.</al></li><li nr="2."><al>Het mondeling naar voren brengen van een zienswijze is enkel
                                    mogelijk op afspraak.</al></li><li nr="3."><al>Het voorontwerp bestemmingsplan kan aanleiding zijn voor het
                                    houden van een inspraakavond.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><titel>Inspraakverordening Dongen 2007</titel></kop><al/><al><vet><onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></vet></al><al><vet>Toelichting Inspraakverordening Dongen 2007</vet></al><al/><al><vet>Artikel 150 van de Gemeentewet</vet></al><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. Bij besluit van
                    18 mei 1995 heeft de raad van Dongen de Inspraakverordening vastgesteld. De
                    nieuwe Inspraakverordening Dongen 2007 is aangepast aan diverse wetswijzigingen
                    op nationaal niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk
                    9 van de Awb is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet
                    dualisering gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende
                    bijzondere wetten (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet en artikel 7a
                    van de Wet stedelijke vernieuwing). Tevens is het model aangepast aan de
                    Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr).</al><al/><al><vet>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</vet></al><al/><al>Met deze herziening is de inspraakverordening tevens aangepast aan de Wet
                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). In deze wet is
                    afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de Gemeentewet
                    gewijzigd. De Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de
                    Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure zijn op 1 juli 2005 in
                    werking getreden.</al><al>Volgens het overgangsrecht is artikel 150 van de Gemeentewet een jaar na de
                    inwerkingtreding van de wet aangepast. Artikel 150 van de Gemeentewet luidt
                    sinds 1 juli 2006 als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met
                            betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                            voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing
                            van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover in de
                            verordening niet anders is bepaald.</al></li></lijst><al>De Inspraakverordening Dongen 2006 is hierop aangepast om aan de nieuwe
                    wetgeving te kunnen voldoen.</al><al/><al><vet>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</vet></al><al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze twee procedures ineen te schuiven en
                    tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb wordt de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere
                    wetten van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van
                    toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten.</al><al>Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van artikel 150 van de
                    Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan (zie ook
                    de memorie van antwoord (MvA) Eerste Kamer, 2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz.
                    3). In de memorie van toelichting (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023, nummer
                    3, blz. 31) is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als
                    gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan
                    bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het wenselijk is om wel een ontwerp
                    ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren
                    dan via het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met
                    andere termijnen, aldus de MvT.</al><al/><al><vet>Inspraakprocedure/deregulering</vet></al><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Thans is
                    gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het dereguleringsstreven
                    van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing verklaren van de
                    procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen van overbodige
                    bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige paragraafindeling, is de
                    verordening gedereguleerd. Nu resteert een bondige en goed leesbare verordening
                    van slechts acht artikelen. Bovendien maakt een globale raamregeling het
                    mogelijk dat recht wordt gedaan aan de behoefte van insprekers en
                    gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal en reikwijdte van het
                    beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een gedetailleerde en daardoor
                    rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen van insprekers.</al><al/><al><vet>Alternatieven voor inspraak</vet></al><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden worden
                    van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te
                    wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en
                    commissievergaderingen (regeling via het reglement van orde of een
                    commissieverordening). Andere mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn:
                    het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren, het houden van
                    informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is uiteraard ook van een andere
                    orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te
                    vechten door middel van bezwaar en beroep.</al><al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen - hoe deze opgelost zullen worden<cursief>.</cursief></al><al/><al><vet><onderstreept>Artikelgewijze</onderstreept><onderstreept>
                            toelichting</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.Begripsomschrijvingen</vet></al><al>a.Inspraak:</al><al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit artikel
                    opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de
                    Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van
                    het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan
                    ingezetenen en belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over
                    beleidsvoornemens kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan
                    bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de
                    beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig
                    artikel 150 van de Gemeentewet ‘eenzijdig’ gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen
                    gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen. Geadviseerd wordt echter
                    het tweezijdige element van gedachtewisseling zo mogelijk wel onder de
                    inspraakprocedure te brengen, omdat hiermee een derde doel kan worden gediend,
                    te weten het creëren van draagvlak voor beleidsvoornemens (zie ook de algemene
                    toelichting, onder Alternatieven voor inspraak, over interactieve
                    beleidsvorming).</al><al/><al/><al>b.Inspraakprocedure:</al><al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt
                    ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. Zoals in de algemene
                    toelichting is vermeld, is in de inspraakverordening afdeling 3.4 Awb van
                    toepassing verklaard. Artikel 4, tweede lid, van de inspraakverordening geeft
                    het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan
                    is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en organisatie
                    van de inspraak.</al><al/><al>c.Beleidsvoornemen:</al><al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het
                    bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk
                    zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of
                    maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden
                    gebaseerd.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat
                    het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                    beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen
                    doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld
                    spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                    van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is
                    een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder zijn de wettelijke
                    verplichtingen opgesomd. Deze zijn niet opgenomen in de tekst van artikel 2
                    zelf, omdat bij een nieuwe wettelijke verplichting direct de verordening moet
                    worden aangepast en het een dermate uitgebreide opsomming is dat de verordening
                    hiermee onoverzichtelijk wordt.</al><al/><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 Wet
                            op de stads- en dorpsvernieuwing);</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);</al></li><li nr="c."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid, Wet milieubeheer (WM));</al></li><li nr="d."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26,
                            tweede lid, WM);</al></li><li nr="e."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                            voorzieningen gehandicapten);</al></li><li nr="f."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Algemene bijstandswet
                            (artikel 118), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42, eerste lid, onder
                            d) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 42, eerste lid, onder
                            d);</al></li><li nr="g."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid).</al></li></lijst><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</vet></al><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de gemeentewet is het begrip
                    ‘ingezetenen’ omschreven als zij die hun werkelijke woonplaats in de gemeente
                    hebben. Zij die als ingezetene met een adres zijn ingeschreven in de
                    gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente, worden voor
                    de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht
                    werkelijke woonplaats te hebben in die gemeente. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden ‘in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen’ vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    ‘belanghebbende’ is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Inspraakprocedure</vet></al><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 Awb is
                    de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het
                    beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of
                    mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze
                    procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het
                    tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. Het is voorstelbaar dat
                    bijvoorbeeld de genoemde zes weken termijn door het bestuursorgaan te lang wordt
                    bevonden. Deze termijn zou in de verordening kunnen worden aangepast of bij
                    besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid. </al><al>In dit kader wordt voor twee punten aandacht gevraagd.</al><lijst><li nr="1."><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief referendum
                            omvatten (uitvoering van de wijze waarop men zijn zienswijze naar voren
                            kan brengen). Dit middel zal echter, gezien de daaraan verbonden kosten,
                            op beperkte schaal worden toegepast. Daarnaast zijn wij ook van mening
                            dat dit in een afzonderlijke verordening moet worden vormgegeven.</al></li><li nr="2."><al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te
                            ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Voor
                            vrijstellingsprocedures als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening en voor de voorbereiding van een ontwerp van een
                            bestemmingsplan zijn in bijlage 1 aparte procedures opgenomen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5 Eindverslag</vet></al><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure: artikel 3:13, vijfde lid) Awb wordt namelijk slechts
                    bepaald dat een verslag wordt gemaakt</al><al> van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht.</al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                    afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage
                    gelegd enz.?</al><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt. In dit geval houdt dit dus in op de wijze
                    zoals gebruikelijk is in de gemeente Dongen. Benadrukt wordt hierbij dat de
                    bekendmaking van de resultaten van de inspraak uitermate belangrijk is. Het ligt
                    voor de hand om degenen die hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag
                    te sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de
                    krant en op de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is,
                    kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan
                    te bevelen om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie
                    te verschaffen.</al><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                    vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid,
                    aanhef en onder b, van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Intrekking oude verordening</vet></al><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt (zie artikel 7).</al><al/><al><vet>Artikel 7 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt 8 dagen na de dag van bekendmaking in werking.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening Dongen 2007. Uit het
                    opgenomen jaartal dient niet de conclusie getrokken te worden dat deze
                    verordening slechts voor één jaar geldt. </al><al/><al><vet>Toelichting bijlage 1 – Wet op de Ruimtelijke Ordening</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Op 1 juli 2005 is de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure in werking
                    getreden. Tegelijkertijd is artikel 6a, het inspraakartikel, uit de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening geschrapt. Dit houdt in dat het volgen van een
                    inspraakprocedure voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen niet meer</al><al> verplicht is.</al><al>De inspraakverordening is aangepast maar geeft de algemene lijnen voor inspraak
                    aan en niet specifiek de te volgen weg bij ruimtelijke plannen of projecten.
                    Ingevolge artikel 4, lid 2 van de Inspraakverordening Dongen 2006 is het
                    mogelijk dat het bestuursorgaan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                    inspraakprocedure kan vaststellen.</al><al>Voor de voorbereiding van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19,
                    lid 1 of 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de voorbereiding van
                    een ontwerp van een bestemmingsplan is het vaak wenselijk dat voorafgaand aan de
                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de
                    Algemene wet bestuursrecht een afzonderlijke inspraakprocedure wordt gehouden.
                    Plannen kunnen zo in een vroegtijdig stadium aan de burgers worden voorgelegd en
                    zij kunnen hun mening geven. Indien als gevolg van de ingekomen reacties c.q.
                    zienswijzen het wenselijk blijkt wijzigingen in een (bestemmings)plan aan te
                    brengen, kan dit vaak vrij eenvoudig worden gerealiseerd. Naarmate de procedure
                    verder is gevorderd, krijgt het geheel een meer formeel karakter en zullen
                    (bestemmings)plannen minder snel gewijzigd worden.</al><al>Formeel is het besluit omtrent het houden van inspraak bij een
                    vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19.1 WRO en bij de voorbereiding
                    van een bestemmingsplan een bevoegdheid van de gemeenteraad. Bij het vaststellen
                    van de Inspraakverordening Dongen 2007 is echter de bevoegdheid gedelegeerd aan
                    het college van burgemeester en wethouders. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><onderstreept>Artikel A</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Een termijn van 6 weken op basis van afdeling 3.4. van de Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb) voor het houden van inspraak is vrij lang. Immers op
                            grond van artikel 19a, lid 4 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is op
                            de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling afdeling 3.4.
                            A</al><al>wb ook van toepassing. Wanneer inspraak op basis van de
                            Inspraakverordening Dongen 2006 zou worden verleend, zou het plan 12
                            weken ter inzage liggen (6 weken inspraak en 6 weken Uniforme Openbare
                            Voorbereidingsprocedure). Voorgesteld wordt daarom om – wanneer inspraak
                            wenselijk is - het plan voor tenminste 2 weken voor inspraak ter inzage
                            te leggen. In afwijkende gevallen kunnen burgemeester en wethouders
                            besluiten de inzagetermijn langer te laten zijn.</al></li><li nr="2."><al>Overeenkomstig artikel 19a, lid 4 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                            is inspraak voor eenieder en niet enkel voor ingezetenen en
                            belanghebbenden. Door het maken van een afspraak voor het inbrengen van
                            een mondelinge zienswijze (buiten een inspraakavond) wordt voorkomen dat
                            een burger tegen een willekeurige medewerker zijn zienswijze kenbaar
                            maakt maar deze kenbaar maakt bij een ambtenaar die van het geheel op de
                            hoogte is.</al></li><li nr="3."><al>Het houden van een inspraakavond is niet voor elk plan noodzakelijk.
                            Voor een groot deel van de plannen welke met vrijstelling als bedoeld in
                            artikel 19, lid 1 of 2 WRO worden verleend, is het afdoende om het plan
                            voor tenminste twee weken voor inspraak ter inzage te leggen. Bij andere
                            plannen (bijvoorbeeld grotere inbreidingslocaties, centrumplannen) kan
                            het wenselijk zijn een inspraakavond te organiseren. Dit artikel biedt
                            burgemeester en wethouders hiertoe de gelegenheid.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Artikel B</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Op grond van artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient
                            bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gevoerd te worden
                            met de betrokken waterschappen en waar nodig tevens overleg met de
                            besturen van de gemeente wier belangen rechtsreeks in het geding zijn,
                            met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg
                            voor de ruimtelijke ordening alsmede met die diensten van Rijk en
                            provincie die belast zij met de behartiging van belangen welke in het
                            plan in geding zijn. Parallel hier aan kan – indien wenselijk - inspraak
                            worden gehouden waarbij eenieder zijn/haar mening over het plan kenbaar
                            maakt. Gelet op de termijnen waarbinnen waterschappen, provincie en
                            andere instanties reageren, is het niet nodig de in afdeling 3.4. Awb
                            genoemde termijn van 6 weken in te korten.</al></li><li nr="2."><al>Door het maken van een afspraak voor het inbrengen van een mondelinge
                            zienswijze (buiten een inspraakavond) wordt voorkomen dat een burger
                            tegen een willekeurige medewerker zijn zienswijze kenbaar maakt maar
                            deze kenbaar maakt bij een ambtenaar die van het geheel op de hoogte
                            is.</al></li><li nr="3."><al>Het houden van een inspraakavond is niet voor elk plan noodzakelijk. Bij
                            bijvoorbeeld partiële herzieningen kan het voldoende zijn wanneer het
                            plan voor inspraak ter inzage wordt gelegd. Bij andere plannen
                            (bijvoorbeeld uitbreidingsplannen, algehele bestemmingsplanherzieningen)
                            kan het wenselijk zijn een inspraakavond te organiseren. Dit artikel
                            biedt burgemeester en wethouders hiertoe de gelegenheid.</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>