<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<cvdr
    xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"
    xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dc="http://purl.org/dc/"
    xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/"
    xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/"
    xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"
    xmlns:sch="http://www.ascc.net/xml/schematron" xmlns:xopus="http://www.xopus.com/xmlns/xsd"
    xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
    <meta>
        <owmskern>
            <dcterms:identifier>CVDR448072_2</dcterms:identifier>
            <dcterms:title>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet ISD
                Bollenstreek 2015</dcterms:title>
            <dcterms:language>nl</dcterms:language>
            <dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type>
            <dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijk</dcterms:creator>
            <dcterms:modified>2017-04-12T09:56:21Z</dcterms:modified>
            <dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijk</dcterms:spatial>
        </owmskern>
        <owmsmantel>
            <dcterms:alternative>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet ISD
                Bollenstreek 2015</dcterms:alternative>
            <dcterms:subject>algemeen</dcterms:subject>
            <dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artt. 6, tweede lid, 8a, eerste
                lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde
                lid</dcterms:source>
            <dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued>
            <dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 31-12-2014</dcterms:isFormatOf>
            <dcterms:publisher scheme="overheid:Gemeente">Noordwijk</dcterms:publisher>
            <overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente"
                >gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy>
        </owmsmantel>
        <cvdripm>
            <overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum>
            <overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-08-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum>
            <overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft>
            <overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk>
            <overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving>
                <al>Geen.</al>
            </overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving>
            <overheidrg:redactioneleToevoeging>
                <al>Geen.</al>
            </overheidrg:redactioneleToevoeging>
        </cvdripm>
    </meta>
    <body>
        <intitule/>
        <regeling>
            <aanhef>
                <preambule>
                    <al>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet ISD
                        Bollenstreek 2015</al>
                    <al/>
                    <al>De raad van de gemeente Noordwijk,</al>
                    <al/>
                    <al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek van
                        d.d. ……….,</al>
                    <al>gelet op de Gemeenschappelijke regeling van de Intergemeentelijke Sociale
                        Dienst Bollenstreek; </al>
                    <al/>
                    <al>Gelet op de artikelen 6, tweede lid, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d
                        en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al>
                    <al/>
                    <al>BESLUIT</al>
                    <al/>
                    <al>vast te stellen de: Verordening re-integratie en loonkostensubsidie
                        Participatiewet ISD Bollenstreek 2015</al>
                    <al/>
                    <al>HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen</al>
                    <al/>
                    <al>Artikel 1. Begrippen</al>
                    <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
                    <lijst>
                        <li nr="a.">
                            <al>de wet: de Participatiewet;</al>
                        </li>
                        <li nr="b.">
                            <al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a,
                                van de wet; </al>
                        </li>
                        <li nr="c.">
                            <al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke
                                zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; </al>
                        </li>
                        <li nr="d.">
                            <al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de ISD
                                Bollenstreek;</al>
                        </li>
                        <li nr="e.">
                            <al>de raad: de gemeenteraad.</al>
                        </li>
                        <li nr="f.">
                            <al>Uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de
                                Participatiewet, de IOAW of IOAZ jonger dan de pensioen gerechtigde
                                leeftijd.</al>
                        </li>
                        <li nr="g.">
                            <al>startkwalificatie: een Havo of VWO-diploma of een diploma van het
                                middelbaar beroepsonderwijs (MBO) niveau 2.</al>
                            <al/>
                            <al>HOOFDSTUK 2. Beleid en financiën</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan aan een persoon uit de doelgroep
                                ondersteuning bieden bij de arbeidsinschakeling en, voor zover het
                                dagelijks bestuur dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op
                                die arbeidsinschakeling. </al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen biedt het dagelijks bestuur maatwerk. Daarbij
                                wordt door het dagelijks bestuur een afweging gemaakt, waarbij
                                gekeken wordt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en
                                capaciteiten van een klant, het meest doelmatig is met het oog op
                                inschakeling in de arbeid.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Het dagelijks bestuur draagt zorg voor voldoende diversiteit in het
                                aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.</al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan bij het bepalen van het aanbod van
                                voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de wettelijke dan
                                wel financiële, maatschappelijke of economische of conjuncturele
                                mogelijkheden.</al>
                        </li>
                        <li nr="5.">
                            <al>Het dagelijks bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze
                                verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden
                                en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben
                                in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="6.">
                            <al>Het dagelijks bestuur zendt (eenmaal per jaar) aan de gemeenteraad
                                een verslag over de doeltreffendheid van het beleid. Dit verslag kan
                                onderdeel uitmaken van het programmaverslag als bedoeld in de
                                gemeenschappelijke regeling ISD Bollenstreek </al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 3. Budget- en subsidieplafonds</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan bij uitvoeringsbesluit een of meer
                                subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                                voorzieningen. Een door het dagelijks bestuur ingesteld subsidie- of
                                budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                specifieke voorziening.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan een plafond instellen voor het aantal
                                personen dat in aanmerking komt voor een specifieke
                                voorziening.</al>
                            <al/>
                            <al>HOOFDSTUK 3. Voorzieningen</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 4. Algemene bepalingen over voorzieningen</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze
                                verordening een beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke
                                voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het dagelijks
                                bestuur in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij
                                gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere
                                bepalingen zijn opgenomen.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Een voorziening kan bestaan uit:</al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>ondersteuning bij het verwerven en behouden van arbeid;</al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>ondersteuning bij het verbeteren of behouden van de positie
                                        op de arbeidsmarkt binnen de maatschappij</al>
                                </li>
                                <li nr="c.">
                                    <al>ondersteuning bij het wegnemen van belemmeringen voor de
                                        arbeidsinschakeling;</al>
                                </li>
                                <li nr="d.">
                                    <al>een loonkosten- of opstapsubsidie</al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Onverminderd het tweede lid kan een voorziening tevens bestaan
                                uit:</al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>de noodzakelijke kosten die samenhangen met de deelname aan
                                        een voorziening;</al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>de kosten ter bepaling van noodzakelijkheid en inhoud van
                                        een voorziening;</al>
                                </li>
                                <li nr="c.">
                                    <al>de noodzakelijke kosten in verband met loonvormende
                                        arbeid.</al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen als:</al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al>
                                </li>
                                <li nr="c.">
                                    <al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al>
                                </li>
                                <li nr="d.">
                                    <al>naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling;</al>
                                </li>
                                <li nr="e.">
                                    <al>de voorziening naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                                        niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                        de voorziening;</al>
                                </li>
                                <li nr="f.">
                                    <al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al>
                                </li>
                                <li nr="g.">
                                    <al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 5. Werkstage</al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>behoort tot de doelgroep</al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Deze werkstage duurt maximaal zes maanden.</al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>Het dagelijks bestuur plaatst de persoon als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al>
                        </li>
                        <li nr="5.">
                            <al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: </al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>het doel van de werkstage, en</al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. </al>
                                    <al/>
                                    <al> </al>
                                    <al>Artikel 6. Proefplaatsing</al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan personen behorende tot de doelgroep in
                                staat stellen om voorafgaande aan een regulier dienstverband
                                werkervaring op te doen met behoud van uitkering in de vorm van een
                                proefplaatsing.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Het doel van de proefplaatsing is de persoon werkervaring op te
                                laten doen in zijn/haar toekomstige functie om daarmee uitval na het
                                dienstverband te voorkomen. </al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Deze proefplaatsing duurt niet langer dan twee maanden.</al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>Het dagelijks bestuur biedt de persoon alleen een proefplaatsing aan
                                indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord
                                worden beïnvloed en hierdoor geen verdringing van reguliere arbeid
                                plaatsvindt.</al>
                        </li>
                        <li nr="5.">
                            <al>In een schriftelijke overeenkomst wordt ten minste vastgelegd het
                                doel van de proefplaatsing alsmede de wijze waarop begeleiding
                                plaatsvindt.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 7. Work First</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan besluiten aan een persoon die behoort tot
                                de doelgroep werk aan te bieden volgens het zogenoemde work
                                firstmodel.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Nadere uitvoeringsregels over het gestelde in het eerste lid worden
                                met inachtneming van de hiervoor geldende wet- en regelgeving
                                vastgesteld.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 8. Sociale activering</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van
                                maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op een
                                traject gericht op arbeidsinschakeling.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Het dagelijks bestuur stemt de duur van de in het eerste lid
                                bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 9. Detacheringsbaan</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan zorgen voor toeleiding van een persoon die
                                behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever,
                                gericht op arbeidsinschakeling.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>De werknemer wordt alleen geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 10. Scholing</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                een vorm van </al>
                            <al>scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>In afwijking van het eerste lid moet het dagelijks bestuur aan een
                                alleenstaande ouder </al>
                            <al>die niet beschikt over een startkwalificatie en met een ontheffing
                                van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a van de wet een
                                scholingsaanbod doen dat de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert
                                tenzij naar het oordeel van het dagelijks bestuur een dergelijke
                                scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
                                alleenstaande ouder te boven gaat.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>In afwijking van het eerste lid moet het dagelijks bestuur aan een
                                persoon die niet </al>
                            <al>beschikt over een startkwalificatie binnen 6 maanden na aanvang van
                                de onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a
                                van de wet een vorm van scholing of opleiding aanbieden, indien dit
                                kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces, tenzij naar het oordeel van het dagelijks bestuur een
                                dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
                                persoon te boven gaat.</al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan in een uitvoeringsbesluit nadere regels
                                stellen ten aanzien </al>
                            <al>van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de maximale
                                kosten.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 11. Participatieplaats</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan aan de persoon, bedoeld in artikel 2, lid
                                1, een participatieplaats met behoud van het recht op algemene
                                bijstand, IOAW of IOAZ aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling,
                                waarbij voor tenminste 12 uur per week additionele, onbetaalde
                                werkzaamheden worden verricht.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>In afwijking van hetgeen in dit artikel is bepaald, kan de
                                participatieplaats niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling
                                van belanghebbenden jonger dan 27 jaar.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Het doel van een participatiebaan is het opdoen van werkervaring dan
                                wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>De duur van de participatieplaats is gemaximeerd tot 2 jaar.</al>
                        </li>
                        <li nr="5.">
                            <al>De participatieplaats kan ten hoogste 2 keer voor de duur van één
                                jaar worden verlengd, onder voorwaarde dat deze participatiebaan bij
                                de eerste verlenging bij een andere werkgever wordt ingevuld.</al>
                        </li>
                        <li nr="6.">
                            <al>Een verlenging van de duur van een participatieplaats is slechts
                                mogelijk indien een aanmerkelijke verbetering van de
                                arbeidsmarktpositie van de persoon wordt gerealiseerd.</al>
                        </li>
                        <li nr="7.">
                            <al>Het dagelijks bestuur plaatst de in dit artikel bedoelde persoon
                                alleen dan in een (verlengde) participatieplaats indien deze persoon
                                een schriftelijke overeenkomst vóór het ingaan van de (verlengde)
                                participatiebaan mede heeft ondertekend.</al>
                        </li>
                        <li nr="8.">
                            <al>Deze overeenkomst wordt aangegaan tussen de ISD Bollenstreek, de
                                werkgever bij wie de participatieplaats wordt vervuld en de
                                uitkeringsgerechtigde.</al>
                        </li>
                        <li nr="9.">
                            <al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                participatieplaats door het dagelijks bestuur bekeken in hoeverre
                                scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces. </al>
                        </li>
                        <li nr="10.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels
                                stellen m.b.t. de inzet van participatieplaatsen.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 12. Premie participatieplaats</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan een premie toekennen aan personen die
                                gedurende zes maanden een participatieplaats vervullen, als bedoeld
                                in artikel 11 van deze verordening. </al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>De premie als bedoeld in het eerste lid bedraagt 25% van het in
                                artikel 31, lid 2 sub j van de wet genoemde bedrag.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld.</al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>De premie als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien bij
                                de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de
                                voorafgaande zes maanden heeft geschonden.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 13. Participatievoorziening beschut werk</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan
                                een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van
                                een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat
                                hij deze persoon in dienst neemt.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Het dagelijks bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen (UWV) advies in voor de beoordeling of zij
                                uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                dagelijks bestuur selecteert voor deze beoordeling uitsluitend
                                personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het dagelijks bestuur de
                                volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van
                                de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of
                                aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                arbeidsduur.</al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk
                                en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de ISD Bollenstreek
                                beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt het dagelijks bestuur
                                met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de (ISD)
                                gemeenten gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 14. Ondersteuning bij leer-werktraject</al>
                            <al>Het dagelijks bestuur kan ondersteuning aanbieden aan een persoon
                                uit de doelgroep ten aanzien van wie het dagelijks bestuur van
                                oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze
                                ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en
                                het personen betreft:</al>
                        </li>
                        <li nr="a.">
                            <al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht,
                                bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of </al>
                        </li>
                        <li nr="b.">
                            <al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. </al>
                            <al/>
                            <al> </al>
                            <al>Artikel 15. Persoonlijke ondersteuning </al>
                            <al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het dagelijks
                                bestuur persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die
                                persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele
                                begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat
                                is de aan hem opgedragen taken te verrichten. </al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 16. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie
                                behoort</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur stelt vast of een persoon behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Hierbij neemt het dagelijks bestuur de volgende criteria in
                                acht:</al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet;</al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en</al>
                                </li>
                                <li nr="c.">
                                    <al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie.</al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) kan het
                                dagelijks bestuur adviseren met betrekking tot het oordeel of een
                                persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Het UWV neemt
                                daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. </al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 17. Vaststelling loonwaarde</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om
                                de loonwaarde van een persoon vast te stellen.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Het UWV kan het dagelijks bestuur adviseren met betrekking tot de
                                vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Het UWV neemt
                                daarbij de in de bijlage omschreven methode in acht. </al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 18. No-riskpolis</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>de werkgever voor tenminste de duur van 6 maanden een
                                        arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; </al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep; </al>
                                </li>
                                <li nr="c.">
                                    <al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                        ontvangt;</al>
                                </li>
                                <li nr="d.">
                                    <al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al>
                                </li>
                                <li nr="e.">
                                    <al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen een van de ISD
                                        gemeenten.</al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>De no-riskpolis vergoedt: </al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                                        minimumloon, en</al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>15 procent boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de ISD
                                Bollenstreek een verzekering af en treedt op als verzekeringnemer.
                                De begunstigde is de werkgever. </al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>Het dagelijks bestuur verstrekt de no-riskpolis parallel lopend met
                                de duur van een dienstbetrekking voor bepaalde tijd. Maximaal 1
                                verlening van de no-riskpolis bij het verlengen van een
                                arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd bij dezelfde werkgever is
                                mogelijk met een eigen risico voor de werkgever van twee weken. De
                                no risk polis kan maximaal voor twee jaar worden ingezet.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 19. Opstapsubsidie</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan een tijdelijk loonkostensubsidie, de
                                opstapsubsidie, verstrekken aan werkgevers die met een persoon die
                                behoort tot de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>De opstapsubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van
                                een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen
                                in verband met de indiensttreding van de werknemer.</al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>Het dagelijks bestuur stelt nadere regels ten aanzien van de duur
                                van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie
                                worden verbonden.</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 20. Voorzieningen schulddienstverlening</al>
                            <al>Het dagelijks bestuur kan producten als bedoeld in artikel 4 in het
                                kader van schulddienstverlening ten behoeve van een persoon
                                aanbieden. Zoals bijvoorbeeld preventie, intake, cursussen, advies,
                                begeleiding, bemiddeling, nazorg, WSNP-verklaring.</al>
                            <al/>
                            <al/>
                            <al>Artikel 21. Afwijkende bepalingen voor jongeren</al>
                            <al>In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de
                                volgende voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b
                                van de wet niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van
                                belanghebbenden jonger dan 27 jaar:</al>
                            <al>a. onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de
                                wet; en</al>
                            <al>b. de voorzieningen bedoeld in artikel 31, zevende lid van de wet. </al>
                            <al/>
                            <al>HOOFDSTUK 4. Slotbepalingen</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 22. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>De Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 wordt
                                ingetrokken.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 , die
                                moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 voor de duur:</al>
                            <lijst>
                                <li nr="a.">
                                    <al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of</al>
                                </li>
                                <li nr="b.">
                                    <al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Het dagelijks bestuur kan na afloop van de in het tweede lid,
                                onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>De Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 blijft van
                                toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld
                                in het tweede lid. </al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening re-integratie en
                                loonkostensubsidie Participatiewet ISD Bollenstreek 2015.</al>
                            <al/>
                            <al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december
                                2014</al>
                            <al/>
                            <al>De griffier, De voorzitter,</al>
                            <al/>
                            <al/>
                            <al/>
                            <al>Bijlage bij artikel 17 van de</al>
                            <al>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet ISD
                                Bollenstreek</al>
                            <al/>
                            <al>Wijze waarop loonwaarde wordt vastgesteld</al>
                            <al/>
                            <al>In de Participatiewet staat dat de methodiek van Loonwaardebepaling
                                moet worden uitgewerkt in de verordening. In de verordening
                                beschrijven we de methodiek van loonwaardebepaling en wie het
                                uitvoert. Het dagelijks bestuur kan hierbij gebruik malen van de
                                ‘werkwijze vaststelling loonwaarde UWV’ om de loonwaarde van een
                                persoon te bepalen. In deze bijlage zijn de stappen beschreven om de
                                loonwaarde vast te stellen. Deze werkwijze is afgestemd met het UWV
                                en met de regio Holland Rijnland en voldoet aan de door het Rijk
                                gestelde voorwaarden (zorgvuldig, geobjectiveerd en
                                transparant).</al>
                            <al/>
                            <al>Hierna wordt de werkwijze omschreven.</al>
                            <al/>
                            <al>Werkwijze vaststelling loonwaarde UWV</al>
                            <al/>
                            <al>Doelgroep</al>
                            <al>Werkzoekenden die door medische en of sociaalpsychologische
                                beperkingen worden belemmerd in hun werk. Voor deze groep komt de
                                potentiële werkgever mogelijk in aanmerking voor loonkostensubsidie.
                                Uitgangspunt hierbij is dat de werknemer niet in staat is het
                                geldende wettelijk minimumloon te verdienen.</al>
                            <al/>
                            <al>De loonwaardebepaling wordt vastgesteld en uitgevoerd door
                                deskundige en gecertificeerde arbeidsdeskundigen. Van belang is dat
                                sociaal-medische gegevens aanwezig zijn. Dit kan in de vorm van een
                                Sociaal Medisch Advies van UWV, of vergelijkbare informatie uit een
                                andere bron. Indien noodzakelijk kunnen onze arbeidsdeskundigen
                                collega-arbeidsdeskundigen en -artsen consulteren. Onze ervaring en
                                expertise op sociaal-medisch gebied garandeert een deskundig,
                                betrouwbaar en objectief advies.</al>
                            <al/>
                            <al>Het onderzoek vindt vooral plaats op de werkplek van de werknemer. </al>
                            <al>Het bestaat uit een aantal onderdelen:</al>
                            <al>- Verzamelen van sociaal-medische gegevens voor het opstellen van
                                een arbeidskundig werknemersprofiel. Hierin zijn de kennis,
                                vaardigheden en belastbaarheid van de klant opgenomen.</al>
                            <al>- Vaststellen en beschrijven van de soortgelijke functie van een
                                collega zonder</al>
                            <al>beperkingen: de functieanalyse (taken- en urenanalyse).</al>
                            <al>- Vaststellen van het loonniveau van deze collega als
                                referentie/norm.</al>
                            <al>- Vaststellen van het prestatieniveau van de werknemer: de
                                loonwaarde.</al>
                            <al>- Verslaglegging, verwachting loonontwikkeling en advies planning
                                vervolgonderzoek.</al>
                            <al/>
                            <al>De Loonwaarde vaststelling door UWV</al>
                            <al>UWV onderscheidt bij de loonwaarde vaststelling de volgende
                                stappen:</al>
                        </li>
                        <li nr="1.">
                            <al>Inventarisatie van de feitelijke taakopbouw in termen van de
                                feitelijke uitoefening van de functie door de werknemer.</al>
                        </li>
                        <li nr="2.">
                            <al>Het vaststellen van de normfunctie op basis van de feitelijke in de
                                functie door de werknemer uitgeoefende taken.</al>
                        </li>
                        <li nr="3.">
                            <al>Vaststellen bij de normfunctie behorende loonwaarde en waarden voor
                                Tempo, Kwaliteit en Inzetbaarheid voor de hoofdtaken. </al>
                        </li>
                        <li nr="4.">
                            <al>Beschrijven hoe de medewerker in de praktijk in de functie op de
                                werkplek functioneert, beschreven in termen van Tempo, Kwaliteit,
                                Inzetbaarheid per hoofdtaak. Beschrijven van eventuele bijzondere
                                omstandigheden bij de functie uitoefening. </al>
                        </li>
                        <li nr="5.">
                            <al>Het vaststellen van de prestatie van de werknemer per hoofdtaak
                                afgezet tegen de normfunctie op basis van drie kernbegrippen Tempo,
                                Kwaliteit en Inzetbaarheid uitgedrukt in een % van de
                                arbeidsprestatie op deze elementen in de normfunctie.</al>
                        </li>
                        <li nr="6.">
                            <al>Het vaststellen van de werkelijke additionele kosten, waar aan de
                                orde, uitgesplitst naar eenmalige en structurele kosten. </al>
                        </li>
                        <li nr="7.">
                            <al>Het integraal vertalen van de uitkomsten bij Tempo, Kwaliteit en
                                Inzetbaarheid naar een totale arbeidsprestatiewaarde van de
                                werknemer in een % ten opzichte van de normfunctie. Dit met behulp
                                van de rekenformule.</al>
                            <al/>
                            <al>Nb. De rekenformule is als volgt: </al>
                            <al> %Tijdsbesteding werknemer in de taak x %Tempo x %Kwaliteit x
                                %Inzetbaarheid.</al>
                            <al> Arbeidsprestatie </al>
                            <al>taak tijdsbesteding</al>
                            <al>norm tijdsbesteding</al>
                            <al>werknemer tempo kwaliteit inzetbaarheid</al>
                            <al> Loonwaarde</al>
                            <al>t.o.v. </al>
                            <al>de gezonde</al>
                            <al>soortgelijke</al>
                            <al>1 %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al/>
                            <al>2 %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al/>
                            <al>3 %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al/>
                            <al>4 %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al/>
                            <al>5 %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al> %</al>
                            <al/>
                            <al>Totaal 100% % (G)</al>
                            <al/>
                            <al/>
                            <al>UWV legt deze gegevens vast in een rapportage. Daarin vermelden we
                                de onderzoeksactiviteiten, de resultaten van het onderzoek en het
                                advies over de loonwaarde. </al>
                            <al/>
                            <al/>
                            <al>Toelichting </al>
                            <al>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet ISD
                                Bollenstreek 2015</al>
                            <al/>
                            <al>Algemeen</al>
                            <al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te
                                maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te
                                weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de
                                gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd.
                                Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de
                                Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                                onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                                gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn.
                                Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van
                                iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een
                                passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het dagelijks
                                bestuur de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen
                                afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                                personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling en de door het college (dagelijks bestuur)
                                noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                                re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening
                                de voorzieningen vast te leggen die het dagelijks bestuur in ieder
                                geval kan aanbieden.</al>
                            <al/>
                            <al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad
                                verplicht om regels op te nemen in deze verordening:</al>
                        </li>
                        <li nr="•">
                            <al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                                Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede
                                lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al>
                        </li>
                        <li nr="•">
                            <al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                                (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c,
                                van de Participatiewet);</al>
                        </li>
                        <li nr="•">
                            <al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                                Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b,
                                vierde lid, van de Participatiewet), en</al>
                        </li>
                        <li nr="•">
                            <al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                                Participatiewet).</al>
                            <al/>
                            <al>Loonkostensubsidie</al>
                            <al>Deze verordening geeft ook uitvoering aan artikel 6, tweede lid, van
                                de Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de
                                gemeenteraad bij verordening regels vast te stellen over de
                                doelgroep loonkostensubsidie en de loonwaarde. De regels dienen in
                                ieder geval te bepalen:</al>
                            <al>- de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie behoort, en</al>
                            <al>- de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al>
                            <al/>
                            <al>Het college (dagelijks bestuur) kan op verzoek of ambtshalve
                                vaststellen wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel
                                10c van de Participatiewet). Personen zoals bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet die mogelijkheden
                                tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij met
                                voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het
                                wettelijk minimumloon, behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie
                                (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet).</al>
                            <al/>
                            <al>Heeft het dagelijks bestuur vastgesteld dat een persoon behoort tot
                                de doelgroep loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met
                                die persoon een dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het
                                dagelijks bestuur in beginsel de loonwaarde van die persoon vast
                                (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor is geen
                                aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het dagelijks
                                bestuur vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon
                                als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al>
                            <al/>
                            <al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens
                                geldende loon voor de door een persoon - die behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie - verrichte arbeid in een functie naar
                                evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een
                                gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die
                                niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 6, eerste
                                lid, onderdeel g, van de Participatiewet).</al>
                            <al/>
                            <al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in deze verordening kan
                                uitsluitend worden ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
                                onderdeel e, van de Participatiewet: mensen met een
                                arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet
                                per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor een langere
                                periode worden ingezet. Met dit instrument compenseert de gemeente
                                werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer (zie
                                Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60).</al>
                            <al/>
                            <al>Artikelsgewijze toelichting</al>
                            <al/>
                            <al>Artikel 1. Begrippen</al>
                            <al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                                bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                                gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                                toepassing op deze verordening. </al>
                            <al>Doelgroep</al>
                            <al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al>
                            <lijst>
                                <li nr="-">
                                    <al>die algemene bijstand ontvangen;</al>
                                </li>
                                <li nr="-">
                                    <al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b , van de
                                        Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA),
                                        artikel 35, vierde lid, onderdeel b van de WIA en artikel
                                        36, derde lid, onderdeel b van de WIA tot het moment dat het
                                        inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                                        aaneengesloten jaren tenminste het minimumloon bedraagt en
                                        ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                                        Participatiewet is verleend;</al>
                                </li>
                                <li nr="-">
                                    <al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                        Participatiewet;</al>
                                </li>
                                <li nr="-">
                                    <al>personen met een nabestaanden- of wezen uitkering op grond
                                        van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al>
                                </li>
                                <li nr="-">
                                    <al>personen met een uitkering ingevolge de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW);</al>
                                </li>
                                <li nr="-">
                                    <al>personen met een uitkering ingevolge de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                                        IOAZ);</al>
                                    <al>-personen zonder uitkering; </al>
                                    <al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een
                                        door het college aangeboden voorziening.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Mantelzorg </al>
                                    <al>Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat
                                        wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning
                                        (zie artikel 1, eerste lid onderdeel b, van de Wet
                                        maatschappelijke ondersteuning).</al>
                                    <al>Het gaat hier om: langdurige zorg die niet in het kader van
                                        een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                        hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving,
                                        waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                                        sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten
                                        voor elkaar overstijgt. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Loonwaarde (artikel 6, eerste lid, onderdeel g,
                                        Participatiewet): vastgesteld percentage van het rechtens
                                        geldende loon voor de door een persoon, die tot de doelgroep
                                        loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een functie
                                        naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie
                                        van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding
                                        en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie
                                        behoort;</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </al>
                                    <al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de
                                        verdeling van de voorzieningen over personen, waarbij
                                        rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de
                                        functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt
                                        besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                                        omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                                        een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag
                                        inzake de rechten van personen met een handicap. De
                                        doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen
                                        en waarborgen van het volledige genot door alle personen met
                                        een handicap van alle mensenrechten en fundamentele
                                        vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de
                                        eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel
                                        is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</al>
                                    <al>Het college (dagelijks bestuur) moet bij de inzet van de
                                        voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en
                                        functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, lid 4
                                        is opgenomen waarmee het dagelijks bestuur in ieder geval
                                        rekening moet houden.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Verslag doeltreffendheid</al>
                                    <al>Het dagelijks bestuur zendt eenmaal per jaar een verslag
                                        over de doeltreffendheid van het re-integratiebeleid. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 3. Budget- en subsidieplafonds </al>
                                    <al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een
                                        verdeling maken van de</al>
                                    <al>middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in het
                                        beleidsplan gebeuren. Het</al>
                                    <al>uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een
                                        reden zijn om aanvragen voor</al>
                                    <al>voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan
                                        de gemeente bij verordening</al>
                                    <al>budget- en subsidieplafonds instellen. </al>
                                    <al>Het ontbreken van financiële middelen alleen kan geen reden
                                        zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient
                                        dan na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er
                                        beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen
                                        plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per
                                        voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de
                                        mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt
                                        uitgeweken. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het
                                        college doet in het kader van voorzieningen. </al>
                                    <al>Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies
                                        inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekend gemaakt te
                                        worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27, lid 1
                                        Awb)</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 4. Algemene bepalingen over voorzieningen</al>
                                    <al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke
                                        voorzieningen het college (dagelijks bestuur) aan moet
                                        bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht
                                        moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan
                                        het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door
                                        een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                                        de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op
                                        bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een
                                        isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud
                                        van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het
                                        opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd
                                        werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele
                                        gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter
                                        beschikking stelt.</al>
                                    <al/>
                                    <al>In het tweede lid wordt wederom de reikwijdte van het palet
                                        aan voorzieningen aangegeven. </al>
                                    <al>Onderdeel a. spreekt zowel over het verwerven als behouden
                                        van arbeid, waarmee wordt aangegeven dat ook voorzieningen
                                        kunnen worden ingezet in de preventieve sfeer.</al>
                                    <al>Onderdeel b. spreekt over voorzieningen ter verbetering of
                                        behouden van de positie op de arbeidsmarkt of binnen de
                                        maatschappij. Gedacht kan dan onder meer worden aan
                                        leerwerktrajecten en scholingen, maar ook aan een
                                        resocialisatie traject, wanneer een sociaal isolement
                                        dreigt.</al>
                                    <al>Onderdeel c. meldt voorzieningen om belemmeringen weg te
                                        nemen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een
                                        schulddienstverleningstraject, voor zover is vastgesteld dat
                                        de schulden een belemmering binnen de verdere
                                        arbeidsintegratie van betrokkene vormen. </al>
                                    <al>Onderdeel d. spreekt voor zich. De opstapsubsidie is
                                        overigens een bijzondere vorm van de
                                        loonkostensubsidie.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Lid 3</al>
                                    <al>in het derde lid wordt het palet aan voorzieningen nog
                                        uitgebreid met voorzieningen die bepaalde met de
                                        arbeidsinschakeling noodzakelijk verband houdende kosten
                                        kunnen dekken. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Onderdeel a. ziet daarbij vooral op de kosten die de
                                        betrokkene moet maken om deel te kunnen nemen aan de
                                        voorziening. Denk daarbij aan reiskosten, kosten voor
                                        kinderopvang of zelfs - indien noodzakelijk –
                                        verhuiskosten.</al>
                                    <al>Onderdeel b. ziet op de kosten die noodzakelijkerwijs moeten
                                        worden gemaakt om de aard en omvang van de eventueel in te
                                        zetten voorziening te bepalen. Denk hierbij onder meer aan
                                        een assessment.</al>
                                    <al>Onderdeel c. ziet tenslotte op kosten in verband met de
                                        loonvormende arbeid. Gedacht moet dan worden aan de
                                        werkgeverskosten die rechtstreeks verband hebben met de
                                        arbeidsinschakeling activiteiten van een persoon uit de
                                        doelgroep. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Beëindigingsgronden</al>
                                    <al>Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een
                                        voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan
                                        doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                                        stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen
                                        van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij
                                        deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de
                                        toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de
                                        eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                                        genomen.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen in de
                                        gevallen zoals opgenomen in artikel 4, tweede lid, van deze
                                        verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd
                                        als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt.
                                        Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit
                                        punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals
                                        bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b 35, vierde
                                        lid, onderdeel b en 36, derde lid, onderdelen b van de WIA.
                                        Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij
                                        de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het
                                        inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                                        aaneengesloten jaren tenminste het minimumloon bedraagt en
                                        ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                                        loonkostensubsidie is verstrekt. </al>
                                    <al/>
                                    <al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond
                                        van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van
                                        een bijstandsgerechtigde, noch van een niet
                                        bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden
                                        teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond
                                        van het Burgerlijk Wetboek.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 5. Werkstage</al>
                                    <al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone
                                        arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet
                                        sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan
                                        de drie criteria voor het bestaan van een
                                        arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon
                                        en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal
                                        aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan
                                        niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt
                                        vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                                        overeenkomst.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring</al>
                                    <al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar
                                        sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar
                                        dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de
                                        kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                                        werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend
                                        zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding
                                        ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding
                                        worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een
                                        vergoeding van gemaakte kosten.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Doelgroep aanbieden werkstage</al>
                                    <al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de
                                        doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon
                                        nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid
                                        (artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening).
                                        Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon
                                        gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is
                                        aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijk geval
                                        kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar
                                        dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een persoon
                                        gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven,
                                        dan kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de
                                        arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het dagelijks bestuur
                                        bevoegd hem een werkstage aan te bieden.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Doel van de werkstage</al>
                                    <al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is
                                        van de werkstage, om het verschil met een normale
                                        arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om
                                        te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                                        arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                                        afdwingt.</al>
                                    <al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan
                                        het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is
                                        vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een
                                        persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk
                                        als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan
                                        het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                                        werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op
                                        tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan.
                                        Gekozen is een termijn van maximaal zes maanden. De
                                        werkstage wordt niet als een participatiebaan gezien wanneer
                                        deze maximaal 6 maanden duurt en er naar het oordeel van het
                                        college een reëel uitzicht is op een dienstbetrekking bij
                                        degenen bij wie de werkzaamheden worden verricht van
                                        dezelfde of grotere omvang die aanvangt of aansluitend op
                                        die zes maanden. De regels m.b.t. de premie en scholing ten
                                        aanzien van de participatiebanen zijn hier dan niet van
                                        toepassing. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Geen verdringing</al>
                                    <al>In het vierde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend
                                        wordt verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt
                                        plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen
                                        toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing,
                                        maar door ontslag op grond van een van de volgende
                                        redenen:</al>
                                    <al>- eigen initiatief van de werknemer;</al>
                                    <al>- handicap;</al>
                                    <al>- ouderdomspensioen;</al>
                                    <al>- vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer,
                                        of</al>
                                    <al>- gewettigd ontslag om dringende redenen.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Opstellen schriftelijke overeenkomst</al>
                                    <al>In het vijfde lid is bepaald dat voor de werkstage een
                                        schriftelijke overeenkomst (stage overeenkomst) wordt
                                        opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden
                                        opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze
                                        schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd
                                        dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere
                                        arbeidsverhouding.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 6. Proefplaatsing</al>
                                    <al>Om belemmeringen bij werkgevers weg te nemen ten aanzien van
                                        het in dienst nemen van personen die langere tijd uit het
                                        arbeidsproces zijn, kan het college een proefplaats
                                        aanbieden. Dit houdt in dat de uitkeringsgerechtigde voor de
                                        periode genoemd in het derde lid, met behoud van uitkering,
                                        bij een werkgever gaat werken. Het dient een werkgever te
                                        betreffen die de intentie heeft om een dienstverband met de
                                        uitkeringsgerechtigde aan te gaan, maar voorafgaand hieraan
                                        in de dagelijkse praktijk wil toetsen of de
                                        uitkeringsgerechtigde geschikt is.</al>
                                    <al>De proefplaatsing heeft grote overeenkomsten met de
                                        werkstage. Het belangrijkste verschil is het feit dat bij de
                                        proefplaatsing de intentie nadrukkelijk is, de persoon na
                                        afloop van de proefplaatsing in dienst te nemen.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 7. Work First</al>
                                    <al>In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden een Work first
                                        aanpak te bieden. Work first is een algemene, landelijk
                                        gehanteerde term voor trajecten waarbij het doel is om
                                        klanten zeer snel voor een bepaalde periode een bepaald
                                        aantal uur werk aan te bieden. Naast deze werkzaamheden
                                        blijft deze persoon op zoek naar regulier werk. Tevens
                                        bekijkt de ISD Bollenstreek samen met de klant en het
                                        werkvoorzieningsschap wat de beste manier is om verdere
                                        ondersteuning te bieden. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 8. Sociale activering</al>
                                    <al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering
                                        uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor
                                        bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te
                                        hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                                        re-integratie, maar participatie voorop. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Begrip sociale activering</al>
                                    <al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten
                                        van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht
                                        op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                        mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie
                                        (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                                        activiteiten in het kader van sociale activering kan worden
                                        gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding,
                                        verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan
                                        activiteiten in de wijk of buurt. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Doelgroep sociale activering</al>
                                    <al>Het dagelijks bestuur kan aan een persoon die behoort tot de
                                        doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                                        activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op
                                        enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening
                                        (artikel 8 eerste lid).</al>
                                    <al/>
                                    <al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid,
                                        onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een
                                        voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de
                                        mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen
                                        geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik
                                        wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid
                                        niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te
                                        maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering
                                        heeft tot doel personen met een grote afstand tot de
                                        arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als
                                        dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat
                                        personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                                        maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                                        arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond
                                        is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een
                                        voorziening gericht op sociale activering. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Het dagelijks bestuur stemt duur activiteiten af op de
                                        persoon</al>
                                    <al>Het derde lid geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om
                                        de duur van activiteiten in het kader van sociale activering
                                        nader te bepalen. Het dagelijks bestuur moet de duur
                                        afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                                        persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op
                                        dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 9. Detacheringsbaan</al>
                                    <al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de
                                        doelgroep een dienstverband aan te bieden om op
                                        detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening
                                        zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                                        vormgegeven worden. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het
                                        dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een
                                        dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de
                                        werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau
                                        zijn. </al>
                                    <al/>
                                    <al>In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering.
                                        Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste
                                        tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden
                                        zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte
                                        van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding
                                        wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                                        inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en
                                        de inhoud van het werk. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Voor het derde lid (geen verdringing) wordt verwezen naar de
                                        toelichting bij het artikel over de werkstage (artikel 5,
                                        lid 4).</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 10. Scholing </al>
                                    <al>Uitgangspunt is de kortste weg naar uitstroom naar reguliere
                                        algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder ook gesubsidieerde
                                        arbeid. Als het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        niet lukt, komt pas scholing aan de orde. Bij de beoordeling
                                        van scholing staat arbeidsrelevantie voorop.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Startkwalificatie</al>
                                    <al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of
                                        VWO-diploma of een diploma van het middelbaar
                                        beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                                        aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                                        startkwalificatie. Vooral voor personen zonder
                                        startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                                        re-integratie. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Het dagelijks bestuur dient bij voorrang de
                                        re-integratie(participatieplicht voor alleenstaande ouders
                                        zonder startkwalificatie, die de volledige zorg hebben voor
                                        een of meer tot zijn laste komende kinderen tot vijf jaar en
                                        die om ontheffing van de arbeidsplicht hebben verzocht,
                                        tenminste in te vullen met scholing of opleiding die de
                                        toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, mits dit niet de
                                        krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven
                                        gaat. Welke scholing in individuele gevallen zal worden
                                        aangeboden is afhankelijk van de individuele omstandigheden
                                        en wordt bepaald door het college in samenspraak met de
                                        alleenstaande ouder.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Jongeren</al>
                                    <al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben
                                        binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen
                                        sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen
                                        ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde
                                        lid, onderdeel a, van de Participatiewet). </al>
                                    <al/>
                                    <al>Scholing in combinatie met participatieplaats</al>
                                    <al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een
                                        participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt,
                                        dient het dagelijks bestuur aan deze persoon scholing of
                                        opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na
                                        aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De
                                        scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van
                                        de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een
                                        persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als
                                        dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de
                                        krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als
                                        naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan
                                        vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces
                                        van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van
                                        de Participatiewet.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Zie artikel 11 van deze verordening over de voorziening
                                        participatieplaatsen. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 11. Participatieplaats</al>
                                    <al>In lid 1 en 3 wordt bepaald wat een participatieplaats
                                        inhoudt.</al>
                                    <al>De onbeloonde additionele werkzaamheden hebben als
                                        belangrijkste doel het opdoen van vaardigheden in een
                                        instelling of bedrijf, waardoor uitstroom naar betaald werk
                                        (op langere termijn) mogelijk wordt gemaakt.</al>
                                    <al>De Wet stimulering arbeidsparticipatie maakt het nodig om
                                        hierover regels te stellen. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste
                                        lid van artikel 10 van de wet worden primair op de
                                        arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan die
                                        onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van
                                        deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                                        arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                                        arbeidsmarkt. Additioneel houdt in dat het een speciaal
                                        gecreëerde functie betreft of een reeds bestaande functie
                                        die een uitkeringsgerechtigde alleen met speciale
                                        begeleiding kan verrichten. Hij zal minder productief zijn
                                        dan zijn collega’s op een reguliere arbeidsplaats. </al>
                                    <al/>
                                    <al>In lid 2 wordt aangegeven dat er voor belanghebbenden jonger
                                        dan 27 jaar geen participatieplaats ingezet kan worden. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Het dagelijks bestuur verstrekt aan de belanghebbende,
                                        telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van artikel
                                        10a van de wet werkzaamheden verricht, een premie.
                                        Belanghebbende moet in die zes maanden voldoende hebben
                                        meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling
                                        in het arbeidsproces.</al>
                                    <al>De voorwaarden voor deze premie staan vermeld in artikel 21
                                        van deze verordening.</al>
                                    <al/>
                                    <al>In lid 4 tot en met 6 worden de voorwaarden voor de duur en
                                        de verlenging gegeven.</al>
                                    <al>De maximale duur dat betrokkene werkzaamheden kan verrichten
                                        met behoud van uitkering is twee jaar. Andere vormen van
                                        werken met behoud van uitkering van betrokkene (zoals work
                                        first of de werkstage) tellen ook mee voor de maximale duur
                                        van twee jaar. Dit om te voorkomen dat de maximale duur van
                                        een participatiebaan op een oneigenlijke manier wordt
                                        opgerekt.</al>
                                    <al>Negen maanden na aanvang van de werkzaamheden op de
                                        participatieplaats moet het college beoordelen of de
                                        werkzaamheden de kans op werk van betrokkene hebben
                                        vergroot. Indien dit niet het geval is, ligt het niet in de
                                        rede dat de participatieplaats wordt voortgezet.</al>
                                    <al/>
                                    <al>In lid 7 en 8 wordt bepaald dat er voor de
                                        participatieplaats een schriftelijke overeenkomst wordt
                                        opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de
                                        participatieplaats worden opgenomen, alsmede de wijze van
                                        begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog
                                        eens gewaarborgd worden dat het bij een participatieplaats
                                        niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al>
                                    <al/>
                                    <al>In lid 9 wordt geregeld dat het dagelijks bestuur scholing
                                        of een opleiding biedt aan diegene die niet beschikt over
                                        een startkwalificatie na een periode van zes maanden na
                                        aanvang van de werkzaamheden. Deze scholing of opleiding
                                        moet de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen. </al>
                                    <al>Geen scholing of opleiding wordt aangeboden indien dit naar
                                        het oordeel van het dagelijks bestuur niet bijdraagt aan
                                        vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces
                                        van belanghebbende.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 12. Premie Participatieplaats</al>
                                    <al>In artikel 10a van de Participatiewet is bepaald dat de raad
                                        regels stelt met betrekking tot de hoogte van de premie voor
                                        personen die op een participatiebaan voor minimaal 12 uur
                                        geplaatst zijn. </al>
                                    <al>De hoogte van de premie bedraagt 25% van het in artikel 31,
                                        lid 2 sub j van de wet genoemde bedrag en wordt op basis van
                                        dwingende wettelijke voorschriften iedere 6 maanden
                                        verstrekt.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Deze premie is onbelast en werkt niet door bij
                                        inkomensafhankelijke regelingen.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 13. Participatievoorziening beschut werk</al>
                                    <al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk
                                        aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een
                                        lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                                        zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de
                                        werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever
                                        redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in
                                        dienst neemt (eerste lid).</al>
                                    <al>Het betreft hier een kan bepaling. Het dagelijks bestuur
                                        behoeft deze voorziening dus niet aan te bieden. Een en
                                        ander zal mede afhangen van de financiële mogelijkheden in
                                        relatie tot de andere doelgroepen. Maar indien het dagelijks
                                        bestuur er toe zou besluiten dan geldt het hierna
                                        volgende.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Stap 1: voorselectie</al>
                                    <al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk
                                        voert de ISD Bollenstreek een voorselectie uit. Tijdens de
                                        voorselectie bepaalt het dagelijks bestuur welke mensen in
                                        aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk
                                        moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij
                                        deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het tweede lid
                                        bepaald dat het dagelijks bestuur uitsluitend personen met
                                        een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de
                                        beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Vaak zullen
                                        dit personen zijn met een loonwaarde van 30% of minder. Voor
                                        dit criterium is gekozen omdat personen met een korte
                                        afstand tot de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een
                                        beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                        hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                                        arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren
                                        die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Het dagelijks bestuur kan ambtshalve vaststellen of een
                                        persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                                        aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de
                                        Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een
                                        persoon nodig. Het dagelijks bestuur maakt uit de personen
                                        uit de doelgroep een voorselectie. Het dagelijks bestuur
                                        moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                                        advies inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde
                                        personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                                        aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie hebben. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen</al>
                                    <al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert
                                        het dagelijks bestuur met betrekking tot het oordeel of een
                                        persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het
                                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis
                                        van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b,
                                        tweede lid, van de Participatiewet). </al>
                                    <al/>
                                    <al>Stap 3: besluit gemeente</al>
                                    <al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen beslist de ISD Bollenstreek of
                                        iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als
                                        sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het
                                        advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
                                        kan de ISD Bollenstreek besluiten het advies niet te volgen. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</al>
                                    <al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut
                                        werk' behoort, zorgt de ISD Bollenstreek ervoor dat deze
                                        persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                                        omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van
                                        de Participatiewet). Het kan dan gaan om een
                                        privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke
                                        dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                                        Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt
                                        georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten.
                                        Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd
                                        via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook
                                        kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving
                                        bij reguliere werkgevers werken. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor
                                        beschut zijn in deze verordening vastgelegd welke
                                        voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om
                                        deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens
                                        is in deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente
                                        de omvang van het aanbod van beschut werk, het aantal
                                        beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het werk
                                        zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente
                                        gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij
                                        afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de
                                        voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                                        dienstbetrekking aanbieden. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Omvang beschut werk</al>
                                    <al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod
                                        beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk
                                        de ISD Bollenstreek beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                                        afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen
                                        bij werkgevers. Daarom moet het dagelijks bestuur overleg
                                        voeren met partners om de omvang van het aanbod te kunnen
                                        bepalen (vierde lid).</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 14. Ondersteuning bij leer-werktraject</al>
                                    <al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de
                                        voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het
                                        dagelijks bestuur moet dan wel van oordeel zijn dat een
                                        leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet
                                        zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is
                                        geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de
                                        Participatiewet.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het
                                        college (dagelijks bestuur) uitsluitend ondersteuning bij
                                        een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al>
                                    <al>- van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                        kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog
                                        niet is geëindigd, of</al>
                                    <al>- van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie
                                        hebben behaald.</al>
                                    <al/>
                                    <al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is
                                        inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud
                                        die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een
                                        leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen
                                        behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen,
                                        wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden.
                                        Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van
                                        schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door
                                        een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen
                                        behalen.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks
                                        kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van
                                        ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a,
                                        van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                                        uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist
                                        dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of
                                        daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7,
                                        derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat
                                        het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas
                                        bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning
                                        bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al>
                                    <al/>
                                    <al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het
                                        college (dagelijks bestuur) onder omstandigheden
                                        ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien
                                        jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen
                                        startkwalificatie hebben behaald en voor wie een
                                        leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het
                                        mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen
                                        die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van
                                        de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid,
                                        onder a, van de Participatiewet.]</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 15. Persoonlijke ondersteuning</al>
                                    <al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke
                                        ondersteuning nader geduid. Het gaat dan om een voorziening
                                        zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een
                                        langere periode de werknemer met beperkingen bij het
                                        verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan
                                        om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de
                                        ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                                        zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn
                                        werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke
                                        ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                                        begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder
                                        begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere
                                        werkgever werkzaam kan zijn. ]</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 16. Vaststelling wie tot doelgroep
                                        loonkostensubsidie behoort</al>
                                    <al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer
                                        wordt vastgesteld of een persoon tot de doelgroep
                                        loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke aanvraag of
                                        ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk
                                        bij:</al>
                                    <al>- personen die algemene bijstand ontvangen;</al>
                                    <al>- personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel
                                        b van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna:
                                        WIA), artikel 35, vierde lid onderdeel b van de WIA en
                                        artikel 36, derde lid, onderdeel b van de WIA tot het moment
                                        dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende
                                        twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                                        bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                                        geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                                        Participatiewet is verleend;</al>
                                    <al>- personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                        Participatiewet;</al>
                                    <al>- personen met een uitkering op grond van de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al>
                                    <al>- personen met een uitkering op grond van de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al>
                                    <al/>
                                    <al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het
                                        aan college (dagelijks bestuur) is om vast te stellen of een
                                        persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen
                                        de kaders van de wet is het aan de gemeenten (ISD
                                        Bollenstreek) om vast te stellen op welke wijze zij bepalen
                                        of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of
                                        loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken
                                        II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). In artikel 15, tweede
                                        lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen
                                        worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel
                                        6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin
                                        is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie
                                        vastgelegd.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep
                                        loonkostensubsidie kan het(dagelijks bestuur) zich laten
                                        adviseren door het UWV.</al>
                                    <al>(Dit advies zal in een enkel geval niet altijd nodig zijn
                                        als de loonwaarde bijvoorbeeld uit andere bron bekend
                                        is.)</al>
                                    <al/>
                                    <al>Het dagelijks bestuur draagt personen voor die zouden kunnen
                                        behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie, het UWV
                                        adviseert en neemt daarbij eveneens de in het tweede lid
                                        neergelegde criteria in acht. Op basis van het advies
                                        beslist het dagelijks bestuur of iemand tot de doelgroep
                                        loonkostensubsidie behoort. Alleen als sprake is van een
                                        onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan besloten
                                        worden het advies niet te volgen. En zoals vermeld in
                                        incidentele gevallen behoeft er geen advies bij het UWV te
                                        worden ingewonnen</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 17. Vaststelling loonwaarde</al>
                                    <al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is
                                        bepaald dat als een persoon behoort tot de doelgroep
                                        loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is een
                                        dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het dagelijks
                                        bestuur de loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor is
                                        geen aanvraag vereist. Het UWV is in de regel de instantie
                                        die het dagelijks bestuur met betrekking tot de vaststelling
                                        van de loonwaarde van een persoon (artikel 16, tweede lid,
                                        van deze verordening). De vastgestelde loonwaarde legt het
                                        dagelijks bestuur vast in een beschikking waartegen zowel de
                                        betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar
                                        en beroep kunnen instellen. </al>
                                    <al/>
                                    <al>In de bijlage bij artikel 16 wordt de methode die het
                                        dagelijks bestuur gebruikt om de loonwaarde van die persoon
                                        te bepalen omschreven. Deze werkwijze is afgestemd met het
                                        UWV en met de Regio Holland Rijnland (notitie: “Instrumenten
                                        Loonkostensubsidie onder de Participatiewet en de No Risk
                                        Polis”. In incidentele gevallen is de loonwaarde al uit
                                        ander bron bekend. In dat geval geldt genoemde procedure
                                        niet . Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het
                                        dagelijks bestuur loonkostensubsidie aan de werkgever met
                                        inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 18. No-riskpolis </al>
                                    <al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                                        arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b,
                                        van de Participatiewet). De no-riskpolis is een belangrijk
                                        instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                                        mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De
                                        no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie
                                        ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met
                                        arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in
                                        aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de
                                        Ziektewet van toepassing is (artikel 8a, tweede lid,
                                        onderdeel b Participatiewet). </al>
                                    <al/>
                                    <al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij
                                        ziekte van de werknemer die een structurele functionele of
                                        andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever
                                        een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                                        no-riskpolis.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Voorwaarden</al>
                                    <al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in
                                        aanmerking komt voor een no-riskpolis. Er is voor gekozen om
                                        de mogelijkheid tot inzet van een no-riskpolis te beperken
                                        voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 maanden
                                        duren.</al>
                                    <al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de
                                        werknemer behoort tot de doelgroep (zie artikel 1 van deze
                                        verordening) en hij een structurele functionele of andere
                                        beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                                        Participatiewet ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de
                                        werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen een van de ISD
                                        gemeenten.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Hoogte vergoeding</al>
                                    <al>De no-riskpolis vergoedt: </al>
                                    <al>- het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                                        minimumloon;</al>
                                    <al>- 15 procent boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Contract met verzekeraar</al>
                                    <al>De ISD Bollenstreek moet ten behoeve van het verstrekken van
                                        een no-riskpolis een verzekering afsluiten. De ISD
                                        Bollenstreek treedt op als verzekeringsnemer. De werkgever
                                        is de begunstigde (derde lid).</al>
                                    <al/>
                                    <al>Duur no-riskpolis</al>
                                    <al>Het dagelijks bestuur vergoedt de no-riskpolis
                                        overeenkomstig de duur van een dienstbetrekking voor
                                        bepaalde tijd, met een eigen risico voor de werkgever van
                                        twee weken. De mogelijkheid bestaat om de no risk polis
                                        eenmalig te verlengen bij verlenging van de dienstbetrekking
                                        voor bepaalde tijd bij dezelfde werkgever. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen verantwoordelijk</al>
                                    <al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar
                                        worden ingezet. Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het
                                        minimumloon heeft verdiend, dus zonder loonkostensubsidie,
                                        gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel
                                        29b van de Ziektewet van toepassing zijn.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 19. Opstapsubsidie</al>
                                    <al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen
                                        worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In
                                        de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten
                                        dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                                        helpen. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Tijdelijke Compensatie</al>
                                    <al>Het doel van deze opstapsubsidie is het bieden van
                                        compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste
                                        het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de
                                        werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo
                                        kan het dagelijks bestuur een opstapsubsidie aan de
                                        werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in
                                        arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie
                                        van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen.</al>
                                    <al/>
                                    <al>De in dit artikel geregelde opstapsubsidie moet worden
                                        onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals geregeld in
                                        artikel 15 van deze verordening (en bedoeld in de artikelen
                                        10c en 10d Participatiewet). </al>
                                    <al>De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de
                                        wet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek
                                        bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in dit
                                        artikel opgenomen opstapsubsidie is niet noodzakelijk
                                        gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar geldt
                                        voor de hele doelgroep. Het gaat hier dus niet om de
                                        loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan personen als
                                        bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet
                                        van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                                        staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon,
                                        doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben
                                        (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de wet).</al>
                                    <al/>
                                    <al>Geen verdringing</al>
                                    <al>In het tweede lid is bepaald dat de opstapsubsidie
                                        uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing van de
                                        arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is
                                        alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door
                                        afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de
                                        volgende redenen:</al>
                                    <al>- eigen initiatief van de werknemer;</al>
                                    <al>- handicap;</al>
                                    <al>- ouderdomspensioen;</al>
                                    <al>- vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer,
                                        of</al>
                                    <al>- gewettigd ontslag om dringende redenen.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Om begripsverwarring met de nieuwe wettelijke
                                        loonkostensubsidie (geregeld in de artikelen 15 en 16) te
                                        voorkomen, noemen we deze tijdelijke loonkostensubsidie
                                        voortaan “opstapsubsidie”. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 20. Voorziening schulddienstverlening</al>
                                    <al>Het hebben van schulden vormt vaak een belemmering bij de
                                        re-integratie. Het is dan van belang om de schulden in een
                                        zo vroeg mogelijk stadium aan te pakken. Als dat niet
                                        gebeurt, is de kans groot dat de re-integratie niet slaagt.
                                        Daarom is het mogelijk om schulddienstverlening toe te
                                        passen als onderdeel van een re-integratietraject.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 21. Afwijkende bepalingen voor jongeren</al>
                                    <al>Dit artikel regelt dat bij jongeren de volgende incentives
                                        en voorzieningen niet tot het re-integratie-instrumentarium
                                        behoren: inkomensvrijlating, vrijlating van
                                        onkostenvergoedingen voor vrijwilligerswerk en plaatsing in
                                        participatieplaatsen.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 22. Intrekken oude verordening en
                                        overgangsrecht</al>
                                    <al>In artikel 26 is onder andere het overgangsrecht neergelegd.
                                        Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend
                                        hebben gekregen op grond van de oude
                                        re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                                        voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht
                                        aan de situatie waarin de oude Participatieverordening
                                        voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                                        verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar
                                        dat een persoon op grond van de oude
                                        Participatie-verordening wel in aanmerking zou komen voor
                                        een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze
                                        verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op
                                        grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening moeten
                                        worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 22,
                                        tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden
                                        behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke
                                        voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de duur van 12
                                        maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is
                                        verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de
                                        voorwaarden uit de Participatieverordening ISD Bollenstreek
                                        2013. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet
                                        de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een
                                        belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning
                                        bij de arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint
                                        te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze
                                        verordening.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Voortzetten toegekende voorzieningen</al>
                                    <al>Toegekende voorzieningen op grond van de
                                        Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 worden dus in
                                        beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van
                                        deze verordening. Na afloop van die periode kan het
                                        dagelijks bestuur besluiten of een voorziening wordt
                                        voortgezet (artikel 22, derde lid). Hierbij kan het
                                        dagelijks bestuur rekening houden met al gesloten
                                        overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt
                                        bijvoorbeeld voor de hand als het dagelijks bestuur is
                                        gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te
                                        voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de
                                        voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in
                                        beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden
                                        afgerond conform de overeenkomst.</al>
                                    <al/>
                                    <al>Voortzetting is niet mogelijk</al>
                                    <al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 6 maanden is
                                        niet mogelijk als de voorziening binnen die periode is
                                        beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de voorwaarden
                                        voor die voorziening op grond van de Participatieverordening
                                        ISD Bollenstreek 2013 of als de voorziening is toegekend
                                        voor een kortere duur dan 6 maanden na inwerkingtreding van
                                        de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te
                                        worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke
                                        toekenning. </al>
                                    <al/>
                                    <al>Ten aanzien van die voorziening blijft de
                                        Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 van toepassing
                                        (artikel 26, vierde lid, van deze verordening).</al>
                                    <al/>
                                    <al>Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel</al>
                                    <al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al>
                                    <al/>
                                </li>
                            </lijst>
                        </li>
                    </lijst>
                </preambule>
            </aanhef>
            <regeling-tekst/>
            <bijlage/>
        </regeling>
    </body>
</cvdr>
