<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44759_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Winsum</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-12-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wiekslag, 10-08-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet en werk bijstand 2</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-08-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Toeslagenverordening WWB</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB-2</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Toeslagenverordening WWB-2</vet></al><al/><al>Officiële titel Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente
                        Winsum</al><al>citeertitel Toeslagenverordening WWB</al><al>Wettelijke grondslag Artikel 30 WWB</al><al>Datum aanmaak april 2010</al><al/><al>De raad van de gemeente Winsum;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet
                        werk en bijstand; </al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel c, van de
                                wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de
                                huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in
                                artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>woonkosten:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de
                                huurtoeslag; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                                omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband
                                met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten
                                en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                onderhoud;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                            van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden
                            gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide
                            echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt
                                20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt
                                10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf hebben; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel worden inwonende niet ten laste
                                komende kinderen met een inkomen van ten hoogste 50 % van de
                                gehuwdennorm niet in aanmerking genomen </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 21
                                of 22 jaar betreft in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>5 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 21
                                of 22 jaar betreft in wiens woning één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf hebben;</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10 procent
                                van de gehuwdennorm voor gehuwden in wiens woning één of meer
                                anderen hun hoofdverblijf hebben;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr/><al>De verlaging bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>15 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                waaraan voor belanghebbende geen hypotheeklasten verbonden
                                zijn;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur verbonden
                                zijn;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>20 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Norm Schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het college stelt de norm als bedoeld in artikel 28 van de wet
                                gedurende zes maanden na het tijdstip van beëindiging onderwijs of
                                beroepsopleiding vast op: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het bedrag zoals genoemd in artikel 33, lid 2a van de
                                wetvoor de thuiswonende schoolverlater;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het bedrag zoals genoemd in artikel 33, lid 2b van de wet voor de
                                uitwonende schoolverlater;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>artikel 3 tot en met 6 zijn niet van toepassing wanneer dit artikel
                                van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><lid><lidnr/><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat
                                de toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende ten minste
                                bedraagt: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>45 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>65 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder,</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>75 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>REGELINGEN IN VERBAND MET DE WIJZIGINGEN IN DE WWB EN INTREKKING VAN DE WIJ PER 1 JANUARI 2012</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8a</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen 'alleenstaande',
                                'alleenstaande ouder' en 'gezin' worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over 'gehuwde(n)' of
                                'gehuwdennorm' hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als 'gezin', bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                'gezinsnorm', bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8b</nr><titel>Wijziging verwijzingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel
                                a, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                                gelezen: artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel
                                b, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                                gelezen: artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel
                                c, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                                gelezen: artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de datum uit het eerste lid vervalt de
                                ‘Toeslagenverordening WWB’.</al><al/><al/></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING TOESLAGENVERORDENING WWB</tussenkop><al>De Wet investeren in Jongeren (WIJ)is een voorliggende voorziening voor de Wet
                    Werk en Bijstand.</al><al>Voor de groep 18 tot 27 jarigen is de WIJ dus van toepassing. De
                    toeslagenverordening WWB is dus niet meer van toepassing voor jongeren tot 27
                    jaar. Formeel is deze categorie in de WWB niet gewijzigd. De toeslagen in de
                    verordeningen voor de WIJ en de WWB zijn qua hoogte op elkaar afgestemd.</al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van
                    deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21, onder c, WWB. Dit bedrag
                    is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon. </al><tussenkop>Artikel 2 </tussenkop><al>Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27, en 28, WWB ook categoriale verlagingen
                    mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, moet dit niet
                    opportuun geacht worden. De normen van artikel 20, WWB, zijn laag vastgesteld,
                    vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van belanghebbenden. Betreffende
                    ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij
                    hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. </al><al>In dergelijke gevallen zou als het ware ‘dubbel gekort’ worden als hierdoor ook
                    nog krachtens de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden.
                    Bovendien zou de toepassing van de categoriale verlagingen op belanghebbenden
                    van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos
                    ingewikkeld maken. </al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20, WWB, onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18, lid 1, WWB de bijstand lager vast te stellen. In de
                    praktijk zal dit zich gezien de geringe hoogte van de jongerennorm niet
                    veelvuldig voordoen, maar te denken valt aan de situatie waarin gehuwden met een
                    kind in een kraakpand wonen. In dergelijke uitzonderlijke situaties moet het
                    college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot individualiseren. </al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30, lid 2, onder a, WWB.
                    Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. </al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde
                    woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>Aangezien een uitgangspunt van de WWB is dat de verlening van bijstand maatwerk
                    betreft, lijkt het in het geheel geen gebruik maken van de mogelijkheden om in
                    de Toeslagenverordening rekening te houden met kostenbesparende situaties waarin
                    belanghebbende verkeert in strijd met de bedoeling van de wetgever. </al><al>In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm begrepen
                    zijn (niet ten laste komende kinderen), maar die tevens in omstandigheden
                    verkeren waardoor het aannemelijk is dat zij kunnen bijdragen in de kosten van
                    het huishouden (inkomen van meer dan 50% van de gehuwdennorm), meetellen als
                    personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben. </al><al>De jurisprudentie laat zich slechts in zo verre uit over de ondergrens, dat zij
                    een inkomen enkel uit studiefinanciering onvoldoende acht om te veronderstellen
                    dat het inwonende kind een bijdrage kan leveren in de woonlasten (CRvB,
                    17-04-2007, nr. 06/965, WWB). </al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke
                    situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan
                    de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) de verlaging
                    vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan immers
                    daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen
                    voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129
                    NABW). </al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>Artikel 29, WWB, geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                    passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                    jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. </al><al>In het tweede lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 30
                    lid 2 onder b WWB om in de verordening vast te stellen dat de
                    schoolverlaterverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de verlaging
                    voor 21- en 22-jarigen. </al><al>Voor het met voorrang toepassen van de schoolverlaterverlaging is gekozen, omdat
                    een 21- of 22-jarige schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel
                    dan een 23-jarige schoolverlater op grond van artikel 7 van de
                    Toeslagenverordening. </al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>De hoogte van de uitkering van echtparen en samenwonenden is afhankelijk van het
                    feit of de kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander. Ook
                    gehuwden kunnen schaalvoordelen genieten wanneer zij de kosten van het bestaan
                    kunnen delen omdat zij de door hen bewoonde woning niet alleen bewonen. Deze
                    schaalvoordelen leiden ertoe dat een gehuwdenuitkering wordt verlaagd. De
                    verlaging bedraagt 10% van het netto minimumloon. </al><al>De gemeente dient, wanneer er sprake is van inkomsten van een bij een echtpaar
                    inwonend verdienend kind, te bepalen vanaf welk bedrag aan inkomsten er met deze
                    inkomsten rekening zal worden gehouden. Zodra ten minste 50% van de gehuwdennorm
                    wordt verdiend, wordt ervan uitgegaan dat er sprake is van schaalvoordeel. De
                    basisnorm zal dan met 10% van de gehuwdennorm worden verlaagd. Zie ook
                    toelichting bij artikel 3, lid 3. </al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><al>De bijstandsuitkering dient voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan te voorzien. De kosten van wonen maken daar deel van uit.
                    Indien aan de door betrokkene bewoonde woning geen hypotheeklasten of geen
                    kosten van huur aan verbonden zijn, is er sprake van een verlaging van de
                    toeslag. Dat er bij een eigen huis sprake is van een verlaging van 15 % heeft te
                    maken met het feit dat er voor betrokkene nog sprake is van onderhoudskosten en
                    eigenaarlasten. Indien geen woning bewoond wordt, bv. caravan op een adres waar
                    men in het GBA is ingeschreven, bedraagt de verlaging 20%. </al><al>Onder kosten van huur wordt tevens kostgeld verstaan. Een reële prijs voor
                    kostgangerschap is gesteld op minimaal 36% van het normbedrag. </al><tussenkop>Artikel 7 </tussenkop><al>De schoolverlaterverlaging van artikel 28, WWB, is blijkens de toelichting op
                    dat artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in
                    een veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de Wtos. Zie wettekst en
                    toelichting voor begripsomschrijving. </al><tussenkop>Artikel 8 </tussenkop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als redelijk in
                    betreffende omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit artikel zou dat echter
                    kunnen betekenen, dat - met name in situaties waarin de schoolverlaterverlaging
                    in combinatie met een van de andere verlagingsgronden aan de orde is - het
                    college de bijstand vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten vaststellen,
                    dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate bijstandsverlening. In
                    voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 18, lid 1, WWB, de
                    bijstand hoger moeten vaststellen. Daarom is ervoor gekozen om reeds in de
                    Toeslagenverordening een minimumbedrag vast te leggen, waarop het college de
                    bijstand (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) ten minste moet
                    vaststellen. </al><al>Aan de verplichting van artikel 30, lid 2, onder b, WWB, dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd, dat de schoolverlaterverlaging (artikel
                    28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29, WWB) niet gelijktijdig mogen
                    worden toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel 7, lid 3
                    van de Toeslagenverordening. </al><tussenkop>Artikel 9 </tussenkop><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van
                    de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3, Invoeringswet WWB
                    (zie TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 8). </al><tussenkop>Artikel 10/11 </tussenkop><al>Spreekt voor zich. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>