<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44751_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad 8 oktober 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening werkleeraanbod WIJ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20investeren%20in%20jongeren">Wet investeren in jongeren </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel><onderstreept>Begripsomschrijving</onderstreept></titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente;</al></li><li nr="b."><al> de WIJ: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="c."><al> algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid in
                                het kader van de Wet</al><al>sociale werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en
                                niet indruist tegen</al><al>de openbare orde of goede zeden;</al></li><li nr="d."><al> startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in
                                artikel 7.2.2, eerste lid,</al><al>onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs
                                of een diploma hoger</al><al>algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk
                                onderwijs als bedoeld</al><al>in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel><onderstreept>Opdracht college</onderstreept></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college biedt jongeren, die recht hebben op een werkleeraanbod,
                        algemeen</al><al>geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of een
                        voorziening gericht</al><al>op arbeidsinschakeling aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie van
                        algemeen</al><al>geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling dan wel één
                        of meerdere</al><al>voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid kan een werkleeraanbod ook bestaan uit
                        een</al><al>voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep of bedrijf, als bedoeld in
                        artikel 17,</al><al>zesde lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden, krachten
                        en</al><al>bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een werkleeraanbod is
                        vastgesteld. Bij de</al><al>invulling van het werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden
                        en</al><al>omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in hoeverre de
                        wensen van de</al><al>jongere bij de invulling van het werkleeraanbod kunnen worden
                        betrokken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college legt het werkleeraanbod vast in een beschikking dan wel een
                        polis als bijlage</al><al>bij de beschikking. De beschikking bevat in ieder geval een omschrijving van
                        de te</al><al>verrichten activiteit naar aard, omvang en plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel><onderstreept>Aanspraak op ondersteuning</onderstreept></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking
                        voor</al><al>ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het
                        college</al><al>noodzakelijk geachte en beschikbare voorzieningen gericht op
                        arbeidsinschakeling.</al><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                        zijn in deze</al><al>verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel><onderstreept>Arbeidsinschakeling</onderstreept></titel></kop><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en naar
                        het oordeel van</al><al>het college direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen
                        geaccepteerde</al><al>arbeid of ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel><onderstreept>De voorzieningen</onderstreept></titel></kop><al>Onverminderd artikel 4, kan het college jongeren die recht hebben op een
                        werkleeraanbod, één of meer van de volgende voorzieningen aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al> ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of medische
                                zorg;</al></li><li nr="b."><al> ondersteuning bij maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="c."><al> arbeidsactivering en arbeidstoeleiding;</al></li><li nr="d."><al> sociale activering;</al></li><li nr="e."><al> stages bij bedrijven of instellingen;</al></li><li nr="f."><al> opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen;</al></li><li nr="g."><al> loonkostensubsidies en premies;</al></li><li nr="h."><al> nazorg bij arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="i."><al> voorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid;</al></li><li nr="j."><al> diagnose-instrumenten;</al></li><li nr="k."><al> inburgeringstraject</al></li><li nr="l."><al> ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang,
                                schuldhulpverlening,</al><al>onderzoeken door deskundigen en taal- en beroepsgerichte
                                scholing.</al></li><li nr="m."><al> overige voorzieningen die noodzakelijk geacht worden in de
                                individuele situatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel><onderstreept>Inzet van de voorzieningen</onderstreept></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen die
                        beschikbaar,</al><al>adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt beoogd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
                        duurzame</al><al>arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van werkervaring, het
                        aanleren van</al><al>vaardigheden en kennis, het opdoen van werkritme, maatschappelijke
                        participatie dan wel</al><al>op andere wijze vergroten van persoonlijke en maatschappelijke
                        zelfredzaamheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college vult de voorzieningen als bedoeld in het eerste lid voor de
                        jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met scholing of
                        opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het
                        oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten van
                        de jongere te boven gaat of onvoldoende bijdraagt aan vergroting van de kans
                        op arbeidsinschakeling van de jongere.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel><onderstreept>Combinatie arbeid en zorg</onderstreept></titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het college bij de
                        invulling van het werkleeraanbod de beschikbaarheid van passende
                        kinderopvang, het belang van voldoende scholing en de belastbaarheid van de
                        jongere.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel><onderstreept>Gehandicapten</onderstreept></titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het college het
                        werkleeraanbod af op</al><al>de medische beperkingen van de jongere en draagt zorg voor passende
                        voorzieningen ter</al><al>ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel><onderstreept>Uitvoering door derden</onderstreept></titel></kop><al>Het college kan in verband met de invulling en uitvoering van het
                        werkleeraanbod afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en
                        re-integratiebedrijven, alsmede subsidies verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel><onderstreept>Verplichtingen van de jongere</onderstreept></titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen aan
                        de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur uitvoering
                        werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het
                        college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. Deze verplichtingen
                        zijn opgenomen in de beschikking of bijgevoegde polis zoals bedoeld in
                        artikel 2 lid 5 van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel><onderstreept>Intrekking werkleeraanbod</onderstreept></titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien indien wijziging
                        optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere dan
                        wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende
                        verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit te verwijten
                        valt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel><onderstreept>Budgetplafond</onderstreept></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                        verschillende</al><al>voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in
                        aanmerking komt</al><al>voor een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kent een andere voorziening toe als het budget voor een
                        bepaalde voorziening is uitgeput</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel><onderstreept>Subsidies</onderstreept></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een jongere
                        een</al><al>arbeidsovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming in de loonkosten en in de
                        kosten van</al><al>voorbereiding op een beoogd dienstverband met de jongere.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan nadere regels stellen over de duur van de subsidie, de
                        hoogte, en de</al><al>verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan een subsidieplafond vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel><onderstreept>Vergoedingen</onderstreept></titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van een
                        werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die kosten
                        verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel><onderstreept>Evaluatie</onderstreept></titel></kop><al>Het college zendt uiterlijk binnen 2 jaar na inwerkingtreding van deze
                        verordening een verslag over de wijze waarop de verordening is
                        toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel><onderstreept>Slotbepalingen</onderstreept></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze
                        verordening als</al><al>toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college beslist in gevallen waarin deze verordening niet
                        voorziet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Deze verordening treed in werking op de eerste dag van de kalendermaand
                        volgend op de</al><al>dag van publicatie en werkt terug tot en met 1 juli 2010.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening werkleeraanbod
                        WIJ.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 23 september 2010</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan.
                    De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ.</al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. De Wij wijzigt het uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering,
                    mits’ in ‘geen uitkering, tenzij’.</al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is onder bepaalde voorwaarden verplicht een werkleeraanbod en eventueel
                    een inkomensvoorziening aan te bieden. De jongere is verplicht zich te houden
                    aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken en dient de inkomensvoorziening verlaagd te
                    worden (artikel 41, eerste lid WIJ).</al><al><onderstreept>Alleenstaande ouders</onderstreept></al><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht besteed
                    aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijke medische en/of
                    fysieke beperkingen. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste
                    komend kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd wordt
                    ingevuld door middel van scholing of opleiding die de toegang tot de
                    arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of
                    bekwaamheden van de jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ).</al><al>Daarmee loopt deze regeling parallel met de WWB (artikel 9a WWB). Anders dan in
                    de WWB echter is uit oogpunt van deregulering afgezien van een maximale termijn
                    van zes jaar. Dit omdat gezien de maximale duur van het werkleerrecht (van 18
                    tot 27 jaar) deze maximale termijn in de meeste gevallen reeds in de
                    werkleerperiode zal zijn geïncorporeerd.</al><al><onderstreept>Zelfstandigen</onderstreept></al><al>Besloten is om zelfstandigen uit te zonderen van het recht op een werkleeraanbod
                    en van het recht op inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e,
                    artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan
                    bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f van de WWB, zodat de (jongere)
                    zelfstandige zich geheel kan richten op zijn bestaan als zelfstandige. In het
                    zesde lid van artikel 17 WIJ wordt evenwel bepaald dat het college de
                    mogelijkheid (niet de verplichting) heeft om aan de jongere die als zelfstandige
                    wil beginnen een werkleeraanbod te doen dat bestaat uit een
                    voorbereidingsperiode op het bestaan als zelfstandige. Dit werkleeraanbod duurt
                    maximaal twaalf maanden en kan slechts worden aangeboden op verzoek van de
                    jongere.</al><al><onderstreept>Gehandicapten</onderstreept></al><al>Voor de groep jongeren met een medische beperking (die niet behoren tot de
                    doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het aanbod aansluit bij hun
                    mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het werkleerrecht zal vooral
                    voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand van de individuele situatie
                    zal beoordeeld moeten worden welk aanbod past bij de jongere gelet op zijn/haar
                    mogelijkheden en beperkingen. Het werkleeraanbod moet aansluiten bij de
                    individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en
                    belastbaarheid. Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon toegesneden
                    afweging bij de uiteindelijke keuze van een traject. Voor de groep jongeren die
                    weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort sociale activering tot
                    mogelijkheden. Als een werkleeraanbod vanwege de medische situatie in het geheel
                    niet mogelijk is, wordt de gehandicapte geen aanbod gedaan. Wel kan aanspraak op
                    een inkomensvoorziening bestaan.</al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al><onderstreept>Artikel 1. Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in
                    de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals ‘werkleeraanbod’,
                    ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw gedefinieerd. Wel gedefinieerd
                    zijn de begrippen ‘algemeen geaccepteerde arbeid’ en ‘startkwalificatie’, omdat
                    deze in de WIJ niet nader zijn omschreven.</al><al><onderstreept>Artikel 2. Opdracht college</onderstreept></al><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze
                    voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ. Hoewel deze
                    opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en artikel 5, eerste lid, WIJ
                    kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt van duidelijkheid voor gekozen de
                    opdracht aan het college nader te omschrijven. In het tweede lid is tevens
                    verduidelijkt dat het werkleeraanbod ook samengesteld kan zijn uit een
                    combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling en één of meerdere voorzieningen. Onder voorziening wordt
                    verstaan een instrument dat wordt ingezet om de jongere dichterbij de
                    arbeidsmarkt te brengen. Dit kan zoals gezegd allerlei vormen hebben, variërend
                    van schuldhulpverlening tot training van werknemersvaardigheden.</al><al>In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan uit
                    ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep of bedrijf.
                    Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een oogpunt van
                    herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang dat gehecht wordt
                    aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk, is deze bepaling
                    opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een ‘kan’-bepaling is: het
                    college bepaalt of het zinvol is de jongere een aanbod te doen gericht op
                    ondersteuning richting zelfstandig bedrijf of beroep. Ter zake kan beleid worden
                    geformuleerd.</al><al>Het vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ. Wederom uit
                    een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang van
                    maatwerk bij het vaststellen van het werkleeraanbod, is dit artikel opgenomen.
                    Toegevoegd is de gemeentelijke onderzoeksplicht en de plicht om de wensen van de
                    jongere bij de invulling te betrekken. Met het oog op motivering en
                    kansbenutting zal het college daarmee rekening dienen te houden. Daarmee is niet
                    gezegd dat de jongere recht heeft op een bepaalde specifieke voorziening en deze
                    kan opeisen. De uiteindelijke invulling van de aard en de samenstelling van het
                    aanbod is voorbehouden aan het college.</al><al><onderstreept>Artikel 3. Aanspraak op ondersteuning</onderstreept></al><al>Als spiegelbeeld van de opdracht van het college, zoals verwoord in artikel 2,
                    eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod in aanmerking
                    voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voorzieningen. Dit vloeit reeds
                    voort uit artikel 13, eerste lid, WIJ maar is omwille van de herkenbaarheid en
                    eenduidigheid hier nader geconcretiseerd.</al><al>Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet gaan die
                    recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere ‘jongere’ in de zin van
                    de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want in de WIJ wordt een onderscheid
                    gemaakt in de leeftijdscategorie 16 tot en met 17 jaar en in de
                    leeftijdscategorie 18 tot en met 26 jaar, zoals vermeldt in artikel 13 eerste
                    lid WIJ.</al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld zijn voor het aanbieden van
                    een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen naar de verordening.</al><al><onderstreept>Artikel 4. Arbeidsinschakeling</onderstreept></al><al>Het staat het college vrij om bij het werkleeraanbod aan de jongere een keuze te
                    maken tussen het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                    de arbeidsinschakeling en een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Deze
                    zijn nevengeschikt. De kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie is echter
                    het doel van het in te zetten werkleeraanbod.</al><al><onderstreept>Artikel 5. De voorzieningen</onderstreept></al><al>Naast het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kan het college voorzieningen aanbieden. Die voorzieningen
                    zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct inzetbaar zijn op de
                    arbeidsmarkt, maar kunnen in een krimpende arbeidsmarkt ook worden aangeboden
                    aan jongeren zonder direct aanwijsbare belemmeringen.</al><al>In dit artikel zijn de voorzieningen opgesomd die het college ter beschikking
                    staan. Het is denkbaar dat het college nog andere voorzieningen ontwikkelt die
                    (nog) niet in de verordening zijn opgenomen.</al><al>Het college kan niet gedwongen worden om in een concreet geval een specifieke
                    voorziening aan te bieden. Het staat het college in beginsel vrij om het
                    werkleeraanbod zelf invulling te geven en daarbij ook te betrekken de mate
                    waarin voorzieningen noodzakelijk geacht worden en feitelijk beschikbaar
                    zijn.</al><al><onderstreept>Artikel 6. Inzet van de voorzieningen</onderstreept></al><al>In het eerste lid is het maatwerk-principe gerelateerd aan de inzet van
                    voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat en
                    toereikend middel zijn om het doel te bereiken. Adequaat wil zeggen efficiënt en
                    effectief, waarbij bij een keuze tussen kwalitatief gelijkwaardige
                    voorzieningen, gekozen zal worden voor de goedkoopste voorziening.</al><al>In het tweede lid is het doel van de inzet van voorzieningen verwoord.
                    Afhankelijk van de aard van de voorziening zal sprake zijn van één van de
                    aangegeven (tussen)doelen, met als eindbestemming de duurzame
                    arbeidsparticipatie.</al><al>Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om te bepalen of het
                    werkleeraanbod wordt ingevuld door werken of leren of een combinatie van beide.
                    In deze verordening is vastgelegd dat de jongere die niet of onvoldoende
                    beschikt over een startkwalificatie een opleiding of andere scholing krijgt
                    aangeboden die tot deze startkwalificatie leidt dan wel de jongere dichterbij
                    het perspectief van duurzame arbeidsinschakeling brengt.</al><al><onderstreept>Artikel 7. Combinatie arbeid en zorg</onderstreept></al><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht besteed
                    aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijk verminderde
                    belastbaarheid. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste komend
                    kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld
                    door middel van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt
                    bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de
                    jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). Daaraan wordt in artikel 7
                    van deze verordening toegevoegd dat het college bij de invulling van het
                    werkleeraanbod de situatie van de alleenstaande ouder betrekt, ongeacht de
                    leeftijd van het kind. Eventuele kosten voor kinderopvang die niet toereikend
                    door voorliggende voorzieningen worden gecompenseerd, kunnen op grond van
                    artikel 14 van deze verordening worden vergoed en ten laste van het
                    participatiebudget worden gebracht.</al><al><onderstreept>Artikel 8. Gehandicapten</onderstreept></al><al>De gehandicapte jongeren nemen eveneens een bijzondere positie in binnen de WIJ.
                    Voor deze groep jongeren met een medische beperking is het van belang dat het
                    aanbod aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                    werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand
                    van de individuele situatie zal het college beoordelen welk aanbod past bij de
                    jongere met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden en beperkingen. Voor de
                    groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort
                    sociale activering tot de mogelijkheden. Is arbeidsinschakeling in het geheel
                    (nog) niet aan de orde, dan brengt artikel 17, tweede lid, WIJ met zich mee dat
                    (tijdelijk) geen werkleeraanbod wordt gedaan. Er bestaat gedurende die periode
                    wel aanspraak op inkomensvoorziening. Zodra de belemmeringen zijn opgeheven,
                    dient een gericht werkleeraanbod te worden gedaan.</al><al><onderstreept>Artikel 9. Uitvoering door derden</onderstreept></al><al>In artikel 11, vierde lid van de WIJ is bepaald dat het college de uitvoering
                    van de WIJ, behoudens het vaststellen van de rechten en plichten en de daarvoor
                    noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden kan laten
                    verrichten. De genoemde vaststelling kan wel worden gemandateerd aan
                    bestuursorganen. Er zijn in de WIJ geen wettelijke belemmeringen opgeworpen om
                    de feitelijke werkzaamheden m.b.t. de uitvoering van het werkleeraanbod of de
                    inrichting van het werkleeraanbod in handen te stellen van derden, zoals
                    opleidingsinstituten en re-integratiebedrijven. Binnen de beleidskaders kan het
                    college nadere afspraken maken met deze derden.</al><al><onderstreept>Artikel 10. Verplichtingen van de jongere</onderstreept></al><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het recht op een
                    werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is toegevoegd dat de
                    jongere de verplichtingen dient na te komen die voortvloeien uit de verordening
                    of die in concreto aan een voorziening zijn verbonden. Dit kunnen verplichtingen
                    van uiteenlopende aard zijn, die een concretisering vormen van de in de WIJ
                    opgenomen verplichtingen.</al><al><onderstreept>Artikel 11. Intrekking werkleeraanbod</onderstreept></al><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van opname van
                    deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in de overweging dat
                    intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan het voeren van beleid
                    m.b.t. de invulling van het werkleeraanbod. Daar waar het recht op
                    werkleeraanbod wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook worden ingetrokken,
                    onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met betrekking tot intrekking
                    van het werkleeraanbod in verband met schending van de verplichtingen verbonden
                    aan het werkleeraanbod, wordt het aan het college overgelaten om te bepalen
                    onder welke voorwaarden daartoe kan worden besloten. Intrekking is in wezen
                    slechts aan de orde als er een situatie is ontstaan dat niet langer kan worden
                    gevergd dat het werkleeraanbod wordt voortgezet en een andere invulling (via
                    gedeeltelijke herziening) evenmin soelaas biedt. Gedacht kan worden aan
                    herhaalde misdragingen jegens andere jongeren of begeleiders op de werk/leerplek
                    of veelvuldig verzuim. Daarbij kunnen bijvoorbeeld ook een rol spelen de positie
                    van gemotiveerde jongeren die wachten op een werk/leerplek, de staat van de
                    arbeidsmarkt en de kosten van de voorziening. De individuele belangen dienen
                    zorgvuldig afgewogen te worden en dit dient gemotiveerd te worden in de
                    beschikking.</al><al>Het verdient aanbeveling dat het college bij de invulling van het gemeentelijk
                    beleid met deze kaders rekening houdt en slechts tot intrekking besluit nadat de
                    individuele situatie zorgvuldig afgewogen is.</al><al><onderstreept>Artikel 12. Budgetplafonds</onderstreept></al><al>De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de
                    verschillende voorzieningen. Dit kan in de begroting gebeuren. Het uitgeput zijn
                    van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om geen werkleeraanbod te
                    doen. De verplichting daartoe is immers vastgelegd in artikel 13, eerste lid
                    WIJ. Wel kan de invulling van het werkleeraanbod beïnvloed worden door
                    budgettaire beperkingen. Zijn er vanwege die beperkingen voor bepaalde
                    voorzieningen geen middelen meer dan dient te worden nagegaan welke andere
                    instrumenten beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond
                    ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een plafond wordt
                    ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt
                    uitgeweken om tot duurzame arbeidsparticipatie te komen.</al><al><onderstreept>Artikel 13. Subsidies</onderstreept></al><al>Het werkleeraanbod kan worden ingevuld met arbeid. Dit wordt ook als voorziening
                    aangemerkt. In het eerste lid is vastgelegd dat de subsidie aan de werkgever kan
                    bestaan in een tegemoetkoming in de loonkosten of andere bijkomende kosten. Deze
                    subsidie vormt als zodanig een noodzakelijke voorwaarde voor de voorziening.
                    Voor het verstrekken van een subsidie is een wettelijke grondslag vereist (art.
                    4:23, eerste lid Awb). Om die reden is een specifiek artikel opgenomen dat deze
                    grondslag biedt. In het eerste lid worden loonkostensubsidies en subsidies ter
                    voorbereiding van een dienstverband van een grondslag voorzien.</al><al>De hoogte van de subsidies en de voorwaarden waaronder subsidie wordt verleend,
                    dienen afzonderlijk te worden geregeld.</al><al>Op grond van het tweede lid kan het college nadere regels stellen over enkele
                    zaken betreffende de subsidiëring. Hoewel uitgangspunt is dat het beleid over
                    het werkleeraanbod door de gemeenteraad wordt vastgesteld, is reeds eerder
                    aangegeven dat waar het om uitvoeringsbeleid gaat, dit door het college ter hand
                    kan worden genomen.</al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, subsidieplafonds
                    vaststellen.</al><al>In lid 3 is de bevoegdheid van het college vastgesteld om plafonds in te
                    stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in de begroting voor de verschillende soorten
                    subsidie worden gereserveerd. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te
                    worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).</al><al><onderstreept>Artikel 14. Vergoedingen</onderstreept></al><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                    werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht kan
                    bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de voorliggende
                    voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet. Ook noodzakelijke
                    reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor verplichte kleding of schoeisel,
                    kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, mits de kosten aantoonbaar en
                    noodzakelijk zijn en er geen andere voorzieningen zijn. De kosten kunnen ten
                    laste worden gebracht van het participatiebudget.</al><al><onderstreept>Artikel 15. Evaluatie</onderstreept></al><al>Het recht op werkleeraanbod confronteert de gemeente met de noodzaak een
                    effectief arbeidsmarktbeleid m.b.t. jongeren te voeren en in dat kader een
                    aantal beleidskeuzes te maken. Vanwege de verstrekkende (juridische en
                    budgettaire) verplichtingen die dit met zich kan meebrengen kan het gewenst zijn
                    de effecten van het beleid en de werking van deze verordening nauwlettend te
                    volgen. In artikel 15 wordt aangegeven dat het college de evaluatie van de
                    toepassing van de verordening werkleeraanbod WIJ, laat aansluiten bij de
                    evaluatie van de WIJ, die binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet moet
                    plaatsvinden (artikel 92 WIJ).</al><al><onderstreept>Artikel 16. Slotbepalingen</onderstreept></al><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat de
                    gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening uitgewerkt. Het
                    college is belast met de uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met
                    de nadere uitwerking daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien
                    of waarin onverkorte toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot
                    onbillijkheden van overwegende aard leidt, dan is het aan het college om
                    besluiten te nemen waarin recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van
                    handhaving van het gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van
                    de jongere. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen
                    die afwijken van deze verordening.</al><al>Lid 3: De WIJ is gepubliceerd in Staatsblad 283 van 2 juli 2009 en trad op 1
                    oktober 2009 in werking. De invoering van de WIJ wordt landelijk ondersteund met
                    onder meer model-verordeningen. Daarbij is aansluiting gezocht. Het
                    overgangsrecht van WWB naar WIJ loopt tot 1 juli 2010 (in sommige situaties tot
                    31-12-2010). Om deze reden (aansluiting op het overgangsrecht) en door de duur
                    van het te volgen lokaal bestuurlijke traject is voorzien in het verlenen van
                    terugwerkende kracht aan de verordening tot en met 1 juli 2010 (de datum waarop
                    het overgangsrecht eindigt).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>