<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR447243_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening advisering planschade De Wolden 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Digitaal gemeenteblad, nummer 4, 2017</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening advisering planschade De Wolden 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020449/2016-04-14">Artikel 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0023798/2015-07-01">Artikel 6.1.3.3 van het Besluit ruimtelijke ordening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-03-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-04-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2275</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Financiën en economie - verordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening advisering planschade De Wolden 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade      als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient; </al></li><li nr="b."><al>adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te      wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit      ruimtelijke ordening; </al></li><li nr="c."><al>adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel      3, vijfde lid, van  deze      verordening;</al></li><li nr="d."><al>besluit: Besluit ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="f."><al>gemeente: gemeente De Wolden;</al></li><li nr="g."><al>planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede      lid, Wet ruimtelijke  ordening;</al></li><li nr="h."><al>planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet      ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="i."><al>wet: Wet ruimtelijke ordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het besluit of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking      wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende      deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade;</al></li><li nr="2."><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het      eerste lid bedoelde   adviseur, van      oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege  inkomensderving en er, gezien de      complexiteit, aard en omvang van de aanvraag,   behoefte bestaat aan extra      deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur   aangewezen die deskundig is op het      gebied van accountancy of van financieel       economische bedrijfsvoering. </al></li><li nr="3."><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het      eerste lid bedoelde   adviseur, van      oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege   waardevermindering van een onroerende      zaak en er, gezien de complexiteit, aard en   omvang van de aanvraag, behoefte      bestaat aan extra deskundigheid wordt door het   college een tweede adviseur aangewezen      die deskundig is ter zake van de waardering   van onroerende zaken en van      waardevermindering daarvan als gevolg van een  planologische verslechtering;</al></li><li nr="4."><al>Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid      van toepassing zijn,   worden zowel      de in het tweede als het derde lid bedoelde adviseurs aangewezen; </al></li><li nr="5."><al>Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een      adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter      is;</al></li><li nr="6."><al>De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college      verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig      te zijn met betrekking tot de in artikel 3, eerste, tweede of derde lid,      bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen;</al></li><li nr="2."><al>Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de      raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische      maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in      artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere      betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in      artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte      van de aanwijzing van: </al><al>a. een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of</al><al>b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid.</al></li><li nr="2."><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede      de   belanghebbenden als bedoeld in      artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen   binnen twee weken na de mededeling als      bedoeld in het eerste lid schriftelijk en        voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere      adviseurs bij het  college indienen;</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist binnen zes weken na het verstrijken van de in      het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van      één of meerdere adviseurs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de      aanvraag betrekking   hebbende      informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de      adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter      beschikking;</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer      personen aan die de adviseur   of de      adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat;</al></li><li nr="3."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één      of meerdere   hoorzittingen, waar de      aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s)      in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten,   onderscheidenlijk de voor de advisering      over de aanvraag relevante informatie te       verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag      aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere      betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in      artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de      gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken;</al></li><li nr="4."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het      tijdstip waarop de   adviseur of de      adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de   aanvrager voor de plaatsopneming uit;</al></li><li nr="5."><al>Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken      onroerende zaak, wordt   door de      adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een      afspraak gemaakt;</al></li><li nr="6."><al>Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het      vierde lid bedoelde   bezichtiging      wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de   voorzitter van de adviescommissie een      verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit   te brengen advies;</al></li><li nr="7."><al>Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de      adviescommissie binnen   zestien      weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan      aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken      bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,      tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de      adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van   redenen met een daarbij aan te geven      termijn met ten hoogste vier weken verlengen;</al></li><li nr="8."><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de      belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de      wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending      van het concept advies schriftelijk hierop te reageren;</al></li><li nr="9."><al>In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of      de adviescommissie  binnen vier      weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een      advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn      betrokken;</al></li><li nr="10."><al>In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de      adviseur of de  adviescommissie      binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde      termijn een advies uit aan het college;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>Indien het college een vergoeding van planschade vaststelt, vindt uitbetaling plaats op een door aanvrager aangegeven rekening direct na het onherroepelijk worden van deze beschikking </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening advisering planschade De Wolden 2008 wordt      ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening      worden afgehandeld conform de verordening advisering planschade De Wolden      2008. </al></li><li nr="3."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 april  2017.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening advisering      planschade De Wolden 2017’. </al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Zuidwolde, 30 maart  2017</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>griffier,                                                        voorzitter,</ondertekening><ondertekening>(mw. drs. I.J. Gehrke)                          (R.T. de Groot)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting ‘Verordening advisering planschade De Wolden 2017’. </label></kop><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al>Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan degene die in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een planologische maatregel, op aanvraag een tegemoetkoming in planschade worden toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming in planschade niet voldoende anderszins verzekerd is.  </al><al/><al>Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat bepalingen over het tijdstip waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend (artikel 6.1, vierde en vijfde lid, Wro), is uitgewerkt welke schade in ieder geval voor rekening van de aanvrager dient te blijven (artikel 6.2 Wro) en wordt ingegaan op zaken die het bestuursorgaan bij het nemen van een beslissing op het aanvragen om een tegemoetkoming in planschade dient te betrekken (artikel 6.3 Wro). </al><al/><al>Artikel 6.1, derde lid, Wro stelt eisen aan de aanvraag om een tegemoetkoming, die op grond van artikel 6.7 Wro in het Bro zijn uitgewerkt. De regels in het Bro leiden tot een uniformering en standaardisering van regels omtrent de inrichting en behandeling en de wijze van beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in schade. Onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bestond de noodzaak dat iedere gemeente een regeling voor de behandeling van de planschadeverzoeken moest opstellen. De regeling met betrekking tot de behandeling van de aanvragen is nu terug te vinden in het Bro.</al><al/><al>In het Bro zijn in afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de vereisten voor het indienen van een aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en de regels voor het aanwijzen van een adviseur opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro verplicht het college een adviseur aan te wijzen die advies uitbrengt over de op de aanvraag te nemen beslissing. In artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro wordt voorgeschreven dat de gemeente een verordening moet vaststellen over de wijze waarop een adviseur wordt aangewezen en de wijze waarop deze tot een advies komt. In artikel 6.1.3.3, tweede lid, Bro wordt bepaald dat de verordening in ieder geval betrekking moet hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur;</al></li><li nr="-"><al>de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="-"><al>het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel na deze aanwijzing kunnen wraken;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken, en de hierbij geldende termijnen. </al></li></lijst><al-groep><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.       Begripsbepalingen </vet></al><al>Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Wro en het Bro en voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling gegeven. Voor een juiste interpretatie van de verordening is naast raadpleging van artikel 1 kennisneming van de algemene bepalingen in artikel 6.1.1.1 Bro van belang. Ten behoeve van de duidelijkheid van de begrippen adviseur en adviescommissie is in deze verordening een van het Bro afwijkende omschrijving van het begrip adviseur opgenomen. Het begrip gemeente is afzonderlijk gedefinieerd om te verduidelijken dat indien de verordening het woord gemeente gebruikt, het de gemeente betreft waar de aanvraag om tegemoetkoming in planschade is ingediend. </al><al/><al><vet>Artikel 2.       Opdrachtverstrekking </vet></al><al>Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Bro of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro moet het besluit tot het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd. Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld in artikel 6.1.3.1 Bro worden overschreden. In het laatste geval dienen niettemin één of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een opdracht te worden verstrekt. </al><al>De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking. </al><al/><al><vet>Artikel 3.       Adviseur of adviescommissie </vet></al><al>Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke gevallen een adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en over welke deskundigheid een adviseur dient te beschikken. </al><al>Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (zie de Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 63). Een adviesbureau gespecialiseerd in planschade kan derhalve worden aangewezen als adviseur bedoeld in het eerste lid, of als één van de adviseurs (tweede of derde lid) in een adviescommissie. </al><al>Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste adviescommissie). </al><al>In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt aangewezen die over voldoende deskundigheid op het gebied van planschadeadvisering dient te  beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de planschade kan een tweede en/of derde adviseur worden aangewezen, die over specifieke deskundigheid op het gebied van planschade wegens inkomensderving onderscheidenlijk wegens waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een planologische verslechtering beschikt. </al><al>Het is aan het college om, na advies te hebben ingewonnen bij de (eerste) adviseur, te beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren, of dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een tweede en/of derde adviseur bij de opdracht te betrekken die beschikt over specifieke deskundigheid. Het college zal de tweede en/of derde adviseur dan vervolgens moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er sprake van een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid). De adviseurs dienen de in artikel 6.1.3.4 Bro genoemde zaken te betrekken.</al><al>Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Bro bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie zich door derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn gemoeid is instemming van het college vereist. </al><al/><al><vet>Artikel 4.       Deskundigheid en onafhankelijkheid </vet></al><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro schrijft voor dat de verordening regels moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. Om de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het eerste lid bepaald dat het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon als adviseur overgaat, kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, tweede of derde lid, genoemde aspecten waarop hij of zij de aanvraag dient te beoordelen. </al><al>In aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 6.1.1.1 onder c, Bro waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede lid, bepaald dat die adviseur eveneens niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Voorts bepaalt artikel 4, tweede lid, dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijnde planologische maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van planologische maatregelen. </al><al/><al><vet>Artikel 5.       Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing </vet><vet>adviseur of adviescommissie</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van een adviseur of adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend gemaakt. Indien de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere  belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro zich niet kunnen verenigen met de aanwijzing van één of meerdere adviseurs is er de mogelijkheid om één of meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro kunnen één of meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of  omstandigheden waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te maken. Het college moet binnen zes weken na het verstrijken van de termijn tot het indienen van een verzoek tot wraking beslissen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.       Werkwijze adviseur of adviescommissie </vet></al><al>Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd. </al><al>In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand wordt verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden zijnde informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. </al><al>Het derde, vierde en vijfde lid bevatten regels over achtereenvolgens de hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie. Deze onderdelen behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Volgens artikel 6.1.3.5, tweede lid, Bro mag van de bezichtiging worden afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen. </al><al>Het concept advies dient binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht aan de gemeente, aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro te worden toegezonden. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd (zevende lid). </al><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Bro bepaalt dat de verordening aandacht moet schenken aan de wijze waarop de aanvrager, eventueel andere betrokken  bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro bij de opstelling van het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting bij het Bro noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde periode op het concept advies te reageren (zie de Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 66). In dit kader bepaalt het achtste lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele andere bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het concept advies te reageren. </al><al>Het negende en het tiende lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen van het advies aan het college. </al><al/><al><vet>Artikel 7.       Uitbetaling</vet></al><al>Indien het verzoek heeft geleid tot tegemoetkoming in planschade, wordt deze zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van het besluit uitbetaald. Het drempelbedrag van €300,- wordt hierbij geretourneerd. Dit is niet het geval indien het verzoek om tegemoetkoming in planschade wordt afgewezen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.       Slotbepalingen </vet></al><al>In de citeertitel is een jaartal opgenomen om de betrokken verordening te onderscheiden van eventuele gelijkluidende opvolgende verordeningen.</al></al-groep></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>