<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44707_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-12-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wiekslag, 10-08-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening WWB</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">WWB; art. 8, lid 1, onder b, art. 18, lid 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-08-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Afstemmingsverordening WWB</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening WWB</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Maatregelverordening WWB</vet></al><al/><al>Officiële titel Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente
                        Winsum</al><al>citeertitel Maatregelverordening WWB</al><al>Wettelijke grondslag Artikel 8, eerste lid onder b en artikel 18 lid 2
                        WWB</al><al>Datum aanmaak mei 2010</al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Winsum;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet werk
                        en bijstand; </al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB); algemene bijstand: de
                                bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet; bijzondere
                                bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet;
                                bijstand: algemene en bijzondere bijstand; bijstandsnorm; de
                                bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>algemene bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                b, van de wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bijzondere bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5,
                                onderdeel d, van de wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>bijstandsnorm; de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c,
                                van de wet;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18,
                                tweede lid, van de wet;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente Winsum.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende
                                verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
                                zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig
                                deze verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing
                                van artikel 12 van de wet; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot zijn
                                recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college
                                of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7
                                van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed,
                                om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als
                                bedoeld in artikel 17 van de wet; of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het college het horen niet nodig acht in voor het vaststellen van de
                                ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging
                                door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een
                                schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens
                                schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop
                                van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In artikel 17 van deze verordening is aangegeven in welke situaties
                                van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan <cursief>drie </cursief>maanden wordt
                                opgelegd, wordt uiterlijk na <cursief>drie</cursief> maanden nadat
                                deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, zullen de maatregelen
                            aaneensluitend worden uitgevoerd, waarbij de zwaarste maatregel het
                            eerst wordt toegepast. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan de arbeids- en
                            reïntegratieverplichtingen: het verkrijgen of aanvaarden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><lid><lidnr/><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond
                                van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                                onderscheiden in de volgende categorieën:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Eerste categorie:</al></lid><lid><lidnr/><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV
                                Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tweede categorie:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting tot
                                gebruik van aangeboden voorzieningen voor re-integratie, waaronder
                                begrepen het niet verschijnen op een afspraak of niet of onvoldoende
                                meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Derde categorie:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het niet aanvaarden van werk, dat onderdeel uitmaakt van het
                                trajectplan dat de belanghebbende met de gemeente heeft
                                afgesproken</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr/><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al><cursief> vijf</cursief> procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                maand bij gedragingen van de eerste categorie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al><cursief> twintig </cursief> procent van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al><cursief> honderd </cursief>procent van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de
                            wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                            verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door
                            het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met
                            toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd van
                                <cursief>vijf</cursief> procent van de bijstandsnorm gedurende
                                <cursief>éé</cursief><cursief>n maand</cursief>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al/><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                            bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte
                            of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel,
                            onverminderd artikel 2, tweede lid, <cursief>vijf </cursief>procent van
                            de bijstand gedurende van een maand<cursief>. </cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel
                                afgestemd op de hoogte van het benadelingbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij een benadelingbedrag tot € 1000,-: 10% van de
                                bijstandsnorm;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij een benadelingbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de
                                bijstandsnorm</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bij een benadelingbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de
                                bijstandsnorm</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bij een benadelingbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de
                                bijstandsnorm</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                vastgesteld op een maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het
                                onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het
                                Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft
                                getroffen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt de
                                maatregel vastgesteld op 100% van de bijstandnorm voor de periode
                                van één maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef wordt mede verstaan het door eigen
                                toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (bijzondere
                                bijstand)</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond
                            als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, kan de bijzondere
                            bijstand geheel geweigerd worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                            tweede lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van
                            100procent van de bijstandsnorm gedurende
                                <cursief>een</cursief> maand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in artikel 10 lid a, artikel
                            11 en artikel 12 kan worden afgezien en worden volstaan met het geven
                            van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                            nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van 12
                            maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                            een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>De duur van de maatregel als bedoeld in deze verordening wordt
                            verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                            bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw
                            schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere
                            categorie (of percentage van de bijstandsnorm). Met een besluit waarmee
                            een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                            te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                            lid. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het college biedt periodiek een handhavingbeleidsplan aan de
                            gemeenteraad aan met daarin het te voeren beleid op gebied van
                            handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWB,
                            de WIJ, IOAW/Z en het Bbz. Over de uitvoering van het Handhavingsbeleid
                            wordt jaarlijks gerapporteerd aan de gemeenteraad. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van
                            de WIJ per 1 januari 2012.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen 'alleenstaande',
                                'alleenstaande ouder' en 'gezin' worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over 'gehuwde(n)' of
                                'gehuwdennorm' hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als 'gezin', bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                'gezinsnorm', bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b</nr><titel>Onvoldoende meewerken aan plan van aanpak</titel></kop><al>Onder 'gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren' of een
                            'gedraging waarbij de belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond'
                            als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de wet, wordt vanaf 1 januari
                            2012 mede verstaan: het onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                            uitvoeren dan wel evalueren van een plan van aanpak.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010.</al><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening komt de
                            Afstemmingsverordening WWB te vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelverordening WWB</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van….. 2010:</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>De regeling in de Wet werk en bijstand</titel></kop><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in
                        een verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al><cursief>1. Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden
                                    verplichtingen af op de
                                    omstandi</cursief><cursief>g</cursief><cursief>h</cursief><cursief>e</cursief><cursief>den,
                                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>2. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het
                                    college tekortschietend besef van
                                    ve</cursief><cursief>r</cursief><cursief>antwoordelijkheid
                                    betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze
                                    wet</cursief><cursief> dan wel de artikelen 28, tweede lid, of
                                    29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
                                    en inkomen</cursief><cursief>
                                    voor</cursief><cursief>t</cursief><cursief>vloeiende
                                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen
                                    het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het
                                    college overeenkomstig de verordening, bedoeld in
                                    </cursief><cursief>artikel 8</cursief><cursief>, eerste lid,
                                    onderdeel b, de bijstand of de
                                    langdurigheidsto</cursief><cursief>e</cursief><cursief>slag. Van
                                    een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van
                                    verwijtbaarheid ontbreekt.</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het
                                    tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten
                                    hoogste drie maanden bedraagt.</cursief></al></li></lijst><al><cursief>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende
                            mede verstaan het</cursief><cursief> gezin.</cursief></al><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het
                            <cursief>afstemmen</cursief> van de bijstand en de daaraan verbonden
                        verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                        belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                        hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de
                        uitkeringsgerechtigden <cursief>maatwerk</cursief> is, waarbij recht wordt
                        gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                        uitkeringsgerechtigden. In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd
                        tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op
                        een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                        onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling
                        van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                        uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook
                        van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het
                        college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                        verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering
                        verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                            <cursief>verplichting</cursief>. Alleen wanneer iedere vorm van
                        verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                        gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de maatregelverordening.
                    </al></divisie><divisie><kop><titel>De term ‘maatregel’</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende
                        zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                        terminologie van de WWB aangeduid als het <cursief>afstemmen</cursief> van
                        de uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen
                        nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB
                        benadrukt dat rechten en plichten één kant van dezelfde medaille vormen. </al><al>Zonder dit uitgangspunt los te laten, wordt het verlagen van de bijstand
                        vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aangeduid als
                            <cursief>het opleggen van een maatregel</cursief>. </al><al>Het opleggen van een maatregel is géén <cursief>punitieve </cursief>sanctie,
                        waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een
                            <cursief>reparatoire</cursief> sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd),
                        gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de
                        bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering
                        verbonden verplichtingen nakomt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Het verlagen van de bijstand</titel></kop><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan de bijstand (dat wil zeggen:
                        algemene bijstand en bijzondere bijstand) worden verlaagd. </al><al>In deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden
                        opgelegd over de bijstandsnorm (de op belanghebbende van toepassing zijnde
                        norm plus eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de bijzondere
                        bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een lage
                        algemene bijstandsuitkering die wordt aangevuld door middel van aanvullende
                        bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel
                        alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                        rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep 21-jarigen en ouder.</al><al>Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het
                        uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen niet in de
                        rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor
                        bijzondere bijstand een rol spelen of betrokkene zijn verplichtingen in
                        voldoende mate is nagekomen. Dit geldt dan vooral voor de plicht om
                        voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het
                        bestaan. </al></divisie><divisie><kop><titel>De verordening op grond van artikel 8a WWB</titel></kop><al>Door een amendement van de heer Weekers, Tweede Kamerlid voor de VVD, is
                        artikel 8a in de WWB terechtgekomen. Dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad
                        in het kader van het financiële beheer bij verordening regels stelt voor de
                        bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik
                        en oneigenlijk gebruik van de wet.</al><al>Het doel van dit artikel is de handhaving van de WWB en het fraudebeleid op
                        de agenda van de gemeenteraden te zetten. De vraag is hoe dit het beste door
                        gemeenten geregeld kan worden.</al><al>In de toelichting van het amendement staat dat op grond van artikel 212
                        Gemeentewet de gemeenteraad een verordening moet vast te stellen voor de
                        uitgangspunten voor het financiële beleid en voor het financiële beheer. </al><al>Daarmee dient te worden gewaarborgd dat aan de eisen van rechtmatigheid
                        wordt voldaan. In dat kader kan ook aandacht besteed worden aan de
                        bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke
                        regelingen. Een goed financieel beheer bij de uitvoering van de WWB brengt
                        met zich dat daarbij ook voortdurend aandacht bestaat voor de bestrijding
                        van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het is wenselijk dit expliciet in de
                        WWB te regelen. </al><al>Artikel 8a houdt in dat de gemeenteraad in een verordening regels stelt over
                        misbruik en oneigenlijk gebruik. De gemeenteraad kan aansluiten bij de
                        verordening maatregelen en hoeft in dat geval geen aparte fraudeverordening
                        op te stellen. Aan deze mogelijkheid is invulling geven door het opnemen van
                        artikel 19 in deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB.</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt.Dit
                            begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven
                            als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid </titel></kop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                        verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>1. Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>2. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                bestaat uit twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>- de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                                        te verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>- de plicht gebruik te maken van een door het college
                                        aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                        arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten
                                        worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn
                                        toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                                        bijstandsgerechtigde. De reïntegratieverordening die elke
                                        gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis voor het
                                        opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                                        verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen van
                                        bijstand moeten worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>3. De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op
                                verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle
                                feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet
                                zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
                                het recht op bijstand.</al></li><li nr="4."><al>4. De medewerkingplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht
                                van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking
                                te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de
                                wet. De medewerkingplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen
                                bestaan, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>- het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>- het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending
                        van de medewerkingplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens het college zeer
                            ernstig misdragen’. </cursief></al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>In de maatregelverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                        van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm
                        van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                        leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich
                        mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of
                        gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                        uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                        voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                        standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                        opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                        doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>- Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>- Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>- Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate
                        van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>- bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                is;</al></li><li nr="-"><al>- sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="-"><al>- bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel
                                van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en
                                de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid </titel></kop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                        over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke
                        norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                        vakantietoeslag. </al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid </titel></kop><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die
                        indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                        bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de
                        lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                        opzichte van de 21-jarigen. </al><al>Onderdeelb: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in
                        incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand. Er
                        moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende
                        en zijn recht op bijzondere bijstand. Deze bepaling is nader uitgewerkt in
                        artikel 15 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                        plaats door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende
                        uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene
                        bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen. </al><al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit
                        tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen
                        beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden
                        aangetekend. </al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                        worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. Het
                        motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van
                        een deugdelijke motivering wordt voorzien. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12).</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                        bestuursrecht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid</titel></kop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Het
                        college kan in beleidsregels neerleggen hoe het van plan is om te gaan met
                        de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke
                        gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke
                        gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd in
                        welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende omstandigheden. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b.
                        geregeld dat het college geen maatregelen opgelegd voor gedragingen die
                        langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                        jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel
                        14<sup>e</sup> van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van
                        een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf
                        jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet
                        op het feit dat het college vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de
                        fraude (het benadelingbedrag) vast te stellen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                        maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                        redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                        voorhand worden vastgelegd. </al></divisie><divisie><kop><titel>Derde lid </titel></kop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid </titel></kop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>2. door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode. Het college hoeft in dat geval niet over te gaan
                        tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand
                        terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel
                        wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt
                        uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde
                        is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                        verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. </al></divisie><divisie><kop><titel>Derde lid</titel></kop><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                        maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                        uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij
                        aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel
                        is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een
                        apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                        geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                        waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht
                        worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                        beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt
                        gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin
                        betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel
                        aan zijn verplichtingen voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                        gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich
                        meebrengt. </al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                        gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan
                        van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de
                        gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                        naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                        behouden van betaalde arbeid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de drie categorieën van
                        gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><al>In dit hoofdstuk worden drie vormen van het niet nakomen van de
                        informatieplicht onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>1. Artikel 11: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan het
                                college . In deze situatie is artikel 54 WWB van toepassing. Het
                                college kan in dat geval het recht op bijstand opschorten en
                                belanghebbende in de gelegenheid stellen binnen een door hem te
                                stellen termijn het verzuim te herstellen.</al></li><li nr="2."><al>2. Artikel 12: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                inlichtingen aan het college , dat er niet toe heeft geleid dat ten
                                onrechte een uitkering is verstrekt, of een te hoog bedrag aan
                                bijstand is verstrekt. De maatregel bedraagt 5 %. Bij artikel 11 en
                                12 is het ook mogelijk om een waarschuwing te geven</al></li><li nr="3."><al>3. Artikel 13: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                inlichtingen aan het college , waardoor er ten onrechte een
                                uitkering is verstrekt of een te hoog bedrag aan bijstand is
                                verstrekt. In deze situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet
                                voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 17 WWB. Het
                                opzettelijk verzwijgen van relevante informatie tegenover het
                                college, met het oogmerk een (hogere) uitkering te krijgen (fraude)
                                vormt een schending van de informatieplicht van artikel 17.</al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens
                            <cursief>niet</cursief> aan het college worden verstrekt. In dat geval
                        kan het college de rechtmatigheid van de uitkering niet vaststellen. De
                        bijstand moet dan worden geweigerd (in de situatie dat een uitkering wordt
                        aangevraagd) of het besluit tot toekenning van de bijstand moet worden
                        ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het opleggen van een maatregel is
                        dus bij het niet-verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor het
                        vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering niet aan de orde. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                        gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college
                        het recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het college
                        geeft de cliënt vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan
                        herstellen (de hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de
                        gemeente verstrekt, dan kan het college bijstand stopzetten (het intrekken
                        van het besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde
                        gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, wordt de bijstand
                        voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de
                        hoogte van de maatregel. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen
                            voor de bijstand</titel></kop><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                        onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen
                        heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het
                        niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                            voor de bijstand</titel></kop><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                        omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
                        Onder onverwijld wordt op dit moment verstaan bij het eerst volgende
                        rechtmatigheidonderzoeksformulier. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                        benadelingbedrag. Dat is het door het college te veel betaalde bedrag aan
                        bijstand.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid </titel></kop><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk
                        gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de
                        schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende
                        is betaald. </al><al>De maatregel wordt toegepast op de toekomstige bijstandsuitkering van de
                        belanghebbende. </al><al>Onder het huidige regime bestaat de verplichting voor het college om
                        proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie
                        indien er sprake is van fraude en het benadelingbedrag hoger is dan €
                        10.000,- (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de bedoeling dat
                        deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de
                        WWB de bestuurlijke boete niet en zal het college bij fraude (in casu het
                        niet nakomen van de inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen. </al><al>Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde
                        onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele overheidsorgaan)
                        kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor beroep heeft zich in
                        het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel.</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14/15.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in
                            de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid heeft betoond, waardoor hij niet langer
                            beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                            als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de
                            toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen
                            van een maatregel. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>- een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>- het verliezen van algemeen geaccepteerd werk;</al></li><li nr="-"><al>- geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                    voorziening;</al></li><li nr="-"><al>- het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                                    alimentatievordering.</al></li></lijst><al>Er is sprake van een vast kortingspercentage op bijstand (100%). Dit
                            laat onverlet de mogelijkheid voor het college om af te wijken van duur
                            en/of hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                            omstandigheden van de belanghebbende. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>Het college kan alleen een maatregel opleggen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit
                            artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige gedragingen moeten hebben
                            plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                            de uitvoering van WWB. </al><al>In artikel 18, tweede lid van de wet, wordt gesproken over ‘het zich
                            jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen
                            (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun
                            ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Er kan
                            dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft
                            gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast
                            is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                            ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>a.verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>b. discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>c. intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>e. mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>f. combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                                <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                                <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is
                            sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                            behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de
                            bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het te laat
                            verstrekken van informatie.</al><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                            herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd
                            zonder toepassing van de recidivemaatregel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook
                            indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor
                            het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het
                            tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is
                            gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer
                            worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare
                            gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte
                            en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld,
                            waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de
                            mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                            betrokkene. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Handhavingsbeleid.</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>het handhavingsbeleid.</titel></kop><al>In artikel 8a WWB is vastgesteld dat de gemeenteraad in een verordening
                            regels opstelt voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik
                            van bijstand. In dit artikel is geregeld dat het college hier uitvoering
                            aan geeft door periodiek een handhavingsplan op te stellen en dat het
                            college jaarlijks rapporteert aan de raad over de behaalde
                            resultaten.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>Artikel 20 en artikel 21 spreken voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>