<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44691_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Winsum</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wiekslag, 10-08-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening WIJ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12, lid 1, onderdeel c</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-08-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening WIJ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Maatregelverordening WIJ</vet></al><al/><al>Officiële titel Maatregelverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente
                        Winsum</al><al>Citeertitel Maatregelverordening WIJ</al><al>Wettelijke grondslag Artikel 12, eerste lid onder c</al><al>Datum aanmaak april 2010</al><al/><al>De raad van de gemeente Winsum;</al><al>gelet op artikel 12, eerste lid, onderdeel c van de Wet investeren in
                        jongeren; </al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere van
                                toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond
                                van dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging of
                                verlaging;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond van
                                artikel 41, eerste lid WIJ;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of
                                niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten
                                onrechte is verleend als inkomensvoorziening of werkleeraanbod op
                                grond van de wet;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Winsum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag: de
                                kosten van het werkleeraanbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid,van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan
                                daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                            WIJ-norm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                            waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing,
                            de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:
                            </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze
                                naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                                omstandigheden hebben voorgedaan;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van
                                een derde aan wie het college met toepassing van artikel 11, vierde
                                lid, van de wet, werkzaamheden in het kader van de wet heeft
                                uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                verstrekken als bedoeld in artikel 44 van de wet; of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                                ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college
                                af van het opleggen van een maatregel indien: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging
                                door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een
                                schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                gedraging ten onrechte inkomensvoorziening is verleend. Een
                                maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging
                                heeft plaatsgevonden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk
                                mededeling gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                de jongere is bekendgemaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet
                                voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                            één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                            opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van
                            verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 45 VAN DE
                            WET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><lid><lidnr/><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende
                                nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet,
                                worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Eerste categorie: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met
                                betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
                                onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                arbeidsinschakeling;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van
                                medische aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Tweede categorie: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te
                                verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of
                                verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van
                                de arbeidsbekwaamheid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden,
                                gericht op de arbeidsinschakeling;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste
                                vermogen te verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De maatregel wordt vastgesteld op: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al><onderstreept>twintig</onderstreept> procent van de WIJ-norm bij
                                gedragingen van de eerste categorie voor de duur van één maand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al><onderstreept>vijfentwintig</onderstreept> procent van de WIJ-norm
                                bij gedragingen van de tweede categorie voor de duur van twee
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het vorige lid kan de duur van de maatregel worden
                                verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet,
                                niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van
                                het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een maatregel opgelegd
                                van 5 procent van de WIJ-norm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid kan van het opleggen van een
                                maatregel worden afgezien en worden volstaanmet het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van een
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                vastgesteld op een maand. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid kan de duur van de maatregel worden
                                verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd
                                opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken
                                gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet
                                heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het
                                werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de maatregel afgestemd op
                                de hoogte van het benadelingsbedrag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,00: 10 procent van de
                                WIJ-norm;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,00 tot € 2000,00: 20 procent
                                van de WIJ-norm;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,00 tot € 4000,00: 40 procent
                                van de WIJ-norm;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,00 of meer: 100 procent van de
                                WIJ-norm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                vastgesteld op een maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het
                                onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het
                                Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft
                                getroffen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien de jongere zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of
                            zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden
                            met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 41, eerste lid van
                            de wet, wordt een maatregel opgelegd van 100% van de WIJ-norm gedurende
                            een maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het college biedt periodiek een handhavingbeleidsplan aan de
                            gemeenteraad aan met daarin het te voeren beleid op gebied van
                            handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WIJ,
                            WWB, IOAW/Z en het Bbz. Over de uitvoering van het handhavingsbeleid
                            wordt jaarlijks gerapporteerd aan de gemeenteraad.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelverordening WIJ.
                        </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van ……2010: </ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING MAATREGELVERORDENING WIJ </titel></kop><divisie><kop><titel>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </titel></kop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking
                        getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in
                        regulier werk van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een
                        recht op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust
                        op de uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                        kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor
                        zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van
                        alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                        gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                        werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                        jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                        beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere
                        gelegen of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, als
                        het werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen
                        werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod
                        enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de
                        WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan
                        de WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de
                        plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een “paradigmawisseling”
                        beoogd: is het uitgangspunt in de WWB “een uitkering, mits” in de WIJ is dit
                        omgedraaid en geldt als uitgangpunt “geen uitkering, tenzij”. </al><al>Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen ontoereikend, dan
                        bestaat in beginsel recht op een inkomensvoorziening. Deze
                        inkomensvoorziening volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de
                        voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering die geldt voor
                        de hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten.
                        De gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een
                        inkomensvoorziening aan te bieden, de jongere is daartegenover verplicht
                        zich te houden aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen
                        geschonden, dan dient de inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41,
                        eerste lid, WIJ). Die verlaging geschiedt conform de regels die in een
                        gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste lid,
                        onderdeel b, WIJ). Dat is de Maatregelverordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Reikwijdte Maatregelverordening WIJ </titel></kop><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel mogelijk
                        WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde reikwijdte van de
                        gemeentelijke Maatregelverordening beperkter van aard dan die in de WWB. Aan
                        het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende
                        verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter
                        van aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41, WIJ, kunnen worden
                        gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en
                        identificatieplicht (artikel 44, WIJ), alsmede een aantal concreet benoemde
                        verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en
                        tenuitvoerlegging van een werkleeraanbod (artikel 45, WIJ). </al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening
                        niet verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het
                        bestaan, anders dan in de vorm van schending van één van de in artikel 41,
                        WIJ, genoemde verplichtingen. Dat heeft tot gevolg dat de
                        inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval van het onverantwoord
                        interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als deze gedragingen
                        leiden tot het indienen van een aanvraag voor een werkleeraanbod. Het belang
                        van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere heeft in deze geprevaleerd
                        boven het als maatregelwaardig aanmerken van de bovengenoemde gedragingen.
                        De Maatregelverordening WIJ heeft al met al dus een beperktere strekking en
                        reikwijdte dan de Maatregelverordening WWB en wijkt daarom af waar het de
                        omschreven maatregelwaardige gedragingen betreft. </al></divisie><divisie><kop><titel>Verlagen is maatwerk </titel></kop><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de
                        inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van
                        maatwerk, waarmee het college is belast (zie ook Kamerstukken II 2008-2009,
                        31 775, nr. 7, p. 27). Evenals dat binnen de kaders van de WWB het geval is,
                        dient de maatregel afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate
                        van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt
                        wordt gevormd door de regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld.
                        In de Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de
                        verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut.
                        Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de
                        omstandigheden van de jongere kan aanleiding worden gevonden om van de
                        standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid,
                        dan is het college echter zonder meer verplicht om van verlaging af te zien
                        (artikel 41, tweede lid, WIJ). Vanwege het karakter van de
                        inkomensvoorziening als minimuminkomen is tevens bepaald dat binnen drie
                        maanden heroverweging van de verlaging plaatsvindt. Daarmee wordt
                        gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd blijft op de omstandigheden van
                        de jongere en deze niet onaanvaardbaar lang over een te laag inkomen blijft
                        beschikken. </al></divisie><divisie><kop><titel>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel </titel></kop><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke
                        WIJ-norm. Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de gedachte
                        kunnen rijzen dat het noemen van vaste bedragen in de verordening wellicht
                        handiger zou zijn. Daar tegenover staat echter dat dit spoedig tot vormen
                        van rechtsongelijkheid en disproportionaliteit kan leiden. Een maatregel van
                        € 250 betekent voor een 20-jarige een verlies van vrijwel de volledige
                        inkomensvoorziening, terwijl dit voor een 21-jarige verhoudingsgewijs een
                        veel minder groot aandeel betreft. Bovendien roept het verlagen van de
                        inkomensvoorziening met een vast bedrag ook het beeld op van een boete. Mede
                        om die redenen is de maatregel in deze verordening gerelateerd aan de
                        toepasselijke WIJ-norm. </al><al>In deze verordening is gekozen voor een maand als de reguliere duur van de
                        maatregel. Bij recidive geldt dat deze duur verdubbeld wordt. </al></divisie><divisie><kop><titel>De term “maatregel”</titel></kop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de
                        belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen,
                        wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de inkomensvoorziening.
                        Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term “maatregel”. Daarmee wordt
                        niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat ook binnen de
                        bijstandspraktijk gangbaar is, maar wordt ook het corrigerende karakter
                        ervan benadrukt. Om die reden is in de verordening de term “maatregel”
                        gebruikt om een verlaging aan te duiden. </al></divisie><divisie><kop><titel>De waarschuwing</titel></kop><al>Gemeenten kunnen in hun verordening de mogelijkheid van het geven van een
                        waarschuwing opnemen. Net als in de maatregelverordening WWB is daar ook in
                        deze verordening voor gekozen.</al><al>Van belang daarbij is nog om te vermelden dat een dergelijke waarschuwing in
                        de verordening de status krijgt van “besluit” in de zin van artikel 1:3,
                        eerste lid, Awb, waartegen bezwaar en beroep open staat (CRvB, 5 januari
                        2009, LJN: BG9682). </al></divisie><divisie><kop><titel>Verlaging inkomensvoorziening </titel></kop><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                        verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en evt.
                        inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te werken
                        aan de totstandkoming daarvan, bijv. door mee te werken aan een onderzoek
                        naar de arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste vermogen mee
                        te werken aan het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt
                        een inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht. Deze verplichtingen
                        zijn vastgelegd in artikel 44, respectievelijk 45 van de WIJ. </al></divisie><divisie><kop><titel>DE VERPLICHTINGEN DIE TOT EEN MAATREGEL KUNNEN LEIDEN </titel></kop><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening jegens
                        het college zijn verbonden zijn de volgende: </al><lijst><li nr="·"><al>- de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ) </al></li><li nr="·"><al>- de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ) </al></li><li nr="·"><al>- de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ) </al></li><li nr="·"><al>- verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod
                            </al></li></lijst><al>Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook een
                        inlichtingenplicht jegens UWV WERKbedrijf, die bij schending ook tot het
                        opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41, eerste lid, WIJ). </al></divisie><divisie><kop><titel>Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht </titel></kop><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44, WIJ, verplicht in
                        beginsel tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde
                        verplichtingen betreffen de inlichtingen- medewerkings- en
                        identificatieplicht. Voor de twee laatstgenoemde verplichtingen geldt dat
                        schending van deze verplichtingen er in beginsel toe leidt dat het recht op
                        werkleeraanbod en op inkomensvoorziening niet kan worden vastgesteld en
                        daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan worden, conform de WWB. Om
                        die reden zijn ze in het kader van deze verordening niet als
                        “maatregelwaardige” gedragingen aangemerkt. </al><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                        inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                        informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook UWV WERKbedrijf.
                        Er is voor gekozen om de hoogte van de maatregel te relateren aan de mate
                        van benadeling van de gemeente. Hoe hoger de benadeling, hoe zwaarder de
                        maatregel. </al></divisie><divisie><kop><titel>Schending van de verplichtingen wat betreft de arbeidsinschakeling en
                            het werkleeraanbod </titel></kop><al>In artikel 45, WIJ, zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen omschreven
                        die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de
                        tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze verplichtingen gelden van
                        rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag voor een werkleeraanbod wordt
                        ingediend. Schending van één van deze verplichtingen dient in beginsel te
                        leiden tot verlaging van de eventuele inkomensvoorziening. Daarbij is
                        gekozen voor een indeling in twee categorieën, hetgeen aansluit bij de
                        systematiek in de maatregelverordening WWB. </al><al>Om aansluiting te krijgen tussen de Maatregelverordeningen met betrekking
                        tot de WWB en de WIJ is het zaak om de verplichtingen die in de
                        Maatregelverordening WWB zijn benoemd te vergelijken met die in artikel 45,
                        WIJ.</al><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen a en f van artikel 45, WIJ,
                        kunnen worden gerangschikt onder de verplichting “mee te werken aan een
                        onderzoek naar de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling”. Voor de
                        verplichting om mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking
                        tot de arbeidsinschakeling (eerste zinsnede onderdeel a) wordt verwezen naar
                        onder andere CRvB 4 september 2007, LJN: BB3443.</al><al>Voor onderdeel f zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden in CRvB 25 maart
                        2008, LJN: BC7877. Voor schending van deze verplichting geldt een
                        maatregelpercentage van 10%, omdat dit als een wat lichtere gedraging wordt
                        aangemerkt. </al><al>Ten aanzien van de verplichting genoemd in onderdeel b wordt in de memorie
                        van toelichting als voorbeeld van een schending van deze verplichting
                        genoemd: het belemmeren van een bemiddelingspoging door afwijkend gedrag,
                        het stellen van irreële eisen of ongebruikelijke werktijden (Kamerstukken II
                        2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 48). Dat correspondeert in sterke mate met
                        “gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren”, waarover de CRvB 4 juli
                        2006, LJN: AY2200 heeft overwogen dat daarvan kan worden gesproken als
                        blijkt dat als gevolg van de gedraging kansen op werk of uitzicht op werk is
                        verspeeld. Schending van deze verplichting levert een maatregelpercentage
                        van 20% op.</al><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen c, d en e kunnen worden
                        gerangschikt onder de verplichting “gebruik te maken van een door het
                        college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling”. Daarvoor
                        geldt evenzeer een maatregelpercentage van 20%. </al></divisie><divisie><kop><titel>Zeer ernstige misdragingen </titel></kop><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de inkomensvoorziening te
                        verlagen als de jongere zich zeer ernstig misdraagt (artikel 41, eerste lid,
                        WIJ). Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel worden beschouwd (conform artikel 18, tweede lid,
                        WWB). De redactie van artikel 41, eerste lid, WIJ wijkt af van die van
                        artikel 18, tweede lid, WWB en laat ruimte open voor de gedachte dat een
                        zeer ernstige misdraging niet afhankelijk zou zijn van de context waarin
                        deze zich afspeelt, zolang deze zich maar tot het college of diens
                        ambtenaren richt. Hiermee is echter niet beoogd afstand te nemen van de
                        jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep inzake zeer ernstige
                        misdragingen in het kader van bijstandverlening (zie ook Kamerstukken II
                        2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 46).</al><al>Zoals de CRvB onder meer in zijn uitspraak van 29 juli 2008, LJN BD7970,
                        heeft overwogen, is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede
                        lid, WWB, voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van
                        een of meer van de in dat artikellid bedoelde verplichtingen met als
                        verzwarende omstandigheid dat sprake is van agressief, aan de belanghebbende
                        toe te rekenen gedrag jegens het college en bij de uitvoering van de WWB
                        betrokken personen dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen
                        als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>Een wegens dergelijk gedrag opgelegde verlaging van de bijstand c.q.
                        inkomensvoorziening dient te worden aangemerkt als punitieve (bestraffende)
                        sanctie en op het college rust de bewijslast om voldoende aannemelijk te
                        maken dat van agressie in de zin van de genoemde bepaling sprake is geweest
                        (zie ook de uitspraak van 31 december 2007, LJN BC1811). </al><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk aan zeer ernstige misdragingen, dan
                        kan het college de jongere tijdelijk uitsluiten van het recht op een
                        werkleeraanbod (artikel 22, eerste lid, WIJ). Een dergelijk besluit moet
                        uiterlijk binnen een maand heroverwogen worden. Anders dan de memorie van
                        toelichting suggereert, betekent dit niet per definitie uitsluiting van het
                        recht op een inkomensvoorziening (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr.
                        3,p. 46/47 voor het standpunt van de regering ter zake). </al><al>Artikel 42, WIJ, dat daarvoor de grondslag zou moeten bieden, kent
                        “(tijdelijke) uitsluiting van het recht op een werkleeraanbod bij zeer
                        ernstige misdragingen” niet als afzonderlijke uitsluitingsgrond voor de
                        inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij herhaling zeer ernstig
                        misdragen kan worden aangemerkt als houding en gedragingen van de jongere
                        waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in
                        hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Om onzekerheid op dit punt uit te sluiten,
                        wordt in deze verordening gekozen voor het (verder) verlagen van de
                        inkomensvoorziening op grond van artikel 41,eerste lid, WIJ, zodat feitelijk
                        een tijdelijke uitsluiting ontstaat.</al></divisie><divisie><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als in de WIJ.</al><al>De term “WIJ-norm” wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt
                            bedoeld de van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging. Het
                            equivalent in de WWB, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB) is
                            in de WIJ zelf niet opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in de memorie
                            van toelichting tweemaal gesproken van “inkomensvoorzieningsnorm”,
                            waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt bedoeld. In artikel 41, WIJ, is
                            opgenomen dat het bedrag van de inkomensvoorziening wordt verlaagd;
                            bedoeld is echter de norm. Omdat hantering van het begrip
                            “inkomensvoorzieningsnorm” of “bedrag van de inkomensvoorziening” de
                            leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip “WIJ-norm”
                            geïntroduceerd.</al><al>Er is een omschrijving van het begrip “benadelingsbedrag” gegeven, omdat
                            dit begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de
                            maatregel die verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie
                            artikel 12). </al><al>Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit
                            socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit is
                            het begrip “benadelingsbedrag” gedefinieerd voor het opleggen van boetes
                            op grond van een vijftiental socialezekerheidswetten, waaronder de IOAW
                            en IOAZ, in verband met schending van de inlichtingenplicht. </al><al>Gegeven de toelichting op dit artikel wordt onder bruto
                            benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen
                            loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in de
                            Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor
                            zover er ten tijde van het maatregelbesluit nog geen sprake is geweest
                            van afdracht aan belastingen et cetera , bijvoorbeeld omdat de teveel
                            verstrekte inkomensvoorziening reeds is terugbetaald in hetzelfde
                            kalenderjaar als waarin de inkomensvoorziening ten onrechte is
                            verstrekt, blijft het benadelingsbedrag uiteraard beperkt tot een
                            nettobedrag. Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten
                            onrechte verstrekte uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het
                            werkleeraanbod, eveneens conform artikel 1, onderdeel s van het
                            Boetebesluit. </al><al>Analoog aan het Boetebesluit is daarnaast in het tweede lid nog
                            expliciet bepaald dat onder benadelingsbedrag in deze verordening mede
                            wordt verstaan de kosten die de gemeente maakt voor het ten onrechte
                            toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die kosten zullen niet
                            altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als het een voorziening
                            betreft die de jongere ten onrechte heeft benut, is het meestal wel
                            mogelijk om een raming te maken van de daaraan verbonden kosten. Deze
                            kosten tellen mee voor het bepalen van de hoogte van de maatregel bij
                            schending inlichtingenplicht. Dit kan verder worden uitgewerkt in een
                            beleidsregel. Het staat gemeenten uiteraard vrij om te bepalen of het
                            gewenst wordt geacht de kosten van het werkleeraanbod te betrekken bij
                            het benadelingsbedrag. Als dit niet gewenst wordt, kan deze bepaling
                            uiteraard geschrapt worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid </titel></kop><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel
                        (artikel 41, eerste lid, WIJ). In de aanwijzingen voor de decentrale
                        regelgeving wordt dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van de
                        leesbaarheid, duidelijkheid en consistentie, evenals in de
                        Maatregelverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt naar artikel 42,
                        WIJ, om aan te geven dat de imperatief voorgeschreven verlaging middels een
                        maatregel niets afdoet aan intrekking van de inkomensvoorziening vanwege
                        intrekking van het werkleeraanbod. Als daartoe wordt besloten, dan komt
                        verlaging veelal niet meer aan de orde. </al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid </titel></kop><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                        leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                        jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                        dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet
                        op de individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de
                        hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                        Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een
                        matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging
                        als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere
                        afzonderlijk. Waar verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd,
                        kan daarvan dus worden afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om
                        redactionele redenen expliciet verwoord, zodat bij de normering van de
                        maatregelen in het vervolg van de verordening niet steeds hoeft te worden
                        gesteld dat de maatregel een x-percentage bedraagt “onverminderd artikel 2,
                        tweede lid”, met andere woorden met de mogelijkheid af te wijken. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                        opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: </al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling
                        van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij
                        artikel 6. Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke
                        omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>- bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;
                            </al></li><li nr="·"><al>- sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; </al></li><li nr="·"><al>- bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel
                                van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en
                                de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al>Eerste lid In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                        opgelegd over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een
                        begripsomschrijving.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd,
                        vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven
                        wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                        rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name
                        het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat
                        een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd
                        (afdeling 3.7, Awb ). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                        subsidies. </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal
                        uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd
                        in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><al>Voor de goede orde: het opnemen van een regeling voor het horen van
                        belanghebbenden in deze verordening is facultatief. Gemeenten kunnen zo’n
                        regeling ook achterwege laten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het
                        opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ
                        waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm
                        van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarnaast is het denkbaar dat in plaats van
                        het opleggen van een maatregel eerst een waarschuwing wordt gegeven. Dit kan
                        bij diverse bepalingen in deze verordening worden ingeregeld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid </titel></kop><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging
                        heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat
                        het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                        geleden hebben plaatsgevonden. Gemeenten kunnen uiteraard voor een kortere
                        of langere periode kiezen. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog
                        bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een
                        verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de
                        termijn die gelet op artikel 14<sup>e</sup> van de Algemene bijstandswet
                        gold in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de
                        informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de
                        ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak
                        tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag)
                        vast te stellen. </al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen worden
                        afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake
                        als de gevolgen van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat
                        vergt een beoordeling van de situatie van de jongere maar daarvan zal niet
                        spoedig sprake zijn. </al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid </titel></kop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid </titel></kop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        WIJ-norm. Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                inkomensvoorziening; of</al></li><li nr="2."><al>2. door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende
                                maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan
                        tot herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan
                        inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd
                        dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                        kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                        WIJ-norm.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid </titel></kop><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds
                        beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende
                        kracht een maatregel worden opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet
                        (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging
                        van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden
                        uitbetaald. In dat geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en
                        teruggevorderd. Dat is ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds
                        is uitbetaald. Uit de jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste
                        begrenzing ligt op het moment waarop de gedraging plaatsgevonden heeft.
                        Wordt een dergelijke maatregel opgelegd, dan moet een tevens besluit tot
                        herziening van de inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid,
                        WIJ, worden genomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                        verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45, WIJ). Indien sprake is
                        van meerdere gedragingen die schending van één of meerdere in de wet
                        genoemde verplichtingen opleveren, dan dient voor het toepassen van de
                        maatregel te worden uitgegaan van de verplichting waarop de zwaarste
                        maatregel van toepassing is. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 45 VAN DE
                            WET</titel></kop><al>De gedragingen die een schending van artikel 45 WIJ inhouden betreffen de
                        arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van het
                        werkleeraanbod. In de verordening is gekozen voor twee categorieën, hetgeen
                        overeenkomt met de gehanteerde systematiek in de maatregelverordening
                        WWB.</al><al>Voor een verdere uitleg wordt verwezen naar de algemene toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>De hoogte van de maatregel</titel></kop><al>Gekozen is voor een indeling in twee categorieën. Zie voor verdere uitleg de
                        algemene toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en de duur van de maatregel</titel></kop><al>Zie algemene toelichting en hetgeen hierboven bij de enkelvoudige variant
                        reeds is gesteld. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de
                        informatieplicht onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>1. het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In
                                deze situatie is artikel 40, eerste lid, WIJ, van toepassing. Het
                                college kan in dat geval het recht op inkomensvoorziening opschorten
                                en de jongere in de gelegenheid stellen binnen een door hem te
                                stellen termijn het verzuim te herstellen. In dat geval kan ook een
                                maatregel aan de orde zijn.</al></li><li nr="2."><al>2. artikel 44, WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                inlichtingen aan de gemeente. Daardoor is het mogelijk dat er ten
                                onrechte of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verstrekt
                                of ten onrechte een werkleeraanbod is toegekend. Het is ook denkbaar
                                dat het inlichtingenverzuim niet tot benadeling heeft geleid. In
                                beide gevallen kan een maatregel aan de orde zijn.</al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag niet
                        aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de
                        rechtmatigheid van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet
                        vaststellen. De aanvraag moet dan worden afgewezen. Het opleggen van een
                        maatregel is in dergelijke gevallen niet aan de orde.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening van
                        belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt,
                        kan het college het recht op inkomensvoorziening opschorten (artikel 40,
                        eerste lid, WIJ). Het college geeft de jongere vervolgens een termijn
                        waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de
                        gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                        verstrekt, dan kan het college de het besluit tot vaststelling van de
                        inkomensvoorziening intrekken (artikel 40, vierde lid, tweede volzin, WIJ).
                        Worden de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, wordt
                        de inkomensvoorziening voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. </al><al>Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. Tevens wordt daarin de zogeheten
                        “nulfraude” geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                        inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor het
                        werkleeraanbod of de inkomensvoorziening. Een voorbeeld van nulfraude kan
                        zijn het niet melden van een niet-rechthebbende partner. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid </titel></kop><al>In artikel 44, eerste lid, WIJ, is bepaald dat de jongere op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                        omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen zijn op zijn werkleeraanbod of het recht op
                        inkomensvoorziening. Het college zal moeten vaststellen wat het onder
                        “onverwijld” verstaat. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                        hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel
                        betaalde bedrag aan inkomensvoorziening alsmede de kosten van het
                        werkleeraanbod. Hoewel dit niet met zoveel woorden in de tekst van de
                        verordening tot </al><al>uitdrukking is gebracht, kan uiteraard ook de keus gemaakt worden om het
                        werkleeraanbod niet te betrekken bij de vaststelling van het
                        benadelingsbedrag.</al><al>Uit een oogpunt van uitvoerbaarheid is daar wel iets voor te zeggen. Daar
                        staat tegenover dat het ook denkbaar is dat een jongere wel gebruik heeft
                        gemaakt van een werkleeraanbod, maar geen inkomensvoorziening heeft
                        ontvangen, omdat het aanbod voldoende inkomsten genereert. In dat geval kan
                        het gewenst zijn om bij schending van de inlichtingenplicht toch een
                        maatregel te kunnen opleggen, die wordt afgestemd op de kosten van het
                        werkleeraanbod. </al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid </titel></kop><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag
                        aan inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die verplichting
                        ten onrechte of te veel aan de jongere is betaald. </al><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige
                        inkomensvoorziening van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht
                        worden opgelegd, zie artikel 7, tweede lid. </al></divisie><divisie><kop><titel>Derde lid </titel></kop><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de
                        inlichtingenplicht is in beginsel een </al><al>verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing sociale
                        zekerheidsfraude hebben de Procureurs- generaal echter richtlijnen gegeven
                        onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende
                        strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte)
                        vervolging door het OM moet plaatsvinden. Per 1 januari 2009 is de bestaande
                        Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd (zie Staatscourant 2008/187).
                        Uitgangspunt is het zogenaamde “una via”-beginsel. De jongere wordt hetzij
                        door de gemeente, hetzij door de strafrechter gesanctioneerd. Niet door
                        beide. In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden
                        bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er aangifte
                        en vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van
                        “witte” fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht),
                        dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van €
                        35.000. Is de benadeling groter dan is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook
                        voor gevallen waarin er met de jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat
                        en dus geen maatregel meer kan worden toegepast. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                        inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is
                        getroffen. In dergelijke situaties is een maatregel niet meer
                        opportuun.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Zie ook de algemene toelichting op dit onderdeel. </al></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid </titel></kop><al>Onder de term “zeer ernstige misdragingen” kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een
                        maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                        misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen
                        van het recht op een werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening. Vandaar dat
                        in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van de WIJ (zie ook de Algemene toelichting op dit onderdeel). In
                        artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over “het zich jegens het
                        college zeer ernstig misdragen”. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief
                        gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn
                        voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook “a contrario” betekent dat
                        geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer ernstige
                        misdragingen jegens externe uitvoerders van de WIJ, zoals het
                        UWV-WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet
                        duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over
                        uitgelaten.</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich
                        ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst
                        van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                        omstandigheden van de jongere. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                        ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>a. verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>b. discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>c. intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>e. mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>f. combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In
                        dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                        geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand
                        het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                        (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                        onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid
                        met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                        verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                        frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris
                        tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. Het is
                        aan te bevelen dat een gemeente over een agressieprotocol beschikt waarin is
                        aangegeven hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In zo’n
                        agressieprotocol kan een relatie worden gelegd met het maatregelenbeleid ten
                        aanzien van agressieve klanten, in de vorm van beleidsregels. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>