<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44668_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Inburgering 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wiekslag, 10-08-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet Inburgering 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 8, 19, lid 5, art. 23, lid 3, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Geen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de verordening wet inburgering 2007</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Inburgering 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening Wet Inburgering 2010</vet></al><al/><al>Officiële titel Verordening Wet Inburgering 2010</al><al>citeertitel Verordening Wet Inburgering 2010</al><al>Wettelijke grondslag Artikel 8, artikel 19, vijfde lid, artikel 23, derde
                        lid en artikel 35 van de Wet inburgering</al><al>Datum aanmaak Augustus 2010</al><al/><al>De raad van de gemeente Winsum;</al><al>gelet op artikel 8, artikel 19, vijfde lid, artikel 23, derde lid en
                        artikel 35 van de Wet inburgering,</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente Winsum;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de wet: de Wet inburgering;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende
                                middelen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>informatieverstrekking via Sociale Zaken en Werk, gevestigd in “De
                                Beurs” te Winsum;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>informatieverstrekking via cluster Publieksdiensten of zorgloket op
                                het gemeentehuis;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>gemeentelijke website;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>eenmalige publicatie op de gemeentepagina.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt ten minste eens in de twee jaren de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waarvoor het
                                bij voorrang een inburgeringsvoorziening kan vaststellen op basis
                                van de volgende criteria: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>afstand tot de arbeidsmarkt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het hebben van een opvoedtaak;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het inkomen van de belanghebbende;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de motivatie van de belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van
                                de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, of de
                                taalkennisvoorziening af op het startniveau en de vaardigheden, de
                                persoonlijke omstandigheden, en de maatschappelijke positie van de
                                inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in beginsel in één keer betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het innen van de eigen bijdrage begint niet eerder dan drie maanden
                                na beëindiging van het inburgeringstraject of de
                                taalkennisvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene die een eigen bijdrage verschuldigd is algemene
                                bijstand ontvangt, verrekent het college, indien mogelijk de eigen
                                bijdrage met de algemene bijstand, het college legt dit vast in de
                                beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5a</nr><titel>Toekennen van een deelname bonus</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige is geslaagd voor het
                                inburgeringsexamen of een staatsexamen Nederlands tweede taal I of
                                II dat deel uitmaakt van het door het college vastgestelde
                                inburgeringstraject, dan komt hij in aanmerking voor een
                                deelnamebonus.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige aan wie een taalkennisvoorziening is
                                toegekend en is geslaagd voor het MBO-examen niveau 1 en 2, dan komt
                                hij in aanmerking voor de deelnamebonus.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de deelnamebonus komt overeen met de hoogte van de
                                eigen bijdrage als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De deelnamebonus wordt indien mogelijk verrekend met de eigen
                                bijdrage als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of
                                meer van de volgende verplichtingen opleggen: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het deelnemen aan de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip dat
                                door het college wordt bepaald;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het melden aan het college indien door ziekte of door andere
                                relevante omstandigheden niet aan de verplichtingen in de
                                beschikking kan worden voldaan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening bevat in ieder geval: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                inburgeringsplichtige;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands
                                als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de termijnen en wijze van betaling; en</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van handhaving
                                van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van de wet,
                                aanvangt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 125,00 indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is,
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de
                                verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 8,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 8,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                                inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Afstemming van de bestuurlijke boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er wordt geen bestuurlijke boete, zoals bedoeld in artikel 9 en 10
                                van deze verordening, opgelegd voorzover de overtreding niet aan de
                                overtreder kan worden verweten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedoeld in artikel 9 en 10 van
                                deze verordening wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en
                                de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de afstemming bedoeld in het tweede lid wordt zo nodig rekening
                                gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaats
                                gevonden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekking en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober
                                2010.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de datum uit het eerste lid vervaltde
                                ‘Verordening Wet Inburgering 2007’</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet Inburgering
                            2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 september
                        2010.</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle onderdanen van
                            derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen
                            verblijven. Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting
                            staat de eigen verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de
                            inburgeringsplichtige centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen
                            inzicht bepalen hoe hij zich wil voorbereiden op het inburgeringsexamen.
                            Aan de inburgeringsverplichting is voldaan wanneer het
                            inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo
                            hebben gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen in de gemeente
                            goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit deze
                            wet. </al><al>Daarnaast hebben gemeenten de taak aan inburgeringsplichtigen die
                            daarvoor op grond van de wet of het gemeentelijk beleid in aanmerking
                            komen een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Een
                            inburgeringsvoorziening leidt inburgeringsplichtigen toe naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal. In
                            plaats van een inburgeringsvoorziening mogen gemeenten aan
                            inburgeringsplichtigen die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of
                            gaan volgen een taalkennisvoorziening aanbieden. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen
                            handhaven. Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een
                            inburgeringsplichtige zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen
                            die voor hem gelden. </al><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening
                            regels te stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>1. Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                                    inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit
                                    hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang
                                    tot inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 WI).</al></li><li nr="2."><al>2. Regels met betrekking tot het aanbieden van
                                    inburgeringsvoorzieningen of taalkennisvoorziening en over de
                                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld
                                    (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="3."><al>3. Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die
                                    voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel
                                    35 WI).</al></li></lijst><al>Met ingang van 1 januari 2009 is de Wet inburgering (WI) gewijzigd. Het
                            gaat om de volgende wijzigingen: </al><lijst><li nr="a."><al>a. Het college van burgemeester en wethouders krijgt de
                                    bevoegdheid om aan iedere inburgeringsplichtige een
                                    inburgeringsvoorziening aan te bieden. Deze wijziging heeft
                                    terugwerkende kracht tot en met 1 november 2007.</al></li><li nr="b."><al>b. Het college krijgt de mogelijkheid om een
                                    inburgeringsprogramma aan te bieden dat gericht is op het
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal. Deze wijziging heeft
                                    terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2008.</al><lijst><li nr="3."><al>3. Het college krijgt de bevoegdheid om in plaats van
                                            een inburgeringsvoorziening een taalkennisvoorziening
                                            aan te bieden aan een inburgeringsplichtige die een
                                            mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgt of gaat volgen.
                                            Deze wijziging werkt terug tot en met 1 september
                                            2008.</al></li><li nr="4."><al>4. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat het
                                            college een inburgeringsvoorziening of
                                            taalkennisvoorziening kan vaststellen, zonder dat daar
                                            een procedure van aanbieden van een
                                            inburgeringsvoorziening door het college en aanvaarding
                                            daarvan door de inburgeringsplichtige aan vooraf hoeft
                                            te gaan. De inburgeringsplichtige is direct verplicht
                                            medewerking te verlenen aan de uitvoering van de
                                            vastgestelde voorziening.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>De bevoegdheid om aan iedere inburgeringsplichtige een
                                inburgeringsvoorziening aan te bieden (sub a).</vet></al><al>Door deze wijziging is het college bevoegd aan alle
                            inburgeringsplichtigen een aanbod te doen. Voorheen was het college
                            verplicht om een aanbod te doen aan geestelijke bedienaren en
                            vreemdelingen met een asielstatus en had de gemeente de bevoegdheid om
                            een aanbod te doen aan de uitkeringsgerechtigden en oudkomers zonder
                            inkomen uit arbeid of uitkering. Het college had geen bevoegdheid om op
                            grond van de wet een aanbod te doen aan de overige vreemdelingen (mn.
                            gezinsvormers of gezinsherenigers en vreemdelingen met een reguliere
                            status). </al><al>Met de wijziging krijgt het college ook de bevoegdheid om aan deze
                            laatste groepen een aanbod te doen. De wijziging is eind 2007 reeds
                            aangekondigd in het Deltaplan inburgering, echter pas in deze
                            wetswijziging formeel (met terugwerkende kracht) aangepast. Er is
                            nadrukkelijk gekozen om de bevoegdheid aan het college van burgemeester
                            en wethouders te verstrekken. Het is dus (afgezien van geestelijke
                            bedienaren en vreemdelingen met een asielstatus) geen recht welke
                            belanghebbenden kunnen afdwingen jegens de gemeente. Indien de gemeente
                            van deze bevoegdheden gebruik wenst te maken zal deze bij verordening
                            wel moeten aangeven op welke criteria er wordt geselecteerd. </al><al><vet>De bevoegdheid een inburgeringsprogramma aan te bieden dat is
                                gericht op het behalen van het staatsexamen Nederlandse Taal II (sub
                                b). </vet></al><al>Voorheen kon een inburgeringsprogramma alleen worden afgesloten met een
                            inburgeringsexamen. Dit terwijl het staatsexamen NT2 een geldige grond
                            voor ontheffing van de inburgeringsplicht is. Door de wijziging is het
                            voor het college nu ook mogelijk om een inburgeringsprogramma vast te
                            stellen wat is gericht op het behalen van het staatsexamen. Het
                            staatsexamen NT2 is vooral van belang voor personen die verder willen
                            leren op HBO of universitair niveau.</al><al><vet>De bevoegdheid om in plaats van een inburgeringsvoorziening een
                                taalkennisvoorziening aan te bieden aan een inburgeringsplichtige
                                die een mbo-opleiding niveau 1 of 2 volgt of gaat volgen (sub c).
                            </vet></al><al>Het behalen van een MBO diploma niveau 1 of 2 is een grond voor
                            ontheffing van de inburgeringsplicht. Gezien de kwalificatieplicht en de
                            beroepsgerichte opleiding heeft het behalen van een MBO diploma de
                            voorkeur boven een inburgeringsprogramma. Het komt echter voor dat de
                            taalvaardigheid van een inburgeringsplichtige onvoldoende is om de MBO
                            opleiding tot een goed gevolg te brengen. De wetswijziging geeft het
                            college de bevoegdheid om in plaats van een inburgeringsprogramma ook
                            alleen een taalkennisvoorziening aan te bieden.</al><al><vet>De bevoegdheid om een inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening direct vast te stellen (sub d)</vet></al><al>Artikel 19a, eerste lid, WI geeft de bevoegdheid aan de gemeenteraad om
                            bij verordening te bepalen dat het college een inburgeringsvoorziening
                            of taalkennisvoorziening niet aanbiedt aan een inburgeringsplichtige,
                            maar deze direct vaststelt. De inburgeringsplichtige is direct verplicht
                            medewerking te verlenen aan de uitvoering van de vastgestelde
                            voorziening (artikel 23, eerste lid, WI). Dit stelsel heet het
                            vaststellingsstelsel. </al><al>Voordelen van het vaststellingsstelsel zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>- Het is voor de inburgeringsplichtige duidelijk welke
                                    verantwoordelijkheid de gemeente heeft of neemt voor zijn
                                    inburgering;</al></li><li nr="-"><al>- Het college kan sneller een inburgeringsvoorziening
                                    vaststellen en overgaan tot de uitvoering;</al></li><li nr="-"><al>- Het college kan een inburgeringsplichtige waarvoor het volgen
                                    van een voorziening essentieel wordt geacht om het niveau van
                                    het inburgeringsexamen te bereiken, deze voorziening zelf
                                    vaststellen;</al></li><li nr="-"><al>- Het college kan een weigerachtige inburgeraar, welke niet op
                                    grond van bv. de WWB kan worden gedwongen, dwingen een
                                    voorziening te volgen;</al></li></lijst><al>Hiertegenover staat het aanbodstelsel. Het aanbodstelsel is feitelijk
                            hoe de praktijk tot dusverre is geweest, namelijk dat het college de
                            inburgeringsplichtige een aanbod van een voorziening doet, welke de
                            inburgeraar mag weigeren. Hij of zij is na weigering van het aanbod zelf
                            verantwoordelijk voor het behalen van het niveau en afleggen van het
                            inburgeringsexamen. In de praktijk kwam het nog wel eens voor dat
                            inburgeringsplichtigen het aanbod weigerden, omdat zij tegen de
                            belasting van een inburgeringsvoorziening op keken (een
                            inburgeringsvoorziening kan wel een belasting van 30-40 uur per week
                            vragen), zonder zich te realiseren dat dit wel essentieel is voor het
                            behalen van het beoogde niveau. Hoewel het aanbodstelsel dus eigenlijk
                            beter aansluit bij het uitgangspunt van de Wet inburgering, namelijk de
                            eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige, blijkt dat niet
                            alle inburgeringsplichtigen bij aanvang van het traject al in staat zijn
                            deze verantwoordelijkheid een goede invulling te geven.</al><al>Het vaststellingstelsel kan niet met terugwerkende kracht worden
                            ingevoerd. Het college kan pas inburgeringsvoorzieningen en
                            taalkennisvoorzieningen direct vaststellen als de gewijzigde WI in
                            werking is getreden én de gemeentelijke verordening die deze bevoegdheid
                            aan het college toekent van kracht is. </al><al>Wanneer de gemeente kiest voor het vaststellingstelsel, geldt dat
                            stelsel voor alle inburgeringsplichtigen die voor een voorziening in
                            aanmerking komen. Het is niet mogelijk om voor bepaalde groepen te
                            werken met het vaststellingstelsel en voor andere groepen met het
                            aanbodstelsel. De keuze voor het vaststellingstelsel houdt dus in dat
                            het aanbodstelsel wordt verlaten. </al><al><vet>Regels over de informatieverstrekking aan
                                inburgeringsplichtigen</vet></al><al>Artikel 8 WI bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                            vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en
                            plichten uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van
                            inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot die voorzieningen.</al><al><vet>Regels met betrekking tot het vaststellen van
                                inburgeringsvoorzieningen</vet></al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                            inburgeringsexamen. Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen
                            door het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening. </al><al>Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                            staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal
                            kosteloos afleggen van dat examen. De inburgeringsplichtige is verplicht
                            een eigen bijdrage van € 270 te betalen voor de inburgeringsvoorziening
                            of taalkennisvoorziening. Een taalkennisvoorziening is gericht op de
                            verwerving van de kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor
                            het kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19,
                            derde lid, WI).</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een
                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening ook uit
                            maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid, WI). </al><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen
                            met betrekking tot het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                            een taalkennisvoorziening. (artikel 19a, tweede lid, onderdeel b, WI): </al><lijst><li nr="-"><al>- De procedure die door het college wordt gevolgd voor het
                                    vaststellen van inburgeringsvoorzieningen of
                                    taalkennisvoorzieningen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                                    WI).</al></li><li nr="-"><al>- De criteria die worden gehanteerd bij het vaststellen van
                                    inburgeringsvoorzieningen of taalkennisvoorzieningen (artikel
                                    19, vijfde lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="-"><al>- De vaststelling door het college van een passende
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip
                                    van de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening
                                    (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI).</al></li><li nr="-"><al>- De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie
                                    een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is
                                    vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de
                                    inning van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid
                                    van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI).</al></li></lijst><al><vet>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete
                            </vet></al><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het
                            bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al><vet>De procedure van het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening </vet></al><al>Het vaststellen van een inburgeringsvoorziening op taalkennisvoorziening
                            begint met het houden van de intake. In de intake wordt met de
                            inburgeringsplichtige gesproken over de voorziening die het college voor
                            betrokkene geschikt acht. Er zijn vervolgens vier mogelijkheden: </al><lijst><li nr="1."><al>1. In de intake blijkt dat het college aan de
                                    inburgeringsplichtige geen voorziening wil verstrekken
                                    (bijvoorbeeld omdat betrokkene niet tot de prioritaire groepen
                                    behoort). Het college stelt geen voorziening vast en kan een
                                    handhavingsbeschikking nemen (voor de oudkomer) of een
                                    kennisgeving afgeven (voor een nieuwkomer);</al></li><li nr="2."><al>2. De gemeente biedt een voorziening aan en de
                                    inburgeringsplichtige is het hiermee eens. De gemeente neemt een
                                    beschikking;</al></li><li nr="3."><al>3. De inburgeringsplichtige vindt de inburgeringsvoorziening
                                    niet gepast en geeft aan zelf op een andere wijze aan de
                                    inburgeringsplicht te zullen voldoen. Het college stemt hiermee
                                    in en neemt alleen een handhavingsbeschikking (voor een
                                    oudkomer) of een kennisgeving (voor een nieuwkomer);</al></li><li nr="4."><al>4. Het college acht een inburgeringsvoorziening geschikt maar de
                                    inburgeringsplichtige wil deze voorziening niet. Het college
                                    heeft de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening vast te
                                    stellen, tegen de zin van betrokkene in.</al></li></lijst><al>Het verschil met het aanbodstelsel schuilt in de laatste mogelijkheid.
                            Een gemeente die het aanbodstelsel hanteert is als ze een aanbod doet
                            afhankelijk van de medewerking van de inburgeringsplichtige. De
                            inburgeringsplichtige kan immers het aanbod aanvaarden maar ook
                            afwijzen. Een gemeente die het vaststellingstelsel hanteert, is niet
                            afhankelijk van de bereidheid van de inburgeringsplichtige akkoord te
                            gaan met de voorziening die het college voor de betrokken
                            inburgeringsplichtige passend vindt. </al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al>NB: In de Wet inburgering is het begrip “inburgeringsvoorziening”
                            uitgebreid met “taalkennisvoorziening”. In de hieronder staande
                            toelichting worden beide begrippen waar mogelijk afzonderlijk genoemd.
                            In een enkel geval wordt uit overweging van leesbaarheid het woord
                            “voorziening” gehanteerd, waarmee zowel inburgeringsvoorziening als
                            taalkennisvoorziening wordt aangeduid.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die
                            worden gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit
                            inburgering en de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente
                            goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de
                            Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke
                            wijze de informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt
                            georganiseerd. Wel bepaalt artikel 8 WI dat de gemeenteraad bij
                            verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de
                            gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en
                            plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de
                            toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                            Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in
                            dit artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan
                            de inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van
                            de informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af
                            aan de raad. </al><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder
                            geval) gebruik te maken van de volgende wijze informatieverstrekking aan
                            inburgeringsplichtigen: </al><lijst><li nr="a."><al>a. informatieverstrekking via Sociale Zaken en Werk, gevestigd
                                    in “De Beurs” te Winsum;</al></li><li nr="b."><al>b. informatieverstrekking via afdeling Burgerzaken of zorgloket
                                    op het gemeentehuis;</al></li><li nr="c."><al>c. Gemeentelijke website;</al></li><li nr="d."><al>d. Eenmalige publicatie op de gemeentepagina.</al></li></lijst><al>Het staat het college vrij om buiten bovenstaande wijze van
                            informatieverstrekking ook nog andere te gebruiken.</al><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren
                            over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking
                            aan de inburgeringsplichtigen. Het college dient minimaal eens in de
                            twee jaar de raad te informeren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>In dit artikel is gebruik gemaakt van de bevoegdheid in artikel 19a,
                            eerste lid, WI om bij verordening te bepalen dat het college een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan vaststellen zonder
                            dat daaraan een procedure van aanbod (door het college) en aanvaarding
                            (door de inburgeringsplichtige) vooraf hoeft te gaan. Op grond van dit
                            artikel kan het college voor elke inburgeringsplichtige een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening vaststellen. </al><al>Op grond van artikel 19a, tweede lid, onderdeel b juncto artikel 19,
                            vijfde lid, onderdeel a, WI moet de gemeenteraad bij verordening regels
                            stellen met betrekking tot de criteria die worden gehanteerd bij het
                            vaststellen van een inburgeringsvoorziening. Dit artikel vormt de
                            uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt het college
                            opgedragen om vast te stellen ten aanzien van welke groepen
                            inburgeringsplichtigen bij voorrang een inburgeringsvoorziening kan
                            worden vastgesteld. Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd binnen
                            welke kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet komen. Het
                            is van belang dat deze kaders (in casu het aanwijzen van groepen voor
                            wie een inburgeringsvoorziening kan worden vastgesteld) niet te eng te
                            definiëren. Te strenge criteria zouden wel eens kunnen leiden tot het
                            niet benutten van de beschikbare middelen voor het vaststellen van
                            inburgeringsvoorzieningen. </al><al>Dit artikel regelt dat voor de groepen die het college aanwijst
                                <cursief>bij voorrang</cursief> een inburgeringsvoorziening wordt
                            vastgesteld. Dit betekent dat het college de ruimte heeft om in bepaalde
                            gevallen ook een inburgeringsvoorziening vast te stellen voor
                            inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of groepen die hij
                            heeft aangewezen. Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren
                            tot de groep of groepen die het college heeft aangewezen aan deze
                            aanwijzing een recht gaan ontlenen op het krijgen van een voorziening,
                            bepaalt dit artikel dat het college voor de groepen die hij aanwijst een
                            inburgeringsvoorziening kan vaststellen. </al><al>In deze verordening worden de volgende criteria voor vaststelling van
                            een voorziening vastgelegd:</al><lijst><li nr="-"><al>- afstand tot de arbeidsmarkt. Een van de uitgangspunten van de
                                    wet inburgering is dat werk boven inburgering gaat, omdat werk
                                    feitelijk de beste vorm van inburgering is. Dit betekent dat de
                                    gemeente zich bij vaststelling van de voorziening eerst richt op
                                    de belanghebbende die een grote(re) afstand tot die arbeidmarkt
                                    heeft.</al></li><li nr="-"><al>- Het hebben van een opvoedtaak. Ouders zijn een voorbeeld voor
                                    hun kinderen. Daarnaast is het van belang dat ouders voldoende
                                    kennis van de Nederlandse maatschappij in het algemeen en het
                                    onderwijs en de zorg in het bijzonder hebben, om zo bij te
                                    dragen aan de opvoeding en integratie van de kinderen. De
                                    gemeente zal bij vaststelling van een voorziening voorang geven
                                    aan die belanghebbende die een opvoedtaak heeft.</al></li><li nr="-"><al>- Het inkomen van belanghebbende. Personen met een laag inkomen
                                    zijn sneller aangewezen op algemene sociale voorzieningen.
                                    Tevens bestaat er een relatie tussen een laag inkomen en meer
                                    voorkomende gezondheidsklachten. Bij het vaststellen van een
                                    voorziening acht de gemeente het inkomen van belanghebbende van
                                    belang.</al></li><li nr="-"><al>- Motivatie van belanghebbende. Als laatste is de motivatie van
                                    belanghebbende van belang bij het vaststellen van een
                                    voorziening. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat een
                                    inburgeringsplichtige zich zelf heeft gemeld, of andere stappen
                                    heeft ondernomen waaruit blijkt dat hij of zij zich actief
                                    opsteld om de taal te leren.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                            vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening
                            of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en
                            samenstelling van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b,
                            WI). In dit artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college
                            de opdracht heeft voor iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in
                            aanmerking komt, een op de persoon toegesneden inburgeringsvoorziening
                            samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een
                            passende inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening moet
                            vaststellen. De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor
                            geestelijke bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling.
                            Gemeenten hebben dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening
                            die zij aan geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te
                            geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                            opleveren de inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt
                            is wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een
                            inburgeringsvoorziening ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde
                            inburgeringsplichtige niet wordt vastgesteld, indien dat diens
                            arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt
                            ook maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de
                            inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening (artikel 19, zesde
                            lid, WI). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op
                            de inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het
                            college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde
                            lid, WI). De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en
                            bedraagt € 270. </al><al>In het eerste en tweede lid is geregeld dat met de inning van de eigen
                            bijdrage pas na drie maanden na beëindiging van het inburgeringstraject
                            of taalkennisvoorziening wordt begonnen, maar dat de eigen bijdrage dan
                            in beginsel in een keer moet worden voldaan. De inburgeringsplichtige
                            heeft op dat moment namelijk al minimaal een jaar de tijd gehad om
                            hiervoor te reserveren. </al><al>Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij inburgeringsplichtigen die
                            algemene bijstand ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage
                            verrekent met deze uitkering. Van deze mogelijkheid willen wij gebruik
                            maken. Dat is geregeld in lid 3. In dat lid wordt ook vast gesteld dat
                            de betrokken inburgeringsplichtige daarover wordt geïnformeerd. Of er
                            daadwerkelijk verrekend kan worden hangt af van de beschikbare ruimte in
                            de uitkering, of bv. beslag op de uitkering is gelegd door schuldeisers
                            en of er andere verrekeningen plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5a</nr><titel>Toekennen van een deelname bonus</titel></kop><al>Teneinde deelname aan een inburgeringstraject- of taalkennisvoorziening
                            zoveel mogelijk te stimuleren worden een deelnamebonus ingesteld. De
                            inburgeringsplichtige heeft recht op een bonus indien (nadat) hij heeft
                            deelgenomen en is geslaagd voor het inburgerings- of staatsexamen dat
                            deel uitmaakt van het door het college vastgestelde inburgeringstraject.
                            De inburgeringsplichtige die is geslaagd voor het MBO-examen 1 of 2 en
                            aan wie een taalkennis-voorziening is toegekend en heeft behaald heeft
                            eveneens recht op een bonus.</al><al>De deelname bonus heeft dezelfde hoogte als de betalen eigen bijdrage.
                            Omdat de bonus met de nog te betalen eigen bijdrage –zo mogelijk- wordt
                            verrekend (derde lid), is het effect daarvan in dat geval feitelijk geen
                            eigen bijdrage meer hoeft te worden betaald.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat
                            bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten
                            en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is
                            vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de
                            verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan
                            inburgeringsplichtigen in het kader van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking
                            tot de vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening deze verplichtingen vast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
                            inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar
                            en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in
                            ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende inburgeringsvoorziening en de
                            daaraan verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige
                            nauwkeurig moeten worden vermeld (onderdelen a en b). De
                            inburgeringsplichtige is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de
                            uitvoering van de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening
                            (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als
                            de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven
                            en aan de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking)
                            bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, WI). In
                            de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden
                            gemaakt (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in de beschikking moet worden vastgelegd in
                            hoeveel termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze
                            de betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                            bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de
                            verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het
                            college een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening
                            vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in de betreffende
                            beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn van handhaving van de
                            inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto
                            artikel 26 WI). Binnen vijf jaar ná deze datum moet de betreffende
                            oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf
                            bepalen wanneer de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van
                            start gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan
                            (en bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de
                            inburgeringsvoorziening van start gaat). De precieze datum waarop de
                            inburgeringsvoorziening van start gaat, zal niet altijd bekend zijn op
                            het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het vaststellen van
                            een datum van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht,
                            onafhankelijk van het moment waarop met de inburgeringsvoorziening kan
                            worden begonnen bij het uitgangspunt van de wet dat de betreffende
                            persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf
                            verantwoordelijk is voor voldoen aan de inburgeringsplicht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de
                            verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                            vastgelegd. De gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening
                            overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen vaststellen. </al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie-
                            en inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                            (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
                            gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van
                            een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een
                            maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of
                            het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere sociale
                            zekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling voor deze
                            samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                            géén bestuurlijke boete kan opleggen maar gebruik zal moeten maken van
                            de bevoegdheid de algemene bijstand te verlagen (artikel 18 WWB).</al><al>1.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                            inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op
                            redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of
                            onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel
                            25, vierde lid, van de wet. Bij deze bestuurlijke boete gelden de
                            volgende schema’s:</al><al>· Geen gehoor aan de oproep </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Gedraging</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Handhaving en bestuurlijke boete</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> keer niet verschijnen</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete: € 125,- + waarschuwingsbrief +
                                                nieuwe afspraak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer en vaker niet verschijnen</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete: € 250,- per keer + nieuwe
                                                afspraak</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> · Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het onderzoek </al><al>a.Het verzetten van de oproepafspraak</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Gedraging</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Handhaving en bestuurlijke boete</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> keer verzetten</al></entry><entry colname="col2"><al>Nieuwe afspraak binnen 4 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer verzetten</al></entry><entry colname="col2"><al>Waarschuwingsbrief + nieuwe afspraak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer en vaker verzetten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 250,- per keer + nieuwe
                                                afspraak</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> b. Niet meewerken tijdens intake</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Gedraging</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Handhaving en bestuurlijke boete</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> keer niet meewerken</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 100,- + nieuwe afspraak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer en vaker niet meewerken</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 250,- per keer + nieuwe
                                                afspraak</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                            inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de
                            uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of
                            aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al><al>Bij deze bestuurlijke boete geldt het volgende schema bij opbouw
                            boete:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Gedraging</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Handhaving en bestuurlijke boete</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> keer niet meewerken</al></entry><entry colname="col2"><al>Gesprek + Waarschuwingsbrief</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2<sup>e</sup> keer niet meewerken</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 250,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3<sup>e</sup> keer niet meewerken</al></entry><entry colname="col2"><al>Bestuurlijke boete € 500,- + stopzetten traject</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                            inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de
                            wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel
                            31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn het
                            inburgeringsexamen heeft behaald.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Afstemming van de bestuurlijke boete</titel></kop><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn
                            maximumbedragen en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke
                            overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de
                            overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
                            verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden
                            met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38,
                            tweede lid, WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij
                            elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete
                            passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                            inburgeringsplichtige.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekking en inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>