<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44398_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-12-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wiekslag, 07-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel a en f</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Reintegratieverordening De Marne en Winsum</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Re-integratieverordening 2010</vet></al><al/><al>Officiële titel Re-integratieverordening 2010</al><al>citeertitel Re-integratieverordening 2010</al><al>Wettelijke grondslag Artikel 8, eerste lid onderdeel a en f van de Wet
                        werk en bijstand</al><al>Datum aanmaak augustus 2010</al><al/><al>De raad van de gemeente Winsum;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel a en f van de Wet werk en
                        bijstand; </al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de Wet
                                werk en bijstand, de IOAW of de IOAZ;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene
                                nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het UWV;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>niet-uitkeringskeringsgerechtigde (Nugger): persoon als bedoeld in
                                de WWB, artikel 6, lid 1, , onder a;.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>jongeren: uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en Nuggers jonger dan 23
                                jaar;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a
                                van de wet: een instrument dat ingezet wordt ter ondersteuning van
                                personen zoals bedoeld in lid a., b., c. of d. bij
                                re-integratie;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>re-integratietraject: de vormgeving van het traject van
                                re-integratie en de inzet van voorzieningen voor en met personen
                                zoals bedoeld in lid a., b., c., of d.;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>loonkostensubsidie: subsidie voor werkgevers bij het in dienst nemen
                                van personen zoals bedoeld in lid a., b., c., of d.;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>de wet:de Wet werk en bijstand;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>Wet STAP: Wet stimulering arbeidsparticipatie (Wet STAP);</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente Winsum;</al></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Winsum.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en Nuggers,
                                alsmede aan personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de
                                wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het
                                college dat noodzakelijk acht, eenvoorziening gericht op die
                                arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van een cliënt, het meest
                                doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden, Anw-ers, Nuggers, alsmede personen als
                                bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, hebben aanspraak op
                                ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van
                                het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening en in de op grond van deze verordening
                                vastgestelde beleidsregels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verplichtingen van de cliënt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die door het college een voorziening wordt aangeboden is
                                verplicht hiervan gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de
                                verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de IOAW, de IOAZ en de
                                Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede
                                aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening
                                heeft verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                                niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, dan kan het college
                                de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                relevante afstemmingsverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                gebruik maakt van een voorziening niet voldoet aan het gestelde in
                                het tweede lid, kan het college de kosten van de voorziening geheel
                                of gedeeltelijk terugvorderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Subsidie- en budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in beleidsregels een of meer subsidie- of
                                budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                                door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in beleidsregels een plafond instellen voor het
                                aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke
                                voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wet STAP</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan uitkeringsgerechtigden die minimaal 20 uur
                                per week onbeloonde additionele werkzaamheden verrichten conform
                                artikel 10a, zesde lid van de wet een premie van telkens € 300,00
                                per zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de
                                belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft
                                geschonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                startkwalificatie, wordt binnen zes maanden na aanvang van de
                                onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in
                                hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de
                                kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij deze beoordeling:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de
                                additionele werkzaamheden uitvoert;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de scholingswens van de belanghebbende;</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere
                                verplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet niet nakomt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep
                                van de wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij
                                geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                bijdraagt aan arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de beleidsregels kan het college ten aanzien van de
                                voorzieningen, bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de wet nadere
                                regels stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben
                                op:</al><al/></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de voorwaarden en regels waaronder loonkostensubsidie verstrekt
                                wordt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de aanvraag, van en de besluitvorming over loonkostensubsidie en
                                premies;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de betaling van loonkostensubsidie en premies en het verlenen van
                                voorschotten;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                verstrekken van loonkostensubsidies en premies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nadere invulling van beleid</titel></kop><al>Het college kan op basis van deze verordening nadere beleidsregels of
                            richtlijnen vaststellen in het kader van re-integratie zoals bedoeld in
                            deze verordening. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>REGELINGEN IN VERBAND MET DE WIJZIGINGEN IN DE WWB EN INTREKKING VAN DE WIJ PER 1 JANUARI 2012</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen 'alleenstaande',
                                'alleenstaande ouder' en 'gezin' worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken van 'gehuwde(n)' of
                                'gehuwdennorm' hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als 'gezin', bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                'gezinsnorm', bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b</nr><titel>Afwijkende bepalingen voor jongeren</titel></kop><lid><lidnr/><al>In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de
                                volgende voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b
                                van de wet niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van
                                belanghebbenden jonger dan 27 jaar:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de
                                wet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de voorzieningen bedoeld in artikel 31, vijfde lid van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>SLOTBEPALINGEN </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekking voorgaande verordeningen</titel></kop><al>De “Reintegratieverordening De Marne en Winsum” wordt met ingang van
                            inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Re-integratieverordening
                            2010”. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 september
                        2010.</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop><cursief>Toelichting bij de Re-integratieverordening
                    </cursief></tussenkop><al>Gemeenten hebben beleidsvrijheid met betrekking tot het invullen van het
                    re-integratiebeleid, zij zijn echter gebonden aan de regels die de Europese Unie
                    stelt ter voorkoming van staatssteun. Om te voorkomen dat het
                    re-integratiebeleid van gemeente Winsum in strijd is met de EU regelgeving,
                    wordt een verwijzing opgenomen naar de EG-verordening Werkgelegenheidssteun en
                    de EG-verordening de minimissteun alsmede de beleidsaanbeveling van het
                    Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. </al><al/><al>Door een verwijzing naar deze regelgeving op te nemen in de
                    re-integratieverordening heeft de gemeente bij wijziging van gemeentelijke
                    regelgeving van re-integratie-instrumenten geen volledige informatieverplichting
                    aan De Europese Unie. Daarnaast wordt door de verwijzing naar EG-verordening
                    Werkgelegenheidssteun en de EG-verordening de minimissteun en de
                    beleidsaanbeveling van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                    voorkomen dat het re-integratiebeleid van de gemeente Winsum in strijd is met de
                    EU regelgeving. </al><al/><al>Nadere toelichting op de vrijstellingsverordeningen: Beleidsaanbeveling
                    verzamelbrief van het ministerie van SZW, <cursief>van april
                    2004:</cursief></al><tussenkop><cursief>Vrijstellingsverordening</cursief>
                    werkgelegenheidssteun:</tussenkop><tussenkop>Subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van reïntegratie
                    werkzoekenden.</tussenkop><al/><al>Doelstelling van de beleidsaanbeveling</al><al>De beleidsaanbeveling kan de gemeente ontlasten van de administratieve
                    verplichting – welke voortvloeit uit de regelgeving van de Europese Gemeenschap
                    – om een samenvatting van de (loonkosten-) subsidieregeling (zoals vastgesteld
                    in haar reïntegratieverordening) op te sturen naar de Europese Commissie en
                    jaarlijks de Europese Commissie een verslag te verstrekken. De gemeente dient
                    daartoe in haar reïntegratieverordening deze beleidsaanbeveling te incorporeren
                    en een expliciete verwijzing naar de beleidsaanbeveling op te nemen.</al><al/><al><onderstreept>De Europese regels inzake staatssteun in relatie tot de
                        gemeentelijke reïntegratieverordening</onderstreept></al><al>Voor de beoordeling in hoeverre er sprake kan zijn van staatssteun is het
                    volgende onderscheid van belang:</al><al/><al>·Subsidieregeling die direct de werknemer subsidiëren</al><al>Te denken valt daarbij de uitstroompremie aan werkzoekende bij het aanvaarden
                    van een betrekking (zie verordening).</al><al>Dit is geen staatssteun.</al><al/><al>·Generieke regelingen</al><al>In de beleidsaanbeveling wordt een generieke regeling als volgt omschreven:</al><al>Een lokale subsidieregeling kan een generieke regeling zijn wanneer ieder
                    bedrijf of onderneming, ongeacht de vestigingsplaats van de onderneming of de
                    plaats van tewerkstelling van de werknemer, een beroep kan doen op subsidie
                    wanneer deze onderneming een uitkeringsgerechtigde van de betreffende gemeente
                    in dienst neemt.</al><al>Dit is ook geen staatssteun, want hier profiteren geen specifieke bedrijven of
                    sectoren van.</al><al>Waarom is de Commissie akkoord gegaan met deze omschrijving?</al><al>De mogelijkheid om loonkostensubsidie op een generieke manier beschikbaar te
                    stellen staat open voor alle gemeenten in Nederland. In feite voeren de
                    gemeenten op deze manier een nationale en niet een lokale maatregel uit.</al><al/><al>·Subsidieregelingen die organisaties subsidiëren die geen economische
                    activiteiten verrichten</al><al>Voor zover de gemeente loonkostensubsidies verstrekt aan organisaties die geen
                    economische activiteiten verrichten, worden deze niet aangemerkt als
                    staatssteun.</al><al><vet>Verordening de minimis-steun: Valt de steun onder de
                        minimis-verordening?</vet></al><al>Deze verordening legt vast dat de totale steun die een onderneming gedurende een
                    periode van drie jaar ontvangt niet hoger mag zijn dan een vastgesteld
                    plafondbedrag (€ 200.000,00 in een periode van drie jaar – dit is een
                    verschuivende termijn). </al><al/><al>NB: Wanneer de gemeente aan één van beide vrijstellingsverordeningen
                    (Verordening Werkgelegenheidssteun nr. 2204/2002 of Verordening de minimissteun
                    nr. 69/2001) voldoet hoeft zij de subsidieregeling niet ter goedkeuring voor te
                    leggen aan de Europese Commissie.</al><al/><al><onderstreept>Ingezetenschap</onderstreept></al><al>Het Participatiebudget kan ook worden ingezet voor reïntegratievoorzieningen
                    voor inwoners uit andere gemeenten. De inzet van reïntegratievoorzieningen is
                    dus niet, zoals bij het WWB-werkdeel, beperkt tot de eigen inwoners van een
                    gemeente. Hiermee wordt samenwerking tussen gemeenten op het terrein van
                    reïntegratie eenvoudiger. Per situatie zal bekeken dienen te worden of er sprake
                    is van een voorliggende voorziening dan wel dat de inzet van middelen door de
                    gemeente gewenst is. </al><al/><tussenkop><cursief>Artikel 1 Begripsbepalingen </cursief></tussenkop><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet
                    werk en bijstand. </al><al/><al>In artikel 1, lid c, wordt bijvoorbeeld verwezen naar Artikel 6, lid 1 onder a,
                    WWB: Daar is de begripsbepaling voor de niet-uitkeringsgerechtigde weergegeven.
                    Niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon, jonger dan 65 jaar, die als werkloze
                    werkzoekende staat geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen en die geen recht heeft op een uitkering op grond van
                    deze wet of de Wet investeren in jongeren, de Werkloosheidswet, de Wet
                    inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                    zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
                    Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de Tijdelijke wet beperking
                    inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Algemene nabestaandenwet dan
                    wel op grond van een regeling, die met deze wetten naar aard en strekking
                    overeenstemt.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Opdracht college </vet></al><lijst><li nr="1."><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan
                            artikel 7 van de WWB. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en
                            consistentie. In de WWB is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de
                            aanspraak op voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook
                            daadwerkelijk inwoners van de gemeente zijn, door middel van een
                            verwijzing naar artikel 40, eerste lid van de wet. Door deze verwijzing
                            ook aan de opdracht aan het college te koppelen, kan de gemeente
                            aangeven voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te willen
                            zetten.</al></li><li nr="2."><al>Hierin wordt de opdracht uit de WWB expliciet in de verordening
                            opgenomen dat de gemeente evenwichtige aandacht aan de diverse
                            doelgroepen moet besteden, en rekening moet houden met de combinatie
                            arbeid en zorg. </al></li><li nr="3."><al>Het college geeft de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                            voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund
                            kunnen worden. Dit is met name van belang bij weigering van een
                            voorziening om budgettaire redenen: er dient dan altijd een alternatief
                            voorhanden te zijn. </al><al/></li></lijst><tussenkop><vet><cursief>Artikel 3 Aanspraak op ondersteuning
                    </cursief></vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                            verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf
                            geregeld. Eveneens uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor
                            gekozen een algemene bepaling over de aanspraak op te nemen.</al></li><li nr="2."><al>Expliciet wordt de koppeling gelegd tussen de algemene aanspraak van de
                            cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden van
                            voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar elk document waarin die
                            criteria geformuleerd kunnen worden, in ieder geval de verordening en de
                            beleidsregels.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 4 Verplichtingen van de cliënt </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij
                            het recht op een uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in het eerste
                            en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd.</al></li><li nr="3."><al>Het derde lid legt de verbinding met de Afstemmingsverordening. De
                            Afstemmingsverordening regelt het verlagen van een uitkering indien de
                            uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet (afstemming
                            op het gedrag van de uitkeringsgerechtigde). In dat geval kan de
                            uitkering worden verlaagd met een bepaald (relatief hoog)
                            percentage.</al></li><li nr="4."><al>Voor personen zonder uitkering, Anw-ers en personen in</al><al> gesubsidieerde arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als
                            reactie op het gedrag van de persoon dat wordt afgekeurd. Daarom is hier
                            de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de gemeente (een deel van)
                            de kosten die gemaakt zijn kan claimen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 5 Subsidie- en budgetplafonds</tussenkop><al/><lijst><li nr="1."><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling
                            maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Op dit moment
                            is er geen subsidie- of budgetplafond ingesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het uitgeput zijn van budgetten kan in algemene zin nooit een reden zijn
                            om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dit wel mogelijk te
                            maken wordt in deze verordening het instellen van subsidieplafonds
                            mogelijk gemaakt. Zo wordt het mogelijk om per voorziening een plafond
                            te stellen. Dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                            instrument wordt uitgeweken. Bij dit artikel wordt uitgegaan van de
                            bevoegdheid van het college om plafonds te stellen. De WWB stelt dat het
                            ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de
                            afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                            andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in
                            dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat
                            per voorziening een plafond wordt ingebouwd: dit laat de mogelijkheid
                            open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken. Bij dit artikel
                            wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds in te
                            stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds
                            wordt verwezen naar de bedragen die eventueel in de programmabegroting
                            voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd. Een
                            budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                            kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen
                            die subsidies inhouden zoals de loonkostensubsidie. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 6 en 7 Wet STAP</vet></al><al>Artikel 8 van de WWB - zoals dit per 1 april 2009 komt te luiden - verlangt van
                    de Raad dat zij regels stelt met betrekking tot de hoogte van de premie, alsmede
                    de eventuele inzet van scholing of opleiding, zo sprake is van een persoon die
                    algemene bijstand ontvangt en die in het kader van een door het college
                    aangeboden voorziening onbeloonde additionele arbeid verricht. Daarbij vraagt
                    artikel 8, tweede lid van de WWB specifiek om regels te stellen met betrekking
                    tot de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval. Daarnaast geeft de
                    Memorie van Toelichting aan dat deze regels tevens kunnen zien op de hoogte van
                    de premie in relatie tot de inspanningen van de betrokkene en de financiële
                    bijdrage van de derde na het eerste jaar. Een regeling waarbij een relatie wordt
                    gelegd tussen de hoogte van de premie en de inspanningen van betrokkene is –
                    mede gelet op de beperkte hoogte van de premie – achterwege gelaten.</al><al/><al>Er is verder specifiek voor gekozen om geen daadwerkelijke regels met betrekking
                    tot de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval op te nemen. Wel is bij
                    vaststelling van de hoogte overwogen dat een premie van dien aard geen risico
                    vormt met betrekking tot de armoedeval. Daartoe wordt ook steun gevonden in de
                    parlementaire behandeling, waarin de staatssecretaris overwoog dat:</al><al/><tussenkop>“De Nederlandse gemeenten op dit moment in het kader van de Wet werk en
                    bijstand – want daar kennen wij dit instrument al – een praktijk kennen van een
                    gemiddelde premie van zo’n € 600 per persoon die een baan vindt. Dat is geen
                    bedrag waarover je je heel veel zorgen moet maken ten aanzien van
                    armoedevaleffecten. Ten tweede geeft deze aanpak op zichzelf geen aanleiding om
                    andere redenen te denken dat armoedevaleffecten zullen optreden, omdat op deze
                    manier iemand de mogelijkheid krijgt om zowel horizontaal als verticaal uit te
                    stromen. Het horizontaal uitstromen is uitstromen naar een inkomenspositie die
                    vergelijkbaar is met wat iemand heeft met bijstand plus een premie. Hij moet die
                    kans grijpen, want als hij dat niet doet, is er alleen nog een uitstroom naar
                    beneden mogelijk, namelijk naar de bijstand. Dan is hij ver van huis. Het loont
                    dus niet om die stap te zetten. Een andere mogelijkheid om uit te stromen is dat
                    iemand vervolgens in een hoger cao-loon terechtkomt. Dat loont echt de moeite.
                    Dan hebben wij bereikt wat wij willen bereiken. Ook de gemeenten hebben er
                    belang bij om rustig aan te doen met de premies, want naarmate de premies een
                    armoedevaleffect in de hand werken, wordt er geen uitstroom uit de bijstand
                    bereikt en schiet de gemeente dus in eigen voet, want dan moet zij de kosten
                    opbrengen.” </tussenkop><al><cursief>(</cursief>Tweede Kamer, Handelingen 2008 – 2009, 31577, nr 21, p.
                        1700<cursief>)</cursief></al><tussenkop>Bijdrage van de inlenende organisatie</tussenkop><al>In artikel 7 van deze verordening is de mogelijkheid opgenomen om van de
                    organisatie waar de betrokkene zijn werkzaamheden verricht een bijdrage te
                    vragen in de uit te keren premie. Deze bepaling is facultatief. </al><al/><tussenkop>Besluit/beschikking?</tussenkop><al>Het (niet) aanbieden van scholing door het college is géén besluit in de zin van
                    de Awb. In de wet wordt namelijk gesproken over het aanbieden van scholing, en
                    niet van vaststellen. Een aanbod sec is niet gericht op een rechtsgevolg. </al><al>Verstrekking van de premie en verlenging van de participatieplaats vloeien
                    rechtstreeks voort uit artikel 10a WWB en hebben daarmee wel een zelfstandig
                    rechtsgevolg, en zijn dus wel een besluit in de zin van de Awb.</al><al/><al><vet>Huidige trajecten werken met behoud van uitkering</vet></al><al>De Wet Stap kent geen overgangsrecht en heeft dus in beginsel onmiddellijke
                    werking. Dit houdt in dat indien iemand op dit moment reeds langer dan zes
                    maanden additionele arbeid heeft verricht deze op grond van artikel 10a, WWB,
                    een recht kan doen gelden op een premie en aanspraak kan maken op een
                    scholingsaanbod.</al><al/><al><vet>Maximale termijn participatieplaatsen</vet></al><al>De Wet Stap is een kaderwet die regels stelt ingeval een participatieplaats
                    langer duurt dan zes maanden. De maximale termijn is – na de twee mogelijke
                    verlengingen – vier jaar. Het staat de gemeente dus vrij om te kiezen voor een
                    kortere termijn, bijvoorbeeld van twee jaar. In dat geval zijn de bepalingen van
                    de Wet Stap alleen van toepassing voor zover deze betrekking hebben op die
                    periode van twee jaar.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Algemene bepalingen over voorzieningen </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan nadere regels opstellen binnen de gestelde kaders. Dit
                            kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo kan bepaald worden dat
                            een cliënt gedurende het traject op gezette tijden met de consulent de
                            voortgang bespreekt. </al></li><li nr="2."><al>In een aantal omschreven situaties kan het college een voorziening
                            beëindigen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten
                            van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                            arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                            beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                            arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te
                            worden genomen. Een bijzonder aandachtspunt is hier het uitbesteden van
                            voorzieningen aan re-integratiebedrijven. Immers, bij uitbesteden wordt
                            een deel van de regie uit handen gegeven. Het verdient dan ook
                            aanbeveling dat in het contract met het re-integratiebedrijf wordt
                            verklaard dat deze re-integratieverordening van toepassing is. Het
                            college heeft de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen nadere
                            regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij
                            subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over
                            te laten. Het college regelt onder andere de voorwaarden waaronder
                            loonkostensubsidie aan werkgevers verstrekt wordt. De strekking van sub
                            e is dat voor personen die bij aanvang van de loonkostensubsidie
                            domicilie hadden in de gemeente, bij verhuizing naar een andere gemeente
                            er geen belemmering is voor voortzetting van de loonkostensubsidie. Als
                            de re-integratieverordening niet de mogelijkheid kent ook deze
                            verhuizers een loonkostensubsidie te verstrekken loop je gevaar dat
                            betalingen uit het werkdeel onrechtmatig worden geacht terwijl de
                            werkgever wel subsidie af kan dwingen. Het staat de gemeente vrij om met
                            de nieuwe gemeente tot overeenstemming te komen dat de
                            loonkostensubsidie vanaf de verhuizing voor hun rekening komt (overneemt
                            dus);</al></li><li nr="3."><al>De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage heeft betrekking op
                            de doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend
                            dat zij op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen
                            bijdrage, eventueel gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, kan dan
                            op zijn plaats zijn. Op dit moment wordt er van deze mogelijkheid geen
                            gebruik gEmaakt.</al><al/></li></lijst><al><vet>Slotbepalingen </vet></al><tussenkop>Artikel 9 Nadere invulling van beleid </tussenkop><al>Binnen het kader van deze Re-integratieverordening zullen specifieke regelingen
                    of beleidsregels worden vastgesteld. </al><al/><tussenkop>Artikel 10 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><tussenkop>Artikel 11 Intrekking voorgaande verordeningen </tussenkop><al>Om de inwerkingtreding van deze verordening naadloos aan te laten sluiten op het
                    eerdere ingevoerde verordeningen zullen de “oude” verordeningen moeten worden
                    ingetrokken tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze
                    re-integratieverordening. </al><al/><tussenkop>Artikel 12 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><tussenkop>Artikel 13 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>