<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR443569_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Leeuwarden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Leeuwarden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="Gemeenteblad: 22 februari 2017"/><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0037521&amp;artikel=3.16 en 9.1">Erfgoedwet, art. 3.16 en art. 9.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0028429&amp;artikel=12, 15 en 38">Monumentenwet 1988, art. 12, 15 en 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2.1 en 2.2">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1 en 2.1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-02-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-02-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-20859</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordeninggemeente
            Leeuwarden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Wettelijke grondslag(en)</vet><vet> of bevoegdheid
                            waa</vet><vet>r</vet><vet>op de regeling is gebaseerd:</vet></al><al>Gemeentewet, artikel 149</al><al>Erfgoedwet, artikel 3.16 en, op de voet van het overgangsrecht van artikel
                        9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 12 ,15 en 38 van de vroegere
                        Monumentenwet 1988</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikelen 2.1 en 2.2</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>– Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak als bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument en als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
                                    aangewezen zaken en terreinen, bedoeld in de onderdelen a en f,
                                    en waarop ook vermeld zijn zaken en terreinen waarvoor het
                                    college de onafhankelijke adviescommissie om advies heeft
                                    gevraagd vanwege het voornemen tot aanwijzing tot gemeentelijk
                                    monument;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="d."><al>kerkelijke zaak/monument: zaak/monument dat eigendom is van een
                                    kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam
                                    waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander
                                    genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor
                                    een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden
                                    van de godsdienst of levensovertuiging;</al></li><li nr="e."><al>stads- of dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van
                                    algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge
                                    ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun
                                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep
                                    zich een of meer monumenten bevinden;</al></li><li nr="f."><al>gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht, dat
                                    overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd
                                    gemeentelijk stads- of dorpsgezicht is aangewezen;</al></li><li nr="g."><al>selectiecriteria: de begrippen, waarmee de onder a en f bedoelde
                                    termen concreet worden gemaakt;</al></li><li nr="h."><al>Uitvoeringsrichtlijnen Monumentenzorg Leeuwarden: door het
                                    college vast te stellen toetsingskader waar werkzaamheden aan
                                    monumenten aan moeten voldoen;</al></li><li nr="i."><al>onafhankelijke adviescommissie: de op basis van artikel 15 van
                                    de vroegere Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak
                                    het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over
                                    de toepassing van de Erfgoedwet, de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht, deze verordening, het monumentenbeleid en het
                                    archeologiebeleid;</al></li><li nr="j."><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                    onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische
                                    kwaliteit van een monument;</al></li><li nr="k."><al>archeologisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                    onderzoek naar de geschiedenis en de archeologische waarden van
                                    een locatie, overeenkomstig de Kwaliteitsnorm Nederlandse
                                    Archeologie;</al></li><li nr="l."><al>opgraving: het vlakdekkend onderzoeken van archeologische
                                    vindplaatsen, met als doel de gegevens van de vindplaats te
                                    documenteren en daarmee de informatie te behouden die van belang
                                    is voor kennisvorming over het verleden;</al></li><li nr="m."><al>gemeentelijke archeologische waardekaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied, waarop archeologische
                                    monumenten, terreinen van hoge waarde en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven.;</al></li><li nr="n."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardekaart, waarvan is aangegeven in welke mate
                                    archeologische resten te verwachten zijn;</al></li><li nr="o."><al>terrein van hoge waarde: een door het college als zodanig op de
                                    archeologische waardekaart aangegeven gebied, waar
                                    archeologische waarden zijn aangetoond;</al></li><li nr="p."><al>terrein met een hoge verwachting: een door het college als
                                    zodanig op de archeologische waardekaart aangegeven gebied, waar
                                    (zeer) sterke aanwijzingen zijn dat archeologische waarden
                                    aanwezig zijn;</al></li><li nr="q."><al>terrein met een middelhoge verwachting: een door het college als
                                    zodanig op de archeologische waardekaart aangegeven gebied waar
                                    aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn;</al></li><li nr="r."><al>terrein met een lage verwachting: een door het college als
                                    zodanig op de archeologische waardekaart aangegeven gebied waar
                                    aanwijzingen zijn dat er minder grote kans op archeologische
                                    vondsten is of het belang van de mogelijke archeologische
                                    vondsten laag of onbekend is;</al></li><li nr="s."><al>verstoren: het beroeren, aantasten of vernielen van de bodem,
                                    waarbij afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden;</al></li><li nr="t."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="u."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Leeuwarden;</al></li><li nr="v."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht; </al></li><li nr="w."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2a:</nr><titel>Het wijzigen van een monument</titel></kop><al>Wijzigingen aan een gemeentelijk monument en een beschermd monument
                            worden getoetst aan de Uitvoeringsrichtlijnen Monumentenzorg
                            Leeuwarden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>– Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                onroerende of roerende zaak aanwijzen als gemeentelijk
                                monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de onafhankelijke adviescommissie. In
                                spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege
                                blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk
                                monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek of archeologisch
                                onderzoek wordt verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voordat het college een kerkelijke zaak als gemeentelijk monument
                                aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3.1 van de Erfgoedwet, tenzij de redengevende
                                omschrijving van het gemeentelijke monument aanvullend is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college doet mededeling van de adviesaanvraag bedoeld in het
                                tweede lid aan degenen die in de basisregistratie kadaster als
                                eigenaar of als beperkt gerechtigde staan vermeld, aan de
                                ingeschreven hypothecaire schuldeisers en, indien om aanwijzing is
                                verzocht, aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij de beoordeling van de monumentwaardigheid toetst het college aan
                                de vastgestelde selectiecriteria (bijlagen 1 en 2, gemeentelijke
                                monumenten, zaken respectievelijk terreinen). Op een monument dienen
                                één of meer van deze criteria van toepassing te zijn.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De selectiecriteria genoemd in lid 7 worden door het college
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de mededeling als bedoeld in artikel 3,
                            zesde lid, heeft plaatsgevonden tot het moment dat de aanwijzing als
                            bedoeld in artikel 3, eerste lid, plaatsvindt dan wel vaststaat dat het
                            monument niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onafhankelijke adviescommissie adviseert schriftelijk binnen acht
                                weken na ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de onafhankelijke adviescommissie, maar in ieder geval binnen 20
                                weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt meegedeeld
                                aan degenen die in de basisregistratie als eigenaar of als beperkt
                                gerechtigde bekend staan, aan de ingeschreven hypothecaire
                                schuldeisers en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de
                                aanwijzing van een gemeentelijk monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de datum van de
                                adviesaanvraag respectievelijk aanwijzing, de plaatselijke
                                aanduiding, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het
                                gemeentelijke monument.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de lijst, bedoeld in lid 1, worden ook zaken en terreinen
                                geregistreerd waarvoor het college de onafhankelijke adviescommissie
                                om advies heeft gevraagd vanwege het voornemen tot aanwijzing tot
                                gemeentelijk monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede tot en met vierde lid, alsmede de artikelen 4, 5
                                en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het
                                wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, de
                                aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede de artikelen 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het intrekkingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3.1 van de Erfgoedwet</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>- Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Instandhoudingsbepaling gemeentelijke monumenten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                    artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen of
                                    daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding
                                    daarvan noodzakelijk is.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1, te slopen, te verstoren, te verplaatsen
                                            of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                            gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                            of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 2 is niet vereist,
                                    indien de activiteit betrekking heeft op:</al><lijst><li nr="a."><al>gewoon onderhoud , voor zover detaillering, profilering,
                                            vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en
                                            bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet
                                            wijzigt, of</al></li><li nr="b."><al>een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige
                                            veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit
                                            het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.</al></li></lijst></li></lijst><al>Dit is nader uitgewerkt in de Uitvoeringsrichtlijnen Monumentenzorg
                            Leeuwarden, die door het college zijn vastgesteld.</al><lijst><li nr="4."><al>Aan een omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden,
                                    die nodig zijn met het oog op het belang van de monumentenzorg.
                                </al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een kerkelijk
                                    monument, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in
                                    overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een
                                    vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                    godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al>Dit artikel is vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de onafhankelijke adviescommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de onafhankelijke adviescommissie schriftelijk advies uit aan
                                het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                        zwaarder dient te wegen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                onafhankelijke adviescommissie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>– Beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als
                                beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alvorens het college ter zake een voorstel aan de gemeenteraad doet,
                                wordt advies gevraagd aan de onafhankelijke adviescommissie. In
                                spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege
                                blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                                aangewezen op grond van artikel 35 van de vroegere Monumentenwet
                                1988.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de beoordeling van de beschermenswaardigheid toetst de
                                gemeenteraad aan de vastgestelde selectiecriteria (bijlage 3). Op
                                een stads- of dorpsgezicht dienen één of meer van deze criteria van
                                toepassing te zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De selectiecriteria genoemd in lid 4 worden door het college
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onafhankelijke adviescommissie adviseert schriftelijk binnen acht
                                weken na ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van
                                de onafhankelijke adviescommissie, maar in ieder geval binnen 20
                                weken na de adviesaanvraag, een voorstel ter zake aan de
                                gemeenteraad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het beschermde gemeentelijke stads- of
                                dorpsgezicht op de gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing van het beschermde
                                stads- of dorpsgezicht en een beschrijving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekendmaking</titel></kop><al>De vraag om advies zoals bedoeld in artikel 15 lid 2, het besluit tot
                            aanwijzing, het wijzigen en het intrekken van de aanwijzing worden
                            bekend gemaakt op een wijze zoals in de Algemene wet bestuursrecht wordt
                            bepaald. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Vaststellen beschermend bestemmingsplan of
                                beheersverordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt ter bescherming van een beschermd stads- of
                                dorpsgezicht een bestemmingsplan of beheersverordening vast als
                                bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of
                                dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre geldende
                                bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het eerste lid
                                kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als
                                bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste of tweede lid,
                                opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid,
                                van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad, in afwijking
                                van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende
                                gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Alvorens het college de gemeenteraad ter zake een voorstel doet,
                                wordt advies gevraagd aan de onafhankelijke adviescommissie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onafhankelijke adviescommissie adviseert schriftelijk binnen acht
                                weken na ontvangst van het in lid 4 genoemde verzoek van het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Instandhoudingsbepaling gemeentelijke beschermde stads- en
                                dorpsgezichten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In beschermde stads- en dorpsgezichten is het verboden zonder
                                vergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk geheel of gedeeltelijk
                                te slopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor het slopen ingevolge een
                                aanschrijving van het bevoegd gezag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>De beoordeling van de aanvraag</titel></kop><al>Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
                                <onderstreept>artikel
                                </onderstreept><onderstreept>20</onderstreept><onderstreept>, eerste
                                lid,</onderstreept> kan de omgevingsvergunning worden geweigerd
                            indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op
                            de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal
                            worden gebouwd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Algemene bepalingen over de totstandkoming van de beschikking op
                                de aanvraag om een omgevingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
                                artikel 20, eerste lid, kan het bevoegd gezag, in afwijking van
                                artikel 3.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet
                                bestuursrecht de beslissing aanhouden, indien voor een bouwwerk dat
                                zal worden gebouwd in plaats van het te slopen bouwwerk, een
                                omgevingsvergunning is aangevraagd, maar op die aanvraag nog niet is
                                beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een geval als bedoeld in het eerste lid duurt de aanhouding
                                totdat onherroepelijk op de aanvraag om de omgevingsvergunning is
                                beslist.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>– Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de onafhankelijke adviescommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onafhankelijke adviescommissie adviseert schriftelijk over de
                                aanvraag:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen vier weken na de datum van verzending van het
                                        afschrift indien de reguliere voorbereidingsprocedure van
                                        toepassing is;</al></li><li nr="b."><al>binnen acht weken na de datum van verzending van het
                                        afschrift indien de uitgebreide voorbereidingsprocedure van
                                        toepassing is.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>– Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Archeologische waardekaart</titel></kop><al>Het college stelt een archeologische waardekaart vast, die dient als
                            basis voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de verordening;</al></li><li nr="b."><al>vast te stellen bestemmingsplannen als bedoeld, op de voet van
                                    het overgangsrecht van artikel 9.1 van de Erfgoedwet, in artikel
                                    38a van de Monumentenwet 1988;</al></li><li nr="c."><al>aanwijzing van gemeentelijke monumenten als bedoeld in artikel
                                    1, onder a, sub 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Instandhoudingsbepaling archeologische terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een gemeentelijk monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2, of een archeologisch verwachtingsgebied of
                                terrein van hoge waarde, bedoeld in artikel 1, onder n en o, de
                                bodem onder het maaiveld te verstoren dieper dan:</al><lijst><li nr="·"><al>30 cm op terrein binnen de stadsgrachten van Leeuwarden
                                        alsook op terpen van hoge waarde en historische dorpskernen
                                        van hoge waarde en hoge verwachtingswaarde;</al></li><li nr="·"><al>40 cm bij terpen van hoge verwachtingswaarde en in het
                                        resterend buitengebied;</al></li><li nr="·"><al>50 cm in de bebouwde kom, buiten de historische kern van
                                        Leeuwarden en die van de dorpen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument,
                                        een terrein van hoge waarde of een archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke
                                        archeologische waardekaart, en waarbij die verstoring
                                        plaatsvindt:</al><lijst><li nr="·"><al>in een terrein dat beschermd is als
                                                  <vet>gemeentelijk </vet><vet>archeologisch
                                                  monument</vet> en het te verstoren gebied kleiner
                                                is dan 25 m2, of;</al></li><li nr="·"><al>in een terrein van <vet>hoge
                                                  </vet><vet>archeologische </vet><vet>waarde</vet>
                                                en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2,
                                                of;</al></li><li nr="·"><al>in een terrein met <vet>hoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde</vet> en het te verstoren
                                                gebied kleiner is dan 100 m2, of;</al></li><li nr="·"><al>in een terrein met <vet>middelhoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde </vet><vet>1</vet> en het te
                                                verstoren gebied kleiner is dan 500 m2, of;</al></li><li nr="·"><al>in een terrein met <vet>middelhoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde</vet><vet> 2</vet> en het te
                                                verstoren gebied is kleiner dan 2500 m2, of; </al></li><li nr="·"><al>in een terrein met <vet>middelhoge</vet><vet>
                                                  archeologische verwachtingswaarde
                                                  </vet><vet>3</vet> en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 5000 m2.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldende bestemmingsplan met lid 1 en 2a
                                        overeenkomende bepalingen zijn opgenomen omtrent
                                        archeologische monumentenzorg en archeologische
                                        waarden.</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument, terrein van hoge waarde of
                                        archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                        gemeentelijke archeologische waardekaart.</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van
                                        het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd
                                        gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt
                                        dat:</al><lijst><li nr="·"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="·"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="·"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien lid 2 van toepassing is, kan door de initiatiefnemer worden
                                volstaan met een schriftelijke kennisgeving aan het college, waarop
                                binnen vier weken na ontvangst moet worden gereageerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 10, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 25, tweede lid, onder e.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Wijzigen kwalificatie van een locatie</titel></kop><al>Op grond van een melding ingevolge artikel 5.10 van de Erfgoedwet en op
                            grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het college een
                            locatie aanwijzen als locatie met een hoge verwachting of als een
                            hoogwaardige locatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Gemeentelijke kosten</titel></kop><al>Voor zover de verplichtingen, als bedoeld in artikel 25, lid 2, sub c,
                            leiden tot kosten voor de gemeente, als gevolg van het doen van
                            onderzoek en opgravingen, kunnen die kosten worden verhaald op degenen
                            ten behoeve van wie de medewerking wordt verleend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VII</nr><titel>– Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 25, tweede lid, onder d.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 25 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de personen die hiertoe aangewezen zijn bij
                            besluit van het college.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VIII</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden vastgesteld d.d. 1 januari
                                2014 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De intrekking van de in lid 1 genoemde verordening geldt voor zover
                                deze van kracht is voor het gebied binnen de gemeentegrenzen van de
                                gemeente Leeuwarden zoals dat per 1 januari 2014, op grond van de
                                Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van de gemeentelijke indeling in
                                een deel van de provincie Fryslân, is ontstaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 32 ingetrokken Erfgoedverordening
                                Gemeente Leeuwarden voorbeschermde en aangewezen geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten, de gemeentelijke stads- en dorpsgezichten
                                en de archeologische terreinen, worden geacht voorbeschermd en
                                aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 32 ingetrokken verordeningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 23 februari 2017.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als
                            'Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden'. </al><al/><al><vet><onderstreept>Bijlage</onderstreept></vet><vet><onderstreept>1</onderstreept></vet><vet>:</vet><vet>“</vet><vet>Selectiecriteria
                                gemeentelijke monumenten</vet><vet>” behorende bij de
                                Erfgoedverordening </vet><vet>g</vet><vet>emeente
                                </vet><vet>Leeuwarden</vet></al><al/><al><vet>Selectiecriteria artikel</vet><vet> 3, lid
                                </vet><vet>7</vet><vet>.</vet></al><al>Een monument wordt gewaardeerd aan de hand van de volgende
                            selectiecriteria:</al><lijst><li nr="1."><al>Algemene criteria</al></li><li nr="2."><al>Objectgebonden criteria: object en omgeving</al></li><li nr="3."><al>Objectgebonden criteria: intrinsiek</al></li><li nr="4."><al>Overige criteria</al><al/></li></lijst><al><vet>1. Algemene criteria</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Op de gemeentelijke monumentenlijst kunnen onroerende zaken
                                    worden geplaatst: gebouwen of groepen gebouwen, parken en
                                    begraafplaatsen en ook pompen, fonteinen, hekwerken en
                                    dergelijke.</al></li><li nr="·"><al>Op de gemeentelijke monumentenlijst kunnen ook delen van
                                    gebouwen, zoals een voorgevel, een gevelteken, of een interieur,
                                    mits aard- en nagelvast verbonden aan het object, worden
                                    geplaatst. In de redengevende omschrijving wordt aangegeven om
                                    welk deel het gaat.</al></li><li nr="·"><al>In uitzonderlijke gevallen kunnen zaken die naar hun aard
                                    roerend zijn, wel de beschermde status krijgen. Het object moet
                                    dan fysiek verbonden zijn met een aan te wijzen of reeds
                                    aangewezen (beschermd) monument en hier een
                                    historisch-functionele relatie mee hebben, of het moet vanuit
                                    zijn aard cultuurhistorisch met een aan te wijzen of reeds
                                    aangewezen (beschermd) monument verbonden zijn. Het kan dan
                                    worden beschermd op basis van de redengevende omschrijving.
                                    Bomen, schepen en voertuigen komen niet in aanmerking voor
                                    aanwijzing.</al></li><li nr="·"><al>De aan te wijzen onroerende en roerende zaken zijn geen
                                    beschermd monument (rijksmonument) of provinciaal monument.</al></li><li nr="·"><al>Gemeentelijke monumenten zijn niet gebonden aan een
                                    ontstaansgrens. Zaken, jonger dan 50 jaar, kunnen gemeentelijk
                                    monument worden.</al></li><li nr="·"><al>Gemeentelijke monumenten worden geselecteerd op hun
                                    cultuurhistorische waarde in de breedste zin van het woord.</al></li><li nr="·"><al>Gemeentelijke monumenten worden geselecteerd op hun locale of
                                    regionale belang.</al><al/></li></lijst><al><vet>2. Objectgebonden criteria: object en omgeving</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Ensemblewaarde Maakt het object deel uit van een groter geheel
                                    (architectonisch, functioneel enz.) en zou het geheel door
                                    verwijdering of aantasting van het object aan waarde
                                    inboeten?</al></li><li nr="·"><al>Stedenbouwkundige situering De rol in het straatbeeld. Staat het
                                    object bijvoorbeeld op een stedenbouwkundig belangrijke plaats
                                    zoals een straathoek of in een zichtas?</al></li><li nr="·"><al>Volume en afmetingen Is het object in z’n hoofdvorm en
                                    afmetingen karakteristiek voor de omgeving of vormt het juist
                                    door zijn afwijkende maten een waardevol element in de gebouwde
                                    en ingerichte omgeving?</al></li><li nr="·"><al>Architectonische kwaliteit Getuigt het ontwerp van goede
                                    architectuur?</al></li><li nr="·"><al>Bouwstijl Is het object een voortbrengsel van een voor de stad
                                    en omgeving kenmerkende of juist zeldzame bouwstijl?</al></li><li nr="·"><al>Detaillering Draagt het object door een goede of bijzondere
                                    detaillering bij aan de ruimtelijke beleving in de onmiddellijke
                                    omgeving van het object?</al></li><li nr="·"><al>Typologie Is het object in typologisch opzicht uniek of
                                    vertegenwoordigt het een zeldzaamheidswaarde?</al><al/></li></lijst><al><vet>3. Objectgebonden criteria: intrinsiek</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Gaafheid De (mate van) gaafheid van het volledige object: zijn
                                    er storende of juist waardevolle wijzigingen, vormt het object
                                    in voldoende mate een eenheid?</al></li><li nr="·"><al>Oorspronkelijkheid In hoeverre heeft het object nog historische
                                    bouwmassa? Bestaan bijvoorbeeld muren, vloeren en
                                    kapconstructies nog uit authentiek materiaal uit de bouwtijd of
                                    betreft het materiaal van reconstructies of restauraties?</al></li><li nr="·"><al>Oeuvre Maakt het object deel uit van het oeuvre van een
                                    belangrijk architect en/of is het karakteristiek voor dat
                                    oeuvre?</al></li><li nr="·"><al>Functie Is het object karakteristiek voor een bijzondere
                                    historische ontwikkeling op het gebied van de gezondheidszorg,
                                    sociale zorg, landbouw, economie of cultuur?</al></li><li nr="·"><al>Bouwtechniek Kent het object bijzondere toepassingen van
                                    bouwtechniek of is de bouwtechniek kenmerkend voor de regionale
                                    of locale bouwwijze?</al></li><li nr="·"><al>Materiaalgebruik Kent het object opmerkelijke
                                    materiaaltoepassingen (baksteen, ijzer, beton, glas, decoraties
                                    e.d.)?</al></li><li nr="·"><al>Interieurs Zijn in het interieur waardevolle onderdelen aanwezig
                                    (ruimte-indeling, betimmeringen en kastenwanden, elementen als
                                    schouwen, tegels of schilderstukken, geschilderde afwerkingen
                                    e.d.)?</al></li><li nr="·"><al>Niet-fysieke cultuurhistorische waarden Hierbij moet worden
                                    gedacht aan de rol die een object heeft gespeeld in de
                                    Leeuwarder geschiedenis: geboortehuizen van bijzondere inwoners,
                                    plaatsen waar zich belangrijke gebeurtenissen hebben afgespeeld
                                    enz.</al><al/></li></lijst><al><vet>4. Objectgebonden criteria: overig</vet><vet>e</vet></al><al>·Technische staat</al><al/><al><vet>Toepassing </vet><vet>van de selectiecriteria</vet></al><al>Voor het toepassen van de selectiecriteria kan gebruik gemaakt worden
                            van een scorematrix. Per onderdeel kan daarbij door middel van tekens
                            (bijvoorbeeld: --, -, 0, + of ++) of cijfers (bijvoorbeeld 1, 2, 3, 4,
                            5) worden aangegeven of en in welke mate de omschreven waarden aanwezig
                            zijn en bijdragen aan de monumentwaarde dan wel ernstig verstoord zijn
                            en afbreuk daaraan doen.</al><al>Het is echter niet mogelijk exacte score-eisen te stellen als voorwaarde
                            voor de uiteindelijke selectie. De vorenstaande selectiecriteria en het
                            globale scoresysteem vormen in de eerste plaats een hulpmiddel. De
                            vorming van het eindoordeel vraagt meer dan het tellen van "plusjes en
                            minnetjes". Elk voorstel of aanvraag voor plaatsing op de
                            monumentenlijst vergt een afzonderlijke beslissing op grond van een
                            overtuigende motivering. Het eindoordeel zal terug te vinden zijn in de
                            zogenaamde redengevende omschrijving van het object dat wordt
                            voorgedragen voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst, ofwel,
                            bij een negatieve beoordeling, in een gemotiveerde afwijzing van de
                            aanvraag.</al><al/><al><vet><onderstreept>Bijlage 2</onderstreept></vet><vet>:
                                </vet><vet>“</vet><vet>Selectiecriteria </vet><vet>archeologische
                                </vet><vet>gemeentelijke monumenten” behorende bij de
                                Erfgoedverordening</vet><vet> g</vet><vet>emeente
                            Leeuwarden</vet></al><al/><al><vet>Selectiecriteria artikel 3, lid </vet><vet>7</vet><vet>.</vet></al><al>Voor de selectiecriteria archeologische gemeentelijke monumenten wordt
                            gebruik gemaakt van de systematiek uit de vigerende Kwaliteitsnorm
                            Nederlandse Archeologie (KNA).</al><al/><al>In de eerste plaats wordt nagegaan of monumenten vanwege hun
                            belevingswaarde, op basis van hun schoonheid of herinneringswaarde, als
                            behoudenswaardig kunnen worden getypeerd. Deze elementen worden niet
                            gescoord, maar wel meegewogen in de afweging. De monumenten worden
                            vervolgens op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Een monument wordt op
                            basis van fysieke kwaliteit als behoudenswaardig aangemerkt, indien de
                            criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes
                            punten) scoren. Bij een lage of middelmatige score (4 punten of minder)
                            is de inhoudelijke kwaliteit doorslaggevend. Hierbij maakt een
                            bovengemiddelde score (6-7 punten) een vindplaats monumentwaardig. Eerst
                            vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke
                            kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde.
                            Bij een bovengemiddelde score van zeven punten of meer wordt het
                            monument als behoudenswaardig aangemerkt. Na deze weging wordt bij
                            monumenten met een lagere inhoudelijke waardering (minder dan zeven
                            punten) nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is.
                            Zo ja, dan wordt een voorstel gedaan voor een als behoudenswaardig aan
                            te merken steekproef per categorie.</al><al/><al><vet>Waardering</vet></al><al>Bij de waarde Fysieke kwaliteit gaat het in de eerste plaats om de
                            gaafheid van het monument; in hoeverre is het archeologische ensemble
                            compleet. Wanneer het gaat om gaafheid, wordt verder gekeken naar de
                            toestand van de grondsporen.</al><al/><al>Het criterium conservering heeft betrekking op de bewaringstoestand van
                            de vondsten (anorganisch en organisch) en ecologisch materiaal.</al><al/><al>Van de waarde inhoudelijke kwaliteit, is het criterium zeldzaamheid het
                            eerste dat bij het waarderen in beschouwing wordt genomen. </al><al/><al>Bij het criterium informatiewaarde gaat het om de waarde van de
                            vindplaats als bron van kennis over het verleden. Het gaat dan met name
                            om nieuwe kennis, zodat er een sterk verband bestaat met het criterium
                            zeldzaamheid.</al><al/><al>Tenslotte zijn er de criteria ensemblewaarde en representativiteit, de
                            informatie van een vindplaats die voortkomt uit de landschappelijke
                            context, naburige vindplaatsen en de kenmerkendheid voor een bepaalde
                            periode of gebied.</al><al/><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colwidth="35*"/><colspec colname="col4" colwidth="11*"/><colspec colname="col5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colwidth="7*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al><vet>Scoretabel waardestelling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al><vet>waarden</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al><vet>criteria</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="1"><al><vet>parameters</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al><vet> Scores</vet></al></entry></row><row><entry colname="col4"><al>Hoog</al></entry><entry colname="col5"><al>Midden</al></entry><entry colname="col6"><al>Laag</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al>Beleving</al></entry><entry colname="col2" morerows="2"><al>Schoonheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Zichtbaarheid vanaf het maaiveld als
                                                landschapselement</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Vorm en structuur</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Relatie met omgeving</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>Herinneringswaarde</al></entry><entry colname="col3"><al>Verbondenheid met feitelijke historische
                                                gebeurtenis</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Associatie met toegeschreven kwaliteit of
                                                betekenis</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="5"><al>Fysieke kwaliteit</al></entry><entry colname="col2" morerows="3"><al>Gaafheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid van soort en intactheid
                                                bodemprofiel</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid sporen: antropogene lagen, biochemische
                                                laag of residu</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid archeologische indicatoren voor
                                                menselijke activiteiten</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Ruimtelijke relatie tussen mobilia en sporen</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>Conservering</al></entry><entry colname="col3"><al>Conservering artefacten (metaal/overig)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Conservering organisch materiaal</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="7"><al>Inhoudelijke kwaliteit</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Zeldzaamheid</al></entry><entry colname="col3"><al>In vergelijking met onderzoek van vergelijkbare
                                                monumenten (complextypen) van goede fysieke
                                                kwaliteit uit dezelfde perioden binnen dezelfde
                                                archeoregio waarvan de aanwezigheid is
                                                vastgesteld</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Idem, op basis van een recente en specifieke
                                                verwachtingskaart</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Informatiewaarde</al></entry><entry colname="col3"><al>In vergelijking met onderzoek van vergelijkbare
                                                monumenten binnen dezelfde archeoregio (minder/meer
                                                dan 5 jaar geleden; volledig/partieel)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="3"><al>Ensemblewaarde</al></entry><entry colname="col3"><al>Synchrone context (voorkomen van monumenten uit
                                                dezelfde periode binnen de micro-regio)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Diachrone context (voorkomen van monumenten uit
                                                opeenvolgende perioden binnen de micro-regio)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Landschappelijke context (fysisch- en
                                                historisch-geografische gaafheid van het
                                                contemporaine landschap)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid van contemporaine organische sedimenten
                                                in de directe omgeving</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Representativiteit</al></entry><entry colname="col3"><al>Kenmerkendheid voor een bepaald gebied en/of
                                                periode</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><onderstreept>Bijlage 3</onderstreept>: “Selectiecriteria gemeentelijke stads- en
                                dorpsgezichten” behorende bij de Erfgoedverordening gemeente
                                Leeuwarden</vet></al><al/><al><vet>Selectiecriteria artikel </vet><vet>15</vet><vet>, lid
                                </vet><vet>4</vet><vet>.</vet></al><al>Een gemeentelijke stads- of dorpsgezicht wordt gewaardeerd aan de hand
                            van de volgende selectiecriteria:</al><lijst><li nr="1."><al>Historisch-ruimtelijke of stedenbouwkundige waarden</al></li><li nr="2."><al>Cultuurhistorische waarden</al></li><li nr="3."><al>Situationele waarden</al></li><li nr="4."><al>Gaafheid/herkenbaarheid</al></li><li nr="5."><al>Zeldzaamheid</al><al/></li></lijst><al><vet>1. Historisch-ruimtelijke of stedenbouwkundige waarden</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied voor de geschiedenis van de ruimtelijke
                                    ordening en/of stedenbouw;</al></li><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens de bijzondere samenhang van
                                    functies, schaal, verschijningsvorm, wegen, wateren,
                                    groenvoorzieningen en open ruimten, mede in relatie tot de
                                    regionale of lokale ontwikkelingsgeschiedenis;</al></li><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens hoogwaardige ruimtelijke,
                                    esthetische en/of functionele kwaliteiten, op basis van een
                                    herkenbaar stedenbouwkundig concept;</al></li><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens bijzondere verkaveling,
                                    inrichting van de openbare ruimte en/of specifieke
                                    functies.</al><al/></li></lijst><al><vet>2. Cultuurhistorische waarden</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied als bijzondere uitdrukking van (een)
                                    culturele, sociaal-economische en/of geestelijke
                                    ontwikkeling(en);</al></li><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied als bijzondere uitdrukking van (een)
                                    geografische, landschappelijke en/of bestuurlijke
                                    ontwikkeling(en);</al></li><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied als bijzondere uitdrukking van (een)
                                    technische, structurele en/of functionele ontwikkeling(en);</al></li><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens de innovatieve waarde of het
                                    pionierskarakter.</al><al/></li></lijst><al><vet>3. Situationele waarden</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens de bijzondere samenhang van
                                    historisch-ruimtelijke, structurele, esthetische en/of
                                    functionele kwaliteiten van bebouwde en onbebouwde ruimten in
                                    relatie tot hun stedelijke of landschappelijke omgeving;</al></li><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens de hoogwaardige kwaliteit van de
                                    aanwezige bebouwing (monumenten) en hun groepering in relatie
                                    met groenvoorzieningen, wegen, wateren en/of
                                    terreingesteldheid.</al><al/></li></lijst><al><vet>4. Gaafheid/Herkenbaarheid</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens de herkenbaarheid of gaafheid
                                    van de (oorspronkelijke) historisch-ruimtelijke structuur,
                                    bebouwing en functionele opzet als geheel;</al></li><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens de architectonische gaafheid van
                                    de (oorspronkelijke) bebouwing;</al></li><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens de structurele en/of visuele
                                    gaafheid van de stedelijke of landschappelijke omgeving.</al><al/></li></lijst><al><vet>5. Zeldzaamheid</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Betekenis van het gebied wegens de unieke verschijningsvorm
                                    vanuit historisch-ruimtelijk, stedenbouwkundig, functioneel
                                    en/of landschappelijk oogpunt;</al></li><li nr="·"><al>Uitzonderlijke betekenis van het gebied wegens één of meer onder
                                    1 t/m 4 genoemde kwaliteiten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 februari 2017.</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Leeuwarden/i287099.pdf">Archeologische Waardenkaart</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING BIJ DE ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE LEEUWARDEN</titel></kop><al>Deze toelichting hoort bij de Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden,
                    vastgesteld op 30 januari 2017.</al><al/><tussenkop><vet>A. ALGEMENE TOELICHTING</vet></tussenkop><al>De Erfgoedverordening gemeente Leeuwarden regelt:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanwijzing van gemeentelijke monumenten (ook archeologisch);</al></li><li nr="-"><al>de instandhouding van gemeentelijke monumenten en archeologische
                            terreinen;</al></li><li nr="-"><al>de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke stads- en
                            dorpsgezichten;</al></li><li nr="-"><al>de inschakeling van de onafhankelijke adviescommissie bij beschermde
                            monumenten.</al></li></lijst><al>In 2014 is deze Erfgoedverordening aangepast in verband met de gemeentelijke
                    herindeling met het noordelijke deel van de voormalige gemeente Boarnsterhim. De
                    herindeling heeft geleid tot een aanvulling van de gemeentelijke archeologische
                    waardekaart met het betreffende deel van (voormalig) Boarnsterhim. Ook is sinds
                    1 juli 2016 de Erfgoedwet van kracht die de Monumentenwet 1988 vervangt. Vanwege
                    deze beide feiten zijn de begripsbepalingen en diverse artikelen aangepast.</al><al/><tussenkop><vet>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></tussenkop><al/><al>HOOFDSTUK I - ALGEMEEN</al><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is de omschrijving
                    van een monument conform de eerdere Monumentenwet 1988 gehandhaafd. De
                    cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook
                    betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige en of
                    bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al/><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten en stads- en dorpsgezichten, en ook de zaken en terreinen
                    waarvan het college voornemens is ze aan te wijzen als gemeentelijk monument,
                    registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het
                    betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op
                    de lijst is het de voorbescherming en de aanwijzing tot gemeentelijk monument of
                    tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht die rechtsgevolg beoogt. </al><al/><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de Erfgoedwet.
                    Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument dat is
                    ingeschreven in een ingevolge de Erfgoedwet vastgesteld register. In het
                    dagelijks spraakgebruik wordt meestal de term ‘rijksmonument’ gebruikt. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumentenzijn de bepalingen uit de Wabo van
                    toepassing.</al><al/><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>In geval van aanwijzing van een kerkelijke zaak tot gemeentelijk monument is
                    overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 3, lid 4). Is er sprake
                    van een vergunning voor het gemeentelijke of rijksbeschermde kerkelijke
                    monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en vergunningverlener nodig
                    zijn (zie artikel 10, lid 5). Dit vanwege de zwaarte van het belang van de
                    uitoefening van godsdienst of levensovertuiging in dat betreffende monument.
                    Voor bijvoorbeeld een pastorie, een catechisatieruimte of verblijven van
                    kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel
                    niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere monumenten gelden. </al><al/><tussenkop>Sub e en f</tussenkop><al>Bij de aanwijzing als gemeentelijk monument kan aandacht worden besteed aan de
                    omgeving rond het monument. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om bijgebouwen,
                    inrichting of beplanting. Het kan zijn dat complexbescherming onvoldoende is,
                    omdat het bijzondere nu juist ook ligt in het totaal van dat gebied. Als dit
                    niet nationale, maar wel lokale kwaliteit heeft, kan het worden beschermd door
                    het aan te wijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. De
                    begripsomschrijving van een stads- of dorpsgezicht is gebleven zoals die was
                    conform de vroegere Monumentenwet 1988.</al><al/><tussenkop>Sub g</tussenkop><al>De selectiecriteria voor gemeentelijke monumenten (bovengronds) en gemeentelijke
                    stads- en dorpsgezichten zijn ontleend aan wat landelijk gangbaar is.
                    Voorbeelden zijn te vinden in de monumentenverordeningen van Enschede uit 2003
                    en het Stadsdeel Amsterdam Oud Zuid uit 1998. Een goede handreiking biedt ook de
                    publicatie <cursief>Stedebouwkundige ontwikkelingen (1850-1940)</cursief> van de
                    Rijksdienst voor de Monumentenzorg uit 1987, uitgegeven in verband met de
                    selectie en aanwijzing van jonge beschermde stadsgezichten uit de jaren tussen
                    1850 en 1940.</al><al>De selectiecriteria voor archeologische gemeentelijke monumenten zijn ontleend
                    aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.</al><al/><tussenkop>Sub h</tussenkop><al>De Uitvoeringsrichtlijnen Monumentenzorg Leeuwarden (UML) bevatten restauratieve
                    richtlijnen voor het behoud van de technische en monumentale kwaliteiten van
                    beschermde gebouwen, zowel voor rijks- als gemeentelijke monumenten. Daarnaast
                    bevatten ze een precisering wat met de term ‘gewoon onderhoud’ wordt verstaan.
                    De UML bestaan uit uitgangspunten, gevolgd door de opsomming van werkzaamheden
                    waarvoor wel of geen ontheffing van de vergunningplicht mogelijk is, vervolgens
                    door de uitvoeringsrichtlijnen, eventueel een aanwijzing en indien nodig een
                    aanvullende toelichting.</al><al/><tussenkop>Sub i</tussenkop><al>Sinds de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk
                    bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                    commissies instellen. De onafhankelijke adviescommissie is een commissie die
                    adviseert aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad
                    bepaald dat een onafhankelijke adviescommissie advies moet uitbrengen aan het
                    bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de vroegere Monumentenwet 1988. In artikel
                    15 van deze wet (artikel blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet)
                    is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                    moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                    onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval
                    geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                    instellen van de onafhankelijke adviescommissie door het college moet door
                    middel van een apart collegebesluit. De taken van de onafhankelijke
                    adviescommissie strekken zich uit over de Erfgoedverordening, de Erfgoedwet en
                    de Wabo. Door de onafhankelijke adviescommissie in deze begripsomschrijving
                    bevoegd te verklaren over de toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd
                    gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15 van de vroegere
                    Monumentenwet 1988. De onafhankelijke adviescommissie voor de gemeente
                    Leeuwarden is ondergebracht bij Hûs en Hiem.</al><al/><tussenkop>Sub j</tussenkop><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de ontstaans-
                    en ontwikkelingsgeschiedenis van een gebouw. Er kunnen verschillende vormen van
                    bouwhistorisch onderzoek worden onderscheiden, afhankelijk van de diepgang van
                    de werkzaamheden.</al><al>Een bouwhistorische verkenning is de lichtste vorm van onderzoek van een object,
                    dat over het algemeen wordt uitgevoerd naar aanleiding van een bouw- of
                    restauratieplan. Het onderzoek bestaat uit een betrekkelijk kort bezoek ter
                    plaatse, waarbij de ruimtelijke opbouw, het exterieur (gevels) en de zichtbare
                    onderdelen van de constructie en de interieurafwerking in hoofdlijnen worden
                    gekarakteriseerd en gedateerd. Archiefonderzoek blijft over het algemeen beperkt
                    tot bestudering van oude kaarten en beschikbare overzichtsliteratuur.</al><al>Een bouwhistorische opname is een onderzoek van een bouwwerk of structuur,
                    waarbij tenminste de zichtbare onderdelen van de ruimtelijke opbouw, het
                    exterieur en de zichtbare onderdelen van de constructie en de interieurafwerking
                    worden beschreven, geanalyseerd en zo mogelijk gedateerd. Daarnaast vinden
                    literatuuronderzoek en een beperkt archiefonderzoek plaats. Bij archiefonderzoek
                    worden in elk geval oude kaarten, bouwtekeningen en foto’s betrokken. Op grond
                    van deze onderzoeksgegevens wordt een waardestelling geformuleerd. Op basis van
                    de eisen van het werk en de wensen van de opdrachtgever is het mogelijk om het
                    onderzoek te verdiepen door uitvoering van specialistische onderzoekingen, zoals
                    dendrochronologisch onderzoek (jaarringonderzoek voor het bepalen van de
                    ouderdom van toegepast hout), materiaaltechnisch onderzoek en
                    kleuronderzoek.</al><al/><tussenkop>Sub k</tussenkop><al>Archeologisch onderzoek is een door een gekwalificeerde organisatie uitgevoerd
                    onderzoek naar het bodemarchief. Volgens artikel 5.1 van de Erfgoedwet is het
                    verboden een archeologisch onderzoek uit te voeren zonder een
                    opgravingsvergunning (bevoegdheid). Dat wil zeggen dat alleen archeologisch
                    onderzoek kan worden uitgevoerd door partijen met een opgravingsvergunning, de
                    zogeheten gecertificeerde partijen. De voorwaarden waaraan een archeologisch
                    onderzoek moet voldoen, zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse
                    Archeologie (KNA).</al><al>Bij archeologisch onderzoek kan onderscheid worden gemaakt tussen de
                    verschillende vormen van onderzoek. Hierbij is sprake van een soort van
                    trechtering middels een stappenplan, waarbij begonnen wordt met betrekkelijk
                    eenvoudige onderzoeksmethoden en de meer complexe en kostbare werkzaamheden pas
                    later in het proces alleen worden toegepast op vindplaatsen die deze investering
                    waard zijn. Iedere stap eindigt met de afweging of er voldoende informatie is om
                    een verantwoorde beslissing over eventuele vervolgacties te kunnen nemen. Stap 1
                    omvat bureauonderzoek, stap 2 nondestructief vooronderzoek in de vorm van
                    boringen en/of veldverkenning en/of geofysisch onderzoek. Stap 3 omvat
                    destructief onderzoek in de vorm van proefsleuven of proefputten. Stap 4 omvat
                    opgraven en/of fysiek beschermen en/of archeologische begeleiding of opgeven van
                    de vindplaats.</al><al/><tussenkop>Sub l</tussenkop><al>Het definitief onderzoek van een archeologische vindplaats is erop gericht is om
                    zoveel mogelijk informatie vast te leggen. Dit is de meest nauwkeurige maar ook
                    meest destructieve methode van archeologisch onderzoek. De voorwaarden waaraan
                    een opgraving moet voldoen zijn vastgelegd in de Kwaliteitsnorm voor de
                    Nederlandse Archeologie (KNA).</al><al/><tussenkop>Sub m tot en met r</tussenkop><al>Op de archeologische waardekaart die het college vaststelt, is te zien met welke
                    archeologische waarde of verwachtingswaarde een bepaalde locatie is
                    gekwalificeerd.</al><al/><tussenkop>Sub s</tussenkop><al>Deze begripsbepaling is in zijn definitie al ruim omschreven, zodat deze geen
                    nadere toelichting behoeft.</al><al/><tussenkop>Sub t</tussenkop><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>Er zijn een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel. Een Minister dan wel
                    gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als het bevoegde gezag aangewezen.
                    Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht. Bij archeologische rijksmonumenten is het de Minister die
                    beslist op een aanvraag om vergunning, zoals bepaald in de vroegere
                    Monumentenwet 1988, artikel 14, eerste lid. Dit artikel blijft nog van kracht
                    tot aan invoering van de Omgevingswet.</al><al/><tussenkop>Sub u, v en w</tussenkop><al>Deze begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat deze geen
                    nadere toelichting behoeven. </al><al/><tussenkop>Artikel 2 Het gebruik van een monument</tussenkop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook op het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><al/><tussenkop>Artikel 2a Het wijzigen van een monument</tussenkop><al>De Uitvoeringsrichtlijnen Monumentenzorg Leeuwarden (UML) bevatten restauratieve
                    richtlijnen voor het behoud van de technische en monumentale kwaliteiten van
                    beschermde monumentale gebouwen: rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en
                    ook van beeldbepalende panden binnen de beschermde stadsgezichten (indien een
                    eigenaar van een beeldbepalend pand gebruik wenst te maken van het Leeuwarder
                    Restauratiefonds). De richtlijnen zijn bedoeld als leidraad voor de
                    planontwikkeling, planbeoordeling en uitvoering van verbouwings- en/of
                    instandhoudingswerkzaamheden.</al><al>Daarnaast vormen de UML een precisering van wat kan worden verstaan onder het
                    begrip ‘gewoon onderhoud’ (Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikel 3a,
                    juncto artikel 2, lid 1 en deze verordening artikel 10, lid 3). Het is wenselijk
                    dat elke vorm van instandhouding aan een monument vooraf wordt beoordeeld door
                    de gemeente (monumentenzorg). Gewoon onderhoud, waarbij geen wijzigingen aan een
                    monument worden aangebracht, is vergunningvrij en dat geldt ook voor het
                    verwijderen van relatief nieuwe, later ingebrachte, bouwmaterialen. Voor
                    werkzaamheden die gewoon onderhoud te boven gaan, dient een omgevingsvergunning
                    te worden aangevraagd.</al><al>De UML bestaan uit uitgangspunten, telkens gevolgd door de opsomming van
                    werkzaamheden waarvoor wel of geen ontheffing van de vergunningplicht mogelijk
                    is, vervolgens door de uitvoeringsrichtlijnen, eventueel een aanwijzing en
                    indien nodig een aanvullende toelichting.</al><al/><al>HOOFDSTUK II - AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</al><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument</tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ in principe
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming van
                    roerende zaken vormt een probleem, aangezien zij meestal eenvoudig kunnen worden
                    verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de
                    werking van de verordening worden gebracht. Controle en handhaving is in deze
                    gevallen nauwelijks mogelijk.</al><al>In uitzonderlijke gevallen kunnen zaken die naar hun aard roerend zijn, wel de
                    beschermde status krijgen. Het object moet dan fysiek verbonden zijn met een aan
                    te wijzen of reeds aangewezen (beschermd) monument en hier een
                    historisch-functionele relatie mee hebben, of het moet vanuit zijn aard
                    cultuurhistorisch met een aan te wijzen of reeds aangewezen (beschermd) monument
                    verbonden zijn. Het kan dan worden beschermd op basis van de redengevende
                    omschrijving. </al><al/><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al/><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de Uitvoeringsrichtijnen Monumentenzorg Leeuwarden (zie
                    art. 10, derde lid) worden gewijzigd. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor
                    de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving
                    zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal
                    beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                    vergunningplicht achterwege kan blijven. </al><al/><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college moet het advies inwinnen van de onafhankelijke adviescommissie als
                    bedoeld onder artikel 1, sub i. In spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld als er
                    aanwijzingen zijn voor (gedeeltelijke) sloop van een beoogd monument of van
                    verwijdering van monumentale onderdelen, kan het vragen van het advies
                    achterwege blijven. De onafhankelijke adviescommissie wordt dan wel op de hoogte
                    gesteld. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over
                    vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de onafhankelijke
                    adviescommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al/><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>In situaties waarin de gemeente ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan zij
                    de eigenaar niet verplichten bouwhistorisch of archeologisch onderzoek uit te
                    voeren. In het geval dat een andere belanghebbende dan de gemeente evenwel een
                    aanvraag tot aanwijzing doet (een eigenaar, een historische vereniging of een
                    andere als zodanig aan te merken belanghebbende), kan de gemeente de aanvrager
                    wél verplichten tot zo’n onderzoek. Op deze manier wordt de motiveringsplicht
                    als het ware omgekeerd en wordt praktisch gezien tevens de vrijblijvendheid om
                    een aanvraag tot aanwijzing in te dienen, ingeperkt.</al><al/><al>De informatie over de bouwhistorische of archeologische waarde van een gebouw of
                    terrein kan van invloed zijn op de beslissing van het college om het al dan niet
                    als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het in
                    de registers wordt ingeschreven.</al><al/><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><al/><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking. Wel kunnen onderdelen aan, van of bij een rijksmonument
                    worden aangewezen als gemeentelijk monument. Het betreft delen die niet onder de
                    bescherming van het Rijk vallen, en die ook niet in de redengevende omschrijving
                    van het beschermde monument zijn vermeld, bijvoorbeeld een bijgebouw, een
                    hekwerk of een kerkorgel. Deze delen kunnen dan via de redengevende omschrijving
                    van het gemeentelijk monument wel onder de bescherming van deze verordening
                    vallen. </al><al/><tussenkop>Lid 6</tussenkop><al>Om mogelijke misverstanden over de volledigheid te voorkomen, worden in deze
                    opsomming de eigenaar en aanvrager wel genoemd, maar dit artikel regelt niet
                    specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager,
                    omdat de Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6).</al><tussenkop>Artikel 4 Voorbescherming</tussenkop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de in artikel 10, lid 3 aangegeven wijze. Het
                    gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht,
                    aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties kunnen
                    zijn verbonden. </al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de onafhankelijke
                    adviescommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen
                    (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle
                    belanghebbenden waar ze aan toe zijn.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de onafhankelijke
                    adviescommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken:
                    zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht
                    advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als
                    het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve
                    weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van
                    bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                    staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Mededeling aanwijzingsbesluit</tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De ontvangst van de (in de regel via de post verzonden) mededeling, zijnde een
                    afschrift van het aanwijzingsbesluit van het college, is voor alle aan het
                    monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De
                    kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot
                    artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet
                    kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                    voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als
                    bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6), maar om mogelijke misverstanden over de volledigheid te
                    voorkomen, worden in deze opsomming de eigenaar en aanvrager wel genoemd.</al><al>Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Dit lid geeft de gemeenteraad een rol bij de besluiten tot aanwijzing voor een
                    gemeentelijk monument. Door middel van dit lid kan de gemeenteraad zijn
                    controlerende functie gemakkelijker uitvoeren. De aanwijzings- en/of
                    wijzigingsbesluiten voor de gemeentelijke monumenten kunnen daardoor namelijk
                    worden getoetst aan het beleidskader monumenten en archeologie.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie van de voorbescherming en de aanwijzing is een administratieve
                    handeling (en geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst
                    is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken en terreinen als
                    gemeentelijk monument zijn of worden aangewezen en de redengeving daartoe. Wat
                    betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel
                    3, eerste lid (aanwijzing).</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Wijziging van de aanwijzing</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    onafhankelijke adviescommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke
                    monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of
                    anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van de
                    monumentenlijst gehaald. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw of terrein, waarvoor een aanvraag tot
                    intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen.
                    Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds
                    wordt het gebouw of terrein voorafgaand aan de sloop of afgraving voor de lokale
                    geschiedenis gedocumenteerd.</al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument wordt geacht te zijn ingetrokken (art.
                    9, lid 3), wanneer de Minister besluit dezelfde onroerende zaak aan te wijzen
                    als rijksmonument.</al><al/><al>HOOFDSTUK III - INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Instandhoudingbepaling</tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie van artikel 11,
                    eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven. Dit is gewijzigd door artikel
                    10.18 van de Erfgoedwet, waarin ook de instandhoudingsplicht is opgenomen.</al><al>Met de Erfgoedwet is de instandhoudingsplicht van monumenten, die in
                    rechterlijke uitspraken werd vastgesteld, expliciet bij wet geregeld. Daar deze
                    rechterlijke uitspraken al zorgden voor een instandhoudingsplicht, verandert er
                    voor gemeenten als bevoegd gezag weinig. De mogelijkheid direct een beroep op de
                    wet te doen, biedt gemeenten wel een helder kader en een duidelijke basis om met
                    eigenaren die hun rijks- of gemeentelijk monument niet onderhouden, in gesprek
                    te gaan over hun verantwoordelijkheden.</al><al>Belangrijk bij een succesvolle handhaving van de instandhoudingsplicht is dat de
                    mate van handhaving in verhouding staat tot de overtreding. Proportioneel is het
                    opleggen van (tijdelijke) maatregelen om het monument wind- en waterdicht te
                    houden. Daarbij mag geëist worden dat het juiste type bouwmateriaal wordt
                    gebruikt en de daarvoor benodigde constructieve maatregelen worden getroffen.
                    Eventuele financiële argumenten van de eigenaar zijn niet relevant of er wel of
                    niet handhavend mag worden opgetreden.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De verbodsbepaling is nagenoeg identiek aan artikel 2.2, lid 1, sub b, 1 en 2
                    van de Wabo. Hierdoor gelden de bepalingen uit de Wabo ook voor de gemeentelijke
                    monumenten die op basis van deze verordening zijn aangewezen.</al><al/><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Deze formulering is nagenoeg identiek aan de formulering voor beschermde
                    monumenten (rijksmonumenten) in het Besluit omgevingsrecht, Bijlage II, artikel
                    3a, juncto artikel 2, lid 1. Er wordt echter de mogelijkheid tot het opstellen
                    van richtlijnen aan toegevoegd. Het college is hiervoor het bevoegde gezag.</al><al>Het college stelt daartoe de Uitvoeringsrichtlijnen Monumentenzorg Leeuwarden
                    (UML) vast. Dit is een toetsingskader waarin is aangegeven welke werkzaamheden
                    zonder vergunning kunnen worden uitgevoerd, en is bedoeld als een nadere
                    precisering met wat er onder ‘gewoon onderhoud’ wordt verstaan. Tevens geeft het
                    uitgangspunten en aanwijzingen voor de uitvoering van werkzaamheden aan
                    monumenten. Hierbij staat de bouwkundige en monumentale kwaliteit
                    (behoudtechnische optiek) voorop.</al><al>Tevens geven de UML richtlijnen voor de uitvoering van werkzaamheden.</al><al>Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat
                    maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker
                    monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met de
                    initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de
                    algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object niet of zo min
                    mogelijk wordt aangetast. </al><al/><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Op grond van artikel 2.22, lid 4 van de Wabo wordt hier de mogelijkheid geboden
                    tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning. Deze
                    voorschriften moeten het belang van de monumentenzorg dienen.</al><al/><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Dit lid regelt dat wanneer er sprake is van een vergunning voor een kerkelijk
                    monument er overeenstemming tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig
                    is. Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                    godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Dat betekent dat voor
                    bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet
                    geldt. </al><al/><tussenkop>Artikel 11 De aanvraag</tussenkop><al>Dit artikel is vervallen. De aanvraagwijze is geregeld via Wabo artikel 2.8. Er
                    is geen bepaling meer over in hoeveelvoud gegevens en bescheiden bij een
                    aanvraag moeten worden ingediend.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Termijnen advies</tussenkop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing.</al><al/><al>Echter indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd
                    en voor één van de andere activiteiten de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolgd moet worden dan wordt voor
                    het hele project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd.
                    Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er
                    sprake is van een samenloop van procedures geldt de zwaarste procedure (de
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). </al><al/><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met
                    vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of
                    huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op
                    grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen.
                    In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                    mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Op grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo wordt de onafhankelijke
                    adviescommissie van Hûs en Hiem in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.
                    Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik
                    wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in
                    de weg. </al><al/><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de onafhankelijke adviescommissie parallel te
                    lopen aan de beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. In overleg met
                    de onafhankelijke adviescommissie Hûs en Hiem is de adviestermijn op maximaal
                    vier weken gesteld. De onafhankelijke adviescommissie heeft daarnaast aangegeven
                    te streven naar advisering binnen 3 weken.</al><al/><al>Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het bevoegd
                    gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8
                    weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken
                    worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling
                    te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is
                    voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen van
                    een advies. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al/><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist. </al><al/><tussenkop>Artikel 13 Weigeringsgronden</tussenkop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg. </al><al/><tussenkop>Artikel 14 Intrekken van de vergunning</tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit lid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De bepaling
                    onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Gelet op de taak van de onafhankelijke adviescommissie, ligt het voor de hand
                    dat een afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen
                    zich omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    onafhankelijke adviescommissie om advies te vragen. De commissie kan ook
                    ongevraagd adviseren.</al><al/><al>HOOFDSTUK IV – BESCHERMDE GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN</al><al/><tussenkop>Artikel 15 tot en met 17</tussenkop><al>De toelichting loopt parallel met hetgeen al eerder is genoemd bij de
                    gemeentelijke monumenten.</al><al/><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><al>De bekendmaking moet naar verwachting aan grote groepen belanghebbenden
                    gebeuren. De Algemene wet bestuursrecht geeft hier richtlijnen voor.</al><al/><tussenkop>Artikel 19 tot en met 22</tussenkop><al>Hier is aansluiting gezocht bij de regelgeving omtrent beschermde stads- en
                    dorpsgezichten die door het rijk zijn aangewezen. </al><al/><al>HOOFDSTUK V - BESCHERMDE MONUMENTEN</al><tussenkop>Artikel 23 Vergunning voor beschermd monument</tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Artikel 15 van de vroegere Monumentenwet 1988 (blijft cf. artikel 9.1. van de
                    Erfgoedwet nog van kracht tot in werking treding van de Omgevingswet) schrijft
                    voor dat een commissie op het gebied van de monumentenzorg bij de aanvragen om
                    een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Bij beschermde monumenten (rijksmonumenten) is sprake van twee verschillende
                    vergunningprocedures. Meestal is de reguliere voorbereidingsprocedure van
                    toepassing, maar bij aanvragen voor substantiële ingrepen aan een beschermd
                    rijksmonument is de (langere) uniforme openbare voorbereidingsprocedure (hierna:
                    UOV van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De
                    uiteenlopende adviestermijnen hangen samen met deze verschillende
                    vergunningprocedures voor beschermde monumenten (rijksmonumenten).</al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten (rijksmonumenten) is geregeld in paragraaf 3.3 van de
                    Wabo, afdeling 3.4 van de Awb en artikel 14 van de vroegere Monumentenwet 1988
                    (blijft cf. artikel 9.1. van de Erfgoedwet nog van kracht tot in werking treding
                    van de Omgevingswet).</al><al/><al>Vanaf 2012 is artikel 3.10 van de Wabo zo aangepast dat de UOV alleen van
                    toepassing is bij substantiële ingrepen aan een beschermd rijksmonument,
                    namelijk in de gevallen waar het college op grond van artikel 2.26, derde lid
                    van de Wabo advies aan een instantie vraagt. Bij algemene maatregel van bestuur
                    is bepaald om welke categorieën van gevallen het hier gaat en bij welke
                    instanties advies gevraagd wordt. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald
                    dat de Minister bij een ingrijpende wijziging van een beschermd monument en de
                    sloop, de reconstructie en herbestemming daarvan om advies wordt gevraagd. Onder
                    een ingrijpende wijziging wordt volgens artikel 6.4 van het Bor verstaan een
                    wijziging waarbij de gevolgen van de wijziging voor de waarde van het
                    rijksmonument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van (gedeeltelijke) sloop.
                    Daarnaast adviseren gedeputeerde staten (hierna: GS) indien het beschermde
                    monument buiten de bebouwde kom ligt.</al><al/><al>Uit onderzoek van de Erfgoedinspectie is gebleken dat de toepassing van de UOV
                    voor veel vergunningen tot wijziging van rijksmonumenten in het verleden voor
                    een onnodige vertraging in de procedure van vergunningverlening heeft geleid. De
                    lange termijnen voor relatief eenvoudige ingrepen aan rijksmonumenten zijn niet
                    aan de burger uit te leggen en zorgen voor een negatief imago van de
                    monumentenzorg. Met name bij eenvoudige ingrepen aan een rijksmonument had deze
                    uitgebreide voorbereidingsprocedure dan ook geen meerwaarde. Daarom is de UOV
                    gehandhaafd waar dat gelet op de aard van de ingreep nodig is, maar niet meer
                    van toepassing verklaard op relatief eenvoudige ingrepen. Met deze wijziging in
                    de procedure van vergunningverlening voor gebouwde rijksmonumenten wordt in 70%
                    van de gevallen de procedure verkort van 26 weken tot 8 weken met een
                    mogelijkheid tot verlenging van maximaal 6 weken.</al><al>Alle overige aanvragen voor een omgevingsvergunning die een beschermd gebouwd
                    rijksmonument betreffen, worden vanaf 2012 voorbereid overeenkomstig de
                    reguliere voorbereidingsprocedure van de Wabo (paragraaf 3.2). Artikel 3.7,
                    eerste lid, van de Wabo vormt hiervoor de grondslag. De toepassing van de
                    reguliere voorbereidingsprocedure voor eenvoudige ingrepen aan beschermde
                    rijksmonumenten stemt hierdoor overeen met de procedure van een
                    omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument. De wijziging zorgt er dus
                    voor dat op alle aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een monument
                    (rijks- of gemeentelijk monument) de reguliere voorbereidingsprocedure van
                    toepassing is, met uitzondering van de zwaardere ingrepen bij rijksmonumenten
                    waar de Minister en, buiten de bebouwde kom ook GS, om advies dienen te worden
                    gevraagd.</al><al/><al>Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor
                    omgevingsvergunningen niet gelijk. Als gevolg van dit onderscheid zijn ook de
                    adviestermijnen voor de onafhankelijke adviescommissie aangepast.</al><al/><al>Aanvragen op basis van de Erfgoedwet voor een monumentenvergunning die een
                    beschermd archeologisch rijksmonument betreffen, worden afgehandeld op basis van
                    de UOV.</al><al/><al>Door de komst van de Wabo is de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de
                    termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                    konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. De Rijksdienst voor het
                    Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook GS, moeten in voornoemde
                    speciale gevallen binnen 8 weken (artikel 6.4 Bor) na verzending van de
                    adviesaanvraag adviseren. Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom
                    ligt, is het college van B&amp;W verplicht om ook een afschrift van de aanvraag
                    aan GS te zenden. Het definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst
                    van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve besluit kan nog slechts door
                    belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al/><al>HOOFDSTUK VI - INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</al><al/><tussenkop>Artikel 24 Archeologische waardekaart</tussenkop><al>De archeologische waardekaart dient als basis voor zowel de erfgoedverordening
                    als de bestemmingsplannen. De door de gemeenteraad vastgestelde archeologienota
                    en erfgoedverordening en de door het college vastgestelde waardekaart vormen
                    tezamen een consistent geheel. De kaderstelling kan vervolgens ook gebruikt
                    worden bij de uitwerking van het beleid in bestemmingsplannen.</al><al>De archeologische rijksmonumenten vallen onder de Erfgoedwet. Hierop is de
                    erfgoedverordening niet van toepassing, maar de informatie hieromtrent wordt wel
                    weergegeven op de waardekaart.</al><al>Het verschil tussen terreinen met een hoge archeologische waarde en de
                    verwachtingsgebieden is dat de terreinen met een archeologische waarde een
                    vastgestelde waarde hebben en deze waarde voor de verwachtingsterreinen
                    gebaseerd is op aannames die bij geval van ingreep nog door middel van
                    vooronderzoek getoetst dienen te worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 25 Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                    dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend
                    uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom
                    primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardekaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in
                    de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 25 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 25 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om, afhankelijk van locatie en
                    (verwachtings)waarde, dieper dan 30, 40 of 50 cm de bodem te verstoren.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 25 worden een vijftal uitzonderingsmogelijkheden
                    gegeven op het eerste lid. In onderdeel a kan van het verbod uit het eerste lid
                    worden afgeweken, indien de verstoring plaats vindt in een archeologisch
                    monument, terrein van hoge waarde of verwachtingsgebied als aangegeven op de
                    gemeentelijke archeologische waardekaart. </al><al/><al>Onderdeel b: ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardekaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al/><al>Onderdeel c: hier worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet
                    ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier
                    om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke
                    ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen artikelen 3.10, 3.22 en
                    3.23 Wro). Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te
                    vervallen.</al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij
                    de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                    archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag
                    kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin
                    de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate zijn
                    vastgesteld. </al><al/><al>Onderdeel e: ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c.
                    Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve
                    van het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling
                    dan ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 26 zijn de
                    bepalingen uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de
                    beoordeling van het rapport door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt overeen
                    met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de vroegere Monumentenwet 1988
                    (blijft cf. artikel 9.1. van de Erfgoedwet nog van kracht tot in werking treding
                    van de Omgevingswet) in geval van een bestemmingsplan in de geest van het
                    Verdrag van Malta.</al><al/><al>Onderdeel d:. Op grond van dit artikel kan het college nadere regels stellen wat
                    betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                    archeologisch monument, een terrein van hoge archeologische waarde of
                    verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen
                    deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een
                    bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                    werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een omgevingsvergunning voor een
                    bouw- of aanlegactiviteit, waarin vereisten betreffende de bescherming van
                    archeologische waarden zijn opgenomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 26 Procedure</tussenkop><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 25, tweede lid, onder e
                    sprake van een verkapt vergunningstelsel en de uitvoering van een fysiek
                    project. Om deze reden is de Wabo van toepassing verklaard. De bepalingen uit de
                    artikelen 10, 11, 12, 13 en 14, welke zien op de verlening van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen derhalve van
                    overeenkomstige toepassing worden verklaard. </al><al/><tussenkop>Artikel 27 Wijzigen kwalificatie van een locatie</tussenkop><al>Niet altijd is vooraf goed in te schatten welke waarden in de bodem aanwezig
                    zijn. Daarom heeft het college op grond van dit artikel de bevoegdheid
                    verkregen, om op basis van nieuwe gegevens die uit onderzoek voortkomen, aan een
                    bepaalde locatie een hogere of lagere (verwachtings)waarde toe te kennen.</al><al/><tussenkop>Artikel 28 Gemeentelijke kosten</tussenkop><al>De Erfgoedwet bepaalt dat de veroorzaker van de bodemingreep verantwoordelijk is
                    voor het archeologische erfgoed (vroegere Monumentenwet 1988, artikel 41, lid 1
                    en 2; blijven cf. artikel 9.1. van de Erfgoedwet nog van kracht tot in werking
                    treding van de Omgevingswet). Daarom heeft de gemeente de mogelijkheid om de
                    kosten die zij daarvoor moet maken, op de aanvrager te verhalen.</al><al/><al>HOOFDSTUK VII - OVERIGE BEPALINGEN</al><al/><tussenkop>Artikel 29 Tegemoetkoming in schade</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. Het
                    veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet
                    op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot
                    toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a
                    t/m d). De gemeente zal zelf per geval afwegen wat ‘redelijk’ of
                    ‘buitenproportioneel’ is. In de schadevergoedingsbepaling in deze verordening
                    zijn de specifieke gevallen opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag
                    mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al><al/><tussenkop>Artikel 30 Strafbepaling</tussenkop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere regels c.q. voorschriften die het college kan stellen op grond van
                    artikel 10, vierde lid en artikel 25, met uitzondering van het tweede lid, onder
                    e. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten
                    is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al/><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels c.q. voorschriften geldt dat
                    artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om
                    op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere
                    dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te
                    leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 390,-
                    (januari 2012); in de tweede categorie maximaal € 3900,- (januari 2012). Het is
                    de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                    categorieën. </al><al/><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp en de wens om
                    enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><al/><tussenkop>Artikel 31 Toezichthouders</tussenkop><al>Het aanwijzen van toezichthouders kan door het college geschieden. Deze
                    aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                    buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften.</al><al/><al>HOOFDSTUK VIII - SLOTBEPALINGEN</al><tussenkop>Artikel 32 Vervallenverklaring oude regelingen</tussenkop><al>Dit artikel regelt de vervallenverklaring van de oude erfgoedverordeningen voor
                    zover zij betrekking hebben op het grondgebied van de per 1 januari 2014
                    gevormde gemeente Leeuwarden. Op deze manier kunnen niet twee verordeningen van
                    kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen.</al><tussenkop>Artikel 33 Overgangsrecht</tussenkop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3),
                    de voorbescherming (artikel 4), de aanwijzing tot stads- of dorpsgezicht
                    (artikel 15), de vergunning verlening (artikel 10) en de aanwijzing tot
                    archeologische locatie (artikel 27).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende voorbeschermde en aangewezen monumenten, stads- en
                    dorpsgezichten en archeologische locaties geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een vergunning voor gemeentelijke monumenten, die zijn
                    ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op
                    grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode zullen er dus
                    twee procedures gelden.</al><tussenkop>Artikel 34 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 35 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>