<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR44128_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding, 21-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikelen 44, lid 2 en 3, 95 t/m 99 en 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit wethouders</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-09-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-10-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2006-04-27</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: verordening rechtspostitie wethouders, raads- en commissieleden
                        2008</al><al>Datum: 29 september 2008</al><al>Besluitnr.</al><al/><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 augustus
                        2008;</al><al>gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van
                        de Gemeentewet,</al><al>gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden,</al><al>gelet op de voorbeeld Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                        commissieleden,</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de “Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                        commissieleden 2008”.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="g."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                    181;</al></li><li nr="h."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                            van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan het
                            door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse 3 (14.001 – 24.000 inwoners) vastgestelde maximum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 3
                                (14.0001 – 24.000 inwoners), vermeld in tabel II van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, is in afwijking van het eerste lid een
                                onkostenvergoeding gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 3
                                (14.0001 – 24.000 inwoners), vermeld in tabel III van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de bepaling van de onkostenvergoeding zijn de volgende
                                kostencomponenten in de vergoeding opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                                volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reiskosten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in
                                redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig
                                bepaalde in artikel 4 van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap wordt per maand een vast
                            bedrag uitgekeerd voor kosten in verband met computer c.q.
                            telefoonaansluiting en andere voorzieningen. Het bedrag wordt jaarlijks
                            herzien aan de hand van het indexcijfer CAO Rijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van
                                de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de
                                Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze van het raadslid
                                wordt de raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding verminderd
                                met de vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                Uitvoeringsregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven van
                                toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de
                                Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding
                                die dit raadslid op grond van artikel 3, eerste of tweede lid,
                                ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die
                                bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste tweede, vierde en vijfde lid,
                                en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van toepassing op
                                raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een
                                raadslid dat ingevolge artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag
                                heeft verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 3
                                (14.0001 – 18.000 inwoners), vermeld in artikel 25 van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de bepaling van de onkostenvergoeding zijn de volgende
                                kostencomponenten in de vergoeding opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de onkostenvergoeding
                                verminderd indien de wethouder op grond van artikel 22 van deze
                                verordening een mobiele telefoon/PDA in bruikleen ter beschikking is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze vermindering bedraagt, bij een fulltime betrekkingsomvang 9% en
                                bij een parttime betrekkingsomvang 12% van het voor hem ingevolge
                                het eerste lid geldende bedrag. Er wordt redelijkerwijs een
                                grensbedrag van € 25,00 aangehouden dat de wethouder ontvangt als
                                onkostenvergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt een vergoeding verleend voor zakelijke
                                reiskosten ten behoeve van de gemeente gemaakt. </al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                        bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs
                                        gemaakte verblijfkosten. </al></li><li nr="d."><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen
                                        van de wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor
                                        gemeentelijk personeel. Indien geen regeling als bedoeld in
                                        de eerste volzin is vastgesteld vindt op aanvraag saldering
                                        van de reiskosten voor de zakelijke reizen van de wethouder
                                        plaats overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling
                                        binnenland, artikel 2a van de Reisregeling buitenland en
                                        artikel 13a van de krachtens het Verplaatsingskostenbesluit
                                        1989 vastgestelde Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de uitoefening
                                van het ambt van wethouder. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>Voor de uitoefening van het wethouderschap wordt per maand een vast
                            bedrag uitgekeerd voor kosten in verband met computer c.q.
                            telefoonaansluiting en andere voorzieningen. Het bedrag wordt jaarlijks
                            herzien aan de hand van het indexcijfer CAO Rijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon en PDA</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening
                                    van zijn ambt een mobiele telefoon of PDA in bruikleen ter
                                    beschikking gesteld.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder ondertekent daartoe de regeling gebruik mobiele
                                    telefoon/PDA met de gemeente.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de regeling gebruik mobiele telefoon/PDA
                                    vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
                                van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 2 vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als raadslid of wethouder;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij
                                een instelling die grotendeels van overheidswege wordt
                                gesubsidieerd;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie
                                of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in
                                belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is
                                    en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de
                                    commissie is benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van
                                    de vergaderingen van de commissie vergoed. </al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                            taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                            gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding
                                            van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b,
                                            van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                    redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                    reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                    Regeling rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commisielid uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid of het commissielid, onderscheidenlijk de wethouder dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19, 20 en
                                24 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                declaratieformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                declaratieformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De “Verordening voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden 2003”
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Bij goedkeuring van de raad op 29 september 2008, treden de wijzigingen
                            in werking met ingang van 15 oktober 2008, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 21 terugwerkt tot en met 27 april 2006;</al></li><li nr="-"><al>artikel 22 terugwerkt tot en met 27 april 2006.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2008”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Heumen
                        van 29 september 2008,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, 29 september 2008</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>drs. J. van Zomeren.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><titel>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                        2008</titel></kop><tussenkop><vet><onderstreept>ALGEMEEN</onderstreept></vet></tussenkop><al><vet>Wettelijke regelingen </vet></al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is
                    aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads-
                    en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn die voor
                    rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in verschillende regelingen waren
                    opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen
                    sinds 1 januari 2004 opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling
                    rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is
                    in de rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                    secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming in de
                    kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij aftreden als
                    raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te
                    treffen.</al><al/><al><vet>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </vet></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders
                    als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente
                    (artikel 44 van de Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele
                    aanspraken voor zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in
                    respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling
                    rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie
                    wethouders, raads- en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak
                    op een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers. </al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en commissieleden
                    opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede lid van die bepaling
                    voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden
                    voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen
                    worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten
                    vereist.</al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan ook
                    uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet, het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al><al/><al><vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</vet></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het
                    raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als
                    werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van
                    die wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                    verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                    basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb.
                    2006,660) kan de raad echter bij verordening wel een tegemoetkoming in de kosten
                    van een ziektekostenverzekering worden toegekend. Daardoor is tegemoet gekomen
                    aan de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat er geen
                    dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de
                    loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet
                    inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door
                    te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder). </al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het materiële
                    ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun
                    rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet-
                    en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van
                    de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van
                    het gemeentebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de
                    loonbelasting te opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de
                    Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><al/><al><vet>De loon- en inkomstenbelasting </vet><cursief>Opting in
                    regeling</cursief></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                    regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het
                    woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de
                    sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                    geen premies sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                    onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                    stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de
                    zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die
                    niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd
                    toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                    resteert. Het meest duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan
                    raadsleden die gekozen hebben voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt
                    verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen
                    een lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto
                    vergoeding. </al><al> Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of de
                    levensloopregeling en de fietsregeling</al><al><cursief>Fiscale standaardpositie</cursief></al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling
                    zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als onkostenvergoeding ontvangen
                    inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal
                    aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het
                    raadslidmaatschap. Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling en de
                    levensloopregeling en fietsregeling. </al><al> Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de
                    hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel
                    of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                    toelichting op artikel 3).</al><al><cursief>Eénmalige keuze per zittingsperiode</cursief></al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor
                    de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om
                    voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                    en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene
                    als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode.
                    Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                    gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                    periode.</al><al/><al><vet>De vergoedingssystematiek</vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                    wijze van redeneren:</al><lijst><li nr=""><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr=""><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr=""><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr=""><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt. </al></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het
                        volgende.<cursief>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de
                        bedrijfsvoering</cursief></al><lijst><li nr=""><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr=""><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s; </al></li><li nr=""><al>deelname aan cursussen en congressen e.d. </al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer. <cursief>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten
                        maar onbelast kunnen worden vergoed</cursief></al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid
                    op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de
                    gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed. <cursief>Voorzieningen die niet
                        in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen worden vergoed
                    </cursief></al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al/><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven. </al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven en declaratie
                    van vooruit betaalde kosten. Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten
                    heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van computer- en
                    communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening van de
                    politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode ontwikkeld waarin
                    nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder meer om afspraken
                    omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor bespreking en
                    zonodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook het beleid rond
                    buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden opgenomen.
                    Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven over de
                    afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling van
                    verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of
                    meningsverschillen. </al><al/><al><vet><onderstreept>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</vet></al><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In
                    artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De
                    gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister
                    vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren:</al><lijst><li nr=""><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                            percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                            maximum;</al></li><li nr=""><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald
                            als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding
                            zijn.</al></li><li nr=""><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor
                    alle raadsleden.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de
                    verordening in algemene zin is aangegeven dat de raadsvergoeding gelijk is aan
                    het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan. </al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006 verzoeken
                    hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                    lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid
                    moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in artikel 11 van deze
                    verordening.</al><al/><al><vet>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding</vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr=""><al>representatie</al></li><li nr=""><al>vakliteratuur</al></li><li nr=""><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr=""><al>telefoonkosten</al></li><li nr=""><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr=""><al>zakelijke giften</al></li><li nr=""><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr=""><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr=""><al>excursies. </al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                    voorzieningen getroffen. Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap en het
                    ambt van wethouder wordt per maand een vast bedrag uitgekeerd voor kosten in
                    verband met computer, telefoon en fax. </al><al>De onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts
                    bijgesteld. </al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is
                    het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft
                    echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het
                    loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk
                    gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                    kostenvergoeding zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen
                    onderbouwen, blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond,
                    zal alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting. </al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale
                    bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 14 is de hoogte
                    van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook de
                    onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden bepaald, dat
                    echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister vastgestelde
                    maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin
                    is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te
                    bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al/><al><vet>Artikel 5, 6 en 27 reis- en verblijfkosten raads- en
                    commissieleden</vet></al><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur. </al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                    echter wel een vergoeding worden gegeven de reis- en verblijfkosten in verband
                    met reizen binnen de gemeente. </al><al>Tot 2004 werd in de rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de
                    Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland zoals die voor de sector
                    Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de ‘Regeling
                    rechtspositie wethouders’ en voor burgemeesters de ‘Regeling rechtspositie
                    burgemeesters’ ingevoerd. De vergoedingen in deze regelingen zijn in principe
                    dezelfde als in de genoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister van
                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze specifieke regelingen
                    voor politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer op het ambt toegespitste
                    vergoedingen vast te stellen. De huidige regelingen voor burgemeesters en
                    wethouders kennen in beginsel dezelfde bedragen als de rijksregeling. De
                    vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet
                    nader ingevuld. Daarmee is dit een lokale aangelegenheid die kan worden
                    vastgelegd in een voor de wethouder door het college en voor de raadsleden door
                    de raad vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting
                    gezocht kan worden bij de rijksregelingen. Het is aan te bevelen de lokale
                    uitvoeringsregelingen op elkaar af te stemmen. </al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissielden geen eigen
                    vergoedingsregelingen is opgenomen, is in artikel 5, tweede lid, onderdeel b,
                    aansluiting gezocht bij de vergoedingsregeling voor wethouders, die, zoals
                    gezegd, overeenkomt met de vergoedingen in de Reisregeling binnenland. Daardoor
                    wordt het aantal regelingen waarnaar verwezen zou kunnen worden, beperkt. De
                    vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt verblijfkosten is ook
                    voor raads- en commissieleden een lokale aangelegenheid die kan worden
                    vastgelegd is een door de raad vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij
                    aansluiting gezocht kan worden bij de uitvoeringsregeling voor de wethouders. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd. </al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                    vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt.
                    De vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De
                    kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte
                    vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2007 wordt over de
                    kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                        betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                        tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het
                        inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik
                        wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen
                        voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen
                        vallen onder de eindheffing. </cursief></al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                    belast.</al><al/><al><vet>Artikel 20 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></al><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht
                    en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in
                    verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. </al><al>Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente worden
                    gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het algemeen belang van de cursus
                    etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld
                    (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                    kostenspecificatie). </al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. </al><al/><al><vet>Artikel 10 en 23 Spaarloon/levensloop</vet></al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de levensloopregeling. Een
                    combinatie van beide is niet toegestaan. Evenmin is het mogelijk een
                    ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het gaat hier niet om een rechtspositionele
                    aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers. </al><al>Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat raadsleden noch
                    wethouders in hun politieke functie verlof kennen. Het saldo valt bij
                    beëindiging van het ambt vrij en kan worden meegenomen naar een andere
                    levensloopregeling.</al><al/><al><vet>Artikel 10a en 23a Fietsregeling</vet></al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een
                    rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers.
                    Het is niet mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken</al><al>Afhankelijk van de kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten hoogste
                    het bedrag dat in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is
                    vastgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                        arbeidsongeschiktheid</vet></al><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon
                    inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe
                    leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een raadsvergoeding een
                    grote teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of bij verhoging
                    van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 11 van de verordening. Daarin
                    is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het raadslid.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet></al><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                    raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren
                    dat het UWV voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden
                    zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                    geregeld in artikel 12 van de verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                        gemeenteraad</vet></al><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het
                    voorzitterschap van de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad
                    kan ook een ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten.
                    In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in
                    artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van
                    meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht
                    heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de
                    vaste onkostenvergoeding.</al><al/><al><vet>Artikel 13a Ziektekostenvoorziening </vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 13b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                        bevalling of ziekte</vet></al><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en bevalling
                    dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen in de
                    Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In de
                    vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er is
                    steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het tijdelijk
                    ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van vervanging is het niet
                    nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt over de duur van de
                    vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16
                    weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging
                    nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een
                    tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat verzoek, is opnieuw sprake van een
                    periode van 16 weken. </al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                    waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                    beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                    behandeld arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming van
                    de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het einde van
                    het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn
                    dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of
                    besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                    raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                    rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Zakelijke reiskosten</vet></al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                    gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto in 2008 € 0,37 per
                    afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt dan
                    € 0,19, belast. </al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                    woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden verleend
                    van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte vervoermiddel.
                    Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. In het
                    Handboek loonheffingen 2007 wordt over de kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                        betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                        tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het
                        inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik
                        wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen
                        voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen
                        vallen onder de eindheffing. </cursief></al><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden
                    te salderen. </al><al>Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding voor
                    dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije
                    vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer een verstrekte lagere vergoeding
                    dan € 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in mindering mag worden gebracht. Die
                    salderingsmogelijkheid moet wel in een formele vergoedingsregeling zijn
                    vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 16, tweede lid. Indien voor het
                    gemeentelijk personeel een salderingsregeling geldt wordt daarbij aangesloten.
                    Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt in ieder geval de
                    salderingsregeling voor het rijkspersoneel. In het volgende voorbeeld wordt
                    toegelicht wat het vorenstaande betekent voor het salderen en de berekening van
                    de loonheffing over het bovenmatig deel van reiskostenvergoedingen.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                    reiskostenvergoeding van in totaal </al><al>€ 2.240, bestaande uit:</al><lijst><li nr=""><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400
                            en</al></li><li nr=""><al>een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 = €
                            840.</al></li></lijst><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder tijdvak
                    het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de heffing
                    betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270). Als er wel een
                    salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen (dit is
                    niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat: totale
                    reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal aantal kilometers 13.000 =
                    gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per kilometer. Na saldering blijft de
                    vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de totale reisvergoeding onbelast
                    blijft. Indien de werkgever het “bovenmatige’ gedeelte van € 0,09 van de
                    dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270)
                    mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand van het nieuwe
                    kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon opnemen: € 270. </al><al>Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers die
                    betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in
                    geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat
                    sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor
                    een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de saldering worden
                    betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel
                    dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op
                    basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient
                    uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar.
                    Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel
                    kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In
                    verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van
                    voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig
                    deel van de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te
                    worden uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd
                    met de daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers. </al><al/><al><vet>Artikel 17 Dienstauto</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Verblijfkosten</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis</vet></al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels
                    vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming in het college over
                    buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van derden. </al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                    inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het combineren van
                    een dienstreis met een (direct voorafgaande of aansluitende) privé-reis. </al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang
                    excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van wethouders geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse
                    excursies en reizen van de gemeenteraad of raadscommissies. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al><vet>Artikel 22 Mobiele telefoon en PDA</vet></al><al>Naast de mobiele telefoon wordt er binnen de gemeente Heumen ook gebruik gemaakt
                    van een PDA (Personal Digital Assistent). Met ingang van 1 januari 2007 zijn de
                    vergoedingen of verstrekkingen van een mobiele telefoon geheel onbelast als het
                    zakelijk gebruik meer dan 10% bedraagt. Deze regeling geldt nu ook voor mobiele
                    apparatuur als PDA’s.</al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten opgenomen. Voor
                    deeltijdwethouders is dat 12% van de onkostenvergoeding en voor voltijd
                    wethouders 9%. Bij het verstrekken van een mobiele telefoon kan sprake zijn van
                    overbedeling. De component telefoonkosten kan om die reden verminderd
                    worden.</al><al>Anderzijds is ook bij wethouders sprake van gebruik van de privé telefoon voor
                    zakelijke doeleinden. Voor dit doel ontvangen burgemeesters maandelijks bruto
                    een bedrag van € 25,-.</al><al>Het is redelijk om, wanneer plaatselijk de component telefoonkosten wordt
                    gekort, deze korting tot een bedrag van € 25,- per maand van de bruto
                    onkostenvergoeding achterwege te laten.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Spaarloonregeling/levensloopregeling</vet></al><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                    spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder gebruik
                    maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan een
                    levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw van de
                    levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de wethouderswedde
                    plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is het slechts mogelijk
                    dat </al><al>de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het wethouderschap wordt
                    meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling ineens plaatsvindt. </al><al/><al><vet>Artikel 24 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</vet></al><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te
                    gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 24 is
                    geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><al/><al><vet>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van
                    commissievergaderingen</vet></al><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient. De hoogte van het presentiegeld wordt bij
                    gemeentelijke verordening bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                    indexcijfer CAO lonen overheid. </al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                    bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager
                    bedrag vaststellen. </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                    mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                    gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                    bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde lid, van de
                    verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is
                    ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse te kiezen.</al><al/><al><vet>Artikelen 30 t/m 33 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 30 zijn de wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 31 en 32
                    is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is
                    en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden. </al><al><cursief>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</cursief></al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr=""><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders</al></li><li nr=""><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies</al></li></lijst><al><cursief>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</cursief></al><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr=""><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden
                            en wethouders;</al></li><li nr=""><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr=""><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li><li nr=""><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikelen 34 t/m 36 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                    bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad. In de meeste
                    gemeenten echter zijn de wethouders pas later benoemd. Ter voorkoming van
                    overgangsbepalingen voor de oude wethouders is gekozen voor intrekking van de
                    oude verordening. Deze intrekking vindt echter pas plaats op het moment van het
                    van kracht worden van de nieuwe verordening. De oude bepalingen hebben daardoor
                    nog steeds werking gehad tot en met het moment van aftreden van de wethouders
                    uit het oude college. </al><al>Bij de inwerkingtreding kan er voor worden gekozen deze bepalingen terugwerkende
                    kracht te verlenen tot het moment dat de nieuwe gemeenteraad werd beëdigd
                    respectievelijk de nieuwe wethouders zijn benoemd en beëdigd. Aangezien in de
                    meeste gemeenten de beëdiging van de nieuwe raad en de nieuwe wethouder niet in
                    dezelfde raadsvergadering heeft plaatsgevonden, is gekozen voor een
                    driedeling:</al><lijst><li nr=""><al>inwerkingtreding voor de raads- en commissieleden met terugwerkende
                            kracht tot en met 16 maart 2006;</al></li><li nr=""><al>inwerkingtreding voor de nieuwe wethouders met terugwerkende kracht tot
                            en met de dag van hun beëdiging. Voor deze formulering is gekozen zodat
                            voor de aftredende wethouders die op dezelfde dag van rechtswege zijn
                            ontslagen als hun opvolgers de benoeming hebben aangenomen, de oude
                            bepalingen van kracht blijven;</al></li><li nr=""><al>om dezelfde reden is een splitsing gemaakt voor de inwerkingtreding van
                            hoofdstuk V over de procedure van declaratie. </al></li></lijst><al>Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe aanspraken geen
                    verslechtering </al><al>inhouden van de op dat moment vigerende verordening. De nieuwe verordening kent
                    geen verslechteringen, ook niet ten aanzien van de bepalingen over de computer.
                    Immers de bepalingen daaromtrent uit de vorige verordening zijn van rechtswege
                    buiten toepassing mede als gevolg van de terugwerkende kracht die is verleend
                    aan de wijziging van de grondslag voor artikel 27a uit het Rechtspositiebesluit
                    wethouders en artikel 7a uit het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    (Stb. 2006, 8). </al><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook de
                    (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die gehanteerde
                    benaming is gekozen voor een nieuwe naam van de verordening: Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>