<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR440085_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 30 januari 2017</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2016 gemeente Uden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97,99 en 147 van de Gemeentewet, de artikelen 22, eerste lid, 23, eerste lid, 27a, vijfde lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders, en de artikelen 2,4,7a, vierde lid, 13, tweede lid, 15 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-06-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 15 december 2016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening rechtspositie wethouders, raadsleden en commissieleden 2014</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al/><al>overwegende dat, er een geactualiseerde verordening nodig is in verband met
                        de wijzigingen gelegen in de werkkostenregeling;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 13
                        september 2016;</al><al/><al>gelet op artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en
                        97,99 en 147 van de Gemeentewet, de artikelen 22, eerste lid, 23, eerste
                        lid, 27a, vijfde lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders, en de
                        artikelen 2,4,7a, vierde lid, 13, tweede lid, 15 van het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden;</al><al/><al>b e s l u i t</al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al/><al>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2016</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>commissie: commissie ingesteld op grond van de artikelen 82, 83 of
                                84 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>commissielid: lid van een commissie, bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                e, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raads- en commissieleden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden</al><lijst><li nr="1."><al>Van de vergoeding, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, wordt 20% uitgekeerd
                                op basis van het aantal bijgewoonde raadsvergaderingen afgezet tegen
                                het aantal gehouden vergaderingen, zgn. presentiegeld.</al></li><li nr="2."><al>Raadsleden die meer dan drie keer in een kalenderjaar afwezig zijn
                                tijdens de raadsvergadering worden achteraf 20% op hun te ontvangen
                                maandelijkse raadsvergoeding gekort vanaf de vierde keer van
                                afwezigheid. </al></li><li nr="3."><al>De korting als bedoeld in lid 2 wordt verrekend met de vergoeding
                                over januari en eventueel ook volgende maanden van het volgend
                                kalenderjaar of bij aftreden bij de laatste betaling van de
                                vergoeding.</al></li><li nr="4."><al>Lid 2 wordt niet toegepast bij arbeidsongeschiktheid van een
                                raadslid langer dan 3 maanden. </al><al/></li></lijst><al>Artikel 3 Verhoging vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen
                        i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak</al><al>Een commissielid als bedoeld in artikel 15 van het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden ontvangt een vergoeding die 110% bedraagt van de
                        vergoeding waarop hij overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden aanspraak op maakt.</al><al/><al>Artikel 4 Reis- en verblijfkosten</al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor reis- en verblijfkosten als bedoeld in de
                                artikelen 96, eerste lid, en 97 van de Gemeentewet is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor wat betreft de reiskosten gelijk aan het overeenkomstig
                                        in artikel 4, onderdeel a en b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders bepaalde;</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft de verblijfkosten gelijk aan het
                                        overeenkomstig in artikel 4, onderdeel c, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders bepaalde.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De reiskosten worden voor ten hoogste één vergadering per dag
                                vergoed.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 5 Scholing</al><lijst><li nr="1."><al>Raads- of commissieleden die willen deelnemen aan
                                niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de
                                vervulling van de functie van raads- of commissielid, dienen daartoe
                                vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier. </al></li><li nr="2."><al>Deze aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie.</al></li><li nr="3."><al>De griffier beslist op de aanvraag op basis van bewijsstukken,
                                overeenkomstig het tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>In voorkomende gevallen beslissen de fractievoorzitters van alle in
                                de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen op basis van
                                meerderheid van stemmen. </al><al/></li></lijst><al>Artikel 6 Computer en internetverbinding</al><lijst><li nr="1."><al>Raads- en commissieleden aan wie op aanvraag een computer, laptop of
                                tablet met bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                beschikking wordt gesteld, ondertekenen hiervoor een
                                bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Op aanvraag ontvangen raads- en commissieleden voor de duur van hun
                                raads- of commissielidmaatschap ten hoogste € 10,00 per maand ter
                                vergoeding van de aanleg- en abonnementskosten voor de
                                internetverbinding voor de in dit artikel bedoelde
                                computerapparatuur voor zover deze nodig is voor het uitoefenen van
                                het raads- of commissielidmaatschap. Het betreft extra
                                abonnementskosten die gemaakt moeten worden.</al></li><li nr="3."><al>Een aanvraag om een vergoeding, als bedoeld in dit artikel, wordt
                                gedaan bij de griffier. De griffier beslist over de aanvraag op
                                basis van bewijsstukken. </al><al/></li></lijst><al>Artikel 7 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</al><lijst><li nr="1."><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen
                                de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in
                                artikel 13a van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></li><li nr="2."><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder
                                aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen,
                                genoemd in paragraaf 2 van deze verordening, voor zover deze worden
                                gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als
                                bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van
                                de Wet op de Loonbelasting 1964.</al></li></lijst><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 8 Reiskosten woon-werkverkeer</al><al>Wethouders hebben aanspraak op een vergoeding van de kosten
                        woon-werkverkeer, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van het
                        Rechtspositiebesluit wethouders, overeenkomstig artikel 3 van de Regeling
                        rechtspositie wethouders.</al><al/><al>Artikel 9 Zakelijke reis- en verblijfkosten</al><al>Wethouders hebben aanspraak op een vergoeding van de reis- en verblijfkosten
                        voor reizen gemaakt voor de uitoefening van het ambt, bedoeld in artikel 23,
                        eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit wethouders binnen en
                        buiten het grondgebied van de gemeente, overeenkomstig artikel 4 van de
                        Regeling rechtspositie wethouders.</al><al/><al>Artikel 10 Door gemeente gehuurde auto</al><al>Wethouders kunnen voor reizen ten behoeve van de gemeente, indien nodig,
                        incidenteel gebruik maken van een door de gemeente gehuurde auto.</al><al/><al>Artikel 11 Computer en internetverbinding</al><lijst><li nr="1."><al>Wethouders aan wie op aanvraag een computer, laptop of tablet met
                                bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter beschikking
                                wordt gesteld, ondertekenen hiervoor een bruikleenovereenkomst met
                                de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Op aanvraag ontvangen wethouders voor de duur van hun wethouderschap
                                ten hoogste € 10,00 per maand ter vergoeding van de aanleg- en
                                abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in dit artikel
                                bedoelde computerapparatuur voor zover deze nodig is voor het
                                uitoefenen van het wethouderschap. Het betreft extra
                                abonnementskosten die gemaakt moeten worden.</al></li><li nr="3."><al>Een aanvraag om een vergoeding, als bedoeld in dit artikel wordt
                                gedaan bij de gemeentesecretaris. De gemeentesecretaris beslist over
                                de aanvraag op basis van bewijsstukken.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 12 Communicatieapparatuur</al><lijst><li nr="1."><al>Wethouders aan wie op aanvraag communicatieapparatuur in bruikleen
                                ter beschikking wordt gesteld, ondertekenen hiervoor een
                                bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Een aanvraag als bedoeld in dit artikel wordt gedaan bij de
                                gemeentesecretaris. De gemeentesecretaris beslist over de aanvraag,
                                overeenkomstig het eerste lid, op basis van bewijsstukken.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 13 Verhuis-, reis-en pensionkosten en tegemoetkoming dubbele
                        woonlasten bij benoeming</al><lijst><li nr="1."><al>Wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                                beschikken hebben aanspraak op een vergoeding van reis- en
                                pensionkosten, dubbele woonlasten en verhuiskosten, bedoeld in
                                artikel 22, eerste lid, onderdeel a en b, van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders, overeenkomstig de artikelen 1 en 2
                                en 4a van de Regeling rechtspositie wethouders. </al></li><li nr="2."><al>Wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                                beschikken hebben aanspraak op een vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten, bedoeld in artikel 22, eerste lid,
                                        onderdeel a, van het Rechtspositiebesluit wethouders,
                                        overeenkomstig artikel 1 en 4a van de Regeling rechtspositie
                                        wethouders, en</al></li><li nr="b."><al>dubbele woonlasten en verhuiskosten, bedoeld in artikel 22,
                                        eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit
                                        wethouders, overeenkomstig artikel 2 en 4a van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 14 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</al><lijst><li nr="1."><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen
                                de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen genoemd in
                                artikel 28a van het Rechtspositiebesluit wethouders.</al></li><li nr="2."><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder
                                aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen,
                                genoemd in paragraaf 3 van deze verordening, voor zover deze worden
                                gerekend tot een vergoeding of verstrekking als bedoeld in artikel
                                31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de
                                Loonbelasting 1964.</al></li></lijst><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 15 Betaling vaste vergoedingen</al><al>De betaling van de vergoeding voor werkzaamheden, de bezoldiging voor de
                        wethouders op grond van het Rechtspositiebesluit wethouders, de
                        onkostenvergoedingen en declaraties geschiedt maandelijks of in maandelijkse
                        termijnen als er sprake is van een vergoeding op jaarbasis, tenzij het
                        Rechtspositiebesluit wethouders, het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden of de Regeling rechtspositie wethouders anders bepalen.</al><al/><al>Artikel 16 Betaling en declaratie van onkosten</al><lijst><li nr="1."><al>De betaling van kosten die op grond van deze verordening voor
                                vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen vindt plaats
                                door:</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een
                                        rechtstreekse aan de gemeente toegezonden factuur, of</al></li><li nr="b."><al>betaling vooruit uit eigen middelen. .</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit
                                artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en
                                bewijsstukken.</al></li><li nr="3."><al>Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen 1
                                maandna factuurdatum of betaling door: </al><lijst><li nr="a."><al>raads- en commissieleden ter goedkeuring ingediend bij de
                                        griffier;</al></li><li nr="b."><al>wethouders ter goedkeuring ingediend bij de
                                        gemeentesecretaris.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 17 Intrekking oude regeling</al><al>De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014 wordt
                        ingetrokken.</al><al/><al>Artikel 18 Inwerkingtreding</al><al>Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.</al><al/><al>Artikel 19 Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie wethouders,
                        raads- en commissieleden 2016 gemeente Uden.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening>drs. G.B. Gnodde drs. H.A.G. Hellegers</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                            commissieleden 2016</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>ALGEMEEN</onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                DEEL</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Wettelijke regelingen</vet></al><al>In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen
                        geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke
                        ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de
                        rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden alsmede de financiële
                        voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en
                        ministeriële regeling). Deze nader regeling is vastgelegd in het
                        Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden. In de Regeling rechtspositie wethouders zijn de
                        (onkosten)vergoedingen voor wethouders nog nader uitgewerkt. </al><al/><al>De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden en wethouders
                        die bij of krachtens de wet (lees Gemeentewet, Rechtspositiebesluit of
                        Regeling) dwingendrechtelijk geregeld zijn, zijn niet opgenomen in deze
                        verordening. Dit betreft de vergoedingen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>de raadsvergoeding voor raadsleden, de commissievergoeding voor
                                commissieleden en de bezoldiging van wethouders</al></li><li nr="2."><al>de vaste maandelijkse netto onkostenvergoedingen voor raadsleden en
                                wethouders;</al></li><li nr="3."><al>de toelage voor fractievoorzitters, leden van de
                                vertrouwenscommissie als bedoeld in artikel 61 van de Gemeentewet,
                                leden van de rekenkamerfunctie bedoeld in artikel 81oa van de
                                Gemeentewet, dan wel van onderzoekscommissie zoals bedoeld in
                                artikel 115a, derde lid, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="4."><al>de toelage van het fractievoorzitterschap;</al></li><li nr="5."><al>de compensatiemaatregelen voor raads- en commissieleden als zij een
                                WW, BWOO of arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA / WAO) hebben;</al></li><li nr="6."><al>de gevolgen van de vergoeding / bezoldiging bij overgang naar een
                                lagere klasse in verband met vermindering van aantal inwoners;</al></li><li nr="7."><al>de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval;</al></li><li nr="8."><al>de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de
                                gemeenteraad;</al></li><li nr="9."><al>de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte;</al></li><li nr="10."><al>de tegemoetkoming in de ziektekosten;</al></li><li nr="11."><al>de voorzieningen voor raadsleden met een fysieke beperking;</al></li><li nr="12."><al>de bezoldiging van de wethouders;</al></li><li nr="13."><al>de voorzieningen in verband met bewaken en beveiligen;</al></li><li nr="14."><al>de contributie voor beroepsverenigingen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</vet></al><al>In de verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie
                        van wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die
                        niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag
                        hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten. </al><al/><al>Bij de laatste harmoniseringsoperatie, zie de circulaire van het Ministerie
                        van BZK d.d. 27 juni 2014, betreffende de rechtspositiebesluiten voor
                        decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen
                        imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij
                        is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen,
                        tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale
                        politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast
                        te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor
                        gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke
                        regelingen af te wijken. </al><al/><al>Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke
                        ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 44
                        van de Gemeentewet is bepaald dat buiten hetgeen bij of krachtens de wet is
                        toegekend wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten
                        laste van de gemeente mogen ontvangen. Dit betekent dat de rechtspositionele
                        aanspraken voor zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in
                        respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de
                        Regeling rechtspositie wethouders en deze verordening. Gewezen wethouders
                        ontlenen hun aanspraak op een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene
                        pensioenwet politieke ambtsdragers.</al><al/><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 van de Gemeentewet is voor raads-
                        en commissieleden opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. In artikel 99
                        van de Gemeentewet is bepaald dat bij of krachtens de wet is toegekend,
                        ontvangen de leden van de raad, van een door de raad, het college of de
                        burgemeester ingestelde commissie als zodanig geen andere vergoedingen en
                        tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Het tweede lid van dat artikel
                        voegt daaraan toe dat bij of krachtens de wet dan wel bij verordening van de
                        raad aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van
                        vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de
                        goedkeuring van gedeputeerde staten vereist. </al><al/><al><vet>De arbeidsverhouding</vet><vet>en</vet></al><al>Raadsleden en commissieleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente.
                        De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor
                        zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de
                        werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de
                        Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen
                        dienstbetrekking met de gemeente is vallen raads- en commissieleden niet
                        onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de
                        Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren
                        voor de loonbelasting als voorheffing door te kiezen voor het fictief
                        werknemerschap. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is
                        niet van toepassing op raads- en commissieleden.</al><al/><al>Wethouders zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in
                        openbare dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet. Echter de
                        bepalingen over het materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet
                        van toepassing op wethouders. De aanstelling in openbare dienst houdt voor
                        de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een
                        arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent
                        dat wethouders direct onder de werking van de Wet op de loonbelasting 1964
                        vallen. Toch vallen wethouders niet onder de werking van
                        werknemersverzekeringen, zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en
                        Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). In plaats daarvan voorziet
                        de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). De
                        werkloosheidsuitkering na aftreden, invaliditeitsuitkering, pensioenopbouw
                        en het (aanvullende) ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor wethouders
                        geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). </al><al/><al>De loon- en inkomstenbelasting</al><al><cursief>Opting-in-regeling</cursief></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                        gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de
                        ‘opting-in-regeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                        ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een
                        gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                        Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk
                        wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de gemeente de
                        ingehouden loonheffing van de raadsvergoeding af aan de Belastingdienst.
                        Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt
                        hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale
                        zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook geen
                        premies sociale zekerheid ingehouden. Het raadslid hoeft in dat geval geen
                        administratie bij te houden. De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van
                        commissieleden de toepassing van de opting-in-regeling. </al><al/><al><cursief>Fiscale standaardpositie</cursief></al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het raads- of
                        commissielid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                        werkzaamheid geniet (standaardregeling). In dat geval is het (gedeeltelijke)
                        winstregime van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten
                        verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering
                        brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling dienen de
                        netto-onkostenvergoeding wel te verantwoorden in de inkomstenbelasting,
                        tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de
                        vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.
                        Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling kunnen bij de
                        aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke beroepskosten, met inachtneming
                        van een aantal wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen
                        op hun belastbaar inkomen (belastbare resultaat). Het bruteren van
                        vergoedingen is niet langer van toepassing op raads- en commissieleden die
                        hebben gekozen voor de standaardregeling. Voor raadsleden die hebben gekozen
                        voor de standaardregeling is de werkkostenregeling immers niet van
                        toepassing. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                        grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een
                        opgave IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden
                        gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan
                        ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de
                        gemeente. </al><al/><al><cursief>Eenmalige keuze per zittingsperiode</cursief></al><al>De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het
                        raadslid financieel ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de
                        loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en
                        geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene
                        als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode.
                        Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode
                        te gebeuren, maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                        periode.</al><al/><al><vet>De vergoedingensystematiek</vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt hoeven bestuurders niet het eigen
                        inkomen aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                        belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling
                        terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze
                        functionele uitgaven uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente deze
                        uitgaven vervolgens terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten
                        zo veel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het
                        de voorkeur de functionele uitgaven direct in rekening te brengen bij de
                        gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal
                        echter behoefte blijven bestaan. De mogelijkheden voor declaratie worden
                        nader geregeld in de modelverordening.</al><al/><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle andere
                        publieke middelen – transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                        inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                        voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van
                        het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er
                        onnodige discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen
                        of voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                        belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                        zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de
                        functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                        financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan
                        bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven. In paragraaf
                        4 van deze verordening is in verband hiermee, in aanvulling op de in de
                        beheers- en controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke
                        procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele
                        uitgaven, declaratie van vooruitbetaalde kosten. Daarnaast moeten in de
                        bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                        computer-, rand- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld
                        voor de uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een
                        gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>In dit artikel van deze verordening wordt verwezen naar een aantal
                        begripsbepalingen uit de Rechtspositiebesluiten. De hoogte van vergoedingen
                        is imperatief bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse overeenkomstig
                        het betreffende Rechtspositiebesluit. </al><al>Raadsleden die een WAO of WIA-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun
                        raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                        lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze mogelijkheid is
                        opgenomen in artikel 12, derde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden.</al><al/><al>Raadsleden die een WW- of een BWOO uitkering ontvangen en als gevolg van het
                        ontvangen van een raadsvergoeding worden gekort op hun WW- of BWOO uitkering
                        kunnen voor het bedrag van de korting door de gemeente worden gecompenseerd.
                        Dit is geregeld in artikel 12, eerste en tweede lid van het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al><al>Speciale aandacht verdient een lid van de commissie, die niet tevens lid is
                        van de gemeenteraad of een ambtenaar die als zodanig tot lid van een
                        commissie is benoemd overeenkomstig artikel 1, onderdeel e, van het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Wat betreft de genoemde
                        ambtenaren in deze bepaling lijkt de wetgever te doelen op de situatie dat
                        ambtenaren van de griffie of gemeente raadscommissies organiseren, bijwonen
                        en/of ondersteunen. Zij maken geen aanspraak op een vergoeding voor het
                        bijwonen van commissievergaderingen. Deze werkzaamheden maken voor hen
                        immers deel uit van hun ‘gewone’ werkzaamheden uit hoofde van hun
                        aanstelling op grond van de Ambtenarenwet, waarvoor zij reeds loon
                        ontvangen.</al><al/><al>Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden</al><al>De hoogte van de raadsvergoeding is imperatief bepaald op een vast bedrag
                        per inwonersklasse overeenkomstig het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden (zie tabel I van het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden). </al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt geïndexeerd. Het
                        wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer Cao
                        lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming
                        nodig.</al><al/><al>Een deel van de raadsvergoeding kan worden uitbetaald als presentiegeld op
                        grond van artikel 4 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.
                        Het gaat om maximaal 20% van de raadsvergoeding. </al><al>Indien de raad besluit dat een (procentueel) deel van de raadsvergoeding
                        wordt uitbetaald als presentiegeld, mag geen onderscheid worden gemaakt
                        tussen raadsleden. Een presentievergoeding geldt dan voor alle raadsleden. </al><al>In lid 2 van deze Verordening is het volgende opgenomen:</al><al><cursief>Raadsleden die meer dan drie keer in een kalenderjaar afwezig zijn
                            tijdens de raadsvergadering worden achteraf 20% op hun te ontvangen
                            maandelijkse raadsvergoeding gekort vanaf de vierde keer van
                            afwezigheid.</cursief></al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld: </onderstreept></cursief></al><al><cursief>een raadslid heeft vijf keer in een kalenderjaar een
                            raadsvergadering niet bijgewoond.</cursief></al><al><cursief>Dit raadslid wordt twee maal 20% van zijn of haar raadsvergoeding
                            gekort.</cursief></al><al><cursief>De maandelijkse raadsvergoeding bedraagt thans € 1.190,11 (situatie
                            2016). Hiervan wordt 20% aangemerkt als presentiegeld, zijnde € 238,02
                            (situatie 2016).</cursief></al><al><cursief>In dit geval bedraagt de korting twee maal € 238,02 = €
                            476,04.</cursief></al><al/><al>Raadsleden die een WAO of WIA-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun
                        raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                        lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze mogelijkheid is
                        opgenomen in artikel 12, derde lid, van het
                        Rechtspositiebesluitraads- en commissieleden. Raadsleden die een
                        WW- of een BWOO uitkering ontvangen en als gevolg van het ontvangen van een
                        raadsvergoeding worden gekort op hun WW- of BWOO uitkering kunnen voor het
                        bedrag van de korting door de gemeente worden gecompenseerd. Dit is geregeld
                        in artikel 12, eerste en tweede lid van het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden.</al><al/><al>Artikel 3 Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m.
                        bijzondere deskundigheid of zwaarte taak</al><al>De hoogte van het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies die
                        zijn ingesteld op basis van artikel 82 t/m 84 van de Gemeentewet zijn
                        imperatief bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse (zie tabel IV van
                        het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden). In bepaalde gevallen,
                        zoals bij bijzondere deskundigheid en zwaarte van de commissie, is het
                        mogelijk om een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het
                        eerder bedoelde bedrag. Deze mogelijkheid is geregeld in het vierde lid. Er
                        kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is ook mogelijk
                        om het bedrag uit een hogere inwonersklasse te kiezen. Het bedrag van de
                        vergoeding voor de werkzaamheden wordt geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per
                        1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer Cao lonen overheid.
                        Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig.</al><al/><al>Raadsleden die een WAO of WIA-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun
                        commissievergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                        lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. </al><al>Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 14, eerste lid, van het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al><al>Raadsleden die een WW- of een BWOO uitkering ontvangen en als gevolg van het
                        ontvangen van een raadsvergoeding worden gekort op hun WW- of BWOO uitkering
                        kunnen voor het bedrag van de korting door de gemeente worden gecompenseerd.
                        Dit is geregeld in artikel 14, eerste lid , van het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden.</al><al/><al>Artikel 4 Reis- en verblijfkosten </al><al>Artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet voorziet alleen voor
                        commissieleden, voor zover ze geen raadslid zijn in een vergoeding van reis-
                        en verblijfkosten voor reizen binnen het grondgebied van de gemeente.
                        Artikel 96 van de Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor
                        ‘woon-werkverkeer’ voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99
                        van de Gemeentewet als raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen
                        voor reizen binnen het grondgebied van de gemeente</al><al/><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel in
                        een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen buiten het
                        grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                        gemeentebestuur. Onder reizen “buiten de gemeentegrenzen” kunnen ook de
                        buitenlandse dienstreizen worden geschaard. De naar redelijkheid gemaakte
                        reis- en verblijfkosten voor dienstreizen in het buitenland, die door of
                        vanwege de gemeente zijn georganiseerd komen ook voor vergoeding in
                        aanmerking.</al><al/><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten
                        is niet nader ingevuld en is een lokale aangelegenheid per gemeente. Omdat
                        in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden verder geen eigen
                        vergoedingsregeling is opgenomen, kan aansluiting worden gezocht bij de
                        vergoedingsregelingen voor wethouders. </al><al/><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                        moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende
                        randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al/><al>Artikel 5 Scholing</al><al>Op grond van artikel 13 lid 1 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden komt niet partijpolitiek georiënteerde scholing in verband
                        met de vervulling van de functie van raads- of commissielidmaatschap ten
                        laste van de gemeente. Scholing door partijpolitieke instellingen of
                        groeperingen kunnen overigens <onderstreept>niet</onderstreept> ten laste
                        van de gemeente worden gebracht. In dit artikel is de procedure verder
                        uitgewerkt.</al><al/><al>Gezien de aard en duur van het ambt kunnen raads- en commissieleden
                        opleidingen die gericht zijn op het persoonlijk functioneren in het ambt of
                        gericht zijn op de (verdere) loopbaan ten laste van de gemeente worden
                        gebracht. Scholing kan op meerdere wijze plaatsvinden. De scholing is
                        functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en
                        vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Bij loopbaangerichte
                        opleidingen staan reflecteren op persoonlijke kwaliteiten en motieven
                        voorop. </al><al>Onder deze scholingskosten worden verstaan de cursus- en lesgelden, de
                        kosten van het studiemateriaal, examen- en diplomakosten en de
                        aanschafkosten van verplicht gesteld studiemateriaal, alsmede reis- en
                        verblijfkosten in het kader van de opleiding.</al><al/><al>Artikel 13, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden biedt de mogelijkheid aan de raad om lokaal nadere regels
                        voor scholing te stellen. </al><al>De raad kan bij verordening nadere regels stellen voor scholingskosten en/of
                        een maximumvergoeding per scholingsaanvraag/per persoon. De griffier
                        beoordeelt de aanvraag op basis van de aangeleverde bewijsstukken. </al><al>Hieronder kunnen o.a. kostenspecificaties en facturen onder worden verstaan.
                        In voorkomende gevallen van disputen of tegenstrijdigheden beslissen de
                        fractievoorzitters bij meerderheid van stemmen. </al><al/><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij
                        de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en
                        dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al/><al><cursief>NB: Voor de wethouders is in artikel 28b van het
                            Rechtspositiebesluit wethouders de vergoeding van scholingskosten
                            geregeld. Volgens dit artikel dient het college van burgemeester en
                            wethouders zelfstandig een nadere regeling vast te stellen voor
                            scholingskosten.</cursief></al><al/><al>Artikelen 6 en 11 Computer en internetverbinding</al><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en het
                        Rechtspositiebesluit wethouders is geregeld dat het raads- of commissielid,
                        respectievelijk de wethouder van de gemeente een computer in bruikleen
                        krijgt verstrekt of een tegemoetkoming ontvangt voor de aanschaf of het
                        gebruik van zijn eigen computer en bijbehorende randapparatuur. De
                        tegemoetkoming is daarom niet in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet.
                        Deze aanspraken kunnen echter alleen worden verstrekt wanneer dat is
                        vastgelegd in een verordening.</al><al/><al>De verordening gaat ervan uit dat een computer, laptop of tablet (en
                        randapparatuur) in bruikleen wordt verstrekt. </al><al>Een smartphone kwalificeert niet als computer en verstrekking of vergoeding
                        van meerdere computers (laptop, tablet of minicomputers) is niet toegestaan.
                        Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is bestemd om aan de computer te
                        worden gekoppeld om informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een
                        printer, scanner of een docking station. De randapparatuur moet voor het
                        werk noodzakelijk zijn. Er wordt geadviseerd om in de bruikleenovereenkomst
                        te bepalen dat de bruikleen van de computer en randapparatuur eindigt bij
                        (eerdere) beëindiging van het wethouderschap of het raads- of
                        commissielidmaatschap.</al><al/><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen tot een
                        lokaal vast te stellen bedrag per maand ten laste van de gemeente. Hierbij
                        is ervoor gekozen om het richtbedrag van maximaal €10,00 per maand te
                        handhaven (gelijk aan de vorige verordening). De raad dient wel hiervoor een
                        voor ieder gelijk maximaal vergoedingsbedrag vast te stellen.</al><al/><al>De griffier beoordeelt de aanvraag op basis van de aangeleverde
                        bewijsstukken. Hieronder kunnen o.a. kostenspecificaties en facturen worden
                        verstaan. Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting
                        geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch
                        verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                        verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als
                        aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al/><al>Artikelen 7 en 14 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</al><al>In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31a Wet
                        Loonbelasting 1964 zijn een aantal netto-vergoedingen en verstrekkingen in
                        de rechtspositiebesluiten en de verordening aangewezen als
                        eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting.
                        Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover
                        bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader
                        van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden
                        aangegeven of verstrekkingen of vergoedingen onder de gerichte
                        vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil waarderingen vallen.
                        Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte-
                        tot 1,2% fiscale loonsom- onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien
                        de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeenten 80% eindheffing
                        moeten betalen. </al><al/><al>Artikel 8 Reiskosten woon-werkverkeer + 9 Zakelijke reis- en
                        verblijfkosten</al><al>Voor wethouders is een vergoeding voor het woon-werkverkeer geregeld
                        overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens artikel 22, eerste lid,
                        onderdeel a, van het Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 3 van de
                        Regeling rechtspositie wethouders. Voor wat betreft de reiskosten
                        woon-werkverkeer bestaat aanspraak op een volledige vergoeding van het
                        openbaar vervoer (OV) of een netto bedrag van € 0,15 per kilometer, indien
                        gebruik wordt gemaakt van de eigen personenauto. </al><al/><al>Voor wat betreft de zakelijke reis- en verblijfkosten bestaat aanspraak op
                        een vergoeding overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens artikel 22,
                        eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit wethouders en artikel
                        4 van de Regeling rechtspositie wethouders. Voor wat betreft gebruik van een
                        eigen personenauto voor dienstreizen ontvangen wethouders een bedrag van €
                        0,28 per kilometer (zie artikel 4, onderdeel b, en artikel 5a, onder 1, van
                        de Regeling rechtspositie wethouders). </al><al>Voor wat betreft dienstreizen gemaakt met het openbaar vervoer (OV) bestaat
                        aanspraak op volledige vergoeding. Op grond van artikel 1, vierde lid, van
                        de Regeling rechtspositie wethouders wordt onder openbaar vervoer (OV)
                        verstaan de kosten van voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een
                        dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of via een
                        geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel met een veerpont of een
                        veerboot. Gemaakte tol- en parkeerkosten worden niet genoemd in de regeling
                        en mogen daarom op grond van artikel 44, derde lid, van de Gemeentewet niet
                        vergoed worden. Verblijfkosten zijn zakelijk gebruikte maaltijden en kosten
                        voor overnachting.</al><al/><al>De voor wethouders geregelde kilometervergoeding van reiskosten voor
                        woon/werkverkeer en de vergoeding van reis- en verblijfkosten voor
                        dienstreizen zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voor zover de
                        kilometervergoedingen voor woon/werkverkeer of reis en verblijfkosten
                        fiscaal bovenmatig zijn, bestaat de mogelijkheid om het meerdere ten laste
                        van de vrije ruimte te brengen.</al><al/><al>Artikel 12 Communicatieapparatuur</al><al>Als communicatieapparatuur zal in veel gevallen een mobiele telefoon
                        verstrekt worden. Nadere voorwaarden betreffende de bruikleen worden in de
                        bruikleenovereenkomst tussen de gemeente en de wethouder vastgelegd. Het
                        model van die overeenkomst wordt door het college vastgesteld. Hierin kunnen
                        afspraken gemaakt worden over het privé gebruik en het verhalen van de
                        kosten daarvan op de wethouder. Hierbij ligt het voor de hand om in de
                        bruikleenovereenkomst ook te bepalen dat bij beëindiging van het
                        wethouderschap ook het gebruik van de communicatieapparatuur eindigt. Voor
                        het gebruik van de privé mobiele telefoon waarmee de zakelijke belkosten in
                        het abonnement gedeclareerd kunnen worden, is
                            <onderstreept>geen</onderstreept> grondslag opgenomen in het
                        Rechtspositiebesluit wethouders.</al><al/><al>Artikel 13 Verhuis-, reis- en pensionkosten en tegemoetkoming dubbele
                        woonlasten, bij benoeming</al><al>Voor wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                        ambtsgemeente beschikken kunnen een vergoeding van reis- en pensionkosten,
                        een verhuiskostenvergoeding en eventueel een tegemoetkoming dubbele
                        woonlasten ontvangen overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens artikel
                        22, eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit wethouders en de
                        artikelen 1, 2 en 4a van de Regeling Rechtspositie wethouders. Voor wat
                        betreft de pensionkostenvergoeding bestaat aanspraak op een maximale
                        vergoeding van 18% van de maandelijkse bezoldiging tot maximaal drie jaar na
                        benoemingsdatum. Voor wat betreft de reiskosten van het pension naar het
                        werk gaat het om een volledige vergoeding van het openbaar vervoer (OV) of
                        een netto bedrag van € 0,15 per kilometer, indien gebruik wordt gemaakt van
                        de eigen personenauto. Bovendien mag de wethouder eenmaal per week een
                        (gezins)bezoek aan de oude woning ten laste van de gemeente brengen. </al><al/><al>Op grond van artikel 1, vierde lid, van de Regeling rechtspositie wethouders
                        wordt onder openbaar vervoer (OV) verstaan de kosten van voor een ieder
                        openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus,
                        trein, metro, tram of via een geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel
                        met een veerpont of een veerboot.</al><al/><al>Voor wat betreft de verhuiskostenvergoeding bestaat binnen drie jaar na
                        benoeming aanspraak op een volledige vergoeding van de kosten voor het
                        transport van de bagage en de inboedel. Andere direct uit de verhuizing
                        voortvloeiende kosten, waaronder begrepen de kosten van inrichting van de
                        woning en tijdelijke opslag worden vergoed tot een maximum van € 5.818,46.
                        De vergoedingen zijn tot maximaal € 7.750,00 onbelast, omdat zij in het deze
                        verordening Rechtspositiebesluit wethouders zijn aangewezen als
                        eindheffingsbestanddeel in de werkkostenregeling. Voor wat betreft een
                        tegemoetkoming dubbele woonlasten bestaat aanspraak op een tegemoetkoming
                        met een maximale vergoeding van 18% van de maandelijkse bezoldiging tot
                        maximaal drie jaar na benoemingsdatum.</al><al/><al>De voor wethouders geregelde kilometervergoeding van reiskosten voor
                        verblijf naar werk zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voor zover
                        de kilometervergoedingen voor reis en verblijfkosten fiscaal bovenmatig zijn
                        (meer dan € 0,19/km), bestaat de mogelijkheid om het meerdere ten laste van
                        de vrije ruimte te brengen.</al><al/><al>Artikel 16 Betaling en declaratie van onkosten</al><al>De betaling van kosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen en later
                        gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente
                        verstuurd, waarna de betaling rechtstreeks uit gemeentelijke middelen
                        geschiedt. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de
                        gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt
                        waarmee raads- en commissieleden en wethouders gemaakte onkosten kunnen
                        verantwoorden. Wethouders declareren hun kosten bij de gemeentesecretaris.
                        Raads- en commissieleden declareren hun kosten bij de griffier.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>