<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR439990_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Overbetuwe 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 6717, 13 januari 2017</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Overbetuwe 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8, lid 1, aanhef en onderdelen a en d</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-01-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-04-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>16RB000116</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>verordening is opnieuw vastgesteld ivm wijziging grondslag</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Overbetuwe 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente
                        Overbetuwe 2017</al><al/><al/><al>Ons kenmerk: 16RB000116</al><al/><al>Nr. </al><al/><al>De raad van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 15 november
                        2016;</al><al/><al>gehoord het advies van de voorbereidende vergadering van 20 december
                        2016;</al><al/><al>gelet op artikel(en) 8, eerste lid, aanhef en onderdelen a en d van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz</vet></al><al><vet>Gemeente Overbetuwe 2017</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een te hoog bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="b."><al>Bijstandsnorm:</al><lijst><li nr="1."><al>toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                            onderdeel c, van de Participatiewet, of</al></li><li nr="2."><al>grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van
                                            de Ioaw of artikel 5 van de Ioaz voor zover sprake is
                                            van een uitkering op grond van de Ioaw of Ioaz</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of
                                    een uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het besluit tot het opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In een besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede, vijfde en
                            zesde lid van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid,
                            van de Ioaw en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid van de Ioaz worden in
                            ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijze mondeling of
                                    schriftelijk naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn of haar zienswijze naar voren te brengen zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid, of</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                            maken.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan twee jaar voor constatering
                                            daarvan door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor
                                    dringende reden aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                    redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de
                                    hoogte gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere
                                    bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de
                                    Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin
                                    het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een
                                    belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                    op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende
                                    bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                                    gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de
                                    uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat
                                    nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende
                                    binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
                                    b, opnieuw een uitkering ontvangt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie
                                            met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                            geeft.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                    hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                    ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                    Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></li><li nr="4."><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                    hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                    verleende bijzondere bijstand’.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li><li nr="2."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de
                                            Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en
                                            vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="3."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                                            Participatiewet;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor
                                            zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld
                                            in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="2."><al>het niet of in onvoldoende mate nakomen van een
                                            verplichting, opgelegd op grond van artikel 55 van de
                                            Participatiewet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedragingen Ioaw en Ioaz</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37
                            en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen
                                            36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e,
                                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit
                                            niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38,
                                            eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37,
                                            eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen
                                            36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de
                                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit
                                            heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                            bedoeld in artikel 55 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>vierde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, worden
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen
                                    van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen
                                    van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>50 procent van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen
                                    van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>100 procent van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen
                                    van de vierde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al>één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel b, e, f en g, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden , bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a, c, d en h, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt
                                    toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de
                                    volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit
                                    rechtvaardigen. </al></li><li nr="2."><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, kan de
                                    verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan
                                    de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft
                                    van de verlaging wordt toebedeeld.</al></li><li nr="3."><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de
                                    verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan
                                    de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden
                                    een derde van de verlaging wordt toebedeeld.</al></li><li nr="4."><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening
                                    als bedoeld in het eerste lid plaats.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
                                    Participatiewet, dan wel artikel 41, eerste lid van de Ioaw of
                                    artikel 41, eerste lid van de Ioaz, verlaagt het college de
                                    uitkering. Onder het begrip ‘tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid worden niet begrepen gedragingen als
                                    bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet en de
                                    artikelen 7, 8 en 10 van deze verordening. Onder tekortschietend
                                    besef wordt in ieder geval begrepen het op een onverantwoorde
                                    wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen van een
                                    schenking, voorafgaand of tijdens de bijstandsverlening. </al></li><li nr="2."><al>De verlaging bedraagt 100 procent van de uitkering voor de duur
                                    van de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn
                                    gedragingen langer recht heeft op een uitkering.</al></li><li nr="3."><al>Het college wijzigt de maatregel na drie maanden naar 50 procent
                                    van de uitkering voor de resterende duur van de periode dat
                                    belanghebbende als gevolg van zijn gedragingen langer recht
                                    heeft op een uitkering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                    personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                    Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die
                                    wet, wordt een verlaging opgelegd van: </al><lijst><li nr="a."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden,
                                            bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het
                                            eerste lid genoemde personen;</al></li><li nr="b."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand,
                                            bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële
                                            zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen
                                            gericht tegen de in het eerste lid genoemde
                                            personen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                    college of zijn ambtenaren, die belast zijn met de uitvoering
                                    van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden
                                            bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het
                                            tweede lid genoemde personen;</al></li><li nr="b."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                            het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken
                                            en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht
                                            tegen de in het tweede lid genoemde personen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                    Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                    opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                    verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                                    verlaging is gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                    van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde
                                    lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor
                                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze
                                    verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de
                                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                    omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></li><li nr="3."><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel
                                    een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                    Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17,
                                    eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt
                                    geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een
                                    bestuurlijke boete wordt opgelegd. </al></li><li nr="4."><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                    van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                    de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17,
                                    eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting,
                                    waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor
                                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging of boete opgelegd,
                                    tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
                                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet
                                    verantwoord is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast
                                    vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7, 8, 12,
                                    eerste lid of 13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                    verwijtbare gedraging, wordt de duur van de oorspronkelijke
                                    verlaging verdubbeld.</al></li><li nr="2."><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast
                                    vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                                    de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                    gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                    Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                    bijstandsnorm gedurende drie maanden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Blijvende of gedeeltelijke weigering Ioaw/Ioaz</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenloop bij weigeren Ioaw/Ioaz</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze
                            weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren Ioaw- of Ioaz-uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate
                                    waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van
                                    artikel 8 van de Ioaw of de Ioaz zou hebben kunnen verwerven,
                                    als: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een
                                            dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel
                                            678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon
                                            ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of </al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van
                                            een persoon zonder dat aan de voortzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate
                                    waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van
                                    artikel 8 van de Ioaw van de Ioaz zou hebben kunnen verwerven,
                                    als een persoon: </al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of
                                        </al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            verkrijgt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan één of meerdere artikelen van deze verordening buiten
                            toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing, gelet op
                            het belang van het betoonde besef van verantwoordelijkheid en het
                            nakomen van de verplichtingen door belanghebbende, leidt tot een
                            onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente
                            Overbetuwe 2015, zoals vastgesteld bij besluit van 13 januari 2015,
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van
                            bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2017.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                            Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Overbetuwe.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 10 januari 2017.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. A.J. van den Brink MBA.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. A.S.F. van Asseldonk.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>