<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR439820_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsregeling OP EFRO Kennisontwikkeling 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Samenwerkingsverband Noord-Nederland</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-02-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Fryslân</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Groningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.snn.eu/bekendmakingbesluiten/">website snn.eu</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitvoeringsregeling OP EFRO Kennisontwikkeling 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://BWBR0036758">Regeling Europese EZ-subsidies (REES)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-01-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-02-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-02-03</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-02-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Geen want nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Uitvoeringsregeling OP EFRO Kennisontwikkeling 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland
                            zijnde Management Autoriteit Noord-Nederland;</vet></al><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de
                        Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale
                        Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling
                        “investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening
                        (EG) nr. 1080/2006 (PbEU L 347);</al><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de
                        Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het
                        Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                        Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het
                        Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen
                        inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal
                        Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en
                        visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad
                        (PbEU L 347);</al><al>gelet op de uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de commissie van 7
                        maart 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU)
                        nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende
                        gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale
                        Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees
                        Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor
                        maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds
                        voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en
                        het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met betrekking tot
                        methoden voor steun op het gebied van klimaatverandering, het vaststellen
                        van mijlpalen en streefdoelen in het prestatiekader en de nomenclatuur van
                        de categorieën steunverlening voor de Europese structuur- en
                        investeringsfondsen;</al><al>gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van
                        3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het
                        Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake
                        het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds,
                        het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en
                        het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen
                        inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal
                        Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en
                        visserij;</al><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
                        waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van
                        het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (de Algemene
                        groepsvrijstellingsverordening);</al><al>gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 821/2014 van de Commissie van
                        28 juli 2014 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening
                        (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft
                        gedetailleerde regelingen voor de overdracht en het beheer van
                        programmabijdragen, de verslaglegging over financieringsinstrumenten, de
                        technische kenmerken van voorlichtings- en communicatiemaatregelen voor
                        concrete acties, en het systeem voor de vastlegging en opslag van gegevens; </al><al>gelet op het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland;</al><al>gelet op de Uitvoeringswet EFRO;</al><al>gelet op de Regeling Europese EZ-subsidies;</al><al>gelet op de Algemene wet bestuursrecht;</al><al><vet>BESLUIT</vet></al><al>de volgende uitvoeringsregeling vast te stellen ter afbakening van een deel
                        van het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland: <vet>OP EFRO
                            Kennisontwikkeling 2017</vet>. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Verordening (EU) nr. 1303/2013</cursief>: Verordening (EU)
                                Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december
                                2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees
                                Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                                Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor
                                plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken
                                en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor
                                regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds
                                en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot
                                intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;</al></li><li nr="b."><al><cursief>Algemene Groepsvrijstellingsverordening</cursief>:
                                Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
                                waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en
                                108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden
                                verklaard; </al></li><li nr="c."><al><cursief>Regeling Europese EZ-subsidies (REES)</cursief>: Regeling
                                van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2015, nr.
                                WJZ / 15083650, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in
                                het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het
                                terrein van Economische Zaken (Regeling Europese EZ-subsidies);</al></li><li nr="d."><al><cursief>Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland (OP
                                    EFRO)</cursief>: het programma als bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 6, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 dat is
                                goedgekeurd door de Europese Commissie en geldt voor het landsdeel
                                Noord-Nederland (NUTS-regio NL1); </al></li><li nr="e."><al><cursief>RIS3</cursief>: Research &amp; Innovation Strategy for
                                Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de
                                innovatiestrategie voor Noord-Nederland voor de periode 2014-2020 is
                                uiteengezet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Maatschappelijke uitdagingen</cursief>: zoals beschreven in
                                hoofdstuk 3.2 van de RIS3 Noord-Nederland. </al></li><li nr="g."><al><cursief>SNN</cursief>: het Samenwerkingsverband
                                Noord-Nederland;</al></li><li nr="h."><al><cursief>DB SNN</cursief>: het dagelijks bestuur van het
                                Samenwerkingsverband Noord-Nederland;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Penvoerder</cursief>: de persoon of organisatie, die
                                zorgdraagt en verantwoordelijk is voor de projectadministratie,
                                aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages indien er sprake is
                                van twee of meer aanvragers van subsidie die samenwerken; </al></li><li nr="j."><al><cursief>Het Verdrag</cursief>: het Verdrag betreffende de werking
                                van de Europese Unie;</al></li><li nr="k."><al><cursief>Onderneming</cursief>: een onderneming is een organisatie
                                die erop is gericht met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen
                                aan het maatschappelijk productie- en of handelsproces met het
                                oogmerk om winst te behalen, waarbij het behalen van winst ook
                                redelijkerwijs verwacht kan worden. Een onderneming kan
                                verschillende juridische vormen aannemen, mits deze geen
                                publiekrechtelijk lichaam is en niet voor meer dan tien procent
                                structureel wordt gefinancierd door overheidsbijdragen.</al></li><li nr="l."><al><cursief>mkb-ondernemingen</cursief>: ondernemingen die voldoen aan
                                de vastgestelde criteria in Bijlage I van de Algemene
                                Groepsvrijstellingsverordening;</al></li><li nr="m."><al><cursief>kennisinstelling</cursief>: een:</al><lijst><li nr="I."><al>onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger
                                        onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling
                                        voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die
                                        wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business
                                        Universiteit:</al></li><li nr="II."><al>andere dan onder i bedoelde geheel of gedeeltelijk,
                                        meerjarig door de overheid gefinancierde
                                        onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten
                                        verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of
                                        technische kennis uit te breiden;</al></li><li nr="III."><al>geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat
                                        van de Europese Unie gefinancierde:</al><lijst><li nr="i."><al>openbare instelling voor hoger onderwijs of een
                                                daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een
                                                instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als
                                                bedoeld onder i;</al></li><li nr="ii."><al>onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die
                                                activiteiten verricht met als doel de algemene
                                                wetenschappelijke en technische kennis uit te
                                                breiden;</al></li></lijst></li><li nr="IV."><al>rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld
                                        onder i, ii of iii direct of indirect:</al><lijst><li nr="i."><al>meer dan de helft van het geplaatste kapitaal
                                                verschaft;</al></li><li nr="ii."><al>volledig aansprakelijk vennoot is, of</al></li><li nr="iii."><al>overwegende zeggenschap heeft;</al></li></lijst></li><li nr="V."><al>onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen
                                        medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het
                                        structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en
                                        testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de
                                        technologische kennis op een specifiek terrein te
                                        bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder i tot
                                        en met iv;</al></li></lijst></li><li nr="n."><al><cursief>De-minimisverordening</cursief>: Verordening (EU) Nr.
                                1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de
                                toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende
                                de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.</al></li><li nr="o."><al><cursief>Noord</cursief>-<cursief>Nederland:</cursief> De provincies
                                Fryslân, Groningen en Drenthe.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Deelplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het deelplafond als bedoeld in artikel 5.2.2. van de REES voor
                            subsidieaanvragen die zijn ontvangen in de periode van vrijdag 3
                            februari 2017 tot en met vrijdag 1 december 2017 bedraagt €
                            6.000.000,-.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB SNN verdeelt het in het eerste lid bedoelde bedrag op volgorde
                            van binnenkomst als bedoeld in artikel 5.2.7 van de REES. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit deelplafond staat open voor specifieke doelstelling B ‘Betere
                            kennispositie van het mkb door samen met andere bedrijven en/of
                            kennisinstellingen kennis aan te boren, te genereren en naar binnen te
                            halen binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke
                            uitdagingen’, zoals beschreven in sectie 1.1 en secties 2.A.5 en 2.A.6.1
                            onder prioritaire as 1 van het OP EFRO. In aanvulling op deze secties
                            geldt dat aanvragen alleen voor subsidie in aanmerking komen als zij
                            betrekking hebben op één van de volgende typen projecten:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="§"><al><cursief>Voorwaardenscheppende projecten,
                                            </cursief>waaronder wordt verstaan een project dat
                                            gunstige randvoorwaarden creëert voor het ontstaan van
                                            op kennisontwikkeling en op innovatie gerichte
                                            samenwerkingsprojecten. Dit dient te worden
                                            bewerkstelligd door verbeteringen aan te brengen in
                                            bestaande netwerken en netwerkstructuren. Deze
                                            verbeteringen zorgen ervoor dat deze netwerken zich meer
                                            gaan focussen op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling
                                            en het doorvoeren van innovaties. In de bijzondere
                                            situatie dat netwerken aantoonbaar ontbreken en
                                            noodzakelijk zijn om de innovatie-infrastructuur van het
                                            mkb te versterken kan het ook gaan om het ontwikkelen
                                            van nieuwe netwerken. Het gaat dan om laagdrempelige
                                            netwerken en om netwerken over sectorgrenzen
                                                heen<cursief>.</cursief></al></li><li nr="§"><al><cursief>Kennisontwikkelingsprojecten,
                                            </cursief>waaronder wordt verstaan een project dat zich
                                            richt op kennisontwikkeling, zijnde een
                                            onderzoeksproject of een andersoortig project waarin
                                            kennisontwikkeling centraal staat. Het project dient een
                                            sterk onderscheidend karakter en een perspectief op
                                            innovatie te hebben.</al><al> en bovendien</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>voor zover er geen sprake is van staatssteun of voor zover het
                                    steun betreft die op grond van de artikelen 107 en 108 van het
                                    Verdrag met de interne markt verenigbaar zijn verklaard, en</al></li><li nr="-"><al>voor zover de projectresultaten ten goede komen aan
                                    Noord-Nederland (artikel 70 AGVV). </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte en doelgroep van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al>Natuurlijke ondernemingsvormen;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspersonen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt subsidie verstrekt ter hoogte van 40% van de totale
                            subsidiabele kosten, met uitzondering van projecten waarbij de totale
                            subsidiabele kosten hoger zijn dan € 2.500.000,- en dientengevolge de
                            subsidie hoger zou uitvallen dan het in lid 5 vermelde maximale bedrag.
                            In dat laatste geval geldt de maximale subsidie als genoemd in lid
                            5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In aanvulling hierop geldt dat de hoogte van het subsidiepercentage per
                            aanvrager kan worden beperkt indien de regels van de Algemene
                            Groepsvrijstellingsverordening daartoe nopen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien de berekening van het
                            subsidiebedrag op grond van de leden 2 en 3, minimaal € 100.000,- per
                            project bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000,- per project.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Indienen van een subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag kan worden ingediend bij het SNN via een daarvoor
                            ontwikkeld web portaal dat bereikbaar is via www.snn.eu. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een
                            door SNN opgesteld volledig ingevuld aanvraagformulier, vergezeld van de
                            in het aanvraagformulier genoemde documenten. Hiervoor dienen door het
                            SNN verstrekte vaste formats te worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afwijzen van een subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub c van de REES wordt een aanvraag
                            afgewezen indien het project niet voldoende bijdraagt aan de
                            verwezenlijking van het gedeelte van het programma waarvoor het
                            deelplafond beschikbaar is gesteld. Indien niet minimaal 70 van de 100
                            punten worden gehaald, waarbij de verdeling van de punten is opgenomen
                            in artikel 8, draagt het project in ieder geval niet voldoende bij aan
                            de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in deze
                            uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag wordt op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub e van de
                            REES afgewezen indien de managementautoriteit door toewijzing niet zou
                            voldoen aan een van de verplichtingen gesteld in artikel 125 van
                            verordening 1303/2013. Dit houdt onder andere in dat een aanvraag in
                            ieder geval wordt afgewezen indien: </al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische
                            haalbaarheid van het project;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project
                            financieel, ruimtelijk of anderszins, obstakelvrij is; </al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>niet aannemelijk is dat het project fysiek kan zijn voltooid of dat alle
                            concrete acties (projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden
                            gelegd binnen de periode die ligt tussen de datum van indiening van de
                            aanvraag en drie jaar na afgifte van een verleningsbeschikking. De
                            concrete acties zijn volledig ten uitvoer gelegd als alle activiteiten
                            die leiden tot outputs en resultaten volledig zijn uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de aanvraag minder dan 1 punt scoort op het criterium duurzaamheid,
                            zoals beschreven in artikel 8, lid 1 sub e;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>tegen een aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in
                            artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene
                            groepsvrijstellingsverordening;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in
                            Verordening (EU) 651/2014 van 17 juni 2014.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uit Verordening (EU) nr. 1303/2013 en bijbehorende documenten, het OP
                            EFRO en de REES volgt welke soorten kosten op welke wijze subsidiabel
                            zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling hierop geldt dat de subsidiabele kostensoorten kunnen
                            worden beperkt indien staatssteunregels daartoe nopen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Projectperiode en kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uiterlijk drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking dient het
                            project fysiek te zijn voltooid en/of dienen alle projectactiviteiten
                            volledig ten uitvoer te zijn gelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Projectkosten zijn subsidiabel voor zover de verplichtingen die leiden
                            tot werkzaamheden zijn aangegaan na de datum van ontvangst van de
                            subsidieaanvraag door het SNN en de werkzaamheden die tot de kosten
                            leiden zijn verricht vóór de einddatum van het project. Daarbij dienen
                            de projectkosten betaald te zijn binnen 13 weken na de einddatum van de
                            projectperiode. Dit met uitzondering van eventuele
                            accountantswerkzaamheden die verricht worden ten behoeve van het verzoek
                            tot definitieve vaststelling. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alleen projectkosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan en
                            noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project zijn
                            subsidiabel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan de Bestuurscommissie Economische Zaken van
                            het SNN afwijken van de bepaling van het in het tweede lid bepaalde,
                            voor zover de Europese (staatssteun)regels daarvoor ruimte bieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beoordelingscriteria</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden
                                beoordeeld op vijf beoordelingscriteria (a t/m e). Ten aanzien van
                                beoordelingscriteria a t/m c zijn er verschillen tussen
                                voorwaardenscheppende projecten en
                                kennisontwikkelingsprojecten.</al><al>a.Zowel <cursief>voorwaardenscheppende projecten</cursief> als
                                    <cursief>kennisontwikkelingsprojecten</cursief> dienen bij te
                                dragen aan de specifieke doelstelling B van het Operationeel
                                Programma 2014-2020 Noord-Nederland: ‘Betere kennispositie van het
                                mkb door samen met andere bedrijven en/of kennisinstellingen kennis
                                aan te boren, te genereren en naar binnen te halen binnen de in de
                                RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen’:</al></li><li nr="-"><al>Inzake <cursief>voorwaardenscheppende projecten</cursief> wordt bij
                                criterium a beoordeeld in hoeverre het project gunstige
                                randvoorwaarden creëert voor het ontstaan van op kennisontwikkeling
                                en op innovatie gerichte samenwerkingsprojecten door verbeteringen
                                aan te brengen in netwerken en netwerkstructuren. Het onderscheidend
                                karakter van het project kan onder meer blijken uit de volgende
                                elementen: </al><lijst><li nr="§"><al>De mate waarin netwerken zich focussen op
                                        kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van
                                        innovaties;</al></li><li nr="§"><al>De mate waarin een integrale en/of cross-sectorale aanpak
                                        wordt gevolgd met betrokkenheid van relevante partijen ten
                                        behoeve van het Noord-Nederlandse innovatie-ecosysteem;</al></li><li nr="§"><al>De mate waarin het netwerk laagdrempelig is voor het
                                        mkb.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Inzake <cursief>kennisontwikkelingsprojecten</cursief> wordt bij
                                criterium a beoordeeld in hoeverre het project gericht is op
                                kennisontwikkeling, zijnde een onderzoeksproject of een andersoortig
                                project waarin kennisontwikkeling centraal staat, en in hoeverre het
                                project onderscheidend is. Het onderscheidende karakter van het
                                project kan blijken uit onder meer de volgende elementen:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="§"><al>De maatschappelijke betekenis die de resultaten
                                                kunnen hebben;</al></li><li nr="§"><al>De mate waarin sprake is van een cross-over tussen
                                                bedrijven uit diverse sectoren;</al></li><li nr="§"><al>De mate van betrokkenheid van mkb’ers in het
                                                samenwerkingsverband.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>De mate van innovativiteit</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Het onderscheidend karakter van <cursief>een
                                    voorwaardenscheppendproject</cursief> op dit criterium kan onder
                                meer tot uiting komen in de volgende elementen:</al><lijst><li nr="§"><al>De aannemelijkheid dat de resultaten van dit project
                                        innovatief zijn;</al></li><li nr="§"><al>De mate waarin competenties of voorzieningen worden
                                        toegevoegd aan het bestaande innovatie-ecosysteem.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Het onderscheidend karakter van een
                                    <cursief>kennisontwikkelingsproject</cursief> op dit criterium
                                kan onder meer tot uiting komen in de volgende elementen:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="§"><al>De mate van innovativiteit van de kennis die het
                                                project oplevert;</al></li><li nr="§"><al>Hoe de nieuwe kennis zich verhoudt tot
                                                (inter-)nationale ontwikkelingen;</al></li><li nr="§"><al>De wijze en mate van kennisinbreng- en uitwisseling
                                                door de partners binnen het project;</al></li><li nr="§"><al>De betrokkenheid van relevante partijen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>De kwaliteit van de business case</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Het onderscheidend karakter van <cursief>een
                                    voorwaardenscheppendproject </cursief>op dit criterium kan onder
                                meer tot uiting komen in de volgende elementen:</al><lijst><li nr="§"><al>Het verwachte aantal concrete innovatietrajecten door
                                        samenwerkend mkb, die vanuit het voorwaardenscheppend
                                        project kunnen gaan ontstaan, in relatie tot het gevraagde
                                        subsidiebedrag;</al></li><li nr="§"><al>Haalbaarheid van de realisatie van dit project en de
                                        risico’s;</al></li><li nr="§"><al>De mate waarin en reden waarom de aanvrager bereid is een
                                        eigen bijdrage in dit project te stoppen. De bereidheid om
                                        deze stap te zetten gekoppeld aan de risico’s en
                                        perspectieven van de projectresultaten;</al></li><li nr="§"><al>De wijze waarop (op termijn) de exploitatie van het nieuwe
                                        netwerk / uitbreiding van het bestaande netwerk is
                                        geborgd;</al></li><li nr="§"><al>Waarborging van de gebruikersoriëntatie c.q.
                                        vraaggestuurdheid van de doelgroep (mkb) gewaarborgd, zowel
                                        op de korte als lange termijn.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Het onderscheidend karakter van een
                                    <cursief>kennisontwikkelingsproject</cursief> op dit criterium
                                kan tot uiting komen in de volgende elementen:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="§"><al>De haalbaarheid van de realisatie van het project in
                                                relatie tot de risico’s;</al></li><li nr="§"><al>De mate van perspectief op concrete vermarkting (op
                                                termijn) van de kennis die binnen het project wordt
                                                ontwikkeld (koppeling met opvolgende
                                                valorisatietraject(en); </al></li><li nr="§"><al>De mate waarin en reden waarom elke aanvrager bereid
                                                is een eigen bijdrage in dit project te stoppen. De
                                                bereidheid om deze stap te zetten gekoppeld aan de
                                                risico’s en perspectieven van de
                                                projectresultaten.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>De kwaliteit van de aanvraag</al></li></lijst></li></lijst><al>Hierbij wordt zowel bij voorwaardenscheppende projecten als
                        kennisontwikkelings-projecten met name gelet op de volgende elementen:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="§"><al>De helderheid en eenduidigheid van de aanvraag; </al></li><li nr="§"><al>De wijze waarop het project organisatorisch en
                                        subsidietechnisch is ingericht.</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>Duurzaamheid</al></li></lijst><al>Hierbij wordt getoetst of het project voldoet aan de waarborging van gelijke
                        kansen en voorkoming van discriminatie en of het project geen negatieve
                        effecten op het milieu kent.</al><al>Verder wordt gelet op de mate waarin het project een onderscheidende
                        bijdrage levert op het gebied van duurzaamheid. Elementen die een project
                        onderscheidend kunnen maken op het gebied van duurzaamheid kunnen zowel bij
                        voorwaardenscheppende projecten als kennisontwikkelingsprojecten zijn:</al><al>Ten aanzien van het aspect ‘people’:</al><lijst><li nr="-"><al>De investering die wordt gedaan en de resultaten die worden beoogd
                                in de opleiding en ontwikkeling van mensen;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan arbeidsvitaliteit, gezondheid en sociale mobiliteit
                                van mensen; </al></li><li nr="-"><al>De werkgelegenheid die wordt gegenereerd, bijvoorbeeld voor hoger
                                opgeleiden, lager opgeleiden en mensen met beperkingen, of een
                                afstand tot de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke impact.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van het aspect ‘planet’:</al><lijst><li nr="-"><al>De bijdrage aan CO2-reductie en reductie van overige
                                broeikasgassen;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan energiebesparing en/of de omschakeling naar schone
                                energie;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan het verminderen van grondstofgebruik en
                                watergebruik</al></li><li nr="-"><al>De omgang met afval en restmaterialen;</al></li><li nr="-"><al>De impact op het omringende ecosysteem en de omringende ruimte en
                                leefomgeving.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van het aspect ‘profit’:</al><lijst><li nr="-"><al>De bijdrage aan regionale bewustwording, over de noodzaak van en het
                                streven naar een circulaire en inclusieve economie;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan de profilering van het bedrijf als een sociaal en
                                duurzaam /maatschappelijk verantwoorde onderneming;</al></li><li nr="-"><al>De manier waarop de onderneming zich maatschappelijk
                                verantwoordt.</al></li><li nr="2."><al>De criteria zoals genoemd onder lid 1 worden in eerste instantie
                                kwalitatief beoordeeld waarbij verschillende gradaties mogelijk
                                zijn: “goed”, “ruim voldoende”, “voldoende”, “matig”, “neutraal” of
                                “onvoldoende”. Deze beoordeling wordt omgezet in een
                                puntenbeoordeling. </al><al>a.Voor criterium a zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 30 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 30 punten</al></li><li nr="-"><al>ruim voldoende = 25 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 20 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al><al>b.Voor criterium b zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 25 punten worden behaald.</al></li><li nr="-"><al>goed = 25 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 20 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al><al>c.Voor criterium c zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 20 punten worden behaald.</al></li><li nr="-"><al>goed = 20 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 15 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al><al>d.Voor criterium d zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 10 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al><al>e.Voor criterium e zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 15 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 15 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>neutraal = 1 punt</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indicatoren</titel></kop><al>Het OP EFRO voor Noord-Nederland kent output- en resultaatindicatoren.</al><lijst><li nr="1."><al>Resultaatindicator R02 “Aandeel bedrijven van het totaal aantal
                                innovatieve bedrijven dat samenwerkt met bedrijven en
                                kennisinstellingen” is gekoppeld aan de specifieke doelstelling B.
                                De aanvrager dient de bijdrage aan de resultaatindicator bij de
                                aanvraag en in het verzoek tot vaststelling kwalitatief te
                                onderbouwen. Beoordeling is onderdeel van de inhoudelijke
                                beoordeling van de aanvraag en het eindafrekeningsverzoek.
                                Resultaatindicatoren gelden niet op projectniveau en worden niet
                                door de subsidieaanvrager gekwantificeerd.</al></li><li nr="2."><al>Outputindicatoren gelden op projectniveau. Het OP EFRO kent tabellen
                                met outputindicatoren, ‘Tabel 5’, die een kwantitatieve weergave
                                vormen van de in het OP EFRO, in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as
                                1, beschreven acties.</al></li><li nr="3."><al>De outputindicatoren zijn afkomstig uit het OP EFRO en als bijlage
                                II bij deze uitvoeringsregeling gevoegd.</al><lijst><li nr="i."><al>De aanvrager dient uit de lijst in de bijlage al die
                                        outputindicatoren te selecteren die op het project van
                                        toepassing zijn. De aanvrager dient voor elke geselecteerde
                                        indicator een streefwaarde te bepalen voor het project. De
                                        streefwaarde is de waarde die beoogd wordt te zijn bereikt
                                        op het moment dat het project fysiek is afgerond of alle
                                        concrete acties volledig ten uitvoer zijn gelegd.</al></li><li nr="ii."><al>De keuze van de indicator en het bepalen van de streefwaarde
                                        dienen plaats te vinden op grond van de definities in
                                        bijlage II bij deze uitvoeringsregeling De keuze van de
                                        indicator en de streefwaarde dienen in de aanvraag te worden
                                        gemotiveerd.</al></li><li nr="iii."><al>Het niet selecteren van relevante outputindicatoren of het
                                        niet leveren van (overtuigende) onderbouwingen kan leiden
                                        tot afwijzing van de aanvraag.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Penvoerderschap en administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages in een project waar
                            een of meer subsidieaanvragers samenwerken dienen door de penvoerder
                            gedaan te worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het SNN verricht betalingen enkel aan de penvoerder. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in een project een of meer subsidieaanvragers samenwerken dient
                            de samenwerking te worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
                            De overeenkomst dient door alle partijen te worden ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien binnen een project andere dan bovengenoemde samenwerkende
                            ondernemingen direct van de subsidie profiteren, dan is de
                            verantwoordelijkheid van de penvoerder de namen van de betreffende
                            ondernemingen en de manier waarop deze profiteren vast te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Rapportage en bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieaanvrager dient twee keer per jaar een voortgangsrapportage
                            in te dienen betreffende de financiële en inhoudelijke voortgang in de
                            realisatie van het project over de voorafgaande periode. Gerapporteerd
                            dient te worden volgens een daarvoor door het SNN verstrekt format.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorschot kan worden verstrekt indien voorafgaand aan of tegelijk
                            met het verzoek tot voorschot de voortgangsrapportage is ingediend, voor
                            zover voldaan is aan de voorwaarden en regelgeving en onder voorbehoud
                            van de beschikbaarheid van financiering door de Europese Commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het voorschot wordt evenredig bepaald op basis van de gemaakte en
                            betaalde kosten in de periode waarop de voortgangsrapportage betrekking
                            heeft. Om de hoogte van het voorschot te berekenen wordt dit bedrag
                            vermenigvuldigd met het percentage dat volgt uit het delen van de
                            toegekende subsidie door de totale subsidiabele kosten van het project.
                        </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de subsidieaanvrager in gebreke blijft met het indienen van een
                            deugdelijke voortgangsrapportage, kan de subsidie ingetrokken of
                            verlaagd worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Realisatie indicatoren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvrager dient tijdens de uitvoering van het project de realisatie
                            van de outputindicatoren te registreren. Aan de realisatiewaarden dienen
                            bewijsstukken ten grondslag te liggen, overeenkomstig de voorschriften
                            in bijlage II bij deze uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over de realisatiewaarden van de outputindicatoren dient door de
                            aanvrager gedurende de uitvoering van het project in
                            voortgangsrapportages, en na afloop van het project in het eindverslag
                            te worden gerapporteerd. Rapportage dient plaats te vinden in een door
                            het SNN beschikbaar gesteld format. De aanvrager dient op aanvraag
                            bewijsstukken te overleggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Realisatie van het project</titel></kop><al>Na afronding van de projectactiviteiten dient de subsidieaanvrager een
                        verklaring af te geven dat het project fysiek is afgerond of dat alle
                        projectactiviteiten volledig ten uitvoer zijn gelegd. De verklaring dient te
                        worden afgegeven in een door het SNN verstrekt format. De verklaring dient
                        bij het verzoek tot vaststelling te worden gevoegd of op verzoek van het SNN
                        eerder te worden overgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieaanvrager dient uiterlijk 13 weken na de einddatum van het
                            project een verzoek om definitieve vaststelling van de subsidie in bij
                            het SNN.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om definitieve vaststelling wordt ingediend volgens een
                            daarvoor door het SNN ter beschikking gesteld format, vergezeld van de
                            daarin genoemde documenten. Een rapport van bevindingen opgesteld door
                            een accountant kan mogelijk onderdeel uitmaken van deze documenten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie kan lager worden vastgesteld wanneer de gerealiseerde
                            subsidiabele kosten lager zijn dan begroot, waarbij het
                            subsidiepercentage wordt gehanteerd zoals aangegeven in artikel 3.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het SNN kan de betaling die volgt uit de vaststellingsbeschikking
                            opschorten indien de financiering van de Europese Commissie niet
                            beschikbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze uitvoeringsregeling wordt gepubliceerd en treedt in werking op 3
                            februari 2017.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze uitvoeringsregeling werkt terug tot en met 3 februari 2017 voor
                            zover de bekendmaking plaatsvindt na 3 februari 2017. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze uitvoeringsregeling wordt aangehaald als Uitvoeringsregeling OP EFRO
                        Kennisontwikkeling 2017</al></artikel></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II: Outputindicatoren Uitvoeringsregeling OP EFRO
                        Kennisontwikkeling 2017</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling </titel></kop><tussenkop>Een algemene toelichting op deze uitvoeringsregeling is te vinden in het
                    Spoorboekje Innovatie-instrumentarium Noord-Nederland. Dit document is te vinden
                    op de SNN website.</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Op grond van de Verordening (EU) 1303/2013 is voor Noord-Nederland een
                    Operationeel Programma opgesteld. Dit OP EFRO geeft het kader weer voor de inzet
                    van middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in
                    Noord-Nederland in de periode 2014-2020. Het OP EFRO voor Noord-Nederland is op
                    15 december 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie. Deze
                    uitvoeringsregeling is bedoeld voor subsidieaanvragen op grond van een deel van
                    het OP EFRO. </al><al>In de verordening 1303/2013 die specifieke bepalingen geeft voor (onder andere)
                    het EFRO zijn voorwaarden en bepalingen voor EFRO-subsidies opgenomen. Op
                    nationaal niveau is de Regeling Europese EZ-subsidies (REES) vastgesteld die
                    naast de bepalingen van de Europese verordening ook bepalingen kent die van
                    toepassing zijn op projecten die ondersteuning ontvangen vanuit EFRO. In de REES
                    is de mogelijkheid gecreëerd voor de managementautoriteiten, waaronder het SNN
                    voor het OP EFRO voor Noord-Nederland, om aanvullende deelplafonds en
                    voorwaarden te stellen. Deze uitvoeringsregeling geeft daar invulling aan in de
                    vorm van een regeling waarvan de aanvragen worden beoordeeld op volgorde van
                    binnenkomst. </al><al>Bij de beoordeling of een project voor subsidie in aanmerking komt, zijn al deze
                    bepalingen van belang.</al><al>Het OP EFRO richt zich op het stimuleren van innovatie binnen het innovatief
                    Midden- en Kleinbedrijf in Noord-Nederland. Binnen het OP EFRO zijn vier
                    zogeheten specifieke doelstellingen geformuleerd (A t/m D), waarvan deze
                    uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2017 zich richt op specifieke
                    doelstelling B van het OP: <cursief>‘Betere kennispositie van het mkb door samen
                        met andere bedrijven en/of kennisinstellingen kennis aan te boren, te
                        genereren en naar binnen te halen binnen de in de RIS3 geïdentificeerde
                        maatschappelijke uitdagingen.</cursief>’ In essentie betekent dit het voor
                    ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf makkelijker maken om kennis binnen
                    te halen en te benutten. Deze uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling richt zich
                    dus primair op innovatiestimulering bij Noord-Nederlandse mkb’ers. In de
                    toelichting op artikel 8 wordt een nadere duiding aan de beoordelingscriteria
                    gegeven. Dat geeft een aanvrager informatie over wat wordt verstaan met een
                    ‘goed’ voorwaardenscheppend project of kennisontwikkelingsproject.</al><al>De RIS3 is de ‘Research &amp; Innovation Strategy for Smart Specialization’, een
                    overkoepelende innovatiestrategie, die Noord-Nederland voor de periode 2014-2020
                    heeft opgesteld. De RIS3 is nader uitgewerkt in een Noordelijke Innovatieagenda
                    (NIA).</al><al>Kenmerkend voor RIS3 en NIA is het uitgangspunt te werken aan grote
                    maatschappelijke vraagstukken, de maatschappelijke uitdagingen. Voor deze
                    uitvoeringsregeling worden aanvragers uitgedaagd om te komen met projecten die
                    gericht zijn op de vier maatschappelijke uitdagingen uit de RIS3: uitdagingen
                    die spelen binnen de domeinen Gezondheid, demografie en welzijn;
                    Voedselzekerheid, duurzame landbouw en bio-economie; Zekere, schone en
                    efficiënte energie; en Schone, veilige watervoorziening. Deze domeinen moeten
                    niet opgevat worden als een sectorale afbakening. Bedrijven uit elke sector
                    worden uitgenodigd te innoveren binnen deze vier domeinen.</al><al>De innovatiepiramide, zoals opgenomen in het OP, deelt bedrijven in in vijf
                    categorieën: koplopers, ontwikkelaars, toepassers, volgers en niet-innovatieven.
                    Op grond van onderzoek waaruit blijkt dat Noord-Nederland relatief veel volgers
                    en relatief weinig toepassers en ontwikkelaars kent, is het OP erop gericht om
                    volgers toepassers te laten worden en toepassers ontwikkelaars te laten worden.
                    Dit krijgt in het OP EFRO vorm door de aandacht te richten op die criteria die
                    maken dat volgers volgers zijn en toepassers toepassers zijn. </al><al>In het TRL-model worden negen verschillende fases onderscheiden in het
                    innovatieproces, beginnend met fundamenteel onderzoek (TRL1), tot en met
                    marktintroductie van een nieuw product of nieuwe dienst (TRL9). Met de deze
                    uitvoeringsregeling wordt wat betreft de kennisontwikkelingsprojecten (dus niet
                    de voorwaardenscheppende projecten) met name ingezet op het faciliteren van de
                    ontwikkelstadia die voorafgaan aan validatie en demonstratie en daarmee wat
                    verder van marktintroductie afstaan: TRL 3 en TRL 4:</al><al>• TRL 3: proof-of-concept</al><al>• TRL 4: implementatie en test prototype</al><al>In het OP EFRO is er voor gekozen te werken met gedeeltelijke openstelling van
                    loketten en verschillende subsidie-instrumenten. Gedeeltelijke openstelling van
                    het programma vloeit voort uit een strategie, waarbij gedurende de
                    programmaperiode tot een gelijkmatige en gerichte invulling van het programma
                    wordt gekomen. Hierbij worden keuzes ten aanzien van inhoud en instrumenten
                    optimaal afgestemd op de in het programma geformuleerde doelstellingen en te
                    ondersteunen initiatieven.</al><al> In elk geval een deel van het OP EFRO wordt opengesteld via zogenoemde tenders,
                    waarbij het loket voor indienen van aanvragen een specifieke periode open staat
                    en een vast sluitingsmoment kent. Ook kent het programma uitvoeringsregelingen,
                    waarbij aanvragen op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode worden
                    beoordeeld. De onderhavige Uitvoeringsregeling OP EFRO Kennisontwikkeling 2017
                    geeft de verdere invulling aan genoemde manier van uitvoering van het
                    programma.</al><al> Kenmerkend voor een zogenaamde ‘call’, die uitgaat van het molenaarsprincipe,
                    is dat aanvragen in de openstellingsperiode kunnen worden ingediend en na
                    compleetheid worden beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria
                    (zie ook de toelichting op artikel 8). Projecten die voldoen aan de minimale
                    vereisten, waaronder een score van minimaal 70 van de 100 punten, worden op
                    volgorde van ontvangst beschikt totdat het plafond van de uitvoeringsregeling is
                    bereikt. </al><al>Bij het uitvoeren van deze uitvoeringsregeling wordt gebruik gemaakt van een
                    deskundigencommissie. Deze bestaat uit externe deskundigen met expertise op het
                    gebied van onder meer innovatie, business-cases, duurzaamheid, arbeidsmarkt en
                    koolstofarme economie. Het werken met experts sluit aan bij de uitgangspunten
                    van de RIS3 en NIA, van een overheid die meer op afstand opereert. De
                    deskundigencommissie adviseert het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN) over
                    de subsidietoekenningen. Het DB SNN neemt vervolgens een besluit. Het DB SNN
                    heeft deze bevoegdheid gemandateerd aan de Bestuurscommissie Economische Zaken
                    van het SNN (BC EZ).</al><al>Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een
                    deskundigencommissie is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit
                    drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan, daarna volgt een toets
                    waarbij wordt beoordeeld of het project voldoet aan de eisen om los van de
                    beoordelingscriteria (de rankingscriteria) voor subsidie in aanmerking te komen,
                    dus of er geen sprake is van afwijzingsgronden. Denk hierbij aan de
                    staatssteunregelgeving, de maximaal gevraagde subsidie en de uitvoeringsperiode.
                    In deze fase wordt ook getoetst of het project past binnen het opengestelde deel
                    van het programma, dat wil zeggen voldoende bijdraagt aan specifieke
                    doelstelling B van het OP EFRO. Indien het project aan deze criteria voldoet,
                    dan wordt het in de derde fase voorgelegd aan de deskundigencommissie. De
                    deskundigencommissie beoordeelt het project inhoudelijk op kwaliteit en geeft
                    advies ten aanzien van de ranking. Indien hiertoe aanleiding is kan een
                    afwijkende werkwijze worden gevolgd.</al><al> De beoordeling wordt uitgedrukt in kwalitatieve scores die verschillende
                    gradaties kennen: goed, ruim voldoende, voldoende, matig, neutraal en
                    onvoldoende. Uit toekenning van de kwalitatieve score volgt automatisch een
                    kwantitatieve score, die maximaal 100 punten kan zijn (zie art. 8 lid 2). </al><al>Het OP EFRO kent resultaat- en outputindicatoren. Resultaatindicatoren worden
                    niet op projectniveau geregistreerd. Resultaatindicatoren bevinden zich op een
                    hoger abstractieniveau: het niveau van de specifieke doelstellingen. Elke
                    specifieke doelstelling is gekoppeld aan één resultaatindicator.
                    Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt
                    gebracht. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de
                    projectactiviteiten. Bij de aanvraag dient de keuze van outputindicatoren te
                    worden gemotiveerd. Streefwaarden dienen aannemelijk te worden gemaakt.
                    Gedurende de uitvoering van het project dienen realisatiewaarden van indicatoren
                    met bewijsstukken te worden gestaafd.</al><al>Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting. </al><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze uitvoeringsregeling
                    aan wordt gerefereerd. Daar waar van toepassing is de herkomst van de definities
                    weergegeven.</al><al>Onder f worden de maatschappelijke uitdagingen bedoeld zoals beschreven in de
                    RIS3. Deze vier maatschappelijke uitdagingen vormen het kader waarbinnen het OP
                    EFRO Noord-Nederland en daarmee deze uitvoeringsregeling worden uitgevoerd. Alle
                    projecten dienen een bijdrage te leveren aan het komen tot innovatieve
                    oplossingen voor minimaal één van de vier maatschappelijke uitdagingen die in de
                    RIS3 zijn beschreven. Deze maatschappelijke uitdagingen bevinden zich op het
                    gebied van Gezondheid, demografie en welzijn, Voedselzekerheid, duurzame
                    landbouw en bio-economie, Zekere, schone en efficiënte energie en Schone,
                    veilige watervoorziening. </al><tussenkop>Artikel 2 Deelplafond</tussenkop><al>Dit artikel gaat in op de afbakening die specifiek voor deze uitvoeringsregeling
                    geldt. Het geeft aan welk onderdeel van het OP EFRO binnen dit deelplafond is
                    opengesteld. </al><al>Lid 1 legt de openstelling van het loket vast, alsmede ook het beschikbare
                    budget. Van belang is dat de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn op vrijdag 1
                    december 2017. De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats via het
                    zogenoemde molenaarsprincipe: “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Het is
                    daarmee mogelijk dat het beschikbare budget voor 1 december 2017 op is.</al><al>Lid 3 gaat over de inhoudelijke afbakening. Het OP EFRO voor Noord-Nederland
                    kent vier (inhoudelijke) specifieke doelstellingen: A t/m D. Deze
                    uitvoeringsregeling is gericht op specifieke doelstelling B ‘B ‘Betere
                    kennispositie van het mkb door samen met andere bedrijven en/of
                    kennisinstellingen kennis aan te boren, te genereren en naar binnen te halen
                    binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen’. </al><al>Het project dient aan te sluiten bij de algehele strategie van het OP EFRO,
                    omschreven in sectie 1.1, te passen binnen, en bij te dragen aan specifieke
                    doelstelling B, zoals beschreven in sectie 2.A.5 en onder prioritaire as 1 van
                    het OP EFRO en aan te sluiten bij de voor specifieke doelstelling B beschreven
                    maatregelen in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as 1 van het OP EFRO.</al><al>Binnen deze call Kennisontwikkeling 2017 kunnen twee typen projecten
                    gesubsidieerd worden, voorwaardenscheppende projecten en
                    kennisontwikkelingsprojecten. In lid 3 is elk type project nader gedefinieerd. </al><al>Bij <vet>voorwaardenscheppende projecten</vet> gaat het om het verbeteren van
                    bestaande netwerken of netwerkstructuren waarin mkb’ers participeren. Deze
                    netwerken dienen toe te zien op het versterken van de innovatie-infrastructuur
                    van het mkb en zijn bovendien laagdrempelig en waar mogelijk
                    sector-overschrijdend. De projectactiviteiten dienen als doel te hebben het
                    aanzetten tot en faciliteren van het mkb in het opzetten van op
                    kennisontwikkeling en innovatie gerichte samenwerkingsprojecten. </al><al>Wanneer het gaat om verbeteringen in bestaande netwerken, dan gaat het om
                    verbeteringen die ervoor zorgen dat dergelijke netwerken zich meer gaan focussen
                    op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van innovaties.
                    Verbeteringen kunnen bijvoorbeeld zitten in het toevoegen van specifieke
                    competenties (zoals, creativiteit, innovativiteit en het combineren van
                    kennisgebieden), het anders benutten van netwerken en het onderling verbinden
                    van netwerken over sectorgrenzen heen.</al><al>In <cursief>bijzonderegevallen</cursief> kan ook het ontwikkelen van nieuwe
                    netwerken worden ondersteund: daar waar netwerken aantoonbaar ontbreken en
                    noodzakelijk zijn om de innovatie-infrastructuur van het mkb te versterken. Net
                    als bij bestaande netwerken geldt bij nieuwe netwerken dat deze laagdrempelig
                    dienen te zijn en mogelijk sector-overschrijdend zijn (cross-overs). De
                    complementariteit van het nieuwe netwerk ten opzichte van bestaande netwerk en
                    de vraagbehoefte zal bij subsidieaanvragen voor nieuwe netwerken uiteraard zeer
                    goed onderbouwd moeten worden.</al><al>In algemene zin geldt dat projecten die voor subsidie in aanmerking komen binnen
                    de categorie ‘voorwaardenscheppend project’, een antwoord geven op de vraag: hoe
                    komen we van netwerken naar op kennisontwikkeling, kennisdeling en innovatie
                    gerichte samenwerkingsprojecten? Hoe zorgen we ervoor dat voor meer en meer
                    mkb-bedrijven innovatie een integraal en strategisch onderdeel van de
                    bedrijfsvoering gaat worden? In de terminologie van het OP EFRO betekent dit dat
                    meer volgers toepassers worden en meer toepassers ontwikkelaars en koplopers
                    worden. Kortom, meer en meer mkb-ondernemingen nemen ‘innoveren’ op in hun
                    ‘DNA’.</al><al>Goede projecten onderscheiden zich onder meer in de integrale aanpak die wordt
                    gevolgd, met betrokkenheid van relevante partijen, en de bijdrage die wordt
                    geleverd aan het dynamischer maken van het Noord-Nederlandse
                    innovatie-ecosysteem.</al><al><cursief>Het financieren van (de exploitatie van) netwerkorganisaties valt
                        nadrukkelijk niet binnen de reikwijdte van de
                    uitvoeringsregeling</cursief>.</al><al>Bij <vet>kennisontwikkelingsprojecten</vet> wordt gedoeld op projecten waarbij
                    kennisontwikkeling centraal staat en die zich in de kern nog wat verder van de
                    markt vandaan bevinden; in het stadium voorafgaand aan valorisatie en
                    demonstratie (TRL 3-4). Het gaat om onderzoeksprojecten of andersoortige
                    projecten waarin kennisontwikkeling centraal staat. Binnen het project dienen
                    minimaal twee partijen met elkaar samen te werken, waaronder minimaal één
                    mkb-onderneming. In de praktijk zal het kunnen gaan om ‘2-dimensionale’
                    projecten of om projecten waarbij de resultaten door een groter aantal partijen
                    gebruikt zullen kunnen gaan worden.</al><al>Het project dient een sterk onderscheidend karakter en een perspectief op
                    innovatie te hebben, dat bijdraagt aan het oplossen van minimaal één van de
                    maatschappelijke uitdagingen. Het onderscheidende element kan zitten in het
                    onderzoek zelf, bijvoorbeeld de bijzondere maatschappelijke betekenis die de
                    resultaten kunnen hebben. Het onderscheidende element kan ook zitten in de
                    samenwerking ‘an sich’: de partijen die samenwerken – als het bijvoorbeeld gaat
                    om kleine mkb’ers die tot nu toe nauwelijks bereikt worden. Innovatie kan komen
                    van de nieuwkomer die dingen helemaal anders aanpakt. Die met een andere kijk op
                    de zaak zorgt voor nieuwe inzichten en werkwijzen. </al><al>Zie ook artikel 8 en de toelichting daarop, waarin is uitgelegd welke criteria
                    een project tot een goede kandidaat maken voor een ‘kennisontwikkelingsproject’
                    binnen de uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2017. </al><al>Tot slot wordt onderaan artikel 2 genoemd dat een project dient te passen binnen
                    de geldende staatssteunregels. Dat betekent dat steun kan worden verleend
                    wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun past binnen geldende
                    staatssteunregels. Hierbij valt te denken aan artikel 25, 27, 28 en/of 29 van de
                    Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) of onder de
                    de-minimisverordening. Daarbij is van belang om te vermelden dat een project
                    volledig onder een van de categorieën in deze verordeningen dient te vallen, of
                    in delen, waarbij ieder deel onder een van de categorieën dient te vallen. </al><al>Daarnaast dienen projectresultaten van het project ten goede te komen aan
                    Noord-Nederland. Wanneer de activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd,
                    en het project daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn
                    voldaan. Bij projecten waar niet alle, of geen activiteiten in Noord-Nederland
                    worden uitgevoerd is van belang waar de resultaten van het project terecht
                    komen: dit dient aantoonbaar in Noord-Nederland te zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld
                    de eigendomsrechten zijn, maar ook de productie van een bepaald product. Dit
                    dient door de aanvrager in de aanvraag te worden uitgelegd en onderbouwd. </al><tussenkop>Artikel 3 Hoogte en doelgroep van de subsidie</tussenkop><al>Ten aanzien van lid 1: de Uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2017 is primair
                    gericht op samenwerkende mkb-bedrijven en kennisinstellingen. Ook andere
                    partijen die deel uitmaken van het noordelijke innovatie ecosysteem, zoals
                    netwerkorganisaties, worden uitgenodigd te participeren, in het bijzonder in die
                    projecten waar deelname logisch volgt uit hun rol in het innovatie-ecosysteem
                    (zie ook hoofdstuk C.2. van het <cursief>spoorboekje)</cursief>. Een aanvrager
                    kan geen natuurlijk persoon zijn. </al><al>Indien samenwerkende partijen subsidie aanvragen wordt de subsidie aan de
                    individuele rechtspersonen verstrekt. Lid 2 stelt dat er een vast
                    subsidiepercentage geldt van 40%. Op basis van de leden 4 en 5 volgt vervolgens
                    dat de minimale en maximale subsidie respectievelijk €100.000 en €1.000.000
                    bedraagt. </al><al>De aanvulling in lid 2 geeft aan dat indien een project meer totale subsidiabele
                    kosten kent dan €2.500.000 (zijnde het bedrag dat leidt tot het maximum van
                    €1.000.000 subsidie), het te verlenen maximum bedrag aan subsidie gehandhaafd
                    blijft op 1.000.000, maar het project feitelijk een lager subsidiepercentage dan
                    40 krijgt. </al><al>Ook een belangrijk deel van dit artikel vormt lid 3, waarin wordt aangegeven dat
                    als op grond van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening een lager
                    maximumpercentage aan subsidie geldt, bijvoorbeeld bij experimentele
                    ontwikkeling zonder samenwerking, dat geldende (lagere) percentage wordt
                    aangehouden bij de subsidieverlening. De bepaling van de (maximale) steun wordt
                    per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages
                    kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt
                    vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel
                    bepaald.</al><tussenkop>Artikel 5 Afwijzen van een subsidieaanvraag</tussenkop><al>Op basis van artikel 5.2.5 van de REES is ter afbakening van het programma als
                    expliciete aanvullende afwijzingsgronden opgenomen dat allereerst geldt dat er
                    een minimaal puntenaantal van 70 (van de 100) punten is om voor
                    subsidieverlening in aanmerking te komen. Projecten die in de beoordeling minder
                    dan 70 punten behalen worden afgewezen. </al><al>Uit het tweede lid blijkt dat ook van belang is dat een project technisch en
                    economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een
                    project dient aldus obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te
                    kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijk formele, juridische en
                    financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg
                    staan.</al><al> De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het
                    project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van
                    vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te
                    worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich
                    bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager
                    aannemelijk gemaakt te worden. Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek
                    voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten)
                    volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen de periode die ligt tussen de
                    datum van indiening van de aanvraag en drie jaar na afgifte van de
                    verleningsbeschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven
                    uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen
                    leggen. </al><al>Op grond van artikel 9 kan de aanvraag ook worden afgewezen indien relevante
                    outputindicatoren niet zijn geselecteerd of deze niet zijn voorzien van een
                    (overtuigende) onderbouwing. </al><al>Ook moet een project minimaal voldoen aan het criterium duurzaamheid. Indien
                    hiervan sprake is ontvangt het project een score van minimaal ‘neutraal’ (1
                    punt).</al><al>Ook geldt dat een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat, of
                    die in financiële moeilijkheden verkeert, geen subsidie kan ontvangen. In het
                    aanvraagformulier worden vragen gesteld aan de aanvrager om vast te stellen of
                    er geen sprake is van een situatie van financiële moeilijkheden.</al><tussenkop>Artikel 6 Subsidiabele kosten</tussenkop><al>Dit artikel verwijst in lid 1 naar bepalingen die in de Verordening 1303/2013 en
                    bijbehorende documenten alsmede in de REES zijn gesteld en die gelden ten
                    aanzien van de subsidiabiliteit van kosten. Lid 2 maakt een verwijzing naar de
                    Algemene Groepsvrijstellingsverordening die hierover mogelijk aanvullende eisen
                    stelt.</al><al>Het is van belang om op basis van de projectbeschrijving duidelijk aan te geven
                    of sprake is van staatssteun, onder welke steuncategorie(ën) het project valt en
                    of ook aan de bijbehorende bepalingen van de Algemene
                    Groepsvrijstellingsverordening is voldaan. </al><al>Zoals reeds in artikel 2 is aangestipt kan ten aanzien van staatssteun in het
                    algemeen sprake van zijn drie situaties: geen staatssteun (geen economische
                    activiteiten), geoorloofde staatssteun of ongeoorloofde staatssteun. In de
                    eerste twee gevallen is subsidieverlening toegestaan. Om staatssteun geoorloofd
                    te laten zijn dienen de projectactiviteiten binnen een vrijstellingskader te
                    vallen. Voor de uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2017 geldt dat projecten
                    niet verplicht worden om binnen een specifiek staatssteunkader te vallen, men
                    kan gebruik maken van alle mogelijkheden die er zijn. Hierdoor is het type
                    kosten dat subsidiabel gesteld kan worden, sterk afhankelijk van het door elk
                    project gekozen vrijstellingskader (waarbij dus ook sprake is van de optie geen
                    staatssteun).</al><al>Op grond van de REES zijn de volgende kosten in geen enkel geval
                    subsidiabel:</al><lijst><li nr="a."><al>administratieve en financiële sancties en boetes;</al></li><li nr="b."><al>winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;</al></li><li nr="c."><al>fooien en geschenken;</al></li><li nr="d."><al>representatiekosten- en vergoedingen;</al></li><li nr="e."><al>kosten van personeelsactiviteiten;</al></li><li nr="f."><al>kosten van overboekingen en annuleringen;</al></li><li nr="g."><al>gratificaties en bonussen;</al></li><li nr="h."><al>kosten van outplacementtraject.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 7 Projectperiode en kosten</tussenkop><al>In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen,
                    gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het
                    project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode
                    waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden. Het moment waarop de
                    beschikking wordt afgegeven is afhankelijk van het moment waarop de aanvraag
                    wordt ingediend en beoordeeld kan worden door de Deskundigencommissie. Het
                    exacte moment waarop dit gebeurt is vooraf lastig aan te geven. Neem contact op
                    met het SNN indien u hierover meer informatie wenst.</al><al>Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de
                    opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de
                    opgegeven periode volledig kan worden afgerond. </al><al>Lid 2 gaat vervolgens in op de subsidiabele periode voor kosten. Hierbij geldt
                    dat een verplichting pas mag zijn aangegaan na indiening van de subsidieaanvraag
                    bij het SNN en kosten moeten zijn gemaakt voor de einddatum van het project.
                    Kosten moeten zijn betaald vóór indiening van het verzoek tot definitieve
                    vaststelling, met uitzondering van de accountantskosten die eventueel zijn
                    gemaakt voor het afgeven van een verklaring bij de definitieve vaststelling. </al><tussenkop>Artikel 8 Beoordelingscriteria </tussenkop><al>Er zijn vijf (hoofd)categorieën, waarop een project gewogen wordt. </al><lijst><li nr="a."><al>Bijdrage aan de doelstellingen van het OP</al></li><li nr="b."><al>Mate van innovativiteit</al></li><li nr="c."><al>Kwaliteit van de business case</al></li><li nr="d."><al>Kwaliteit van de aanvraag</al></li><li nr="e."><al>Duurzame ontwikkeling</al></li></lijst><al>Omdat er twee typen projecten binnen deze call Kennisontwikkeling 2017 mogelijk
                    zijn – voorwaardenscheppend project en kennisontwikkelingsproject – zijn
                    criteria a t/m c verbijzonderd naar deze twee typen. Criteria d en e zijn
                    hetzelfde voor beide typen projecten. </al><al>Het is van groot belang dat de aanvrager zorgdraagt voor een gedegen
                    kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de in de aanvraag gepresenteerde
                    zaken. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de beoordelingscriteria. Een
                    complete en gedegen onderbouwing borgt dat de deskundigencommissie een goed
                    oordeel kan vormen over een project en de mate waarin het project scoort op de
                    beoordelingscriteria. Op basis van alle informatie die de aanvrager per
                    criterium geeft, vormt de deskundigencommissie vervolgens één kwalitatief
                    oordeel per criterium. </al><al>a.Bijdrage aan de doelstellingen van het OP</al><al>Binnen dit criterium wordt beoordeeld in welke mate het project bijdraagt aan
                    specifieke doelstelling B van het OP EFRO. De beoordeling op dit punt wordt
                    nadrukkelijk gekoppeld aan de kwalitatieve onderbouwing die in de aanvraag wordt
                    gegeven. Bij de beoordeling van de aansluiting van de projectactiviteiten bij de
                    actie wordt gekeken in welke mate de activiteiten corresponderen met de actie
                    waar deze uitvoeringsregeling op gericht is. De beoordeling is kwalitatief en
                    gebaseerd op de onderbouwing die in de aanvraag wordt gegeven. Bij de
                    beoordeling wordt gekeken hoe het mkb van dit project profijt heeft en dat het
                    belang van het mkb hierin centraal staat. Binnen het projectconsortium is ruimte
                    voor partijen van buiten Noord-Nederland, indien deze partijen over unieke
                    expertise en kennis beschikken die niet in Noord-Nederland te vinden is.</al><al>Daarnaast wordt binnen criterium a getoetst in hoeverre er sprake is van een van
                    de typen projecten die deze uitvoeringsregeling beoogt te bewerkstelligen: een
                    voorwaardenscheppend project of een kennisontwikkelingsproject. </al><al>Ten aanzien van voorwaardenscheppende projecten geldt bij criterium a dat
                    projecten zich kunnen onderscheiden bijvoorbeeld door de mate waarin netwerken
                    zich focussen op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van
                    innovaties. Dit is sterk gekoppeld aan de activiteiten die de netwerken uit gaan
                    voeren. Als een netwerk laagdrempelig is voor het mkb zal dit ook een positieve
                    invloed hebben op de puntenscore. Tevens kan het onderscheidend karakter van het
                    project bijvoorbeeld blijken uit de mate waarin een integrale en/of
                    cross-sectorale aanpak wordt gevolgd, met betrokkenheid van relevante partijen.
                    Zijn alle relevante partijen aangehaakt bij het netwerk met een zo goed mogelijk
                    bereik en resultaat tot gevolg? En hoe significant zijn de verbeteringen die
                    worden aangebracht in netwerken en netwerkstructuren?</al><al>Wat betreft kennisontwikkelingsprojecten geldt bij criterium a dat projecten
                    zich kunnen onderscheiden door de maatschappelijke betekenis die de
                    projectresultaten kunnen hebben. Daarbij wordt ook bezien hoe breed c.q. divers
                    de te ontwikkelen kennis kan worden toegepast. Tevens wordt gekeken naar de
                    fase(n) van de innovatieketen waarop het project zich richt. Is dat primair
                    TRL-level 3 en 4? Als het project zich op latere fasen richt zal het immers
                    betrekking hebben op valorisatie en zijn andere subsidieregelingen mogelijk
                    interessant. Als binnen het project sprake is van een cross-over tussen
                    bedrijven uit diverse sectoren zal dit ook een positieve invloed hebben op de
                    puntenscore. Dat zelfde geldt in het geval er sprake is van nieuwe c.q.
                    vernieuwende vormen van samenwerking binnen het project. </al><al>Naast artikel 8 wordt ook in artikel 2 en de toelichting daarop ingegaan op de
                    aansluiting bij het OP EFRO en is uitgebreide informatie opgenomen over de
                    beoogde typen projecten; voorwaardenscheppend en kennisontwikkeling. </al><al>b.Mate van innovativiteit</al><al>Voorwaardenscheppende projecten en kennisontwikkelingsprojecten worden elk op
                    eigen wijze beoordeeld op het criterium innovativiteit. Het onderscheidende
                    karakter van projecten op het criterium innovativiteit kan tot uiting komen in
                    aantal elementen. In artikel 8 van deze uitvoeringsregeling wordt als leidraad
                    een aantal elementen opgegeven waaraan projecten dienen te denken, bij het
                    opstellen van hun motivering in het projectplan.</al><al>Doel is dat een <cursief>voorwaardenscheppend project</cursief> een
                    ‘aanjaagfunctie’ heeft. De resultaten van de aanjaagfunctie bepalen de
                    innovativiteit en daarmee onderscheidendheid van het project. Resultaten komen
                    onder meer tot uiting in het type (valorisatie)projecten dat naar verwachting
                    volgt uit de inspanningen van het netwerk. Dit is tevens een indicator voor het
                    innovatieve gehalte van een voorwaardenscheppend project. Een
                    voorwaardenscheppend project is onderscheidend op het criterium innovativiteit
                    als zij een grote en relevante aanvulling is op het bestaande
                    innovatie-ecosysteem. Wat voegt het project toe aan het innovatie-ecosysteem en
                    hoe zorgt het ervoor dat het Noord-Nederlandse innovatiesysteem dynamischer
                    wordt? Uiteraard dient men in het geval van een bestaand netwerk ook overtuigend
                    uiteen te zetten dat wat men binnen het project gaat doen, nieuw is ten opzichte
                    van wat het netwerk voorheen al deed. </al><al>Een <cursief>kennisontwikkelingsproject</cursief> is onderscheidend op het
                    criterium innovativiteit als de kennis die het project oplevert, in hoge mate
                    innovatief is. Hoe nieuw (voor Nederland/Europa/wereld) is de kennis die binnen
                    het project wordt ontwikkeld? Hoe verhoudt het project zich tot bestaande kennis
                    binnen het van toepassing zijnde thema? Ook dient ten aanzien van innovativiteit
                    aandacht geschonken te worden aan het consortium. De mate waarin en wijze waarop
                    de partners kennis inbrengen in het project, kennis uitwisselen met de andere
                    partners en zodoende ieder hun kennisniveau omhoog brengen, kan ook
                    onderscheidend zijn. In de beoordeling wordt tevens gekeken of alle relevante
                    partijen (kennispartners) zijn aangehaakt en of zodoende optimaal gebruik wordt
                    gemaakt van de kennis die er al is bij partijen.</al><al>c.Kwaliteit van de business case</al><al>Bij dit criterium gaat het enerzijds om de haalbaarheid van de uitvoering van de
                    projectactiviteiten binnen de projectperiode en anderzijds om de perspectieven
                    op de langere termijn. In artikel 8 wordt als leidraad een aantal elementen
                    opgegeven waaraan projecten dienen te denken, bij het opstellen van hun
                    motivering in het projectplan.</al><al>Bij een <cursief>voorwaardenscheppend project</cursief> wordt ten aanzien van de
                    businesscase gekeken naar het aantal concrete innovatietrajecten door
                    samenwerkend mkb dat naar verwachting van de aanvrager(s) zal ontstaan uit het
                    voorwaardenscheppend project. Daarbij is niet alleen het verwachte aantal
                    trajecten van belang, maar ook (economische) impact die per traject wordt
                    verwacht. Wanneer deze verwachte output in goede verhouding staat tot het
                    gevraagde subsidiebedrag zal dit ook leiden tot een positieve impact op de
                    puntenscore. Het is ook van belang om in de aanvraag duidelijk te beschrijven
                    hoe de beoogde resultaten daadwerkelijk behaald kunnen worden en hoe de
                    follow-up eruit zal gaan zien.</al><al>Bij een voorwaardenscheppend project dient inzichtelijk gemaakt te worden of er
                    nog risico’s spelen bij de uitvoering van het project en hoe haalbaar de
                    realisatie daarmee is. Daarin speelt ook mee of de organisatie (of genoemde
                    personen) de competenties in huis heeft om het project tot een succes te maken
                    en of men bij haar kerncompetentie blijft. Dit zou bijvoorbeeld onderbouwd
                    kunnen worden door referenties of CV’s bij de subsidieaanvraag te voegen. In de
                    onderbouwing van de businesscase is het ook cruciaal om in te gaan op de
                    vraagbehoefte. Is het project vraaggestuurd? Hoe wordt geborgd dat er voldoende
                    vraag is onder de doelgroep (primair mkb) naar dit project, zowel op de korte
                    als langere termijn? Hoe gaat u het beoogde bereik realiseren? Ook dient
                    beschreven te worden waarom en in welke mate de aanvrager bereid is om een eigen
                    bijdrage in het project te stoppen gekoppeld aan de risico’s en perspectieven.
                    In het geval van bestaande netwerken dient inzichtelijk gemaakt te worden waar
                    de eigen bijdrage van de projectpartners uit bestaat en dient uitgesloten te
                    worden dat er een dubbeling plaatsvindt met andere (publieke)
                    financieringsstromen. Kennisontwikkeling 2017 beoogt voorwaardenscheppende
                    projecten, waarbij netwerken na afloop van het subsidieproject in grote mate
                    zelfstandig staan en een duurzame voortzetting van het verbeterde c.q.
                    opgebouwde netwerk kan plaatsvinden. Daartoe dient in de businesscase inzicht
                    gegeven te worden in hoe (op termijn) de exploitatie van het netwerk na de
                    subsidieperiode eruit zal zien en geborgd wordt. </al><al>Net als bij voorwaardenscheppende projecten dient men bij
                        <cursief>kennisontwikkelingsprojecten</cursief> inzichtelijk te maken of er
                    risico’s spelen bij de uitvoering van het project en waarom en in welke mate de
                    aanvrager bereid is een eigen bijdrage in het project te stoppen. Ook hier
                    speelt mee of de organisatie (of genoemde personen) de competenties in huis
                    heeft om het project tot een succes te maken en of men bij haar kerncompetentie
                    blijft. </al><al>Bij een kennisontwikkelingsproject is vermarkting van de opgedane kennis (in de
                    vorm van een daaruit voortkomend product/dienst) nog iets dat op enige afstand
                    staat van de projectactiviteiten. Toch is het zeer relevant om hier alvast een
                    doorkijk in te geven. Hoe groot is het perspectief op concrete vermarkting (op
                    termijn) van de kennis die binnen het project wordt ontwikkeld? Welke
                    verwachtingen en rol heeft iedere partner hierbij? En hoe ziet de follow-up van
                    het project eruit na afloop van de subsidieperiode? Daarbij dient de koppeling
                    gemaakt te worden met het voorziene opvolgende valorisatietraject(en). Hoeveel
                    nieuwe producten/diensten verwacht men te ontwikkelen met de kennis die is
                    opgedaan vanuit het project en wat is de verwachte omzet per traject? En middels
                    welke activiteiten wil men dat gaan bereiken? Bekeken zal worden in welke
                    verhouding deze verwachte output staat tot het gevraagde subsidiebedrag.
                    Belangrijk is ook hier dat duidelijk wordt beschreven hoe de beoogde resultaten
                    daadwerkelijk behaald kunnen worden.</al><al>d.Kwaliteit aanvraag</al><al>Bij dit criterium gaat het om de kwaliteit van het projectplan: de helderheid en
                    eenduidigheid van de antwoorden in het aanvraagformulier en de beschrijving in
                    het projectplan. Hierbij is van belang dat de inhoud van de aanvraag ‘to the
                    point’ wordt toegelicht in het aanvraagformulier en er voor wezenlijke
                    onderdelen niet wordt verwezen naar andere documenten. In het projectplan dient
                    een duidelijke koppeling (met bedragen) gemaakt te worden met de (bedragen in
                    de) begroting en dient duidelijk gemaakt te worden welke projectpartner(s) welke
                    activiteiten uitvoeren (en bijbehorende kosten maken).</al><al>Verder gaat het bij dit criterium om de vraag of het project organisatorisch en
                    subsidietechnisch goed in elkaar steekt. De kwaliteit van de onderbouwing op
                    welke wijze de projectactiviteiten passen binnen de staatssteunkaders en de
                    juistheid van de financiële uitgangspunten wordt meegenomen in de beoordeling
                    van dit criterium.</al><al>e.Duurzaamheid</al><al>Aanvragers mogen zelf bepalen welke van de drie aspecten zij willen uitwerken.
                    Dat mogen alle drie de aspecten zijn, wanneer zij van mening zijn dat ze op alle
                    drie een onderscheidende bijdrage leveren. Maar dat is niet verplicht, niet elk
                    element is voor elk project even relevant. <vet><cursief>Ook een onderscheidende
                            bijdrage op een van de aspecten kan leiden tot een maximale score op het
                            duurzaamheidscriterium</cursief></vet><cursief>.</cursief> Bij de
                    beoordeling wordt rekening gehouden met de aard en omvang van de
                    projectactiviteiten en van de aanvragers.</al><al>Om aanvragers te helpen bij het bepalen van hun bijdrage is in artikel 8 lid d
                    een overzicht opgenomen met elementen die een project onderscheidend kunnen
                    maken op het gebied van duurzaamheid.</al><al>De beoordeling op duurzaamheid binnen het OP EFRO Noord-Nederland gebeurt in
                    twee stappen. </al><al>In stap 1 worden projecten uitgenodigd om hun onderscheidende bijdrage aan
                    duurzaamheid voor het voetlicht te brengen en zo een hogere score op het
                    criterium duurzaamheid te realiseren. Hiervoor gebruiken we de aspecten van
                    ‘people, planet en profit’. Achterliggende gedachte hierbij is dat duurzaamheid
                    meer is dan alleen milieu. Duurzaamheid gaat ook over sociale en economische
                    aspecten. Duurzame innovaties zijn vooral ook sociale innovaties. Aanvragers
                    dienen per duurzaamheidsaspect aan te geven in hoeverre ze binnen hun
                    mogelijkheden verandering gaan aanbrengen middels de uitvoering van het project.
                    De vraag die hier speelt is: benut je binnen je mogelijkheden volledig je
                    potentieel? Aanvragers worden aangemoedigd om een (innovatieve) beweging naar
                    een circulaire economie te maken en van meet af aan in te steken op een
                    houdbaar, circulair businessmodel. </al><al>In jargon: bij de beoordeling op duurzaamheid gaat het om de bijdrage die
                    projecten leveren aan de totstandkoming van een circulaire en inclusieve
                    economie in Noord-Nederland. De bijdrage aan duurzaamheid komt bij projecten
                    binnen de Kennisontwikkeling 2017 vooral voort uit de valorisatietrajecten die
                    ontstaan uit de voorwaardenscheppende projecten en kennisontwikkelingsprojecten.
                    Maar daarnaast zal voor zover dat mogelijk is ook gekeken worden naar de directe
                    effecten die het netwerk of kennisontwikkelingsproject heeft, denk bijvoorbeeld
                    aan de bijdrage aan regionale bewustwording over de noodzaak van en het streven
                    naar een circulaire en inclusieve economie.</al><al>Ten aanzien van circulaire economie kunnen aanvragers kennis nemen van
                    uitgangspunten die de Sociaal Economische Raad (SER) heeft ten aanzien van
                    circulaire economie, zoals ze zijn opgenomen in het adviesrapport ‘Werken aan
                    een circulaire economie; geen tijd te verliezen’ van juni 2016.</al><al>De SER ziet een circulaire economie als een economie die binnen ecologische
                    rand- voorwaarden efficiënt en maatschappelijk verantwoord omgaat met producten,
                    materialen en hulpbronnen, zodat ook toekomstige generaties toegang tot
                    materiële welvaart behouden.</al><al>Aan deze kernachtige omschrijving voegt de raad de volgende overwegingen toe.
                    Een circulaire economie:</al><al>■ is geen doel op zich, maar een middel om de toegang tot materiële welvaart van
                    toekomstige generaties te borgen; voor burgers is ‘kwaliteit van leven’ het
                    centrale begrip;</al><al>■ past binnen ecologische randvoorwaarden en overschrijdt niet de draagkracht
                    van planeet aarde, ook niet bij een groei van de wereldbevolking;</al><al>■ gaat efficiënt om met producten, materialen en hulpbronnen, bezien vanuit een
                    technisch en energetisch optimum en met productontwerp als startpunt;</al><al>■ gaat maatschappelijk verantwoord met producten, materialen en hulpbronnen om,
                    waarbij hun waarde in economie en maatschappij zo lang mogelijk wordt
                    behouden;</al><al>■ voorkomt afwenteling naar andere maatschappelijke sectoren. Zo worden toxische
                    stoffen uit reststromen verwijderd alvorens deze reststromen weer in de
                    kringloop op te nemen.</al><al>De tweede stap in de beoordeling op duurzaamheid is bedoeld om te beoordelen of
                    een project voldoet aan de basisvereisten die de Europese Commissie heeft
                    geformuleerd op het gebied van duurzaamheid. Het gaat om vereisten op het gebied
                    van milieu, non-discriminatie en gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Uit
                    Europese en nationale richtlijnen volgt dat geen projecten mogen worden
                    gesubsidieerd die een negatief effect hebben op één van deze aspecten. Dat
                    betekent dat een project minimaal een neutraal effect dient te hebben op het
                    milieu, dus geen schadelijke effecten dient te genereren. Ook moet een project
                    voldoen aan het bieden van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en mag er op
                    geen enkele wijze discriminatie plaatsvinden. Aanvragers dienen in hun
                    projectplan aan te geven op welke wijze zij borgen dat het project voldoet aan
                    deze voorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 9 Indicatoren</tussenkop><al>Het OP EFRO kent output- en resultaatindicatoren. Resultaatindicatoren worden
                    niet op projectniveau geregistreerd. Resultaatindicatoren bevinden zich op een
                    hoger abstractieniveau: het niveau van de specifieke doelstellingen. Elke
                    specifieke doelstelling is gekoppeld aan één resultaatindicator. Voor specifieke
                    doelstelling B gaat het om de indicator ‘Aandeel bedrijven van het totaal aantal
                    innovatieve bedrijven dat samenwerkt met bedrijven en kennisinstellingen’. De
                    resultaatindicator vormt feitelijk een gekwantificeerde weergave van de
                    specifieke doelstelling, een doel dat het SNN met het programma wenst te
                    bereiken.</al><al>Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt
                    gebracht. Het gaat hierbij onder meer om het aantal ondernemingen dat binnen een
                    project wordt ondersteund, of het aantal samenwerkingsverbanden met
                    onderzoeksinstellingen, dat wordt gerealiseerd. Outputindicatoren vormen
                    feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten.</al><al>Het OP EFRO kent een lijst met outputindicatoren waaruit een subsidieaanvrager
                    de voor haar project relevante outputindicatoren dient te selecteren en de
                    bijbehorende streefwaarde dient te kwantificeren. De streefwaarden dienen te
                    worden onderbouwd.</al><tussenkop>Artikel 10 Penvoerderschap en administratie </tussenkop><al>Het is noodzakelijk dat in een project waarin meerdere organisaties samenwerken,
                    zoals aangegeven in lid 3, een samenwerkingsovereenkomst wordt afgesloten. Deze
                    dient bij voorkeur beschikbaar te zijn bij het indienen van een aanvraag
                    aangezien hierin onderlinge afspraken tussen de projectpartners worden
                    vastgelegd. Overlegging aan het SNN kan echter ook tot een nog nader vast te
                    leggen termijn na beschikken van het project geschieden. De partijen ontvangen
                    dan een beschikking onder ontbindende voorwaarde. Wanneer de
                    samenwerkingsovereenkomst niet is ontvangen binnen de te stellen termijn,
                    vervalt de beschikking, en daarmee het recht op subsidie. Aangezien
                    projectpartners een verbintenis aangaan bij het indienen van de aanvraag, heeft
                    het wel de voorkeur om een dergelijke overeenkomst zo snel mogelijk te sluiten. </al><al>In de samenwerkingsovereenkomst dienen ook afspraken te worden vastgelegd
                    omtrent betalingen. Zoals in lid 2 is aangegeven, verricht het SNN betalingen
                    enkel aan de penvoerder. De penvoerder is zelf verantwoordelijk voor de
                    doorbetaling aan de projectpartners. </al><al>Tot slot gaat lid 4 in op andere partijen die direct van de subsidie profiteren.
                    Het is denkbaar dat ondernemingen worden ondersteund met subsidie zonder dat
                    vooraf inzichtelijk is welke dat zijn. In dat geval dient de penvoerder zorg te
                    dragen voor registratie tijdens de uitvoering van het project van de
                    organisaties die directe steun ontvangen. Deze administratie dient op verzoek
                    aan SNN inzichtelijk te worden gemaakt. De gegevens dienen in elk geval in de
                    voortgangsrapportages te worden gerapporteerd. </al><tussenkop>Artikel 11 Rapportage en bevoorschotting</tussenkop><al>Door projecten dient tweemaal per jaar (feitelijk elk half jaar) een rapportage
                    over de voortgang volgens een vooraf kenbaar gemaakt format worden ingediend bij
                    SNN (lid 1). De data waarop gerapporteerd moet worden wordt in de beschikking
                    vastgelegd. </al><al>Lid 2 geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat
                    tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt
                    gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte,
                    betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het
                    bedrag dat wordt uitbetaald (lid 3). Het SNN kan ten opzichte van het verzoek
                    kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van
                    mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of
                    deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op
                    basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren
                    voorschotbedrag bepaald. De betreffende kosten worden hiertoe vermenigvuldigd
                    met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie
                    gedeeld op de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een
                    voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat de
                    betreffende kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de
                    subsidie. Dit betekent dat er sprake is van zogenoemde ‘voorfinanciering’ door
                    de projectpartners.</al><al>Leden 4 en 5 geven vervolgens de mogelijkheid aan SNN om, indien financiering
                    niet beschikbaar is of de begunstigde niet aan de rapportageverplichtingen
                    voldoet, de subsidie in te trekken of te verlagen. </al><tussenkop>Artikel 12 Realisatie van indicatoren</tussenkop><al>Realisatiewaarden van de outputindicatoren dienen met bewijsstukken te worden
                    gestaafd. Bijlage II gaat in de op de specifieke voorschriften ten aanzien van
                    de bewijsvoering die per outputindicator gelden.</al><tussenkop>Artikel 13 Realisatie van het project</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat na realisatie van het project door de begunstigde een
                    verklaring moet worden opgesteld waarin de realisatie wordt vastgelegd. Deze
                    verklaring dient bij de eindafrekening te worden gevoegd, of eerder aan het SNN
                    te worden overgelegd wanneer daarom wordt verzocht. </al><tussenkop>Artikel 14 Vaststelling subsidie</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat de begunstigde tot 13 weken na de einddatum van het
                    project de tijd heeft om een verzoek tot vaststelling van de subsidie in te
                    dienen. Hiertoe dient het format dat SNN hiervoor verstrekt te worden gebruikt. </al><al>Afhankelijk van de omstandigheden gedurende de projectperiode kan het SNN een
                    rapport van bevindingen, opgesteld door een accountant, opvragen bij de
                    eindafrekening van het project. Het te gebruiken format voor het rapport van
                    bevindingen wordt door het SNN beschikbaar gesteld. De penvoerder kan ruim voor
                    indiening van het verzoek tot vaststelling bij SNN navraag doen of een
                    dergelijke verklaring noodzakelijk is. Het SNN kan ook afzien van het opvragen
                    een rapport van bevindingen. De kosten van een rapport van bevindingen zijn voor
                    rekening van het project. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="60*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="10*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al><vet>Bijlage II Outputindicatoren Uitvoeringsregeling OP
                                            EFRO Kennisontwikkeling 2017</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Code</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Naam</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Definitie &amp; toelichting</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>Bijzonderheden</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO01</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat steun ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma, in welke vorm dan ook en ongeacht of
                                        de steun staatssteun is of niet.</al><al> Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en
                                        gericht iets uit het project ontvangt dat een substantiële
                                        waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies, begeleiding,
                                        matching etc.). Ondersteunde ondernemingen mogen maar één
                                        keer in de score van de indicator worden meegenomen. Indien
                                        een onderneming meerdere keren steun ontvangt, dan blijft de
                                        score voor de indicator "1". (Dit geldt ook voor de
                                        indicatoren CO02 en CO04.)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO02</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma.</al><al>Er is sprake van een subsidie als een onderneming directe
                                        financiële steun ontvangt die niet hoeft te worden
                                        terugbetaald.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO02 is een 'subset' van CO01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO04</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat niet-financiële steun ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma, waarbij de steun een andere vorm
                                        heeft dan een directe financiële overdracht.</al><al> Voor het scoren op deze indicator, "het wel of niet
                                        ontvangen van steun", gelden dezelfde criteria als bij
                                        indicator CO01.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO04 is een 'subset' van CO01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO06</al></entry><entry colname="col2"><al>De private bijdrage in de totale kosten van
                                        subsidieprojecten</al></entry><entry colname="col3"><al>De omvang van de private bijdrage (cofinanciering) in de
                                        totale subsidiabele projectkosten van subsidieprojecten
                                        waarbij steun wordt verleend aan ondernemingen.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO06 is gekoppeld aan CO02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO26</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat samenwerkt met
                                        onderzoeksinstellingen</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat samenwerkt met
                                        onderzoeksinstellingen bij het uitvoeren van onderzoeks- en
                                        ontwikkelingsprojecten.</al><al>Er is sprake van samenwerking als minimaal één onderneming
                                        en minimaal één onderzoeksinstelling voor de duur van de
                                        projectperiode of langer, gezamenlijk optrekken. De steun
                                        die vanuit het Operationeel Programma wordt ontvangen mag
                                        bij één of meerdere van de samenwerkende partijen
                                        terechtkomen. Het mag gaan om de voortzetting van een
                                        bestaande samenwerking. De steun dient in alle gevallen
                                        echter noodzakelijk te zijn om de samenwerking te laten
                                        plaatsvinden of voortduren. Voor zover beide partijen geen
                                        medebegunstigden zijn, en de samenwerking dus niet in de
                                        beschikking formeel is vastgelegd, zal een
                                        samenwerkingsovereenkomst moeten worden overgelegd.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO29</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het introduceren
                                        van producten die nieuw zijn voor de onderneming</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het
                                        ontwikkelen van producten die nieuw zijn voor de
                                        onderneming. Om op deze indicator te scoren is het niet
                                        noodzakelijk dat de producten, waarvan de introductie vanuit
                                        het project is ondersteund, de markt daadwerkelijk hebben
                                        bereikt. Ook als er aan een onderneming steun is verleend
                                        waarbij de marktintroductie niet is geslaagd, telt deze
                                        onderneming mee in de indicator. Wanneer een onderneming
                                        meerdere producten introduceert wordt het nog steeds geteld
                                        als één onderneming. In het geval van samenwerkingsprojecten
                                        meet de indicator alle deelnemende ondernemingen waarvoor
                                        het product nieuw is.</al><al>Een product is ‘nieuw voor de onderneming’ wanneer de
                                        onderneming geen product produceert met dezelfde
                                        functionaliteiten, of wanneer de productietechnologie
                                        fundamenteel verschilt van de technologie van al bestaande
                                        geproduceerde producten. Producten kunnen tastbaar of niet
                                        tastbaar zijn (incl. diensten).</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>PS02</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal kennisuitwisselingstrajecten tussen mkb-ondernemingen
                                        en</al><al>onderzoeksinstellingen</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal trajecten dat is gericht op kennisuitwisseling
                                        tussen mkb-bedrijven en onderzoeksinstellingen.</al><al>Ten minste één mkb bedrijf en één onderzoeksinstelling
                                        participeren in het traject. Doel van het traject is het
                                        kennisniveau en het innoverend vermogen van het mkb-bedrijf
                                        te vergroten.</al><al>Verschil met indicator C026 is dat PS2 geen
                                        innovatietrajecten omvat (daadwerkelijke innovaties), maar
                                        de fase van kennisoverdracht die daaraan vooraf gaat. PS2 is
                                        gekoppeld aan specifieke doelstelling B (CO26 aan SD B, C en
                                        D).</al><al>Mkb-bedrijf: onderneming met minder dan 250 werknemers in
                                        dienst, met een omzet minder dan € 40 miljoen of waarvan de
                                        jaarbalans minder dan € 27 miljoen bedraagt.</al><al>Onderzoeksinstelling:</al><al>Een onderzoeksinstelling is een organisatie waarbij het
                                        uitvoeren van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten een
                                        primaire activiteit vormt.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>