<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR43971_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-06-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch gemeenteblad 2012, 25</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Artikelen 1,2,3</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>161-14</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Betreft een wijziging van de verordening vanwege intrekking van de Wet investeren in jongeren en de wijziging van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Waterland;</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, Wet werk en bijstand;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 27 jaar of ouder doch
                        jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;</al><al/><al>Besluit:</al><al/><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010 vast te stellen.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand, hierna te noemen WWB en de Algemene wet
                                    bestuursrecht, hierna te noemen Awb.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de wet:</vet> de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al><vet>gezinsnorm:</vet> de norm als bedoeld in artikel 21
                                            lid 1 van de WWB.</al></li><li nr="c."><al><vet>hoofdbewoner:</vet> een persoon die de woning huurt
                                            of in eigendom heeft;</al></li><li nr="d."><al><vet>medebewoner:</vet> een persoon, niet zijnde een ten
                                            laste komend kind, die zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                            woning heeft als een of meer anderen en met geen van
                                            deze andere(n) een gezamenlijke huishouding voert, dan
                                            wel een persoon die als onderhuurder de woning bewoont.
                                            Voor de toepassing van dit artikel worden gehuwden niet
                                            beschouwd als medebewoners.</al></li><li nr="f."><al><vet>commerciële huurprijs:</vet> een huurprijs die
                                            gelijk is aan de minimale huurprijs als genoemd in de
                                            Huursubsidiewet</al></li><li nr="g."><al><vet>woonkosten:</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een huurwoning wordt bewoond: de op de
                                                  aanvangsdatum van het</al><al> lopende huursubsidietijdvak per maand geldende
                                                  huurprijs als bedoeld in de </al><al> Huursubsidiewet;</al></li><li nr="2."><al>Indien een huurwoning in eigendom wordt bewoond:
                                                  de tot een bedrag per</al><al> maand omgerekende som van de ten behoeve van de
                                                  financiering van de </al><al> woning verschuldigde hypotheekrente en de in
                                                  verband met het eigendom </al><al> hebben van de woning te betalen zakelijke
                                                  lasten, waarbij onder zakelijke lasten </al><al> wordt verstaan: de rioolrechten, het
                                                  eigenaarsdeel van de onroerende zaak </al><al> belasting, de opstalverzekering, het
                                                  eigenaarsdeel van de waterschapslasten </al><al> alsmede de kosten voor groot onderhoud en
                                                  indien van toepassing de kosten </al><al>van onderhoud c.v.-installatie en
                                                  liftinstallatie.</al></li></lijst></li><li nr="h."><al><vet> netto minimumloon: </vet>het netto minimumloon als
                                            bedoel in artikel 37 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Waar in deze verordening de begrippen gehuwden en gehuwdennorm
                                    wordt gebruikt heeft deze dezelfde betekenis als "gezinsnorm",
                                    als bedoeld in artikel 21 lid 1 van de WWB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Bepalingen verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                    belanghebbenden van 21 jaar of ouder dochjonger dan 65 jaar. Bij
                                    een gezin gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                    indien belanghebbenden jonger dan 65 jaar zijn en tenminste 2
                                    gezinsleden 21 jaar of ouder zijn.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel
                                    18, eerste lid, van de wet onverlet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm van alleenstaande
                            (ouder)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslagen voor hoofdbewoners</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm</al><al>voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die hoofdbewoner is
                                    en in wiens woning geen ander zijn </al><al>hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm</al><al>voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die hoofdbewoner is
                                    en in wiens woning één ander zijn </al><al>hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 0 procent van de gehuwdennorm</al><al>voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die hoofdbewoner is
                                    en in wiens woning twee of meer </al><al> anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 - Toeslagen voor medebewoners</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm</al><al> voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die:</al><lijst><li nr="a."><al>medebewoner is en</al></li><li nr="b."><al>een individuele huur- of kostgangersovereenkomst heeft
                                            gesloten met de hoofdbewoner, niet zijnde een familielid
                                            in de eerste of tweede graad, en</al></li><li nr="c."><al>woonkosten heeft die tenminste de commerciële huurprijs
                                            bedragen </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm</al><al> voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die: </al><lijst><li nr="a."><al>medebewoner is en</al></li><li nr="b."><al>die woonkosten heeft die minder bedragen dan de
                                            commerciële huurprijs of,</al></li><li nr="c."><al>geen individuele huur- of kostgangersovereenkomst heeft
                                            gesloten, of</al></li><li nr="d."><al>een individuele huur- of kostgangersovereenkomst heeft
                                            gesloten met de hoofdbewoner, zijnde een familielid in
                                            de eerste of tweede graad </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm</al><al> voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die </al><lijst><li nr="a."><al>medebewoner is en</al></li><li nr="b."><al>de woning uitsluitend deelt met</al></li><li nr="-"><al>zijn kind of kinderen of</al></li><li nr="-"><al>zijn ouder of ouders</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 3. Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5 - Verlaging gehuwde hoofdbewoners</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                    procent van de gehuwdennorm voor </al><al>gehuwden die hoofdbewoner zijn en die een woning delen met één
                                    medebewoner.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 20
                                    procent van de gehuwdennorm voor </al><al>gehuwden die hoofdbewoner zijn en die een woning delen met twee
                                    medebewoners. </al></li><li nr="3."><al>Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 - Verlaging gehuwde medebewoners</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 0
                                    procent van de gehuwdennorm voor</al><al> gehuwde medebewoners die:</al><lijst><li nr=""><al>a.een individuele huur- of kostgangersovereenkomst
                                            hebben gesloten met de hoofdbewoner, niet</al><al>zijnde familielid in de eerste of tweede graad, en</al></li><li nr=""><al>b. woonkosten hebben die tenminste de commerciële
                                            huurprijs bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10 %
                                    van de gehuwdennorm voor gehuwde</al><al> medebewoners die:</al><lijst><li nr="a."><al>geen hoofdbewoner zijn en;</al></li><li nr="b."><al>woonkosten hebben die minder bedragen dan de commerciële
                                            huurprijs, of;</al></li><li nr="c."><al>geen individuele huur- of kostgangersovereenkomst hebben
                                            gesloten met de hoofdbewoner, zijnde</al></li></lijst><al> een familielid in de eerste of tweede graad;</al></li><li nr="3."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 15 %
                                    van de gehuwdennorm voor gehuwde</al><al> medebewoners die een woning uitsluitend delen met:</al><lijst><li nr="a."><al>hun kind of kinderen of;</al></li><li nr="b."><al>hun ouder of ouders van één of van beide partners.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7- Verlaging woonsituatie</label></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor belanghebbende(n) geen kosten van huur verbonden
                                    zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien een hypotheekvrije woning
                                    in eigendom wordt bewoond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 - Verlaging Schoolverlaters</label></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de wet bedraagt 20 procent
                            van de gehuwdennorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 - Anti-cumulatiebepaling</label></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 9 van deze verordening
                            geschiedt zodanig, dat de toepasselijke</al><al>bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,</al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder,</al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 – Hulpbehoevende </label></kop><al>Indien één van de medebewoners een hulpbehoevende is volgens de Algemene
                            nabestaandenwet, artikel 1, onderdeel j en k, wordt aangenomen dat zowel
                            de hulpbehoevende als de verzorgende medebewoner in redelijkheid geen
                            verlaging van de norm of een lagere toeslag krijgen omdat zij geen
                            kosten met elkaar kunnen delen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4. Overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11 - Uitvoering</label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen met
                            betrekking tot de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 – Toezicht</label></kop><al>Met het toezicht voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens
                            deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="1."><al>de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
                                    opsporingsambtenaren, en</al></li><li nr="2."><al>de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen
                                    personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 - Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 - Inwerkingtreding</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1
                                    juli 2010.</al></li><li nr="2."><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2006 wordt
                                    ingetrokken op het moment dat de Toeslagenverordening Wet werk
                                    en bijstand 2010 in werking treedt.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Waterland, </ondertekening><ondertekening>gehouden op 9 september 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening>(Drs. E.G.H. Dijk) </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>(Mr. E.F. Jongmans)</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting Toeslagenverordening Wet werk en bijstand (WWB) 2010</label></kop><al/><al><vet>1. Norm, toeslag en verlaging</vet></al><al>Hoofdstuk 3 van de Wet werk bijstand kent voor de algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit
                    systeem is grotendeels overgenomen uit de Abw. In de WWB maakt het voor de
                    financiering door het Rijk echter geen verschil of bijstand is toegekend als
                    norm of als toeslag.</al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 21 tot en met
                    24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de
                    artikelen 25 tot en met 28 WWB. Het college is verplicht om in voorkomende
                    gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een
                    verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden.</al><al><onderstreept>Norm</onderstreept></al><al>Voor personen van 27 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen
                    (artikel 21 WWB), te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al><onderstreept>Toeslagen</onderstreept></al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar
                    ook krant etc. gedeeld worden. </al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering
                    maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 en 4 van de Toeslagenverordening.
                    Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                    spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de
                    mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader
                    onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. </al><al><onderstreept>Verlagingen</onderstreept></al><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de
                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26
                            WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB);</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 5 tot en met 9 van de
                    verordening.</al><al><vet>2. De Toeslagenverordening</vet></al><al>In artikel 8 lid 1 onder c is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening dient
                    vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd
                    wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging
                    wordt bepaald. Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de
                    toeslagen moet dus worden vastgelegd in de Toeslagenverordening door de
                    gemeenteraad, opdat het college het beleid kan uitvoeren.</al><al><onderstreept>Categorieën</onderstreept></al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet
                    hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de
                    praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een
                    forfaitaire benadering.</al><al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                    uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het
                    college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel
                    18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. </al><al>In deze Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan
                    alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In artikel 9 van de
                    Toeslagenverordening wordt daarentegen het effect van samenloop van
                    verschillende verlagingen beperkt door minimum hoogtes voor te schrijven waaraan
                    de bijstand moet voldoen na toepassing van de verlagingen.</al><al>De werking van de verordening beperkt zich tot belanghebbende van 27 jaar of
                    ouder doch jonger dan 65 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een
                    belanghebbende van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn
                    dan andere belanghebbenden in overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het
                    voor de hand dat het college eveneens op grond van artikel 18 lid 1 WWB de
                    bijstand aanpast. (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van de
                    Toeslagenverordening.)</al><al><vet>3. Berekening toepasselijke bijstandsnorm</vet></al><al>In de WWB is – in tegenstelling tot in de Abw - niet voorgeschreven, dat in
                    gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de
                    verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het
                    vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de
                    WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de
                    toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit. Omdat noch uit de
                    wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden opgemaakt dat de
                    wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder gewicht te geven,
                    blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag de aangewezen
                    volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de combinatie verlaging
                    wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk
                    in combinatie met de leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten.</al><al>Bovenstaande in acht nemend kan hoogte van de uitkering algemene bijstand voor
                    personen van 27 tot 65 jaar als volgt worden berekend:</al><al><vet>1. Basisnorm;</vet></al><al><vet>2a. Optellen toeslag</vet> (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                    ouders)</al><al><vet>Of</vet></al><al><vet>2b. Korten met verlaging</vet> wegens het delen van een woning met anderen
                    (alleen bij gehuwden)</al><al><vet>3. Korten met verlaging</vet> wegens woonsituatie;</al><al><vet>4. Korten met verlaging</vet> schoolverlater</al><al>Leidt de uitkomst tot en lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                    artikel 9 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand
                    vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel.</al><al>De uitkomst van deze berekening laat ook een eventueel aan de orde zijnde
                    afstemming van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet.</al><al><vet>4. Gewijzigde Toeslagenverordening</vet></al><al>De toeslagenverordening WWB 2006 is op een aantal punten inhoudelijk aangepast.
                    Als gevolg van het toepassen van de Wet investeren in jongeren per 1 oktober
                    2009 is de jongere doelgroep van 16 tot 27 jaar uitgesloten van de WWB. Voor
                    bestaande gevallen - jongeren die op de datum van de invoering van de WIJ
                    algemene bijstand ontvingen op grond van de WWB - geldt een overgangsbepaling
                    (artikel 86,WIJ). </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening moet
                    worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van
                    deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c WWB. Dit bedrag is
                    feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De WWB is per 1 oktober 2009 beperkt tot de leeftijdsgroep 27 tot 65 jaar. Met
                    de inwerkingtreding van de Wet investeren in jongeren is de WWB inhoudelijk ook
                    gewijzigd aangezien de jongere belanghebbenden van 16 tot 27 jaar en daarmee de
                    jongerennormen niet meer onder de strekking van deze wet vallen. De artikelen 20
                    (jongerennormen) en 29 (alleenstaande van 21 en 22 jaar) van de wet zijn hiermee
                    dan ook komen te vervallen. </al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om - zo nodig in
                    afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de
                    bijstand - de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30
                    lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin de
                    Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de
                    Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om
                    deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te nemen. In uitzonderlijke
                    situaties moet het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot
                    individualiseren. </al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op de toeslagen voor alleenstaande (ouder) die
                        <vet>hoofdbewoner</vet> zijn.</al><al>1<sup>e</sup> lid:</al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder die hoofdbewoner is en in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder
                    a van de wet.</al><al>2<sup>e</sup> lid:</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf.
                    Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één ander in dezelfde woning
                    zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>3<sup>e</sup> lid:</al><al>Ingeval dat er twee of meer anderen in de woning hun hoofdverblijf hebben dan
                    wordt er geen toeslag meer gegeven omdat er dan vanuit gegaan kan worden dat de
                    kosten nog meer gedeeld kunnen worden.</al><al>Als er drie of meer medebewoners zijn dan moet er worden onderzocht of er sprake
                    is van zelfstandig ondernemerschap in de vorm van een bedrijfsmatige
                    kamerverhuur of pension.</al><al>4<sup>e</sup> lid:</al><al>In het vierde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                    begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet
                    aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden, niet
                    meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben. Daarbij is
                    nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wtos aan thuiswonende studenten
                    reeds</al><al>een lager bedrag wordt verstrekt.</al><al>Aangezien betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan de
                    alleenstaande ouder om zodanige inlichtingen te verstrekken dat kan worden
                    vastgesteld of de onderdelen a van toepassing is.</al><al>In onderdeel b worden inwonende ouders hieraan gelijk gesteld.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op de toeslagen van de alleenstaande (ouder) die
                        <vet>medebewoner</vet> zijn.</al><al>1<sup>e</sup> lid:</al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder die medebewoner is en die de kosten niet
                    kan delen is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder a van de wet.</al><al>2<sup>e</sup> lid:</al><al>Ingeval de medebewoner kosten van het bestaan kan delen (bijvoorbeeld huur en
                    stookkosten) dan is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden
                    niet van belang.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één ander in dezelfde woning
                    zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>3<sup>e</sup> lid:</al><al>Een medebewoner die met zijn ouders of inwonende kinderen woont krijgt een
                    toeslag van 5% van de gehuwdennorm.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op de verlagingen van de normen van de gehuwde
                        <vet>hoofdbewoners.</vet></al><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de
                    kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf.</al><al>Lid 1:</al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, als er een
                    medebewoner is dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>Lid 2: </al><al>Evenals bij alleenstaanden wordt vanaf de vierde persoon die in de woning zijn
                    hoofdverblijf heeft geen noemenswaardige vermindering van de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan aanwezig geacht. Daarbij moet ook bedacht
                    worden dat in de praktijk bij meer bewoners van een woning, het ook vaak om een
                    grotere en duurdere woning gaat, zodat de feitelijke kosten van het bestaan
                    doorgaans niet lager uitvallen dan in gevallen waarin maar één ander zijn
                    hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al><al>Lid 3:</al><al>In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm begrepen
                    zijn, maar die</al><al>tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet aannemelijk is, dat zij
                    kunnen bijdragen in de</al><al>kosten van het huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun
                    hoofdverblijf hebben.</al><al>Daarbij is nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wet tegemoetkoming
                    studiekosten aan thuiswonende studenten reeds een lager bedrag wordt verstrekt.
                    Aangezien de in het tweede lid bedoelde kinderen niet in de bijstand begrepen
                    zijn, is het aan de ouders om zodanige inlichtingen te verstrekken, dat kan
                    worden vastgesteld of de onderdeel a van toepassing is.</al><al>Inwonende ouders worden hieraan gelijk gesteld.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op de verlagingen van de normen van de gehuwde
                        <vet>medebewoners.</vet></al><al>Lid 1, onderdeel a en b:</al><al>De gehuwde medebewoners die de kosten niet kunnen delen hebben recht op de
                    volledige gehuwdennorm.</al><al>Lid 2, onderdeel a, b en c: </al><al>De gehuwde medebewoners die de kosten kunnen delen krijgen een verlaging van 10%
                    van de gehuwdennorm.</al><al>Lid 3, onderdeel a en b:</al><al>De gehuwde medebewoners die de woning delen met hun kinderen of hun ouders
                    krijgen een verlaging van 15% van de gehuwdennorm. De ouders en kinderen
                    daarentegen krijgen geen lagere norm of toeslag.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                    verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend
                    bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB.</al><al>Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1
                    Abw voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door belanghebbende
                    bewoonde woning geen woonkosten verbonden waren. Blijkens de toelichting op 27
                    WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt
                    bewoond, een verlaging te kunnen te kunnen toepassen.</al><al>In dit artikel is een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de woning
                    voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het wordt nodeloos
                    ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin
                    woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten
                    heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18
                    lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de verordening wordt overigens
                    niet het begrip 'woonkosten' gehanteerd, maar 'kosten van huur of
                    hypotheeklasten'.</al><al>Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en
                    dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van krachtens
                    dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de
                    Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al>Uit jurisprudentie blijkt dat de verlaging van de woonkosten ook kan worden
                    toegepast in het geval van een echtscheidingssituatie. Als de (ex)-partner de
                    woonkosten geheel of gedeeltelijk betaalt ontbreken de woonlasten (gedeeltelijk)
                    voor belanghebbende. De toeslag wordt dan lager vastgesteld. Het tweede lid
                    wordt verwijderd.</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB is blijkens de toelichting op dat
                    artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een
                    veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de Wet tegemoetkoming
                    studiekosten.</al><al>Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of
                    thuiswonende student. Met deze omstandigheden wordt immers reeds rekening
                    gehouden in artikel 5, 6 en 7 van de Toeslagenverordening.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als redelijk in
                    betreffende omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit artikel zou dat echter
                    kunnen betekenen, dat - met name in situaties waarin de schoolverlatersverlaging
                    in combinatie met een van de andere verlagingsgronden aan de orde is het college
                    de bijstand vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten vaststellen, dat er
                    feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate bijstandsverlening. In
                    voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 18 lid 1 WWB de
                    bijstand hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de
                    Toeslagenverordening een minimum bedrag vast te leggen, waarop het college de
                    bijstand (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet
                    vaststellen.</al><al>Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onder b WWB, dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd, dat de schoolverlatersverlaging (artikel
                    28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden
                    toegepast, heeft geen grond aangezien artikel 29 WWB met de invoering van de WIJ
                    is komen te vervallen. Voor het overige wordt reeds voldaan door de formulering
                    van artikel 7 van de Toeslagenverordening.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Artikel 1, onderdeel j, van de Algemene nabestaandenwet geeft de definiëring van
                    het begrip hulpbehoevende aan en in onderdeel k van hetzelfde artikel behandelt
                    de gezamenlijke huishouding. Blijkens de memorie van toelichting bij dit artikel
                    gaat het om een hulpbehoevende die aanspraak zou kunnen maken op een plaats in
                    een AWBZ-instelling, maar daar om hem moverende redenen van af heeft gezien of
                    op een wachtlijst is geplaatst. De CRvB acht een dergelijke invulling van het
                    begrip zorgbehoefte op zich juist, maar voegt daar nog aan toe dat tevens bezien
                    moet worden of een belanghebbende vanwege ziekte of een of andere meer
                    stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke ard blijvend niet in
                    staat is een eigen huishouding te voeren, daar hij is aangewezen op intensieve
                    zorg van anderen (CRvB 18-09-2007, nr. 06/5145 WWB).</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    bij het college.</al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Medewerkers die geregeld contact hebben met cliënten en over die contacten
                    rapporteren moeten officieel door burgemeester en wethouders worden aangewezen
                    als toezichthouders. Dit komt voort uit artikel 5:11 van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Door ambtenaren aan te wijzen als toezichthouder ligt formeel
                    vast dat zij bevoegd zijn onderzoek te doen. Informatie ingewonnen door op grond
                    van burgemeester aangewezen toezichthouders is een officiële en juridische basis
                    voor een beschikking.</al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Het betreft een nieuwe verordening met nieuwe regelgeving per 1 juli 2010. Voor
                    de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van de
                    wetgever, als gebruikt in de toelichting.</al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>De datum van de inwerkingtreding van deze nieuwe Toeslagenverordening WWB 2010
                    kan pas ingaan na in acht neming van de genoemde termijn in de overgangsbepaling
                    conform artikel 86 van de Wet investeren in jongeren. Het overgangsrecht is van
                    toepassing op de jongere die op de datum van inwerkingtreding van de Wet
                    investeren in jongeren algemene bijstand op grond van de WWB ontvangt, blijft de
                    wet van toepassing tot het tijdstip waarop die jongere zijn recht op algemene
                    bijstand verliest, met dien verstande dat die jongere in ieder geval op 1 juli
                    2010 het recht op algemene bijstand verliest. </al><al>De nieuwe toeslagenverordening, van toepassing op personen van 27 jaar en ouder
                    doch jonger dan 65 jaar, treedt in werking op 1 juli 2010.</al><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2006 wordt ingetrokken op het
                    moment dat </al><al>de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010 in werking treedt.</al><al>De wijzigingen in de Wet werk en bijstand en de invoering van de nieuwe Wet
                    investeren in jongeren vereist een nieuwe toeslagenverordening WWB, gelet op
                    artikel 8, eerste lid, onderdeel c van de deze wet. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>