<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR439495_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Etten-Leur 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-202525.html">Gemeenteblad 2017, 202525</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Etten-Leur 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art.149 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=151c&amp;g=2017-11-06">Gemeentewet, art. 151c, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-11-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-11-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-12-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Art. 2:79</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Etten-Leur 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Algemene plaatselijke verordening Etten-Leur 2017</al><al>De raad van de gemeente Etten-Leur;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 6
                        september 2016</al><al>gelet op artikel 149 en 151c, eerste lid van de Gemeentewet </al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening 2017:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan daaronder wordt
                                    verstaan;</al></li><li nr="b."><al>weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet ;</al></li><li nr="c."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart
                                    in bijlage 1 bij deze verordening;</al></li><li nr="e."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Bouwverordening;</al></li><li nr="g."><al>gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c,
                                    van de Woningwet;</al></li><li nr="h."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li><li nr="i."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1. eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag. In die gevallen waar de Lsp van toepassing is,
                                beslist het bestuursorgaan binnen acht weken nadat alle voor de
                                afhandeling noodzakelijke gegevens zijn ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3:9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel
                                4:11. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor
                                de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel
                                3:4, eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al> indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al> indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al> indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in
                                het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu;</al></li><li nr="e."><al>de zedelijkheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de
                                aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de
                                beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke
                                behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1.</nr><titel>BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van
                                    de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden
                                    zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>BETOGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                    te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten
                                    minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk
                                    kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>[vervallen]</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3</nr><titel>VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><al>[vervallen]</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4.</nr><titel>VERTONINGEN E.D. OP DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5.</nr><titel>BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                                    publieke functie ervan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het
                                        bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats anders te
                                        gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie
                                        daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;</al></li><li nr="c."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                                worden geopenbaard.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de
                                        volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in
                                        het vierde en aan de nadere regels uit hoofde van het vijfde
                                        lid:</al><lijst><li nr="a."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:27 sub b tenzij
                                                het een locatie of horecabedrijf betreft die is
                                                aangegeven op de nader door het college vast te
                                                stellen kaart;</al></li><li nr="b."><al>uitstallingen; </al></li><li nr="c."><al>bouwobjecten;</al></li><li nr="d."><al>reclameborden;</al></li><li nr="e."><al>plantenbakken en banken;</al></li><li nr="f."><al>nader door het college aan te wijzen categorieën van
                                                voorwerpen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Degene die voornemens is bouwobjecten te plaatsen, doet
                                        daarvan uiterlijk 5 werkdagen tevoren een melding aan het
                                        college.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegde bestuursorgaan stelt nadere regels voor de
                                        categorieën genoemd in lid 3. </al></li><li nr="6."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                        wegenreglement.</al></li><li nr="7."><al>De vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                                weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de
                                                weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                                dan wel een belemmering kan vormen voor het
                                                doelmatig beheer en onderhoud van de weg. </al></li><li nr="b."><al> Indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                                hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                redelijke eisen van welstand.</al></li><li nr="c."><al>In het belang van de voorkoming of beperking van
                                                overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>De weigeringsgrond van lid 7 onder a geldt niet voor zover
                                        in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                        artikel 5 van de Wegenverkeerswet. </al></li><li nr="9."><al>De weigeringsgrond van lid 7 onder b geldt niet voor
                                        bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor de
                                        activiteit bouwen is of kan worden verleend. </al></li><li nr="10."><al>De weigeringsgronden van lid 7 onder c geldt niet voor zover
                                        in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer.</al></li><li nr="11."><al>In dit artikel wordt verstaan onder bevoegde bestuursorgaan:
                                        het college of, voor zover het betreft voor het publiek
                                        openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld
                                        in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het
                                    uitvoeren van hun publieke taak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement,
                                    de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering
                                    te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien:</al><lijst><li nr="a."><al>degene die een uitweg wil maken naar de weg of
                                            verandering wil brengen in een bestaande uitweg naar de
                                            weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan
                                            het college, door indiening van een door de gemeente
                                            opgesteld formulier; of</al></li><li nr="b."><al>het college het maken of veranderen van de uitweg heeft
                                            verboden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van de melding wordt kennis gegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt
                                            gebracht;</al></li><li nr="b."><al>dat ten koste gaat van een (openbare)
                                            parkeergelegenheid;</al></li><li nr="c."><al>het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze
                                            wordt aangetast; of</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door
                                            een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze
                                            tweede uitweg ten koste gaat van een openbare
                                            parkeerplaats of het openbaar groen;</al></li><li nr="e."><al> het maken of veranderen van een uitweg in strijd is met
                                            een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen
                                    acht weken na ontvangst van de complete melding heeft beslist
                                    dat de gewenste uitweg wordt verboden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken,
                                    de Waterschapskeur of de verordening wegen Noord-Brabant
                                    2010.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>6.</nr><titel>VEILIGHEID OP DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>[vervallen].</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d</titel></kop><al>[vervallen] </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben lager dan 2,2 meter boven
                                    de hoogte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad
                                    of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m
                                    uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte
                                    delen van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                    hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al>[vervalt]</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>7.</nr><titel>EVENEMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze
                                            verordening;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het, in een inrichting in de zin van de Drank en
                                            Horecawet, gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                            verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;</al></li><li nr="d."><al>d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan
                                            de weg;</al></li><li nr="e."><al>e. een straatfeest of buurtbarbecue .</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de
                                    burgemeester een evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor het organiseren van een
                                    evenement, dat aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:</al><lijst><li nr="a."><al>Het aantal aanwezigen bedraagt niet meer dan 250
                                            personen of, in geval van een optocht georganiseerd door
                                            scholen of wijk/buurtverenigingen maximaal 1000
                                            aanwezige personen en waarbij geen motorrijtuigen, zoals
                                            gedefinieerd in de Wegenverkeerswet 1994 deelnemen;</al></li><li nr="b."><al>Er wordt geen (of gedeelte van een)
                                            gebiedsontsluitingsweg afgezet; </al></li><li nr="c."><al>Het evenement vindt plaats tussen 07.00 uur en
                                            24.00;</al></li><li nr="d."><al>Het evenement duurt niet langer dan één dag; </al></li><li nr="e."><al>Het evenement vormt geen belemmering voor de
                                            hulpdiensten; dat wil zeggen er is altijd een vrije
                                            doorgang van 3.50 meter breed en 4.20 meter hoog;</al></li><li nr="f."><al>Er worden alleen kleine objecten geplaatst met een
                                            oppervlakte van minder dan 100m² per object. Deze
                                            objecten worden minimaal 5 meter uit de bestaande
                                            bebouwing geplaatst en staan niet opgesteld in
                                            bovengenoemde vrije doorgang;</al></li><li nr="g."><al>In een eventueel opgestelde tent (welke zodanig is
                                            opgesteld dat dit voldoet aan de hierboven genoemde
                                            voorwaarden) zijn minder dan 50 personen gelijktijdig
                                            aanwezig; </al></li><li nr="h."><al>Van de festiviteiten is geen overmatige geluidshinder te
                                            duchten door het gebruik van versterkte
                                            (live)muziek;</al></li><li nr="i."><al>De organisator stelt de burgemeester tenminste 5
                                            werkdagen voorafgaand aan het evenement hiervan in
                                            kennis middels een digitale of schriftelijke
                                            melding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van de
                                    openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en het
                                    milieu.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding
                                    besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het
                                    tweede lid te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden
                                    dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                                    volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of
                                    aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien
                                    door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> In afwijking van artikel 1:3 lid 1 wordt een afwijkende
                                    indieningtermijn gehanteerd van acht weken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8.</nr><titel>TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden
                                        geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie
                                        worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in
                                        ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café,
                                        cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.
                                        Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan: een bij dit
                                        bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting
                                        liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of
                                        zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding
                                        dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe
                                        consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al></li><li nr="c."><al>discotheek: een als zodanig aangeduid grootschalig
                                        horecabedrijf, waar gedanst wordt op muziek. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of
                                    exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld
                                    in het eerste lid eveneens weigeren indien de leidinggevende(n)
                                    in enig opzicht van slecht levensgedrag is/zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning
                                    geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet
                                    worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving
                                    van het horecabedrijf of openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                    nadelig wordt beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                    weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met het
                                    karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is
                                    gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de
                                    spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of
                                    bloot zal komen te staan door de exploitatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel
                                    als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de
                                    horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor het horecabedrijf als bedoeld in het vijfde lid gelden
                                    dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voorts geldt het eerste lid niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een horecabedrijf in zorginstellingen;</al></li><li nr="b."><al>een horecabedrijf in musea;</al></li><li nr="c."><al>een horeca-inrichting in scholen;</al></li><li nr="d."><al>een horeca-inrichting in bedrijfskantines.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                    toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden het horecabedrijf, met
                                    uitzondering van de horecabedrijven als bedoeld in lid 2 tot en
                                    met 5, voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in het
                                    horecabedrijf te laten verblijven tussen 02.00 uur en 07.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden het horecabedrijf, waar of van
                                    waaruit uitsluitend eetwaren en/of alcoholvrije dranken plegen
                                    te worden verkocht, voor bezoekers geopend te hebben, of
                                    bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven: op maandag
                                    tot en met zondag tussen 03.00 uur en 07.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden een discotheek voor bezoekers
                                    geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten
                                    verblijven: op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en
                                    07.00 uur en op zaterdag tot en met maandag tussen 05.00 en
                                    07.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de exploitant van een discotheek verboden bezoekers
                                    toegang tot het horecabedrijf te verlenen op zaterdag tot en met
                                    maandag tussen 02.00 uur en 05.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden een paracommerciële inrichting
                                    voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting
                                    te laten verblijven op maandag tot en met zondag tussen 01.00 en
                                    07.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden het bij het horecabedrijf
                                    behorende terras voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers
                                    op het terras te laten verblijven in de periode 1 november tot 1
                                    maart en buiten deze periode tussen 00.00 en 09.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift
                                    andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                                    horecabedrijf of een daartoe behorend terras.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met het zesde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven
                                    andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden
                                    vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al>Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden
                                gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of
                                ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten
                                dient te zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                    voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel
                                174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd
                                bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met
                                2:31.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8A</nr><titel>BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE
                                DRANK- EN HORECAWET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>alcoholhoudende drank,</al></li><li nr="-"><al>horecabedrijf,</al></li><li nr="-"><al>horecalokaliteit,</al></li><li nr="-"><al>inrichting,</al></li><li nr="-"><al>paracommerciële rechtspersoon,</al></li><li nr="-"><al>sterke drank,</al></li><li nr="-"><al>slijtersbedrijf en</al></li><li nr="-"><al>zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan
                                        in de Drank- en Horecawet</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34b</nr><titel>schenktijden paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten
                                    van sportieve aard verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank
                                    ten behoeve van activiteiten, op:</al><lijst><li nr="a."><al>maandag tot en met vrijdag na <vet>18:00</vet> uur en
                                            tot <vet>23:00</vet> uur;</al></li><li nr="b."><al>zaterdag en zondag na <vet>12:00</vet> uur en tot
                                                <vet>23:00</vet> uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in
                                    het eerste lid verenigings- of wedstrijdactiviteiten
                                    plaatsvinden die eindigen tijdens het laatste volledige uur voor
                                    aanvang of na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden, is
                                    het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan, in
                                    aanvulling op de schenktijden genoemd in dat lid,
                                    alcoholhoudende drank te verstrekken tot anderhalf uur na
                                    beëindiging van deze activiteiten, maar <vet>niet later dan
                                        01.00 uur</vet>. Lid 2 is niet van toepassing indien er
                                    sprake is van wedstrijden of verenigingsactiviteiten waaraan
                                    hoofdzakelijk jeugdigen in de leeftijd tot 18 jaar deelnemen en
                                    die activiteiten plaatsvinden voor 15.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend
                                    alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met één
                                    uur voor aanvang en eindigende met één uur na beëindiging van
                                    activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving
                                    van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon,<vet> maar
                                        niet later dan 01.00 uur.</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34c</nr><titel>bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><al>Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende
                                drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten
                                die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de
                                activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn
                                betrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34d</nr><titel>Verbod happy hours</titel></kop><al>Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de
                                openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet
                                alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse
                                tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is
                                dan 60% van de prijs die in de desbetreffende horecalokaliteit op of
                                het desbetreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>9.</nr><titel>TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN
                                NACHTVERBLIJF</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leidingvan een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis
                                tegeven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>[vervallen]</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10.</nr><titel>TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder b, van deWet op de Kansspelen
                                            vergunning is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de
                                            kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te
                                            verlenen;</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om
                                            het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                            op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd
                                            is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                            a, van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="e."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten
                                    toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten toegestaan,
                                    met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn
                                    toegestaan.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10A.</nr><titel>TOEZICHT OP SMARTSHOPS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40a</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin
                                        bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of
                                        anders dan om niet handelingen en/of werkzaamheden worden
                                        verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan
                                        het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer
                                        wordt aangeduid als smartshop;</al></li><li nr="b."><al>Exploitant: de natuurlijke persoon voor wiens rekening en
                                        risico de inrichting wordt geëxploiteerd; diegene die de
                                        inrichting exploiteert.</al></li><li nr="c."><al>Leidinggevende:</al><lijst><li nr="1."><al>de natuurlijke persoon voor wiens rekening en risico
                                                de inrichting wordt geëxploiteerd; diegene die de
                                                inrichting exploiteert;</al></li><li nr="2."><al>de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft
                                                aan de exploitatie van de inrichting;</al></li><li nr="3."><al>de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding
                                                geeft aan de exploitatie van de inrichting.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>Bezoeker: degene die zich in een inrichting bevindt, met
                                        uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>de leidinggevende(n) en de leden van diens gezin, de
                                                niet tot diens gezin behorende bloed- en
                                                aanverwanten van de ondernemer(s) en de
                                                leidinggevende(n) in de rechte lijn onbeperkt en in
                                                de zijlijn tot en met de derde graad;</al></li><li nr="2."><al>het dienstdoende personeel;</al></li><li nr="3."><al>hen, wier tegenwoordigheid in de inrichting, naar
                                                het oordeel van de burgemeester, door dringende
                                                omstandigheden wordt vereist;</al></li><li nr="4."><al>personen, die vertoeven in een inrichting welke
                                                tevens is een inrichting tot het verschaffen van
                                                nachtverblijf als bedoeld in de verordening op
                                                logeer- en kamerverhuurinrichtingen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40b</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><al>Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 2:40a onder a,
                                te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40c</nr><titel>Vergunningaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor de in artikel 2:40b bedoelde vergunning dient
                                    te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag voor de vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                    en in de vergunning als bedoeld in artikel 2:40b wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de leidinggevende(n).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag als bedoeld in
                                    het eerste lid gelijktijdig in behandeling genomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40d</nr><titel>Eisen aan de exploitant en leidinggevende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en leidinggevende(n) dienen te voldoen aan de bij
                                    of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder a en b en lid 2,
                                    van de Drank- en Horecawet aan leidinggevenden gestelde
                                    eisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de leidinggevende(n) dienen de leeftijd van
                                    achttien jaar te hebben bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40e</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>De burgemeester kan de in artikel 2:40c bedoelde vergunning weigeren
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>De exploitant of de leidinggevende(n) niet voldoet aan de in
                                        artikel 2:40d gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>De exploitant of de leidinggevende(n) binnen drie jaar voor
                                        de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond
                                        van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde,
                                        dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel op
                                        grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is
                                        geweest;</al></li><li nr="c."><al>de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende
                                        bestemmingsplan of beheersverordening;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van de burgemeester het woon- en
                                        leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de
                                        openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed
                                        of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de
                                        inrichting;</al></li><li nr="e."><al>in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel
                                        3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het
                                        openbaar bestuur.</al></li><li nr="f."><al>de vestiging leidt tot concentratie van inrichtingen in een
                                        bepaald gebied.</al></li><li nr="g."><al>de inrichting is gevestigd in de nabijheid van een school of
                                        jongerencentrum.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40f</nr><titel>Afwijking sluitingstijden: tijdelijke sluiting</titel></kop><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid, of in het geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer
                                inrichtingen, tijdelijk andere dan de voor de betreffende
                                inrichtingen geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijke
                                sluiting bevelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40g</nr><titel>Sluiting</titel></kop><al>De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde
                                termijn, gesloten verklaren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                        vergunning;</al></li><li nr="b."><al>de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de aan
                                        de vergunning verbonden voorschriften;</al></li><li nr="c."><al>de exploitant of leidinggevende niet meer voldoet aan de in
                                        artikel 2:40d gestelde eisen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40h</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting gesloten is
                                    ingevolge de reguliere sluitingstijden of krachtens een op grond
                                    van artikel 2:40f dan wel 2:40g genomen besluit, zich als
                                    bezoeker in deze inrichting te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de exploitant of leidinggevende(n) verboden gedurende de
                                    tijd dat een inrichting is gesloten ingevolge de reguliere
                                    sluitingstijden of krachtens een op grond van artikel 2:40f, dan
                                    wel artikel 2:40g genomen besluit, de inrichting voor bezoekers
                                    geopend te hebben of daarin één of meer bezoekers toe te laten
                                    of te laten verblijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40i</nr><titel>Intrekkinggronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning als
                                bedoeld in artikel 2:40b door de burgemeester ingetrokken
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie of leidinggevende niet voldoet aan de in
                                        artikel 2:40d gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende van de
                                        inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan
                                        worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting
                                        die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een
                                        bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de
                                        omgeving van de inrichting;</al></li><li nr="c."><al>de exploitant of leidinggevende van de inrichting toestaat
                                        of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
                                        gepleegd.</al></li><li nr="d."><al>zich in of vanuit zijn inrichting anderszins feiten hebben
                                        voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven
                                        van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde
                                        en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in
                                        de omgeving van de inrichting.</al></li><li nr="e."><al>er is sprake van de omstandigheid en een geval, als bedoeld
                                        in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen
                                        door het openbaar bestuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40j</nr><titel>Aanwezigheid leidinggevende in de inrichting</titel></kop><al>Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden
                                indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die op de
                                vergunning vermeld staat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40k</nr><titel>Vervallen vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ingevolge artikel 2:40b verstrekte vergunning vervalt
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van de inrichting door de exploitant voor
                                            een periode langer dan zes maanden is of wordt gestaakt,
                                            behalve indien dit is ten gevolge van langdurige ziekte
                                            van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van een wijziging in de exploitatie doordat
                                            de aard van de inrichting is gewijzigd waarvoor geen
                                            nieuwe vergunning is aangevraagd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning, strekkende ter vervanging van de in de
                                            aanhef van dit artikel bedoelde vergunning, is
                                            verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het feit dat de vergunning is vervallen op grond van het
                                    bepaalde in het eerste lid, onder a en b, doet de burgemeester
                                    mededeling aan hem op wiens naam de vergunning is gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40l</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de exploitant van een op de datum van inwerkingtreding van
                                    deze paragraaf in bedrijf zijnde inrichting wordt geacht een
                                    tijdelijke vergunning voor die inrichting te zijn afgegeven voor
                                    de duur van zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt door de exploitant van een inrichting als bedoeld in het
                                    eerste lid binnen de in het eerste lid genoemde termijn een
                                    ingevolge artikel 2:40c, eerste lid, vereiste vergunning
                                    aangevraagd, dan wordt de tijdelijke vergunning als bedoeld in
                                    lid 1 geacht te zijn verlengd tot het tijdstip waarop door de
                                    burgemeester op de aanvraag is beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40m</nr><titel>College als bevoegd orgaan</titel></kop><al>Indien een inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174
                                van de Gemeentewet treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan
                                voor de toepassing van artikel 2:40b tot en met 2:40l.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>11.</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                    zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer en bezit inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg te vervoeren of bij zich te hebben
                                    enig middel dat er kennelijk toe is gerust om zich onrechtmatig
                                    de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de in het eerste lid
                                    bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om
                                    zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te
                                    verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken,
                                    diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken
                                    van sporen te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp of hulpmiddel dat
                                    er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal
                                    te vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in het derde lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden :</al><lijst><li nr="a."><al>op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op
                                            een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                            toiletgelegenheid, voertuig, hek, heining of andere
                                            afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan
                                            gebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen
                                            onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                    Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                            aangelijnd met een fysieke lijn of riem;of</al></li><li nr="c."><al>op de weg indien die hond niet is voorzien van een
                                            halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar
                                            of houder duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet
                                    van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:</al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden; of</al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><lijst><li nr="a."><al>op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede
                                            bestemd voor het verkeer van voetgangers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide;</al></li><li nr="c."><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid, onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Teneinde te kunnen voldoen aan de opheffing van de strafbaarheid
                                    van de overtreding als bedoeld in lid 3, dient hij die zorg
                                    heeft voor een hond dan wel hij die de hond onder zijn hoede
                                    heeft, bij het uitlaten of wandelen met de hond op de weg, te
                                    allen tijde een schepje of een ander ten dienste staand middel
                                    of voorwerp, daartoe door het college aangewezen, bij zich te
                                    dragen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De opruimplicht geldt niet voor zover de eigenaar of houder van
                                    een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat
                                    begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke en blaffende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al><lijst><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of
                                            van beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de
                                            hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                            de mens niet mogelijk is; en</al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                            afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van
                                            de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust
                                    verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59A:</nr><titel>Weging ernst bijtincident</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij weging van de ernst van bijtincidenten wordt onderscheid
                                    gemaakt tussen honden die betrokken zijn bij (zeer) ernstige
                                    bijtincidenten en overige honden die zijn betrokken bij een
                                    licht bijtincident.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij (zeer)ernstige bijtincidenten bijt een hond een persoon of
                                    brengt de hond ernstig letsel toe aan een ander dier, veelal een
                                    hond.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een licht bijtincident bijt een hond een ander dier, veelal
                                    een hond, maar is geen sprake van ernstig letsel of is sprake
                                    van een bijtincident zonder ernstige gevolgen dat gezien de
                                    context verklaarbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59B</nr><titel>Optreden tegen ernstige bijtincidenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond die een (zeer) ernstig
                                    bijtincident heeft begaan wordt gevraagd om afstand te doen van
                                    zijn hond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester geeft bevel tot het onvrijwillig in beslag nemen
                                    van de hond indien de houder niet vrijwillig afstand doet van de
                                    hond en de burgemeester vreest dat de kans op bijtrecidive
                                    aanwezig is, of als de hond al eerder een bijtincident heeft
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het onvrijwillig in beslag nemen kan in opdracht van de
                                    houder de hond aan een risico-assessment worden onderworpen die
                                    de burgemeester betrouwbaar acht. De test zal moeten uitwijzen
                                    of de hond resocialiseerbaar of elders herplaatsbaar is, of dat
                                    het risico bij terugplaatsing bij de houder als te groot moet
                                    worden ingeschat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten van vervoer, verblijf, test en eventueel laten doden
                                    van de hond komen voor rekening van de houder van de hond.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij bijtrecidive of bij (zeer) ernstige bijtincidenten
                                    informeert de gemeente het Openbaar Ministerie zodat dit kan
                                    overwegen of het instellen van strafvervolging tegen de houder
                                    van de hond, terzake van mishandeling, vernieling, geen
                                    voldoende zorg dragen voor onschadelijk houden van een
                                    gevaarlijk dier, of overtreding van de APV aan de orde is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de burgemeester bij de situatie uit het tweede lid niet
                                    vreest dat recidive zal plaatsvinden, dan kan het college de
                                    hond aanwijzen als gevaarlijke hond. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59C:Optreden</nr><titel>tegen overige honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij vrees voor het ontstaan van ernstige bijtincidenten, of bij
                                    een licht bijtincident kan het college besluiten tot aanwijzing
                                    van de hond als gevaarlijke hond in de zin van artikel 2:59
                                    APV.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bepaalde situaties aangeven dat het
                                    noodzakelijk is dat de hond een risico-assessment
                                    ondergaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij zeer ernstige vrees voor het ontstaan van een (zeer) ernstig
                                    bijtincident kan het college besluiten dat de houder
                                    onvrijwillig afstand moet doen van de hond.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de eigenaar of houder van een hond die als gevaarlijke hond
                                    is aangewezen in strijd met artikel 2:59 APV de hond houdt en de
                                    hond een nieuw bijtincident veroorzaakt dan geeft het college
                                    toepassing aan het vorige lid en gaat het na of er aanleiding is
                                    dat naast de bestuursrechtelijke maatregel een strafrechtelijke
                                    sanctie op zijn plaats is wegens overtreding van de APV.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                    verboden is daarbij aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben,of</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door hen gestelde regels, of</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel
                                    aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een
                                    groter aantal dan door het college is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein datniet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor tezorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                    duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in
                                    een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart
                                    en 1 juni.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het gebod in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de provinciale ophokverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van dertig meter van woningen of
                                            andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen
                                    te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of
                                    gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                    door de Provinciale wegenverordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>12.</nr><titel>BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                            voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van
                                            het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                    Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al><lijst><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                                vermelding van zijn woonadres en het adres van de
                                                bij zijn onderneming behorende vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1 , bedoelde
                                                adressen;</al></li><li nr="3."><al>als hij het beroep van handelaar niet langer
                                                uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs
                                                van een misdrijf afkomstig is of voor de
                                                rechthebbende verloren is gegaan;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven; </al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al> een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>[vervallen]</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>13.</nr><titel>VUURWERK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>14.</nr><titel>DRUGSOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet,, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>15.</nr><titel>BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                                CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikelen 2:1, 2:2, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19,
                                2:26, 2:47 tot en met 2:50, 2:74 en 5:34 groepsgewijs niet
                                naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten
                                behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet</nr><label/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die een woning of een bij die woning behorend erf
                                    gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die
                                    niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de
                                    basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor
                                    dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de
                                    onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige
                                    en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder
                                    bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze
                                    zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de
                                    overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te
                                    voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het
                                    gebruik van deze bevoegdheid. </al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en
                                    herhaaldelijke:</al><lijst><li nr="a."><al>geluid- of geurhinder; </al></li><li nr="b."><al>hinder van dieren;</al></li><li nr="c."><al>hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een
                                            woning of op een erf aanwezig zijn; </al></li><li nr="d."><al>overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning
                                            of een erf;</al></li><li nr="e."><al>intimidatie van derden vanuit een woning of een
                                            erf.</al><al/></li></lijst></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1.</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6:2 van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS EN
                                DERGELIJKE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie
                                            openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius,
                                            Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere
                                            rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                            recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                            artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                            Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><lijst><li nr="·"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                  Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
                                                  Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                                  242 tot en met 249, 252, 250a(oud), 273a, 300 tot
                                                  en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en
                                                  453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede
                                                  artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163
                                                  van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al> bij de intrekking van een vergunning teruggerekend
                                            vanaf de datum van de intrekking van deze
                                            vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    tussen 02.00 uur en 07.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                            vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                            (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
                                    gebieden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                    wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het
                                    bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede
                                    lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een
                                    bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit
                                    verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een
                                    openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en
                                    op de tijden bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3.</nr><titel>BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                    beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning
                                    bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag ontvangen is</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5
                                    gestelde eisen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
                                </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven
                                    kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de
                                    aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid,
                                    achterwege gelaten, in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de gezondheid of zedelijkheid; of</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4.</nr><titel>BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan
                                    het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5.</nr><titel>OVERGANGSBEPALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1.</nr><titel>GELUIDHINDER EN VERLICHTING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al> incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer delen van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door muziek of
                                    stemgeluid afkomstig uit de inrichting, bedraagt niet meer dan
                                    63 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een
                                    hoogte van 1,5 meter.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5 van deze verordening - op zaterdag en zondag uiterlijk om
                                    01.00 uur en op andere dagen om 00.00 uur te worden
                                    beëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste
                                    twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                    daarvan digitaal of schriftelijk in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    4.113 , eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door muziek- of
                                    stemgeluid afkomstig uit de inrichting bedraagt niet meer dan 63
                                    dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte
                                    van 1,5 meter.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5 van deze verordening – op zaterdag en zondag uiterlijk om
                                    01.00 uur en op andere dagen om 00.00 uur te worden beëindigd.
                                </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al> De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het
                                    bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                    buitenruimte.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al> [vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals
                                        bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid
                                        van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen
                                        tabel van toepassing, met dien verstande dat:</al></li><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                        gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze
                                        gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                        redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                        geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
                                        gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover
                                        het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en
                                        verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de
                                        tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.</al></li><li nr="e."><al>Tabel</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><thead><row><entry><al/></entry><entry><al>7.00-19.00 uur</al></entry><entry><al>19.00-23.00 uur</al></entry><entry><al>23.00-7.00 uur</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>LAr,LT op de gevel van</al><al>gevoelige gebouwen </al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A) </al></entry><entry><al>40 dB(A) </al></entry></row><row><entry><al>LAr,LT in in- en aanpandige</al><al>gevoelige gebouwen </al></entry><entry><al>35 dB(A) </al></entry><entry><al>30 dB(A) </al></entry><entry><al>25 dB(A) </al></entry></row><row><entry><al>LAmax op de gevel van</al><al>gevoelige gebouwen </al></entry><entry><al>70 dB(A) </al></entry><entry><al>65 dB(A) </al></entry><entry><al>60 dB(A) </al></entry></row><row><entry><al>LAmax in in- en aanpandige</al><al>gevoelige gebouwen </al></entry><entry><al>55 dB(A) </al></entry><entry><al>50 dB(A) </al></entry><entry><al>45 dB(A) </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Voor de duur van 3 uur in de week is onversterkte muziek,
                                        vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                        harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting
                                        gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de
                                        genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte
                                        elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen,
                                        wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en
                                        is het Besluit van toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3
                                        van deze verordening van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                    Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit
                                    of de Provinciale milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is toegestaan zonder vergunning van het college een
                                    geluidswagen in te zetten, indien wordt voldaan aan elk van de
                                    volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>De geluidswagen mag niet worden ingezet op zondagen en
                                            daarmee gelijkgestelde dagen.</al></li><li nr="b."><al>De geluidswagen mag niet worden ingezet op locaties waar
                                            al een evenement als bedoeld in artikel 2:24
                                            plaatsvindt.</al></li><li nr="c."><al>De geluidswagen mag niet worden ingezet tussen 22.00 uur
                                            en 9.00 uur.</al></li><li nr="d."><al>De verkeersveiligheid is gewaarborgd tijdens de inzet
                                            van de geluidswagen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent de inzet van
                                    geluidswagens.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3.</nr><titel>HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer
                                            bomen;</al></li><li nr="b."><al>Hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld,
                                            opnieuw op de stronk uitlopen.</al></li><li nr="c."><al>Beschermde boom: boom die op de beschermde bomenlijst is
                                            geplaatst en in elk geval voldoet aan 2 van de volgende
                                            criteria: karakteristiek, beeldbepalend en
                                            onvervangbaar, bijzonder door leeftijd en/of
                                            verschijning, dendrologisch waardevol, cultuurhistorisch
                                            waardevol, adoptie- of herdenkingsboom, bijzondere
                                            natuurwaarde of ecologische waarde, bijzondere
                                            landschappelijke waarde, bijzondere waarde voor de
                                            leefbaarheid, onderdeel uitmakend van de hoofdgroen- of
                                            hoofdwaterstructuur.</al></li><li nr="d."><al>Beschermde bomenlijst: door het bevoegd gezag
                                            vastgestelde lijst en/of kaart waarop beschermde
                                            houtopstanden zijn geplaatst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                    houtopstanden te vellen of te doen vellen die zijn vermeld op de
                                    beschermde bomenlijst of zijn geplant in het kader van de
                                    herplantplicht op basis van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag legt onder nader te stellen voorschriften in
                                    beginsel een herplantplicht of compensatiestorting in het
                                    Bomenfonds op.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>De natuurwaarde van de houtopstand.</al></li><li nr="b."><al>De landschappelijke waarde van de houtopstand.</al></li><li nr="c."><al>De waarde van de houtopstand voor stads- en
                                            dorpsschoon.</al></li><li nr="d."><al>De beeldbepalende waarde van de houtopstand.</al></li><li nr="e."><al>De cultuurhistorische waarde van de houtopstand.</al></li><li nr="f."><al> De waarde voor de leefbaarheid van de omgeving.</al></li><li nr="g."><al> De karakteristiek in relatie tot de standplaats.</al></li><li nr="h."><al> De bijzonderheid van leeftijd en/of verschijning van de
                                            houtopstand.</al></li><li nr="i."><al> De dendrologische waarde van de houtopstand.</al></li><li nr="j."><al> Het een adoptie- of herdenkingsboom betreft.</al></li><li nr="k."><al> De hoofdgroen- of hoofdwaterstructuur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moeten worden
                                            geveld;</al></li><li nr="b."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                            Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last
                                            van het bevoegd gezag;</al></li><li nr="c."><al>houtopstand die is aangeplant en geregistreerd als “vrij
                                            groen” in het kader van de gemeentelijke regeling
                                            “Particulier landschapsbeheer Etten-Leur” en/of is
                                            aangeplant in het kader van het provinciale “Groen Blauw
                                            Stimuleringskader” en er in dat kader geen vergoeding
                                            voor waardedaling van de onderliggende grond is
                                            ontvangen; </al></li><li nr="d."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                            landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit
                                            populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;</al></li><li nr="e."><al>vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="f."><al>fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te
                                            dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het
                                            bijzonder bestemde terreinen;</al></li><li nr="g."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="h."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                            Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen
                                            is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                            zelfstandige eenheid vormt die:</al><al>-ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al><al>-ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20
                                            bomen, gerekend over het totale aantal rijen.</al></li><li nr="h."><al>noodkap; hieronder wordt verstaan het moeten vellen van
                                            een houtopstand in verband met een plotselinge ernstige
                                            bedreiging van de openbare veiligheid (reële kans op
                                            letsel en schade) of een noodtoestand, terwijl
                                            tegelijkertijd het treffen van maatregelen onevenredig
                                            bezwarend is in verhouding tot het belang dat gediend is
                                            met instandhouding van de houtopstand.</al><al/></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4.</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten
                                    een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                    openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke
                                    ordening of de Provinciale Wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5.</nr><titel>KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan de
                                    beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit
                                    is bestemd of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel
                                    4:18, eerste lid niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:18 derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:20</nr><titel>Kampeerperiode</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kampeerperiode voor locaties waar kleinschalig kamperen
                                    ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan loopt van 15 maart
                                    tot en met 31 oktober.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het
                                    gestelde in lid 1.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1.</nr><titel>PARKEEREXCESSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 25 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen
                                            of te hebben op een door het college aangewezen weg,
                                            waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog
                                            op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of
                                            schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                            gemeente;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het plaatsen van een kampeerwagen of camper die voor de
                                    recreatie is gebezigd, is toegestaan op de daartoe door het
                                    college aangelegde en aangeduide vijf camperplaatsen nabij de
                                    Westpolderplas, voor een periode van maximaal vier
                                    achtereenvolgende dagen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid geldt niet op werkdagen van maandag
                                    tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast,
                                of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor
                                bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>COLLECTEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>CBF: Het Centraal Bureau Fondsenwerving;</al></li><li nr="b."><al>Collectant: de persoon die namens een inzamelende
                                        organisatie of fonds geld of goederen inzamelt.</al></li><li nr="c."><al>Collecterooster: Het door het CBF jaarlijks vastgestelde
                                        rooster waarin aan landelijke collecterende fondsen een
                                        periode is toegewezen waarbinnen de inzamelingsactie dient
                                        plaats te vinden;</al></li><li nr="d."><al>Keur: Een door het CBF uitgegeven keurmerk;</al></li><li nr="e."><al>Verklaring: Een door het CBF uitgegeven Verklaring van geen
                                        bezwaar;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13a</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een
                                    inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor
                                    organisaties die een inzameling willen houden en daarbij aan elk
                                    van de volgende voorwaarden voldoen:</al><lijst><li nr="a."><al>de collecterende organisatie is, ten tijde van de
                                            inzameling, in het bezit van een geldige keur of
                                            verklaring;</al></li><li nr="b."><al>de inzameling wordt uitsluitend gehouden tijdens de
                                            periode op het collecterooster;</al></li><li nr="c."><al>uiterlijk 5 werkdagen vóór aanvang van de inzameling
                                            dient de organisatie per e-mail of schriftelijk een
                                            opgave aan het college doen waarin van iedere collectant
                                            de naam, adres, woonplaats en geboortedatum is
                                            aangegeven;</al></li><li nr="d."><al>de collectanten hebben een minimale leeftijd van zestien
                                            jaar;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor
                                    organisaties die een kledinginzameling willen houden en daarbij
                                    aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:</al><lijst><li nr="a."><al>de organisatie beschikt over een CBF-keur of het
                                            CBF-certificaat voor kleine goede doelen.</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften als bedoeld in het vorige lid onder c.
                                            en d. zijn van overeenkomstige toepassing met dien
                                            verstande dat de in lid c. bedoelde melding tevens
                                            opgave wordt gedaan van de dag waarop de inzameling
                                            plaats vindt;</al></li><li nr="c."><al>de kleding mag alleen huis aan huis via kledingzakken
                                            worden ingezameld. Op de kledingzakken dient duidelijk
                                            de naam van de inzamelende organisatie te staan.</al></li><li nr="d."><al>de organisatie draagt er zorg voor dat de op de openbare
                                            weg aangeboden kleding op de aan het college bekend
                                            gemaakte dag wordt opgehaald.</al></li><li nr="e."><al>onverminderd het bepaalde in de vorige leden is het een
                                            organisatie niet toegestaan om per jaar meer dan een
                                            door het college vastgesteld aantal (vergunningsvrije)
                                            kledinginzamelingen te houden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de inzamelingen als bedoeld
                                    onder lid 4 en 5 in het belang van de openbare orde en
                                    veiligheid evenals in het belang van een ordelijk verloop van de
                                    inzameling nadere regels stellen.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3.</nr><titel>VENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Venten e.d</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in de
                                    uitoefening van handel op of aan de weg of aan een openbaar
                                    water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met
                                    enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de
                                    openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te
                                    verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of
                                            afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin
                                            gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                            artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></li><li nr="b."><al>voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van
                                            goederen door - of door huisgenoten of personeel van -
                                            hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel,
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="c."><al>voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op
                                            de plaats die is aangewezen voor het houden van een
                                            markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt
                                            gehouden wordt;</al></li><li nr="d."><al>voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen op een standplaats bedoeld in artikel
                                            5:17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Weigeringsgronden ventvergunning</titel></kop><al>Een vergunning bedoeld in artikel 5:14 kan worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="d."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                        gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te
                                        verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een
                                        redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse
                                        in gevaar komt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                    eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede
                                    lid.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4.</nr><titel>STANDPLAATSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: Een vaste
                                    plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats voor
                                    het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                            2:24 of een vaste plaats op een snuffelmarkt als bedoeld
                                            in artikel 5:22.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>In het belang van de openbare orde.</al></li><li nr="b."><al>In het belang de openbare veiligheid.</al></li><li nr="c."><al>In het belang van de volksgezondheid</al></li><li nr="d."><al>In het belang van de bescherming van het milieu</al></li><li nr="e."><al>Indien de standplaats op zichzelf of in verband met de
                                            omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                            welstand.</al></li><li nr="f."><al>Vanwege de strijd met een geldend of ontwerp
                                            bestemmingsplan, inpassingsplan of
                                            beheersverordening.</al></li><li nr="g."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    Milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                    Provinciaal wegenreglement. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5.</nr><titel>SNUFFELMARKTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan,beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23a</nr><titel>Maximum aantal markten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde
                                    en veiligheid of het beperken van de overlast in de omgeving het
                                    aantal vergunningen voor markten als bedoeld in artikel 5:22 en
                                    voor markten die vallen onder de reikwijdte van artikel 2:25,
                                    vast te stellen op een bepaald maximum per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikelen
                                    2:25 en 5:22 indien het maximum als bedoeld in lid 1 wordt
                                    overschreden.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>6.</nr><titel>OPENBAAR WATER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, of de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in
                                    de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement of de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement of de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement of
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>7.</nr><titel>CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN
                                NATUURGEBIEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik
                                    van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                    terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                            eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8.</nr><titel>VERBOD VUUR TE STOKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al><al/></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>9.</nr><titel>VERSTROOIING VAN AS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en
                                            crematoriumterreinen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10.</nr><titel>WINKELTIJDEN</titel></kop><structuurtekst><al>[ingetrokken]</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van
                            de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>de medewerkers van de afdeling Beheer en Realisatie van de
                                        gemeente Etten-Leur;</al></li><li nr="b."><al>de opsporingsambtenaren van de politie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2017.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de in lid 1 genoemde datum wordt de Algemene plaatselijke
                                verordening Etten-Leur 2014 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid,
                                heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die
                                verordening genomen nadere regels, beleidsregels en
                                aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de
                                aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze
                                verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Aanvragen om een vergunning ingediend voor de inwerkingtreding van
                                deze verordening worden afgehandeld volgens het recht dat gold voor
                                het tijdstip waarop deze nieuwe verordening in werking is getreden.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Etten-Leur 2017. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 8 november 2016 </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten MBA. Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Grens bebouwde kom</titel></kop><al><plaatje><illustratie id="id96691ab-bab9-44c8-a6f5-1d8bbc84e840" naam="i285729id96691ab-bab9-44c8-a6f5-1d8bbc84e840.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.24cm"/></plaatje></al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de gewijzigde artikelen behorend bij het raadsvoorstel
                        voor herziening van de APV 2016</titel></kop><al><vet>Hoofdstuk 1:Algemene bepalingen</vet></al><al>Artikel 1:3 : Inhoudelijke aanpassing. Dit artikel komt in zijn geheel te
                    vervallen, dit vloeit voort uit de wijziging van de model APV zomer 2016. Dit
                    artikel strookt niet met het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht dat bij
                    gemeentelijke verordening een aanvullende grond wordt geïntroduceerd waarmee een
                    aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten.</al><al>Artikel 1:8: Artikel is gewijzigd aangezien met het wegvallen van artikel 1:3
                    nog in een instrument moest worden voorzien dat ingezet kan worden ten aanzien
                    van aanvragen die dusdanig laat zijn ingediend dat een volledige, goede en
                    tijdige beoordeling niet mogelijk is.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2:Openbare Orde</vet></al><al>Artikel 2A:1 </al><al>Dit artikel staat ook onder afdeling 15 en kan daarom vervallen. </al><al>Artikel 2:6 </al><al>Wordt nooit gebruikt en er is geen aanwijzingsbesluit genomen conform lid 1. </al><al>Artikel 2:11 </al><al>Wordt omgezet van een vergunningsplicht naar een meldingsplicht, (dit mede op
                    verzoek van de afdeling Ontwikkeling) hetgeen past binnen kader van
                    deregulering.</al><al>Artikel 2:14, 2:16, 2:17,2:18,2:21,2:22 en 2:23</al><al>Het schrappen van deze artikelen houdt geen groot risico in en ze worden nooit
                    gebruikt.</al><al>Artikel 2:28 lid 2</al><al>Heeft een toevoeging gekregen in de vorm van een extra weigeringsgrond. Deze
                    weigeringsgrond is afkomstig uit de Drank- en Horecawet. Voor de reikwijdte van
                    het begrip “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag” moet aansluiting
                    worden gevonden bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. De toevoeging
                    van deze weigeringsgrond maakt het mogelijk om iemand die van slecht
                    levensgedrag is of niet voldoet aan het besluit eisen zedelijk gedrag een
                    exploitatievergunning te kunnen weigeren. </al><al>Artikel 2:38</al><al>Dit artikel is dubbelop omdat artikel 438 Wetboek van Strafrecht de exploitant
                    ook al verplicht om een register bij te houden.</al><al>Artikel 2:39</al><al>De verwijzing naar “de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van
                    Koophandel” als bevoegd bestuursorgaan voor het verlenen van vergunningen voor
                    loterijen exploitatievergunningen voor kansspelautomaten is inmiddels
                    achterhaald. Deze bevoegdheid komt thans toe aan de raad van bestuur van de
                    kansspelautoriteit. De bepaling is dienovereenkomstig aangepast.</al><al>Artikel 2:57</al><al>In de praktijk worden steeds vaker honden aangetroffen met een niet zichtbare
                    hondenriem, een zgn. teleac. De hond wordt met een soort kastje op afstand onder
                    controle gehouden. Vaak wordt de teleac gebruikt om de hond uit te laten. Omdat
                    de hond op deze wijze niet fysiek is aangelijnd kan dit tot verwarring leiden
                    bij mensen en kinderen die angstig zijn voor honden. Boa’s hebben verzocht om
                    deze wijziging</al><al>Artikel 2:59</al><al>Technische wijziging. Omdat een dergelijk besluit een sterk openbaar orde
                    karakter heeft en daarbij vaak een snel handelen naar aanleiding van een
                    incident vraagt, is bij de aanpassing van 2015 besloten om deze bevoegdheid bij
                    de burgemeester te beleggen (was voorheen het college).</al><al>Lid 5 wordt toegevoegd op verzoek van politie, boa’s en buurtbemiddeling.</al><al>Artikel 2:59A t/m C</al><al>De toevoeging van deze artikelen maakt het de gemeente mogelijk om beter op te
                    kunnen treden tegen potentieel agressieve honden, hetgeen in de praktijk nodig
                    is. Indien de burgemeester in het kader van de lichte bevelsbevoegdheid niet
                    meer bevoegd is, dan kan het college toch ingrijpen (hond in beslag nemen),
                    bijvoorbeeld als de aanwijzingen van de dier gedragskundige niet wordt
                    opgevolgd.</al><al>Artikel 2:77</al><al>Inhoudelijke aanpassing. Sinds 1 juli 2016 is door een wijziging van de
                    Gemeentewet i.v.m. de verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester tot de
                    inzet van cameratoezicht, het ook mogelijk om mobiel cameratoezicht in te zetten
                    in plaats van enkel vaste camera’s te plaatsen (voor bepaalde duur, ten behoeve
                    van het toezicht op een openbare plaats). Of deze (verruimde) bevoegdheid
                    ingezet wordt blijft uiteindelijk ter beoordeling van de burgemeester, die
                    hierbij onder andere gehouden is aan de kaders en procedures zoals deze zijn
                    uiteengezet in artikel 151c Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4:Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                        uiterlijk aanzien van de gemeente</vet></al><al>Artikel 4:3 lid 8</al><al>Er wordt verwezen naar een verkeerd lid; zevende lid moet worden zesde lid.</al><al>Artikel 4:11</al><al>In lid 2 wordt Bomenfonds vervangen door Herplantfonds.</al><al>Lid 4 sub h vervalt omdat het Bosschap is opgeheven met de Wet opheffing
                    bedrijfslichamen per 1 januari 2015.</al><al>Er wordt een nieuwe sub h toegevoegd, waarin noodkap geregeld wordt. Hierover
                    was tot op heden niets opgenomen in de APV waardoor noodkap in principe
                    onrechtmatig was. </al><al>Artikel 4:20</al><al>Lid 2 is toegevoegd. Het college krijgt de bevoegdheid om nadere regels te
                    stellen zo kan er flexibeler uitvoering gegeven worden aan eventuele wijzigingen
                    en ontwikkelingen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5:Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                        gemeente</vet></al><al>Artikel 6:2</al><al>Afdeling Stadsbeheer heet tegenwoordig afdeling Beheer en Realisatie. De
                    medewerkers van de voormalige afdeling Vergunning en Handhaving die met toezicht
                    zijn belast zijn thans ondergebracht bij de afdeling Beheer en Realisatie.</al><al/><al><vet>TOELICHTING:</vet></al><al><vet>Gewijzigde artikelen in de Algemene Plaatselijke Verordening
                    2014</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al>Sub e biedt de mogelijkheid om een vergunning die met het oog op het belang van
                    de zedelijkheid niet toelaatbaar is te weigeren. Gelet op de huidige
                    maatschappelijke opvattingen betreffende de toename van geweld in de samenleving
                    zou bijvoorbeeld een vergunningaanvraag voor een vechtevenement mogelijk niet
                    wenselijk worden geacht in het belang van de zedelijkheid (moraal). Artikel 1:8
                    sub e biedt dan een weigeringsgrond. </al><al/><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al><al>Door een wijziging in de Drank- en Horecawet is het voor mensen jonger dan
                    achttien verboden om in de openbare ruimte alcoholhoudende drank te gebruiken of
                    bij zich te hebben. Dit moet ook in de APV worden aangepast.</al><al/><al><vet>Afdeling 10A Toezicht op smartshops</vet></al><al>Is een geheel nieuwe afdeling die het verplicht maakt om voor smartshops een
                    exploitatievergunning te hanteren. Door deze exploitatievergunning wordt er meer
                    grip verkregen op de smartshops; op hun activiteiten en op de leidinggevende
                    personen in de smartshop. Behalve de politie die kan optreden in geval van
                    overtreding van de Opiumwet of verstoring van de openbare orde, kan ook de
                    gemeente nu optreden als de activiteiten in de smartshop niet conform vergunning
                    zijn. </al><al/><al><vet>Toelichting tussentijds ingevoegde Afdeling 8A</vet></al><al><vet>Toelichting op artikel 2:34a</vet></al><al>De begripsbepalingen uit de DHW werken door in de op de DHW gebaseerde
                    regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen,
                    waaruit tevens blijkt dat deze </al><al>begripsomschrijvingen enkel voor afdeling 8A gelden. Het gaat om de volgende
                    begripsomschrijvingen;</al><al>-alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig graden
                    Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat;</al><al>-horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of
                    anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter
                    plaatse.</al><al>In afdeling 8 van de model-APV (toezicht op openbare inrichtingen) wordt de term
                    horecabedrijf niet gebruikt, maar de term openbare inrichting. Uit de definitie
                    in artikel 2:27 van de APV 2013 blijkt dat onder openbare inrichtingen niet
                    alleen horecabedrijven als bedoeld in de DHW vallen, maar ook bedrijven waar
                    alleen alcoholvrije drank wordt geschonken, of rookwaar voor gebruik ter plaatse
                    wordt versterkt (coffeeshops), of zwak-</al><al>alcoholhoudende drank om mee te nemen wordt verkocht (snackbars en dergelijke).
                    Op de horecabedrijven in de zin van de DHW is dus zowel afdeling 8 als afdeling
                    8A van de APV 2013 van toepassing.</al><al>-horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit,
                    onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt
                    uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende
                    drank voor gebruik ter plaatse.</al><al>-inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf
                    wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen
                    in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor
                    gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een
                    andere besloten ruimte.</al><al>-paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze
                    vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich
                    naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve,
                    levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen
                    beheer van een horecabedrijf.</al><al>-sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor
                    vijftien of meer volumeprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van
                    wijn.</al><al>-slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om
                    niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter
                    plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet
                    aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank
                    voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij
                    algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen.</al><al>-zwakalcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van sterke
                    drank.</al><al/><al><vet>Toelichting op artikel 2:34b</vet></al><al>De wijziging van de Drank- en Horecawet legt gemeenten de plicht op om in een
                    verordening de schenktijden van de paracommerciële inrichtingen te reguleren.
                    Met het reguleren van de schenktijden van de paracommerciële horeca kan worden
                    bewerkstelligd dat het verstrekken van alcoholhoudende drank een nevenactiviteit
                    van de vereniging blijft naast de primaire activiteiten van recreatieve,
                    sportieve, sociaal culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige
                    aard. </al><al>Er is een tweedeling gemaakt tussen enerzijds paracommerciële rechtspersonen die
                    zich richten op activiteiten van sportieve aard en overige paracommerciële
                    rechtspersonen. </al><al>Onder overige paracommerciële instellingen worden bijvoorbeeld verstaan
                    kerkgenootschappen en, voor zover het paracommerciële rechtspersonen betreft,
                    ook filmtheaters, concertzalen, schouwburgen, musea en dergelijke. </al><al>Lid 1</al><al>In dit lid zijn de bloktijden aangegeven waarbinnen sportverenigingen
                    alcoholhoudende dranken mogen verstrekken. Voorwaarde is wel dat de
                    alcoholverstrekking ondersteunend moet zijn aan statutaire doelstelling van de
                    vereniging. Bij de tijden is rekening gehouden met het feit dat vrijwel alle
                    sportverenigingen hun jeugdwedstrijden op zaterdag hebben. Op zondag spelen de
                    senioren hun wedstrijden, vaak verspreid over de hele ochtend en middag. </al><al>De keuze om met vaste schenktijden te werken is ingeven door het feit dat er
                    duidelijkheid is gewenst wanneer er alcoholhoudende dranken mochten worden
                    geschonken en wanneer niet. </al><al>Lid 2</al><al>Hieronder vallen activiteiten zoals bijvoorbeeld toernooien, jubilea en
                    vrijwilligersavonden of andere specifieke wedstrijden die buiten deze tijden
                    georganiseerd worden. Dus ook bijvoorbeeld tennisverenigingen die spelen in de
                    avonduren. Deze kunnen dus buiten de in lid 1 genoemde schenktijden
                    plaatsvinden. In deze gevallen wordt voorgesteld de schenktijden tot anderhalf
                    uur na beëindiging van de activiteit vast te stellen, maar niet later dan 01.00
                    uur. Ook hier geldt de extra voorwaarde dat geen alcohol mag worden geschonken
                    indien er sprake is van hoofdzakelijk jeugdwedstrijden die voor 15.00 uur
                    plaatsvinden. </al><al>Gekozen is voor een periode tot 1,5 uur na het beëindigen van de activiteit
                    omdat na het beëindigen van de wedstrijden spelers meestal eerst nog moeten
                    douchen en omkleden alvorens zij de alcoholhoudende drank kunnen nuttigen.
                    Beëindiging van de alcoholverstrekking een uur na het einde van de wedstrijd is
                    dan te kort.</al><al>Ten aanzien van het maken van nadere afspraken over het verder invullen van door
                    de clubs te nemen maatregelen in het kader van alcoholmatiging e.d. is het
                    afsluiten van convenanten een goed initiatief dat door elke gemeente samen met
                    de verenigingen zelf verder kan worden ingevuld.</al><al>Lid 3</al><al>Voor alle andere paracommerciële instellingen geldt dat zij – mits sprake is van
                    activiteiten die passen binnen de statutaire doelstelling van de betreffende
                    vereniging of stichting- een tot één uur voor of één uur na het plaatsvinden van
                    de activiteit alcoholhoudende dranken mogen verstrekken. </al><al>Buiten het middel van hanteren van schenktijden zijn er nog enkele andere
                    middelen om oneerlijke mededinging en concurrentie te reguleren:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Bestemmingsplan;</al></li><li nr="2."><al>Bestuurreglement (Op basis van artikel 9 van de DHW is een
                            paracommerciële rechtspersoon verplicht een reglement op te stellen dat
                            waarborgt dat de verstrekking van alcoholhoudende drank in de inrichting
                            vanuit het oogpunt van sociale hygiëne op verantwoorde wijze geschiedt.
                            Hierin kunnen ook regels omtrent agressie, beperking assortiment,
                            tegengaan van drugsgebruik, etc. worden opgenomen);</al></li><li nr="3."><al>Huurovereenkomst;</al></li><li nr="4."><al>De BTW regeling van de belastingdienst;</al></li><li nr="5."><al>Via de subsidiëring die bepaalde paracommerciële instellingen
                            krijgen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toelichting artikel 2:34c</vet></al><al>Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens
                    bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op
                    personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                    rechtspersoon zijn betrokken.</al><al>Artikel 4 van de Drank- en Horecawet bevat onder meer de verplichting bij
                    gemeentelijke verordening regels te stellen waaraan paracommerciële
                    rechtspersonen zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende
                    drank. Door dit artikel wordt voorkomen dat paracommerciële instellingen op
                    onaanvaardbare wijze concurreren met de reguliere horeca.</al><al/><al>Als er geen alcohol wordt geschonken is deze regeling niet van toepassing, mits
                    er geen strijdigheid is met het bestemmingsplan en overige regelgeving c.q.
                    overeenkomsten. Binnen de gemeente Etten-Leur is de beleidslijn dat feesten van
                    persoonlijke aard niet gewenst zijn. Ter illustratie: een privé verjaardagsfeest
                    van een jarig bestuurslid in het clubhuis, is niet toegestaan. </al><al/><al><vet>Toelichting op artikel 2:34d</vet></al><al>De conclusie uit verschillende onderzoeken naar het effect van prijs op
                    consumptie is helder: hoe lager de prijs hoe hoger de consumptie. Doel van het
                    artikel is de volksgezondheid te beschermen en de openbare orde te bewaken. Met
                    de nieuwe verordenende bevoegdheid krijgen gemeenten voor het eerst de
                    mogelijkheid om invloed uit te oefenen op prijsacties in alle
                    horecalokaliteiten. Dit betreft zowel de commerciële als de paracommerciële
                    horeca-inrichtingen. Tijdens happy hours wordt de consumptie van drank direct en
                    actief </al><al>gestimuleerd.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>