<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR43932_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening Waterland 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-03-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Streekblad, 18-03-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening Waterland 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-08-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009-200B</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Algemene plaatselijke verordening Waterland, zoals deze eerder is vastgesteld en sedertdien is gewijzigd</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Waterland 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats,
                                    waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b; </al></li><li nr="·"><al>b. weg: weg, als bedoeld in <onderstreept>artikel 1, eerste lid,
                                        onder b, van de Wegenverkeerswet 1994</onderstreept> ; </al></li><li nr="·"><al>c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn; </al></li><li nr="·"><al>d. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde
                                    staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig
                                        <onderstreept>artikel 27, tweede lid, van de
                                        Wegenwet</onderstreept>; </al></li><li nr="·"><al>e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; </al></li><li nr="·"><al>f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Bouwverordening; </al></li><li nr="·"><al>g. gebouw: gebouw als bedoeld in <onderstreept>artikel 1, eerste
                                        lid, onder c, van de Woningwet</onderstreept>; </al></li><li nr="·"><al>h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen; </al></li><li nr="·"><al>i. ijsbaan of ijsweg: een gemarkeerde strook ijs bestemd voor
                                    schaatsenrijders;</al></li><li nr="·"><al>j. vaartuigwrak: vaartuig dat vaartechnisch in onvoldoende staat
                                    van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                    verkeert;</al></li><li nr="·"><al>k. college: college van burgemeester en wethouders. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de
                                aanvraag ontvangen is. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel
                                3:4, lid 1 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen,
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en
                                beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen
                                strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in
                                verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                            krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de
                            vergunning zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="·"><al>a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt; </al></li><li nr="·"><al>b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist; </al></li><li nr="·"><al>c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen zijn of worden nagekomen; </al></li><li nr="·"><al>d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn; </al></li><li nr="·"><al>e. indien de houder dit verzoekt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden
                            geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de openbare orde; </al></li><li nr="·"><al>b. de openbare veiligheid; </al></li><li nr="·"><al>c. de volksgezondheid; </al></li><li nr="·"><al>d. de bescherming van het milieu. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:9</nr><titel>Toepasselijkheid paragraaf 4.1.3.3 AWB (wel van
                                toepassing)</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is <onderstreept>van
                                toepassing</onderstreept> op de volgende artikelen in deze
                            verordening:</al><al><vet>•</vet> artikel 2:9a: Ontheffing van het verbod optreden als
                            straatartiest;</al><al><vet>•</vet> artikel 2:9b: Vergunning beroepsmatig filmopnamen; </al><al><vet>•</vet> artikel 5:23: Vergunning organisatie snuffelmarkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:10</nr><titel>Toepasselijkheid paragraaf 4.1.3.3 AWB (niet van
                                toepassing)</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is <onderstreept>niet van
                                toepassing</onderstreept> op de volgende artikelen in deze
                            verordening:</al><al><vet>•</vet> artikel 2:25: Vergunning evenementen;</al><al><vet>•</vet> artikel 2:28a: Exploitatievergunning horeca;</al><al><vet>•</vet> artikel 2:39: Exploitatievergunning speelgelegenheid;</al><al><vet>•</vet> artikel 3:4: Vergunning seksinrichting;</al><al><vet>•</vet> artikel 4:15: Vergunning handelsreclame;</al><al><vet>•</vet> artikel 4:18: Ontheffing van het verbod tot recreatief
                            nachtverblijf buiten </al><al> kampeerterreinen;</al><al><vet>•</vet> artikel 5:15: Vergunning venten;</al><al><vet>•</vet> artikel 5:18: Vergunning innemen standplaats.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:l</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of hij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van
                                    de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden
                                    zijn afgezet. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                    lid gestelde verbod. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de
                                        <onderstreept>Wet openbare manifestaties</onderstreept> .
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging
                                    en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="o"><al>a. naam en adres van degene die de betoging houdt; </al></li><li nr="o"><al>b. het doel van de betoging; </al></li><li nr="o"><al>c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging; </al></li><li nr="o"><al>d. de plaats en, voorzover van toepassing, de route en
                                            de plaats van beëindiging; </al></li><li nr="o"><al>e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;
                                        </al></li><li nr="o"><al>f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                            treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of
                                    het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9a</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar of gids op te treden op door de
                                    burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare
                                    veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu
                                    aangewezen openbare plaatsen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9b</nr><titel>Filmoperateur</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester als
                                    professionele filmoperateur beroepsmatig filmopnamen te maken op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van
                                    het milieu aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De burgemeester kan nader beleid vaststellen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10a</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                                    publieke functie van de weg</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het
                                    college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan
                                    overeenkomstig de publieke functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="o"><al>a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                            gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg; </al></li><li nr="o"><al>b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij
                                            in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke
                                            eisen van welstand;</al></li><li nr="o"><al>c. in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al><al>Artikel 2:10b Afbakeningsbepalingen en
                                            uitzonderingen</al><lijst><li nr="·"><al>1. Het verbod in het eerste lid van het vorig
                                                  artikel geldt niet: </al><lijst><li nr="o"><al>a. voor evenementen als bedoeld in artikel
                                                  2:24; </al></li><li nr="o"><al>b. voor terrassen als bedoeld in artikel
                                                  2:28a, vijfde lid;</al></li><li nr="o"><al>c. voor standplaatsen als bedoeld in artikel
                                                  5:18;</al></li><li nr="o"><al>d. voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten
                                                  of gevoelens worden geopenbaard;</al></li><li nr="o"><al>e. voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                                  wordt voorzien door de Wet beheer
                                                  rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                                  wegenreglement. </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>2. De weigeringsgrond van het tweede lid onder a
                                                  van het vorige artikel geldt niet voorzover in het
                                                  daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                                  artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="·"><al>3. De weigeringsgrond van het tweede lid onder b
                                                  van het vorige artikel geldt niet voor
                                                  bouwwerken.</al></li><li nr="·"><al>4. De weigeringsgrond van het tweede lid onder c
                                                  van het vorig artikel geldt niet voorzover in het
                                                  geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                                  <onderstreept>Wet
                                                  milieubeheer.</onderstreept></al></li></lijst><al> Artikel 2:10c Vrij te stellen categorieën</al><al>Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen
                                            waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel 2:10a
                                            niet geldt.</al><al>Het verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="o"><al>a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien
                                                  ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor
                                                  personen of goederen en niet voor commerciële
                                                  doeleinden worden gebruikt; </al></li><li nr="o"><al>b. zonneschermen, voorzover ze zijn
                                                  aangebracht boven het voor voetgangers bestemde
                                                  gedeelte van de weg en voorzover:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat
                                                  gedeelte van de weg bevindt; en</al></li><li nr="-"><al>elk onderdeel, in welke stand het scherm ook
                                                  staat, zich op meer dan 0,5 meter</al><al> van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte
                                                  van de weg bevindt; en</al></li><li nr="-"><al>elk onderdeel, in welke stand het scherm ook
                                                  staat, minder dan 1,5 meter buiten de</al><al> opgaande gevel reikt;</al><lijst><li nr="o"><al>c. de voorwerpen of stoffen die
                                                  noodzakelijkerwijs kortstondig op de weg gebracht
                                                  worden in verband met laden of lossen ervan en
                                                  mits degene die de werkzaamheden verricht of doet
                                                  verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het
                                                  beëindigen daarvan, in elk geval voor
                                                  zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg
                                                  verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd
                                                  is;</al></li><li nr="o"><al>d. voertuigen;</al></li><li nr="o"><al>e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of
                                                  gevoelens worden geopenbaard. </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan
                                    te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te
                                    graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                    veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                    aanleg van een weg. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij
                                    het uitvoeren van hun publieke taak. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                        <onderstreept>Wetboek van Strafrecht</onderstreept> , de
                                        <onderstreept>Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken</onderstreept> , het Provinciaal
                                    wegenreglement, de Waterschapskeur, de
                                        <onderstreept>Telecommunicatiewet</onderstreept> of de
                                    daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een uitweg te maken naar de weg; </al></li><li nr="o"><al>b. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar
                                            de weg. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Een ieder kan het college verzoeken een uitweg te maken naar
                                    de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                    weg onder indiening van een situatieschets van de gewenste
                                    uitweg en een foto van de bestaande situatie.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Een verzoek als bedoeld in het tweede lid kan worden
                                    afgewezen in het belang van: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de bruikbaarheid van de weg; </al></li><li nr="o"><al>b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; </al></li><li nr="o"><al>c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                            omgeving; </al></li><li nr="o"><al>d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                                        <onderstreept>Wet beheer
                                        Rijkswaterstaatswerken</onderstreept>, de Wegenverordening
                                    Noord-Holland, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de
                                    daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                    beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                    winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam
                                    van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de
                                    omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats
                                    achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                    verwijderen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        <onderstreept>Wet milieubeheer</onderstreept> . </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan </al><al>het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op
                                andere wijze hinder of gevaar </al><al>oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg
                                    gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar
                                    voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                        <onderstreept>artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                        Wetboek van Strafrecht</onderstreept> . </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden
                                    dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                    voorzover in her daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                        <onderstreept>artikel 429, aanhef en onder 3, van het
                                        Wetboek van Strafrecht</onderstreept>. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet
                                    voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende
                                    erven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,40 m uit de uiterste
                                    boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een
                                    afscheiding zijn aangebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                    dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen
                                    ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                    weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                    bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas
                                    of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken,
                                    hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de
                                    bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23a</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                            beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                            verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in
                                            gevaar te brengen; </al></li><li nr="o"><al>b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                            veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten
                                            te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                            andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                                            belemmeren.</al></li><li nr="o"><al>c. zich zonder noodzaak op onbetrouwbaar of drijvend ijs
                                            te begeven of te bevinden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verplicht: </al><lijst><li nr="o"><al>a. voor degenen die een bijt in het ijs in een van een
                                            voor het publiek toegankelijke ijsbaan of ijsweg maakt
                                            dan wel heeft, anders dan een aangebrachte smalle
                                            opening in het ijs rondom een vaartuig, deze op
                                            opvallende wijze te omgeven door middel van planken,
                                            takken, schotsen of andere voorwerpen; </al></li><li nr="o"><al>b. voor rechthebbende op een inrichting voor afvoer van
                                            water, wanneer door uitstorting van dit water het ijs in
                                            de nabijheid van een ijsbaan of ijsweg onbetrouwbaar is,
                                            onverwijld de gevaarlijke plaats aan te duiden door
                                            bakens, planken, palen of andere voorwerpen, door deze
                                            op opvallende wijze langs de rand daarvan te
                                            plaatsen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het bepaalde in dit artikel geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                        <onderstreept>Wetboek van Strafrecht</onderstreept> of de
                                    Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995. </al><al>Artikel 2:23b Bromfietsen, motorvoertuigen op het ijs</al><lijst><li nr="·"><al>1. Het is verboden met een bromfiets of een
                                            motorvoertuig op een ijsbaan of ijsweg te rijden. </al></li><li nr="·"><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                            eerste lid gestelde verbod. </al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van: </al><lijst><li nr="o"><al>a. bioscoopvoorstellingen; </al></li><li nr="o"><al>b. markten als bedoeld in <onderstreept>artikel 160,
                                                eerste lid, onder h, van de
                                                Gemeentewet</onderstreept> en artikel 5:22 van deze
                                            verordening; </al></li><li nr="o"><al>c. kansspelen als bedoeld in de <onderstreept>Wet op de
                                                kansspelen</onderstreept> ; </al></li><li nr="o"><al>d. het in een inrichting in de zin van de
                                                <onderstreept>Drank en Horecawet</onderstreept>
                                            gelegenheid geven tot dansen; </al></li><li nr="o"><al>e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld
                                            in de <onderstreept>Wet openbare
                                                manifestaties</onderstreept> ; </al></li><li nr="o"><al>f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van
                                            deze verordening. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder evenement wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een herdenkingsplechtigheid; </al></li><li nr="o"><al>b. een braderie; </al></li><li nr="o"><al>c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; </al></li><li nr="o"><al>d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan
                                            de weg; </al></li><li nr="o"><al>e. een klein evenement. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Onder klein evenement wordt verstaan een kleinschalige
                                    activiteit die niet langer duurt dan één dag en die zich in de
                                    openbare ruimte afspeelt met als doel vermaak en ontspanning te
                                    bieden, zoals een straatfeest of buurtbarbecue. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op zondag tot en met donderdag het evenement eindigt
                                            om 23.00 uur; </al></li><li nr="o"><al>b. op zaterdag (vrijdagnacht) en zondag (zaterdagnacht)
                                            het evenement eindigt om 01.00 uur; </al></li><li nr="o"><al>c. doorgaande wegen of ontsluitingswegen niet
                                            geblokkeerd worden en zorg gedragen wordt voor een vrije
                                            doorgang voor hulpdiensten van minimaal 3,5 meter
                                            breedte en 4,2 meter hoogte; </al></li><li nr="o"><al>d. geen glaswerk, aardewerk ed. wordt gebruikt; </al></li><li nr="o"><al>e. geen sprake is van overmatige geluidhinder; </al></li><li nr="o"><al>f. de organisator binnen 10 werkdagen voorafgaand aan
                                            het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de
                                            burgemeester; </al></li><li nr="o"><al>g. de omwonenden vooraf door de organisator worden
                                            geïnformeerd over het evenement;</al></li><li nr="o"><al>h. de locatie in de oorspronkelijke staat wordt
                                            achtergelaten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de
                                    melding besluiten om alsnog aanvullende voorwaarden dan reeds
                                    vermeld in lid 2 op te leggen en ook besluiten het organiseren
                                    van een evenement als bedoeld in lid 2 te verbieden, indien
                                    daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                                    volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in lid 1
                                    intrekken wanneer in strijd met de voorwaarden wordt gehandeld.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd
                                    op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door <onderstreept>artikel 10</onderstreept> juncto
                                        <onderstreept>148, van de Wegenverkeerswet
                                        1994</onderstreept>. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25A</nr><titel>Terugkerende evenementen</titel></kop><al>Voor jaarlijkse terugkerende evenementen die in dezelfde vorm en op
                                dezelfde locatie plaatsvinden, worden evenementenvergunningen voor 5
                                jaar verleend. Deze vergunning is niet afhankelijk van de grootte
                                van het evenement.</al><al>Onder deze bepaling vallen in elk geval in beginsel de volgende
                                evenementen:</al><lijst><li nr="·"><al>Parkpop in Ilpendam</al></li><li nr="·"><al>Broekpop en de Broeker Feestweek inclusief Jaarmarkt in
                                        Broek in Waterland</al></li><li nr="·"><al>De Havenfeesten op Marken</al></li><li nr="·"><al>De Gouwzeemarkten, Korendag, Meezingfestival, Jan
                                        Haringrace, Palingrookwedstrijd, Boekenmarkt,
                                        Sinterklaasuittocht en de Winteravond Straattheater in
                                        Monnickendam</al></li><li nr="·"><al>De Koninginnedagvieringen, braderieën, kermissen en
                                        Sinterklaasintochten in de Waterlandse kernen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke,
                                        besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                        worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                        consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een
                                        horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel,
                                        restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
                                        buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens
                                        verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere
                                        aanhorigheden; </al></li><li nr="·"><al>b. terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting
                                        liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of
                                        zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding
                                        dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe
                                        consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28a</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het
                                    eerste lid indien de vestiging of exploitatie van het
                                    horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
                                    oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in
                                    de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                    weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter
                                    van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of
                                    zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning,
                                    waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal
                                    komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10b beslist de
                                    burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook
                                    betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende
                                    terrassen voorzover deze zich op de weg bevinden over de
                                    ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de
                                    burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van
                                    die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf
                                    behorende terrassen weigeren: </al><lijst><li nr="o"><al>a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                            weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de
                                            weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
                                        </al></li><li nr="o"><al>b. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor
                                            het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voorzover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al><al>Artikel 2:28b Opheffing vergunningplicht</al><lijst><li nr="·"><al>1. Het bepaalde in artikel 2:28a eerste lid geldt niet
                                            voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="·"><al>2. Voor het horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid
                                            gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.</al></li><li nr="·"><al>3. Voorts geldt artikel 2:28a, eerste lid niet
                                            voor:</al><lijst><li nr="o"><al>a. een horecabedrijf in zorginstellingen; </al></li><li nr="o"><al>b. een horecabedrijf in musea.</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>4. De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in
                                            artikel 2:28a eerste lid niet geldt voor een of meer bij
                                            besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele
                                            gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen
                                            gedeelten van de gemeente.</al></li><li nr="·"><al>5. De exploitatie van een horecabedrijf waarop een
                                            besluit als bedoeld in het vierde lid van toepassing is,
                                            moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en
                                            leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de
                                            openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden
                                            beïnvloed.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is de exploitant verboden het horecabedrijf voor
                                    bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf
                                    te laten verblijven: a. op maandag (zondagnacht) tot en met
                                    vrijdag (donderdagnacht) tussen 01.00 uur en 06.00 uur; b. op
                                    zaterdag (vrijdagnacht) en zondag (zaterdagnacht) tussen 02.00
                                    uur en 06.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift
                                    andere sluitingstijden vaststellen voor ren afzonderlijk
                                    horecabedrijf of een daartoe behorend terras. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de
                                        <onderstreept>Wet milieubeheer</onderstreept> gebaseerde
                                    voorschriften. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven
                                    tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende
                                    sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                        <onderstreept>artikel 13b van de Opiumwet</onderstreept> .
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al>Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden
                                gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of
                                ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten
                                dient te zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar
                                    als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur
                                    op grond van <onderstreept>artikel 437, eerste lid, van het
                                        Wetboek van Strafrecht</onderstreept>. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                    voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt,
                                    als hij kan weten of vermoeden dat deze handelaar in strijd
                                    handelt met artikel 437, eerste lid van het Wetboek van
                                    Strafrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van
                                    <onderstreept>artikel 174 van de Gemeentewet</onderstreept>,
                                treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing
                                van artikel 2:28a tot en met 2:31.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van
                                vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="o"><al>a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van
                                                <onderstreept>artikel 30c, eerste lid, onder c, van
                                                de Wet op de Kansspelen</onderstreept> vergunning is
                                            verleend; </al></li><li nr="o"><al>b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie
                                            of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                            verlenen; </al></li><li nr="o"><al>c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden
                                            om het kleine kansspel als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 7c van de Wet op de
                                                kansspelen</onderstreept> te beoefenen, of te spelen
                                            op speelautomaten als bedoeld in <onderstreept>artikel
                                                30 van de Wet op de kansspelen</onderstreept> , of
                                            de handeling als bedoeld in <onderstreept>artikel l,
                                                onder a, van de Wet op de kansspelen</onderstreept>
                                            te verrichten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De burgemeester weigert de vergunning: </al><lijst><li nr="o"><al>a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat
                                            de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid; </al></li><li nr="o"><al>b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in
                                            strijd is met een geldend bestemmingsplan. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="o"><al>a. Wet: de <onderstreept>Wet op de
                                                kansspelen</onderstreept> ; </al></li><li nr="o"><al>b. speelautomaat automaat als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 30, onder a, van de
                                                Wet;</onderstreept></al></li><li nr="o"><al>c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 30, onder c. van de
                                                Wet;</onderstreept></al></li><li nr="o"><al>d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 30, onder d, van de
                                                Wet;</onderstreept></al></li><li nr="o"><al>e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 30, onder e, van de
                                                Wet</onderstreept> . </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten
                                    toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                    toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                    geheel niet zijn toegestaan. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een krachtens <onderstreept>artikel 174a van
                                        de Gemeentewet</onderstreept> gesloten woning, een niet voor
                                    publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                    behorend erf te betreden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden een krachtens <onderstreept>artikel 13b van
                                        de Opiumwet</onderstreept> gesloten woning, een niet voor
                                    het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat
                                    lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of
                                    bij dat lokaal behorend erf te betreden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in
                                    de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; </al></li><li nr="o"><al>b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen
                                    van meningsuitingen en bekendmakingen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden
                                    te gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of
                                    bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde
                                    materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
                                    bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod is niet van toepassing indien de bedoelde
                                    gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of
                                    niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde
                                    handelingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij of namens
                                de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen,
                                groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of
                                paden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Bootjes op de wal</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden vaartuigen neer te leggen of te laten liggen
                                    op of aan een openbare plaats; </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47a</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden
                                            op een beeld, monument, overkapping, constructie,
                                            openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of
                                            andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet
                                            bestemd straatmeubilair; </al></li><li nr="o"><al>b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat
                                            aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door <onderstreept>artikel
                                        424</onderstreept>, <onderstreept>426bis</onderstreept> of
                                        <onderstreept>431 van het Wetboek van
                                        Strafrecht</onderstreept> of <onderstreept>artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994</onderstreept>. </al><al>Artikel 2:47b Gedrag op een brug</al><lijst><li nr="·"><al>1. Het is in andere gevallen dan reeds voorzien in het
                                            Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens, verboden
                                            zich zonder noodzaak te bevinden binnen de afsluiting
                                            van een gesloten brug of op het beweegbare gedeelte van
                                            een niet gesloten brug.</al></li><li nr="·"><al>2. Het is verboden zonder daartoe gerechtigd te zijn een
                                            beweegbare afsluiting van een brug in beweging te
                                            brengen of onnodig aan te raken.</al></li><li nr="·"><al>3. Het is verboden om voor ontspanning of vermaak van
                                            een brug af te springen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op ren openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bepaalde in liet eerste lid geldt niet voor: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                            bedoeld in <onderstreept>artikel 1 van de Drank- en
                                                Horecawet</onderstreept> ; </al></li><li nr="o"><al>b. de plaats niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens
                                                <onderstreept>artikel 35 van de Drank en
                                                Horecawet</onderstreept> . </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op
                                            te houden; </al></li><li nr="o"><al>b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn
                                            of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
                                    flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke
                                    meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk
                                    zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor
                                    gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 138 van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="·"><al>a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van
                                        de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; </al></li><li nr="·"><al>b. daardoor die ingang versperd wordt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel
                                    een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de
                                    kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit
                                    gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                    bespieden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                    optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of
                                    woonschip bevindende persoon te bespieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                    te laten verblijven of te laten lopen: </al><lijst><li nr="o"><al>a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                            aangelijnd is; </al></li><li nr="o"><al>b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk
                                            als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats; </al></li><li nr="o"><al>c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of
                                            een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder
                                            duidelijk doet kennen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid onder a niet geldt. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden
                                    niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege
                                    zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een
                                    eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd
                                    opleidt tot geleidehond. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te
                                    zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede
                                            bestemd voor het verkeer van voetgangers; </al></li><li nr="o"><al>b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk
                                            als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide; </al></li><li nr="o"><al>c. op een andere door het college aangewezen plaats.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid, onder a niet geldt. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lijst><li nr="·"><al>1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die
                                        hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare
                                        plaats of op het terrein van een ander: </al><lijst><li nr="o"><al>a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan
                                                de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het
                                                die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een
                                                aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond
                                                noodzakelijk vindt; </al></li><li nr="o"><al>b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een
                                                muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de
                                                houder heeft bekendgemaakt dat het die hond
                                                gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en
                                                muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond
                                                noodzakelijk vindt. </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>2. Onverminderd het bepaalde artikel 2:57, eerste lid onder
                                        c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat
                                        de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-
                                        verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de
                                        buikwand. </al></li><li nr="·"><al>3. In het eerste lid wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="o"><al>a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel l,
                                                onder d, van de Regeling agressieve dieren; </al></li><li nr="o"><al>b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een
                                                lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband,
                                                die niet langer is dan 1,50 meter. </al></li></lijst></li></lijst><al> Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</al><lijst><li nr="·"><al>1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de
                                            <onderstreept>Wet milieubeheer</onderstreept> plaatsen
                                        aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast
                                        of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij
                                        aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="o"><al>a. aanwezig te hebben, of </al></li><li nr="o"><al>b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming
                                                van de door hen gestelde regels, of </al></li><li nr="o"><al>c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in
                                                die aanwijzing is aangegeven. </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid
                                        aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te
                                        hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                        inachtneming van de door het college gestelde regels, dan
                                        wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het
                                        college is aangegeven. </al></li><li nr="·"><al>3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                        gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen
                                        gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het
                                        tweede lid gestelde verbod. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Verontreiniging door paarden of pony’s</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De eigenaar of houder van een paard of pony is verplicht
                                    ervoor te zorgen dat dit paard of deze pony zich niet van
                                    uitwerpselen ontdoet:</al><lijst><li nr="o"><al>a. op de openbare weg; </al></li><li nr="o"><al>b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk
                                            als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak,
                                            speelweide of sportterrein;</al></li><li nr="o"><al>c. op een andere door het college aangewezen plaats.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    het paard of de pony er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
                                    onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De berijder of begeleider van een paard of pony is verplicht
                                    op daarvoor door het college aangewezen wegen of gedeelten
                                    daarvan zijn paard of pony te voorzien van een op effectieve
                                    wijze aangegespte paardenpoepzak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden bijen te houden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of
                                            andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; </al></li><li nr="o"><al>b. binnen een afstand van dertig meter van de weg. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op
                                    een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten
                                    een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel
                                    hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de
                                    bijen te voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod
                                    geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de
                                    woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod
                                    geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door de Wegenverordening Noord-Holland. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van <onderstreept>artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht</onderstreept>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend register en daarin vermeldt
                                    hij onverwijld: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot
                                            het goed; </al></li><li nr="o"><al>b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;
                                        </al></li><li nr="o"><al>c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                            voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van
                                            het goed; </al></li><li nr="o"><al>d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed; </al></li><li nr="o"><al>e. de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="·"><al>a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis
                                        te stellen: </al><lijst><li nr="o"><al>1° dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                                vermelding van zijn woonadres en het adres van de
                                                bij zijn onderneming behorende vestiging; </al></li><li nr="o"><al>2° van een verandering van de onder a, sub l°,
                                                bedoelde adressen; </al></li><li nr="o"><al>3° als hij het beroep van handelaar niet langer
                                                uitoefent; </al></li><li nr="o"><al>4° dat hij enig goed kan verkrijgen dat
                                                redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor
                                                de rechthebbende verloren is gegaan; </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven; </al></li><li nr="·"><al>c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te
                                        hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming
                                        duidelijk zichtbaar zijn; </al></li><li nr="·"><al>d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op
                                horecabedrijven) onder artikel 2:32).</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (<onderstreept>Vuurwerkbesluit</onderstreept> ) van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen.</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden
                                gevestigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door
                                    het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade
                                    of overlast aangewezen plaats. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                        <onderstreept>artikel 429, aanhef en onder 1, van het
                                        Wetboek van Strafrecht</onderstreept>. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de
                                    <onderstreept>Opiumwet</onderstreept> is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in <onderstreept>artikel 2</onderstreept> en <onderstreept>3
                                    van de Opiumwet</onderstreept> , of daarop gelijkende waar, al
                                dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig <onderstreept>artikel 154a van de
                                    Gemeentewet</onderstreept> besluiten tot het tijdelijk doen
                                ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door
                                hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de
                                artikelen </al><al>2:1 (samenscholing en ongeregeldheden)</al><al>2:47a (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen)</al><al>2:47b (gedrag op een brug)</al><al>2:48 (verboden drankgebruik)</al><al>2:49 (verboden gedrag in of bij gebouwen)</al><al>2:50 (hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                ruimten)</al><al>van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet
                                naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig <onderstreept>artikel 151b van de
                                    Gemeentewet</onderstreept> bij verstoring van de openbare orde
                                door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het
                                ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen
                                voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven,
                                aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De burgemeester kan overeenkomstig <onderstreept>artikel 151c
                                        van de Gemeentewet</onderstreept> besluiten tot plaatsing
                                    van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het
                                    toezicht op een openbare plaats. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het
                                    eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen,
                                    door de gemeenteraad aan te wijzen. </al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:l</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding; </al></li><li nr="·"><al>b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding; </al></li><li nr="·"><al>c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke,
                                        besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht,
                                        of vertoningen van erotisch-pornografische aard
                                        plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval
                                        verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater,
                                        een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens
                                        begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                        combinatie met elkaar; </al></li><li nr="·"><al>d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen
                                        of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; </al></li><li nr="·"><al>e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd; </al></li><li nr="·"><al>f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen; </al></li><li nr="·"><al>g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; </al></li><li nr="·"><al>h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting,
                                        met uitzondering van: </al><lijst><li nr="o"><al>1. de exploitant; </al></li><li nr="o"><al>2. de beheerder; </al></li><li nr="o"><al>3. de prostituee; </al></li><li nr="o"><al>4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is; </al></li><li nr="o"><al>5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2 van deze verordening; </al></li><li nr="o"><al>6. andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in
                                    <onderstreept>artikel 174 van de Gemeentewet</onderstreept>, de
                                burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                    ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de persoonsgegevens van de exploitant; </al></li><li nr="o"><al>b. de persoonsgegevens van de beheerder; en </al></li><li nr="o"><al>c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.
                                        </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De exploitant en de beheerder: </al><lijst><li nr="o"><al>a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij; </al></li><li nr="o"><al>b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
                                        </al></li><li nr="o"><al>c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant
                                    en de beheerder niet: </al><lijst><li nr="o"><al>a. met toepassing van de <onderstreept>artikel 37 van
                                                het Wetboek van Strafrecht</onderstreept> in een
                                            psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                                <onderstreept>artikel 37a van het Wetboek van
                                                Strafrecht</onderstreept> ter beschikking gesteld;
                                        </al></li><li nr="o"><al>b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk
                                            veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van
                                            zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de
                                            Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere
                                            rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                            recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                                <onderstreept>artikel 67, eerste lid van het Wetboek
                                                van Strafvordering</onderstreept> is toegelaten;
                                        </al></li><li nr="o"><al>c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 9, eerste lid, onder a van het
                                                Wetboek van Strafrecht</onderstreept> , wegens dan
                                            wel mede wegens overtreding van: </al><lijst><li nr="§"><al>- bepalingen gesteld bij of krachtens de
                                                  <onderstreept>Drank- en Horecawet</onderstreept> ,
                                                  de <onderstreept>Opiumwet</onderstreept> , de
                                                  <onderstreept>Vreemdelingenwet</onderstreept> en
                                                  de <onderstreept>Wet arbeid
                                                  vreemdelingen</onderstreept> ; </al></li><li nr="§"><al>- de <onderstreept>artikelen 137c tot en met
                                                  137g,</onderstreept><onderstreept>140</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>240b</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>242 tot en met 249</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>252</onderstreept> , 250a (oud),
                                                  <onderstreept>273f</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>300 tot en met 303</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>416</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>417</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>417bis</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>426</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>429quater</onderstreept> en
                                                  <onderstreept>453 van het Wetboek van
                                                  Strafrecht</onderstreept> ; </al></li><li nr="§"><al>- de <onderstreept>artikelen 8</onderstreept> en
                                                  <onderstreept>162, derde lid</onderstreept> ,
                                                  alsmede <onderstreept>artikel 6</onderstreept>
                                                  juncto <onderstreept>artikel 8</onderstreept> of
                                                  juncto <onderstreept>artikel 163 van de
                                                  Wegenverkeerswet 1994</onderstreept> ; </al></li><li nr="§"><al>- de <onderstreept>artikelen 1, onder a, b en
                                                  d</onderstreept> , <onderstreept>13</onderstreept>
                                                  , <onderstreept>14</onderstreept> ,
                                                  <onderstreept>27</onderstreept> en
                                                  <onderstreept>30b van de Wet op de
                                                  kansspelen</onderstreept> ; </al></li><li nr="§"><al>- de <onderstreept>artikelen 2</onderstreept> en
                                                  <onderstreept>3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen;</onderstreept></al></li><li nr="§"><al>- de <onderstreept>artikelen 54</onderstreept>
                                                  en <onderstreept>55 van de Wet wapens en
                                                  munitie</onderstreept> . </al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    gelijk gesteld: </al><lijst><li nr="o"><al>a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 74, tweede lid onder a van het
                                                Wetboek van Strafrecht</onderstreept> of
                                                <onderstreept>artikel 76, derde lid onder a van de
                                                Algemene wet inzake rijksbelastingen</onderstreept>
                                            , tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; </al></li><li nr="o"><al>b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                            voorwaardelijke straf. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al><lijst><li nr="o"><al>a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend
                                            vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning; </al></li><li nr="o"><al>b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend
                                            vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem terzake geen verwijt treft. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 06.00
                                            uur; </al></li><li nr="o"><al>b. op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 06.00 uur.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een
                                    voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke
                                    seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin
                                    te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens
                                    het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7,
                                    eerste lid, gesloten dient te zijn. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de op de <onderstreept>Wet milieubeheer</onderstreept>
                                    gebaseerde voorschriften. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde
                                    belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit
                                    hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste
                                            of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; </al></li><li nr="o"><al>b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onverminderd het bepaalde in <onderstreept>artikel 3:41 van
                                        de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> , maakt het
                                    bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit
                                    openbaar bekend overeenkomstig <onderstreept>artikel 3:42
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> . </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat
                                    in de seksinrichting: </al><lijst><li nr="o"><al>a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
                                            ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
                                            (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de
                                            persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII
                                            (diefstal) en XXX (heling) van het <onderstreept>Tweede
                                                Boek van het Wetboek van Strafrecht</onderstreept>,
                                            in de <onderstreept>Opiumwet</onderstreept> en in de
                                                <onderstreept>Wet wapens en munitie</onderstreept>;
                                            en </al></li><li nr="o"><al>b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de <onderstreept>Wet
                                                arbeid vreemdelingen</onderstreept> of de
                                                <onderstreept>Vreemdelingenwet</onderstreept>
                                            bepaalde. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                    op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                    daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte
                                    of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen: </al><lijst><li nr="o"><al>a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de
                                            rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
                                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de
                                            openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar
                                            brengt; </al></li><li nr="o"><al>b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in <onderstreept>artikel 7, eerste lid,
                                        van de Grondwet</onderstreept> . </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn: weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag
                                    om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen; </al></li><li nr="o"><al>b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting
                                            of het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening; </al></li><li nr="o"><al>c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met <onderstreept>artikel 273f van het Wetboek
                                                van Strafrecht</onderstreept> of met het bij of
                                            krachtens de <onderstreept>Wet arbeid
                                                vreemdelingen</onderstreept> of de Vreemdelingenwet
                                            bepaalde. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                    bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de openbare orde; </al></li><li nr="o"><al>b. het voorkomen of beperken van overlast; </al></li><li nr="o"><al>c. het voorkomen of beperken van aantasting van het
                                            woon- en leefklimaat; </al></li><li nr="o"><al>d. de veiligheid van personen of goederen; </al></li><li nr="o"><al>e. de verkeersvrijheid of -veiligheid; </al></li><li nr="o"><al>f. de gezondheid of zedelijkheid; </al></li><li nr="o"><al>g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. </al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                    exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>[gereserveerd] </al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. Besluit: het <onderstreept>Besluit algemene regels voor
                                            inrichtingen milieubeheer (Stb 2007,
                                            415);</onderstreept></al></li><li nr="·"><al>b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in
                                        het <onderstreept>Besluit</onderstreept>; </al></li><li nr="·"><al>c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft; </al></li><li nr="·"><al>d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet als zodanig
                                        aan één inrichting is verbonden en door het college als
                                        zodanig wordt aangewezen. Bijvoorbeeld koninginnedag,
                                        carnaval, etc.; </al></li><li nr="·"><al>e. incidentele festiviteit: specifiek aan één inrichting
                                        gebonden activiteit met een incidenteel karakter, die plaats
                                        vindt binnen de inrichtingsgrenzen van een inrichting.
                                        Bijvoorbeeld open dag, jubileumfeest, personeelsfeest, etc.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De geluidswaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit gelden niet voor de door het college per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De beperking met betrekking tot de verlichting ten behoeve
                                    van sportbeoefening op sportterreinen op grond van artikel
                                    4.113, eerste lid van het Besluit, geldt niet voor door het
                                    college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college is bevoegd te bepalen dat de aanwijzing als
                                    bedoeld in het eerste en het tweede lid slechts geldt in
                                    bepaalde gebieden van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college maakt de aanwijzing van de collectieve
                                    festiviteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid voor het
                                    begin van een kalenderjaar bekend. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, festiviteiten terstond als
                                    collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Het college kan ten aanzien van een collectieve festiviteit
                                    als bedoeld in het eerste lid nadere regels vaststellen ter
                                    voorkoming of beperking van geluidhinder. De houder van de
                                    inrichting is verplicht deze nadere regels na te leven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><al><vet>•</vet> 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 6 dagen
                                incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                geluidswaarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                het Besluit niet van toepassing zijn op voorwaarden dat:</al><al> ○ a. de houder van de inrichting ten minste 10 dagen voor de
                                aanvang van de </al><al> festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. </al><al> ○ b. de festiviteit overeenkomstig de kennisgeving wordt
                                uitgevoerd.</al><al><vet>•</vet> 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens de
                                incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten
                                behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid van
                                het Besluit niet van toepassing is op voorwaarde dat:</al><al>○ a. de houder van de inrichting ten minste 10 dagen voor de aanvang
                                van de </al><al> festiviteit het college in kennis heeft gesteld.</al><al>○ b. de festiviteit overeenkomstig de kennisgeving wordt uitgevoerd. </al><al><vet>•</vet> 3. Er is een (digitaal) standaardformulier voor het
                                doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede
                                lid.</al><al><vet>•</vet> 4. Omwonenden dienen ten minste 3 werkdagen voorafgaand
                                aan de festiviteit (schriftelijk) op de hoogte te worden
                                gebracht.</al><al><vet>•</vet> 5. Het college kan wanneer een incidentele festiviteit
                                redelijkerwijs niet te voorzien was, festiviteiten terstond als
                                incidentele festiviteit toestaan op verzoek van de houder van de
                                inrichting.</al><al><vet>•</vet> 6. Het ongebruikt laten van een collectieve dag
                                betekent niet dat het aantal individuele dagen evenredig toeneemt.
                                Uitwisseling tussen collectieve en individuele festiviteiten is niet
                                toegestaan.</al><al><vet>•</vet> 7. Het college kan ten aanzien van een incidentele
                                festiviteit zoals bedoeld in het eerste lid nadere regels
                                vaststellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder tijdens een
                                incidentele festiviteit. De houder van de inrichting is verplicht
                                deze nadere regels na te leven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de
                                        <onderstreept>Wet milieubeheer</onderstreept> of het Besluit
                                    toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of
                                    handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een
                                    omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de <onderstreept>Wet
                                        geluidhinder</onderstreept> , de
                                        <onderstreept>Zondagswet</onderstreept> , de
                                        <onderstreept>Wet openbare manifestaties</onderstreept> ,
                                    het <onderstreept>Vuurwerkbesluit</onderstreept> of de
                                    Provinciale milieuverordening Noord-Holland. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Kapvergunning</titel></kop><al> [gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats
                                    buiten een inrichting in de zin van de <onderstreept>Wet
                                        milieubeheer</onderstreept> , in de openlucht en buiten de
                                    weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                    gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                    voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende
                                    voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
                                    hebben: </al><lijst><li nr="o"><al>a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="o"><al>b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="o"><al>c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel; </al></li><li nr="o"><al>d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste
                                    en tweede lid nadere regels stellen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        <onderstreept>Wet ruimtelijke ordening</onderstreept> of de
                                    Provinciale milieuverordening Noord-Holland. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Vergunningsplicht handelsreclame</titel></kop><al><vet>•</vet> 1. Het is verboden zonder vergunning van het college op
                                of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met
                                behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm
                                dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al><al><vet>•</vet> 2. Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al><al> ○ a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig
                                gedeelte van een </al><al> onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid
                                vanaf de weg; </al><al> ○ b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken,
                                daartoe aangewezen </al><al> door de overheid;</al><al> ○ c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de
                                langste zijde korter dan </al><al> 1 meter die betrekking hebben op: </al><al>-een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of
                                verpachting</al><al> van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                hebben; </al><al>-het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende
                                zaak wordt</al><al>- uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;</al><al>- ○ d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in
                                uitvoering zijnde </al><al>- bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de
                                uitvoering </al><al>- van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn
                                aangebracht op </al><al>- borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks
                                voor zolang zij </al><al>- feitelijke betekenis hebben;</al><al>- ○ e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken
                                dienstbaar aan het </al><al>- openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat
                                vervoer.</al><al><vet>•</vet> 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor
                                opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor
                                zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:</al><al>○ a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is
                                gedaan aan het </al><al> college;</al><al>○ b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die
                                kennisgeving van enig </al><al> bezwaar heeft doen blijken;</al><al>○ c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken
                                op de </al><al> onroerende zaak aanwezig zijn. </al><al><vet>•</vet> 4. Het is verboden door een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding als bedoeld in het tweede </al><al>en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of
                                ernstige hinder voor de </al><al> omgeving te veroorzaken.</al><al><vet>•</vet> 5. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan
                                worden geweigerd:</al><al><vet>○</vet>a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij
                                in verband met de omgeving </al><al>niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; </al><al>○ b. in het belang van de verkeersveiligheid; </al><al>○ c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van </al><al> een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. </al><al>○ d. het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde </al><al> onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening; </al><al>○ e. de weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor
                                bouwwerken; </al><al>○ f. de weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet
                                voorzover in het daarin </al><al> geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van
                                    <onderstreept>artikel 40 van de Woningwet</onderstreept> is
                                vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan
                                worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen
                                    voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als
                                    bedoeld in het eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de bescherming van natuur en landschap; </al></li><li nr="o"><al>b. de bescherming van een stadsgezicht. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van
                                    artikel 4:18, eerste lid niet geldt. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan daarbij nadert regels stellen in het belang
                                    van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid. </al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:l</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het <onderstreept>Reglement verkeersregels en
                                            verkeerstekens (RVV 1990)</onderstreept> met
                                        uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het <onderstreept>Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                            ( RVV 1990).</onderstreept></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren op een afstand
                                            korter dan 150 meter van elkaar en van het betreffende
                                            bedrijf, dan wel</al></li><li nr="o"><al>b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen; </al></li><li nr="o"><al>b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend: </al><lijst><li nr="o"><al>a. voertuigen waaraan herstel- of
                                            onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal
                                            niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd
                                            die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
                                        </al></li><li nr="o"><al>b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de
                                            in het eerste lid bedoelde persoon. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de <onderstreept>Wet
                                        milieubeheer</onderstreept>. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                    magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen en andere dergelijk
                                    voertuig dat voor recreatie dan wel anderszins uitsluitend of
                                    mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: </al><lijst><li nr="o"><al>a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op
                                            de weg te plaatsen of te hebben; </al></li><li nr="o"><al>b. op een door het college aangewezen plaats te
                                            parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor
                                            het uiterlijk aanzien van de gemeente. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Provinciale Wegenverordening Noord-Holland of de
                                    Landschapsverordening Noord-Holland 2005. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                    aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het
                                    kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen
                                    daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen
                                    ondervinden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te
                                    rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of
                                    plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Dit verbod is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op de weg; </al></li><li nr="o"><al>b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid; </al></li><li nr="o"><al>c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
                                            ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het
                                belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de
                                daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe
                                    een intekenlijst aan te bieden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                    verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden
                                    gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het
                                    aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien
                                    daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de
                                    opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel
                                    is bestemd. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten
                                    kring gehouden wordt. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in
                                    de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene
                                    die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in
                                        <onderstreept>artikel 1 van de
                                        Winkeltijdenwet</onderstreept></al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in <onderstreept>artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet</onderstreept> of op snuffelmarkten als
                                    bedoeld in artikel 5:22; </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in
                                    artikel 5:17. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden te venten zonder vergunning van het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd: </al><lijst><li nr="o"><al>a. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast; </al></li><li nr="o"><al>b. in het belang van de verkeersvrijheid of
                                            –veiligheid;</al></li><li nr="o"><al>c. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in
                                            de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter
                                            plaatse in gevaar komt;</al></li><li nr="o"><al>d. in het belang van : de openbare orde, de openbare
                                            veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het
                                            milieu.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                        <onderstreept>artikel 7, eerste lid, van de
                                        Grondwet</onderstreept>. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in
                                    het eerste lid beperken door een verbod in te stellen: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op door het college aangewezen openbare plaatsen, of
                                        </al></li><li nr="o"><al>b. voor bepaalde dagen en uren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als
                                    bedoeld in het tweede lid. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te
                                koop aanbieden, verkopen, verstrekken of afleveren van goederen dan
                                wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd: </al><lijst><li nr="o"><al>a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van
                                            redelijke welstand; </al></li><li nr="o"><al>b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van een
                                            vergunning voor het hebben van een standplaats voor het
                                            verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau
                                            voor de consument ter plaatse in gevaar komt. </al></li><li nr="o"><al>c. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het verbod geldt niet: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op de plaats die is aangewezen voor het houden van
                                            een markt, zulks gedurende de tijden dat de markt wordt
                                            gehouden; </al></li><li nr="o"><al>b. op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning
                                    aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens
                                    een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
                                    milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden
                                    gegeven aan het tweede lid, tot de dag waarop is beslist op de
                                    aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        <onderstreept>Wet milieubeheer</onderstreept>, de
                                        <onderstreept>Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken</onderstreept> of de Wegenverordening
                                    Noord-Holland. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a,
                                    geldt niet voor bouwwerken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt
                                    in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 160, eerste lid, aanhef en
                                                onder h, van de Gemeentewet;</onderstreept></al></li><li nr="o"><al>b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden een snuffelmarkt toe te laten, te bevorderen
                                    of er gelegenheid toe te geven indien voor deze snuffelmarkt
                                    geen vergunning door de burgemeester is afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het
                                    eerste lid wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet
                                    zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen,
                                    aan te brengen of te hebben. Onder een voorwerp, niet zijnde een
                                    vaartuig, wordt mede begrepen een vaartuigwrak.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                    voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen
                                    waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen,
                                    aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of
                                    vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar
                                    opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor
                                    het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering
                                    vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De verboden in het eerste en derde lid gelden niet voorzover
                                    in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                    Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwegenverordening Noord-
                                    Holland 1995, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of
                                    te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar
                                    stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water: </al><lijst><li nr="o"><al>a. nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente; </al></li><li nr="o"><al>b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        <onderstreept>Wet milieubeheer,</onderstreept> het
                                        <onderstreept>Binnenvaartpolitiereglement</onderstreept>, de
                                        <onderstreept>Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken</onderstreept>, de
                                    Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995 of de
                                    Landschapsverordening Noord-Holland 2005. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover
                                    in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                        <onderstreept>Binnenvaartpolitiereglement,</onderstreept> de
                                        <onderstreept>Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken</onderstreept>, de
                                    Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995 of de
                                    Landschapsverordening Noord-Holland 2005. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen
                                    aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer
                                    zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden,
                                    trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten,
                                    duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen,
                                    stootpalen, bakens of sluizen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregeld
                                    onderwerp wordt voorzien door het <onderstreept>Wetboek van
                                        Strafrecht,</onderstreept> het
                                        <onderstreept>Binnenvaartpolitiereglement</onderstreept>, de
                                        <onderstreept>Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken</onderstreept> of de
                                    Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
                                </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de <onderstreept>Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken</onderstreept> of de
                                    Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31a</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan
                                    een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop
                                    of daarin te begeven of te bevinden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31b</nr><titel>Zwemmen in openbaar water</titel></kop><al>1.Het is verboden te zwemmen in openbaar water, indien burgemeester
                                en wethouders blijkens een openbare kennisgeving en – zo mogelijk –
                                ter plaatse aangebrachte borden, het zwemmen gevaarlijk achten voor
                                de gezondheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31c</nr><titel>Snelheidsbeperking boten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In de wateren in beheer bij de gemeente is het verboden te
                                    varen met een grotere snelheid dan 6 km per uur met een
                                    motorboot, waaronder ook begrepen worden vaartuigen met een
                                    buitenboordmotor en jetski’s.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990 en een bromfiets als
                                    bedoeld in artikel 1 onder e van de Wegenverkeerswet 1994 een
                                    wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een
                                    trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel
                                    daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een
                                    bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Het kan
                                    daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al><lijst><li nr="o"><al>a. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast; </al></li><li nr="o"><al>b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden; </al></li><li nr="o"><al>c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van
                                            de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of
                                            van het publiek. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        <onderstreept>Wet milieubeheer</onderstreept> of het
                                        <onderstreept>Besluit geluidproductie
                                        sportmotoren</onderstreept>. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1 onder e van de Wegenverkeerswet 1994 of met een
                                    fiets of een paard. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het
                                    eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan
                                    daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze
                                    terreinen: </al><lijst><li nr="o"><al>a. in het belang van het voorkomen van overlast; </al></li><li nr="o"><al>b. in het belang van de bescherming van natuur- of
                                            milieuwaarden; </al></li><li nr="o"><al>c. in het belang van de veiligheid van het publiek.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden: </al><lijst><li nr="o"><al>a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens
                                                <onderstreept>artikel 29, eerste lid, Reglement
                                                verkeersregels en verkeerstekens 1990</onderstreept>
                                            door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten; </al></li><li nr="o"><al>b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud
                                            of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld; </al></li><li nr="o"><al>c. die worden gebruikt in verband met werken die
                                            krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
                                            uitgevoerd; </al></li><li nr="o"><al>d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters
                                            van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in
                                            het eerste lid bedoeld; </al></li><li nr="o"><al>e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op wegen;</al></li><li nr="o"><al>b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de <onderstreept>Wet
                                        milieubeheer</onderstreept> of anderszins vuur aan te
                                    leggen, te stoken of te hebben. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verbod geldt niet voorzover het betreft: </al><lijst><li nr="o"><al>a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke; </al></li><li nr="o"><al>b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand; </al></li><li nr="o"><al>c. vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen
                                            gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door <onderstreept>artikel 429, aanhef en onder 1
                                        of 3, van het Wetboek van Strafrecht</onderstreept> of de
                                    Provinciale milieuverordening Noord-Holland. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de <onderstreept>Wet op de
                                    lijkbezorging</onderstreept> op een door de overledene of
                                nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd
                                terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Incidentele asverstrooiing is verboden op: </al><lijst><li nr="o"><al>a. verharde delen van de weg; </al></li><li nr="o"><al>b. gemeentelijke begraafplaatsen, anders dan op of in
                                            een graf, met toestemming van de rechthebbende op dat
                                            graf;</al></li><li nr="o"><al>c. op speelweiden en (kinder-)speelplaatsen;</al></li><li nr="o"><al>d. boven en in de directe omgeving van delen van
                                            openbaar water die frequent als zwemwater in gebruik
                                            zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen en dan genoemd in
                                    het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Uitzaaien van distels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:38</nr><titel>Verplichting met betrekking tot het uitzaaien van
                                    distels</titel></kop><al><vet>•</vet> 1. Degene die op basis van een titel, anders dan
                                eigendom, grond of gronden welke in de gemeente is of zijn gelegen
                                beheert, is verplicht de op deze grond of gronden voorkomende
                                distelsoorten Ciricium arvensis (akkerdistel) en Sonchus arvensis
                                (akkermelkdistel) tijdig, vóórdat deze tot bloei komen, te
                                verwijderen en te vernietigen.</al><al><vet>•</vet> 2. Bij gebreke van de in lid 1 bedoelde persoon, rust
                                de in lid 1 bedoelde verplichting op de eigenaar van de bedoelde
                                grond of gronden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:l</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze verordening
                            en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                            beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of
                            geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met
                            openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de medewerkers van de politie,
                                voorzover zij daartoe bevoegd zijn. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college
                                dan wel de burgemeester aangewezen of aan te wijzen personen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Deze verordening treedt in werking op een door het college nader
                                te bepalen tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Op het tijdstip bedoeld in het eerste lid, wordt ingetrokken de
                                Algemene plaatselijke verordening Waterland, zoals deze eerder is
                                vastgesteld en sedertdien is gewijzigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al><vet>•</vet> 1. Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd –
                            verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid,
                            blijven – indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning
                            of ontheffing betrekking heeft ook vervat is in deze verordening – van
                            kracht tot de termijn waarvoor zij zijn verleend, is verstreken of
                            totdat zij worden ingetrokken.</al><al><vet>•</vet> 2. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de
                            verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, blijven – indien en
                            voorzover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen
                            zijn opgelegd ook zijn vervat in deze verordening - van kracht tot de
                            termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden
                            ingetrokken.</al><al><vet>•</vet> 3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                            verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing – hoe ook
                            genaamd – op grond van de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede
                            lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                            verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de
                            overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.</al><al><vet>•</vet> 4. Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende
                            een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                            voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het
                            tijdstip bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, is ingekomen binnen de
                            voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de
                            verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid.</al><al><vet>•</vet> 5. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft
                            een vergunning of ontheffing – hoe ook genaamd – van kracht, totdat
                            onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in
                            deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste
                            vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken
                            voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde
                            bestuursorgaan is ingediend.</al><al><vet>•</vet> 6. Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of
                            ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in
                            de verordening als bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, zijn niet van
                            toepassing:</al><al>○ a. gedurende twaalf weken na het in werking treden van deze
                            verordening;</al><al>○ b. ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de
                            vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag
                            heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.</al><al><vet>•</vet> 7. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die
                            verordening genomen nadere regels, beleidsregels en
                            aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop deze
                            nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook
                            vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn
                            vervallen of ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                            Waterland 2010.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Behoort bij besluitnummer 2009-200B d.d. 4 februari 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening>drs. E.G.H. Dijk </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. E.F. Jongmans</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>