<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR439189_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Zwolle</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 26-01-2017</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Zwolle</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 5.4 eerste lid en artikel 5.5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-02-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb 2016-12.19</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Hoe wordt de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Zwolle bevorderd, geborgd en beoordeeld ?</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Zwolle</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING
                        OMGEVINGSRECHT GEMEENTE ZWOLLE</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="-"><al>betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de
                                wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat
                                hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;</al></li><li nr="-"><al>kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde
                                gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende
                                kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving
                                inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die
                                met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn
                                belast;</al></li><li nr="-"><al>wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de
                        betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Betrokkenheid van de raad</titel></kop><al>De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit
                        van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de
                        voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke
                        leefomgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kwaliteitsdoelen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering
                                en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door
                                hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit
                                omgevingsrecht gestelde doelen.</al></li><li nr="2."><al>De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving
                                van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval
                                betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de dienstverlening;</al></li><li nr="b."><al>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;</al></li><li nr="c."><al>de financiën. </al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Kwaliteitsborging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in
                                opdracht van burgemeester en wethouders zijn de kwaliteitscriteria
                                van toepassing. </al></li><li nr="2."><al>Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en
                                wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. </al></li><li nr="3."><al>Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden
                                nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd
                                opgave.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking 8 dagen na publicatie.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit
                                vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente
                                Zwolle.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><al>TOELICHTING</al><al/><al>ALGEMEEN</al><al>Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het
                        college van burgemeester en wethouders uitgevoerde vergunningverlening,
                        toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemene deel van
                        deze toelichting beschrijft kort de achtergrond en aanleiding van deze
                        verordening, licht de reikwijdte daarvan toe en schetst de hoofdlijnen van
                        de inhoud van de verordening. </al><al/><al>1.Achtergrond en aanleiding</al><al>Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van
                        de uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de
                        verbetering staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008) waarin
                        het kabinet reageert op de analyses en voorstellen van de commissie Mans,
                        Oosting, Lodders, d’Hondt en de invoering van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht (Wabo). De verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie
                        hoofdpunten: </al><lijst><li nr="1."><al>De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken.</al></li><li nr="2."><al>Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en
                                bestuurlijke drukte.</al></li></lijst><al>Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij
                        gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten.
                        Deze afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29 september 2009).
                        Hiertoe is een gezamenlijk programma (PumA, programma uitvoering met
                        ambitie) opgezet, dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu onder meer een
                        landelijk stelsel van omgevingsdiensten, zijn de kwaliteitscriteria 2.1 voor
                        de uitvoering van de Wabo in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen
                        ontwikkeld en beschikbaar gesteld en is er een landelijke
                        handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht . Een deel van de
                        afspraken uit 2009 is verankerd in de voorgestelde wijziging van de Wabo
                        (Kamerstukken II 2014/15, 33 872, nr. 2).</al><al>Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het IPO
                        nieuwe afspraken gemaakt met het kabinet. Het nieuwe wetsvoorstel is
                        geschreven vanuit een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en
                        decentralisatie. Dit betekent dat een belangrijk deel van de besluitvorming
                        over de kwaliteit van de uitvoering decentraal plaatsvindt door de
                        desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin is de afspraak met het
                        kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden gerealiseerd en
                        behouden. Afgesproken is dat de VNG in samenwerking met het IPO op basis van
                        de kwaliteitscriteria 2.1. (een) modelverordening(en) zal opstellen, die
                        door alle gemeenteraden en provinciale staten kan worden vastgesteld. </al><al>De hierbij door de gemeenteraad vast te stellen verordening volgt deze
                        modelverordening, die voor gemeenten en provincies gelijkluidend door VNG en
                        IPO is opgesteld.</al><al/><al>2.Reikwijdte: een brede verantwoordelijkheid voor kwaliteit</al><al>Deze verordening gaat uit van een brede verantwoordelijkheid van gemeenten
                        en provincies voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpunt wordt
                        genomen dat alle taken van het college en wethouders op grond van de Wabo en
                        de betrokken wetten, onderwerp van de verordening vormen. Het gaat dan om
                        thuistaken, die het college “in eigen huis” verricht, de basistaken die
                        krachtens de wet in opdracht van het college door omgevingsdiensten worden
                        verricht en de plustaken, die het college naast de basistaken heeft belegd
                        bij de omgevingsdienst. Behalve milieutaken betreft het dus ook
                        uitdrukkelijk de zogenaamde "BRIKS-taken" (inzake bouw-, reclame-, inrit-,
                        kap- en sloopvergunningen). </al><al>Deze reikwijdte vloeit voort uit het gegeven dat waar de zorg voor een
                        gezonde en veilige leefomgeving gestalte krijgt via vergunningverlening, het
                        toezicht en de handhaving, de regeling van de kwaliteit van deze
                        verrichtingen niet dient te berusten op een kunstmatig onderscheid naar de
                        plaats waar een taak wordt verricht, of op een opsplitsing van de
                        omgevingsvergunning, het toezicht of de handhaving. In de praktijk blijkt
                        dat de kwaliteit van de uitvoering en handhaving afhankelijk is van de wijze
                        waarop alle betrokken partijen bij de vergunningverlening, het toezicht en
                        de handhaving zich daarvoor inzetten door samenwerking. Hier geldt dat de
                        ketting zo sterk is als de zwakste schakel. </al><al>Dit gegeven laat onverlet dat op dit moment verschillende snelheden bestaan
                        in het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid en
                        deskundigheid van de betrokken organisaties betreft. Dit geldt overigens
                        niet alleen voor de diensten van gemeenten en provincies, maar ook voor
                        omgevingsdiensten en voor verschillende Rijksdiensten. De eisen die deze
                        verordening aan de organisaties van gemeentebesturen en provinciebesturen en
                        in hun opdracht de omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het
                        vertrekpunt van de Kwaliteitscriteria 2.1 waarvoor een dynamische
                        begripsbepaling is opgenomen in artikel 1 van de verordening en die door de
                        betrokken organisaties toegepast dienen te worden volgens de regel “comply
                        or explain” (zie daarover verder artikelsgewijs toelichting bij artikel 5). </al><al>Deze verordening stelt eensluidende regels. In alle gevallen zal het college
                        van burgemeester en wethouders, als Wabo-bevoegd gezag, op grond van artikel
                        7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht beleid moeten voeren over de
                        kwaliteit. Deze verordening regelt waarover de doelen van dit beleid ten
                        minste moeten gaan. Deze verordening regelt bovendien dat de verrichtingen
                        van de gemeentelijke organisaties en de omgevingsdiensten, waar het de
                        VTH-taken betreft, in het licht van die doelen worden beoordeeld. Tot slot
                        regelt het dat de gemeenteraad, elk in het kader van het horizontale
                        toezicht, inhoudelijk debat voeren over de hoofdlijnen van het meerjarige
                        kwaliteitsbeleid dat door het college wordt gevoerd.</al><al/><al>3.Samenhang met veiligheid</al><al>Onderwerpen die tot het bereik van de verordening behoren, kunnen onderdeel
                        blijven uitmaken van andere thema's dan die van de fysieke leefomgeving
                        alleen. De verordening belemmert bijvoorbeeld niet dat onderwerpen met
                        betrekking tot fysieke veiligheid ook aan de orde kunnen komen in
                        beoordelingen of rapportages op andere domeinen, zoals dat van de openbare
                        orde en veiligheid binnen gemeenten, waar raakvlakken bestaan tussen
                        bijvoorbeeld de Wabo en de Drank- en Horecawet, Bibob en andere bijzondere
                        wetten. </al><al>De eensluidende regeling van de verordening betekent ook dat voor
                        bijvoorbeeld Brzo geen specifieke, aanvullende eisen worden gesteld. Ook
                        hier is het relevante kader breder dan de Wabo alleen en vindt
                        taakuitoefening plaats in samenwerking met andere bevoegde gezagen. De basis
                        van de kwaliteitscriteria blijven ook hier de afspraken die in het kader van
                        het Programma Uitvoering met Ambitie (PUMA) zijn gemaakt. De criteria voor
                        de Omgevingsdiensten met ’Brzo-taken zijn in Nederland hetzelfde. In
                        afstemming met de andere Brzo-bevoegde gezagen kunnen aanvullende afspraken
                        gemaakt worden. </al><al/><al>4.Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</al><al>De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                        omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken door de
                        gemeente en in opdracht daarvan handelende (omgevings)diensten. De
                        verordening drukt de commitment uit van de gemeenteraden aan kwaliteit. </al><al>De verordening verbindt daarmee inhoudelijke ambities voor kwaliteit aan
                        bestaande, deels in ontwikkeling zijnde, andere kaders die door procedurele
                        of inhoudelijke normering van vergunningverlening, toezicht en handhaving
                        bijdragen aan deze kwaliteit. Denk bijvoorbeeld aan de Gemeentewet, de
                        Provinciewet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet
                        milieubeheer, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet gemeenschappelijke
                        regelingen. Op basis van deze verordening wordt op het benodigde niveau
                        verbinding gemaakt met deze kaders. </al><al>Van deze kaders is de Wabo en daarop gebaseerde regelgeving wellicht de
                        belangrijkste. Zo bevat artikel 7.1 e.v. van het Besluit omgevingsrecht
                        (Bor), procedurele regels voor handhavingsbeleid door het Wabo-bevoegd
                        gezag. Dit houdt in dat burgemeester en wethouders verplicht zijn tot het
                        stellen van doelen, het identificeren van activiteiten ter uitvoering
                        daaraan, de inrichting van de uitvoeringsorganisatie, het monitoren en het
                        rapporteren daarover. Volgens het wetsvoorstel VTH gaan deze regels ook
                        gelden voor de vergunningverlening. Het Bor wordt hiervoor gewijzigd. </al><al>In de praktijk zijn bovendien verschillende kaders gebruikelijk voor het
                        beoordelen van de kwaliteit door de omgevingsdienst (respectievelijk de
                        eigen diensten), door burgemeester en wethouders en tot slot door de
                        gemeenteraad. Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria 2.1 (die zijn verankerd
                        in artikel 1 en artikel 5, zie voor een toelichting het artikelsgewijs deel)
                        en andere standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel worden
                        gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de
                        kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en
                        te bevorderen.</al><al>Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door burgemeester en
                        wethouders. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en van de
                        interne gemeentelijke organisatie. Burgemeester en wethouders zullen dus
                        beoordelen "of het goed gaat" op basis van de door henzelf geformuleerde
                        beleidsdoelen voor in ieder geval de dienstverlening, uitvoeringskwaliteit
                        van producten en diensten of de financiën. Daarnaast zijn ook andere doelen
                        mogelijk. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de veiligheid of de
                        duurzaamheid (in de zin van natuur en milieukwaliteit) met inbegrip van
                        daarvoor geselecteerde indicatoren. </al><al>Uiteindelijk zal het college hierover verantwoording afleggen aan de
                        gemeenteraad (horizontale verantwoording). De leden van de gemeenteraad
                        vormen immers ook een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van de
                        kwaliteit van de leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen van de
                        leden van de gemeenteraad zullen betrekking hebben op de meerjarige
                        hoofdlijnen van het beleid, niet op de organisatorische kwesties van
                        bezetting die tot de competentie van de directeuren van de diensten behoort.
                        Daarbij zal ook het verband gelegd kunnen worden tussen de strategische
                        plannen en visies over de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de
                        gemeente, zoals een milieubeleidsplan, een structuurvisie of
                        omgevingsvisies. De gemeenteraad oefenen invloed uit op de formulering van
                        doelen en indicatoren door burgemeester en wethouders en op de bijstelling
                        daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie zij willen terug zien in de
                        verantwoordingsrapportages van het college. In die zin worden de kaders voor
                        de beoordeling van de gemeenteraad overgelaten aan het politieke debat over
                        kwaliteit. </al><al>Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                        handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders
                        competentie: </al><lijst><li nr="-"><al>De organisaties, werken onder leiding van hun directie
                                overeenkomstig de kwaliteitscriteria 2.1 met betrekking tot
                                deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan het
                                college van burgemeester en wethouders die hiervoor verantwoording
                                afleggen aan de raden en staten.</al></li><li nr="-"><al>Het college is, als bevoegde bestuursorganen belast met het stellen
                                van beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening,
                                toezicht en handhaving, overeenkomstig de procesregels van het
                                Besluit omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval
                                over dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van besluiten en
                                financiën. </al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad oefent horizontaal toezicht uit op het college en
                                gebruiken waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun
                                toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de
                                continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk
                                onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. </al><al/></li><li nr="5."><al>Doelen voor kwaliteit en kwaliteitscriteria</al></li></lijst><al>Binnen een systeem van kwaliteit in het omgevingsrecht kan onderscheid
                        gemaakt worden tussen inputcriteria, throughputcriteria, outputcriteria en
                        outcomecriteria. Deze criteria zijn cyclisch met elkaar verbonden en hebben
                        allemaal invloed op elkaar. Om bij de laatste te beginnen: outcome-criteria
                        zeggen iets over de omgevingskwaliteit, de veiligheid en gezondheid van de
                        fysieke leefomgeving, etc. Het gaat om het maatschappelijke effect van
                        beleid (dus het maatschappelijke effect van de geleverde Wabo-diensten).
                        Deze criteria/doelstellingen moeten bepaald worden in samenspel tussen
                        bestuur en ambtelijke organisatie. Gemeenteraad en burgemeester en
                        wethouders stellen kaders, bijvoorbeeld op basis van het collegeakkoord of
                        het handhavingsplan. Outputcriteria zeggen iets over concrete prestaties die
                        geleverd worden om het beleidsdoel te realiseren. In dit geval gaat het om
                        aan de samenleving geleverde Wabo-diensten, bijvoorbeeld het aantal
                        vergunningen, het aantal toezichtsacties, het aantal subsidies,
                        voorlichtingen, etc. De throughputcriteria, ofwel procescriteria, beschrijft
                        de processen die moeten leiden tot producten op het gebied van
                        vergunningverlening, toezicht en handhaving. Inputcriteria gaan over
                        middelen, mensen en tijd. Voor outputcriteria en outcomecriteria zijn tot op
                        heden nog geen concrete voorbeelden beschikbaar in tegenstelling tot
                        throughputcriteria en inputcriteria die in kwaliteitscriteria 2.1 zijn
                        beschreven. Het is aan elke organisatie zelf om output- en outcomecriteria
                        te bepalen. Ervaringen uit pilots die in 2012 bij gemeenten zijn uitgevoerd
                        hebben geleerd dat door een samenspel tussen bestuur en ambtenaren er breed
                        gedragen resultaten kunnen ontstaan. In een aantal werksessies in 2010 met
                        verschillende partijen en twee jaar later in bovengenoemde pilots bij
                        gemeenten, zijn er wel onderwerpen bepaald waarop deze doelen het beste
                        bepaald kunnen worden. Deze lijst onderwerpen is uiteraard niet limitatief,
                        maar is een lijst waar men in bovengenoemde sessies op uit is gekomen:</al><lijst><li nr="-"><al>¬Dienstverlening: de manier waarop (in communicatie, snelheid,
                                service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers, omgeving
                                klagers, etc.) omgaat.</al></li><li nr="-"><al>Uitvoeringskwaliteit van producten en diensten: de mate waarin een
                                product voldoet aan de juridische doelen (zoals geformuleerd in de
                                relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen van
                                behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen. Ook wel
                                aangeduid als de inhoudelijke kwaliteit.</al></li><li nr="-"><al>Financiën: de inzet van middelen in relatie tot de kwaliteit van de
                                geleverde diensten/producten. </al></li></lijst><al>Bij de voorbereiding van de modelverordening is door het IPO en de VNG
                        voortgebouwd op de ervaringen uit de pilots. </al><al/><al>6.Impact van deze verordening: meer dan regels alleen</al><al>Deze verordening is een blijvend kader voor het bevorderen, beoordelen en
                        borgen van de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving.
                        Blijvende goede verrichtingen in dit kader vergen meer dan regels alleen. Zo
                        zullen de bestaande kwaliteitscriteria 2.1 na verloop van tijd, gelet op
                        wijzigingen in de omringende wetgeving en met het oog op de brede reikwijdte
                        die ze krijgen met deze verordening, een levend instrument blijven. Dat
                        betekent dat ze op termijn in brede samenwerking met andere gemeenten en
                        provincies en omgevingsdiensten geactualiseerd moeten worden. Hetzelfde
                        geldt voor de doelen en de daarvoor gehanteerde indicatoren, die door
                        bevoegde gezagen worden gebruikt. </al><al>7.Interbestuurlijke regeldruk, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid</al><al>Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande
                        rapportage en informatiestromen, op basis van het Besluit omgevingsrecht en
                        de organieke wetgeving en introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen
                        maar vereist wel extra input voor bestaande rapportages. Wel is het van
                        groot belang dat een tijdige en transparante uitvoering van bestaande
                        verplichtingen bijdragen aan de mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, de
                        bevoegde colleges en de politiek-bestuurlijke overwegingen van de
                        gemeenteraad om ieders rol in de kwaliteitsketen te kunnen spelen. De
                        verordening is vanuit deze bestaande competentieverdeling gericht op
                        horizontaal toezicht. Van regeldruk voor burgers en bedrijven is geen
                        sprake.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJS</vet></al><al/><al>Artikel 1</al><al>In dit artikel zijn slechts begrippen opgenomen die niet al met een
                        begripsbepaling zijn gedefinieerd in de Wabo. </al><al>Als betrokken wetten worden aangemerkt de Wabo zelf, en de wetten bedoeld in
                        artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald
                        dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is. Op de uitvoering of
                        handhaving van een geheel andere wet, zoals bijvoorbeeld de Drank- en
                        Horecawet, is deze verordening niet van toepassing (wat onverlet laat dat
                        over overlappende onderwerpen elders wordt gerapporteerd, zie het algemeen
                        deel van de toelichting). De wetten waarom het krachtens artikel 5.1 Wabo om
                        kan gaan zijn: de Flora- en faunawet, de Kernenergiewet, de Monumentenwet
                        1998, de Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet bescherming
                        Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet inzake de
                        luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening, de
                        Waterwet en de Woningwet. </al><al>Een belangrijk begrip in deze verordening is kwaliteitscriteria. De
                        kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn - thans - de alom bekende
                        Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de bevoegde
                        gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de kwaliteit van
                        vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied van de
                        beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties.
                        Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van
                        deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en
                        geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.1
                        op te volgen. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is
                        in de begripsbepaling een dynamische verwijzing opgenomen, zodat bij de
                        ontwikkeling en beschikbaarstelling van een volgende versie van de
                        kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de verordening hoeft te worden
                        overgegaan. Met deze begripsbepaling en de verankering in artikel 5 van de
                        verordening liggen de Kwaliteitscriteria 2.1 aan de basis van deze
                        verordening.</al><al>Voor het begrip omgevingsdienst is aangesloten bij de omgevingsdiensten
                        waarvan melding wordt gemaakt in artikel 5.3 van de Wabo, zoals dat zal
                        komen te luiden wanneer wetsvoorstel 33 872 tot wijziging van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening,
                        toezicht en handhaving) tot wet is verheven. </al><al/><al>Artikel 2</al><al>De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en een
                        afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of
                        handhaving van de betrokken wetten. De terminologie “uitvoering en
                        handhaving” is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt ook gehanteerd in
                        het Besluit omgevingsrecht zoals dat op grond van het wetsvoorstel zal
                        worden gewijzigd. “Uitvoering en handhaving” betekent dan
                        vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot
                        uitvoering of handhaving van de Wabo en van de wetten, bedoeld in artikel
                        5.1 van de Wabo. Zie daarover de toelichting bij artikel 1. Ten tweede moet
                        het gaan om de uitvoering of handhaving door of in opdracht van burgemeester
                        en wethouders. De verordening is dus van toepassing als het gaat om de
                        uitvoering van de betrokken wetten door burgemeester en wethouders zelf of,
                        in opdracht van het college door een omgevingsdienst of een private partij
                        (maar vanwege het college). Uitvoering van wetten die genoemd zijn in
                        artikel 5.1 van de Wabo of van de Wabo zelf door andere bevoegde gezagen,
                        zoals het provinciebestuur en andere gemeentebesturen die hun verordeningen
                        op basis van hetzelfde model vaststellen, het waterschapsbestuur of de
                        Minister van Infrastructuur en Milieu of de Minister van Economische Zaken,
                        valt buiten het bereik van deze verordening. De uitvoering en handhaving van
                        de Wet bescherming Antarctica of de Kernenergiewet wordt bijvoorbeeld niet
                        door de besturen van gemeenten of provincies uitgeoefend en valt dus buiten
                        deze verordening. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de Waterwet voor zover
                        die door het Rijk of door waterschappen wordt uitgevoerd. Waar hier wordt
                        gesproken over de uitvoering of handhaving van taken door of in opdracht van
                        het bevoegd gezag wordt gedoeld op de uitvoering door gemeentelijke diensten
                        en regionale uitvoeringsdiensten. </al><al/><al>Artikel 3</al><al>Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de
                        gemeenteraad en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van het
                        Besluit omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over
                        kwaliteit een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: burgemeester en
                        wethouders. Bezien vanuit de Gemeentewet, is kaderstelling juist de taak van
                        de gemeenteraad. </al><al>De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van
                        deze verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang
                        met het Besluit omgevingsrecht, van belang uitdrukking te geven aan het feit
                        dat de gemeenteraad vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken zijn bij het
                        beleid en zullen toezien op de continuïteit van de kwaliteit over meerdere
                        jaren. </al><al>Het horizontale toezicht door de gemeenteraad op het (regionale)
                        uitvoerings- en handhavingsbeleid door burgemeester en wethouders, zal
                        daarom plaatsvinden in het licht van het strategische beleid dat op
                        hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke leefomgeving, zoals
                        omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en structuurvisies.</al><al>Artikel 3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van
                        belang voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in hun
                        opdracht werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de
                        meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van
                        deze rol beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die de
                        organieke wetgeving hen biedt en de kaders die zijn op strategisch niveau
                        voor de fysieke leefomgeving in plannen en visies hebben vastgelegd. </al><al>Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat het
                        college de raad daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stelt.
                        Dat daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van belang kan zijn,
                        spreekt voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en
                        de opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd.</al><al/><al>Artikel 4</al><al>Artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht het
                        bevoegd gezag (lees: burgemeester en wethouders) om beleid te formuleren
                        voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. De grondslag van deze
                        bepaling (art. 5.3 Wabo) zag voorheen op een doelmatige en programmatische
                        handhaving, maar zal op grond van de wijziging van de Wabo en het Bor door
                        het wetsvoorstel VTH, ook gaan gelden voor uitvoering (vergunningverlening).
                        Er is dan sprake van een uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover
                        onderlinge afstemming plaats dient te vinden tussen de bevoegde gezagen op
                        het niveau van de omgevingsdienst. Welk beleid moet worden geformuleerd laat
                        het Bor inhoudelijk open. Dit artikel strekt ertoe een inhoudelijke ambitie
                        te geven aan de procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen. </al><al>Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethouders naar de
                        kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het
                        geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid
                        betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's.
                        Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke
                        mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van
                        de prestaties en kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisaties. Het
                        gaat dan in ieder geval om dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van
                        producten en diensten en om financiën. </al><al>In paragraaf 4 van deze toelichting is de herkomst van de in dit artikel
                        gehanteerde begrippen toegelicht. </al><al>Er is voor gekozen in deze verordening geen voorschriften te geven over de
                        te gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voor de
                        bevoegde gezagen, die daarmee in de praktijk al ruime ervaring hebben. </al><al/><al>Artikel 5</al><al>Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.1 en de
                        opvolgers daarvan (zie ook de toelichting bij artikel 1, waarin een
                        begripsbepaling voor kwaliteitscriteria is opgenomen). Het strekt ertoe te
                        regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de uitvoering van VTH-taken in
                        de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers om criteria waaraan
                        zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door de betrokken bevoegde
                        gezagen. Van belang is dat deze criteria relevante input leveren voor de
                        kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen die door
                        het college zijn gesteld op grond van artikel 3 ook zonder meer in alle
                        gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet alleen
                        afhankelijk zijn van de goede verrichtingen van de uitvoerende organisaties.
                        Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling
                        gedaan moeten worden aan de gemeenteraad. Het gaat hier om een belangrijke
                        inhoudelijke mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande
                        jaarlijkse rapportages, in de op grond van het Besluit omgevingsrecht op te
                        stellen documenten.</al><al>Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle
                        relevante taken worden toegepast, dat de kwaliteit per definitie te wensen
                        zal overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom
                        de criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde
                        kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria 2.1 zijn derhalve een
                        cruciaal richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”. </al><al/><al>Artikel 6</al><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Het is, gelet op
                        de aard van de gestelde regels, niet nodig om deze verordening in
                        overgangsrecht te voorzien.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>