<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR439087_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Blaricum</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-135898.html">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Blaricum</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-09-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Blaricum</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING OMGEVINGSRECHT GEMEENTE BLARICUM</al><al/><al>De raad van de gemeente Blaricum, </al><al/><al>overwegende  dat gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke diensten die in hun  opdracht werken, zich bij de zorg voor een gezonde en veilige fysieke  leefomgeving met oog voor de maatschappelijke functies daarvan, waar die  zorg gestalte krijgt in de vergunningverlening, het toezicht en de  handhaving van het omgevingsrecht, voor de gezamenlijke opgave gesteld  zien om in landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoering en  handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelen;</al><al/><al>overwegende  dat het met het oog daarop wenselijk is om regels vast te stellen, in  onderlinge afstemming op het niveau van de Omgevingsdienst Flevoland  &amp; Gooi en Vechtstreek, door de deelnemende gemeenten Almere,  Hilversum, Dronten, Gooise Meren, Huizen, Blaricum, Laren, </al><al>Lelystad, Noordoostpolder, Urk, Weesp, Wijdemeren, Zeewolde en provincies Flevoland en Noord-Holland;</al><al/><al>overwegende  dat het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering in ieder geval de in  landelijke samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria  vergunningverlening, toezicht en handhaving 2.1 zijn, die op basis van  technische en maatschappelijke ontwikkelingen indien daartoe aanleiding  is met betrokken partijen in landelijke afstemming zullen worden  aangepast;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 april 2016; </al><al/><al>gelet  op de artikelen 5.4, eerste lid, en 5.5 van de Wet algemene bepalingen  omgevingsrecht en de artikelen 149 en 156, derde lid, van de  Gemeentewet;</al><al/><al>gehoord gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland; </al><al/><al>BESLUIT: </al><al>Vast te stellen de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Blaricum:</al><al/><al/><al>Paragraaf 1. Algemene bepalingen</al><al/><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al><al>- betrokken  wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, voor  zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van  de wet van toepassing is;</al><al>- kwaliteitscriteria:  de door burgemeester en wethouders vastgestelde kwaliteitscriteria  gegrond op de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen  ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor  vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en  de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving  van de betrokken wetten zijn belast;</al><al>- wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al>Artikel 2. Reikwijdte</al><al>Deze  verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de  taken als bedoeld in artikel 5.3, vierde lid, van de wet en de andere  taken op grond van de betrokken wetten, die in opdracht van burgemeester  en wethouders door een omgevingsdienst worden uitgevoerd.</al><al/><al>Paragraaf 2. Kwaliteit</al><al/><al>Artikel 3. Betrokkenheid van de raad</al><al>De  gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de  kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het  licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de  fysieke leefomgeving.</al><al/><al>Artikel 4. Kwaliteitsdoelen </al><al>Burgemeester  en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving  van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens  artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht gestelde doelen.</al><al/><al>Artikel 5. Kwaliteitsborging</al><al>1. Burgemeester en wethouders stellen kwaliteitscriteria vast bij nadere regels.</al><al>2. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten als bedoeld in artikel 2 zijn de kwaliteitscriteria van toepassing. </al><al>3. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. </al><al>4. Voor  zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd,  doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd opgave.</al><al/><al>Paragraaf 3. Slotbepalingen</al><al/><al>Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel</al><al>1. Deze verordening treedt in werking op 1 november 2016.</al><al>2. Deze  verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit  vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente  Blaricum.</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Blaricum van 20 september 2016,</al><al/><al>Voorzitter, Griffier,</al><al/><al/><al/><al>TOELICHTING BIJ DE VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING OMGEVINGSRECHT GEMEENTE BLARICUM</al><al>ALGEMEEN</al><al/><al>Deze  verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het  college van burgemeester en wethouders uitgevoerde vergunningverlening,  toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel  van deze toelichting beschrijft de achtergrond en aanleiding van deze  verordening en schetst de hoofdlijnen van de inhoud van de verordening. </al><al/><al>1. Achtergrond en aanleiding </al><al>Samen  met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van  de uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de  verbetering staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008)  waarin het kabinet reageert op de analyses en voorstellen van de  commissie Mans, Oosting, Lodders, d’Hondt en de invoering van de Wet  algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De verbeterpunten zijn terug  te brengen tot drie hoofdpunten:</al><al/><al>1. De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken;</al><al>2. Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht;</al><al>3. en de bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en bestuurlijke drukte.</al><al/><al>Het  IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij  gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze  punten. Deze afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29  september 2009). Hiertoe is een gezamenlijk programma (PumA, programma  uitvoering met ambitie) opgezet, dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu  onder meer een landelijk stelsel van omgevingsdiensten, zijn de  kwaliteitscriteria VTH 2.1 voor de uitvoering van de Wabo in brede  samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld, bestuurlijk vastgesteld  (in juni 2012) en beschikbaar gesteld en is er een landelijke  handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht<extref doc=""><sup>[1]</sup></extref></al><al/><al>Bij  het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het IPO  nieuwe afspraken gemaakt met het kabinet. Het nieuwe wetsvoorstel is  geschreven vanuit een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en  decentralisatie. Dit betekent dat een belangrijk deel van de  besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering decentraal  plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin is  de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet  worden gerealiseerd en behouden. In de praktijk blijkt dat de kwaliteit  van de uitvoering en handhaving afhankelijk is van de wijze waarop alle  betrokken partijen bij de vergunningverlening, het toezicht en de  handhaving zich daarvoor inzetten door samenwerking. Hier geldt dat de  ketting zo sterk is als de zwakste schakel.</al><al>Dit  gegeven laat onverlet dat op dit moment verschillende snelheden bestaan  in het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid  en deskundigheid van de betrokken organisaties betreft. De eisen die  deze verordening aan de omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het  vertrekpunt van de Kwaliteitscriteria VTH 2.1 die door de betrokken  organisaties toegepast dienen te worden volgens de regel “comply or explain” (zie daarover verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5).</al><al/><al>In  alle gevallen zullen de colleges van burgemeester en wethouders en van  gedeputeerde staten, als Wabo-bevoegd gezag, op grond van artikel 7.2,  eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) beleid moeten voeren  over uitvoering en handhaving. Deze verordening regelt bovendien dat de  verrichtingen van de organisaties van gemeentelijke, provinciale en  omgevingsdiensten, waar het de VTH-taken betreft, in het licht van de in  het beleid geformuleerde doelen worden beoordeeld. Tot slot regelt het  dat de gemeenteraad en provinciale staten, elk in het kader van  horizontale verantwoording, inhoudelijk debat voeren over de hoofdlijnen  van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door hun colleges wordt  gevoerd.</al><al>Deze  verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande  rapportage en informatiestromen op basis van het Bor en de organieke  wetgeving en introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen. Het  vereist wel extra input over kwaliteit voor bestaande rapportages. Wel  is het van groot belang dat een tijdige en transparante uitvoering van  bestaande verplichtingen bijdragen aan de mogelijkheid voor de  ambtelijke diensten, de bevoegde colleges en de politiek-bestuurlijke  gemeenteraden en provinciale staten om ieders rol in de kwaliteitsketen  te kunnen spelen. De verordening is vanuit deze bestaande  competentieverdeling gericht op horizontale verantwoording.</al><al/><al>2. Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</al><al/><al>De  verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving  omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken bij  omgevingsdiensten. Met de verordening bindt de gemeenteraad het college  van burgemeester en wethouders, en de in opdracht van het college  handelende omgevingsdiensten, aan een uniforme ambitie voor kwaliteit.  Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria VTH (die zijn verankerd in  artikel 1 en artikel 5, zie ook de artikelsgewijze toelichting) en  andere standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel  worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel  de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving te  waarborgen en te bevorderen. Of dat het geval is, moet jaarlijks worden  beoordeeld door het college van burgemeester en wethouders. Hiervoor is  input nodig van de omgevingsdiensten. Burgemeester en wethouders zullen  dus beoordelen "of het goed gaat" op basis van de door henzelf  geformuleerde beleidsdoelen.</al><al/><al>Uiteindelijk  legt het college hierover verantwoording af in de gemeenteraad  (horizontale verantwoording). De gemeenteraad vormt immers ook een eigen  oordeel "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit van de  leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen van de gemeenteraad  zullen betrekking hebben op de meerjarige hoofdlijnen van het beleid,  niet op de organisatorische kwesties van bezetting die tot de  competentie van de directeuren van de diensten behoort. Daarbij zal ook  het verband gelegd kunnen worden tussen de strategische plannen en  visies over de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de gemeente of  de provincie, zoals een milieubeleidsplan, een structuurvisie of  omgevingsvisies. De gemeenteraad oefent invloed uit op de formulering  van doelen en indicatoren door de colleges van burgemeester en  wethouders en gedeputeerde staten en op de bijstelling daarvan zoals  bijvoorbeeld welke informatie zij willen terug zien in de  verantwoordingsrapportages van het college. In die zin worden de kaders  voor de beoordeling van de gemeenteraad en provinciale  staten overgelaten aan het politieke debat over kwaliteit. </al><al/><al>Zo  ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en  handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit  ieders competentie: </al><al>1. De  organisaties werken onder leiding van hun directie overeenkomstig de  kwaliteitscriteria VTH met betrekking tot deskundigheid en  beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan de colleges van  burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten die hiervoor  verantwoording afleggen aan de gemeenteraden en provinciale staten.</al><al/><al>2. Het  college is, als bevoegde bestuursorgaan, belast met het stellen van  beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en  handhaving, overeenkomstig de procesregels van het Besluit  omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval over  uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, dienstverlening en  financiën. </al><al/><al>3. De  gemeenteraad oefent horizontaal toezicht uit op “hun” college en  gebruiken waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun  toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de  continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk  onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. </al><al/><al>ARTIKELSGEWIJS</al><al/><al>Artikel 1</al><al/><al>Als betrokken wetten  worden aangemerkt de Wabo zelf, en de wetten bedoeld in artikel 5.1 van  de Wabo, voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald dat  Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is. De wetten waar het - thans -  om gaat zijn: de Flora- en faunawet, de Kernenergiewet, de Monumentenwet  1998, de Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet  bescherming Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de  Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet  ruimtelijke ordening, de Waterwet en de Woningwet. </al><al/><al>Een belangrijk begrip in deze verordening is kwaliteitscriteria.  De kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn de door burgemeester  en wethouders vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de bekende  Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de  bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de  kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied  van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste  organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in  de rede dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren  verbeterde en geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt  om de versie 2.1 op te volgen. Als er sprake is van een  nieuwe/aangepaste set dan zal het college in het kader van  besluitvorming over de vaststelling ervan als nadere regel zorgdragen  voor afstemming op het niveau van de omgevingsdienst.</al><al/><al>Artikel 2</al><al/><al>De  reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en een  afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering  of handhaving van de betrokken wetten. De terminologie “uitvoering en  handhaving” is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt ook gehanteerd  in het Bor zoals dat op grond van het wetsvoorstel zal worden gewijzigd.  “Uitvoering en handhaving” betekent dan vergunningverlening, toezicht  en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot uitvoering of handhaving  van de Wabo en van de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo. Zie  daarover de toelichting bij artikel 1. Ten tweede moet het gaan om de  uitvoering of handhaving door of in opdracht van burgemeester en  wethouders. De verordening is dus van toepassing als het gaat om de  uitvoering van de betrokken wetten in opdracht van burgemeester en  wethouders door een omgevingsdienst. Uitvoering van wetten die genoemd  zijn in artikel 5.1 van de Wabo of van de Wabo zelf door andere bevoegde  gezagen, valt buiten het bereik van deze verordening. Waar hier wordt  gesproken over de uitvoering of handhaving van taken in opdracht van het bevoegd gezag wordt gedoeld op de uitvoering door omgevingsdiensten. </al><al/><al>Artikel 3</al><al/><al>Dit  artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de  gemeenteraad en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van  het Bor, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over uitvoering  en handhaving een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen:  burgemeester en wethouders. Bezien vanuit de Gemeentewet is  kaderstelling juist de taak van de gemeenteraad. </al><al>De  kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van  deze verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de  samenhang met het Bor, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat  de gemeenteraad vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken is bij het beleid  en zal toezien op de continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren.  </al><al>De  horizontale verantwoording van het college aan de gemeenteraad op het  uitvoerings- en handhavingsbeleid zal daarom plaatsvinden in het licht  van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de  fysieke leefomgeving, zoals omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en  structuurvisies.</al><al>Artikel  3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van belang  voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in hun  opdracht werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de  meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken  van deze rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die  de organieke wetgeving haar biedt en de kaders die zij op strategisch  niveau voor de fysieke leefomgeving in plannen en visies heeft  vastgelegd. </al><al>Om  deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat het  college haar daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat  stelt. Dat daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van  belang kan zijn, spreekt voor zich en is op grond van de Wet  gemeenschappelijke regelingen en de opdrachten aan de omgevingsdiensten  voldoende gewaarborgd.</al><al/><al>Artikel 4</al><al/><al>Artikel  7.2, eerste lid, van het Bor verplicht het bevoegd gezag (lees:  burgemeester en wethouders) om beleid te formuleren voor de uitvoering  en handhaving van de VTH-taken. De grondslag van deze bepaling (art. 5.3  Wabo) zag voorheen op een doelmatige en programmatische handhaving,  maar is op grond van de wijziging van de Wabo en het Bor door het  wetsvoorstel VTH, ook gaan gelden voor uitvoering (vergunningverlening).  Daarmee is sprake van een uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid,  waarover onderlinge afstemming plaats dient te vinden tussen de bevoegde  gezagen op het niveau van de omgevingsdienst. Welk beleid moet worden  geformuleerd laat het Bor inhoudelijk open. Dit artikel strekt ertoe een  inhoudelijke ambitie te geven aan de procesverplichting om  kwaliteitsbeleid te vormen. </al><al>Ten  eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethouders naar de  kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het  geformuleerde regionale beleid, waarbij de doelen van dat beleid  betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke  thema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit  elke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het  perspectief van de prestaties en kwaliteit van de uitvoering van de  eigen organisatie. </al><al>Er  is voor gekozen in deze verordening geen voorschriften te geven over de  te gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voor het  bevoegde gezag, dat daarmee in de praktijk al ruime ervaring heeft.</al><al/><al>Artikel 5</al><al/><al>Dit  artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria (zie ook de  toelichting bij artikel 1, waarin een begripsbepaling voor  kwaliteitscriteria is opgenomen). Hiervoor wordt directief aan  burgemeester en wethouders opgedragen de kwaliteitscriteria vast te  stellen in de juridische vorm van nadere regels. Dit betekent dat het  college allereerst de set kwaliteitscriteria VTH 2.1 wordt geacht vast  te stellen. Daarna zal het college als de landelijke set gewijzigd wordt  vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad (overleg op landelijk  niveau tussen IPO, VNG en Rijk) die nieuwe cq. aangepaste set ook kunnen  vaststellen als nadere regels. Als er sprake is van een  nieuwe/aangepaste set dan zal het college in het kader van  besluitvorming over de vaststelling ervan als nadere regel zorgdragen  voor afstemming op het niveau van de omgevingsdienst.</al><al/><al>Met  dit artikel wordt beoogd te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor  de uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het  gaat immers om criteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is  gewerkt door de betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze  criteria relevante input leveren voor de kwaliteit. Dat geeft  vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen die door het college zijn  gesteld in het uitvoerings- en handhavingsbeleid ook zonder meer in alle  gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet  alleen afhankelijk zijn van de goede verrichtingen van de uitvoerende  organisaties. Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom  jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan de gemeenteraad. Het gaat  hier om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht die kan worden  meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond van het  Bor op te stellen documenten.</al><al>Omgekeerd  wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle  relevante taken worden toegepast, de kwaliteit per definitie te wensen  zal overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden  waarom de criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor  de gestelde kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria VTH zijn  derhalve een cruciaal richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”. </al><al/><al>Artikel 6</al><al/><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening.</al><al/><al><extref doc="">[1]</extref>  Daarnaast is er een informatiesysteem voor toezicht en handhaving, zijn  de Brzo-taken gebundeld in zes omgevingsdiensten, is het  interbestuurlijk toezicht vernieuwd, zijn de taken van de provincies  naar de gemeenten gedecentraliseerd en is een nieuw vereenvoudigd  VTH-stelsel ontstaan.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst/></regeling></body></cvdr>