<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR438909_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Urk 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Urk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Urk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Urk 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149; Wet op het primair onderwijs, artikel 102; Wet op de expertisecentra, artikel 100; Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 76m</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">Gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016.06857</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijshuisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al><al>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al><al>Grondslagen</al><al>Gemeentewet, artikel 149; Wet op het primair onderwijs, artikel 102; Wet op de expertisecentra, artikel 100; Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 76m</al><al>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)</al><al>Geen.</al><al>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Urk 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1. Begripsbepalingen </al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om
                                    het bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="-"><al> aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="-"><al> advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld
                                    in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of
                                    artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                    bewegingsonderwijs of een bad voor watergewenning of
                                    bewegingstherapie;</al></li><li nr="-"><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="-"><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op
                                    grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de
                                    artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel
                                    16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
                                    voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="-"><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het
                                    primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra
                                    of artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                    aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als
                                    volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="-"><al>programma: programma als bedoeld in artikel 95 Wet op het
                                    primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en
                                    artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst><al>school:</al><lijst><li nr="1."><al>school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor
                                    basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het
                                    primair onderwijs;</al></li><li nr="2."><al>school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs:
                                    school voor speciaal onderwijs, school voor speciaal en
                                    voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de
                                    expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; </al></li><li nr="3."><al>school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap
                                    voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                                    middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                    beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de
                                    artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die
                                            door de keuze van het ontwerp en de aard van de
                                            constructie en materialen minstens 15 jaar als
                                            volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                            functioneren;</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging
                                            als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden,
                                            niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele,
                                            maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="-"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening
                                            die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                                            bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening
                                            die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                                            bijlage II maximaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld
                                            in artikel 2.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting </al><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen,
                                    bestaande uit</al><lijst><li nr="1."><al> nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het
                                            rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of
                                            nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest
                                            geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest.</al></li><li nr="3."><al>het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een
                                            bestaand gebouw voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="4."><al> verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke
                                            gebouwen voor het huisvesten van een school; </al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor het realiseren van een
                                            voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het
                                            rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder
                                            door het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van
                                            een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor
                                            watergewenning of bewegingstherapie;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval
                                    van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor
                                    het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst><al>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</al><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° en
                            2°, kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het
                            opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.</al><al>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</al><lijst><li nr="1."><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder
                                    1° en 2°, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in
                                    bijlage IV opgenomen normbedragen.</al></li><li nr="1."><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                    vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in
                                    artikel 3 wordt vastgesteld op 8 procent van het geraamde
                                    investeringsbedrag.</al></li></lijst><al>Artikel 5. Informatieverstrekking</al><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij
                            wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                            formulier.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 6. Indienen aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma
                                        wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en
                                        moet uiterlijk 31 januari van het jaar waarin van het
                                        betreffende programma wordt vastgesteld zijn ontvangen.
                                        Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                        vastgesteld formulier, dat ook digitaal kan worden
                                        aangeleverd.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het
                                        college niet in behandeling.</al></li></lijst><al>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                behandelen onvolledige aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening; </al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is,
                                                het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening, bestaande uit:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school voor basisonderwijs, de speciale school voor
                                        basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs of
                                        voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet
                                        onderwijs, als het betreft een aanvraag voor een voorziening
                                        als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder
                                        1°,2°,3°,6°,7°of 8° , onder de voorwaarde dat de prognose
                                        overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het
                                        college, al dan niet in samenwerking met de bevoegde
                                        gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een
                                        actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag
                                        wordt onderschreven;</al></li><li nr="2."><al>ls de aanvraag betrekking heeft op het geheel of
                                        gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een
                                        gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, of
                                        herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel b, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de
                                        eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde
                                        voorziening kan worden vastgesteld;</al></li><li nr="3."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een
                                        voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de
                                        feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten
                                        voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag
                                        betrekking heeft op het bekostigen van een
                                        voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een
                                        kostenbegroting.</al><lijst><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening, en</al></li><li nr="g."><al> als het een voorziening betreft als bedoeld in
                                                artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de
                                                aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of
                                        tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de
                                        hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te
                                        vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag
                                        niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken
                                        school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt
                                        vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15
                                        oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij
                                        de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de
                                        registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd,
                                        dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager
                                        en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen
                                        binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                        mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen
                                        is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li></lijst><al>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</al><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor 15 mei een
                                opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend
                                en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en
                                overzicht</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                begroting</al><lijst><li nr="1."><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag
                                        nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2
                                        maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede
                                        lid.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de
                                        aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de
                                        vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het
                                        college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                        kostenbegroting moet worden aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van
                                        het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht,
                                        bedoeld in paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                                aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het
                                                overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                                                hoogte van het geraamde bedrag.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies
                                Onderwijsraad</al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar
                                        voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen
                                        programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden
                                        ten minste 2 weken voor de door het college vastgestelde
                                        datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van
                                        het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar
                                        maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan
                                        het overleg van deze zienswijzen in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De
                                        overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de
                                        reactie van het college hierop worden opgenomen in het
                                        verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg
                                        toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad
                                        verzoeken een advies uit te brengen over het
                                        conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk
                                        gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies
                                        wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de
                                        relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de
                                        vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de
                                        daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen
                                        in het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="6."><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het
                                        beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld
                                        in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies
                                        zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij het toezenden van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg.
                                        In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden
                                        van het afschrift van het advies.</al></li><li nr="8."><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats
                                        binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de
                                        bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van
                                        dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag,
                                        bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                overzicht</al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                        vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan
                                        onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per
                                        voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                        uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het
                                        programma betrekking heeft.</al></li></lijst><al>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                                programma en overzicht</al><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden
                                        door het college binnen 2 weken na de datum waarop het
                                        besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of
                                        uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig
                                        stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen
                                        schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter
                                        inzage gelegd.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren programma</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</al><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt
                                        het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop
                                        de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd.
                                        In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is
                                        voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover
                                        van toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet
                                                op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op
                                                de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het
                                                voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting
                                                door de aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop
                                                de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met
                                                inachtneming van het beschikbaar te stellen
                                                bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de
                                                begroting toetst, en of het naar het oordeel van het
                                                college noodzakelijk is bij het toetsen van het
                                                bouwplan en de begroting rekening te houden met
                                                feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten
                                                opzichte van het moment waarop het programma is
                                                vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan
                                                worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording
                                                over het besteden van de beschikbaar te stellen
                                                middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen
                                                van het totale investeringskrediet een bedrag aan te
                                                vragen voor de kosten van voorbereiding van het
                                                bouwplan tot 8 procent van het geraamde
                                                investeringsbedrag.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet
                                        tot overeenstemming heeft geleid legt het college
                                        schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het
                                        verslag binnen 4 weken na het overleg. Als de aanvrager niet
                                        binnen 2 weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk
                                        reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van het
                                        vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                        overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het
                                        college binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een
                                        beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt.
                                        Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt
                                        het college dit binnen 4 weken nadat het verslag is
                                        vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt
                                        gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de
                                        voorziening wordt opgeschort.</al></li></lijst><al>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overleggen offertes</al><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid,
                                        is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de
                                        voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke
                                        kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het
                                        bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover
                                        gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid.
                                        Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop
                                        de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met
                                        het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt
                                        verleend.</al></li><li nr="2."><al> Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn
                                        ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting
                                        en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college
                                        kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn
                                        verlengen met 3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn
                                        is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de
                                        bouwplannen en de begroting en start de bekostiging op het
                                        door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de
                                        aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over
                                        het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                        waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum
                                        waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan
                                        schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al> De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                                        vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige
                                        inschrijving.</al></li></lijst><al>Artikel 15. Aanvang bekostiging</al><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de
                                bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden.
                                Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig
                                tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het
                                programma geplaatste voorziening.</al><al>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</al><lijst><li nr="1."><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking
                                        heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een
                                        koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij
                                        voor 15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak
                                        op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen
                                        wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn
                                                onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al> bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het
                                                werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal
                                                werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt
                                                opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al> huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum
                                                van inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                                overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van
                                                aankoop.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het
                                        overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn
                                        veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al> bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager
                                                zijn toe te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 september een schriftelijk
                                                gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn
                                                heeft ingediend bij het college.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot het
                                        verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek
                                        wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn
                                        wordt verlengd.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 17. Indienen aanvraag</al><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de
                                voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2
                                weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college.
                                Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                formulier.</al><al>Artikel 18. Inhoud aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de
                                        gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden
                                        waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht. </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum
                                        waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte
                                        als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De
                                        aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende
                                        gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het
                                        college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 19. Tijdstip beslissing</al><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is
                                        ontvangen of, binnen 4 weken nadat de aanvullende gegevens
                                        zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan
                                        worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager
                                        schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn
                                        waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
                                        gezien.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum
                                        van de beslissing schriftelijk van de beslissing in
                                        kennis.</al></li></lijst><al>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</al><lijst><li nr="1."><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel
                                        19, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt
                                        het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager
                                        over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het
                                        bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met
                                        vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met
                                        dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in
                                        artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3
                                        weken geldt.</al></li><li nr="2."><al> Binnen 3 maanden na bekendmaking van een beslissing als
                                        bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een
                                        bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen 2 weken
                                        een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging
                                        vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</al><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een
                                voor een school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III,
                                        deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het
                                        bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de
                                        artikelen 6 of 17 heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al> sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                        andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="d."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        van een school, of</al></li><li nr="e."><al>een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet
                                        volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de
                                        school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs
                                        gebruiken.</al></li></lijst><al>Artikel 22. Omschrijving leegstand</al><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als
                                        overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de
                                        vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de
                                        vastgestelde ruimtebehoefte. </al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        als: </al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs[, speciaal basisonderwijs,
                                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                                onderwijs,] en de som van het aantal klokuren
                                                gebruik dat door het college is vastgesteld minder
                                                is dan 40 klokuren; </al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig
                                                bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte
                                                blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt
                                                gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het
                                                lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                                eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het
                                                geval is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs,
                                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                                                of voortgezet onderwijs, en de som van de
                                                berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is
                                                dan 40 klokuren. </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 23. Nalaten vorderen </al><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de
                                leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet
                                plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of
                                scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat
                                gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare
                                huisvestingscapaciteit.</al><al>Artikel 24. Overleg en mededeling</al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van
                                        een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover
                                        met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg
                                        als bedoeld in artikel 10.</al></li><li nr="2."><al> Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van
                                        een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het
                                        daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li><li nr="3."><al> Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen
                                        1 week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het
                                        college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt
                                        schriftelijk mede dat gevorderd wordt.</al></li><li nr="4."><al> De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                        geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor
                                                wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al> een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor
                                                gevorderd wordt of, als het betreft het
                                                bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat
                                                gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking
                                                heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en </al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 25. Vergoeding</al><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt
                                genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen
                                overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg
                                vast welke handelswijze wordt gevolgd.</al><al>Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</al><al>Artikel 26. Overleg en mededeling</al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het
                                        college met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c."><al> of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen
                                                dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school hinder van het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd
                                                gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                                is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs
                                                aanvang kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd
                                        gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede
                                        dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot
                                        afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke
                                        mededeling. Als het overleg niet tot volledige
                                        overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de
                                        beslissing van het college over de punten waarover geen
                                        overeenstemming was bereikt. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 27. Verzoek toestemming college</al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om
                                        toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de
                                        Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van
                                        de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van
                                        de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een
                                        huurovereenkomst wordt gesloten.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden
                                        dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 28. Staat van onderhoud</al><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                    gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                    school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                    achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></li><li nr="2."><al> Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                    onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een
                                    staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                    opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al> Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. </al></li><li nr="5."><al> Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                    achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk
                                    deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het
                                    bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de
                                    werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te
                                    stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming
                                    wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder
                                    gevolgd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en
                            (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit,
                            inroosteren en gebruik</al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 15 december voorlopig vast het
                                    aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor
                                    basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een
                                    school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en
                                    voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet
                                    speciaal onderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak
                                    maakt.</al></li><li nr="2."><al> Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het
                                    aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op
                                    de school staat ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 31
                                    december een rooster op voor het gebruik van de lokalen
                                    bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de
                                    volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs,
                                            bedoeld in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al> een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van
                                            het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als
                                            eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs,
                                            en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één lokaal
                                            bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig
                                    is vastgesteld, voor 15 januari in kennis van het rooster.
                                    Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al> het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het
                                            bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart reageren op het
                                    voorstel.</al></li><li nr="6."><al> Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een
                                    overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor
                                    15 februari. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de
                                    bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></li><li nr="7."><al> Het college stelt het rooster voor 15 maart definitief vast en
                                    houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te
                                    roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                    vastgesteld.</al></li><li nr="9."><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                    uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit
                                    beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra
                                    wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van
                                    de school.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 30. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                            voorziet</al><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet beslist het college.</al><al>Artikel 31. Indexering</al><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van
                            prijsbijstelling.</al><al>Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel</al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                    huisvesting onderwijs gemeente Urk 2015</al><al/></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Urk, 17 december 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad van de gemeente Urk,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                        voorzieningen</titel></kop><al>Deel A - Lesgebouwen</al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met
                    één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter
                    beoordeling van het college plaatsvinden.</al><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al><lijst><li nr="1."><al> als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden
                                    verwacht, of</al></li><li nr="2."><al> als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen wor¬den
                                    verwacht, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis¬vesting voor de
                            school te realiseren. </al></li><li nr="A."><al>2 Vervangende bouw</al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van de bouwkundige rapportage overeenkomstig NEN 2767 wordt
                            vastgesteld dat het schoolgebouw volgens de conditiemeting voldoet aan
                            conditie 6;</al></li><li nr="b."><al> dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:</al><lijst><li nr="1."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn
                                    of kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="2."><al> als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn
                                    of kunnen worden verwacht, en</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="e."><al> het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis¬vesting voor de
                            school te realiseren.</al></li><li nr="A."><al>3 Uitbreiding</al></li></lijst><al>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al> de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een
                            schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school
                            voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal
                            onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig
                            bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen
                            de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs
                            een speciale school voor basisonderwijs, of een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een voortgezet
                            onderwijs,gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage
                            III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>daarnaast:</al><lijst><li nr="1."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    dit aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen
                                    worden verwacht, </al></li><li nr="2."><al> als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn
                                    of kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="3."><al> de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen
                                    van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig
                                    is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de
                                    gebouwen kunnen worden gehuisvest, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis¬vesting voor de
                            school te realiseren.</al></li></lijst><al>A.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal
                    onderwijs met een speellokaal</al><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen
                            jonger dan zes jaar of tot een school of afdeling van een school voor
                            speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                            aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal blijven bestaan;</al></li><li nr="c."><al>in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al></li><li nr="d."><al> medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300
                            meter hemelsbreed onmogelijk is, en</al></li><li nr="e."><al>het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten
                            inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een
                            bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A,
                            vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B,
                            vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li><li nr="A."><al>4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al></li></lijst><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of
                            uitgebreid;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al><lijst><li nr="1."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    deze leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden
                                    verwacht, of</al></li><li nr="2."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen wor¬den
                                    verwacht, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis¬vesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                            college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervan¬gende
                            bouw of uitbreiding.</al></li><li nr="A."><al>5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al></li></lijst><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin
                            een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;</al></li><li nr="b."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school; </al></li><li nr="c."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis¬vesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke
                            verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voor¬ziening
                            voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.</al></li><li nr="A."><al>6 Terrein</al></li></lijst><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in
                    artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het
                    bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De
                    oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                    bijlage III, deel D.</al><lijst><li nr="A."><al>7 Eerste inrichting</al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en
                                    meubilair of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een
                                    voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale
                                    huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze
                                    niet voor 1 januari 2016 is bekostigd.</al></li><li nr="2."><al> De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                                    meubilair van een speellokaal is aanwezig als een speciale
                                    school voor basisonderwijs of een speciale school wordt
                                    uitgebreid met een speellokaal.</al></li><li nr="3."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste
                                    aanschaf van onderwijsleerpakket, meubilair leer en hulpmiddelen
                                    toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan
                                    het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie
                                    deelnemende scholen.</al></li></lijst></li><li nr="A."><al>8 Medegebruik</al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs,
                                    een speciale school voor basisonderwijs of een school voor
                                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een
                                    school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen
                                    de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit
                                    en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                    ruimtebehoefte:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel
                            C, en</al></li><li nr="b."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de
                            overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                            ruimtebehoefte voor minimaal vier jaar noodzakelijk is.</al><lijst><li nr="3."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een
                                    gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste
                                    2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                                    begaanbare en veilige weg.</al></li><li nr="4."><al>Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste twee gebouwen.</al></li></lijst></li><li nr="A."><al>9 Herstel van constructiefouten</al></li></lijst><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden. </al><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als
                    door de opgetreden bijzondere omstan¬digheid het onderwijs in het desbetreffende
                    gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al>Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs</al><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming.</al><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het
                            eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN
                            2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud
                            of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van 20
                            jaar of dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al> uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de
                            oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het
                            effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of</al></li><li nr="d."><al>het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig
                            als:</al><lijst><li nr="1."><al>de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                                    aanmerking brengt;</al></li><li nr="2."><al>het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in
                                    aanmerking komt; of</al></li><li nr="3."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van
                                    het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van
                                    vervan¬gende bouw, en </al></li></lijst></li><li nr="e."><al>. het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen
                            bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al><lijst><li nr="1."><al>een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij
                                    noodzakelijk gebruik van:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>ten minste 20 klokuren binnen 1 km, gemeten langs de kortste voor de
                            leerling voldoende begaanbare en veilige weg ;</al></li><li nr="b."><al>ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km, gemeten langs de kortste voor de
                            leerling voldoende begaanbare en veilige weg , of</al></li><li nr="c."><al>ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km, gemeten langs de kortste voor de
                            leerling voldoende begaanbare en veilige weg of</al><lijst><li nr="2."><al>een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, bij
                                    noodzakelijk gebruik van:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>. ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1 km gemeten langs de
                            kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg ;</al></li><li nr="b."><al> ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen 2 km gemeten
                            langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg
                            ;</al></li><li nr="c."><al>ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3,5 km gemeten langs de
                            kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg , of</al></li><li nr="d."><al> ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7,5 km gemeten langs de
                            kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg , of</al><lijst><li nr="3."><al>een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km gemeten langs
                                    de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg,
                                    en </al></li></lijst></li></lijst><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten
                    minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen
                    worden.</al><al>B.2 Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of
                    onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>B.3 Eerste inrichting</al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal
                            bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en </al></li><li nr="b."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs,
                            speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                            onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                            bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de </al></li></lijst><al> desbetreffende leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet eerder </al><al> bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs</al><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster</al><al>buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen
                    sportveld</al><al>en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is.</al><al>B.5 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde
                    aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat
                    moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><al>B.6 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden. </al><al>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden
                    bijzondere omstan¬digheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al><vet>Bijlage II – Prognosecriteria</vet></al><lijst><li nr="A."><al>Algemeen</al><lijst><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een
                                    school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                                    basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                    speciaal onderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt
                                    voor een periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar
                                    het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de
                                    prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al> De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes
                                    jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat
                                    voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is niet
                                    meer dan twee jaar oud. Als basis voor de prognose mag gebruik
                                    gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie voor het
                                    basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal
                                    Bureau voor de Statistiek of het ministerie van Onderwijs,
                                    Cultuur en Wetenschap.</al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder
                                    geval de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en
                                    prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte programmatuur
                                    en een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is
                                    gebaseerd.</al></li></lijst></li><li nr="B."><al>Voedingsgebied</al><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het
                                    overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn.</al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een
                                    beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een
                                    speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal
                                    onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet
                                    onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens
                                    uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten
                                    die tot het voedingsgebied worden gerekend.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente
                                    wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de
                                    basisgeneratie zijn toegepast.</al></li></lijst></li><li nr="C."><al>Prognose school voor basisonderwijs</al></li></lijst><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te
                    verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening
                    wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                            leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele
                            wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al> veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de
                            leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al></li><li nr="e."><al> veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool, en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li><li nr="D."><al>Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</al></li></lijst><al>De prognose van een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs moet inzicht geven in:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven;</al></li><li nr="c."><al>de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de
                            handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is.</al></li><li nr="E."><al>Prognose school voor voortgezet onderwijs</al></li></lijst><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen</al></li><li nr="b."><al> het voedingsgebied;</al></li><li nr="c."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool;</al></li><li nr="d."><al> de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen,
                            en</al></li><li nr="e."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven.</al><al/></li></lijst><al><vet>Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en
                        aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><divisie><kop><titel>Deel A – Vaststellen capaciteit </titel></kop><al>A.1 Uitgangspunten</al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                        vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van
                        een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek
                        vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                        ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve
                        doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel
                        niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                        geregistreerd.</al><al>A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs,
                        school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of
                        voortgezet onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs,
                                een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                                onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of voortgezet onderwijs
                                wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en
                                bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder
                                gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een
                                eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt
                                meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het
                                uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2,
                                aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter
                                in mindering gebracht.</al></li><li nr="3."><al>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante
                                meter als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het
                                huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of
                                kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming
                                heeft verleend.</al></li><li nr="4."><al> De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet
                                onderwijs wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de
                                lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="5."><al>Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in
                                de oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997
                                gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek
                                indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte
                                als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al></li></lijst><al>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E,
                        vastgesteld.</al><al>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of
                        dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk
                        gebouw wordt afgestoten.</al><al>A.1.4 Terrein</al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop
                        het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is
                        gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de
                        kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                        terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>A.1.5 Inventaris</al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1januari 2016 alle scholen
                        voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of
                        voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn
                        voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en
                        hulpmiddelen De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het
                        vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al>A.1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs
                        gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al><al>A.1.6.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2016 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</titel></kop><al>B.1 Lesgebouwen</al><al>B.1.1 School voor basisonderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald
                                aan de hand van het aantal leerlingen en omvat een speellokaal. De
                                ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen
                                BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen
                                vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de
                                ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De
                                ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een
                                toeslag in verband met de gewichtensom.</al></li><li nr="2."><al> De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al></li></lijst><al> B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al>B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond
                        op hele vierkante meter.</al><al> L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                        prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven</al><al>3.De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al> T = 1,40 * G, waarbij:</al><al> T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele
                        vierkante meter.</al><al> G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><lijst><li nr="1."><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle
                                gewichten van alle ingeschreven leerlingen);\</al></li><li nr="2."><al> verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte
                                van 6 procent van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de
                                gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt
                                afgerond op een geheel getal;</al></li><li nr="3."><al> als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent van
                                het aantal ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom vastgesteld
                                op 80 procent van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><al>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs</al><al>1.De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                        bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt
                        berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                        nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor
                        het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school.
                        De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>R = 250 + 7,35 * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op
                        hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                        prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2.Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                        vierkante meter.</al><al>B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>1.De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        onderwijs wordt bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de categorie
                        (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het aantal
                        leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>R = V + f * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op
                        hele vierkante meter.</al><al>V = Vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte welke is voor:</al><al>de hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten, uitgezonderd VSO-ZMLK, 370
                        vierkante meter, en</al><al>de hoofdvestiging VSO-ZMLK, 250 vierkante meter.</al><al> Voor nevenvestigingen geldt geen vaste voet.</al><al> f = Factor (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling)
                        overeenkomstig tabel 1, waarin is opgenomen een overzicht van f (vierkante
                        meter bruto vloeroppervlakte per leerling), per onderwijssoort.</al><al> L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                        prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2.Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                        vierkante meter.</al><al>Tabel 1 – Ruimtebehoefte (v)so</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort </vet></al><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>SO</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>VSO</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Slechthorende kinderen (SH)</al><al>Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet
                                            tevens behoren tot dove of slechthorende kinderen
                                            (ES)</al><al>Visueel gehandicapten (VISG)</al><al>Langdurig zieke kinderen (LZ)</al><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische
                                            instituten (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al>8.8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dove kinderen (DO)</al><al>Lichamelijk gehandicapte kinderen LG)</al><al>Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</al><lijst><li nr=""><al>1.De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                                bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale
                                ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het
                                totaal van twee componenten, te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>een leerlinggebonden component, en</al></li><li nr="b."><al> een vaste voet.</al><lijst><li nr="2."><al>De leerlinggebonden component wordt berekend door de
                                                in tabel 2.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per
                                                leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                                                leerlingen dat op de school voor voortgezet
                                                onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden
                                                component is afhankelijk van de soort onderwijs, de
                                                leerweg of de sector die de leerling volgt.</al></li><li nr="3."><al>De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste
                                                voet voor de hoofdvestiging van de instelling is 980
                                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een
                                                nevenvestiging die op grond van een ministeriële
                                                beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                                                bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt
                                                een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter
                                                bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke
                                                nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een
                                                vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt
                                                per instelling een vaste voet toegekend op de
                                                vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte
                                                leerweg(en) wordt aangeboden. </al></li><li nr="4."><al>De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet
                                                onderwijs is de som van:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                        leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende
                                        normoppervlakten;</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet per instelling;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet per sector,
                                        uitgedrukt in bruto vierkante meter, en</al></li><li nr="d."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling
                                        praktijkonderwijs.</al><al>5.De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is
                                        de som van:</al></li><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                        leerlingen met de bijbehorende normoppervlakten, en</al></li><li nr="b."><al> de vaste voet voor praktijkonderwijs.</al><al>6.Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van
                                        de toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand
                                        in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet
                                        onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen
                                        afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch
                                        centrum. </al></li></lijst></li></lijst><al>Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                        onderwijs</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de
                        ruimtebehoefte</al><al>voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="61*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke nevenvestiging </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="B."><al>2 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>1.De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                vastgesteld:</al></li><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week per
                                groep leerlingen 6 jaar en ouder;</al></li><li nr="b."><al>voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, op 2,25 klokuur
                                per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en</al></li><li nr="c."><al>als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75
                                klokuur per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al><al>2.Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte
                                bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs.
                                Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig
                                tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is
                                als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460. Voor het
                                leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een
                                aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante
                                meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷
                                322.</al></li></lijst><al>Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal
                        bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO per leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte </titel></kop><al>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig
                        deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft
                        bestaan.</al><al>C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B
                        vastgesteld.</al><al>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><lijst><li nr=""><al>1.Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                                ingebruikneming of medegebruik wordt voor een:</al></li><li nr="a."><al>school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal
                                onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het
                                verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en
                                de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of
                                groter is dan de drempelwaarde van:</al><lijst><li nr="1."><al>55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een
                                        voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="2."><al>50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een
                                        voorziening speciaal basisonderwijs;</al></li><li nr="3."><al>50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een
                                        voorziening voor een school voor speciaal onderwijs of
                                        voortgezet speciaal onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als het verschil
                                tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de
                                overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter
                                is dan tien procent van de bestaande capaciteit met een minimum van
                                100 vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil
                                tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de
                                overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%.</al><al>2.Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de
                                bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het
                                aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoelt in het eerste lid, 90
                                vierkante meter.</al></li><li nr="C."><al>2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al></li></lijst><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt
                        op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend
                        gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar
                        noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorziening moet het verschil:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs,
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ten minste 40
                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en</al></li><li nr="b."><al> bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde
                                onder C.1.2, eerste lid, onder b</al></li><li nr="C."><al>3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen</al></li></lijst><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan
                                wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                                noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren
                                met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten
                                aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in
                                deel D.</al></li><li nr="b."><al> eerste aanschaf van: </al></li><li nr="1."><al>onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste
                                aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school
                                basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een
                                school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs,
                                en</al></li><li nr="2."><al>leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste
                                aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor
                                voortgezet onderwijs,</al></li></lijst><al>is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.</al><lijst><li nr="c."><al>tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                                meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van
                                een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt
                                omgezet in specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil
                                tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                                en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren
                                ruimte.</al></li><li nr="d."><al>Herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                                onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                                bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                                minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al></li><li nr="C."><al>4 Lokalen bewegingsonderwijs</al></li><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende
                                nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs
                                wordt:</al></li><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                                basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de
                                overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en het
                                overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte, en
                            </al></li><li nr="b."><al> voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de
                                overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als de
                                uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de
                                overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit</al></li><li nr="2."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening uitbreiden van een lokaal
                                bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs, speciaal
                                basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                                wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende
                                vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld
                                in deel D, onder D.3. </al></li><li nr="3."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding
                                van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het
                                lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren. </al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste
                                aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald
                                als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door
                                andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld
                                of wordt uitgebreid.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van
                                constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de
                                activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                                het onderwijs.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                        </titel></kop><al>D.1 Terreinoppervlakte</al><al>Voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs geldt voor het
                        verharde gedeelte (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3
                        vierkante meter per leerling, met een minimum van 300 vierkant meter netto.
                        Vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 vierkante meter netto.</al><al>D.2 Speellokaal</al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto.</al><al>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is
                                minstens 252 vierkante meter netto en de hoogte minstens 5
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met
                                een was- of douchegelegenheid.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                            vloeroppervlakte van schoolgebouwen</titel></kop><al>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen</al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN
                        2580.</al><al>E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen</al><al>E.2.1 (Speciaal)] basisonderwijs [en speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend
                                van buitenaf bereikbaar</al><al> zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige
                                lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw.</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen
                                bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het
                                hart van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><al>E.2.2 Voortgezet onderwijs </al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte
                        van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto
                        vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                        opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto
                        oppervlakte behoren eveneens: </al><lijst><li nr="a."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op
                                elk vloerniveau, en </al></li><li nr="b."><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover
                                groter dan 0,5 vierkante meter. </al></li></lijst><al>E.2.3 Uitzonderingen</al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                                omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend,
                                ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in
                                ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen
                                staande verdiepingen, fietsenstallingen. </al></li><li nr="2."><al> Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw
                                worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet
                                meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.</al><al/></li></lijst><al><vet>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</vet></al></divisie><divisie><kop><titel>Deel A – Indexering </titel></kop><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met
                        de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:</al><al>A.1 Nieuwbouw en uitbreiding</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="3*"/><colspec colname="col3" colwidth="32*"/><colspec colname="col4" colwidth="3*"/><colspec colname="col5" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen,
                                            jaar t,</al><al>tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid,
                                            inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1, bruto investeringen door bedrijven in
                                            woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t, bruto investeringen door bedrijven in
                                            woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen,
                                            jaar t-1, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers,
                                            bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colwidth="3*"/><colspec colname="col3" colwidth="35*"/><colspec colname="col4" colwidth="3*"/><colspec colname="col5" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1
                                            juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni
                                            jaar t)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële
                                            overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                            sector)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële
                                            overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                            sector)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1
                                            juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni
                                            jaar t-1)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>Deel B – Normbedragen</titel></kop><al>De normbedragen voor 2015 zijn berekend op basis van bovenstaande
                        systematiek en onderstaand weergegeven. Alle in dit deel genoemde bedragen
                        zijn inclusief BTW.</al><lijst><li nr="A."><al>Nieuwbouw met permanente bouwaard</al></li><li nr="A."><al>1 Kostencomponenten nieuwbouw</al><al>1.De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende
                                kostencomponenten:</al></li><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw;</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag
                                paalfundering;</al></li><li nr="e."><al>als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor
                                speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een
                                afzonderlijk speellokaal, en</al></li><li nr="f."><al>als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een
                                liftinstallatie.</al><al>2.Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden
                                van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de
                                bedragen bedoeld in paragraaf B.</al></li><li nr="A."><al>2 Kosten voor terreinen</al></li></lijst><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na
                        aankoop, om niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch
                        eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden
                        opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de
                        situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het
                        terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van
                        waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw op dezelfde
                        plaats als het oude gebouw behoren de kosten voor het slopen van het oude
                        gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al>A.3.1 Bouwkosten</al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                                vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in
                                overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                                ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al>A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                        volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350
                                            m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 645.888,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.105,30</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>A.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld
                        op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670
                                            m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.046.534,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.157,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 99.297,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>A.3.4 Bouwkosten school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677
                                            m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                            speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.007.120,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.150,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 99.297,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een
                                            liftinstallatie inclusief een schacht wordt
                                            aangebracht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.598,87</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>A.3.5 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                                uitbreiding. </al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460
                                vierkante meter bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag per
                                voorziening en een vast bedrag per sectie.</al></li><li nr="3."><al>Voor projecten kleiner dan 460 vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte worden geen sectieafhankelijke kosten per project
                                toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor
                                de ruimteafhankelijke kosten per vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte.</al></li><li nr="4."><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per
                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen per
                                voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al></li><li nr="a."><al>ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage III, deel
                                C, vastgestelde aantal vierkante meter per type ruimte van de
                                voorziening, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per
                                ruimtesoort:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt; 460 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col3"><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col4"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500
                                            m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.729,25</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.026,25</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.001,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.688,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.366,24</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.366,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.050,93</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.728,20</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.728,20</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b.sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de algemene vaste voet
                        of de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, afhankelijk
                        van de secties waaruit de overeenkomstig bijlage III, deel C, toegekende
                        voorziening bestaat, verhoogd met de onderstaande bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col4"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500
                                            m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> € 109.111,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 214.177,61</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 299.040,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaats sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> € 39.602,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="6."><al>Tot de algemene en specifieke ruimte behoren:</al></li><li nr="a."><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie, en</al></li><li nr="b."><al>. handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                                etaleren.</al></li><li nr="7."><al>Tot de werkplaatsen behoren:</al></li><li nr="a."><al>techniek algemeen:</al><lijst><li nr="1."><al>Bouwtechniek;</al></li><li nr="2."><al> Machinale houtbewerking;</al></li><li nr="3."><al>Meten;</al></li><li nr="4."><al> Elektrotechniek;</al></li><li nr="5."><al> installatietechniek;</al></li><li nr="6."><al> lasserij;</al></li><li nr="7."><al> Metaal;</al></li><li nr="8."><al> Motorvoertuigentechniek, en</al></li><li nr="9."><al>Mechanische techniek;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="c."><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek, en</al></li><li nr="d."><al> landbouw: groen-praktijk.</al></li><li nr="8."><al>De overige ruimten behoren tot de categorie algemene ruimte.</al></li></lijst><al>A.3.6 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de
                                normkosten gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende
                                aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een
                                aanvullend bedrag beschikbaar gesteld:</al></li><li nr="a."><al>paalfundering, en</al></li><li nr="b."><al>bemaling.</al></li><li nr="2."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte
                                in relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en
                                wordt bepaald op basis van de volgende formules:</al></li><li nr="3."><al> Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt,
                                is bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per
                                vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De
                                vergoeding bedraagt € 10,84 per vierkante meter terrein.</al></li></lijst><al>A.3.7 Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw
                        school voor primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs.</al><lijst><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs,
                                een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                                onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs plaatsvindt op dezelfde
                                plaats, moet het desbetreffende terrein, nadat de bouw is afgerond,
                                worden hersteld en moeten de leerlingen verhuizen naar een
                                tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding voor deze
                                kosten is gebaseerd op een vast bedrag per vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte.\</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor
                                basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
                            </al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25,71</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="B."><al>Uitbreiding met permanente bouwaard</al></li><li nr="B."><al>1 Reikwijdte</al></li></lijst><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in
                        permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs of een speciale
                        school voor basisonderwijs tot 1035 vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                        en van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                        tot 1000 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is
                        paragraaf A overeenkomstig van toepassing.</al><al>B.2 Kosten terrein</al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2
                        overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor
                        uitbreiding benodigde terrein.</al><al>B.3.1 Bouwkosten</al><lijst><li nr=""><al>1.Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="b."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het
                                schoolterrein.</al></li><li nr="2."><al> De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                                vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter. Met deze
                                vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C,
                                vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al>B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup> bvo
                                            of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 94.583,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115
                                            m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 63.055,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.259,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m<sup>2</sup> bvo
                                            of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.266,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105
                                            m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 64.844,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.285,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90
                                            m<sup>2</sup> bvo) in combinatie met uitbreiding van de
                                            school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.396,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal, zonder
                                            gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 208.486,16</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.3.4 Bouwkosten school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of speciaal of
                        voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m<sup>2</sup> bvo
                                            of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 88.094,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96
                                            m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 58.729,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.287,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90
                                            m<sup>2</sup> bvo) in combinatie met uitbreiding van de
                                            school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 99.297,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal (90
                                            m<sup>2</sup> bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van
                                            de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 208.486,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag liftinstallatie als bij uitbreiding een
                                            liftinstallatie inclusief een schacht wordt
                                            aangebracht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.312,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.3.5 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</al><al>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                        omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij
                        uitbreiding.</al><al>B.3.6 Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw op dezelfde plaats</al><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                        omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein en verhuizing bij
                        uitbreiding.</al><lijst><li nr="C."><al>Tijdelijke voorziening</al></li><li nr="C."><al>1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen</al><al>1.De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn
                                afgestemd op de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik
                                bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:</al></li><li nr="a."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                                hoofdlocatie;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor tijdelijk
                                gebruik bestemd gebouw, en</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde
                                gebouwen.</al></li><li nr="2."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het
                                bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur van
                                een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. </al></li><li nr="C."><al>2 Kosten voor terreinen</al></li></lijst><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige
                        terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig
                        A.2.</al><al>C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                        hoofdlocatie</al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en
                        een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de
                        bouwkosten, de kosten van herstel en inrichting van terreinen, de kosten van
                        paalfundering en de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al>C.3.2 Vergoeding basisschool en speciale school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.782,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                            bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 24.521,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 903,92</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>C.3.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs </al><al>1.De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.551,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                            bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 26.051,75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 885,63</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte
                        van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en
                        inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de
                        leerlingen.</al><al>C.3.4 Vergoeding school voor voortgezet onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op
                        basis van de vergoedingsformule € 550,26 * A + € 37.831,59, waarbij A het
                        overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal vierkante meter bruto
                        vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.</al><al>C.4.1 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair en speciaal
                        of voortgezet speciaal onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening
                                bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In
                                deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                                paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van
                                terreinen. </al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                                hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw,
                                herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing
                                van de leerlingen.</al></li></lijst><al>C.4.2 Vergoeding basisschool en speciale school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 20.675,64</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                            m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 13.783,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 947,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>C.4.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs </al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 20.964,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                            bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 13.976,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 936,36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een
                        bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al><al>D.Eerste inrichting</al><al>D.1.1 Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren
                        bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil tussen de al
                        toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.</al><al>D.1.2 Vergoeding basisschool </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.361,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 134,19</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>D.1.3 Vergoeding speciale school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld
                        op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 81.389,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke volgende m<sup>2</sup>
                                            bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 138,83</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>D.1.4 Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="36*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="38*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 137.133,62</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 239,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 124.574,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 310,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.082,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 154,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 164.744,24</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 294,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 105.055,47</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 145,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 123.679,86</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 282,82</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 103.423,81</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 123,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.951,57</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 141,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 101.843,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 153,64</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125.225,91</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 125,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>D.1.5 Vergoeding speellokaal speciale school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van
                        een speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs en een school
                        voor speciaal onderwijs bedraagt € 7.427,16.</al><al>D.2 School voor voortgezet onderwijs</al><al>1.De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair is
                        gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, niet zijnde
                        vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde
                        ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op deze
                        vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door het rijk of
                        de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt berekend door
                        vast te stellen het verschil tussen de al toegekende vergoeding en de
                        vergoeding die is vastgesteld op basis van de te realiseren bruto
                        vloeroppervlakte per ruimtetype. De hoogte van de vergoeding per ruimtetype
                        wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="55*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col2"><al> Functie</al></entry><entry colname="col3"><al>m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al> € 158,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al><al>Handel/verkoop/administratie</al><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al> € 370,01</al><al> € 226,35</al><al> € 303,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al><al>Consumptief</al><al>Grafische techniek</al><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al> € 388,19</al><al> € 751,75</al><al> € 1.437,23</al><al> € 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een voor
                        een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris slechts
                        toegekend als de inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                        ontbreekt of niet geschikt is.</al><lijst><li nr="E."><al>Lokalen bewegingsonderwijs</al></li><li nr="E."><al>1 Bouwkosten nieuwbouw</al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een
                                        lokaal bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van
                                        252 vierkante meters bedraagt € 678.992,42 als deze op het
                                        schoolterrein gerealiseerd kan worden, of € 692.725,44 als
                                        deze op een afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In deze
                                        vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal
                                        en inrichting van het terrein.</al></li><li nr="2."><al>Scholen met lichamelijk gehandicapte leerlingen, meervoudig
                                        gehandicapte leerlingen of zeer moeilijk lerende leerlingen
                                        wordt een toeslag toegekend van 50 vierkante meter. Het
                                        normbedrag van deze toeslag is € 68.112,76.</al></li><li nr="3."><al>Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven
                                        op basis van de volgende bedragen:</al></li></lijst></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte</al></entry><entry colname="col2"><al>Vergoeding</al></entry><entry colname="col3"><al>Vergoeding bij ruimten LG en MG</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 13.657,18</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17.219,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 18.827,13</al></entry><entry colname="col3"><al> € 23.848,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept>20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 26.441,89</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 34.321,31</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>E.2 Uitbreiding</al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het
                        bepalen van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal
                        bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van
                        140 vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer
                        worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van
                        de vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="17*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="19*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Uitbreiding</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Normbedrag</al></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>1 &lt; 15 meter</al></entry><entry colname="col4"><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry colname="col5"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 20 meter</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112 t/m 120 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 157.755,32</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6.114,09</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 10.589,94</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 17.313,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>121 t/m 150 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 191.773,25</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.645,09</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 13.234,02</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 21.641,73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>E.3.2 OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal
                        basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                        voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool [of een speciale
                        school voor basisonderwijs] bedraagt € 51.392,63.</al><al>E.3.3 OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal
                        onderwijs</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                        voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal onderwijs
                        of voor voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="48*"/><colspec colname="col2" colwidth="52*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al> € 40.982,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al> € 40.742,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al> € 49.324,45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al> € 54.030,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al> € 38.753,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al> € 38.753,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al> € 38.673,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al> € 48.047,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al> € 49.300,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al> € 58.652,09</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al> € 60.171,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al> € 47.353,01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al> € 47.353,01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.271,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.756,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 53.338,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 60.865,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 61.809,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51.389,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51.389,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.751,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>E.3.4 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet onderwijs</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen
                        voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs
                        wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="35*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col3"><al>Leer- en hulpmiddelen</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Eerste lokaal</al><al> Tweede lokaal</al><al> Derde lokaal</al><al> Oefenplaats 1</al><al> Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.085,40</al><al>€ 1.085,40</al><al>€ 1.085,40</al><al>€ 0,00</al><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 64.724,70</al><al>€ 50.490,18</al><al>€ 21.950,77</al><al>€ 14.294,33</al><al>€ 1.650,09</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 65.810,10</al><al>€ 51.575,58</al><al>€ 23.036,17</al><al>€ 14.294,33</al><al>€ 1.650,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook
                        bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door
                        middel van:</al><lijst><li nr="a."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente,
                                of</al></li><li nr="b."><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li><li nr="F."><al>Vergoeding feitelijke kosten</al></li></lijst><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
                        wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte en verhoogd met
                        8 procent voor de kosten van technische advisering, voor zover het een
                        voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder b en c.</al><lijst><li nr="G."><al>Huur sportvelden</al></li><li nr="1."><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een
                                vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per
                                jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8
                                weken € 20,97 per klokuur.</al></li><li nr="2."><al>Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat
                                uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt
                                over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat
                                door de gemeente is gefinancierd. </al><al/></li></lijst><al><vet>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de
                            aangevraagde voorziening</vet></al><al>1.Algemeen</al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11
                        vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde
                        voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het
                        programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een
                        rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die
                        voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor welke
                        voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze voorzieningen
                        worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die niet worden
                        opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><lijst><li nr="2."><al>Onderscheid voorzieningen</al><al>1.Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                                voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder
                                hoofdprioriteit Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing,
                                        inclusief terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of
                                        leer- en hulpmiddelen;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                                        meubilair of leer- en hulpmiddelen, en</al></li><li nr="g."><al>medegebruik.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                                hoofdprioriteit. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al> vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief
                                        terrein;\</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al> herstel en vervanging in verband met schade.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende
                                nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze
                                voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit
                                en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan
                                het criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.</al></li><li nr="3."><al>Hoofd- en subprioriteit</al><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                                        onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en
                                        sub-prioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder
                                        2, eerste lid, onder a, genoemde voorzieningen de
                                        ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel
                                        C. Deze voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als
                                        de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft
                                        plaatsgevonden moet worden vastgesteld welke voorzieningen
                                        in aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst.
                                        Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de
                                        sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende
                                        uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke
                                        voorzieningen voor het plaatsen op het programma in
                                        aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een
                                                zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een
                                                situatie met herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een
                                                zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een
                                                situatie zonder herschikking van schoolgebouwen,
                                                en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een
                                                zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen
                                                bewegingsonderwijs en sportterreinen opheft.</al><al/></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al><vet>Toelichting </vet></al><al>NB Deze toelichting is geschreven met de (mogelijke) keuzes die in de
                        Modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemaakt zijn in
                        gedachte. Als een individuele gemeente op punten andere keuzes maakt, dan
                        sluit deze toelichting mogelijk niet aan. Wel kan ze uiteraard als basis
                        dienen voor een door de gemeente zelf op te stellen toelichting. Voor een
                        goed beeld dient deze modelverordening in samenhang met de hierbij behorende
                        ledenbrief gelezen te worden.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde
                        gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening
                        onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het
                        grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke
                        nevenvestiging, dislocatie). </al><al>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de
                        Wet op het primair onderwijs (WPO), Wet op de expertisecentra (WEC) en Wet
                        op het voortgezet onderwijs (WVO)door het bevoegd gezag bij het college
                        kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Dit betekent
                        dat het college deze niet kan inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen,
                        maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting
                        onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst,
                        maar die niet in de onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in
                        de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening.
                        Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de
                        minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële instandhouding
                        (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair). Het college
                        wijst een dergelijk aangevraagde voorziening af op grond van artikel 100,
                        eerste lid, onder a, van de WPO, artikel 98, onder a, van de WEC, artikel
                        76k, onder a, van de WVO.</al><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om
                        aanvullende voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen
                        uitgaven mogen doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school
                        dan op grond van de wet (artikel 6 van de WPO en WEC en artikel 77 van de
                        WVO). Voor het bekostigen van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken
                        van de voorzieningen onderwijshuisvesting moet zodoende een andere
                        juridische basis worden vastgesteld. Voor het bekostigen van deze
                        voorzieningen kan een verordening materiële financiële gelijkstelling worden
                        vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende
                                        nieuwbouw.</al></li><li nr="2."><al>Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal
                                        leerlingen op de school. Het bevoegd gezag komt voor het
                                        bekostigen van uitbreiding in aanmerking als wordt voldaan
                                        aan de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de
                                        voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is
                                        dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al></li><li nr="3."><al>Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het
                                        bekostigen van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of
                                        uitbreiding is ontvangen en het college een bestaand gebouw
                                        of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om
                                        een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een
                                        onderwijsbestemming heeft, maar ook om een
                                        niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een
                                        onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw
                                        geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs
                                        van de betreffende school. Een schoolgebouw van een school
                                        voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor
                                        het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs.
                                        Het in gebruik geven van een gebouw moet worden
                                        onderscheiden van medegebruik, zie 8°.</al></li><li nr="4."><al>Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op
                                        de bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit
                                        betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in
                                        semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</al></li><li nr="5."><al>Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en
                                        kan noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en
                                        uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding
                                        terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van
                                        de voorgenomen investering en de oppervlakte van het
                                        terrein.</al></li><li nr="6."><al>6/7. Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en
                                        hulpmiddelen wordt in principe alleen toegekend op het
                                        moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding
                                        van een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                        toegekend. Een uitzondering is de situatie dat het college
                                        een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een
                                        grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de
                                        toekenning van de eerste inrichting is gebaseerd op het
                                        werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school. In
                                        die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op
                                        bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal
                                        leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in
                                        bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen
                                        eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het
                                        verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft
                                        ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel
                                        C.</al></li></lijst></li><li nr="8."><al> Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal
                                bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is,
                                niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat
                                op de school staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’.
                                Medegebruik is uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de
                                in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde resp. het lokaal
                                bewegingsonderwijs niet volledig is ingeroosterd.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</titel></kop><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij
                        een ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand
                        is gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert
                        kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19
                        e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang
                        van het onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de
                        reguliere procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt
                        opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze
                        voorziening past binnen het door het college vastgestelde
                        bekostigingsplafond.</al></divisie><divisie><kop><titel>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</titel></kop><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip
                        ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet
                        verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend
                        laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband
                        met schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of
                        de aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het
                        onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het
                        college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen
                        verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. </al><al>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor
                        voortgezet onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage
                        I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het
                        voortgezet onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van
                        een sportterrein voor buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het
                        schoolbestuur niet beschikt over een eigen sportterrein en geen gebruik kan
                        maken van een met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein.</al><al>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat
                        de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van
                        de feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het
                        bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan.
                        Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit
                        ligt dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt
                        aangevraagd, na het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de
                        voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het
                        voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor
                        aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten
                        plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de
                        feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming
                        resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft
                        voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding
                        plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes
                        plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een
                        voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd.
                        Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het
                        totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal
                        vastgestelde investeringskrediet.</al><al>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs
                        worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of
                        op basis van feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse
                        voorzieningen die op basis daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in
                        bijlage IV, deel B.</al><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag
                        aanspraak op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag,
                        onafhankelijk van de werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke
                        kosten hoger of lager zijn dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in
                        de ene situatie het schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de
                        andere situatie een financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het
                        schoolbestuur de beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor
                        het is verstrekt: investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.</al><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                        vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook
                        artikel 13, eerste lid).</al><al>Artikel 5. Informatieverstrekking</al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te
                        verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van
                        de WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de WVO). Deze informatie
                        staat los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van een
                        aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele
                        gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en
                                secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="-"><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres
                                school, telefoonnummer);</al></li><li nr="-"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen stelt het college
                        een formulier vast. Dit formulier wordt aan de bevoegde gezagsorganen
                        toegezonden. Het college kan in dit formulier opnemen de gegevens die al bij
                        het college bekend zijn. Het bevoegd gezag kan zich dan beperken tot het
                        vermelden van de wijzigingen. Beschikt het college over digitale
                        informatievoorziening, dan kan van deze digitale informatievoorziening
                        gebruik worden gemaakt.</al><al>Artikel 6. Indienen aanvraag</al><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door
                        middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Door te
                        werken met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk zijn
                        voor het beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige
                        wijze ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen.
                        Voor het overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het
                        overzicht worden opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het
                        programma, maar niet worden gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO, 94 van
                        de WEC en 76c van de WVO en toelichting bij artikel 13). </al><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde
                        gezagsorganen een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan,
                        (IHP)) heeft vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt
                        ingediend. De reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet
                        bevoegd gezag van een openbare school (= integraal bestuur) dan gelden
                        dezelfde procedures en termijnen als voor een bestuur van een bijzondere
                        school. In de bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een college
                        bij het eigen orgaan een verzoek indient (voor het realiseren van een
                        gemeentelijk project - bijv. stadhuis - moet het college bij zichzelf een
                        verzoek om een bouwvergunning indienen). Dit betekent dat het college altijd
                        moet kunnen aantonen dat men de ‘eigen’ aanvragen ook daadwerkelijk in alle
                        opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere aanvragen. </al><al>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                        behandelen onvolledige aanvraag</al><al>Lid 1</al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het
                        college de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van
                        bevoegd gezag en school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de
                        benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een
                        leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het
                        bevoegd gezag bij de aanvraag een leerlingenprognose indient. Het college en
                        het bevoegd gezag kunnen overeenkomen dat het college een leerlingenprognose
                        opstelt voor alle basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend
                        is als onderbouwing van de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor
                        basisonderwijs kan dan afzien van het laten opstellen van een
                        leerlingenprognose.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet
                        stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende
                        gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de
                        ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet volledig dan besluit het
                        college de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een voor
                        bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al>Lid 3</al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende)
                        nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat
                        ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze
                        gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de
                        ingediende aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school
                        staat ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen
                        van de aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het
                        aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig
                        beschikken over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de
                        wettelijke teldatum van 1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het
                        programma wordt vastgesteld. Met de gegevens van de laatste teldatum kan
                        worden vastgesteld of de eerder aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt
                        toegekend omdat aan de in bijlage I tot en met III gestelde criteria is
                        voldaan, op basis van de laatste gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk is.
                        De in het derde lid opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent
                        dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit
                        om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep
                        vatbare beslissing.</al><al>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</al><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een
                        overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit
                        overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan
                        aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs is
                        ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit
                        betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het beoordelen van de
                        aanvragen.</al><al>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</al><al>Lid 1</al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te
                        geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete
                        aanvragen te bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het
                        bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt
                        voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door allerlei
                        vragen over onduidelijkheden in de aanvragen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke
                        kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na
                        het beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming
                        op een of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg
                        plaats met het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt
                        bereikt over de kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde
                        kosten die in het kader van het vast te stellen programma worden toegekend.
                        Het college moet in de beschikking wel motiveren waarom op het programma is
                        afgeweken van het bedrag dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is
                        overlegd.</al><al>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</al><al>Lid 1-4</al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt
                        vastgesteld, overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen
                        besluit. In afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het
                        vaststellen of wijzigen van de verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs (artikel 102 van de WPO ,artikel 100 van de WEC en artikel 76m van
                        de WVO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht overleg’.
                        Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle bevoegde
                        gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde gezagsorganen kan
                        het college besluiten het overleg in te richten per onderwijssector
                        (primair, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs). Het overleg over
                        de voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een breder
                        gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn.
                        lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg
                        deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen
                        die wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de
                        hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in
                        het overleg eventueel op kunnen reageren.</al><al>Lid 5-8</al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO, artikel
                        100, zesde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Zowel een bevoegd
                        gezag als het college kan de Onderwijsraad advies vragen over het voornemen
                        tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs.
                        De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het
                        vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de
                        relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma
                        voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting
                        en vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht het
                        verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te
                        documenteren. Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die
                        relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb)). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt
                        dat de adviestermijn van vier weken start vanaf het moment dat de
                        Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de
                        advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van belang
                        dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen
                        ernstige vertraging oploopt.</al><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle
                        noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt
                        het advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde
                        gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw
                        bestuurlijk overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad
                        adviseert is van toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van
                        adviezen is geregeld in de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in
                        artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op
                        grond van artikel 3:6, tweede lid, het college het programma voorzieningen
                        huisvesting onderwijs vaststellen als de Onderwijsraad het advies niet
                        binnen vier weken nadat de adviesaanvraag volledig is, uitbrengt. Op grond
                        van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens
                        beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen
                        van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad
                        worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan vermeld in de
                        motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg in de
                        gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een
                        (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen
                        erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een,
                        meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat
                        uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van het
                        college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners
                        daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten
                        schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van
                        zijn oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                        betrekken.</al><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt
                        ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan
                        de stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.</al><al>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                        overzicht</al><al>Lid 1</al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het
                        honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen
                        van het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in
                        dezelfde vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van
                        het programma en overzicht. Het bekostigingsplafond staat los van het totaal
                        van het investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het
                        bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle
                        aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden
                        gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of
                        per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te
                        voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde voorziening structureel
                        voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste investeringen
                        niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare
                        investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen is een
                        instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van de
                        zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van
                        een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan. </al><al>Lid 2</al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit
                        noodzakelijk is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van het
                        lopende kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Wordt
                        het programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent
                        dit niet dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in
                        aanmerking komen. Op grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd
                        gezag, omdat het college niet tijdig een besluit heeft genomen, de
                        mogelijkheid om in deze situatie de procedure van bezwaar en beroep te
                        volgen. De overschrijding van de termijn heeft dus geen (financiële)
                        gevolgen voor het college.</al><al>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma
                        en overzicht</al><al>Artikel 95 van de WPO , 93 van de WEC en 76f van de WVO vermelden de
                        criteria die het college moet hanteren bij het vaststellen van het programma
                        voorziening huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het overzicht
                        voorziening huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96 van de WPO , 94
                        van de WEC en 76g van de WVO. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze
                        het besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht aan de
                        bevoegde gezagsorganen wordt bekendgemaakt.</al><al>Lid 1</al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers
                        ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van twee weken nadat het
                        programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat
                        de onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat
                        binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de
                        uitvoering van de voorziening moet plaatsvinden met het college. Op grond
                        van artikel 3:43 van de Awb moet het college het besluit meedelen aan
                        degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren
                        hebben gebracht. Omdat het programma en overzicht onderdeel uitmaken van het
                        bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan het vaststellen van het programma is
                        in de modelverordening opgenomen dat het besluit aan alle schoolbesturen
                        wordt verzonden. </al><al>Lid 2</al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het
                        overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en
                        overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als
                        overzicht ter inzage wordt gelegd.</al><al>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven
                        overleg over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te
                        komen tot het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de
                        voorziening die op het programma is opgenomen. Door het maken van deze
                        afspraken voorafgaande aan de start van de uitvoering van het project worden
                        onduidelijkheden en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject
                        voorkomen.</al><al>Lid 1</al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO, artikel 93, achtste lid , van de WEC
                        en artikel 76n van de WVO is opgenomen dat het college binnen vier weken met
                        het betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de uitvoering van het
                        programma. De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in een verslag worden
                        vastgelegd. De passage ‘voor zover van toepassing’ betekent dat niet alle
                        onderwerpen die in dit lid zijn opgenomen betrekking hebben op alle
                        voorzieningen die op het programma zijn opgenomen (voor bijv. de voorziening
                        eerste inrichting is geen bouwplan noodzakelijk) en het college daarnaast
                        van mening is dat het indienen van het bouwplan en de desbetreffende
                        begroting voor een op het programma opgenomen voorziening achterwege kan
                        blijven. De onderwerpen die besproken moeten worden zijn o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het
                                bevoegd gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel
                                103, eerste lid , van de WPO, artikel 101, eerste lid , van de WEC
                                en artikel 76n, eerste lid, van de WVO). Het alternatief is dat het
                                college de voorziening tot stand brengt (artikel 103, tweede lid,
                                van de WPO, artikel 101, tweede lid, van de WEC en artikel 76n,
                                tweede lid, van de WVO). In het overleg moet worden vastgesteld of
                                van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken
                                worden de mogelijkheid dat de bouw van een multifunctionele
                                accommodatie wordt gerealiseerd door een derde partij;</al></li><li nr="-"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals
                                die op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal
                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="-"><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het
                                moment van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de
                                goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich
                                nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen,
                                waardoor het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het
                                overleg wordt vastgelegd of het college gebruik maakt van deze
                                mogelijkheid, zodat het college, na ontvangst tot goedkeuring van
                                het bouwplan en de kostenbegroting kan besluiten om de toegekende
                                vergoeding te herzien; </al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over
                                de besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van
                                verantwoording is grotendeels afhankelijk van de omvang het project
                                (zie ook toelichting artikel 15);</al></li><li nr="-"><al> de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                                voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure
                                te volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de
                                genormeerde vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor
                                het college feitelijk niet relevant, omdat het bevoegd gezag
                                aanspraak maakt op het normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op
                                basis van de feitelijke kosten dan is de uitkomst van de
                                aanbesteding wel relevant voor het bepalen voor de hoogte van het
                                definitieve investeringsbedrag. Uitgangspunt is dat voldaan wordt
                                aan het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012 en in relevante
                                Europese regelgeving. Daarnaast is van toepassing wat de
                                gemeenteraad heeft vastgesteld in het gemeentelijk
                                aanbestedingsbeleid over het opvragen van offertes als er geen
                                Europese regelgeving van toepassing is.</al></li></lijst><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar datgene dat in
                        het gemeentelijke aanbestedingsbeleid is opgenomen voor het opvragen van
                        offertes en wat is opgenomen in de Europese richtlijnen. Bij aanbestedingen
                        van opdrachten onder het Europese drempelbedrag kan het college op verzoek
                        van het bevoegd gezag besluiten van het bepaalde in de tabel af te
                        wijken.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="14*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Type opdracht</al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al>Uitgangspunten aanbestedingsprocedure (genoemde bedragen
                                            zijn exclusief BTW)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Nationaal</al></entry><entry colname="col5"><al>Europees</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Onderhandse procedures</al><al>(offerte-traject)</al></entry><entry colname="col4"><al>Openbare procedure of </al><al>niet-openbare procedure met voorafgaande selectie</al></entry><entry colname="col5"><al>Europees verplichte procedures</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Enkelvoudig</al></entry><entry colname="col3"><al>Meervoudig</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werken</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € […]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € […] t/m € […]</al></entry><entry colname="col4"><al>vanaf € […] tot de Europese drempel</al></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 5.186.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leveringen</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € […]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € […] tot de Europese drempel</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A-diensten</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € […]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € […] tot de Europese drempel</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B-diensten</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € […]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € […] tot de Europese drempel</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>alléén indien de opdracht grensoverschrijdend is</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de
                        overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden
                        voorgelegd.</al><al>Lid 2</al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                        afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald
                        dat de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de
                        aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk
                        heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming
                        bestaat over de wijze van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager
                        niet in met het verslag, dan is nader overleg noodzakelijk met als doel
                        alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens
                        te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook
                        schriftelijk door beide partijen vastgelegd. </al><al>Lid 3</al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een
                        bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing
                        aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden.
                        Over het algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium
                        al een offerte is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer
                        vergt. Heeft het overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de
                        aanvrager binnen vier weken bericht over het moment waarop de bekostiging
                        een aanvang neemt.</al><al>Lid 4</al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                        wijze van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag
                        is opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit
                        neemt. Dit besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het
                        besluit zijn opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de
                        aanvrager gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling
                        is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de
                        mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</al><al>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigheden; overleggen offertes</al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat
                        het college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk
                        plan naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet
                        vereist is kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan
                        de procedure van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid). </al><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit
                        het college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de
                        bekostiging. Basis voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.</al><al>Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet ontvangen dan kan in het
                        overleg deze mogelijkheid alsnog worden besproken.</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO, artikel
                        101 van de WEC en artikel 76n van de WVO en heeft een relatie met artikel
                        13, eerste en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte afspraken wordt het
                        bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Het college toetst, voordat het
                        bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe ontwikkelingen en stelt het
                        bedrag van de bekostiging vast.</al><lijst><li nr="-"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt
                                bedoeld staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van
                                de bouwverordening, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op
                                grond van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven
                                beschikking (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en
                                toegekende bvo).</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                                afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd.
                                Maakt het bevoegd gezag aanspraak op:</al></li><li nr="-"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal getoetst,
                                omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag en het
                                college geen hoger bedrag dan het normbedrag beschikbaar stelt;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een
                                inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het definitieve
                                bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen. De kostenbegroting
                                die was ingediend bij de aanvraag voor het programma was namelijk
                                een raming van de kosten. Deze begroting had toen als functie te
                                komen tot het vaststellen van een bedrag als onderdeel voor het
                                vaststellen van het programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het
                                ontvangen van de aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het
                                programma kan het definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van
                                de begroting die is ontvangen als onderdeel van de ingediende
                                aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering van een voorziening
                                die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de
                                rol over van de begroting. </al></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk
                        moment het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee
                        de bekostiging. </al><al>Lid 2</al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college
                        niet binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde
                        goedkeuring te zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en
                        het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna
                        de procedure voor het aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De
                        fatale termijn is noodzakelijk met het oog op een goede voortgang van de
                        uitvoering van de voorziening en de duidelijkheid richting aanvrager.
                        Gelijktijdig met het goedkeuren van het bouwplan en begroting stelt het
                        college het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt, conform
                        het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO, artikel 97, eerste lid,
                        van de WEC en artikel 76j van de WVO.</al><al>Lid 3 </al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste
                        prijs maar de economisch meest voordelige inschrijving bepalend is. Dit is
                        conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet 2012. Het college kan
                        hiervan gemotiveerd afwijken.</al><al>Artikel 15. Aanvang bekostiging</al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO,
                        artikel 100, vierde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Het geeft het
                        college de vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze het
                        bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk
                        afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht,
                        hoogte van het investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig
                        aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen .Dit betekent
                        bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de:</al><lijst><li nr="-"><al>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt
                                uitbetaald;</al></li><li nr="-"><al>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden
                                uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan
                                de aannemer op basis van de door de aannemer ingediende termijnstaat
                                (automatische verwerking met valutadata in financiële
                                administratie), en</al></li><li nr="-"><al>vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de
                                nota’s van het bevoegd gezag.</al></li></lijst><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever,
                        tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de
                        vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt
                        verstrekt. Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een
                        relatie tussen college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de
                        formele lijn dat het college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het
                        bevoegd gezag het bedrag aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd
                        gezag ook verantwoording van de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan
                        worden aan een gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle
                        rekeningen die op het project betrekking hebben, of een
                        accountantsverklaring.</al><al>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</al><al>Lid 1</al><al>De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op het moment dat de
                        gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het
                        noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in
                        het jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of
                        dat de realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt
                        vastgesteld dat realisatie niet mogelijk is: </al><lijst><li nr="-"><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend
                                begrotingsjaar, dan blijft het beschikbaar gestelde krediet
                                gehandhaafd, en</al></li><li nr="-"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het
                                beschikbaar gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit
                                besluit is dat de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw
                                moet worden aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang
                        voor het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting
                        van de aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat,
                        als het college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het
                        recht op bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op
                        een voorziening.</al><al>Lid 3</al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan
                        voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse
                        omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen.
                        Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om
                        de gestelde termijnen te verlengen.</al><al>Lid 4</al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het
                        verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden
                        gekozen dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het
                        eerste lid genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als het
                        college dus niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid
                        genoemde datum niet haalbaar.</al><al>Artikelen 17-20. Aanvragen met spoedeisend karakter</al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs
                        wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                        aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs
                        indienen. Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte
                        termijn moet worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere
                        aanvraagprocedure. Het spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren
                        komen in de omschrijving van aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend
                        karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in
                                een andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen
                                asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’
                        voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6
                                van de verordening een aanvraag in te dienen voor het programma,
                                of</al></li><li nr="-"><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst
                                wegens het toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het
                                bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst><al>Artikel 17. Indienen aanvraag</al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar
                        worden ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet
                        bij voorbaat bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch)
                        worden gemeld en de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de
                        melding moet de aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen. </al><al>Artikel 18. Inhoud aanvraag</al><al>Lid 1</al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op
                        grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd
                        gezag verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de
                        aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een
                        calamiteit die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening
                        geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer
                        kan vinden.</al><al>Lid 2</al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor
                        het aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al>Artikel 19. Tijdstip beslissing</al><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                        beslistermijn een korte periode aangehouden. </al><al>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                        aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de
                        bijlagen I tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het
                        element van de spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen
                        uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. In
                        tegenstelling tot de reguliere procedure kan het college bij de
                        spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond hanteren. Dit blijkt uit de
                        relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en artikel 100, eerste
                        lid, van de WPO, artikel 96, tweede lid, van de WEC en artikel 98, eerste
                        lid, van de WEC en artikel 76i, tweede lid, van de WVO en artikel 76k,
                        eerste lid, van de WVO.</al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van
                        toepassing.</al><al>Artikelen 21-27. Medegebruik en verhuur</al><al>De artikelen 21-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO,
                        artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de
                        gemeenteraad bij verordening een procedure vaststellen voor het medegebruik
                        en de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van
                        lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de eigen
                        school.</al><al>De artikelen 21 t/m 26 worden door het college toegepast als het college een
                        aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening
                        huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de
                        aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van
                        medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden
                        voorzien.</al><al>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</al><al>Onderdelen a en c</al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen
                        op het moment dat het college op grond van artikel 6 of 19 een aanvraag voor
                        het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw,
                        vervangende nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het
                        college moet twee zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een
                                tekort aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik
                        door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen
                        (ruimte voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met
                        de bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk
                        zijn.</al><al>Onderdeel b</al><al>Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet
                        onderwijs) is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet
                        educatie en beroepsonderwijs. </al><al>Artikel 22. Omschrijving leegstand</al><al>Lid 1</al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De
                        leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde
                        capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage
                        III, deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening
                        gehouden met de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen onderscheid
                        gemaakt in leegstand bij een school voor basisonderwijs, een speciale school
                        voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs. Dit betekent dat
                        het college kan besluiten leegstand die wordt vastgesteld in een school voor
                        basisonderwijs toe te wijzen aan een speciale school voor basisonderwijs,
                        een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een
                        school voor voortgezet onderwijs .</al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en
                        huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen
                        huisvesting onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het
                        vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit
                        waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek,
                        overblijflokaal) heeft gegeven. Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd
                        gezag een andere bestemming heeft gegeven moet wijken voor noodzakelijk
                        onderwijsgebruik.</al><al>Lid 2</al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                        bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor
                        basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor
                        speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs kan op basis van het
                        lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt
                        voorkomen dat deze scholen buiten hun reguliere lestijden voor het
                        bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal bewegingsonderwijs dat
                        nog geen 40 klokuren in gebruik is. </al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren
                        uitgegaan van minimaal 32 lesuren en maximaal 40 lesuren, omdat voor het
                        voortgezet onderwijs het aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden
                        voor het voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent dat als
                        in een lokaal bewegingsonderwijs:</al><al>voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is
                        door een andere school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs
                        voor het verschil tussen 26 klokuren en het aantal ingeroosterde
                        klokuren;</al><al>voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn ingeroosterd
                        medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet onderwijs voor de
                        resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren;</al><lijst><li nr="-"><al>voor een school voortgezet minder dan 40 klokuren ingeroosterd zijn
                                medegebruik mogelijk is door:</al></li><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs, (een speciale school voor
                                basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                speciaal onderwijs mogelijk als de klokuren medegebruik passen
                                binnen de 26 klokuren, en</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de resterende
                                klokuren tot een maximum van 40 lesuren.</al></li><li nr="-"><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                                onderwijssector geldende reële schooltijden.</al></li></lijst><al>Artikel 23. Nalaten vorderen</al><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg
                        medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge
                        regeling hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te
                        doorkruisen, tenzij het college heeft vastgesteld dat de school die
                        medegebruiker is in de eigen accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle
                        leerlingen te huisvesten. Als bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling
                        hebben geregeld moet het college hiervan in kennis worden gesteld. Het
                        college moet vaststellen of door het medegebruik de (meest) optimale
                        situatie is gecreëerd. </al><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt
                        in onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt
                        gevorderd. Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college
                        zelfstandig in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al>Artikel 24. Overleg en mededeling</al><al>Lid 1</al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het
                        vorderen voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van
                        bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het
                        vorderen voor medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg
                        over het programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij
                        het voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma
                        bestaat de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het
                        programma wordt niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een
                        afzonderlijk besluit van het college.</al><al>Lid 2</al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een
                        voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor
                        het overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich
                        meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                        Uiteraard moet ook hier het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de
                        gelegenheid hebben om de nodige maatregelen te treffen.</al><al>Lid 3</al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid
                        hebben tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is
                        de termijn waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo
                        kort mogelijk gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft
                        genomen heeft over dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden
                        met het bevoegd gezag. Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in
                        de gelegenheid geweest om zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al>Lid 4</al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om
                        deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking
                        worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende
                        welke de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv.
                        worden gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk
                        zijn om in het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het
                        vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de
                        eigen school noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat
                        uitgangspunt van de verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik
                        gaat.</al><al>Artikel 25. Vergoeding</al><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te
                        maken met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde
                        gezagsorganen moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik
                        overeenkomen. Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden
                        vergoedt. Dit is redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook
                        bij het gebruik van de eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen.
                        Deze werkelijke kosten zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële
                        instandhouding die het schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten
                        niet doorberekend, dan is sprake van een indirecte subsidiëring van de
                        medegebruiker en zet het bevoegd gezag dat een gedeelte van de school in
                        medegebruik heeft geven de ontvangen rijksvergoeding niet in voor het doel
                        waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte van de vergoeding is ook
                        afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de activiteiten die
                        voor rekening van de school en de medegebruiker komen. Als tussen de
                        betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan moeten de partijen
                        vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te komen tot het vaststellen
                        van het bedrag van de vergoeding. Overeengekomen kan bijv. worden dat een
                        onafhankelijke derde het definitieve vergoedingsbedrag bepaalt.</al><al>Artikel 26. Overleg en mededeling</al><al>Artikel 26 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele,
                        maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden
                        zowel tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde
                        activiteiten kan in overeenstemming zijn met de bestemming van het
                        schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw
                        wordt gegeven, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet
                        in overeenstemming met de bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit
                        dat het medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van
                        het bestemmingsplan is vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming
                        met het onderwijs van de school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd
                        gezag in het overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke
                        wensen aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor het bevoegd
                        gezag kan daarbij de vrijheid van richting en inrichting een rol
                        spelen.</al><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd
                        gezag minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet
                        onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het
                        instemt met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden
                        zich een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van
                        die activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het
                        overleg en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                        noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige
                        maatregelen te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van de
                        vergoeding ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor
                        culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd
                        gezag vrij om een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te
                        sluiten bij de systematiek die is opgenomen in artikel 26.</al><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in
                        het overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het
                        college. Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker
                        al of niet deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de
                        medegebruiker moeten voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een
                        aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt
                        gevormd door het besluit tot vordering door college.</al><al>Lid 3</al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een
                        beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen
                        dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                        worden.</al><al>Artikel 27. Verzoek toestemming college</al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden
                        door de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw
                        waarvan het bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor
                        verhuur. De afweging om een ruimte te verhuren is uitsluitend de
                        verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet, als het
                        (een gedeelte van) het schoolgebouw wil verhuren, vooraf aan het college
                        toestemming voor de verhuur vragen. Zonder toestemming van het college is
                        een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus nietig. Bij het aanvragen
                        van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd gezag het college
                        inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de activiteiten die in
                        de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur en de in de
                        komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast betrekt
                        het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten
                        ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                        toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een
                        aanvraag wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een
                        schoolgebouw.</al><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toets het college het
                        verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van
                        de WPO, artikel 106, eerste lid, van de WEC en artikel 76s van de WVO is het
                        niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en
                                1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="-"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de
                                school.</al></li></lijst><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                        voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor
                        het onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat
                        de risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het
                        voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het
                        college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd
                        gezag.</al><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs
                        bepaald worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                        exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                        investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van
                        de component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw)
                        vast. In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan
                        de toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur
                        een huur is verschuldigd, waarvan de hoogte door het college wordt
                        vastgesteld. Dit lid is een aanvulling op wat in de onderwijswetten is
                        opgenomen. Deze huurvergoeding is wat anders dan de gebruiksvergoeding
                        waarvan de hoogte door het bevoegd gezag wordt vastgesteld en waar het
                        bevoegd gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent moet worden afgedragen
                        aan het college als bijdrage in de investeringslasten van het schoolgebouw.
                        Aan het verbinden van de voorwaarde tot het betalen van een huurvergoeding
                        zijn voorwaarden verbonden:</al><lijst><li nr="1."><al>het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van
                                de huur de gemeente een financieel nadeel leidt;</al></li><li nr="2."><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het
                                verlies aan inkomsten door de gemeente en</al></li><li nr="3."><al>de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan
                                onderwijshuisvesting. </al></li></lijst><al>Artikel 28. Staat van onderhoud</al><al>In artikel 110 van de WPO, artikel 108 van de WEC en artikel 76u van de WVO
                        is geregeld in welke situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht
                        van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein aan het college. Over
                        het algemeen is de overdracht van het hele schoolgebouw en -terrein
                        gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs) of het
                        opheffen van de school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW.
                        Overdracht door het bevoegd gezag van een schoolgebouw en -terrein aan de
                        gemeente vindt uitsluitend plaats als het bevoegd gezag (bijzonder
                        onderwijs, of verzelfstandigd openbaar onderwijs in bijv. een stichting)
                        juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is de gemeente juridisch
                        eigenaar van het schoolgebouw en -terrein dan vindt geen overdracht van een
                        (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein plaats. Een overdracht kan ook
                        plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere locatie is
                        gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door het college en
                        bevoegd gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte opgenomen een
                        termijn waarin het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het einde van
                        het gebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en
                        dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde van het gebruik niet
                        relevant is. Voor alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het
                        gebruik uiterlijk beëindigd moet worden. </al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen
                        van het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een
                        gebouw door het bevoegd gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft
                        het opmaken van een staat onderhoud achterwege. Vanuit het oogpunt van
                        gelijke behandeling van het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële
                        zin gekozen worden voor een gelijke handelwijze.</al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd
                        gezag, met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er
                        dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat
                        het buiten gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht
                        plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld
                        aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat
                        van onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van
                        overdracht. </al><al>Lid 3</al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin
                        een beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het
                        oogpunt van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een
                        bouwkundig adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het
                        college overleg met het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de
                        opdracht en over de instantie die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt
                        voorkomen dat achteraf onnodige discussies c.q. meningsverschillen ontstaan
                        over de inhoud van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder. Op grond
                        van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd
                        worden (bijv. beschikbaar stellen meerjarenonderhoudsplan en/of
                        bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd).</al><al>Lid 5</al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken
                        van de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd
                        gezag met deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen
                        worden dat het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke
                                onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het
                                college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van
                        de rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal
                        zijn. Er kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide
                        partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan.
                        Alternatief is dat het college zich wendt tot de burgerlijke rechter, op
                        grond van het feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft
                        gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw
                        behoorlijk te gebruiken of te onderhouden.</al><al>Lid 6</al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is
                        om te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een
                        vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit
                        nog te laten vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als
                        het voornemen bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op
                        termijn bijv. te verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><al>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                        inroosteren en gebruik</al><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en
                        kunnen juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een
                        derde. In het kader van de ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs
                        is het de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast te
                        stellen voor het vaststellen van de ruimtebehoefte en de aanvullende
                        ruimtebehoefte. Deze criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B.
                        Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van het college om een rooster
                        bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang van het gebruik door een
                        school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een
                        school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van lokalen
                        bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal
                        klokuren is afhankelijk is van het aantal gymgroepen. Omdat het aantal
                        gymgroepen afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen en het aantal
                        formatieplaatsen afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is
                        ingeschreven fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van
                        mutaties in het aantal leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse
                        mutaties is de jaarlijkse procedure tot aanvragen in het kader van het
                        programma en de spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide procedures
                        zijn te zwaar en te omslachtig voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties
                        in het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval
                        als het aantal klokuren binnen de bestaande capaciteit kan worden opgevangen
                        en dus niet leidt tot een uitbreiding of nieuwbouw van lokalen
                        bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure
                        opgenomen. Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis van
                        het aantal ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het aantal
                        gymgroepen en daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en op
                        basis van het aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan
                        vaststellen. Stelt het college vast dat er te weinig capaciteit is, of dat
                        een lokaal bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het college de
                        procedure voor het aanvragen van bekostiging van een huisvestingsvoorziening
                        starten. Door deze procedure heeft het college, als lokale overheid, tijdig
                        zicht heeft op:</al><lijst><li nr="-"><al>de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs,
                                inclusief de accommodaties die op grond van de
                                onderwijswijswetgeving behoren tot de zgn. ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="-"><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school
                                geeft bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="-"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs
                                gebruikt wordt, en</al></li><li nr="-"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd
                                gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk
                                gebruik.</al></li></lijst><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>het college stelt voor 15 december op basis van de teldatum 1
                                oktober het aantal gymgroepen vast op de datum 1 augustus (start
                                schooljaar);</al></li><li nr="2."><al>het college stelt voor 31 december daaropvolgend een conceptrooster
                                op dat als basis kan dienen het rooster bewegingsonderwijs van het
                                lopende schooljaar en daarin worden de mutaties als gevolg van
                                mutaties in het aantal gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt de bevoegde gezagsorganen voor 15 januari
                                daaropvolgend in kennis van het voorlopig vastgestelde rooster
                                bewegingsonderwijs voor het komende schooljaar;</al></li><li nr="4."><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 1 maart op het aangeboden
                                conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het bevoegd gezag kan het college vragen om voor de datum van 1
                                maart een overleg over het conceptrooster te beleggen;</al></li><li nr="6."><al>het college stelt het rooster bewegingsonderwijs voor het komende
                                schooljaar vast voor 15 maart.</al></li></lijst><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer klokuren
                        bewegingsonderwijs aan te vragen dan door het college genormeerd is
                        vastgesteld. Het college kan dit verzoek honoreren als binnen de bestaande
                        accommodaties daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag worden
                        dan de kosten van deze extra klokuren doorberekend. </al><al>Artikel 32. Indexering</al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten
                        jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV
                        integraal onderdeel is van de verordening moet op grond van de
                        onderwijswetten een wijziging van de verordening worden vastgesteld door de
                        gemeenteraad. Om deze zware procedure voor uitsluitend het aanpassen van de
                        normbedragen te voorkomen bepaalt dit artikel dat het jaarlijks aanpassen
                        van de normbedragen wordt gedelegeerd aan het college. De uitgangspunten
                        voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV, deel A. Het wettelijk
                        verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een wijziging van de
                        verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het toezenden van de
                        voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop
                        te reageren.</al><al/><al><vet>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                            voorzieningen</vet></al><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het
                        vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is
                        onderverdeeld in deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen
                        bewegingsonderwijs. </al></divisie><divisie><kop><titel>Deel A –Lesgebouwen</titel></kop><al>Algemeen</al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen
                        van de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven. </al><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De
                        dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de
                        hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten.
                        Is het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de
                        hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten.
                        Ontvangt het college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening
                        voor een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze
                        aanvraag te honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="-"><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende
                                huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te
                                huisvesten, eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="-"><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar
                                is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is
                        op basis van het voorgaande een financiële afweging van het college.</al><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het
                        college beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>Het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat
                                ingeschreven;</al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="-"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (=
                                brutovloeroppervlakte) van het gebouw of de gebouwen die door de
                                school worden gebruikt en de gewenste ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="-"><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                        noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de
                        (aanvullende) voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode
                        noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de
                        periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is beschikbaar is. De periode
                        waarvoor de voorziening noodzakelijk is wordt herleid uit de
                        leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord op de vraag of het
                        aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum waarop de
                        aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de
                        uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de
                        aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende
                        jaren aanwezig is en noodzakelijk is voor een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend
                                omdat wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor
                                deze beperkte periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen
                                als wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is, wordt een andere
                                voorziening goedgekeurd;</al></li><li nr="-"><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="-"><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het
                        bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en
                        vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandigheden.</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen
                        huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt,
                        onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een
                        rol de mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand
                        gebouw.</al><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Nieuwbouw is noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut of een
                        nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een onderwijsvoorziening die nog
                        niet in de gemeente is gevestigd en voor deze nieuwe voorziening ook geen
                        bestaande accommodatie beschikbaar is.</al><al>A.2 Vervangende bouw</al><al>Vervangende nieuwbouw kan het gevolg zijn van een tweetal situaties. Ten
                        eerste vanwege de slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw. Voor
                        het vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en om verschillen in
                        de bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een volgorde te kunnen
                        plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis gesteld een rapportage
                        op grond van NEN 2767. Uitgangspunt van deze methode is dat de
                        onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en bevindingen worden
                        doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een afweging plaatsvindt
                        tussen kwaliteit, kosten en risico's. Bij het maken van keuzes met
                        betrekking tot onderhoud is inzicht in de aanwezige en de te bereiken
                        kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten) essentieel. Uitgangspunt van de
                        methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige elementen
                        een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen van de condities wordt ook
                        rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud binnen een vooraf
                        vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord op de vraag of
                        activiteiten binnen de periode van 3 jaar voor het onderhoud in aanmerking
                        komen wordt de ernst, de omvang en de intensiteit van het gebrek
                        vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een score, de zgn.
                        'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van
                        het totale schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld
                        in de volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een
                        beginnende veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder
                        conditie 5 kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige
                        staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk
                        is.</al><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het
                        schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de
                        minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor
                        activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus
                        (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent dat als sprake is van
                        een bouwkundige rapportage met of conditie 5 of 6 moet worden vastgesteld of
                        in de afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze heeft
                        plaatsgevonden. Is het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan
                        kan de aanvraag voor vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in
                        overleg tussen college en bevoegd gezag afgezien van het investeren in
                        onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw dan moeten afspraken worden
                        gemaakt over het bekostigen van de totale investering, omdat het bevoegd
                        gezag de voor onderhoud en aanpassen ontvangen rijksvergoeding niet voor dit
                        doel hoeft in te zetten.</al><al>Vervangende nieuwbouw kan ten tweede het gevolg zijn een
                        herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al>bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te
                                ruilen omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het
                                huisvesten van de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene
                                schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en het andere
                                schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door onderlinge ruil,
                                eventueel met een beperkte bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij
                                een bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende nieuwbouw
                                voor een bestaand schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van de
                                schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw
                                worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een
                                herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen
                                heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte
                                uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere
                                schoolgebouw kan worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de
                                ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het
                                herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het
                                bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen
                                wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan
                        is dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt
                        bereikt en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is,
                        dus voor de gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire
                        neutraliteit kan uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de
                        vervangende nieuwbouw kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de
                        verkoop van de bestaande (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat
                        hierover overeenstemming is bereikt met het aanvragende schoolbestuur,
                        gelden die het bevoegd gezag van het rijk ontvangt voor het bekostigen van
                        de exploitatie, het onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als
                        medefinanciering worden ingezet.</al><al>A.3 Uitbreiding</al><al>Uitbreiding wordt toegekend als de bestaande capaciteit van het schoolgebouw
                        of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van het aantal
                        leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan groter
                        dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is aan
                        het college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit
                        beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden
                        met de eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat
                        mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw
                        bijv. medegebruik toekennen.</al><al>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al><al>In gebruik nemen van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is
                        afhankelijk van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand
                                alleen een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een
                                bestaande hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het
                                huisvesten van een nieuwe school dan is de ligging niet
                                relevant;</al></li><li nr="-"><al>de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo
                                ja welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te
                                zorgen voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de
                                leerlingen.</al></li><li nr="-"><al>De bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van
                                belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen
                                noodzakelijk zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig
                                geschikt te maken als kwalitatief geschikte huisvesting. Het college
                                kan besluiten tot het bekostigen van vervangende nieuwbouw als de
                                investeringskosten om het gebouw voor het onderwijs geschikt te
                                maken, zoals aanpassing, uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met
                                (eventuele) kosten van verwerving hoger zijn dan de kosten van
                                volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en
                                ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al>bij een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="-"><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is.</al></li><li nr="A."><al>5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al></li></lijst><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en
                        nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk
                        gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen
                        (verwijderen en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op
                        dit punt kan het college een afweging maken tussen het verplaatsen en het
                        bekostigen van een nieuwe voorziening.</al><al>A.6 Terrein</al><al>Terrein is een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch wordt
                        toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het schoolgebouw kan
                        bijv. op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het
                        realiseren van de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt daar
                        bij de eventuele toestemming voor de huisvestingsvoorziening rekening mee
                        gehouden, deze voorziening wordt opgenomen op het programma.</al><al>A.7 Eerste inrichting</al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een
                        school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een
                        school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs. Eerste
                        inrichting leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd aan een school voor
                        voortgezet onderwijs. Voor alle onderwijssectoren is de bekostiging van de
                        eerste inrichting gekoppeld aan het aantal m2 bruto vloeroppervlakte
                        waarvoor de voorziening nieuwbouw of uitbreiding wordt toegekend.</al><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één
                        school. In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie
                        ieder voor zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent
                        dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op
                        bekostiging van eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de
                        gefuseerde scholen minder of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de
                        voor de fusie afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt
                        uitsluitend toegekend in combinatie met uitbreiding van het schoolgebouw.
                        Bij een fusie wordt voor de gefuseerde school geregistreerd de bruto
                        vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de voorheen aan de afzonderlijke
                        scholen is toegekend.</al><al>A.8 Medegebruik</al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van
                        het doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van
                        middelen. </al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht
                        te hebben:</al><lijst><li nr="-"><al>in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van
                                de leerlingenprognose), en</al></li><li nr="-"><al>de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is
                                vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal
                                leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol
                                is).</al></li></lijst><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij
                        medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening
                        bij medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte
                        die in aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand). In de
                        verordening is als verwijsafstand opgenomen het criterium ‘voor de leerling
                        voldoende begaanbare en veilige weg’. Dit criterium sluit aan bij de
                        Verordening leerlingenvervoer gemeente Urk 2015. </al><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw
                        van scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt
                        vastgesteld op basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit
                        (bruto vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de
                        school vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de
                        berekende genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor
                        medegebruik wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="-"><al>Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs een speciale
                                school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of
                                voortgezet speciaal onderwijs en een school voor voortgezet
                                onderwijs is per definitie geschikt voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd,
                                maar waarvoor het college een vergoeding verstrekt (zogenaamde
                                eigendoms- en huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen
                                huisvesting onderwijs en komen in aanmerking voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                                gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is
                                ontvangen kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze
                                ruimte geen onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw
                                vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).</al></li><li nr="A."><al>4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe
                                bewoner</al></li></lijst><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en
                        medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen
                        moeten worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken
                        voor de nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen
                        voor rekening van de gemeente.</al><al>A.9 Herstel van constructiefouten</al><al>Herstel van constructiefouten is een voorziening huisvesting onderwijs.
                        Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is het van
                        belang vast te stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en
                        wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout. Als sprake
                        is van een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout
                        aansprakelijk worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het
                        moment waarop bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een
                        rol. In dit verband heeft de Raad van State uitgesproken dat herstel van
                        riolering waarvoor het schoolbestuur verantwoordelijk was (onder
                        schoolterrein) niet als een constructiefout kan worden aangemerkt maar als
                        regulier onderhoud moet worden gezien. Tussen het moment van het aanleggen
                        van de riolering en het aanvragen van bekostiging lag een periode van 28
                        jaar. De Raad van State was van oordeel dat, gelet op de levensduur, er op
                        dat moment geen sprake meer kan zijn van een constructiefout, maar dat
                        sprake is van regulier onderhoud. Het herstel van een constructiefout is
                        eveneens geen voorziening huisvesting onderwijs en komt voor rekening van
                        het bevoegd gezag als de constructiefout het gevolg is van nalatigheid van
                        het bevoegd gezag (artikel 100, tweede lid, van de WPO, artikel 98, tweede
                        lid, van de WEC en artikel 76k, tweede lid, van de WVO. </al><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandigheden is van toepassing als het bevoegd gezag geconfronteerd wordt
                        met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand
                        etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde
                        (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging
                        wordt rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na
                        brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door
                        een schoolgebouw met minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose
                        daartoe aanleiding geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een
                        ander schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade
                        veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv. inbraak was
                        mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor rekening van
                        het bevoegd gezag komen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening</titel></kop><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het
                        traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het
                        gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan
                        juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een
                        derde.</al><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikgeving</al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen
                        is een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden
                        ingeroosterd en de afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal
                        bewegingsonderwijs gebruik moet maken.</al><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de
                        gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in
                        plaats van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te
                        vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het college
                        overleg met het bevoegd gezag. [Voor het bekostigen van deze voorzieningen
                        kan een verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs worden
                        vastgesteld. </al><al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt aan een lokaal
                        bewegingsonderwijs gelijkgesteld een lokaal voor motorische therapie en een
                        schoolbad (watergewenningsbad of hydrotherapiebad). Deze laatste twee
                        voorzieningen kunnen uitsluitend worden aangevraagd en bekostigd voor de
                        onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is:</al><lijst><li nr="-"><al>een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor speciaal
                                onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor lichamelijk
                                gehandicapte kinderen en voor een school voor speciaal onderwijs of
                                voortgezet speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapte kinderen
                                met een lichamelijke handicap, en</al></li><li nr="-"><al>een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor speciaal
                                onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor zeer moeilijk
                                lerende kinderen en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapten met zeer moeilijk
                                lerende kinderen.</al></li><li nr="B."><al>3 Eerste inrichting</al></li></lijst><al>Aanvullend meubilair voor het inrichten van het lokaal bewegingsonderwijs
                        kan als eerste inrichting worden verstrekt als een bestaand lokaal:</al><lijst><li nr="-"><al>met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal
                                wordt vergroot, of</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal
                                bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de
                        toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting
                        naar verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze
                        vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging
                        eerste inrichting verstrekt.</al><al>B.4 Medegebruik</al><al>De mogelijkheid van medegebruik in een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                        vastgesteld op basis van het rooster bewegingsonderwijs dat het college
                        heeft vastgesteld voor de scholen voor primair en speciaal of voortgezet
                        speciaal onderwijs en het rooster bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag
                        van de school voor het voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school
                        voor voortgezet onderwijs.</al><al/><al><vet>Bijlage II – Prognosecriteria</vet></al><al>Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid, is het
                        bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen als een
                        aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs
                        (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in gebruik
                        nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik wordt ingediend. De
                        leerlingenprognose is de basis voor het beoordelen van de noodzaak van de
                        door de bevoegde gezagsorganen aangevraagde voorziening en van belang voor
                        het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                        noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en
                            aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening
                        huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren
                        wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die
                        wordt geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m2 bruto
                        vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft
                        gerealiseerd, waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze
                        capaciteit wordt wel geregistreerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Deel A – Vaststellen capaciteit</titel></kop><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m2 bruto
                        vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden
                        beoordeeld of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="b."><al> moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is
                                (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college
                        opgenomen in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk
                        belang is voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden
                        (nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van
                        artikel 5 van de verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college
                        worden doorgegeven. Door het vastleggen van deze mutaties in de
                        gemeentelijke administratie beschikt het college over de meest actuele bruto
                        vloeroppervlakte van de (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een
                        gegeven dat wordt bepaald aan de hand van deel E, de meetinstructie voor het
                        vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg
                        van de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet
                        volledig geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het
                        schoolgebouw is dan ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige
                        indeling van het schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd gezag het
                        college vragen om de capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt
                        over dit verzoek een besluit. Besluit het college aan het verzoek van het
                        bevoegd gezag te voldoen, dan registreert het college zowel de totale bruto
                        vloeroppervlakte van het schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte die
                        geschikt is als op minder onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college
                        een aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw
                        ontvangt stelt het college vast of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding
                        geheel of gedeeltelijk inpandig te realiseren waardoor de
                        ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt verminderd.</al><al>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van
                        huisvesting in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal
                        leerlingen zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden
                        beëindigd, dan is het in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit
                        te nemen over de locatie die buiten gebruik wordt gesteld en wordt
                        overgedragen aan het college, tenzij een van de locaties een gebouw is
                        waarvoor het college een huurvergoeding betaalt. Een schoolgebouw waarvoor
                        het college een huurvergoeding betaalt wordt als eerste buiten gebruik
                        gesteld. Als het college van mening is dat het buiten gebruik stellen van
                        een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg plaats tussen
                        het bevoegd gezag en het college.</al><al>A.1.4 Terrein </al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte
                        van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen
                        dat de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar
                        groen en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als
                        een geheel is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het
                        met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
                        vastgelegd.</al><al>A.1.5 Inventaris </al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is
                        bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het
                        bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het
                        schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                        uitbreiding met het aantal m2 bruto vloeroppervlakte. Uitgangspunt is dat op
                        1 januari 2016 de eerste inrichting is bekostigd waarop het bevoegd gezag
                        tot die datum aanspraak maakte.</al><al>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs </al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van
                        belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor
                        basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                        speciaal of voortgezet speciaal onderwijs, of het aantal lesuren voor een
                        school voor voortgezet onderwijs kan worden ingeroosterd.</al><al>A.1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan de
                        grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de
                        terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt
                        geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal
                        bewegingsonderwijs. Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit
                                van de terreinoppervlakte van het schoolgebouw; </al></li><li nr="-"><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is
                                gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het
                                afzonderlijk geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al> ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk
                                geregistreerd;</al></li></lijst><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt op
                        hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk
                        geregistreerd.</al><al>A.1.6.3 Inventaris</al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is
                        wordt geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het
                        bewegingsonderwijs.</al></divisie><divisie><kop><titel>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</titel></kop><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen
                        dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag
                        op de school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto
                        vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst
                        van de leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze
                        ruimtebehoefte noodzakelijk is. </al><al>B.1 Lesgebouwen</al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school
                        voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs en een school voor voortgezet onderwijs wordt gebaseerd
                        op het aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m2 bruto vloeroppervlakte
                        per leerling. Een school voor voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak
                        op een vaste voet, die afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging
                                met spreidingsnoodzaak, en</al></li><li nr="-"><al>de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al></li></lijst><al>B.1.1 School voor basisonderwijs </al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de
                        basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte
                        bestaat uit de vaste voet (200 m2) en de som van het aantal ongewogen
                        leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven
                        vermenigvuldigd met 5,03 m2 per leerling. Op aanvullende ruimtebehoefte
                        bestaat aanspraak als op de school ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven.
                        De aanvullende ruimtebehoefte is afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som
                        van de basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte is de totale
                        ruimtebehoefte. Onderdeel hiervan is een speellokaal.</al><al>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs </al><al>De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet (250 m2) en de som van het
                        aantal leerlingen dat op de speciale school voor basisonderwijs is
                        ingeschreven, vermenigvuldigd met 7,35 m2 per leerling. Heeft de speciale
                        school voor basisonderwijs aanspraak op een speellokaal, dan wordt de
                        ruimtebehoefte verhoogd met 90 m2.</al><al>B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs bestaat uit een vaste voet en de som van het aantal
                        leerlingen dat op de school is ingeschreven vermenigvuldigd met een m2 bruto
                        vloeroppervlakte per leerling. Zowel de vaste voet als de m2 bruto
                        vloeroppervlakte per leerling zijn afhankelijk van de onderwijssoort. Bij
                        het vaststellen van de ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in een:</al><lijst><li nr="-"><al>school voor speciaal onderwijs (so);</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet speciaal onderwijs (vso);</al></li><li nr="-"><al>school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (sovso);</al></li><li nr="-"><al>school voor speciaal onderwijs met een of meer afdelingen, en</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet speciaal onderwijs met een of meer
                                afdelingen.</al></li></lijst><al>De ruimtebehoefte bij een school een school voor speciaal of voortgezet
                        speciaal onderwijs wordt vastgesteld op eenmaal de vaste voet, verhoogd met
                        de uitkomst van de afzonderlijk berekende bruto vloeroppervlakte voor het
                        aantal leerlingen van de so- en de vso-component en van de afdelingen. Is
                        sprake van een of meer afdelingen, dan wordt het aantal leerlingen van een
                        of meer afdelingen bij het aantal leerlingen van de so-component
                        opgeteld.</al><al>Heeft de school voor speciaal onderwijs aanspraak op een speellokaal, dan
                        wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m2.</al><al>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de
                        basisruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet,
                        vermeerderd met de som van het aantal leerlingen vermenigvuldigd met de m2
                        bruto vloeroppervlakte per leerling, die geldt voor de onderwijsrichting
                        waarop de leerling staat ingeschreven. De vaste voet wordt toegekend voor de
                        hoofdvestiging van de school voor voortgezet onderwijs en de nevenvestiging
                        met spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt een vaste voet toegekend voor de
                        afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of sprake is van een nevenvestiging met
                        spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op basis van de door de minister van
                        OCW aan het bevoegd gezag afgegeven beschikking. </al><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school
                        voor voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de
                        beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan
                        uitsluitend worden aangeboden als de minister van OCW hiervoor toestemming
                        heeft verleend. De school voor voortgezet onderwijs beschikt dan over de
                        betreffende licenties.</al><al>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het
                        totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is
                        ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs, speciale
                        school voor basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal
                        onderwijs is afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen
                        voor de school voor basisonderwijs is afhankelijk van het aantal
                        formatieplaatsen. Om het aantal formatieplaatsen te bepalen wordt de
                        splitsingstabel gehanteerd die het college hanteert bij het vaststellen van
                        de materiele vergoeding. Beschikt de school voor basisonderwijs, speciale
                        school voor basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal
                        onderwijs niet over een speellokaal, dan bestaat aanspraak op gebruik van
                        een lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van 4 en 5
                        jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor basisonderwijs binnen
                        de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal heeft
                        gerealiseerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</titel></kop><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="-"><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="-"><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit
                                vastgestelde ruimtebehoefte</al></li><li nr="-"><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de
                                drempelwaarde </al></li><li nr="-"><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al></li></lijst><al> lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen
                        voorziening,</al><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het
                        bekostigen van een voorziening op basis van de uitkomst van stap 3.</al><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto
                        vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is
                        geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft
                        de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte
                        geen speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een
                        lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van
                        een speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een
                        lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het
                        college hiervoor toestemming verleend, binnen het lokaal bewegingsonderwijs
                        de noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is
                        een huurvergoeding te betalen. Een speciale school voor basisonderwijs en
                        een school voor speciaal onderwijs maken aanspraak op extra bruto
                        vloeroppervlakte voor een speellokaal als deze scholen worden bezocht door
                        leerlingen in de leeftijd tot zes jaar. </al><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting
                        uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om
                        de capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke
                        bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft
                        deze situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het
                        vaststellen van het aantal m2 uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of
                        het verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde
                        capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich
                        voor, dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de
                        toegekende uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot het verminderen
                        van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het toekennen van een
                        interne aanpassing of beperkte uitbreiding in combinatie met een interne
                        aanpassing van het schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de
                        investeringskosten die moeten blijken uit een vergelijking tussen de
                        investeringskosten van uitsluitend de aanpassing en de investeringskosten
                        van een combinatie van aanpassing met een eventuele (beperkte) uitbreiding.
                        Op het moment dat wordt vastgesteld dat de investeringskosten van de
                        aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten van een (beperkte)
                        uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw uit te breiden. </al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de
                        voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte
                        minimaal tien procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte van de
                        bestaande capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld is
                        afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de voorziening
                        uitbreiding wordt onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorziening’. Wordt toegekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend
                                de totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen
                                rekening gehouden met de drempel van 10%;</al></li><li nr="-"><al>de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend
                                het aantal m2 dat de 10% overschrijdt, de aanvullende ruimtebehoefte
                                tot 10% moet het schoolbestuur binnen de bestaande capaciteit
                                opvangen .</al></li><li nr="C."><al>1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen</al></li></lijst><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde
                        voorzieningen. De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk
                        van de verwachte periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode
                        van:</al><lijst><li nr="-"><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al></li><li nr="-"><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik
                                bestemde huisvesting;</al></li><li nr="-"><al>langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde
                                huisvesting.</al></li><li nr="C."><al>3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen</al></li></lijst><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde
                        ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw.
                        Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                        gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand
                        in het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de
                        afstand tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan
                        worden gerealiseerd.</al><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het
                        schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke
                        oppervlakte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of school voor voortgezet
                        speciaal onderwijs is opgenomen in deel D. Tot het terrein behoren niet de
                        eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen, of de ruimte voor een
                        kiss-en-ride-strook. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding
                        is gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze
                        voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving,
                        medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze
                        voorziening.</al><al>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die
                        betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de
                        bepalingen die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor
                        schoolgebouwen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                        </titel></kop><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het
                        bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen.
                        Daarbij moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het
                        Bouwbesluit.</al><al/><al><vet>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</vet></al><al>Algemeen</al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO, artikel 100, derde lid, van de WEC en
                        artikel 76m, derde lid, van de WVO verplichten de gemeenteraad normen vast
                        te stellen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs
                        die worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze
                        bijlage heeft een relatie met artikel 4 van de verordening, waarin is
                        opgenomen welke voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen </al><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is
                        de gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak
                        belasting (artikel 133 van de WPO, artikel 127 van de WEC en artikel 96c.1
                        van de WVO). Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet bekostigen is
                        gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.</al></divisie><divisie><kop><titel>Deel A – Indexering</titel></kop><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende
                        prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het
                        normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het
                        MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt
                        gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de
                        gemeenteraad gedelegeerd aan het college (artikel 32 van de
                        verordening).</al></divisie><divisie><kop><titel>Deel B – Normbedragen</titel></kop><al>Vergoeding voorbereidingskrediet</al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid
                        opgenomen om •een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het
                        voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een percentage van het normbedrag
                        zoals opgenomen in deze bijlage, of op een van het geraamde bedrag van de
                        feitelijke kosten. Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is
                        vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al
                        beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het
                        bedrag van de vastgestelde bekostiging. </al><al>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele
                        kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en
                        zijn incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><lijst><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                                basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                speciaal onderwijs opgebouwd uit een:</al></li><li nr="1)"><al>startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto vloeroppervlakte en</al></li><li nr="2)"><al>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, welk bedrag voor een school
                                voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs afhankelijk
                                is van de onderwijssector.</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al></li><li nr="1)"><al>vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met
                                spreidingsnoodzaak)</al></li><li nr="2)"><al>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de toegekende
                                bruto vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort (lokaal specifiek
                                en sectie specifiek).</al></li></lijst><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs
                        wordt als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit
                                bruto vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto
                                vloeroppervlakte;</al></li><li nr="b."><al> er ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a
                                vastgestelde verschil in capaciteit, en</al></li><li nr="c."><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor
                        voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten
                        worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto
                        vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk
                        van de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend
                        voor bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een
                        speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn
                        niet opgenomen, aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk
                        kunnen variëren.</al><al>A.2 Kosten voor terreinen</al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle
                        kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop,
                        aanleggen riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor
                        rekening van de gemeente komen</al><al>C.Tijdelijke voorziening</al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of
                        door middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting
                        (een tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent
                        gebouw). De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is
                        afhankelijk van aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van
                        eigendom en multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk
                        zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw); </al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het
                        realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een
                        vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente
                                voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur
                                van tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten
                        van het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan
                        te kopen lokalen.</al><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat
                        gelet op de:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten
                                van de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente
                                bouw wordt toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke
                                huisvesting naar verwachting voor lange termijn noodzakelijk is);
                            </al></li><li nr="-"><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een
                                huurvergoeding wordt toegekend, of</al></li><li nr="-"><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan
                                tot koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan
                                huur.</al></li><li nr="D."><al>Eerste inrichting</al></li></lijst><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs,
                        een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs
                        of voortgezet speciaal onderwijs bestaat uit een basisbedrag en een bedrag
                        per m2. Bij een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs wordt zowel bij het basisbedrag als het bedrag per m2 onderscheid
                        gemaakt naar onderwijssoort.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag
                        van de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet
                        onderwijs aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van
                        vergoeding bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging
                        eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen
                        noodzakelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen
                                voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte) wordt het
                                verschil in inventariskosten gecompenseerd;</al></li><li nr="-"><al>als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot
                                algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt
                                de school gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie
                                zich voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan
                                bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens de verordening
                                aanspraak maakt. Dit verschil wordt geregistreerd.</al></li><li nr="E."><al>Lokalen bewegingsonderwijs</al></li></lijst><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in
                        bedragen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al>Daarnaast hebben de scholen voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs voor LG- en MG-leerlingen aanspraak op een aanvullende bekostiging
                        voor het vergroten van de entree en de was- en kleedruimte als deze lokalen
                        bewegingsonderwijs niet toegankelijk zijn.</al><al>F.Vergoeding feitelijke kosten</al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten
                        wordt onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a,
                        en de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de
                        kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten
                        van de architect en het bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen
                        onderdeel uit van de ontvangen offertes voor het herstel als gevolg van een
                        constructiefout of andere schade. Ook bij het vaststellen van deze niet
                        genormeerde kosten moet rekening worden gehouden met de kosten van
                        technische advisering. </al><al>G.Huur sportvelden</al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van
                        het college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat
                        uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met
                        gemeentelijke middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de
                        investeringskosten. Naast de vergoeding voor de investeringskosten die voor
                        rekening van de gemeente komt kan de verhuurder aan de school voor
                        voortgezet onderwijs in rekening brengen een vergoeding voor de
                        exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt vastgesteld door
                        degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen volledig
                        voor rekening van het bevoegd gezag. </al><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en wordt
                        alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet
                        onderwijs van het sportveld gebruik maakt.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>Inhoudsopgave</titel></kop><al/><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 4</al><al>Hoofdstuk 2. Programma en overzicht 6</al><al>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma 6</al><al>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht 8</al><al>Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht 9</al><al>Paragraaf 2.4 Uitvoeren programma 9</al><al>Hoofdstuk 3. Aanvragen met spoedeisend karakter 11</al><al>Paragraaf 3.1 Aanvraag 11</al><al>Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit 12</al><al>Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur 12</al><al>Paragraaf 4.1 Medegebruik voor onderwijs of educatie 12</al><al>Paragraaf 4.3 Verhuur 14</al><al>Hoofdstuk 5. Einde gebruik gebouwen en terreinen 15</al><al>Hoofdstuk 6. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en
                    (voortgezet) speciaal onderwijs 15</al><al>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen 16</al><al>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen 17</al><al>A.1 Nieuwbouw 17</al><al>Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs 21</al><al>Bijlage II – Prognosecriteria 23</al><al>Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                    ruimtebehoefte 24</al><al>Deel A – Vaststellen capaciteit 25</al><al>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte 26</al><al>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte 33</al><al>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen 35</al><al>Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van
                    schoolgebouwen 36</al><al>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering 37</al><al>Deel A – Indexering 37</al><al>Deel B – Normbedragen 38</al><al>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde
                    voorziening 51</al><al>1.Algemeen 51</al><al>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                    54</al><al>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten 55</al><al>Onderdeel c. Herstel in verband met schade 55</al><al>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen 77</al><al>Deel A –Lesgebouwen 78</al><al>Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening 84</al><al>Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                    ruimtebehoefte 85</al><al>Deel A – Vaststellen capaciteit 86</al><al>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte 88</al><al>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte 90</al><al>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen 92</al><al>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering 92</al><al>Deel A – Indexering 93</al><al>Deel B – Normbedragen 93</al></bijlage></regeling></body></cvdr>