<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR438507_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeenteblad 180339 20 december 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>16rb000110</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Budgethoudersregeling 2017</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-9524</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017</al><al/><al/><al>Ons kenmerk: 16RB000110</al><al/><al>Nr. 8</al><al/><al>De raad van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 1 november
                        2016;</al><al/><al>gehoord het advies van de auditcommissie van 23 november 2016;</al><al/><al>gelet op artikel(en) 212 van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen,
                                    verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het
                                    besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke
                                    organisatie en de verantwoording die daarover moet worden
                                    afgelegd;</al></li><li nr="b."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="c."><al>jaarstukken: de jaarrekening, het jaarverslag en de bijbehorende
                                    stukken van een begrotingsjaar;</al></li><li nr="d."><al>overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke
                                    rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met
                                    rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen
                                    met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in
                                    staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van
                                    een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke
                                    rechtspersoon deelneemt;</al></li><li nr="e."><al>structurele baten en lasten: baten en lasten die zich gedurende
                                    minimaal vier jaar voordoen;</al></li><li nr="f."><al>team: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke
                                    organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan
                                    het college.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een
                                    programma-indeling voor die raadsperiode vast.</al></li><li nr="2."><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel
                                    van het college de taakvelden per programma vast.</al></li><li nr="3."><al>De raad stelt op voorstel van het college per programma de
                                    beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten
                                    minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25,
                                    tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording
                                    provincies en gemeenten.</al></li><li nr="4."><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over
                                    welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte
                                    paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen
                                    en wil worden geïnformeerd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de
                                    programma’s de baten en lasten per taakveld weergegeven. </al></li><li nr="2."><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting
                                    wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                                    investeringskrediet weergegeven.</al></li><li nr="3."><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting
                                    wordt in, aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21
                                    van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
                                    gemeenten, inzicht gegeven in de ontwikkeling van de
                                    schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming,
                                    de investeringen en de grondexploitatie. </al></li><li nr="4."><al>In de jaarstukken wordt van de investeringen de uitputting van
                                    de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van
                                    de totale uitgaven en inkomsten weergegeven. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt voor 1 juli aan de raad een nota aan met een
                                    voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de
                                    begroting voor het volgende begrotingsjaar en de
                                    meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 1 augustus vast.
                                </al></li><li nr="2."><al>In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de
                                    baten en de lasten per taakveld.</al></li><li nr="2."><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                                    investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                    autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De
                                    overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling
                                    met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.
                                </al></li><li nr="3."><al>Het college informeert de raad als hij verwacht, dat de lasten
                                    van een taakveld de geautoriseerde lasten dreigen te
                                    overschrijden, de investeringsuitgaven van een
                                    investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet
                                    dreigen te overschrijden of de baten van een taakveld de
                                    geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft
                                    aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de
                                    geautoriseerde lasten van het taakveld, het wijzigen van het
                                    geautoriseerde investeringskrediet of het bijstellen van het
                                    beleid. </al></li><li nr="4."><al>Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld
                                    in artikel 7, lid 1, doet het college voorstellen voor het
                                    wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van
                                    de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van
                                    het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig
                                    karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting
                                    op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het
                                    wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.</al></li><li nr="5."><al>Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met
                                    het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het
                                    college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een
                                    investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van
                                    een investeringskrediet aan de raad voor.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Autorisatie achteraf</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten behoeve van een soepele voortgang in de bedrijfsvoering
                                    en/of besluitvormingstrajecten is vooraf geen budgetverlening
                                    door de raad noodzakelijk voor:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwe uitgaven met een eenmalig karakter van maximaal €
                                            150.000 exclusief compensabele btw;</al></li><li nr="b."><al>nieuwe structurele exploitatielasten van maximaal €
                                            20.000 exclusief compensabele btw;</al></li><li nr="c."><al>investeringen van maximaal € 150.000 exclusief
                                            compensabele btw, waarvan de structurele kapitaallasten
                                            maximaal € 20.000 bedragen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van de financiële consequenties van transacties die de in het
                                    eerste lid genoemde bedragen niet te boven gaan, worden achteraf
                                    in het betreffende begrotingsjaar administratieve
                                    begrotingswijzigingen opgesteld of de betreffende financiële
                                    consequenties worden meegenomen in een één van de tussentijdse
                                    rapportages aan de raad, bedoeld in artikel 7, eerste lid en de
                                    daaruit voortvloeiende begrotingswijziging.</al></li><li nr="3."><al>Bij de bepaling van overschrijding van taakvelden wordt geen
                                    rekening gehouden met overschrijdingen, die het gevolg zijn van
                                    een hogere toerekening van loonkosten van de eigen organisatie.
                                </al></li><li nr="4."><al>Kredietopeningen ten behoeve van grondexploitatie-activiteiten
                                    waarvoor een actuele, door de raad vastgestelde exploitatieopzet
                                    voorhanden is, kunnen ongelimiteerd door het college worden
                                    afgewikkeld, indien deze uitgaven passen binnen de bedoelde
                                    exploitatieopzet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de raad viermaal per jaar door middel van
                                    tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting.
                                </al></li><li nr="2."><al>De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de
                                    uitvoering van het beleid, de belangrijkste ontwikkelingen in de
                                    verplichte paragrafen van de begroting en een overzicht met de
                                    bijgestelde raming van: </al><lijst><li nr="a."><al>de baten en de lasten per taakveld;</al></li><li nr="b."><al>het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen;</al></li><li nr="c."><al>het overzicht van de overhead en de geraamde
                                            vennootschapsbelasting;</al></li><li nr="d."><al>het totale saldo van de baten en lasten volgend uit de
                                            onderdelen a, b en c;</al></li><li nr="e."><al>de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves
                                            per taakveld; </al></li><li nr="f."><al>het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e;</al></li><li nr="g."><al>de realisatie en raming van de uitputting van de
                                            investeringskredieten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de tussenrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke
                                    ramingen van de baten en lasten van taakvelden en
                                    investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000
                                    toegelicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college besluit niet over het verstrekken van leningen,
                                    waarborgen en garanties groter dan € 1.000.000 dan nadat de raad
                                    is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid
                                    is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college
                                    te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op het
                                    aangaan van achtervangovereenkomsten met het Waarborgfonds
                                    Sociale Woningbouw, voor zover het de (her)financiering betreft
                                    van de woongelegenheden in de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>EMU-saldo</titel></kop><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                            collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel
                            3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben
                            overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de
                            begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het
                            college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven
                                    volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage
                                    afschrijvingsbeleid bij deze verordening. </al></li><li nr="2."><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten
                                    laste van de exploitatie gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Over nieuwe investeringen wordt het eerste jaar geen
                                    afschrijving en rente berekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In de begroting en jaarstukken vindt de renteberekening en
                                    -toerekening plaats in overeenstemming met de uitgangspunten van
                                    het in de Kadernota 2017 opgenomen Renterapport.</al></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota reserves
                                    en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld
                                    en hierin wordt behandeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding van voorzieningen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij een voorstel tot instelling van een bestemmingsreserve voor
                                    een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve;</al></li><li nr="b."><al>de voeding van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve; </al></li><li nr="d."><al>de maximale looptijd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen
                                    de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een
                                    investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan
                                    de algemene reserve toegevoegd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en
                                    heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht en van
                                    goederen, werken en diensten die worden geleverd aan
                                    overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel
                                    van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening
                                    worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente
                                    van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor
                                    de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.</al></li><li nr="2."><al>Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en
                                    onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging
                                    van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in
                                    gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee
                                    kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de
                                    compensabele belasting over de toegevoegde waarde (btw) en de
                                    gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de
                                    overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten
                                    welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke
                                    uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart
                                    geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de
                                    besteding toegerekend aan die activiteiten.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de
                                    overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte
                                    vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart
                                    geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs
                                    van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten
                                    toegerekend.</al></li><li nr="5."><al>Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van
                                    rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht
                                    en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan
                                    overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten
                                    als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt
                                    uitgegaan van de hierna aangegeven systematiek:</al><lijst><li nr="a."><al>De met in acht neming van lid 3 en 4 van dit artikel
                                            resterende overheadkosten worden aan de overige
                                            taakvelden toegerekend op basis van een opslag op het
                                            uurtarief.</al></li><li nr="b."><al>Voor de bepaling van de opslag worden de resterende
                                            overheadkosten gedeeld door het aantal aan de taakvelden
                                            toe te rekenen uren.</al></li><li nr="c."><al>In de berekening van het uurtarief wordt voor de Helster
                                            en Openbare werken de opslag op het uurtarief bepaald op
                                            de helft. </al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het percentage voor de toerekening van rente voor de
                                    financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het
                                    eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld en
                                    gebaseerd op de uitgangspunten van het Renterapport bij de
                                    Kadernota 2017. </al></li><li nr="7."><al>In afwijking van het eerste lid worden bij
                                    vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en
                                    grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd
                                    vermogen aan de kostprijs toegerekend en bij projectfinanciering
                                    worden de werkelijke rentekosten toegerekend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Prijzen economische activiteiten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de levering van goederen, diensten of werken door de
                                    gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in
                                    concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de
                                    geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking
                                    vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van
                                    deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een
                                    raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de
                                    desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.
                                </al></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente
                                    aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde
                                    integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een
                                    publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een
                                    raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de
                                    garantie wordt gemotiveerd. </al></li><li nr="3."><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                    overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een
                                    vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de
                                    verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang
                                    doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit,
                                    waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt
                                    gemotiveerd.</al></li><li nr="4."><al>Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als
                                    bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de
                                    integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>leveringen van goederen, diensten of werken en het
                                            verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan
                                            andere overheden voor zover deze leveringen en
                                            verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de
                                            publieke taak door die andere overheid;</al></li><li nr="b."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                            bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li><li nr="c."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                            toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                            prijsvoorschriften gelden;</al></li><li nr="d."><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                            staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de
                                            Europese Unie en daarmee verenigbaar is;</al></li><li nr="e."><al>overige door de raad vastgestelde uitzonderingen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                                prijzen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte
                                    van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, riool- en
                                    afvalstoffenheffing en de overige heffingen.</al></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota aan met
                                    de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke
                                    goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en
                                    voor de huren en de erfpachten.</al></li><li nr="3."><al>De besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het
                                    wijzigen van prijzen, bedoeld in lid 2, worden ter kennisneming
                                    aan de raad aangeboden. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Kapitaalgoederen en grondexploitatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een
                                    onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader
                                    weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het
                                    onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar
                                    groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad
                                    stelt het plan vast. </al></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de vijf jaar een
                                    rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het
                                    beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de
                                    uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en
                                    de eventuele uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.</al></li><li nr="3."><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een
                                    onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het
                                    te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de
                                    gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het plan vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een nota
                            grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt onder
                            andere aandacht besteed aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="b."><al>te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;</al></li><li nr="c."><al>het verloop van de grondvoorraad;</al></li><li nr="d."><al>de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Financiële organisatie en financieel beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Administratie</titel></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval
                            dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                    gemeente als geheel en in de teams;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                    van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en
                                    contracten;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                    budgetten en investeringskredieten en voor het maken van
                                    kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking
                                    tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                    maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; </al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                    relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                    wet- en regelgeving; </al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van
                                    de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                    gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                    begroting en relevante wet- en regelgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt zorgt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de teams;
                                </al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden; </al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten; </al></li><li nr="d."><al>de interne regels voor taken en bevoegdheden, de
                                    verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                    van de financieringsfunctie; </al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de teams over de te leveren
                                    prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                    frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten
                                    en uitputting van middelen; </al></li><li nr="f."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten
                                    en lasten aan de taakvelden;</al></li><li nr="g."><al>het beleid en de interne regels voor de inkoop en de
                                    aanbesteding van goederen, werken en diensten; </al></li><li nr="h."><al>het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de
                                    toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;</al></li><li nr="i."><al>het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik
                                    en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en
                                    eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en
                                    verantwoording wordt voldaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                    jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de
                                    Gemeentewet en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                    balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van
                                    de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de
                                    getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid
                                    van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college
                                    maatregelen tot herstel.</al></li><li nr="2."><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de
                                    registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het
                                    financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de
                                    waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de
                                    debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen,
                                    de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren
                                    jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en
                                    bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vier jaar. Bij
                                    afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor
                                    herstel van de tekortkomingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2007 wordt
                                    ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                                    de jaarstukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar
                                    waarin deze verordening in werking treedt.</al></li><li nr="2."><al>Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut
                                    die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de Financiële
                                    verordening gemeente Overbetuwe 2007 van toepassing zoals deze
                                    gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening
                                    gemeente Overbetuwe 2017.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 6 december 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. A.J. van den Brink MBA.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. A.S.F. van Asseldonk.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op Financiële verordening gemeente Overbetuwe 2017</titel></kop><al/><al><vet>I. Algemeen</vet></al><al>In deze verordening zijn zoveel mogelijk de artikelen en toelichtingen
                    overgenomen uit de modelverordening 2016 van de VNG. Van onderwerpen, waarvan in
                    andere door de raad vastgestelde verordeningen of beleidsstukken, e.d. zaken al
                    goed en duidelijk zijn geregeld, zijn in deze verordening geen artikelen
                    overgenomen. In die gevallen worden de niet overgenomen artikelen of andere
                    afwijkingen van de modelverordening kort toegelicht.</al><al>Verder hebben we enkele artikelen overgenomen uit de oude Financiële
                    verordening, die in de praktijk heel goed hebben gewerkt, een soepele
                    bedrijfsvoering bevorderen en niet in strijd zijn met de nieuwe voorschriften.
                    In de toelichting vermelden wij welke artikelen dit betreffen.</al><al/><al>Tenslotte hebben wij ernaar gestreefd de omvang van deze verordening beperkt te
                    houden mede om “dichtregelen” te voorkomen; bij een zeer uitgebreide en
                    gedetailleerde verordening kan namelijk iedere (ondergeschikte) nieuwe
                    ontwikkeling leiden tot een -vanuit het oogpunt van rechtmatigheid-
                    noodzakelijke aanpassing van Financiële verordening (met het gehele bestuurlijke
                    voortraject).</al><al>Bij de oude verordening was ook gekozen voor de eenvoudige, niet te uitgebreide
                    aanpak en dit heeft geleid tot een praktisch hanteerbaar stuk met voldoende
                    waarborgen en een grote houdbaarheidsdatum (verordening dateert van 2006 en is
                    slechts eenmaal gewijzigd in 2007)</al><al/><al><vet>II. Toelichting op de artikelen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 17 van de
                    verordening.</al><al>De begrippen college en jaarstukken komen in diverse artikelen en onderdelen van
                    deze toelichting voor.</al><al>Overheidsbedrijf is gedefinieerd om in artikel 13 van de verordening nadere
                    invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de
                    Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen.</al><al>Verder zijn structurele baten en lasten nader omschreven t.b.v. artikel 6 en
                    omdat in de praktijk vaak niet duidelijk is wanneer bijv. nieuwe uitgaven een
                    eenmalig of structureel karakter hebben. In deze gemeente, maar ook in vele
                    andere, is het gebruikelijk en logisch om baten en lasten als structureel aan te
                    merken als deze zich voordoen in een begrotingsjaar en minimaal de
                    driejaarperiode van de daaraan gekoppelde meerjarenraming, in totaal dus vier
                    jaar.</al><al>Tenslotte is het begrip team is gedefinieerd ten behoeve van de artikelen 17 en
                    18 van de verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Programma-indeling</vet></al><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het <cursief>Besluit begroting en
                        verantwoording provincies en gemeenten</cursief> (hierna: BBV) bepaalt in
                    aanvulling hierop, dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden
                    toegewezen.</al><al>Het tweede lid regelt, dat de taakvelden op voorstel van het college aan de
                    programma’s worden toebedeeld</al><al>Het derde lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad
                    beleidsindicatoren per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken
                    van de begroting. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de
                    (ministeriële) <cursief>Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten
                        in programma’s en programmaverantwoording</cursief>, welke zijn grondslag
                    vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.</al><al>Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele
                    begroting en jaarstukken moeten worden herzien. In de meeste gevallen is dat
                    niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren de vorige
                    raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden
                    vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen
                    meestal voldoende.</al><al>Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt
                    de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt,
                    geïnformeerd.</al><al>Het vierde lid bepaalt, dat de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode kan
                    aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken</vet></al><al>In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten
                    onder de programma’s in de begroting per taakveld worden weergegeven. </al><al>In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de
                    begroting aandacht te besteden aan de investeringen, nader uitgewerkt door te
                    bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van
                    de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van
                    investeringskredieten mogelijk te maken. In onze gemeente wordt dit op
                    praktische wijze ingevuld door in de uiteenzetting van de financiële positie een
                    samenvatting van de nieuwe investeringen op te nemen en voor een specificatie te
                    verwijzen naar een bijlage bij de begroting (het Programma Nieuwe Lasten) </al><al>Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen
                    van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie
                    inzichtelijk worden gemaakt.</al><al>In het vierde lid wordt voor de jaarstukken het inzicht in de uitputting van
                    investeringskredieten geregeld.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Kaders begroting</vet></al><al>Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Hierin staan uitgangspunten die het college bij het opstellen
                    van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de
                    artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV. </al><al>Het eerste lid van het artikel bepaalt, dat de gemeenteraad vooraf aan het
                    opstellen van de begroting een kadernota vaststelt, waarin de hoofdlijnen voor
                    het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. Deze
                    kaders worden opgenomen in de jaarlijkse kadernota en geven richting aan het
                    college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. </al><al>Artikel 8 van het BBV zegt dat een bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in
                    het programmaplan/de begroting. In onze gemeente is al jaren gebruikelijk een
                    vast bedrag per inwoner op te nemen in de begroting en meerjarenraming.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten </vet></al><al>Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de
                    begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de
                    Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de
                    beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting
                    beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel
                    192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De
                    gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting
                    zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen
                    op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de
                    baten en de lasten vindt plaats op het niveau van taakvelden (eerste lid). In de
                    oude verordening was de autorisatie per programma geregeld. Door invoering van
                    taakvelden is er een goede tussenweg gekomen tussen de (zeer grote) omvang van
                    de programma’s en de (te kleine) omvang van de oude producten. </al><al>Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen. Ook uitgaven voor
                    investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van
                    deze investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling
                    mee te nemen (tweede lid). Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling
                    aangegeven, welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te
                    autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke
                    investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het
                    investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op
                    de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf
                    nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan
                    te gaan. </al><al>Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en
                    investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten
                    bij het bekend worden aan de raad te melden (lid 3), zodat de raad kan besluiten
                    of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld.
                    Voor het behandelen van de daadwerkelijke tussentijdse budgetaanpassingen en
                    bijstellingen van beleid is er in lid 4 voor gekozen deze mee te nemen bij de
                    behandeling van de tussenrapportages.</al><al>Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op
                    tafel, die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het vijfde
                    lid van het artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders
                    dan bij vaststelling van de begroting, dus voor investeringen die zich pas in de
                    loop van het begrotingsjaar aandienen.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Autorisatie achteraf</vet></al><al>Zoals eerder vermeld, is het beschikbaar stellen van budgetten op basis van de
                    Gemeentewet een exclusief recht van de raad, dat niet kan worden overgedragen
                    aan het college. Dit betekent dus dat het college bij alle onverwachte zaken
                    en/of noodzakelijke kleine nieuwe verplichtingen die extra geld kosten formeel
                    geredeneerd eerst moet wachten op een raadsbesluit tot aanvullende
                    kredietopening. Dit doorkruist een soepele bedrijfsvoering en is natuurlijk niet
                    praktisch. Daarom was er in de oude verordening een regeling opgenomen dat het
                    college voor nieuwe uitgaven tot een bepaald niveau niet hoefde te wachten op
                    een voorafgaande door de raad vast te stellen begrotingswijziging. Deze regeling
                    is ongewijzigd overgenomen in deze nieuwe verordening en lichten wij hieronder
                    toe </al><al/><al>In dit artikel is geregeld binnen welke grensbedragen het college mag besluiten
                    tot het doen van niet in de programmabegroting geraamde eenmalige en structurele
                    uitgaven.</al><al>In die gevallen worden de verplichtingen dus al wel door het college aangegaan
                    en/of de uitgaven al gedaan en wordt er pas achteraf bij een zogenaamde
                    “administratieve” wijziging vastgesteld of wordt er bij één van de tussentijdse
                    rapportages alsnog door de raad ingestemd met het benodigde aanvullende
                    budget.</al><al>Het college moet er bij deze procedure natuurlijk wel op kunnen vertrouwen dat
                    de raad hier soepel mee omgaat en dergelijke zaken niet telkens zwaar
                    inhoudelijk gaat beschouwen. Anderzijds moet het college ook het vertrouwen, dat
                    de raad door vaststelling van dit artikel aan het college geeft, niet schaden en
                    dus artikel 6 alleen toepassen in die situaties waarvoor dit artikel is bedoeld. </al><al>Omdat de gevolgde lijn al vele jaren zeer goed in de praktijk werkt, is dit
                    artikel ongewijzigd overgenomen uit de oude verordening.</al><al/><al>Indien de in dit artikel vermelde grensbedragen niet worden overschreden mag het
                    college in eerste instantie dus besluiten tot het doen van uitgaven, waarvoor
                    nog geen budgetten beschikbaar zijn. Boven die grensbedragen moet altijd vooraf
                    krediet worden gevraagd aan de raad (m.u.v. de afwijkende regeling voor
                    grondexploitatie met vastgestelde exploitatieberekeningen, zie lid 4).</al><al/><al>Ter voorkoming van misverstanden is het oude lid 1-b in de nieuwe verordening
                    opgesplitst in b en c. Hierdoor wordt nu duidelijk geregeld dat investeringen
                    van boven de € 150.000, die in meerdere jaren worden afgeschreven, altijd vooraf
                    aan de raad ter beslissing moeten worden voorgelegd (dus ook als hieruit lagere
                    kapitaallasten voortvloeien dan het grensbedrag van € 20.000 voor nieuwe
                    jaarlijkse lasten). Bij de uitvoering van de oude verordening bleek dat deze
                    intentie niet helder was geregeld.</al><al>Het kan namelijk voorkomen dat er en nieuwe investering gedaan moet worden van
                    bijv. € 500.000 die in 40 jaar wordt afgeschreven. De jaarlijkse kapitaallasten
                    zijn dan lager dan het grensbedrag van € 20.000 en in principe zou deze nieuwe
                    investering dan niet vooraf aan de raad ter beslissing voorgelegd moeten worden.
                    Wij zijn van mening dat nieuwe -niet in de begroting voorziene- investeringen
                    van boven de € 150.0000 altijd vooraf aan de raad ter beslissing moeten worden
                    voorgelegd. De oude verordening is ook altijd zo toegepast, alleen was het
                    daarin niet duidelijk geregeld. De nieuwe formulering maakt een einde aan deze
                    onduidelijkheid. </al><al/><al>Lid 3 is opgenomen met het oog op de rechtmatigheid en overgenomen uit de oude
                    verordening. Daarin is geregeld, dat bij de bepaling van de mate van
                    overschrijding van taakvelden geen rekening wordt gehouden met verschuivingen in
                    de toerekening van loonkosten tussen het ene en het andere taakveld. Formeel
                    geredeneerd is elke overschrijding van een taakveld namelijk onrechtmatig; bij
                    deze beoordeling houdt de accountant er geen rekening mee dat andere taakvelden
                    met dezelfde bedragen aan loonkosten zijn onderschreden.</al><al>In de praktijk komt het door diverse oorzaken regelmatig voor dat bij het
                    opmaken van de jaarstukken blijkt dat er verschuivingen hebben plaatsgevonden in
                    de toerekening van de loonkosten van de eigen organisatie, terwijl het totaal
                    van die toerekeningen binnen de hele begroting overeenstemt met de hiervoor
                    geraamde bedragen. Omdat na 1 januari van een boekjaar formeel geen
                    begrotingswijzigingen door de raad kunnen worden vastgesteld, betekent dit dat
                    dergelijke overschrijdingen niet meer gecorrigeerd kunnen worden en automatisch
                    als onrechtmatig worden beoordeeld door de accountant (de raad heeft immers
                    vooraf geen aanvullend budget geautoriseerd). Dit artikel biedt hiervoor dus een
                    praktische oplossing.</al><al>Bij tussentijdse rapportages zal overigens wel worden nagegaan in hoeverre het
                    mogelijk en zinvol is om de ramingen van de toerekening van de eigen loonkosten
                    af te stemmen op de werkelijke toerekeningen.</al><al/><al>Lid 4 is ook ongewijzigd overgenomen uit de oude verordening en heeft betrekking
                    op beschikbaar stellen van kredieten voor grondexploitatie-activiteiten.
                    Voorzover hiervoor actuele door de raad vastgestelde exploitatieopzetten
                    voorhanden zijn, is de bevoegdheid om krediet voor de daadwerkelijke uitvoering
                    daarvan beschikbaar te stellen, volledig in handen van het college. De raad
                    heeft immers bij de vaststelling van de exploitatie-opzetten ingestemd met de
                    uitvoering en de daarin opgenomen kosten van bouwrijp maken, etc. Het is dan ook
                    praktisch om de uitvoering hiervan, binnen de kaders van die exploitatieopzetten
                    aan het college over te laten.</al><al>Indien er geen actueel vastgestelde exploitatieopzet voorhanden is, geldt de
                    procedure, zoals beschreven in het 1e en 2e lid van dit artikel.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Tussentijdse rapportage</vet></al><al>De tussentijdse rapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en
                    controlcyclus voor de raad. Op basis van de tussenrapportages wordt de raad op
                    hooflijnen geïnformeerd over de uitputting van budgetten en
                    investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. Ten
                    opzichte van de oude verordening hebben wij hieraan toegevoegd dat er ook
                    gerapporteerd wordt over belangrijke ontwikkelingen in de verplichte paragrafen
                    van de begroting; het moet wel om echt belangrijke zaken gaan die van invloed
                    zijn op het beeld/de conclusies van de paragrafen. </al><al>In de oude verordening was nog sprake van twee rapportages per jaar. Met het oog
                    op snellere informatievoorziening, transparantie en meer grip op de uitvoering
                    (meer in control) is in de nieuwe verordening gekozen voor vier
                    tussenrapportages per jaar.</al><al>Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van het financiële deel
                    van de rapportages. </al><al>Het derde lid bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting door het
                    college in de tussenrapportages moeten worden toegelicht. Evenals in de oude
                    verordening is een ondergrens opgenomen van € 50.000, echter nu per taakveld in
                    plaats van per programma, omdat in deze verordening de autorisatie per taakveld
                    plaatsvindt en niet meer per programma. De financiële mutaties van elke
                    tussentijdse rapportage worden volgens de vaste gedragslijn in deze gemeente
                    verwerkt in het eerstvolgende raadsvoorstel begrotingswijzigingen.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Informatieplicht</vet></al><al>In de Financiële verordening is -evenals als in de oude verordening- een
                    aanvullend artikel opgenomen voor een nadere invulling van de informatieplicht
                    van het college aan de raad. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van
                    artikel 169 Gemeentewet. Dat artikel van die wet verplicht het college vooraf
                    aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken
                    indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden
                    van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. In artikel 8 van de
                    Financiële verordening verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het
                    aangaan van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het
                    aangaan van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen
                    overschrijden. </al><al>De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht
                    in andere gevallen. Ook moeten besluiten van het college voor het doen van
                    privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat
                    door de raad is uiteengezet. </al><al>Het artikel 8 van de Financiële verordening schept slechts duidelijkheid tussen
                    het college en de raad over de vraag wanneer de raad in elk geval vooraf wenst
                    te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en
                    bedenkingen aan het college kenbaar te maken. In de nieuwe verordening is
                    hierover alleen een bepaling opgenomen voor het verstrekken van leningen,
                    waarborgen en garanties groter dan € 1.000.000. In de oude verordening was,
                    naast deze bepaling. aanvullend op de Gemeentewet een bepaling opgenomen over
                    het aangaan van verplichtingen voor werken en diensten. Deze bepaling is niet
                    overgenomen in de nieuwe verordening, omdat in het door de raad vastgestelde
                    inkoop- en aanbestedingsbeleid voldoende waarborgen zijn vastgelegd. Bovendien
                    is de raad bij grote werken en omvangrijke nieuwe diensten vooraf al
                    geïnformeerd in voorstellen tot het beschikbaar stellen van de benodigde
                    budgetten. Tenslotte zal het college de raad bij politiek gevoelige zaken vooraf
                    informeren en gelegenheid geven om wensen en bedenkingen kenbaar te maken.</al><al/><al>Lid 2 is ongewijzigd uit de oude verordening overgenomen. Dit heeft betrekking
                    op de achtervangovereenkomsten, die het college tot nu toe altijd heeft gesloten
                    voor woningbouw. Formeel zou dit telkens vooraf aan de raad voorgelegd moeten
                    worden, hetgeen mede met het oog op de beperkte risico’s niet praktisch zou
                    zijn. Daarom is deze bevoegdheid ook in de nieuwe verordening uitgezonderd.</al><al/><al><vet>Artikel 9. EMU-saldo</vet></al><al>Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een
                    aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt
                    dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten
                    overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of
                    tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook
                    zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa
                    leidt. </al><al>Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk
                    aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt
                    te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is
                    gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel
                    EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting
                    neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan
                    te maken. </al><al>In het artikel is opgenomen dat het college de raad informeert als de gemeente
                    van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle
                    gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de
                    gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</vet></al><al>In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat
                    de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving
                    van activa bevat. Hieraan is in artikel 10 invulling gegeven. Voor de bepalingen
                    over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de materiële en
                    immateriële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de
                    verordening. In de bijlage zijn de methodiek en de afschrijvingstermijnen voor
                    de verschillende categorieën immateriële vaste activa, materiële vaste activa
                    met economisch nut en materiële vaste activa met maatschappelijk nut opgenomen. </al><al>Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk
                    nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor
                    het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en
                    afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten
                    de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten
                    afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het
                    getrouwe beeld van de jaarstukken aangetast. </al><al>In de oude verordening was hierop eigenlijk al geanticipeerd en werden
                    investeringen met een maatschappelijk nut, zoals wegen, plantsoenen, kunstwerken
                    in de openbare ruimten als regel geactiveerd en afgeschreven in 20 jaar. Het
                    blijft discutabel welke afschrijvingstermijnen te hanteren voor deze categorie
                    van investeringen. Met het oog op de duidelijkheid en het doortrekken van de
                    vaste lijn (is ook al toegepast in het PNL 2017-2020) hebben wij besloten om de
                    vaste afschrijvingstermijn van 20 jaar te handhaven.</al><al/><al>Ook de overige afschrijvingstermijnen en de methode van annuïteitsgewijs
                    afschrijven zijn nog actueel en zeer praktisch. Daarom zijn deze uitgangspunten
                    zoveel mogelijk ongewijzigd overgenomen uit de oude verordening.</al><al>Wel zijn de afschrijvingsregels en -termijnen, waar nodig, afgestemd op de
                    nieuwe voorschriften. Tevens zijn ze meer overzichtelijk gepresenteerd in een
                    aparte bijlage bij artikel 10 en beter gegroepeerd (voorheen in een uitgebreid
                    artikel in de verordening).</al><al/><al><vet>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</vet></al><al>In het eerste lid wordt voor wat betreft het al dan niet bereken van rente over
                    reserves en voorzieningen verwezen naar het eerder door de raad vastgestelde
                    Renterapport (bij de Kadernota 2017). Daarin zijn de uitgangspunten voor
                    renteberekening en -toerekening volledig afgestemd op het nieuwe BBV en
                    uitgebreid toegelicht.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college eens in de vier jaar een nota over de
                    reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze
                    nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en
                    voorzieningen.</al><al>Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een
                    deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de
                    balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht, dat een toekomstige investering
                    in de loop van de jaren door de afschrijvingen een beslag op het eigen vermogen
                    gaat leggen. In het derde lid zijn de voorwaarden voor een dergelijke
                    bestemmingsreserve opgenomen.</al><al>Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het
                    gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het
                    geheel geen investeringsvoornemens meer bestaan. Door voor elke nieuwe
                    bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen een maximale
                    “houdbaarheidsdatum” op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor is in de
                    verordening de bepaling (vierde lid) opgenomen dat bestemmingsreserves die de
                    houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen en weer aan de algemene
                    reserve worden toegevoegd.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Kostprijsberekening </vet></al><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening
                    in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet
                    milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij
                    overheidsbedrijven en derden in rekening brengt en voor de tarieven van rechten
                    en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de
                    opbouw van de kostprijs.</al><al>Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart
                    worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de
                    taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de
                    administratie van de baten en lasten op taakvelden van de begroting en de
                    jaarstukken in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel
                    worden berekend en vastgelegd.</al><al>Het eerste lid van artikel 12 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen
                    extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe
                    kosten en een opslag voor de overhead en de rente over de inzet van vreemd
                    vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die
                    voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen,
                    werken en diensten worden ingezet. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen
                    voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de
                    afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de
                    kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten
                    in rekening worden gebracht zoals de riool- en afvalstoffenheffing, worden in de
                    kostprijsberekening ook de compensabele btw en de gederfde inkomsten van het
                    kwijtscheldingsbeleid meegenomen. </al><al>Het derde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan
                    specifieke uitkeringen en subsidies, apart onder het taakveld overhead in de
                    administratie worden afgezonderd en in de desbetreffende verantwoordingen over
                    de besteding aan specifieke uitkeringen en subsidies worden toegerekend. </al><al>Het vierde en vijfde lid gaan over de toerekening van de overheadkosten aan de
                    kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht en
                    over de kostprijs van prijzen van goederen, diensten en werken die worden
                    geleverd aan overheidsbedrijven en derden. </al><al>Het vierde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend
                    aan de activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart
                    onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de
                    belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend. </al><al>Het vijfde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de
                    toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen
                    waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffen- en
                    rioolheffing, en voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen
                    van goederen, werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en
                    derden worden geleverd. De toerekening van de overheadkosten vindt plaats op
                    basis van een opslag op het uurtarief. Deze opslag wordt bepaald door de
                    overheadkosten te delen door het aantal aan de taakvelden toe te rekenen uren.
                    Om te grote herverdeeleffecten te voorkomen, wordt bepaald dat voor de teams die
                    aantoonbaar veel lagere overheadkosten hebben (de Helster en Openbare Werken)
                    wordt uitgegaan van de helft van het overheadtarief van de overige teams. </al><al>Het zesde lid handelt over de toerekening van rente. In de Kadernota 2017 zijn
                    de uitgangspunten voor de berekening en de toerekening van rente vastgesteld.
                    Kortheidshalve verwijzen wij hiernaar. </al><al>Het zevende lid geeft aan, dat in de kostprijs van
                    vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties geen rente
                    over de inzet van reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt
                    door de rijksbelastingdienst niet als kosten geaccepteerd. </al><al>Grondexploitaties vallen bij de meeste gemeenten ook onder de
                    vennootschapsbelastingplichtige activiteiten, maar dit hoeft niet altijd het
                    geval te zijn. Voor de methodiek van het bepalen van de omslagrente wordt in dit
                    lid aangesloten bij de Notitie Grondexploitaties van de Commissie BBV. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Prijzen economische activiteiten</vet></al><al>Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of
                    derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische
                    activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee
                    de gemeenten in concurrentie met ondernemingen treedt. </al><al>Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale
                    kostprijs voor de levering van goederen, diensten en werken en het verstrekken
                    van leningen, garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.</al><al>Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid
                    in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een
                    raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het
                    raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene
                    strekking. </al><al>Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor
                    de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van
                    leningen, garanties en kapitaal geldt een aantal uitzonderingen. Deze
                    uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
                    </vet></al><al>Dit artikel en de toelichting zijn grotendeels ongewijzigd overgenomen uit de
                    modelverordening en komen in grote lijnen overeen met de oude verordening.</al><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is
                    een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd
                    (artikel 156 van de Gemeentewet). Het eerste lid van artikel 14 bepaalt, dat de
                    raad de tarieven voor de belastingen, riool-, afvalstoffenheffing en overige
                    heffingen jaarlijks vaststelt. Dit betekent, dat de bijbehorende verordeningen
                    jaarlijks worden herzien. </al><al>Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen,
                    diensten of werken (die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet) is een
                    privaatrechtelijk besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college
                    (eerste lid, onder e, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel
                    invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de
                    raad. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college aan de raad eens in de vier jaar een
                    nota aanbiedt met daarin de kaders voor resp. de te hanteren prijzen, huren en
                    (indien van toepassing) tarieven voor erfpacht. De raad stelt deze nota vast. </al><al>Het derde lid bepaalt dat besluiten tot wijziging van prijzen/vaststelling van
                    nieuwe prijzen aan de raad ter kennisneming worden gezonden, conform de tot nu
                    toe gevolge lijn. De modelverordening heeft een hiervan afwijkende bepaling op
                    grond waarvan elke (kleine) afwijking van het vastgestelde beleid vooraf voor
                    afzonderlijke besluitvorming aan de raad moet worden voorgelegd. Dit is echter
                    niet praktisch; door toezending ter kennisneming en een goede onderbouwing
                    waarom in een bepaalde situatie gezocht is naar “een stukje maatwerk” zijn er
                    voldoende waarborgen dat er binnen de door de raad vastgestelde kaders wordt
                    gehandeld.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Kapitaalgoederen en grondexploitatie</vet></al><al>Het BBV geeft in een aantal artikelen aan welke informatie de verplichte zeven
                    paragrafen in ieder geval moet bevatten (paragrafen lokale heffingen,
                    weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen,
                    financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid). </al><al>Onder andere in de financiële verordening kan de raad bepalen of en zo ja welke
                    aanvullende informatie in de paragrafen moet worden opgenomen. Hoofdstuk 4 van
                    de modelverordening van de VNG geeft hiervoor vrij willekeurig een aantal
                    voorbeelden. Wij hebben besloten de betreffende (voorbeeld-) artikelen niet over
                    te nemen uit de modelverordening. De paragrafen bevatten namelijk al veel
                    verplicht voorgeschreven informatie. Waar dit zinvol is voegt het college
                    hieraan al aanvullende informatie toe. De informatiebehoefte zal ook niet elk
                    jaar hetzelfde zijn en voor elke wijziging zou de verordening op de nieuwe
                    informatiebehoefte moeten worden afgestemd, hetgeen niet praktisch is.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Onderhoud kapitaalgoederen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt, dat het college ten minste eens in de vier jaar de raad
                    onderhoudsplannen aanbiedt over het onderhoud van resp. openbare ruimte,
                    riolering en gebouwen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig
                    onderhoudsniveau vaststellen.</al><al>Voor het Gemeentelijke Rioleringsplan is, in overeenstemming met de
                    geldigheidsduur van het huidige GRP, een termijn van 5 jaar aangehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Grondbeleid</vet></al><al>Dit artikel bepaalt, dat het college eens de vier jaar aan de raad een nota
                    grondbeleid aanbiedt en geeft aan welke onderwerpen daarin zoal aan de orde
                    komen. Bij de start van de samenstelling van de nota wordt beoordeeld welke
                    andere onderwerpen van belang zijn om op te nemen. Met de nota stelt de raad de
                    kaders voor het grondbeleid vast.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Administratie</vet></al><al>Onder dit artikel van de modelverordening zijn algemene bepalingen opgenomen
                    voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt
                    opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke
                    eisen deze gegevens en de vastlegging ervan moeten voldoen. </al><al/><al><vet>Artikel 18. Financiële organisatie</vet></al><al>Artikel 18 (ongewijzigd uit modelverordening) geeft de uitgangspunten voor de
                    financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het
                    college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen
                    over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van
                    regels voor de financiële organisatie. Dit blijkt uit het advies van de Afdeling
                    advisering van de Raad van State en het nader rapport uit 2003 over de wijziging
                    van artikel 212 van de Gemeentewet. </al><al>Artikel 18 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie
                    het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te
                    geven ligt het voor de hand, dat het college een organisatiebesluit en een
                    treasurystatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de
                    kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt. </al><al>Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht
                    worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden. </al><al>Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking
                    gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels
                    voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en
                    de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.</al><al>In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het
                    treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een
                    aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk
                    worden verstrekt aan rechthebbenden. </al><al>De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het
                    financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid,
                    controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de
                    interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de
                    rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de
                    getrouwheid van de jaarrekening.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Interne controle</vet></al><al>De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft
                    van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die
                    eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel
                    19 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of
                    vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de
                    administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen
                    die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen,
                    rechtmatig (zijn) verlopen.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt
                    gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen,
                    voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen
                    zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen,
                    debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk
                    bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd. </al><al>Eens in vier jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van
                    registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. </al><al/><al><vet>Artikel 20. Intrekken oude verordening en overgangsrecht en </vet></al><al><vet>Artikel 21. Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>De nieuwe verordening treedt volgens artikel 21 inwerking op 1 januari 2017 en
                    is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar
                    2017 en later. De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van
                    toepassing op de jaarstukken 2016, die begin 2017 worden opgesteld. Hiervoor is
                    in artikel 20, eerste lid, een overgangsbepaling opgenomen. </al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2017 gelden vanwege de wijzigingen van het BBV andere
                    bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met
                    maatschappelijk nut. In het tweede lid van artikel 20 is een overgangsbepaling
                    opgenomen. Voor investeringen met maatschappelijk nut voor 2017 zijn de
                    bepalingen uit de oude financiële verordening nog van kracht.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 10 van de Financiële verordening
                        gemeente Overbetuwe 2017</titel></kop><al/><al><vet>I. Algemene uitgangspunten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afschrijving van activa vindt plaats op annuïteitsbasis.</al></li><li nr="2."><al>Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 5.000 worden niet
                            geactiveerd, met uitzonderdering van gronden en terreinen.</al></li><li nr="3."><al>De raad kan voor unieke projecten of in bijzondere situaties op basis
                            van een goed onderbouwd collegevoorstel afwijkende
                            afschrijvingstermijnen vaststellen.</al><al/></li></lijst><al><vet>II. Materiële vaste activa met economisch nut</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden
                            afgeschreven in:</al><lijst><li nr="a."><al>40 jaar: nieuwbouw gebouwen (zoals kantoren, bedrijfsgebouwen,
                                    scholen, woonruimten);</al></li><li nr="b."><al>25 jaar: restauratie/renovatie van gebouwen </al></li><li nr="c."><al>15 jaar: technische en telefooninstallaties in gebouwen;</al></li><li nr="d."><al>10 jaar: veiligheidsvoorzieningen van gebouwen en terreinen;
                                </al></li><li nr="e."><al>10 jaar: meubilair;</al></li><li nr="f."><al>3 jaar: smartphones, tablets, laptops;</al></li><li nr="g."><al>5 jaar: overige automatiseringsapparatuur/-hulpmiddelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor materieel van openbare ruimte en veiligheid worden de
                            afschrijvingstermijnen gehanteerd die zijn opgenomen in de door de raad
                            vastgestelde vervangingsschema’s van dit materieel.</al></li><li nr="3."><al>Voor de investeringen die betrekking hebben op rioleringen worden de
                            afschrijvingstermijnen gehanteerd die zijn opgenomen in het actuele
                            Gemeentelijke Rioleringsplan.</al></li><li nr="4."><al>Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van de termijnen onder II-1a worden de oorspronkelijke
                            afschrijvingstermijnen van 60 jaar van (oude) investeringen van
                            schoolgebouwen, niet aangepast.</al><al/></li></lijst><al><vet>III. Materiële vaste activa met maatschappelijk nut</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden afgeschreven in 20
                            jaar. Voor de praktische toepassing hieronder een aantal voorbeelden op
                            welke activa dit zoal van toepassing is: parken, plantsoenen,
                            sportvelden, groenvoorzieningen, wegen, pleinen, rotondes, tunnels,
                            viaducten, bruggen, geluidswallen, straatmeubilair, kades, sluizen en
                            waterkeringen.</al></li><li nr="2."><al>Voor lichtmasten en armaturen gelden de afschrijvingstermijnen, vermeld
                            in het door de raad vastgestelde verlichtingsplan.</al><al/></li></lijst><al><vet>IV. Immateriële activa</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Computerapplicaties, programmatuur, e.d.: afschrijvingstermijn 5
                            jaar.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van sluiten van geldleningen worden direct ten laste van de
                            exploitatie verantwoord.</al></li><li nr="3."><al>Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden afgeschreven in
                            overeenstemming met de verwachte gebruiksduur van dat actief.</al></li></lijst><al/><al/><al>Behoort bij besluit van de gemeenteraad d.d. 6 december 2016, nr. </al><al>Mij bekend,</al><al>de griffier,</al><al/><al/><al>drs. A.J. van den Brink MBA.</al><al/></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overbetuwe/i284893.pdf">financiele verordening 161206..pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>