<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR43846_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zundert</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zundert</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Zundertse Bode, 18-02-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening gemeente Zundert 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="https://www.overheid.nl">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-02-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-04-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur en recht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraakverordening gemeente Zundert 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zundert,</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18
                        november 2003,</al><al/><al>gehoord het advies van de commissie Bestuur en Middelen van 7 januari
                        2004</al><al/><al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al><al/><al>BESLUIT</al><al/><al>vast te stellen de: </al><al/><al>VERORDENING inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                        voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken
                        (Inspraakverordening).</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij
                                    de voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                    gegeven;</al></li><li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                    vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                        beleidsvrijheid heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                        dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                        spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang
                                        van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare
                                        groepen in de samenleving.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                                inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                        mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                        wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing
                                        van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn
                                burgerjaarverslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Inspraakverordening gemeente Zundert, vastgesteld op 24 september
                            1998, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in
                            werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Inspraakverordening gemeente
                            Zundert 2004”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 februari 2004</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de gemeenteraad van Zundert,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier</ondertekening><ondertekening>A.van der Veen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>mr H.G. Vos</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage met wetteksten:</vet></al><al/><al><cursief>A. De tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet luidt als
                        volgt:</cursief></al><al/><al><cursief>Artikel 150</cursief></al><al>1. De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met
                    betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de
                    voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van
                    afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover in de verordening niet
                    anders is bepaald.</al><al/><al/><al><cursief>B. De tekst van de nieuwe afdeling 3.4 Awb luidt als
                    volgt:</cursief></al><al/><al>AFDELING 3.4 UNIFORME OPENBARE VOORBEREIDINGSPROCEDURE</al><al/><al>Artikel 3:10</al><al>1. Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat
                    bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.</al><al>2. Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen,
                    indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze
                    afdeling.</al><al/><al>Artikel 3:11</al><al>1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop
                    betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling
                    van het ontwerp, ter inzage.</al><al>2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige
                    toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden
                    gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.</al><al>3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan
                    afschrift van de ter inzage gelegde stukken.</al><al>4. De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid,
                    bedoelde termijn.</al><al/><al>Artikel 3:12</al><al>1. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of meer
                    dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis
                    van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke
                    inhoud.</al><al>2. Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend
                    bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant
                    geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</al><al>3. In de kennisgeving wordt vermeld:</al><al>a. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;</al><al>b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te
                    brengen;</al><al>c. op welke wijze dit kan geschieden;</al><al>d. indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de termijn
                    waarbinnen het besluit zal worden genomen.</al><al/><al>Artikel 3:13</al><al>1. Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, zendt
                    het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen,
                    onder wie begrepen de aanvrager.</al><al>2. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al><al/><al>Artikel 3:14</al><al>1. Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe
                    relevante stukken en gegevens.</al><al>2. Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.</al><al/><al>Artikel 3:15</al><al>1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of
                    mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.</al><al>2. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat
                    ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te
                    brengen.</al><al>3. Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de
                    aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte
                    zienswijzen.</al><al>4. Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit betreft,
                    stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit
                    is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte
                    zienswijzen.</al><al/><al>Artikel 3:16</al><al>1. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van
                    adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift een langere termijn is bepaald.</al><al>2. De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is
                    gelegd.</al><al>3. Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9 en
                    6:10 van overeenkomstige toepassing.</al><al/><al>Artikel 3:17</al><al>Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt
                    een verslag gemaakt.</al><al/><al>Artikel 3:18</al><al>1. Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het
                    besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de
                    aanvraag.</al><al>2. Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, kan
                    het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken
                    na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een
                    redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot
                    verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze
                    daarover naar voren te brengen.</al><al>3. In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit
                    uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien het een
                    besluit betreft:</al><al>a. inzake intrekking van een besluit;</al><al>b. inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan
                    degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht.</al><al>4. Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht doet het bestuursorgaan
                    daarvan zo spoedig mogelijk, nadat de termijn voor het naar voren brengen van
                    zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld in artikel 3:12,
                    eerste en tweede lid. In afwijking van het eerste of derde lid neemt het
                    bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor
                    het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.</al><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label/></kop><al><vet>Toelichting modelinspraakverordening</vet></al><al/><al><vet><cursief>Algemene toelichting:</cursief></vet></al><al/><al><cursief>Artikel 150 van de Gemeentewet:</cursief></al><al/><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De VNG heeft in
                    1993 daarvoor een modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten hebben dit
                    model overgenomen. In 2003 heeft de VNG deze verordening grondig herzien. De
                    Modelinspraakverordening is aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal
                    niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb
                    is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering
                    gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten
                    (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet en artikel 7a van de Wet
                    stedelijke vernieuwing). Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen voor
                    de decentrale regelgeving (Adr). </al><al/><al><cursief>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb:</cursief></al><al/><al>Met deze herziening is tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen aan de
                    Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). In deze wet
                    wordt afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de Gemeentewet
                    gewijzigd. De Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zal
                    waarschijnlijk omstreeks 1 juli 2004 in werking treden, tegelijk met de nog in
                    procedure zijnde Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure. </al><al/><al>Ondanks het feit dat artikel 150 van de Gemeentewet volgens het overgangsrecht
                    pas een jaar na de inwerkingtreding van de wet zal worden aangepast, heeft de
                    VNG nu al de Modelinspraakverordening hierop aangepast om gemeenten in staat te
                    stellen tijdig aan de nieuwe wetgeving te voldoen. Het is juridisch geen
                    probleem om nu al de aanpassing te plegen, omdat dit ook volgens de huidige
                    wetgeving kan. Bovendien was in het model van 1993 afdeling 3.4 Awb al van
                    overeenkomstige toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw):</cursief></al><al/><al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze twee procedures ineen te schuiven en
                    tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb wordt de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere
                    wetten van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van
                    toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. De tekst van de
                    nieuwe afdeling 3.4 Awb alsmede de tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet
                    zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd.</al><al/><al>Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van artikel 150 van de
                    Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan (zie ook
                    de memorie van antwoord (MvA) Eerste Kamer, 2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz.
                    3). In de memorie van toelichting (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023, nummer
                    3, blz. 31) is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als
                    gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan
                    bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het wenselijk is om wel een ontwerp
                    ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren
                    dan via het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met
                    andere termijnen, aldus de MvT.</al><al/><al><cursief>Inspraakprocedure/deregulering:</cursief></al><al/><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De VNG heeft
                    gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar ondersteunde
                    dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing
                    verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen
                    van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige
                    paragraafindeling, is de verordening in 2003 nog verder gedereguleerd. Nu
                    resteert een bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen.
                    Bovendien maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan
                    de behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal
                    en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een
                    gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen
                    van insprekers. </al><al/><al><cursief>Alternatieven voor inspraak:</cursief></al><al/><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet onderscheiden worden van de andere
                    mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te wenden. Te denken
                    valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en commissievergaderingen (regeling
                    via het reglement van orde of een commissieverordening). Andere mogelijkheden
                    die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven van brieven, het bezoeken van
                    spreekuren, het houden van informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is
                    uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de
                    beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en beroep. </al><al/><al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen - hoe deze opgelost zullen worden.</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting:</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</cursief></al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>Inspraak: </cursief>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip
                            inspraak. Bij de in dit artikel opgenomen formulering is aangesloten bij
                            de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel
                            van de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft
                            een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid
                            geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken.
                            Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel
                            in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                            belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de
                            Gemeentewet ‘eenzijdig’ gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen
                            gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen. Wij adviseren
                            echter het tweezijdige element van gedachtewisseling zo mogelijk wel
                            onder de inspraakprocedure te brengen, omdat hiermee een derde doel kan
                            worden gediend, te weten het creëren van draagvlak voor
                            beleidsvoornemens (zie ook de algemene toelichting, onder Alternatieven
                            voor inspraak, over interactieve beleidsvorming).</al></li><li nr="2."><al><cursief>Inspraakprocedure:</cursief> De verantwoordelijkheid voor het
                            maken van een regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de
                            Gemeentewet bij de raad. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, is
                            in de modelverordening afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard.
                            Artikel 4, tweede lid, van het model geeft het bestuursorgaan ruimte om
                            een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers
                            verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en organisatie van
                            de inspraak.</al></li><li nr="3."><al><cursief>Beleidsvoornemen: </cursief>Het begrip beleidsvoornemen is
                            gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                            vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het
                            hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of
                            maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden
                            gebaseerd.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</cursief></al><al/><al><cursief>In het eerste lid</cursief> is bepaald dat elk bestuursorgaan ten
                    aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de
                    voorbereiding van gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd
                    in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en
                    burgemeester. </al><al/><al>Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat
                    het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                    beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen
                    doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld
                    spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                    van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is
                    een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al><al/><al><cursief>In het tweede lid</cursief> is bepaald dat inspraak altijd wordt
                    verleend indien een wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder hebben
                    wij opgesomd welke wettelijke verplichtingen gelden. Wij hebben ervan afgezien
                    om dit op te nemen in de tekst van artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats bij
                    een nieuwe wettelijke verplichting direct de verordening moet worden aangepast
                    en in de tweede plaats het een dermate uitgebreide opsomming is dat de
                    verordening hiermee onoverzichtelijk wordt.</al><al/><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan dan wel
                            bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening (artikel 6a WRO);</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 Wet
                            op de stads- en dorpsvernieuwing);</al></li><li nr="c."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);</al></li><li nr="d."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid, Wet milieubeheer (WM));</al></li><li nr="e."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26,
                            tweede lid, WM);</al></li><li nr="f."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                            voorzieningen gehandicapten);</al></li><li nr="g."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Algemene bijstandswet
                            (artikel 118), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42, eerste lid, onder
                            d) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 42, eerste lid, onder
                            d);</al></li><li nr="h."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid).</al></li></lijst><al/><al><cursief>In het derde lid</cursief> is opgenomen wanneer geen inspraak wordt
                    verleend.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure brengen van
                            het ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat aan inspraak
                            onderworpen is geweest. Dit neemt niet weg dat, indien de afwijkingen
                            ten opzichte van het voorontwerp naar aard en omvang zodanig zijn dat
                            een geheel ander plan is ontstaan, dit aanleiding kan zijn de inspraak
                            opnieuw een aanvang te laten nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling
                            bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) dat terecht geen nieuwe
                            inspraak is opengesteld (ABRS 22 januari 2003, inzake nummer
                            200001851/1, LJN-nummer AF3164).</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO is een ruimtelijk plan waarop artikel
                            6a WRO ziet en is dus inspraakplichtig. De goedkeuring van een deel van
                            een uitwerkingsplan dat de bouw van woningen mogelijk maakt, is in
                            strijd met artikel 6a WRO en de inspraakverordening nu aan omwonenden
                            geen inspraak is verleend met betrekking tot dit plandeel (ABRS 2 maart
                            2000, GS, 151 (2001) 7133, 7).</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het is niet in strijd met de inspraakverordening noch met artikel 6a WRO
                            noch met artikel 2:4 Awb dat de raad eerst zelf de aanvaardbaarheid van
                            de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling heeft onderzocht en in het
                            voorontwerp van het plan de voorkeur voor een bepaalde ontwikkeling
                            heeft laten blijken, alvorens in het kader van de inspraakprocedure de
                            bevolking daarover te raadplegen. De afdeling concludeert dat de
                            gevolgde inspraakprocedure correct is (ABRS 31 januari 2000, inzake
                            nummer E01.98.0409, LJN-nummer AA5106).</al></li></lijst><al/><al><cursief>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</cursief></al><al/><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden ‘in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen’ vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    ‘belanghebbende’ is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al/><al>In dit geval is het projectdocument uitsluitend aan het wijkoverlegorgaan
                    voorgelegd. De kring van personen die ingevolge artikel 6a WRO moeten worden
                    betrokken bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen is ruimer. Conclusie is
                    dat de inspraak die niet overeenkomstig de inspraakverordening is verleend, in
                    strijd is met artikel 6a WRO (ABRS 14 augustus 2002, inzake nummer 200102132/1,
                    LJN-nummer AE6455).</al><al/><al><cursief>Artikel 4 Inspraakprocedure</cursief></al><al/><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 (tot de
                    inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb:
                    artikel 3:11 tot en met 3:13) Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na
                    terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden
                    gedurende zes weken (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb: vier weken) schriftelijk of mondeling hun
                    zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend
                    zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de
                    inspraakprocedure worden aangepast. Het kan dus voorkomen dat in een individueel
                    geval bijvoorbeeld de genoemde zes weken termijn door het bestuursorgaan te lang
                    wordt bevonden. Deze termijn kan dan bij besluit van het bestuursorgaan op grond
                    van het tweede lid worden aangepast. </al><al/><al>In dit kader wordt voor twee punten aandacht gevraagd:</al><lijst><li nr="1."><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een facultatief referendum
                            omvatten (uitvoering van de wijze waarop men zijn zienswijze naar voren
                            kan brengen). Dit middel zal echter, gezien de daaraan verbonden kosten,
                            op beperkte schaal worden toegepast. Daarnaast zijn wij ook van mening
                            dat dit in een afzonderlijke verordening moet worden vormgegeven.</al></li><li nr="2."><al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te
                            ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Zo zou voor
                            artikel 19 WRO-procedures een aparte procedure kunnen worden ontwikkeld
                            met bijvoorbeeld een standaardtermijn van twee in plaats van zes
                            weken.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al/><al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een bestemmingsplan
                    wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van appellant tegen de
                    beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond. Appellant had hiertegen
                    een klacht kunnen indienen en heeft dit niet gedaan, aldus de afdeling (ABRS 10
                    juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer AE5107).</al><al/><al><cursief>Artikel 5 Eindverslag</cursief></al><al/><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure: artikel 3:13, vijfde lid) Awb wordt namelijk slechts
                    bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure
                    mondeling naar voren is gebracht. </al><al>Onder het in het <cursief>tweede lid, onderdeel a</cursief>, genoemde verslag
                    van de gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk
                    verlopen? Is afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het
                    beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.? </al><al><cursief>Onderdeel b</cursief> betekent dat de eindrapportage een volledig
                    overzicht dient te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke
                    inspraakreacties. De schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag
                    worden gehecht. In de MvT bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan
                    worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte
                    opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben
                    gebracht.</al><al><cursief>Onder c</cursief> wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven
                    dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al><cursief>In het derde lid</cursief> is bepaald dat het bestuursorgaan het
                    eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar maakt. Er is door de VNG dus
                    enige keuzevrijheid gelaten omdat dit per gemeente kan verschillen. Bekendmaking
                    van de resultaten van de inspraak is echter uitermate belangrijk. In ieder geval
                    krijgen degenen die hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag te
                    toegestuurd. Daarnaast wordt het eindverslag algemeen gepubliceerd in de krant
                    en op de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan
                    worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Tijdens de
                    inspraakavond wordt over de communicatie reeds nadere informatie gegeven. </al><al><cursief>In het vierde lid</cursief> wordt de burgemeester verplicht om het
                    eindverslag te vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170,
                    tweede lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. </al><al/><al><cursief>Artikel 6 Intrekking oude verordening</cursief></al><al/><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking
                    treedt (zie artikel 7).</al><al/><al><cursief>Artikel 7 Inwerkingtreding</cursief></al><al/><al>Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in werking. Tot 1
                    januari 2002 traden alle verordeningen in werking op de achtste dag na
                    bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor was aangewezen (artikel 142
                    Gemeentewet). Hierin is verandering gekomen door de inwerkingtreding van de
                    Tijdelijke referendumwet (Trw) op 1 januari 2002. Deze wet maakt referenda
                    mogelijk over onder andere de vaststelling, wijziging en intrekking van
                    verordeningen. Wel zijn enkele verordeningen uitgezonderd, die hier niet van
                    belang zijn. De vaststelling, wijziging of intrekking van een
                    inspraakverordening is een van de besluiten waarover een referendum kan worden
                    gehouden. Verordeningen waarover op grond van de Trw een referendum kan worden
                    gehouden, treden in afwijking van artikel 142 van de Gemeentewet niet eerder in
                    werking dan zes weken na de bekendmaking van de verordening (artikel 22 Trw). De
                    termijn van zes weken hangt ermee samen dat na bekendmaking van de verordening
                    en de mededeling dat over deze verordening een referendum gehouden kan worden,
                    een verzoek tot het houden van een referendum kan worden ingediend. Wel kan
                    gekozen worden voor een later tijdstip van inwerkingtreding. </al><al/><al>Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is bepaald en indien een inleidend
                    verzoek tot het houden van een referendum over de inspraakverordening
                    onherroepelijk is toegelaten, vervalt het tijdstip van inwerkingtreding van
                    rechtswege (artikel 22, derde lid, Trw) en zal de raad, nadat vaststaat dat geen
                    referendum wordt gehouden of het referendum niet heeft geleid tot een
                    raadgevende uitspraak tot afwijzing (artikel 5 Trw), opnieuw in de
                    inwerkingtreding moeten voorzien. Indien een referendum wordt gehouden dat leidt
                    tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, moet de raad na het referendum de
                    beslissing tot vaststelling of wijziging van de inspraakverordening
                    heroverwegen. Ook als de raad na heroverweging alsnog besluit tot
                    inwerkingtreding (in plaats van intrekking) van de inspraakverordening, zal de
                    raad opnieuw in een tijdstip van inwerkingtreding moeten voorzien. </al><al/><al>Op grond van de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip van
                    inwerkingtreding. Naast de mogelijkheid om het tijdstip van inwerkingtreding in
                    de verordening zelf aan te wijzen, blijft het ook geoorloofd in de verordening
                    te bepalen dat de verordening in werking treedt op een door de raad te bepalen
                    tijdstip. Met het oog op de Trw is deze keuze het eenvoudigst, waarbij het
                    tijdstip van inwerkingtreding pas wordt vastgesteld nadat onherroepelijk
                    vaststaat dat over de verordening geen referendum wordt aangevraagd. Het ligt in
                    de rede dat ook een besluit van de raad waarbij de datum van inwerkingtreding
                    wordt aangewezen, wordt afgekondigd op dezelfde wijze als de verordening
                    zelf.</al><al/><al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                    verordening en de mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de
                    verordening een verzoek tot het houden van een referendum over de
                    inspraakverordening kan worden ingediend. Op grond van de Trw is de gemeente
                    verplicht om een referendum te organiseren over een verordening indien voldoende
                    kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een referendum indienen (zie
                    voor meer informatie over de Trw de circulaires van het ministerie van
                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (CW2001/82554 en CW2001/82050) en de
                    ledenbrieven van de VNG over dit onderwerp (Lbr. 01/158 en Lbr. 01/217). U kunt
                    ook op de website www.referendumwet.nl kijken).</al><al/><al>In artikel 6 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                    ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is
                    de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. De Trw dit niet anders.
                    Weliswaar kan over een besluit tot intrekking van een verordening een referendum
                    worden aangevraagd, echter in dit model maakt het besluit tot intrekking deel
                    uit van de verordening tot vaststelling of wijziging van de bestaande
                    inspraakverordening en is alleen het besluit tot vaststelling van de verordening
                    referendabel.</al><al/><al><cursief>Artikel 8 Citeertitel </cursief></al><al/><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente Zundert
                    2004.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>