<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR438397_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Kapelle</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Kapelle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kapelle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-8549.html">Gemeenteblad 2017, nr 8549</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Kapelle</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>49e wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>46/2c</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1) Deze regeling is in werking getreden op 1 april 1995 en sindsdien 49 keer gewijzigd. De wijzigingen zijn in de regeling verwerkt.</al><al>2) De toelichting op de regeling is als pdf in de bijlage toegevoegd</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-56838</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Kapelle</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>ambtenaar:</vet> hij die door of vanwege de gemeente is
                                aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met
                                wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;
                            </al></li><li nr="b."><al><vet> functie:</vet> het geheel van werkzaamheden dat door de
                                ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1; </al></li><li nr="c."><al><vet> pensioenwet:</vet> de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals
                                die gold tot en met 31 december 1995; </al></li><li nr="d."><al><vet> pensioen:</vet> een pensioen in de zin van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="e."><al><vet> arbeidsduur:</vet> de vooraf vastgestelde omvang van het
                                aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de
                                ambtenaar arbeid moet worden verricht; </al></li><li nr="f."><al><vet> arbeidsduur per dag:</vet> de arbeidsduur zoals die voor de
                                ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; </al></li><li nr="g."><al><vet>formele arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur volgens de
                                aanstelling; </al></li><li nr="h."><al><vet> feitelijke arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur zoals
                                die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; </al></li><li nr="i."><al> vervallen;</al></li><li nr="j."><al><vet> arbeidsduur per jaar:</vet> de naar jaarbasis herleide formele
                                arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; </al></li><li nr="k."><al><vet>dienstverband: </vet> een aanstelling voor bepaalde of
                                onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; </al></li><li nr="l."><al><vet> overwerk:</vet> werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de
                                bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht
                                buiten de feitelijke arbeidsduur per week; </al></li><li nr="m."><al><vet>werkdag:</vet> een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                                verrichten; </al></li><li nr="n."><al><vet> werktijd:</vet> de periode tussen vastgestelde tijdstippen
                                gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; </al></li><li nr="o."><al><vet> uurloon: </vet> 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een
                                volledig dienstverband herberekende - salaris van de ambtenaar per
                                maand; </al></li><li nr="p."><al><vet> Zvw:</vet> de Zorgverzekeringswet</al></li><li nr="q."><al><vet>CAR:</vet> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de
                                sector gemeenten; </al></li><li nr="r."><al><vet> UWO:</vet> Uitwerkingsovereenkomst; </al></li><li nr="s."><al>vervallen;</al></li><li nr="t."><al>vervallen;</al></li><li nr="u."><al><vet> LOGA:</vet> Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v."><al><vet>WAO:</vet> de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
                            </al></li><li nr="w."><al><vet> arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in de zin van
                                artikel 18, eerste lid, van de WAO; </al></li><li nr="x."><al><vet>WAO-uitkering:</vet> een uitkering op grond van de WAO; </al></li><li nr="y."><al><vet> WIA:</vet> Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; </al></li><li nr="z."><al><vet> IVA:</vet> Regeling inkomensvoorziening volledig
                                arbeidsongeschikten; </al></li><li nr="aa."><al><vet> IVA-uitkering:</vet> de uitkering bij volledige en duurzame
                                arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; </al></li><li nr="bb."><al><vet> WGA:</vet> Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                arbeidsgeschikten; </al></li><li nr="cc."><al><vet> WGA-uitkering:</vet> de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
                                arbeidsgeschikten op grond van de WIA; </al></li><li nr="dd."><al><vet> WAJONG:</vet> Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong
                                gehandicapten; </al></li><li nr="ee."><al><vet> WAZ:</vet> Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                zelfstandigen;</al></li><li nr="ff."><al><vet>Wazo:</vet> Wet arbeid en zorg; </al></li><li nr="gg."><al><vet> SUWI:</vet> de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en
                                Inkomen; </al></li><li nr="hh."><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> een uitvoeringsinstelling als
                                bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale
                                verzekeringen 1997; </al></li><li nr="ii."><al><vet> pensioenreglement:</vet> het pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="jj."><al><vet> WPA:</vet> de Wet privatisering ABP; </al></li><li nr="kk."><al>vervallen;</al></li><li nr="ll."><al>vervallen;</al></li><li nr="mm."><al><vet>volledig dienstverband:</vet> een dienstverband waarvan de
                                arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per
                                week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de
                                arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur
                                minder dan 36 uur per week </al></li><li nr="nn."><al><vet>ZW:</vet> de Ziektewet; </al></li><li nr="oo."><al><vet>ZW-uitkering:</vet> ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;
                            </al></li><li nr="pp."><al><vet> UWV:</vet> het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,
                                als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. </al></li><li nr="qq."><al><vet> Salaris:</vet> maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de
                                ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele
                                arbeidsduur.</al></li><li nr="rr."><al><vet> Salaristoelagen:</vet> de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3
                                genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de
                                waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de
                                buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de
                                inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en
                                de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend. Deze werden
                                tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging gerekend. </al></li><li nr="ss."><al><vet> Functieschaal:</vet> de salarisschaal die bij een functie
                                hoort; </al></li><li nr="tt."><al><vet> Periodiek:</vet> het maandbedrag in een salarisschaal; </al></li><li nr="uu."><al><vet>Salarisschaal:</vet> een reeks maandbedragen als opgenomen in
                                de bijlage bij dit hoofdstuk; </al></li><li nr="vv."><al><vet>Achterblijvende Partner:</vet> weduwe, weduwnaar, geregistreerd
                                partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een
                                samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar.</al></li><li nr="ww."><al><vet>Vakantietoelage:</vet> jaarlijkse toelage van 8% van het
                                salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met ingang van 1
                                januari 2017 een vast onderdeel van het Individueel Keuze Budget
                                vormt.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven
                        door de gemeente beheerd.</al><al>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a."><al> het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                                onderwijs;</al></li><li nr="b."><al> het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van
                                openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van
                                het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c."><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                zodanig;</al></li><li nr="d."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede
                                lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; </al></li><li nr="e."><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot
                                onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;</al></li><li nr="f."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder
                                opsporingsbevoegdheid; </al></li><li nr="g."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                                opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h."><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op
                                grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van
                                de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is
                                bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
                                artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de
                                sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van
                        de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de
                        ondernemingsraad, overeenstemming vereist is in het georganiseerd overleg of
                        instemming vereist van de ondernemingsraad.</al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                        brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.</al><al>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                        aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de hoofdstukken 17 en 18
                        niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                        wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3,
                        7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3,
                        10d en 17 niet van toepassing. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in
                        het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter
                        draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces
                        te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                        werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al><al>Artikel 1:2:2 Vervallen</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 1:2:3 Vervallen</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 1:2a Stageplaats</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek
                        een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst.</al><al>Lid 2</al><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van
                        de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B,
                        2:4.</al><al>Lid 3</al><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur
                        afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair.</al><al>Lid 4</al><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair
                        en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal
                        staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.</al><al>Lid 5</al><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.</al><al>Lid 6</al><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                        Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 1:2b Werkervaringsplaats</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden
                        op basis van een werkervaringsovereenkomst. </al><al>Lid 2</al><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                        uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen
                        2:1A, 2:1B en 2:4.</al><al>Lid 3</al><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een
                        periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig
                        worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker,
                        waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat. Het college zorgt
                        voor adequate begeleiding.</al><al>Lid 5</al><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.</al><al>Lid 6</al><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                        Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college salarisschaal A in
                        bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet
                        banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt
                        en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college vaststellen dat de
                        ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat
                        hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder
                        dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald
                        percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage
                        van het salaris lager dan het wettelijk minimumloon, dan is het salaris van
                        de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon. </al><al>Lid 3</al><al>Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 1 gelden niet de in artikel 3:28 lid 2,
                        onderdelen a , b en c genoemde minimumbedragen. </al><al>Lid 4</al><al>Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 2 gelden als minimumbedragen, de bedragen
                        genoemd in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a, b en c naar rato van de
                        loonwaarde en de deeltijdfactor. </al><al>Lid 5</al><al>Indien het college voor de in lid 2 genoemde ambtenaar loondispensatie op
                        grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op
                        het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen. </al><al>Artikel 1:3 Toepassing</al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten
                        aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet
                        regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet
                        die rechtstoestand niet is geregeld.</al><al>Lid 2</al><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de
                        uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen
                        ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een
                        besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed -
                        gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor
                        LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al><al>Artikel 1:3a Toepassing</al><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de
                        griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al><al>Artikel 1:3:1 Toepassing</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien
                        zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: </al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                functioneren van de dienst; </al></li><li nr="b."><al>instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de
                                vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling,
                        van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter
                        uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden
                        getroffen.</al><al>Lid 2</al><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige
                        lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a."><al>de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het
                                LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten;</al></li><li nr="b."><al>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van
                                gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a
                                aangeduide centrales;</al></li><li nr="c."><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d."><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                aanmerking komt.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem
                        geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of
                        uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de
                        vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op
                        een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in
                        het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis
                        gebracht.</al><al>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</al><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van
                        dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                        dragen.</al><al>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</al><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de
                        betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal
                        te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al><al>Artikel 1:6 Vrijstelling</al><al>Lid 1</al><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor
                        nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden
                        verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies
                        kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de
                        hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet
                        overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                        functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd
                        overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze
                        regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij het
                        bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing
                        is.</al><al>Lid 2</al><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing
                        worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of
                        functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in
                        een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken
                        ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor
                        de inrichting van de werkzaamheden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>2</nr><titel>Aanstelling en arbeidsovereenkomst</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</al><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                        geschiedt de aanstelling door het college.</al><al>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst</al><al>Lid 1 </al><al>De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. </al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van
                        dit artikel.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met
                        ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van
                        de gemeente.</al><al>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de
                        dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is
                        een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn
                        persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten
                        kan worden opgedragen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de
                        ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a."><al> tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te
                                verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen;</al></li><li nr="b."><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c."><al> beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde
                                werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten
                                van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk
                                aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig
                                kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden
                                verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en
                        omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs
                        niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn
                        verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door
                        tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo
                        spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.</al><al>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een
                        daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden
                        onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over
                        de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen
                        werkzaamheden.</al><al>Lid 2</al><al>Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de
                        gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek,
                        te allen tijde wordt gegarandeerd.</al><al>Lid 3</al><al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het
                        bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet
                        justitiële en strafvorderlijke gegevens.</al><al>Lid 4</al><al>De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts
                        voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een
                        tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten
                        krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.</al><al>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde
                        functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het
                        punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen
                        mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen
                        functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch
                        oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld
                        door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. </al><al>Lid 2</al><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                        gemeente.</al><al>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al><al>Lid 2</al><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde
                        tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een
                        periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de
                        laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor
                        onbepaalde tijd.</al><al>Lid 3</al><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar
                        hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de
                        laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al><al>Lid 4</al><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende
                        aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende
                        werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of
                        geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid
                        redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geldt de
                        aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de dag waarop:</al><lijst><li nr="a."><al> de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van
                                niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 48
                                maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;</al></li><li nr="b."><al> meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben
                                opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende
                        aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in tijdelijke
                        dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het bereiken van de
                        AOW-gerechtigde leeftijd.</al><al>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van
                        aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en
                                met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c."><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:</al></li><li nr="I."><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;</al></li><li nr="II."><al>in een aanstelling bij wijze van proef;</al></li><li nr="III."><al>voor een project met een eenmalig en uniek karakter; </al></li><li nr="IV."><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische
                                opleiding of vorming;</al></li><li nr="V."><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de
                                overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                                tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                                groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII."><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar
                        kosteloos meegedeeld.</al><al>Lid 3</al><al>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2
                        december 1993 geschiedt kosteloos.</al><al>Artikel 2:4:2 Vacatures</al><al>Lid 1</al><al>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van
                        de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde
                        bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige
                        toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d
                        genieten ten laste van de gemeente.</al><al>Artikel 2:4:3 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</al><al>Lid 1</al><al>Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar
                        burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van
                        werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.</al><al>Lid 2</al><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt
                        en door beide partijen ondertekend.</al><al>Lid 3</al><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de
                        persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.</al><al>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</al><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de
                        artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</al><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum
                        van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15
                        uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats
                        indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt
                        gewerkt.</al><al>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</al><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die
                                een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het
                                verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                bieden;</al></li><li nr="b."><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na
                                daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c."><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang
                                van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt
                                te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden
                                zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al></li><li nr="d."><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;</al></li><li nr="e."><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk
                                de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke
                                werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien
                                afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te
                                nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de
                                werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder
                                de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht
                                zich schuldig aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f."><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft
                                gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een
                                omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht
                                alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan
                                genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de
                                oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al></li></lijst><al>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht</al><al>Lid 1</al><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van
                        de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in
                        artikel 2:5:2 .</al><al>Lid 2</al><al>Het salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%,
                        worden uitgedrukt in een bedrag per uur.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk
                        7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen
                        dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het
                        tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld
                        kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een
                        voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten
                        gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het
                        gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.</al><al>Artikel 2:5:5 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:6 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:7 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:8 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:9 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:10 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:11 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:6 Overgangsrecht</al><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel
                        2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende
                        aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden
                        na het einde van de laatste aanstelling.</al><al>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld
                        als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de
                        formele arbeidsduur per week te verminderen of de formele arbeidsduur per
                        week uit te breiden tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</al><al>Lid 2</al><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld
                        als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de
                        werktijden aan te passen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen
                        zich hiertegen verzetten.</al><al>Lid 3</al><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is aangesteld als
                        ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan het college
                        verzoeken tot aanpassing van zijn arbeidsplaats.</al><al>Lid 4</al><al>De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met wie een
                        arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft
                        bereikt.</al><al>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd
                        naar maximaal 40 uur per week. </al><al>Lid 2</al><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: </al><lijst><li nr="1."><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te
                                bepalen periode; </al></li><li nr="2."><al> het salaris evenredig wordt verhoogd; </al></li><li nr="3."><al> de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; </al></li><li nr="4."><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; </al></li><li nr="5."><al> het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a evenredig wordt
                                verhoogd; </al></li><li nr="6."><al> het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel b evenredig wordt
                                verhoogd; </al></li><li nr="7."><al> instemming van de ambtenaar is vereist; </al></li><li nr="8."><al> de verkoop van vakantieuren op grond van artikel 3:36 voor de duur
                                van de verruiming niet is toegestaan. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Wanneer lid 1 van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf
                        aan de OR.</al><al>Lid 4</al><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het
                        gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40
                        uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3</nr><titel>Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                                uitkeringen</al></li></lijst><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering </al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de
                        gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. </al><al>Lid 2</al><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                        functiewaarderingssysteem.</al><al>Lid 3</al><al>Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van een
                        functiewaarderingssysteem. </al><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                        uitkeringen</al><al>Lid 1</al><al>Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris,
                        vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk. Dit
                        recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn
                        verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten. </al><al>Lid 2</al><al>De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de
                        uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is
                        bepaald. </al><al>Artikel 3:2:0:1 Gebroken tijdvakken</al><al>Wanneer het salaris of een salaristoelage moet worden berekend over een
                        gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het
                        maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand. </al><al>Paragraaf 2 Salaris</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al></li></lijst><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn
                        functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het
                        salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de
                        functieschaal.</al><al>Lid 2</al><al>Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet
                        aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en
                        bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal
                        dan de functieschaal worden vastgesteld.</al><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al><al>Lid 1</al><al>Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek
                        toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de ambtenaar functioneert voldoende; </al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet
                                bereikt; </al></li><li nr="c."><al> er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn
                                laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging
                        aanvullende voorwaarden stellen.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging
                        toekennen.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor
                        de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum
                        vaststellen.</al><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al><al>Lid 1</al><al>Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan
                        gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of
                        andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden
                        herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een
                        overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van
                        artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager
                        maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van
                        hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris
                        en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover
                        geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut.</al><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft
                        vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris. </al><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015
                        in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger
                        dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels
                        gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de
                        uitloopschaal. </al><al>Paragraaf 3 Salaristoelagen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al></li></lijst><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend
                        heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het
                        maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage
                        toekennen.</al><al>Lid 2</al><al>De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de
                        gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend. </al><al>Lid 3</al><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem
                        in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt
                        daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van
                        een ernstig tekort aan personeel.</al><al>Lid 2</al><al>De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld,
                        met een maximum van 3 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al><al>Lid 1</al><al>Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een
                        hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een
                        waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming
                        deel uitmaakt van de eigen functie.</al><al>Lid 2</al><al>Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk
                        aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris
                        dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere
                        schaal zou zijn ingedeeld. </al><al>Lid 3</al><al>Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid
                        toegekend.</al><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden
                        (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een
                        percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: </al><lijst><li nr="§"><al>maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00
                                uur en 22.00 uur: 20% </al></li><li nr="§"><al> maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00
                                en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="§"><al> zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="§"><al> zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen
                                0.00 en 24.00 uur: 65%</al></li></lijst><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het
                        uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op
                        één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1
                        genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</al><al>Lid 3</al><al>Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan
                        niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden
                        uitbetaald.</al><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die
                        door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel
                        4:2, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage. </al><al>Lid 2</al><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="§"><al>50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten
                                het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
                                zaterdag; </al></li><li nr="§"><al> 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
                                zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft
                        geen recht op een buitendagvenstertoelage.</al><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                        beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst. </al><al>Lid 2</al><al>De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met
                        vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de
                        feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid.</al><al>Lid 3</al><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het
                        uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.</al><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen,
                        indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke
                        arbeid.</al><al><vet>Artikel 3:14:0:1 Inconveniënten</vet></al><al>Lid 1 </al><al>De medewerkers in de buitendienst ontvangen een vergoeding voor het
                        verrichten van vuil, vies en onaangenaam werk. De vergoeding bedraagt 1/2
                        maal het verschil tussen de bedragen van regel 13 en 12 van de
                        inpassingstabel van het BBRA 1984. </al><al>Lid 2 </al><al>De medewerkers die een niet volledige dagtaak werken ontvangen naar
                        evenredigheid een vergoeding. </al><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager
                        salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen.</al><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de
                        toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend
                        wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien: </al><lijst><li nr="§"><al>hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden
                                gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én</al></li><li nr="§"><al>met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is
                                gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="§"><al>op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of
                                9e) van toepassing is, of </al></li><li nr="§"><al> indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een
                                sociaal plan.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage
                        bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar
                        25% van het af te bouwen bedrag.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen onderhevig
                        was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande
                        12 maanden.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie
                        aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de
                        afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging. </al><al>Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                                prestaties</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in
                                en door de dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                zorgverzekering</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                zorgverzekering</al></li></lijst><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn
                        als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de
                        Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of
                        interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met
                        bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht. </al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor
                        de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de
                        uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een
                        toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald. </al><al>Lid 2</al><al>De overwerkvergoeding bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, </al></li><li nr="b."><al> het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het
                                volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar:</al><lijst><li nr="§"><al> 100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5)
                                        tussen 0.00 en 24.00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;
                                    </al></li><li nr="§"><al> 75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een
                                        feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of
                                        vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag
                                        donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag
                                        of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur.</al></li></lijst></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg
                        mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van
                        de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de
                        ambtenaar wenst.</al><al>Lid 4</al><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan
                        bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het
                        uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede
                        lid onder b.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing
                        is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over
                        de gewerkte tijd een overwerkvergoeding.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft
                        geen recht op een overwerkvergoeding.</al><al><vet>Artikel 3:18:0:1 Overwerk</vet></al><al>Lid 1 </al><al>Van overwerk is geen sprake indien iemand, van welk functieniveau dan ook,
                        iets langer doorwerkt om een karwei af te maken o.i.d. Deze “blessuretijd”
                        wordt ook niet gecompenseerd, noch in geld, noch in tijd. </al><al>Lid 2 </al><al>Ziet een medewerker nog veel werk liggen dat afgemaakt moet worden dan kan
                        hij zijn afdelingshoofd of diens vervanger verzoeken overuren te mogen
                        draaien. </al><al>Lid 3 </al><al>Het afdelingshoofd of diens vervanger kan een medewerker, binnen
                        redelijkheid en billijkheid, overwerk opdragen. </al><al>Lid 4 </al><al>Werk boven de vastgestelde arbeidstijd per dag geldt pas als overuur na
                        uitdrukkelijke toestemming voor het draaien van overuren van het
                        afdelingshoofd of diens vervanger of indien het op diens uitdrukkelijke
                        opdracht als overuur gewerkt wordt. </al><al>Lid 5 </al><al>Overuren worden gecompenseerd in tijd en in geld. Elk overuur wordt
                        bijgeschreven op de blauwe kaart. Daarnaast wordt een
                        overurendeclaratieformulier ingevuld om het overurenpercentage (conform
                        artikel 3:18 CAR-UWO uit te betalen. Dit formulier moet voor de vijfde van
                        elke maand worden doorgestuurd naar P&amp;O, ondertekend door de medewerker
                        en zijn leidinggevende of diens vervanger. Alleen originele formulieren
                        worden verwerkt. Kopieën worden niet geaccepteerd. </al><al>Lid 6 </al><al>De uren die op de blauwe kaart zijn bijgeschreven moeten zo spoedig mogelijk
                        worden opgenomen. </al><al>Lid 7 </al><al>Naar het volgend jaar mag slechts een aantal overuren worden overgeschreven
                        ter grootte van het aantal arbeidsuren per week. Het resterende aantal uren
                        vervalt per 1 januari. </al><al>Lid 8 </al><al>Overwerk kan alleen in opdracht van de leidinggevende, het bijwonen van
                        vergaderingen zoals raadsvergaderingen waar betrokkene zelf geen werk doet,
                        horen bij de functie, en gelden niet als overwerk.</al><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al><al>Lid 1</al><al>Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50
                        jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die
                        hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.</al><al>Lid 2</al><al>Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het
                        maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren,
                        tezamen vermeerderd met 8%. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de
                        toelage het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand
                        van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%.</al><al>Lid 3</al><al>Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 of 8:4
                        CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken
                        van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een
                        jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval
                        wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de
                        maatgevende maand aangemerkt. </al><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                        prestaties</al><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een
                        geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere
                        prestaties. </al><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor
                        reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van
                        het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse
                        tarief.</al><al><vet>Artikel 3:21:0:1 Reis- en verblijfkostenvergoeding</vet></al><al>Lid 1 </al><al>Medewerkers hebben recht op een vergoeding van reis- en verblijfkosten in
                        het geval van dienstreizen. </al><al>Lid 2 </al><al>De reiskostenvergoeding voor zakelijke doeleinden (en één- of tweedaagse
                        congressen of studiedag niet zijnde een cursus) bedraagt € 0,31 per
                        kilometer indien gebruik wordt gemaakt van eigen vervoer en vergoeding van
                        het vervoersbewijs indien gebruik gemaakt wordt van het openbaar vervoer.
                        Bij gebruik van openbaar vervoer mag eerste klas worden gereisd. </al><al>Lid 3 </al><al>Bij reizen voor studie bedraagt de vergoeding € 0,09 per kilometer, indien
                        gebruik wordt gemaakt van eigen vervoer en bovenstaande regeling bij
                        openbaar vervoer. Indien bij studie meerdere personen in 1 auto reizen,
                        ontvangt de bestuurder € 0,31 per kilometer i.p.v. € 0,09. De passagiers
                        ontvangen geen vergoeding. </al><al>Lid 4 </al><al>De reiskosten voor de heenweg worden vergoed vanaf de werkplaats
                        (gemeentehuis, gemeentewerkplaats) en niet vanaf de woonplaats. Voor de
                        terugweg worden ze vergoed tot aan de werkplaats. Indien in de gemaakte
                        dienstreis een woon-werk component zit, wordt deze van de te vergoeden
                        kilometers (c.q. het af te leggen traject door openbaar vervoer)
                        afgetrokken. </al><al>Lid 5 </al><al>Voor reiskosten in het kader van woon-werkverkeer wordt geen vergoeding
                        betaald. </al><al>Lid 6 </al><al>Kosten voor de Westerscheldetunnel worden niet vergoed maar er is een T-tag
                        beschikbaar. Vanaf 1 oktober 2006 worden parkeerkosten vergoed, men dient
                        wel een bonnetje te overleggen bij de reisdeclaratie. </al><al><vet>Artikel 3:21:0:2 Lunch- en dinervergoeding</vet></al><al>Per 1 januari 2010 gelden de volgende regels en bedragen voor lunch- en
                        dinervergoeding. Indien de medewerker na een zakelijke dienstreis (geen
                        studie) niet voor 18.00 uur thuis kan zijn, mag maximaal € 20,81 worden
                        gedeclareerd ter vergoeding van een maaltijd. Voor een genoten lunch tijdens
                        een zakelijke activiteit kan maximaal een bedrag van € 8,30 worden
                        gedeclareerd. Van de lunch of maaltijd moet een gespecificeerde bon,
                        voorzien van datum worden ingediend. </al><al><vet>Artikel 3:21:0:3 NS business cards</vet></al><al>Lid 1 </al><al>Ter vervanging van de eerdere ‘papieren’ trajectkaarten wordt er vanaf 1
                        juli 2014 gebruik gemaakt van NS business cards . Dit houdt in dat reizen
                        met het openbaar vervoer (trein, bus, metro en tram) kan plaatsvinden met de
                        business cards die in het bezit zijn van de gemeente. De gemeente bezit over
                        vijf eerste klas NS business cards. De kaarten kunnen alleen worden gebruikt
                        voor dienstreizen en reizen voor studie of opleiding. De gemeente ontvangt
                        maandelijks achteraf een rekening voor de kosten van het afgelegde traject.
                        Belangrijk is dat voor zowel trein, bus, tram als metro moet worden
                        ingecheckt en uitgecheckt met de NS business card. Wanneer er wordt vergeten
                        om in of uit te checken kan de ritprijs niet worden bepaald en wordt er een
                        correctietarief in rekening gebracht. De meerkosten worden dan aan de
                        medewerker doorberekend. Zie de instructie op de website van de NS over in-
                        en uitchecken: www.ns.nl/reizigers/ovchipkaart/reizen. </al><al>Lid 2 </al><al>De NS business cards zijn in beheer van de afdeling Financiën. Als je de
                        kaart wilt gebruiken, wordt gevraagd wat het reisdoel is en de bestemming.
                        Breng de NS business card na gebruik z.s.m. terug. Indien je de kaart bent
                        verloren, geef dit dan direct door aan de afdeling Financiën, zodat de kaart
                        kan worden geblokkeerd. </al><al>Lid 3 </al><al>Afspraak is dat er gebruik wordt gemaakt van één van de vijf business cards
                        die in het bezit zijn van de gemeente. Pas wanneer deze cards niet
                        beschikbaar zijn, kan er gebruikt gemaakt worden van de eigen OV chipkaart. </al><al><vet>Artikel 3:21:0:4 OV chipkaart </vet></al><al>Lid 1 </al><al>Als u een anonieme OV-chipkaart heeft, kunt u de laatste tien transacties
                        opvragen bij een balie of verkoopautomaat van de Nederlandse Spoorwegen of
                        een andere vervoerder waarmee u heeft gereisd. Er kan dan een bon worden
                        afgedrukt waarop de (laatste 10) transacties staan. Deze bon kunt u
                        vervolgens bij uw reisdeclaratie indienen. </al><al>Lid 2 </al><al>Heeft u een persoonlijke OV-chipkaart, dan kunt u uw reisoverzicht
                        downloaden via www.ov-chipkaart.nl. Als u daar een account opent, kunt u bij
                        ‘Mijn OV-chipkaart' uw reis- en transactieoverzicht bekijken en afdrukken.
                        Die print kunt u vervolgens bij uw reisdeclaratie indienen. </al><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
                        toekennen. </al><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al><al>Lid 1</al><al>Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt
                        de dag na het overlijden van de ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><al>Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of
                        bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen – een
                        overlijdensuitkering, die bestaat uit: driemaal het laatst genoten salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%.</al><al>Lid 3</al><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan
                        wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen,
                        ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.</al><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door
                        de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is
                        van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende
                        partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat,
                        wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen. </al><al>Lid 2</al><al>De uitkering bedraagt één jaarsalaris en de toegekende salaristoelage(n),
                        tezamen vermeerderd met 8%, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk
                        voorafgaande aan de maand van overlijden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt
                        als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst,
                        bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor
                        het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het
                        tweede lid genoemde uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan
                        wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen,
                        ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. </al><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                        zorgverzekering</al><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten
                            Amsterdam en Den Haag)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten als hij
                        één van de volgende aanvullende zorgverzekeringen heeft: Extra Zorg 3 of 4
                        bij IZA, Plus Collectief of Top Collectief bij CZ, Collectief Aanvullend 3
                        of 4 bij Menzis.</al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                        maand december uitbetaald. </al><al>Lid 3</al><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de
                        ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten. </al><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering</al><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten
                            Amsterdam en Den Haag)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van
                        de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de
                        hoogste periodiek van schaal 6.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt
                        ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij
                        in dienst is geweest.</al><al>Lid 4</al><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december.
                        Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum
                        voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in
                        dienst is geweest. </al><al>Paragraaf 5 Individueel keuzebudget</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3:27 Algemeen</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:28 Opbouw IKB</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:29 Doelen IKB</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:30 Doelen IKB</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:31 Waarde van een vakantie-uur</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:32 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:33 Wet- en regelgeving</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:34 Vakantietoelage 2016</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:35 Overige bepalingen</al></li></lijst><al>Artikel 3:27 Algemeen</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna te noemen:
                        IKB. </al><al>Lid 2</al><al>Het college is beheerder van het IKB</al><al>Lid 3</al><al>Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar
                        keuze kan gebruiken voor de doelen genoemd in artikel 3:29, op de wijze
                        zoals vastgelegd is in deze paragraaf.</al><al>Artikel 3:28 Opbouw IKB</al><al>Lid 1 </al><al>Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover pensioen
                        wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt opgebouwd. </al><al>Lid 2</al><al>Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al> 8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende
                                salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3
                                van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag
                                is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en </al></li><li nr="b."><al>6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende
                                salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van €
                                145,83 bij een volledig dienstverband, en </al></li><li nr="c."><al>1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de
                                ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat
                                dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig
                                dienstverband. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al> 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende
                                salaris, en </al></li><li nr="b."><al> indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de
                                ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw
                                geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar
                                geldt, tenzij artikel 9a:9 lid 1, onderdeel b van toepassing is.
                            </al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        gedeeltelijk zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend op
                        basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelage(n).
                        Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris dan wordt in die maand geen
                        IKB opgebouwd.</al><al>Lid 5</al><al>Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        gedeeltelijk zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3 lid 2 tot en met 4 dan
                        wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in die maand berekend
                        op basis van het volledige salaris en toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 6</al><al>Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een
                        persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en niet is
                        opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 van hoofdstuk 3. </al><al>Lid 7</al><al>Op de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:1 is lid 2, onderdeel c van dit
                        artikel niet van toepassing. De vorige volzin geldt niet voor de ambtenaar
                        bedoeld in artikel 9b:50.</al><al>Artikel 3:29 Doelen IKB</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier maal de
                                aanstellingsduur per week gedurende het kalenderjaar;</al></li><li nr="b."><al> extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een maximum van het
                                tot aan de datum van uitbetaling opgebouwde IKB;</al></li><li nr="c."><al> het financieren van een opleiding, indien en voor zover deze niet
                                door de gemeente wordt vergoed en de geldende fiscale regelgeving de
                                besteding van het IKB aan dit doel belastingvrij mogelijk maakt.
                            </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan de bestedingsdoelen zoals omschreven in lid 1 aanvullen. </al><al><vet>Artikel 3:29:0:1 Regeling bestedingsdoel fiets</vet></al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan het IKB door middel van een fiscaal gunstige uitruil:</al><lijst><li nr="a."><al>tot een bedrag van maximaal € 1.000,00 gebruiken voor het
                                financieren van de aankoop van een fiets, en</al></li><li nr="b."><al>tot een redelijk en gangbaar bedrag gebruiken voor het financieren
                                van de premie van een fietsverzekering voor deze aangekochte fiets.
                                De aanvullende voorwaarde is wel dat de ambtenaar een aparte
                                fietsverzekering afsluit speciaal voor de aangekochte fiets als
                                bedoeld in sub a. Indien de verzekering van de fiets een looptijd
                                heeft over meerdere jaren dan dient de premie in een keer te worden
                                uitgeruild, blijkend uit de factuur. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder fiets in dit artikel wordt verstaan een rijwiel zonder hulpmotor of
                        een rijwiel met elektrische trapondersteuning.</al><al>Lid 3</al><al>Voor deelname geldt de voorwaarde dat de ambtenaar in het kalenderjaar van
                        aanvraag en de twee voorafgaande kalenderjaren geen fiets heeft aangeschaft
                        met gebruikmaking van deze regeling of met gebruikmaking van de
                        overgangsregeling zoals bedoeld in lid 9 of met gebruikmaking van een
                        vergelijkbare regeling bij een andere werkgever.</al><al>Lid 4</al><al>Deelname aan de regeling is alleen mogelijk indien de ambtenaar de fiets
                        voor meer dan de helft van het aantal werkdagen waarop de ambtenaar zijn
                        werkzaamheden verricht, gebruikt voor het woon-werkverkeer. Het gebruik voor
                        woon-werkverkeer is aannemelijk als de ambtenaar tot 15 kilometer van de
                        werkplek woont. De regeling geldt ook voor het zogenaamde voor- en
                        natransport (bijvoorbeeld met de fiets van en naar het treinstation of de
                        carpoolplaats).</al><al>Lid 5</al><lijst><li nr="a."><al>De ambtenaar koopt de gewenste fiets bij een zelf te kiezen
                                leverancier. De leverancier van de fiets dient ingeschreven te staan
                                bij de Kamer van Koophandel. De ambtenaar betaalt zelf de factuur
                                van de fiets aan de leverancier en overlegt bij de aanvraag de
                                factuur van deze fiets.</al></li><li nr="b."><al>De ambtenaar sluit zelf een fietsverzekering af voor deze
                                aangekochte fiets bij de fietsleverancier of bij een verzekeraar. De
                                ambtenaar betaalt zelf de factuur voor de premie van deze fiets en
                                overlegt bij de aanvraag de factuur van deze fietsverzekering.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>De factuur of facturen omvatten een duidelijke specificatie van de
                        aanschafprijs van de fiets, de premie van de verzekering en zijn voorzien
                        van een factuurdatum.</al><al>Lid 7</al><al>De datum van de factuur van de fiets/fietsverzekering wordt aangemerkt als
                        aankoopdatum van de fiets/fietsverzekering. Een aanvraag dient, met
                        inachtneming van het tweede, vierde en vijfde lid van artikel 3:30, in
                        hetzelfde kalenderjaar plaats te vinden als de aankoopdatum van de
                        fiets/fietsverzekering. </al><al>Lid 8</al><al>Het college stelt na honorering van de aanvraag het bedrag van de fiscale
                        uitruil vast en keert dit bedrag ten laste van het IKB-budget van de
                        ambtenaar in een keer uit via de salarisbetaling.</al><al>Lid 9 (Overgangsbepaling)</al><al>Indien een ambtenaar deelneemt aan de cafetariaregeling fiets zoals die tot
                        1 januari 2017 geldend was en die deelname is op 1 januari 2017 nog niet
                        beëindigd, vindt de afwikkeling van dit fietspakket voor de resterende
                        looptijd plaats op basis van de fietsregeling zoals die geldend was voor 1
                        januari 2017 met dien verstande dat indien de ambtenaar heeft gekozen voor
                        uitruil van het fietspakket met (een combinatie van) de componenten
                        vakantietoelage, eindejaarsuitkering of levensloopbijdrage, het college
                        gerechtigd is de overeengekomen bedragen zonder tussenkomst en zonder
                        instemming van de ambtenaar af te boeken van het IKB budget in de maand mei
                        voor wat betreft de component vakantiegeld, in de maand december voor wat
                        betreft de componenten eindejaarsuitkering en levensloopbijdrage. Immers de
                        componenten vakantietoelage, eindejaarsuitkering en levensloopbijdrage zijn
                        na 1 januari 2017 als zelfstandige arbeidsvoorwaarden komen te
                        vervallen.</al><al>Indien in de aangegeven maanden het IKB budget ontoereikend is, is het
                        college gerechtigd de bedragen zonder tussenkomst en zonder instemming van
                        de ambtenaar af te boeken van het salaris.</al><al><vet>Artikel 3:29:0:1 Regeling bestedingsdoel fiets (Toelichting)</vet></al><al>Onderstaand rekenvoorbeeld is indicatief en bedoeld om inzicht te geven in
                        het gevolg van besteding van het IKB voor de aanschaf van een fiets. Hieraan
                        kunnen geen rechten worden ontleend.</al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld</onderstreept></cursief></al><al><cursief>De medewerker heeft een fiets gekocht en wendt het IKB aan om dit
                            te financieren. De medewerker gebruikt hiervoor het maximale bedrag €
                            1.000, -. Hierdoor is geen belasting verschuldigd over € 1.000, - bruto.
                            Aan het einde van de rit (op de salarisstrook) wordt € 1.000, - netto
                            uitbetaald. Het voordeel is afhankelijk van de het belastingtarief. Voor
                            de medewerker geldt een tarief van 40.2%. Het voordeel voor de
                            medewerker is dit geval ongeveer € 400, - netto.</cursief></al><al><cursief><onderstreept>Fiscalen gevolgen voor
                            medewerker</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Het uitruilen heeft geen gevolgen voor het pensioengevend inkomen
                            zolang de uitruil niet meer bedraagt dan 30% van het gebruikelijke loon.
                            Door uit te ruilen daalt het fiscale loon. Dit kan leiden tot eventuele
                            toekomstige lagere uitkeringen die onder andere voortvloeien uit de
                            sociale verzekeringswetgeving (o.a. WW-uitkering, WIA-uitkering,
                            ZW-uitkering).</cursief></al><al><vet>Artikel 3:29:0:2 Regeling bestedingsdoel reiskosten
                            woon-werkverkeer</vet></al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan - indien hier fiscale ruimte toe is en tot maximaal deze
                        fiscale ruimte – maandelijks het IKB gebruiken voor de fiscale uitruil
                        woon-werkverkeer. </al><al>Uitruil kan alleen plaatsvinden met ingang van de eerste van een
                        kalendermaand en kan niet verder terugwerken dan de eerste dag van de maand
                        waarin de aanvraag is ingediend. Bij de uitruil wordt het tweede, vierde en
                        vijfde lid van artikel 3:30 in acht genomen.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar kan in afwijking van lid 1 - indien hier fiscale ruimte toe is
                        en tot maximaal deze fiscale ruimte – eenmaal per jaar in de maand december
                        het IKB gebruiken voor de fiscale uitruil woon-werkverkeer over het tijdvak
                        januari t/m december van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt
                        ingediend. Bij de uitruil wordt het tweede, vierde en vijfde lid van artikel
                        3:30 in acht genomen.</al><al>Lid 3</al><al>Onder fiscale ruimte wordt verstaan: Het verschil tussen wat fiscaal
                        onbelast mag worden vergoed en wat daadwerkelijk door het college wordt
                        vergoed.</al><al>Lid 4</al><al>De maximale onbelaste jaarlijkse vergoeding woon-werkverkeer wordt berekend
                        door hantering van de formule: (<cursief>aantal werkdagen per
                            week/5</cursief>)<cursief> * 214 *reisafstand retour * €
                        0,19</cursief></al><al>In deze formule is rekening gehouden met reisonderbrekingen voor
                        bijvoorbeeld incidenteel thuiswerken, ziekte, vakantie en verlof. Indien er
                        structureel op bepaalde werkdagen thuis wordt gewerkt, mogen die dagen niet
                        worden meegenomen voor de berekening van de vergoeding. </al><al>Buiten beschouwing blijven ook extra verreden kilometers woon-werkverkeer om
                        thuis te lunchen, extra verreden kilometers woon-werkverkeer als gevolg van
                        overwerk of extra verreden kilometers woon-werkverkeer gemaakt uit andere
                        privé-overwegingen.</al><al>Lid 5</al><al>De totale reisafstand per dag zoals bedoeld in het vorige lid, wordt
                        berekend op basis van de straat, postcode en huisnummer met het
                        routeplannerprogramma Routenet
                        (<onderstreept>www.routenet.nl</onderstreept>) volgens de routeoptie
                        “optimaal”. </al><al>Lid 6</al><al>In geval van afwezigheid of ziekte van de ambtenaar van meer dan zes
                        aaneensluitende weken, wordt de maandelijkse uitruil stopgezet. Als
                        langdurige afwezigheid van de ambtenaar wordt verwacht, vindt de uitruil nog
                        plaats tijdens de lopende en de eerstvolgende kalendermaand. Hervatting van
                        de uitruil vindt plaats vanaf de eerste van de kalendermaand volgend op de
                        maand waarin de ambtenaar weer gaat werken.</al><al>Indien de ambtenaar kiest voor een uitruil van eenmaal per jaar, is het de
                        ambtenaar niet toegestaan tijdvakken van meer dan zes aaneensluitende weken
                        van afwezigheid of ziekte mee te nemen in de uitruil. </al><al>Lid 7</al><al>Het college stelt na honorering van de aanvraag het bedrag van de fiscale
                        uitruil vast en keert dit bedrag ten laste van het IKB-budget van de
                        ambtenaar uit via de maandelijkse salarisbetaling (periodiek) of in een keer
                        in de maand december (eenmalig).</al><al>Lid 8</al><al>Indien de ambtenaar heeft gekozen voor maandelijkse uitruil en deze
                        maandelijkse uitruil wil stoppen, dient de ambtenaar dit zelf in de digitale
                        IKB-module aan te geven. Het initiatief hiertoe rust uitdrukkelijk bij de
                        ambtenaar.</al><al>Lid 9</al><al>In geval van wijzigingen die van invloed zijn op de uitruil, zoals
                        verhuizing, aanpassing werkdagen, is de ambtenaar verplicht deze wijzigingen
                        in de digitale IKB-module te verwerken door middel van een nieuwe
                        aanvraag.</al><al>Lid 10</al><al>Indien de ambtenaar structureel meer standplaatsen heeft, wordt voor de
                        berekening van de fiscale ruimte uitgegaan van deze meerdere
                        standplaatsen.</al><al>Lid 11</al><al>Op 31 december 2016 eindigen alle overeenkomsten fiscale uitruil
                        woon-werkverkeer afgesloten tussen het college en de ambtenaar op basis van
                        de cafetariaregeling woon-werk zoals die tot 1 januari 2017 geldend
                        was.</al><al>Lid 12 (Overgangsregeling algemeen)</al><al>Indien een ambtenaar deelneemt aan de cafetariaregeling reiskosten woon-werk
                        zoals die tot 1 januari 2017 geldend was en de uitruil voor het jaar 2016 is
                        nog niet afgewikkeld omdat de uitruil van 2016 plaatsvindt met bronnen van
                        het jaar daaropvolgend, vindt de afwikkeling van de uitruil 2016 plaats op
                        basis van de cafetariaregeling reiskosten woon-werk zoals die geldend was
                        voor 1 januari 2017 met dien verstande dat indien de ambtenaar heeft gekozen
                        voor uitruil met (een combinatie van) de componenten vakantietoelage,
                        eindejaarsuitkering of levensloopbijdrage, het college gerechtigd is de
                        overeengekomen bedragen zonder tussenkomst en zonder instemming van de
                        ambtenaar af te boeken van het IKB budget in de maand mei voor wat betreft
                        de component vakantiegeld, in de maand december voor wat betreft de
                        component eindejaarsuitkering en levensloopbijdrage. Immers de componenten
                        vakantietoelage, eindejaarsuitkering en levensloopbijdrage zijn na 1 januari
                        2017 als zelfstandige arbeidsvoorwaarden komen te vervallen.</al><al>Indien in de aangegeven maanden het IKB budget ontoereikend is, is het
                        college gerechtigd de bedragen zonder tussenkomst en zonder instemming van
                        de ambtenaar af te boeken van het salaris.</al><al><vet>Artikel 3:29:0:2 Regeling bestedingsdoel reiskosten woon-werkverkeer
                            (Toelichting)</vet></al><al>Onderstaand rekenvoorbeeld is indicatief en bedoeld om inzicht te geven in
                        het gevolg van besteding van het IKB voor de fiscale uitruil
                        woon-werkverkeer. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.</al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Een medewerker werkt op 5 dagen per week en reist iedere dag 50
                            kilometer naar het werk. Maximale onbelaste jaarlijkse vergoeding
                            woon-werkverkeer = 5/5 * 214 * 50 * € 0,19 = € 2.033, - . Dit is per
                            maand € 2.033, - /12 = €169,42. </cursief></al><al><cursief>Op basis van een lokale regeling vergoeding woon-werkverkeer,
                            ontvangt de medewerker netto € 69,42 per maand.</cursief></al><al><cursief>Het verschil tussen wat fiscaal onbelast mag worden vergoed en wat
                            daadwerkelijk door de werkgever wordt vergoed, is de zogenoemde fiscale
                            ruimte. Deze ruimte kan worden benut door de het IKB hiervoor in te
                            zetten.</cursief></al><al><cursief>De medewerker heeft een fiscale ruimte van € 100, - per maand. De
                            medewerker kiest om hiervoor zijn IKB te gebruiken. Hierdoor is geen
                            belasting verschuldigd over € 100, - bruto. Aan het einde van de rit (op
                            de salarisstrook) wordt € 100, - netto uitbetaald. Het voordeel is
                            afhankelijk van de het belastingtarief. Voor de medewerker geldt een
                            tarief van 40.2%. Het voordeel voor de medewerker is dit geval ongeveer
                            € 40, - netto per maand.</cursief></al><al><cursief><onderstreept>Fiscalen gevolgen voor
                            medewerker</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Het uitruilen heeft geen gevolgen voor het pensioengevend inkomen
                            zolang de uitruil in een jaar niet meer bedraagt dan 30% van het
                            gebruikelijke loon. Door uit te ruilen daalt het fiscale loon. Dit kan
                            leiden tot eventuele toekomstige lagere uitkeringen die onder andere
                            voortvloeien uit de sociale verzekeringswetgeving (o.a. WW-uitkering,
                            WIA-uitkering, ZW-uitkering).</cursief></al><al><vet>Artikel 3:29:0:3 Regeling bestedingsdoel vakbondscontributie</vet></al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar kan, indien hij lid is van een vakbond, door middel van een
                        fiscaal gunstige uitruil eenmaal per jaar het IKB gebruiken voor het
                        financieren van de contributie van de vakbond over het tijdvak januari t/m
                        december van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.</al><al>Bij de uitruil wordt het tweede, vierde en vijfde lid van artikel 3:30 in
                        acht genomen.</al><al>Lid 2 </al><al>De ambtenaar betaalt zelf de factuur van de vakbondscontributie en overlegt
                        bij de aanvraag een betalingsbewijs van de contributie. Het tijdvak waarover
                        contributie is betaald moet daar onomstotelijk uit blijken.</al><al>Lid 3 </al><al>Het college stelt na honorering van de aanvraag het bedrag van de fiscale
                        uitruil vast en keert dit bedrag ten laste van het IKB-budget van de
                        ambtenaar in een keer uit via de salarisbetaling.</al><al>Lid 4 (Overgangsbepaling)</al><al>Indien een ambtenaar deelneemt aan de cafetariaregeling vakbondscontributie
                        zoals die tot 1 januari 2017 geldend was en de uitruil voor het jaar 2016 is
                        op 1 januari 2017 nog niet beëindigd, vindt de afwikkeling van de uitruil
                        2016 plaats op basis van de cafetariaregeling vakbondscontributie zoals die
                        geldend was voor 1 januari 2017 met dien verstande dat indien de ambtenaar
                        heeft gekozen voor uitruil met (een combinatie van) de componenten
                        vakantietoelage, eindejaarsuitkering of levensloopbijdrage, het college
                        gerechtigd is de overeengekomen bedragen zonder tussenkomst en zonder
                        instemming van de ambtenaar af te boeken van het IKB budget in de maand mei
                        voor wat betreft de component vakantiegeld, in de maand december voor wat
                        betreft de component eindejaarsuitkering en levensloopbijdrage. Immers de
                        componenten vakantietoelage, eindejaarsuitkering en levensloopbijdrage zijn
                        na 1 januari 2017 als zelfstandige arbeidsvoorwaarden komen te
                        vervallen.</al><al>Indien in de aangegeven maanden het IKB budget ontoereikend is, is het
                        college gerechtigd de bedragen zonder tussenkomst en zonder instemming van
                        de ambtenaar af te boeken van het salaris.</al><al><vet>Artikel 3:29:0:3 Regeling bestedingsdoel vakbondscontributie
                            (Toelichting)</vet></al><al>Onderstaand rekenvoorbeeld is indicatief en bedoeld om inzicht te geven in
                        het gevolg van besteding van het IKB voor de financiering van de
                        vakbondscontributie. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.</al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld</onderstreept></cursief></al><al><cursief>De medewerker is lid van de vakbond en wendt het IKB aan om de
                            verschuldigde contributie te financieren. De contributie bedraagt in dit
                            voorbeeld € 192, - per jaar. Hierdoor is geen belasting verschuldigd
                            over € 192, - bruto. Aan het einde van de rit (op de salarisstrook)
                            wordt € 192, - netto uitbetaald. Het voordeel is afhankelijk van de het
                            belastingtarief. Voor de medewerker geldt een tarief van 40.2%. Het
                            voordeel voor de medewerker is dit geval ongeveer € 77, -
                            netto.</cursief></al><al><cursief><onderstreept>Fiscale gevolgen voor
                            medewerker</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Het uitruilen heeft geen gevolgen voor het pensioengevend inkomen
                            zolang de uitruil niet meer bedraagt dan 30% van het gebruikelijke loon.
                            Door uit te ruilen daalt het fiscale loon. Dit kan leiden tot eventuele
                            toekomstige lagere uitkeringen die onder andere voortvloeien uit de
                            sociale verzekeringswetgeving (o.a. WW-uitkering, WIA-uitkering,
                            ZW-uitkering).</cursief></al><al><vet>Artikel 3:29:0:4 Regeling werkgeversbijdrage
                        sportfaciliteiten</vet></al><al>Lid 1</al><al>De medewerker kan het IKB niet gebruiken voor een fiscaal gunstige uitruil
                        ter financiering van de kosten verbonden aan sportbeoefening.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stimuleert de ambtenaar om meer te bewegen door middel van
                        sporten en geeft hiertoe op declaratiebasis een financiële bijdrage van
                        maximaal € 50, - netto per jaar aan elke ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>aan fysieke sportbeoefening doet in verenigingsverband of bij een
                                sportschool, of</al></li><li nr="b."><al>sportmiddelen aanschaft om zelf fysieke sport te beoefenen.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij aan fysieke sportbeoefening
                        doet of dat hij sportmiddelen heeft aangeschaft om fysieke sport te
                        beoefenen en overlegt bij de aanvraag een factuur en/of betalingsbewijs
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>de contributie van een sportvereniging,</al></li><li nr="b."><al>het abonnementsgeld van een sportschool,</al></li><li nr="c."><al>of de aanschaf van sportmiddelen.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Een aanvraag dient binnen hetzelfde kalenderjaar als de factuurdatum en/of
                        datum betalingsbewijs zoals bedoeld in lid 3 te zijn ingediend. </al><al>Lid 5</al><al>De aanschaf van een fiets als sportmiddel is uitgesloten van de regeling
                        omdat in het IKB al de aanschaf van een fiets als bestedingsdoel voor het
                        IKB is opgenomen.</al><al>Lid 6</al><al>Het college stelt na honorering van de aanvraag het bedrag vast en keert dit
                        bedrag in een keer uit via de salarisbetaling.</al><al>Lid 7</al><al>Het is de ambtenaar toegestaan meerdere aanvragen per kalenderjaar in te
                        dienen onder de voorwaarde dat het bepaalde in lid 4 in acht wordt genomen
                        en onder de voorwaarde dat het maximum bedrag van € 50, - netto in een
                        kalenderjaar nog niet is bereikt. </al><al>Artikel 3:30 Doelen IKB</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te gebruiken voor
                        een of meerdere van de in artikel 3:29 genoemde doelen. Hij heeft voor deze
                        keuze geen toestemming nodig. </al><al>Lid 2</al><al>Het college wijst in verband met de salarisverwerking voor elke maand een
                        uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar moet maken.</al><al>Lid 3</al><al>Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een deel van
                        zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of het resterende deel
                        daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het gereserveerde IKB op een later
                        moment in het lopende kalenderjaar besteden. </al><al>Lid 4</al><al>Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking in december
                        nog een resterend IKB dan wordt dit bij de salarisbetaling van die maand
                        uitbetaald.</al><al>Lid 5</al><al>Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare budget
                        toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend betrekking op
                        hetzelfde kalenderjaar. </al><al>Lid 6</al><al>Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden teruggestort
                        in het IKB. </al><al><vet>Artikel 3:30:0:1 Aanwijzing salarisverwerking</vet></al><al>De uiterste datum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:30 is de
                        negende dag van elke kalendermaand.</al><al>Artikel 3:31 Waarde van een vakantie-uur</al><al>Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt het IKB
                        per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende uurloon in de
                        maand waarin hij de vakantie-uren koopt. </al><al>Artikel 3:32 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</al><al>Lid 1 </al><al>Bij beëindiging van het dienstverband wordt het resterende IKB bij de
                        laatste salarisbetaling aan de ambtenaar uitbetaald. </al><al>Lid 2</al><al>Bij overlijden van de ambtenaar wordt in aanvulling op de
                        overlijdensuitkering het resterende IKB uitbetaald aan de nagelaten
                        betrekkingen zoals omschreven in artikel 3:23, lid 2 en 3.</al><al>Artikel 3:33 Wet- en regelgeving</al><al>Lid 1 </al><al>Het gebruik van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen, pensioen en
                        sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht deze gevolgen te kennen. </al><al>Lid 2</al><al>Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij is
                        uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                        verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde loonheffing of eventuele
                        boetes op de ambtenaar.</al><al>Lid 3</al><al>Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door wijzigingen van wet-
                        en regelgeving dan wordt dat niet gecompenseerd door het college. </al><al>Lid 4</al><al>Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met geldende wet-
                        en regelgeving.</al><al>Artikel 3:34 Vakantietoelage 2016</al><al>Lid 1 </al><al>De vakantietoelage die de ambtenaar heeft opgebouwd in de periode van juni
                        2016 tot en met december 2016 op grond van artikel 6:3 zoals dat gold op 31
                        december 2016 wordt uitbetaald bij de salarisbetaling van mei 2017. Dit
                        bedrag maakt geen onderdeel uit van het IKB. </al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar ontslag verleend wordt voor 1 mei 2017 dan wordt de
                        opgebouwde vakantietoelage over 2016 uitbetaald bij de laatste
                        salarisbetaling.</al><al>Artikel 3:35 Overige bepalingen </al><al>Voor de ambtenaar die werkzaam is in de kunsteducatie en op wie artikel
                        19b:10 van toepassing is, is artikel 3:28, lid 3, niet van toepassing. </al><al>Paragraaf 6 Overige individuele keuzemogelijkheden</al><al>Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren</al><al>Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten hoogste 72 uren
                        bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij een deeltijd dienstverband
                        wordt dit aantal naar rato vastgesteld. </al><al>Lid 2</al><al>Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van artikel 3:29 lid
                        1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit artikel.</al><al>Lid 3</al><al>Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij zwaarwegende
                        bedrijfsof dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Lid 4</al><al>Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure.</al><al>Lid 5</al><al>Het bepaalde in artikel 3:31 is van overeenkomstige toepassing. </al><al><vet>Artikel 3:36:0:1 Bovenwettelijk vakantieverlof </vet></al><al>Lid 1</al><al>Onder bovenwettelijk vakantieverlof als bedoeld in het eerste lid van
                        artikel 3:36 wordt ook verstaan verlofuren die zijn toegekend in verband
                        met:</al><lijst><li nr="a."><al>het inpassen in een bepaalde salarisschaal (salarisschaaluren),
                            </al></li><li nr="b."><al>het doorlopen van een bepaalde diensttijd (diensttijduren),</al></li><li nr="c."><al>het bereiken van een bepaalde leeftijd (leeftijdsverlofuren),
                                en</al></li><li nr="d."><al>het compenseren van verlofopname voor bid- en dankdag. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>ATV-uren, tijd-voor-tijdregelingen, overuren of meeruren, kunnen niet op
                        grond van artikel 3:36 in aanmerking komen voor verkoop.</al><al>Paragraaf 7 Overgangsrecht </al><al>Artikel 3:37 Overgangsrecht hoofdstuk 3</al><al>Artikel 3:37 Overgangsrecht hoofdstuk 3</al><lijst><li nr="1."><al>Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015
                                zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze
                                zijn toegekend.</al></li><li nr="2."><al>Lokale financiële arbeidsvoorwaarden die op al het personeel binnen
                                een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn
                                opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of
                                rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1
                                januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze
                                omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3
                                (jaarbedrag) deel 1. </al></li><li nr="3."><al>Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale
                                bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en
                                dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1
                                januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van
                                het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante
                                factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald: Het verschil
                                vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2. </al><lijst><li nr="a."><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou
                                        ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor
                                        toelagen/vergoedingen </al></li><li nr="b."><al> hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou
                                        ontvangen volgens de nieuwe systematiek.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage
                                overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                loonontwikkelingen.</al></li><li nr="5."><al> Er zijn geen anticumulatiebepalingen. </al></li><li nr="6."><al> Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer
                                per jaar wordt uitbetaald in de maand december. </al></li><li nr="7."><al> De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis
                                zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een
                                eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar.</al></li><li nr="8."><al>Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan
                                wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd. </al></li><li nr="9."><al> Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de
                                toelage overgangsrecht H3 naar rato.</al></li><li nr="10."><al> Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen
                                effect. </al></li><li nr="11."><al> Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of betaling
                                in termijnen gemaakt worden.</al></li><li nr="12."><al> Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31
                                december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de
                                ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe
                                artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de
                                lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben
                                op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
                                vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de
                                lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om
                                de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de
                                ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de
                                overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3. </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4</nr><titel>Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden </al><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van
                        hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. </al><al>Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden </al><al>Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden</al><al>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
                        dagvenster.</al><al>Lid 2</al><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00
                        uur.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken
                        over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de
                        ambtenaar, voor het komende jaar. </al><al>Lid 4</al><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat</al><lijst><li nr="a."><al> hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het
                                college;</al></li><li nr="b."><al>de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven;
                            </al></li><li nr="c."><al> de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50
                                uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.
                            </al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de
                        werktijden aangepast worden. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden
                        in relatie tot de planning van de werkzaamheden. </al><al>Lid 7</al><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd
                        voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding
                        van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast.
                        Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding
                        van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang
                        van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt
                        voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of
                        een uur vakantieverlof. </al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat
                        op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar
                        buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in
                        artikel 3:12. </al><al>Lid 9</al><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege
                        dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing. </al><al>Lid 10</al><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in
                        overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het
                        dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle
                        betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van
                        de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit
                        hoofdstuk. </al><al>Lid 11</al><al>. Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel
                        verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de
                        afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de
                        ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
                        ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de
                        buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel 3:12,
                        derde lid, is van overeenkomstige toepassing. </al><al>Lid 12</al><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de
                        werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om
                        verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan
                        afwijken. </al><al>Lid 13</al><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer
                        dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft
                        vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. </al><al>Artikel 4:2:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4:2:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden </al><lijst><li nr=""><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al></li></lijst><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                        eenzijdig wordt vastgesteld door het college. </al><al>Artikel 4:3:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4:3:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4:3:3 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al><al>Lid 1 </al><al>Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al><al>Lid 2</al><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. </al><al>Lid 3</al><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college
                        deze vast in een rooster. </al><al>Lid 4</al><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht
                        genomen: </al><lijst><li nr="a."><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend
                                gemaakt aan de ambtenaar. </al></li><li nr="b."><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op
                                een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken. </al></li></lijst><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het
                        dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts
                        mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk
                        gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke
                        feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig
                        mogelijk wordt beperkt. </al><al>Lid 3</al><al>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag
                        is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag,
                        de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide
                        Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit
                        artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook
                        voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende
                        feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop
                        de openbare dienst van de gemeente is gesloten.</al><al>Lid 5</al><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap
                        behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert,
                        overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft
                        ingediend.</al><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag of
                        zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij
                        arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</al><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere
                        regels stellen. </al><al>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</al><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</al><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters </al><al>Lid 1 </al><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die
                        bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster. </al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit
                        artikel een werktijdenregeling vast. </al><al>Lid 3</al><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor
                        dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. </al><al>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid </al><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid</al><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>opgebouwde verloftegoed: </vet> het voor 1 april 2006
                                opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b."><al><vet> kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed:</vet> het
                                omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per
                                verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het
                                moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het
                        college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten.
                        De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten
                        periode.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                        verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het
                        verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt
                        aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt
                        gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                        verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke
                        bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het
                        opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de
                        ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie
                        van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan
                        dit verzoek kan worden voldaan. </al><al>Lid 4</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende
                        opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn.
                        In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn
                        zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het
                        aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn
                        te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed
                        uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 5</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of 8:10 wordt
                        de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het
                        resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is,
                        wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
                        bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 6</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar
                        verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van
                        de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het
                        ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde
                        verloftegoed. </al><al>Lid 7</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het
                        resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. </al><al>Lid 8</al><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met
                        inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde
                        verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 9</al><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk
                        ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken
                        gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. </al><al>Lid 10</al><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald
                        naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5</nr><titel>Seniorenmaatregelen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5a</nr><titel>FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 5a is vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6</nr><titel>Vakantie en verlof</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 6:1 Recht op vakantie</al><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt
                        verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en
                        toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan
                        wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie wordt verleend door het college.</al><al>Artikel 6:2 Duur vakantie</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten
                        minste 144 uur per kalenderjaar.</al><al>Lid 2</al><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar
                        verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te
                        mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van
                        50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste
                        lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan
                        36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Artikel 6:2:1 Nadere regels</al><al>Lid 1</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene
                        regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                        arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid
                        verminderd.</al><al>Lid 3</al><al>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de
                        ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering
                        van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan
                        wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige
                        toepassing is.</al><al>Lid 4</al><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels
                        toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene,
                        bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke
                        mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in
                        artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de
                        ambtenaar rust. </al><al>Lid 5</al><al>In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere
                        regels vast.</al><al>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3
                        deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat
                        betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in
                        het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid
                        gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met
                        geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in
                        artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed-
                        en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al><al>Lid 3</al><al>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend,
                        alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden
                        gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die
                        beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere
                        ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van
                        de ambtenaar.</al><al>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                        redenen van afwezigheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt
                        ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat
                        hij zijn functie vervult.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid
                        , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur
                        van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het
                        derde lid. </al><al>Lid 3</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een
                        vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;</al></li><li nr="b."><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op
                        werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet
                        kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd
                        met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn
                        geweest.</al><al>Lid 5</al><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang
                        van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven.
                        Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet
                        verleend vakantie-uur.</al><al>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</al><al>Lid 1</al><al>Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de
                        vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten
                        vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde
                        van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of
                        het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel
                        6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de
                        vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</al><al>Artikel 6:2:5 Intrekking</al><al>Lid 1</al><al>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van
                        dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de
                        ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot,
                        worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen
                        bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke
                        schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</al><al>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</al><al>Lid 1</al><al>Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is
                        verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of
                                nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of</al></li><li nr="c."><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste
                                oefening,</al></li></lijst><al>wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij
                        het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich
                        daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven,
                        indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te
                        bepalen aantal uren. </al><al>Lid 2</al><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als
                        niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij,
                        ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest
                        zijn functie te vervullen.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de
                        ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan
                        anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal
                        uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk
                        anders is beslist.</al><al>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit dienstverband</al><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn
                        dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden
                        toegekend.</al><al>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof</al><al>Lid 1</al><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet
                        is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat
                        kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen
                        redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen,
                        of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk
                        in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in
                        lid 1 genoemde termijn verlengen.</al><al>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</al><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk
                        niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat
                        kalenderjaar.</al><al>Artikel 6:3 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 6:3:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten- en ander
                        kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                        doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen
                        aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n) kan worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het
                        college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een
                        op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.</al><al>Lid 4</al><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt
                        opgebouwd, is het verhaal van premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk
                        aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</al><al>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het huwelijk of
                        geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het
                        huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.</al><al>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend zorgverlof,
                        heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van
                        50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet
                        in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschorting van het
                        langdurend zorgverlof plaats.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen
                        wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang
                        van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 4</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet
                        wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend
                        zorgverlof. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen
                        en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van
                        de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie
                        beëindigd. </al><al>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Centrales van overheidspersoneel: </al><lijst><li nr="1."><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); </al></li><li nr="2."><al>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs
                                        Personeel (CCOOP); </al></li><li nr="3."><al>de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij
                                        overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF). </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke
                                zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van
                                overheidspersoneel. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het
                        college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van
                                ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke
                                ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren,
                                voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke
                                groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het
                                hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van
                                een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor
                                iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee
                                afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt
                                verleend; </al></li><li nr="b."><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is
                                van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen
                                indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van
                                groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke
                                groepsraad;</al></li><li nr="c."><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale
                                organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten,
                                indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die
                                vergadering deelneemt. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het
                        college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof
                        met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als
                                bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten
                                vereniging is aangewezen.</al><lijst><li nr="§"><al>om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te
                                        ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten
                                        vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk
                                        apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze
                                        centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten
                                        vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216
                                        uren per kalenderjaar; </al></li><li nr="§"><al>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor
                                        een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten
                                        hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400
                                        medewerkers; </al></li><li nr="§"><al>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per
                                        jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en
                                        ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400
                                        medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per
                                        organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een
                                        arbeidsvoorwaardenadviseur</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als
                                cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de
                                leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te
                                samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren. </al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt
                        het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid
                        verminderd. </al><al>Lid 5</al><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de
                        ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste
                        244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8
                        uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel,
                                genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een
                                vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is
                                aangesloten. </al></li><li nr="b."><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het
                                eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of
                                sectie van de centrale.</al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt
                        het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid
                        verminderd. </al><al>Lid 6</al><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de
                        ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het
                        eerste lid, onder b. </al><al>Lid 7</al><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de
                        ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is
                        aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid,
                        buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de vergadering van die
                        commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven
                        commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald,
                        geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                        waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. </al><al>Lid 8</al><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen,
                        waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid,
                        op een lager aantal uren kan worden gesteld. </al><al>Artikel 6:4:2a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per
                        kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz. </al><al>Lid 2</al><al>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de
                        ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder
                        dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</al><al>Lid 3</al><al>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de
                        helft voor de rekening van de ambtenaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de
                        verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie
                        bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</al><al>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</al><al>Lid 1</al><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                        Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in
                        artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste
                        vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en
                        de toegekende salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat
                        artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding
                        gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met
                        het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                        vaststellen.</al><al>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</al><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot
                        van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere
                        redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4.
                        Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.</al><al>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van
                        een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen
                        voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee
                        jaren.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en
                        premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies
                        en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof
                        wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de
                        pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten
                        hoogste drie maanden is verleend.</al><al>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</al><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                        mindering gebracht op de vakantie.</al><al>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof,
                        heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt
                        vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over
                        13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een
                        percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die
                        wordt gesalarieerd volgens:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="64*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="36*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>schaal 1:</al></entry><entry colname="col2"><al>90%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 2:</al></entry><entry colname="col2"><al>85%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 3:</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 4:</al></entry><entry colname="col2"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 5:</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 6 en hoger:</al></entry><entry colname="col2"><al>50%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald
                        ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan
                        hieromtrent nadere regels stellen. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is
                        artikel 6:9 niet van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek
                        indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een
                        zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee
                        in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt
                        opgeschort.</al><al>Artikel 6:5:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:5:2 Meerlingen</al><al>Lid 1</al><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                        ouderschapsverlof.</al><al>Lid 2</al><al>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                        overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere
                        kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de
                        mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al><al>Artikel 6:5:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie</al><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar die ouderschapsverlof geniet,
                        wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                        ouderschapsverlof.</al><al>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes
                        maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid,
                        of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te
                        betalen.</al><al>Lid 2</al><al>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in
                        artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een
                                andere gemeente; </al></li><li nr="b."><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan
                                doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot
                                of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende
                                oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie
                        maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor minder uren dan
                        hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het
                        salaris en de toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5
                        heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug
                        te betalen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich
                        tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid
                        bepaalde.</al><al>Artikel 6:5:6 Vervallen</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling</al><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet,
                        kan het college een bijzondere regeling treffen.</al><al>Artikel 6:5a Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6:5a:1 Vervallen</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 6:6 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>Lid 1</al><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                        doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in
                        mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste
                        lid recht heeft. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling
                        van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV. </al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                        vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel
                        het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en
                        dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het
                        salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</al><al>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of
                        pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van
                        zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 2</al><al>De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering
                        gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht
                        heeft.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof,
                        verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de
                        Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                        vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel
                        het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en
                        dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het
                        salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht. </al><al>Lid 5</al><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3,
                        niet op.</al><al>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                        levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het
                        college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van
                        tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden
                        onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode
                        van onbetaald verlof. </al><al>Lid 3</al><al>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde
                        voorwaarden.</al><al>Lid 4</al><al>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of
                        op een deel daarvan. </al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste
                        ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt
                        ingediend.</al><al>Lid 6</al><al>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na
                        ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de
                        beslissing van het college.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald
                        verlof geniet, kan het college het verlof intrekken. </al><al>Lid 8</al><al>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds
                        worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</al><al>Lid 9</al><al>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een
                        periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende
                        dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in
                        het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie
                        jaren.</al><al>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt
                        verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof. </al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen,
                        tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd
                        verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele
                        vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al><al>Lid 4</al><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en
                        premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies
                        en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof
                        wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de
                        pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten
                        hoogste drie maanden is verleend.</al><al>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</al><al>Lid 1</al><al>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald
                        verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van
                        de vijftiende kalenderdag. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald
                        verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende
                        gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof
                        voorafgaand aan pensionering. </al><al>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof. </al><al>6a De gemeentelijke levensloopregeling</al><al>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling:</vet> een regeling als
                                bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b."><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde
                                lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c."><al><vet>levenslooprekening:</vet> een bij de instelling door de
                                ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al><vet>levensloopverzekering:</vet> een bij de instelling door de
                                ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar
                                wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een levenslooprekening
                                onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:2 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling
                        meldt dit bij het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                        kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals
                        genoemd in artikel 6a:4.</al><al>Lid 3</al><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al><al>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij
                        de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                        inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in
                        dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit
                        levenslooptegoed. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college
                        informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de
                        ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een
                        andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de
                        voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname stelt.</al><al>Artikel 6a:5 Inleg</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze
                        en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al><al>Lid 3</al><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde
                        bronnen.</al><al>Artikel 6a:6 Bronnen</al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:</al><lijst><li nr="a."><al> het salaris; </al></li><li nr="b."><al> het IKB indien het college de levensloopregeling op grond van
                                artikel 3:29 lid 2 heeft aangewezen als bestedingsdoel van het IKB;
                            </al></li><li nr="c."><al> de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren, bedoeld
                                in artikel 3:36; </al></li><li nr="d."><al> het opgebouwde verloftegoed, bedoeld in artikel 4:9 lid 3. </al></li></lijst><al>Artikel 6a:7 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 6a:7a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee
                        maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het
                        college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden</al><al>Lid 2</al><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname
                        van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt
                        de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het
                        college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed.
                        Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al><al>Artikel 6a:10 Slotbepaling</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en
                        9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b
                        van toepassing is. </al><al>Artikel 6a:11 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>7</nr><titel>Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Definities</al><al>Artikel 7:1 Definities</al><al>Artikel 7:1 Definities</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de krachten en
                                bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om
                                redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem
                                kan worden gevergd; </al></li><li nr="b."><al><vet>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie:</vet>
                                loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de
                                eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in
                                het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c."><al><vet>scholing in het kader van de reïntegratie:</vet> scholing die
                                gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover
                                afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel
                                7:9, derde lid;</al></li><li nr="d."><al><vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                                arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende
                                mate haar oorzaak vindt in: en die niet aan schuld of nalatigheid
                                van de ambtenaar is te wijten; </al><lijst><li nr="§"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
                                        omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht
                                        of;</al></li><li nr="§"><al>in een dienstongeval verband houdende met de aard van de
                                        opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden
                                        waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al><vet>restverdiencapaciteit:</vet> het door UWV vast te stellen
                                inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden,
                                gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;</al></li><li nr="f."><al><vet>arbodienst:</vet> een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste
                                lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g."><al><vet>inactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een WW-uitkering,
                                aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering,
                                WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de
                                uitkering in dienst was van een gemeente;</al></li><li nr="h."><al><vet>postactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een uitkering
                                functioneel leeftijdsontslag, ouderdomspensioen van het ABP of ABP
                                keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit
                                pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was;</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                ambtenaar</al></li></lijst><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                        bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                        deskundige(n).</al><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding
                        overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een
                        arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het college
                        te stellen regels.</al><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te
                        consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn
                        arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een
                        geneeskundig onderzoek te onderwerpen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding
                                bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de
                                ambtenaar; </al></li><li nr="b."><al> indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is
                                gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten
                                einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.
                            </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid,
                        te onderwerpen.</al><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al><al>Lid 1</al><al>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige
                        lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel
                        van de arbodienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij
                        de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn
                        werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst
                        gesteld. </al><al>Lid 2</al><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats
                        indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke
                        toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere
                        werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In
                        dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
                        toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een
                        verhindering wegens ziekte.</al><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat,
                        verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor
                        maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn
                        gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de
                        bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk
                        in kennis gesteld.</al><al>Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                                onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                                dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:6 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                toepassing van artikel 2:7a</al></li></lijst><al>Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als
                        rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
                        gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes
                        maanden recht op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de
                        zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden
                        gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op
                        doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot
                        het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 5</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken
                        verstaan.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop hij: </al><lijst><li nr="a."><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b."><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;</al></li><li nr="d."><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie. </al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de
                        doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende ten minste
                        50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden
                        in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader
                        van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht
                        op een extra percentage van 5% berekend over het salaris en de toegekende
                        salaristoelagen waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt
                        als maximum het salaris en de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in
                        het eerste lid. </al><al>Lid 9</al><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend
                        naar rato van zijn formele arbeidsduur.</al><al>Lid 10</al><al>De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als
                        gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en
                        met het vierde lid, op. </al><al>Lid 11</al><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden
                        van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval
                        de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak.</al><al>Lid 12</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelagenzoals
                        genoemd in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de
                        ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie. </al><al>Lid 13</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op
                        beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al><al>Lid 14</al><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale
                        ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van
                        de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, het volledige salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n) wordt doorbetaald</al><al>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                        onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al><al>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft
                        recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een
                        hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou hebben gekregen, indien
                        hij niet ziek zou zijn geweest. </al><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt,
                        bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering
                        verleend. </al><al>Lid 2</al><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met
                        een WGAof IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de
                        ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de
                        ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het
                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een
                        bepaald percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de
                        ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit
                        percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt
                        bij een arbeidsongeschiktheid van: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>80% of meer: </al></entry><entry colname="col2"><al>95% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65 tot 80% </al></entry><entry colname="col2"><al>68,875%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 tot 65% </al></entry><entry colname="col2"><al>57% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 tot 55% </al></entry><entry colname="col2"><al>47,5% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 tot 45% </al></entry><entry colname="col2"><al>38% </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste
                                lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit
                        artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen
                        in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling
                        ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7:6 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                        arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar
                        vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college
                        noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of
                        verzorging.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften
                        geven.</al><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al><al>Het college kan nadere regels stellen.</al><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de
                        gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage
                        onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de
                        vaststelling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens
                        ziekte, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. </al><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een
                        lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                        artikel 2:7a</al><al>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan
                        voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald,
                        worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur
                        overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode
                        waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting
                        voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor
                        de formele arbeidsduur.</al><al>Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                                ziekte</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                reïntegratie</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                ambtenaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al></li></lijst><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al><al>Lid 1</al><al>Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen
                        en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar,
                        die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek
                        verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen
                        arbeid of passende arbeid te verrichten. </al><al>Lid 2</al><al>Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen
                        de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is,
                        bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid
                        buiten de openbare dienst van de gemeente.</al><al>Lid 3</al><al>Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt
                        het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als
                        bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met
                        medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
                        bijgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met
                        betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding
                        van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen
                        daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij
                        in acht te nemen procedures.</al><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                        ziekte</al><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
                        noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 7:10:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:10:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:10:3 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:10:4 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                        reïntegratie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte
                        verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan
                                door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in
                                artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te
                        vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te
                        verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de
                        gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</al><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de
                        arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de
                        vragen:</al><lijst><li nr="a."><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn functie
                                wegens ziekte;</al></li><li nr="b."><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder
                                a;</al></li><li nr="c."><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie
                                opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d."><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                                behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet
                                houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige
                                gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het
                                verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn
                                uitgezonderd;</al></li><li nr="e."><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt
                                belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f."><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van
                                het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het
                                behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;
                            </al></li><li nr="g."><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden
                                hervat.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch
                        onderzoek. </al><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al><al>Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 en geen opbouw van het IKB,
                        bedoeld in artikel 3:28, bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12,
                                sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de
                                verhindering tot het vervullen van zijn functie heeft veroorzaakt,
                                tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand
                                geen verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een
                                halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige
                                keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste
                                informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of
                                gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat
                                tegen de vervulling van zijn functie uit medisch oogpunt geen
                                bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar
                                aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. </al></li></lijst><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al><al>Lid 1</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld
                        in artikel 7:3 en de opbouw van het IKB, bedoeld in artikel 3:28, worden
                        gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen
                                van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen
                                medische onderzoek na te komen;</al></li><li nr="b."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft
                                nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te
                                blijven stellen;</al></li><li nr="c."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van
                                de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van
                                voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige
                                aard;</al></li><li nr="d."><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt
                                aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of
                                vertraagd;</al></li><li nr="e."><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door
                                een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben; </al></li><li nr="f."><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door
                                de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt
                                geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="g."><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft
                                in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang
                                van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;
                            </al></li><li nr="h."><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst
                                bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien
                                zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst
                                als geldig erkende reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="i."><al>weigert om - op verzoek van het college - informatie te verstrekken
                                die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de
                        opbouw van het IKB vinden wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn
                        geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd
                        in het lid 1. </al><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
                        7:11 lid 1, onderdeel c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim. </al><al>Lid 2</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld
                        in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB bedoeld in artikel 3:28, worden
                        gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al> weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                                aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen
                                maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel a, die
                                erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen
                                passende arbeid te verrichten; </al></li><li nr="b."><al> weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen
                                van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel
                                b; </al></li><li nr="c."><al> weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op
                                grond van artikel 7:11 lid 2 verplicht is. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), en de
                        opbouw van het IKB, bedoeld in lid 2, vinden wel plaats indien de ambtenaar
                        op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van
                        het gedrag, genoemd in het lid 2. </al><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven,
                        bepalen dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet
                        uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele
                        aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen
                        gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en
                        7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog
                        aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second
                        opinion die hij conform artikel 32, van de wet SUWI, heeft aangevraagd
                        inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld
                        wordt.</al><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al><al>Lid 1</al><al>Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar
                        opgedragen: </al><lijst><li nr="a."><al> door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke duur, zonder
                                dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; </al></li><li nr="b."><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van proef, zonder dat
                                dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;</al></li><li nr="c."><al> bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder
                                dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11,
                        tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze
                        definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de
                        aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is
                        geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is
                        in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het
                        tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige
                        restverdiencapaciteit benut.</al><al>Lid 4</al><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is
                        geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80%
                        arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24
                        maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid
                        50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een
                        andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder
                        andere voorwaarden.</al><al>Lid 6</al><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden
                        perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van
                        zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de
                        periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7,
                        niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 7</al><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden
                        perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met
                        een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct
                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                        bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
                        oorzaak.</al><al>Lid 8</al><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die
                        nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</al><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al><al>Lid 1</al><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te
                        vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie slechts weer zal mogen
                        vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder
                        bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden. </al><al>Lid 2</al><al>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het
                        advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al><al>Lid 3</al><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien
                        de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig verhinderd is geweest zijn
                        functie te vervullen.</al><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering
                        brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit passende arbeid
                        of werkzaamheden in het kader van diens reïntegratie.</al><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn
                        functie, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de
                        arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn
                        reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid
                        voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid
                        in mindering gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waar
                        de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.</al><al>Lid 2</al><al>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een
                        herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het
                        pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook,
                        die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste
                        lid.</al><al>Paragraaf 5 Bijzondere situaties</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al></li><li nr=""><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag
                        van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond
                        van artikel 7:3, recht heeft.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde
                        termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de
                        periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                        wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk
                        wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor
                        de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het
                        via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.</al><al>Lid 5</al><al>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op
                        grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar
                        uitbetaald. </al><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op
                        een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</al><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het
                        vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering,
                        wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag
                        waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht
                        heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGAuitkering in verband met
                        volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten
                        minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGAuitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde
                        van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in
                        mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling wordt
                        gedaan.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA
                        gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                        de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor
                        de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt
                        voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden
                        verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                        IVA-uitkering.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het
                        recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit
                        redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel
                        uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor
                        vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag
                        plaatsvond.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het
                        via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of
                        IVA-uitkering.</al><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</al><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in
                        aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft
                        op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op
                        een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.</al><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 6 Ziektekosten</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:24a Zorgverzekering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25b Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en
                        inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de
                        Zorgverzekeringswet</al><al>Artikel 7:24a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:25 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:25a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:25b Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 7 Overige bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al></li></lijst><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000
                        recht heeft op salarisbetaling of uitkering op grond van dit hoofdstuk en
                        waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van
                        dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het
                        moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met
                        ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op
                        grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met
                        terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt
                        toegekend.</al><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c,
                        zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1
                        januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is
                        vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende
                        gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om
                        zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid
                        wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe
                        betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.</al><al>Lid 2</al><al>De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van aanvang van de
                        ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden
                        80% en daarna 33 maanden 70% van het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke
                        functie.</al><al>Lid 3</al><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar
                        ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend
                        geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen,
                        herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
                        verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager
                        niveau is vastgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan
                        leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare
                        arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid
                        verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd
                        met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</al><al>Lid 5</al><al>De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65
                                jaar bereikt;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag.</al></li></lijst><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9,
                        7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5,
                        7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december
                        2005, van toepassing. </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht
                        heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14,
                        7:16 en 7:21 niet van toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9,
                        7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005 , van
                        toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel
                        7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3,
                        zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 . </al><al>Lid 5</al><al>Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste
                        dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1
                        januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de
                        loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de
                        ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot
                        en met het vierde lid.</al><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold
                        op 31 december 2005 , van toepassing. </al><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni
                        2008, van toepassing.</al><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals
                        dat gold op 30 november 2008.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>8</nr><titel>Ontslag</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een
                        ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al><al>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een
                        datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum
                        waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid
                        worden afgeweken.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of
                        indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf
                        kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden
                        aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake
                        de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</al><al>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij
                        de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede
                        instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.</al><al>Artikel 8:2:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd </al><al>Lid 1</al><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het bereiken
                        van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van de gemeente,
                        alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2 lid
                        3 wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij
                        wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een opzegtermijn van 13
                        weken.</al><al>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn
                        functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel
                        waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens
                        verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel
                        wordt eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag
                        verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</al><al>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</al><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in
                        de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de
                        betrokken ambtenaren medegedeeld. </al><al>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op
                                een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b."><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op
                                een IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend. </al><al>Lid 3</al><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er
                        sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens
                        ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een
                        situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling
                        van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al><al>Lid 5</al><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                        ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag. </al><al>Lid 6</al><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen. </al><al>Lid 7</al><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid,
                        genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over
                        het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>Lid 8</al><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie
                        tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 9</al><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij
                        elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
                        zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps-
                        of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al><al>Lid 10</al><al>De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd: </al><lijst><li nr="a."><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld. </al></li></lijst><al>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien: </al><lijst><li nr="a."><al> er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;</al></li><li nr="b."><al> het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar
                                binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als
                                bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een
                        situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling
                        op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van
                        een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de
                        ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.</al><al>Lid 5</al><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen. </al><al>Lid 6</al><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid,
                        genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over
                        het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>Lid 7</al><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                        functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 8</al><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld,
                        indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                        of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                        zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
                        in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak. </al><al>Lid 9</al><al>De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt
                        verlengd</al><lijst><li nr="a."><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>Lid 10</al><al>Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als
                        bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf
                        24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel
                        mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde,
                        zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast. </al><al>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens
                        ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke
                        grond weigert:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door
                                het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid
                                te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe
                                het college hem in de gelegenheid stelt;</al></li><li nr="c."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede
                                lid, van de WIA;</al></li><li nr="d."><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste
                        lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV
                        in.</al><al>Artikel 8:5:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van
                        ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan
                                gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie
                                geldt;</al></li><li nr="b."><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de
                                functie zou uitsluiten; </al></li><li nr="c."><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke
                                uitspraak;</al></li><li nr="d."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                                geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                misdrijf;</al></li><li nr="f."><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan
                                worden gemaakt.</al></li></lijst><al>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</al><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op
                        grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet
                        eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop de reden voor het ontslag
                        voor het eerst aanwezig was.</al><al>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</al><al>Lid 1</al><al>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij
                        het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige
                        artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</al><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8,
                        wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit
                        vermeld.</al><al>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</al><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een
                        publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is
                        ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige
                        functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve
                        dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</al><al>Artikel 8:10 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:10:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:11 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:11:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                        urenuitbreiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van
                        rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de
                        datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt
                        gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de
                        tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan,
                        is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op
                        de datum dat de urenuitbreiding eindigt. Indien na de datum, bedoeld in de
                        eerste volzin, de urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat
                        opnieuw een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding
                        geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag
                        worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is
                        vervallen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan,
                        kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend,
                        indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen. </al><al>Lid 5</al><al>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet
                        plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn
                        overschreden.</al><al>Lid 6</al><al>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een
                        tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.</al><al>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag
                        worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag
                        worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</al><al>Lid 1</al><al>Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een
                        opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                twaalf maanden heeft geduurd;</al></li><li nr="b."><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft
                                geduurd;</al></li><li nr="c."><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de
                                urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                korter dan zes maanden heeft geduurd.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht
                        ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van zijn salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf</al><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                        worden.</al><al>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                        vakorganisaties</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>wet:</vet> Wet op de ondernemingsraden; </al></li><li nr="b."><al><vet>ondernemingsraad:</vet> de ondernemingsraad zoals bedoeld in de
                                wet; </al></li><li nr="c."><al><vet>ambtenaar:</vet> de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede
                                lid, van de wet. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a."><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als
                                bedoeld in artikel 9 van de wet; </al></li><li nr="b."><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="c."><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van
                                de wet; </al></li><li nr="d."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest
                                van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="e."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest
                                van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de
                        ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde
                        lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of
                        vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een
                        daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er
                        toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en
                        de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op
                        grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het
                        ontslag toestemt. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
                        toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die
                        secretaris. </al><al>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</al><al>Lid 1</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het
                        college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                                ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf
                                mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het
                                Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf
                                wordt ingesteld;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang
                                van de dienst.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;</al></li><li nr="b."><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                                omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding
                                heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c."><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                schorsing.</al></li></lijst><al>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</al><al>Lid 1</al><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c ,
                        kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor een derde gedeelte
                        worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere
                        vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag ,
                        plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid. </al><al>Lid 2</al><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a , kan tot
                        de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van ingang van het
                        ontslag de doorbetaling geheel of gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens
                        het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt
                        de doorbetaling geheel gestaakt. </al><al>Lid 3</al><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de
                        schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een
                        bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor
                        pensioen.</al><al>Lid 4</al><al>Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief de
                        toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing
                        niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook
                        indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt
                        besloten. </al><al>Lid 5</al><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en toegekende
                        salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing
                        bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</al><al>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                        aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.</al><al>Lid 2</al><al>Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met
                        vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving
                        of aanduiding van die datum.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                        ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op
                        verzoek van de ambtenaar vermeld.</al><al>Artikel 8:16:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering </al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering </al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst </al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur</al><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt
                        teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit
                        te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk,
                        behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel
                        7:16.</al><al>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is
                        gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van
                        toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a,
                        zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing. </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is
                        gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben
                        op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van
                        toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a,
                        zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.</al><al>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1
                        juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals dat gold
                        op 30 juni 2008, van toepassing.</al><al>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van
                        toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>9</nr><titel>Uitkering functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 9 is vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>9a</nr><titel>Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                        bezwarende functie</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 9a:1 Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006 in
                        dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005 .</al><al>Artikel 9a:2 Definities</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge belasting
                                door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten
                                en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk
                                met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b."><al><vet>de tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de organisatie
                                van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het
                                kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie en die
                                past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.</al></li></lijst><al>Artikel 9a:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9a:4 Het loopbaanplan</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                        functie.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de ambtenaar
                        mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie
                        een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten de gemeentelijke
                        dienst.</al><al>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende
                        bepalingen.</al><al>Lid 2</al><al>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan de
                        afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en
                        vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen opleiding
                        en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar
                        gewerkt te hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen.
                        Het loopbaanplan omvat in ieder geval die opleidingselementen die nodig zijn
                        om de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden
                        tot MBO-niveau. Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend
                        worden.</al><al>Lid 3</al><al>Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen aan het
                        opstellen, evalueren en bijstellen van het loopbaanplan.</al><al>Lid 4</al><al>Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding opgesteld.</al><al>Lid 5</al><al>Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar geëvalueerd,
                        geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al><al>Lid 6</al><al>Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen van het
                        college als met de belangen van de ambtenaar.</al><al>Lid 7</al><al>In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd
                        verlof en eventuele verdere medewerking van het college die de ambtenaar in
                        staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.</al><al>Lid 8</al><al>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het loopbaanplan
                        opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.</al><al>Lid 9</al><al>In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de activiteiten
                        en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b."><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                                wordt;</al></li><li nr="c."><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de activiteit
                                plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e."><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de te
                                volgen scholing;</al></li><li nr="f."><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al></li><li nr="g."><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                scholing;</al></li><li nr="h."><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i."><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                                ondernemen activiteit kan worden onderbroken of gestopt;</al></li><li nr="j."><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst><al>Artikel 9a:6 Terugbetaling</al><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die het
                        college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de activiteiten
                        dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed, terug te
                        betalen.</al><al>Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke dienst</al><al>Lid 1</al><al>Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan binnen of
                        buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief plaats.</al><al>Lid 2</al><al>Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats door
                        aanpassing van de aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats door
                        ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende functie.</al><al>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het loopbaanplan,
                        niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende
                        functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet begonnen kan worden,
                        wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13 disciplinair ontslag
                        verleend.</al><al>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                        wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het college zijn
                                verplichtingen uit het loopbaanplan niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en de
                                ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.</al></li></lijst><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de bezwarende
                        functie door te werken.</al><al>Lid 2</al><al>Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen
                        wordt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet medisch
                        geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, geldt de procedure,
                        bedoeld in artikel 9a:10.</al><al>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende functie
                        door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering. </al><al>Lid 2</al><al>De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal jaren
                        dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is geweest.</al><al>Lid 3</al><al>Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                        overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                        overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is vastgesteld,
                        stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al><al>Lid 5</al><al>De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12 maanden 100%
                        van het salaris en de maanden daarna 80% van het salaris.</al><al>Lid 6</al><al>De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht op de duur
                        van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.</al><al>Lid 7</al><al>De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze hoger is dan
                        de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel 7:3.</al><al>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom van:</al><lijst><li nr="a."><al> het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b, </al></li><li nr="b."><al> de vakantieuitkering, </al></li><li nr="c."><al> de eindejaarsuitkering, </al></li><li nr="d."><al> de functioneringstoelage, </al></li><li nr="e."><al> de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f."><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en
                                emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend,
                                berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande
                                aan het begin van de tweede loopbaan. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de feitelijke
                        uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel
                        c, werkt die wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                        genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c door in de oude
                        bezoldiging</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het tweede lid werkt een verhoging of verlaging van de
                        feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede
                        lid, onderdeel c bij uitruil in het kader van de uitwisseling van
                        arbeidsvoorwaarden genoemd in hoofdstuk 4a niet door in de oude bezoldiging. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede loopbaan
                        begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil
                        tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude salaris wordt niet
                        geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de
                        gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al><al>Lid 5</al><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag
                        waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende
                        bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage de oude bezoldiging
                        overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de organisatie van
                        de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest, die behoorden bij de
                        bezwarende functie, krijgt een aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een
                        percentage van het verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en
                        eventuele toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De
                        afbouwtoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al> het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b."><al> het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c."><al> het derde jaar 50%; </al></li><li nr="d."><al> het vierde jaar 25%.</al></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 7</al><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee
                        het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de
                        nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de afbouwtoelage de oude
                        bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de
                        generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie van de
                        gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van het verschil
                        tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                        toelagen en vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                        toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat voor de
                        ambtenaar bij indiensttreding bij de nieuwe werkgever is vastgesteld. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>9b</nr><titel>Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke ambulancedienst;
                                en</al></li><li nr="b."><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het
                                college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="c."><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft vervuld, op
                                grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                                2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of
                                ouder.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de ambtenaar die</al><lijst><li nr="a."><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of
                                ambulancedienst, of</al></li><li nr="b."><al>overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, dan wel
                                naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij bij de overstap
                                tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn gemaakt.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de functie
                        waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie is, op grond
                        waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag
                        werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al><al>Paragraaf 2 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                        bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke moment
                        van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 -
                        als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                        uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                                20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:8 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren
                                na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:13 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:15 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:16 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                                ziekte</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>bezoldiging:</vet> de optelsom van</al></li><li nr="I."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b, </al></li><li nr="II."><al> de vakantieuitkering;</al></li><li nr="III."><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="IV."><al> de functioneringstoelage;</al></li><li nr="V."><al> de waarnemingstoelage en </al></li><li nr="VI."><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en
                                emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, met
                                uitzondering van de levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en
                                9e:9, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit de toepassing van
                                artikel 9b:4, artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel
                                9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De bezoldiging wordt, met
                                uitzondering van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25,
                                na deze datum geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals
                                deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen. Indien
                                verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot
                                een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                                genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging
                                door in de bezoldiging. </al></li><li nr="b."><al><vet> bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                belasting door het frequent draaien van piket of het werken in
                                roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden
                                in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                                gezondheidsklachten; </al></li><li nr="c."><al><vet>dienstjaren voor brandweerpersoneel:</vet> de jaren in dienst
                                van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren werkzaam als
                                buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een
                                functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel
                                leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger bij de brandweer, mits
                                het om jaren gaat waarin daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is
                                ingezet en men niet tegelijkertijd een aanstelling had als
                                beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren als
                                vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken hoeveel jaren
                                hij als vrijwilliger is ingezet; </al></li><li nr="d."><al><vet>dienstjaren voor ambulancepersoneel: </vet> de jaren werkzaam
                                bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam bij een
                                ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een ambulancedienst in de
                                particuliere sector en de jaren werkzaam als buschauffeur of
                                trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die
                                op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag; </al></li><li nr="e."><al><vet> niet-bezwarende functie:</vet> een functie die niet valt onder
                                de definitie van onderdeel b; </al></li><li nr="f."><al><vet> tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de organisatie
                                van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het
                                kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie; </al></li><li nr="g."><al><vet> onbezoldigd volledig verlof:</vet> verlof voor de formele
                                arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.</al></li></lijst><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de maand volgend
                        op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt volledig buitengewoon
                        verlof verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging. Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de
                        ambtenaar vanaf de datum bedoeld in de eerste volzin in plaats van het
                        volledig buitengewoon verlof als hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de
                        volgende mogelijkheden: </al><lijst><li nr="a."><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt een bonus
                                wordt verstrekt van 20% van het voor de ambtenaar geldende
                                jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus;
                            </al></li><li nr="b."><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken, tegen
                                doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                bezoldiging;</al></li><li nr="c."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus wordt
                                verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in
                                het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus.</al></li></lijst><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de
                        werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief
                        voor onderdeel b: 60% van een volledige betrekking werken tegen doorbetaling
                        van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid bedoelde
                        datum het college door middel van een verzoek bekend naar welke variant zijn
                        voorkeur uitgaat. </al><al>Lid 3</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder a en b moet
                        medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te werken. </al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming
                        van het derde lid, de in het eerste lid gestelde keuzemogelijkheden later
                        laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is
                        dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                        functie. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                        inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden
                        voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor zover het
                        dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het moment, bedoeld in
                        artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien verstande dat de bonus van
                        artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd
                        die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij
                        geldt als voorwaarde dat als tweede en eventueel volgende keuze alleen een
                        optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de eerdere
                        keuze. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 gebruik
                        maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid van
                        dit artikel, en direct daaraan voorafgaand een functie bekleedde waaraan
                        salarisschaal 6 of lager was verbonden, ontvangt gedurende die periode €
                        500,- netto per kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen volledig
                        kalenderjaar gebruik maakt van de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag
                        naar rato. Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                        december betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een
                        vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het totaalbedrag,
                        waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald dat hoger is dan de
                        reeds ontvangen vergoeding.</al><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</al><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c, wordt
                        geen pensioen opgebouwd.</al><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                        vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt. </al><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin en
                        onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk
                        artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.</al><al>Artikel 9b:8 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel 9b:4</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                        volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                        arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop
                        artikel 9b:4 van toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de
                        bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het
                        bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de
                        laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:4 van toepassing is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:4.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                        doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen
                        voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag
                        van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt
                        onbezoldigd volledig verlof verleend. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                        jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee de
                        keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van
                        artikel 9b:4, later is ingegaan. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het
                        college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde
                        hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie. </al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Artikel 9b:13 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:15 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:16 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel,
                        voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met
                        artikel 9b:18 van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die
                        wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet
                        ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op
                        grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer
                        mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn
                        medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus
                        van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de
                        tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem
                        blijft artikel 9b:11 van toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie van de
                        gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een garantietoelage ter
                        hoogte van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe
                        totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het totaalinkomen wordt de nieuwe
                        bezoldiging gerekend, alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in verband met
                        zijn arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief herplaatst wordt
                        in een functie met een lager totaal inkomen buiten de organisatie van de
                        gemeente, maken het college en de ambtenaar afspraken over een financiële
                        regeling.</al><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing.</al><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                        of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor
                        fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in
                        ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal
                        de leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar.
                        Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                        dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per
                        betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit
                        enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is
                        geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra
                        Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter beschikking gesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit
                        een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het tweede lid, het in
                        het eerste lid genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment
                        van uittreden, waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die
                        hoort bij de leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                        wordt berekend tot het moment van uittreden.</al><al>Lid 4</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                        pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 5</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het
                        verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de
                        ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                        1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van
                        de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al><al>Lid 2</al><al>De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="18*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="18*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>factor </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,277</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0,432</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0,673</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0,445</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0,693</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0,458</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0,714</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0,472</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0,735</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0,486</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0,757</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,321</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0,501</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0,780</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0,516</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0,531</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0,828</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,351</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0,547</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0,852</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,564</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0,878</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0,580</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0,904</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0,598</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0,931</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,395</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0,616</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0,959</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,407</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0,634</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>0,988</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,419</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0,653</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1,018</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren vast.</al><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al>Paragraaf 3 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in
                        een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                        moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december
                        2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een
                        WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij
                                tweede loopbaan gestart wordt</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren
                                op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:27 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voorde
                                ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari
                                2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:32 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:33 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:26 en artikel 9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren
                                na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij persioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:37 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:39 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:40 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in
                                een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met
                                minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                        loopbaan gestart wordt</al><al>Lid 1</al><al>Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder toepassing van
                        artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam tot het moment, bedoeld in
                        artikel 9b:28.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de ambtenaar in
                        het kader van het loopbaanplan hierover andere afspraken maken.</al><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                        hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a van toepassing, met
                        inachtneming van de volgende leden.</al><al>Lid 2</al><al>De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede loopbaan eerst
                        gezocht wordt naar een functie binnen de organisatie van de gemeente. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een procedure voor
                        erkenning verworven competenties zijn competenties laten erkennen.</al><al>Lid 5</al><al>Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede loopbaan heeft de
                        ambtenaar recht op vergoeding van de kosten, voor zover redelijk, van een
                        extern loopbaanadvies.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere functie
                        aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente, ontvangt, in afwijking van
                        artikel 9a:11, eerste tot en met zevende lid, een garantietoelage ter hoogte
                        van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe
                        bezoldiging. </al><al>Lid 7</al><al>Het college en de ambtenaar maken in het kader van het loopbaanplan
                        afspraken over een financiële regeling wanneer de ambtenaar in het kader van
                        de tweede loopbaan buiten de organisatie van de gemeente een functie
                        aanvaardt met een lager totaalinkomen.</al><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt 50% van de voor hem
                        geldende formele arbeidsduur werken tegen doorbetaling van 90% van de voor
                        de ambtenaar geldende bezoldiging. Indien dit voor het behouden van
                        vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt
                        voor ambulancepersoneel als alternatief 60% van een volledige betrekking
                        werken tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende
                        bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld in het
                        eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in het
                        eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt ziek gemeld. Op
                        hem is artikel 9b:43, eerste lid, van toepassing. </al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming
                        van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde moment later laten
                        ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                        ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                        inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden
                        voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al>Artikel 9b:27 Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de artikelen
                        3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet
                        van toepassing.</al><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de ambtenaar
                        geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                        bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren heeft, wordt
                        vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij een bepaalde
                        leeftijd bereikt, volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling
                        van een bepaald percentage van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. De
                        leeftijd en het percentage zijn afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1
                        januari 2006. De leeftijd waaraan de ingangsdatum van het volledig
                        buitengewoon verlof is gekoppeld, en het percentage dat vanaf dat moment
                        wordt betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a."><al> 5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75% </al></li><li nr="b."><al> 10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78% </al></li><li nr="c."><al> 15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die periode,
                        waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van het vijfde
                        lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar pensioen op
                        over de volledige bezoldiging.</al><al>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:28</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of 80% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        9b:28</al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28, vindt
                        opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de
                        ambtenaar werkt. </al><al>Artikel 9b:32 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:33 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        artikel 9b:28</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel
                        9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:26
                        van toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een
                        vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede
                        de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                        bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:26 van toepassing is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:26.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                        waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig
                        verlof verleend.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 60 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid
                        van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                        telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Artikel 9b:37 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al><al>Artikel 9b:39 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:40 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren
                        na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel
                        9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter
                        gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar. </al><al>Lid 5</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van
                        herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van toepassing.</al><al>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                        1 januari 2006</al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing. </al><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006</al><al>Lid 1</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor
                        fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende dienstjaren heeft op het
                        moment van storting, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in ABP Extra
                        Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal de
                        leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar.
                        Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                        dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per
                        betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit
                        enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is
                        geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20 dienstjaren
                        heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het eerste lid gedeeld door
                        20 en vermenigvuldigd met het aantal dienstjaren dat de ambtenaar heeft op
                        de leeftijd van 53 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de bezwarende
                        functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd van 59 jaar of tot een
                        moment hiervoor, wanneer eerder 20 dienstjaren bereikt zijn, een bedrag in
                        ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van het inkomen in dat jaar x de
                        deeltijdfactor in dat jaar x 2,85% maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                        hoort bij de leeftijd op het moment van het recht op uitbetaling. De
                        leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op
                        31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra
                        Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar overgemaakt.</al><al>Lid 5</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit
                        een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het vierde lid, het in
                        het eerste lid genoemde of, indien van toepassing, het in het tweede lid
                        genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen, gestort op het moment van uittreden,
                        waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                        leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt berekend
                        tot het moment van uittreden. </al><al>Lid 6</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                        pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 7</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 8</al><al>Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken, als bedoeld
                        in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met
                        het aantal jaren na 59 jaar.</al><al>Lid 9</al><al>Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met
                        het aantal jaar na 59 jaar. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het
                        een functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60
                        jaar was verbonden. </al><al>Lid 10</al><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het
                        verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de
                        ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder dan
                        20 dienstjaren op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk
                        van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al><al>Lid 2</al><al>De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="18*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="18*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>factor </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,277</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0,432</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0,673</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0,445</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0,693</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0,458</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0,714</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0,472</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0,735</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0,486</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0,757</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,321</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0,501</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0,780</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0,516</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0,531</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0,828</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,351</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0,547</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0,852</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,564</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0,878</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0,580</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0,904</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0,598</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0,931</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,395</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0,616</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0,959</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,407</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0,634</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>0,988</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,419</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0,653</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1,018</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren vast.</al><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al>Paragraaf 4 Vervallen</al><al>Artikel 9b:46 tm 9b:49 zijn vervallen.</al><al>Artikel 9b:46 tm 9b:49 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 5 De ambtenaar in een niet bezwarende functie</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                meer op 1 januari 2006, in een niet bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:52 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:52a Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:53 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet bezwarende
                        functie.</al><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006, in een niet bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren
                        of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet bezwarende functie
                        bekleed heeft, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005 , leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een
                        levensloopbijdrage van 2% van het voor ambtenaar geldende jaarsalaris over
                        het jaar dat de functie werd bekleed.</al><al>Lid 2</al><al>De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die direct
                        voorafgaan aan 1 januari 2006.</al><al>Lid 3</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen als
                        bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 9b:52 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 9b:52a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 9b:53 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 6 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                        bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke moment
                        van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 -
                        als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                        uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:58 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:56</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                leeftijd van 50 jaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 – als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO-uitkering en die geen
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20, artikel 9b:22,
                        artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van toepassing.</al><al>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                        doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen
                        voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag
                        van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt
                        volledig buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3 jaar, tegen
                        doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                        jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van
                        artikel 9b:4, later is ingegaan. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het
                        college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde
                        hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Lid 6</al><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor aanvang van
                        het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar bij uittreden recht
                        op volledig buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 7</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zesde
                        lid niet van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het
                        eerste tot en met vijfde lid.</al><al>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al>Artikel 9b:58 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:59 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:56</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:56 </al><al>Lid 1 </al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56, inkomsten
                        geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:56 van kracht is
                        geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten
                        en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                        boven gaan. </al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:56 van kracht is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:56.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het volledig buitengewoon
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar</al><al>Lid 1 </al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel,
                        voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met
                        artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot en met 9b:62 van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die
                        wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet
                        ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op
                        grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer
                        mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn
                        medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus
                        van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de
                        tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:56, eerste lid. Op hem
                        blijft artikel 9b:56 van toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering </al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing.</al><al>Paragraaf 7 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in
                        een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                        moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in december
                        2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:65 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:69 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                9b:67</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:67</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:65 Werkingssfeer </al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006 - in aanmerking kwam voor
                        een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                        ontvangen.</al><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel 9b:45a
                        en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al><al>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                        waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon
                        verlof verleend voor een periode van 3 jaar tegen doorbetaling van 70% van
                        zijn bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20 dienstjaren zijn
                        bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig verlof als bedoeld in het
                        eerste lid verleend naar rato van het aantal dienstjaren, dat op dat moment
                        is bereikt.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 60 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid
                        van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                        telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor aanvang van
                        het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar bij uittreden recht
                        op buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid naar rato van aantal
                        dienstjaren op dat moment met een maximum van 20 dienstjaren.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zevende
                        lid niet van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het
                        eerste tot en met zesde lid.</al><al>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al>Artikel 9b:69 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:67</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                        9b:67</al><al>Lid 1 </al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 inkomsten
                        geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:67 van kracht is
                        geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten
                        en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                        boven gaan. </al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:67 van kracht is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:67.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof, bedoeld
                        in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel
                        9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter
                        gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 50 jaar valt
                        en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt
                        raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 5</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van
                        herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede 9b:67 tot en met
                        9b:73 van toepassing.</al><al>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering </al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing. </al><al>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in een
                        betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college
                        krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                        leeftijdsgrenzen zijn bepaald</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 9c is vervallen</al><al>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949 of
                        die geboren is voor 1950, maar...</al><al>Artikel 9d:1 Tijdelijke regeling</al><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016,
                            zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen
                            in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor
                            dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent
                            dat voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                            hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden
                            geraadpleegd</cursief>.</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                        gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die
                        geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997
                        geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari 2006
                        werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens artikel
                        8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 , leeftijdsgrenzen zijn
                        bepaald.</al><al>Artikel 9d:2 Tijdelijke regeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31 december
                        2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag
                        zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof verleend met behoud van de
                        volledige bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar FLO-ontslag
                        zou zijn verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk totdat
                        het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al><al>Artikel 9d:3 Slotbepaling</al><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                        buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige bezoldiging,
                        worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van hoofdstuk 9b
                        gebracht.</al><al>Artikel 9d:4 Slotbepaling</al><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden op
                        de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al><al>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</al><al>Artikel 9e:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3 van
                        hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.</al><al>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</vet>: een
                                regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                1964;</al></li><li nr="b."><al><vet>instelling</vet>: een door de ambtenaar gekozen
                                kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde
                                lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c."><al><vet>levenslooprekening</vet>: een bij de instelling door de
                                ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al><vet>levensloopverzekering</vet>: een bij de instelling door de
                                ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar
                                wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al><vet>levenslooptegoed</vet>: het tegoed op een levenslooprekening
                                onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal;</al></li><li nr="f."><al><vet>netto spaarverzekering</vet>: de bij Loyalis Levensloop
                                Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als productnaam
                                “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van de ambtenaar wordt
                                gestort;</al></li><li nr="g."><al><vet>netto spaarverzekeringstegoed</vet>: het tegoed op de netto
                                spaarverzekering;</al></li><li nr="h."><al><vet>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</vet>: het product
                                van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het FLO-overgangsrecht, dat
                                bestaat uit een levensloopverzekering en een netto
                                spaarverzekering.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al> moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                en,</al></li><li nr="b."><al> de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om in te
                                leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het moment
                                dat de werkgever deze levensloopbijdrage verstrekt en,</al></li><li nr="c."><al> niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige
                                leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:3 Doel</al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                        voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde
                        voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet
                        op de loonbelasting 1964.</al><al>Artikel 9e:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht meldt dit bij het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                        kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals
                        genoemd in artikel 9e:5.</al><al>Lid 3</al><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Artikel 9e:5 Voorwaarden deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij
                        de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                        inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in
                        dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien
                        van dit levenslooptegoed. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college
                        informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de
                        ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een
                        andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn
                        deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht niet
                        deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de
                        loonbelasting 1964. </al><al>Artikel 9e:6 Inleg</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste bedrag van de inleg per
                        jaar.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze
                        en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al><al>Lid 3</al><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7 genoemde
                        bronnen. </al><al>Artikel 9e:7 Bronnen</al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een of meer van de
                        volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al> het salaris</al></li><li nr="b."><al> de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al> de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9;</al></li><li nr="e."><al> de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al> het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer
                        op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft
                        recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. </al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig,
                        dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van ingang van het
                        onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, een
                        tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                        netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                        half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het
                        bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed heeft overeenkomend met
                        140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De
                        controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de
                        datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 4</al><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210%
                        respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.</al><al>Lid 5</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld
                        in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 6</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        3:1.</al><al>Lid 7</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        9b:2.</al><al>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft
                        recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig,
                        dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid,
                        en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of meer op dat moment, een
                        tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                        netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                        half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het
                        bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande van het bereiken van 20
                        dienstjaren of meer, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                        bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van
                        het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle
                        hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van
                        ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 4</al><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld
                        in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59 jaar. </al><al>Lid 5</al><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld
                        in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60 jaar. </al><al>Lid 6</al><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210%
                        respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt. </al><al>Lid 7</al><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog geen 20
                        dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in een tegoed naar
                        rato van het aantal dienstjaren, dat op 59-jarige leeftijd respectievelijk
                        60-jarige leeftijd is bereikt. </al><al>Lid 8</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld
                        in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP. </al><al>Lid 9</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        3:1. </al><al>Lid 10</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        9b:2. </al><al>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht</al><al>Lid 1</al><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee
                        maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het
                        college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden.</al><al>Lid 2</al><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt
                        daarnaast: </al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al> bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c."><al> op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede lid,
                        wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond
                        van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang
                        van onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, eerste
                        lid, of 9b:35, eerste lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde lid, wiens
                        deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond van
                        artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van
                        onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid,
                        of 9b:35, tweede lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het eerste
                        lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed heeft overeenkomend
                        met 210% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>Lid 4</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het tweede
                        lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend
                        met 140% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>Lid 5</al><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt,
                        voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige leeftijd naar rato van het
                        aantal dienstjaren op het moment van ontslag. </al><al>Lid 6</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald, waarbij: </al><lijst><li nr="a."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag
                                voorafgaand aan het moment van ontslag; </al></li><li nr="b."><al> er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c."><al> het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond op hele
                                maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in
                        artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP. </al><al>Lid 8</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1. </al><al>Lid 9</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2. </al><al>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                        ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft,
                            </al></li></lijst><al>geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot afkoop.</al><al>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de voorwaarde
                        voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de ambtenaar het
                        afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar stelt voor inleg in
                        Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al><al>Artikel 9e:13 Opname levenslooptegoed</al><al>Lid 1</al><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: </al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode
                                van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en
                                zorg, hoofdstuk 6 of de periode van onbetaald volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:11 en 9b:35;</al></li><li nr="b."><al> ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een
                                aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet
                                op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar
                        tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil
                        beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast
                        hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Lid 3</al><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval
                        van beëindiging van het dienstverband. </al><al>Lid 4</al><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                        afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp
                        van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k
                        Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van
                        de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>10</nr><titel>Wachtgeld</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 10:1 Betrokkene</al><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016,
                            zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen
                            in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor
                            dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent
                            dat voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                            hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden
                            geraadpleegd.</cursief></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5
                                van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking:</al><lijst><li nr="1."><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2."><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling
                                        ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in
                                        een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel 8:8
                                van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is gegeven
                                aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk artikel
                                8:8, tweede lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld in het
                        eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op
                        grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling ontslag te verlenen, hem
                        schriftelijk is medegedeeld.</al><al>Artikel 10:2 Lichamen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en
                        vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
                        verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</al><al>Artikel 10:3 Diensttijd</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel
                        10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst
                        doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de WPA is
                        verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in
                        artikel D2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 10:1,
                        is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het
                        zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                        1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar
                                daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van
                                artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en
                                met vijfde lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke
                                de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig
                                ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop het wachtgeld
                                ingaat.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het wachtgeld in
                        aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
                        van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan,
                        herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
                        privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke
                        persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden
                        verricht.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet
                        is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:5 Bezoldiging</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld
                        in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze laatstelijk vóór
                        het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de
                        vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                        eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de
                        vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag
                        berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande
                        twaalf volle kalendermaanden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging
                        zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn
                        blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die
                        wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de
                        opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden
                        het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene
                        worden herzien.</al><al>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op wachtgeld
                        met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene :</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het
                                bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</al></li><li nr="b."><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c."><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in
                                hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op
                        wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van dit wachtgeld
                        wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de
                        duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
                                wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
                                tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na afloop van
                        de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld
                        indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c,
                        op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is
                        verklaard recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden
                        vastgesteld ingevolge artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op
                        de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel
                        11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het
                        wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou
                        zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van
                        het eerste lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit
                        wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat gerekend wordt
                        vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.</al><al>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                        ontslag ingaat.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
                                ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3
                                van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren
                                per week werkzaam is geweest of</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al></li></lijst><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><lijst><li nr="§"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al></li><li nr="§"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al></li><li nr="§"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al></li><li nr="§"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al></li><li nr="§"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al></li><li nr="§"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al></li><li nr="§"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</al></li><li nr="§"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samentelling van: </al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de
                                dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
                                Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk
                                invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van
                                dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
                                grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29,
                                tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met
                                een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de
                        periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                        perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                        bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn
                        huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of
                                een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid
                                volledig; en</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet
                        meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid, of</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakantie.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als
                        bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen. In geval geen verzorgende persoon wordt
                        aangewezen is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                        college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                        wijzen.</al><al>Lid 8</al><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden
                                en opgevoed.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de
                        Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een langere
                        wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere
                        verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van het
                        wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd
                        voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%;</al></li><li nr="c."><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk
                                aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het voorgaande
                        lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld, waarvan de duur is
                        vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel, of van een
                        uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid
                        van deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op
                        basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij
                        de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                        toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur
                        wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende
                        uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het volgende lid,
                        in mindering gebracht.</al><al>Lid 4</al><al>In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde
                        van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten
                        minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en
                        diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop
                        van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging
                        verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de dag waarop hij de
                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Lid 5</al><al>De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het geval,
                        dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging
                        reeds heeft plaatsgehad, tenzij de betrokkene nadien wederom een diensttijd,
                        voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In
                        dat geval blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                        verlenging, buiten aanmerking</al><al>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in artikel 10:7,
                        tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat wachtgeld recht op
                        een vervolgwachtgeld. </al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste lid,
                                heeft bereikt en </al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                                onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen
                                recht heeft op verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een
                                vervolgwachtgeld. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                        vervolgwachtgeld een jaar. </al><al>Lid 4</al><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar. </al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                        artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde,
                        bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend
                        recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn
                        beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige
                        volzin bedoelde datum. </al><al>Lid 6</al><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan wie
                        uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een
                        wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
                        10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                        vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip
                        gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou
                        zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de
                        in de vorige volzin bedoelde datum. </al><al>Lid 7</al><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld
                        van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld. </al><al>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk aan
                        87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen maanden 77% van
                        die bezoldiging en vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de
                        Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in
                        de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld
                        daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene
                        recht zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op
                        wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd
                        naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                        berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het pensioenreglement, in
                        de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de
                        verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk aan het bedrag van
                        het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande dat gedurende
                        het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van
                        de bezoldiging.</al><al>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon, met dien
                        verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een
                        betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                        minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                        genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag,
                        bedoeld in artikel 15 van die wet.</al><al>Artikel 10:12 Verplichtingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>Lid 2</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te
                        doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag
                        ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>Lid 4</al><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen
                        die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts
                        verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in
                        het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het
                        verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>Lid 6</al><al>De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen vinden
                        overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem ontslag op grond van
                        artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan wel het voornemen tot zodanig
                        ontslag hem schriftelijk is medegedeeld.</al><al>Lid 7</al><al>Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er in toe
                        te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in
                        aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke
                        inlichtingen geven.</al><al>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een
                        WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk
                        is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt
                        en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Artikel 10:14 Verhuiskosten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                        arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van
                        de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een
                        daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Artikel 10:15 Vermindering</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ,
                        of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is
                        verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem
                        ontslag te verlenen, wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot
                        het bedrag waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                        gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met
                        inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt,
                        wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel
                        10:19, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte
                        ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op
                        wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin
                        van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als
                        volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag
                        waarop het ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
                        wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                        betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking
                        van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige
                        wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt verminderd met het
                        bedrag waarmee de WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met
                        invaliditeitspensioen, al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering,
                        vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met
                        inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke
                        bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                        overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld
                        of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                        overschrijding.</al><al>Lid 3</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór
                        evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                        bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde
                        vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                        inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de
                        dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke mededeling is gedaan
                        van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het
                        college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet
                        hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of
                        dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle
                        evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de
                        eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene
                        zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn
                        opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het
                        bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van
                        de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                        inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet
                        langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en
                        wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud
                        van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn</al><al>Lid 3</al><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>Lid 4</al><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        10:15, derde en vierde lid.</al><al>Artikel 10:17 Verlenging</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                        recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt
                        een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat
                        vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die
                        betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur
                        van het wachtgeld toegevoegd.</al><al>Artikel 10:18 Opschorting</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de
                        laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de betrekking
                        waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering
                        van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde
                        van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in
                        militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Artikel 10:19 Samenloop</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht
                        op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering, in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="74*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% : </al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% : </al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% : </al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% : </al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% : </al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15%:</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde
                        wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat
                        wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van
                        overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in
                        mindering gebracht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                        geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                        onverminderd te zijn genoten.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt gedurende de termijn
                        waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts uitbetaald voor zover
                        het evenbedoelde uitkeringen te boven gaat.</al><al>Artikel 10:20 Betaling</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld werd genoten.</al><al>Lid 2</al><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het wachtgeld over
                        langere termijnen geschieden.</al><al>Artikel 10:21 Afkoop</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                        regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele
                        wordt vervangen door een afkoopsom.</al><al>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16, eerste en
                                tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet; </al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede, derde
                                of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
                                redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                                buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven; </al></li><li nr="d."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of
                                krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn gesteld; </al></li><li nr="e."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou zijn
                                verleend als hij in dienst was gebleven; </al></li><li nr="f."><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo
                                deze eerder bekend waren aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid,
                        niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte waarmede het, tezamen
                        met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
                        zijn gegaan. </al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing
                        op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan wie in dat geval
                        een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld wordt toegekend. </al><al>Lid 4</al><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst. </al><al>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt;</al></li><li nr="b."><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene; </al></li><li nr="c."><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde lid,
                                bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen; </al></li><li nr="d."><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan
                                wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg
                                te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel
                                die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor
                                hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te
                                aanvaarden. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop betrokkene recht
                        verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                        80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is van overeenkomstige toepassing, met
                        dien verstande dat van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend
                        aan de hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen
                        vanaf de datum van ontslag. </al><al>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de
                        nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd, gelijk
                        aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie
                        maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan
                        geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                        natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook
                        zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers,
                        zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al><al>Lid 2</al><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op het wachtgeld een
                        vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie
                        maanden. Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend
                        naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering,
                        berekend naar het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag
                        aangevuld.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan
                        het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>Lid 4</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de wachtgeldregeling
                        zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30
                        juli 1991, de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luiden met
                        ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor
                        de reeds vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                        wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1991, de
                        duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende
                        wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>Lid 3</al><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de wachtgeldregeling
                        wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld,
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 5 van de
                        wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de wachtgeldregeling
                        wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens begrepen de uitkering
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 6 van de
                        uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als bedoeld in
                        de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is
                        gegeven aan artikel 10:25, tweede lid, verstrijkt in de periode van 1
                        augustus 1991 tot en met 31 december 1995, heeft recht op een
                        overgangsuitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien verstande dat
                        de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De overgangsuitkering gaat in
                        direct na het verstrijken van het wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en
                        wordt in maandelijkse termijnen betaald.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het
                        minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan
                        70% van de bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</al><al>Lid 5</al><al>De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat
                        betreft de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd
                        in evengenoemde verordening.</al><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari
                        1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                        uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:29 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of
                        UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst
                        van deze artikelen zoals die luidde op 31 december 2000.</al><al>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016,
                            zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen
                            in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor
                            dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent
                            dat voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                            hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden
                            geraadpleegd.</cursief></al><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid in de zin van artikel 16 van
                                de Werkloosheidswet;</al></li><li nr="b."><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar die werkloos geworden is;</al></li><li nr="c."><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet,
                                zonder de maximering van het dagloon, als bedoeld in artikel 22
                                Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste
                                lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;</al></li><li nr="d."><al><vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de aanspraken die de ambtenaar
                                kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende uitkering
                                als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de aansluitende
                                uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met
                                uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld
                                in artikel 10a:9, lid 3.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Paragraaf 2 Aanvullende uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                                suppletie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen
                                die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen
                                op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:11 Scholing</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al></li></lijst><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                        suppletie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21
                                van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en
                        voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
                        suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een WAO-uitkering,
                        berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
                        aanvullende uitkering op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft
                        op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan uit twee
                        of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aanvullende uitkering
                        toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen. </al><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de
                        dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op
                        aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het
                        inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt
                        ontleend.</al><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al>Lid 1</al><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1 januari en
                        1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens LOGA-partijen vastgestelde
                        wijze.</al><al>Lid 2</al><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag van de
                        aanvullende uitkering wijzigt.</al><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering
                        bedragen tezamen een percentage van de berekeningsgrondslag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70%</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van de
                        Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
                        berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al><al>Lid 4</al><al>Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld in
                        artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag</al><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen
                        11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste
                        dag van werkloosheid jonger is dan 57,5, heeft na afloop van de
                        loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende twee
                        jaar recht op een verlengde uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste
                        dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de
                        loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende 3,5
                        jaar recht op een verlengde uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en tweede lid,
                        is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te
                        rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet is verstreken en
                        vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 4</al><al>Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                        toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid,
                        van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde uitkering in mindering
                        gebracht.</al><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                        recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
                        op de aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2
                        gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de
                        Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een
                        aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag
                        vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou hebben
                        gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                        aanmerking te willen komen.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de
                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou
                        hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                        aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt,
                        indien aan de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een
                        aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de
                        bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld
                        aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:11 Scholing</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                        aanvullende uitkering. </al><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en
                        dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld),
                        heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin
                        van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op
                        aanvulling van dat ziekengeld.</al><al>Lid 2</al><al>Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen tezamen
                        een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van
                        artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou
                        zijn om arbeid te verrichten.</al><al>Lid 3</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op
                        de aanvulling op het ziekengeld.</al><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op
                        een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot het
                        voor haar geldende dagloon.</al><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge een
                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij proefplaatsing en
                        scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op een uitkering op grond van
                        de Wet op (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben
                        op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk
                        wanneer hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad,
                        bestaat er ook in dit geval recht op aanvulling.</al><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering bedragen
                        tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat betrokkene op grond van
                        artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een WW-uitkering en aanvullende
                        uitkering zou ontvangen.</al><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in aanvulling op
                        artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering
                        toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen
                        gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over
                        een periode van 13 weken.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een
                        andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als betrokkene
                        buiten Nederland woont en in verband met artikel 71, eerste lid, onderdeel a
                        ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een WW-uitkering heeft, heeft recht
                        op een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid dat hij geen recht
                        op WW-uitkering heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten
                        Nederland woont.</al><al>Lid 2</al><al>De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte
                                of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te
                                aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld
                                in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, of n, WW vanwege het
                                enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde
                                wetten is geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een
                                WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke
                                uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op een
                                WW-uitkering. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid recht heeft,
                        is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de aanvullende uitkering
                        waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland zou
                        hebben gewoond. </al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering wegens
                        ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar het recht van
                        zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid
                        gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet
                        arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de
                        maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet
                        arbeid en zorg. Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan
                        de uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende
                        uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in
                        Nederland had gewoond. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                        zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid naar
                        het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering
                        gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode. </al><al>Lid 6</al><al>Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering op
                        grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een uitkering
                        op grond van de Wet arbeid en zorg, een bovenwettelijke uitkering of een
                        uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een
                        uitkering naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van
                        dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering
                        op grond van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                        wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op
                        grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan
                        wel niet of niet geheel is betaald. </al><al>Paragraaf 3 Aansluitende uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met
                                suppletie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:24 Scholing</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al></li></lijst><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het ontslag
                        voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                        deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden, alsmede
                        tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan, indien
                        aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van
                        overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164)
                        het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                jaar;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een
                                bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten
                                laste van de overheid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke
                                de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig
                                werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</al></li></lijst><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met
                        suppletie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21
                                van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die door
                        het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering is toegekend.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel 8:6
                        slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik is gemaakt
                        van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste volzin biedt.</al><al>Lid 4</al><al>Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de
                        werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                        uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet is verstreken.</al><al>Lid 5</al><al>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het recht op
                        de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de
                        aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de
                        verlengde uitkering is verstreken.</al><al>Lid 6</al><al>Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                        toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste
                        werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                        uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is
                        verstreken</al><al>Lid 7</al><al>Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en
                        voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
                        suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>Lid 8</al><al>De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht
                        heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80%
                        of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur,
                        als bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
                        arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en
                        hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. </al><al>Lid 9</al><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is ontstaan uit twee
                        of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aansluitende uitkering
                        toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen. </al><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie maanden,
                        vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze
                                is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en </al></li><li nr="b."><al>twee jaar.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor betrokkene,
                        genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van het
                        ontslag.</al><al>Lid 4</al><al>De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55 jaren of
                        ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de dag
                        waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                        tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht heeft op
                        een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1
                        augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op drie maanden,
                        vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5% en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld
                                op de eerste dag van de werkloosheid en de duur van de verlengde
                                uitkering genoemd in artikel 10a:5a.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en die op de
                        eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt,
                        heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de
                        kalendermaand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft
                        bereikt. Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in
                        mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                        toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid,
                        van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in
                        mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag, zolang
                        een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid
                        nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 2</al><al>Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als bedoeld in
                        artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag.</al><al>Lid 3</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid,
                        van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in
                        mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of gedeeltelijke
                        beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende
                        uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
                        wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet.</al><al>Lid 3</al><al>Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op
                        uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de Werkloosheidswet
                        zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat
                        geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de
                        uitkeringsduur van de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig
                        artikel 10a:16.</al><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na aanvang
                        van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in mindering
                        gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het recht
                        op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                        uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                        zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003,
                        Stb. 2003, 546, met betrekking tot de verlenging van het recht op uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet van
                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:24 Scholing</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder
                        overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid,
                        Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het
                        bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor
                        betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een
                        andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van artikel
                        10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende uitkering waarop hij
                        recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben gewoond.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, tweede, vijfde
                        en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</al><al>Paragraaf 4 Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al></li></lijst><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat nemen en
                        recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering
                        indien hij geen betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou
                        hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden
                        toegekend als tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                        verhuizing.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde
                        tegemoetkoming in mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
                        aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf met
                                tenminste 50% met een minimum van vijf uur te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
                                werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de oorspronkelijk
                                vastgestelde beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c."><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met
                                een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de overlegging van het
                                arbeidscontract;</al></li><li nr="d."><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van de
                                nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze
                                standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet
                                bedragen;</al></li><li nr="e."><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen hoofde
                                ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de
                                uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding
                                verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst als
                        vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is verhuisd.</al><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet aanvaardt
                                en</al></li><li nr="b."><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan
                                90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met
                                inachtneming van het tweede lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                        dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is dan de
                        omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
                        reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van de oude
                        betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                        berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke aard
                        is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn
                        overeengekomen.</al><al>Lid 5</al><al>In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel 10a:32 van
                        de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste lid genoemde
                        reïntegratietoeslag.</al><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol jaar dat de
                        betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende
                        uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet zou hebben
                        verkregen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van het
                        eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht zou hebben op
                        een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.</al><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al></li><li nr="b."><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                betrekking;</al></li><li nr="c."><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie maanden
                                het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te
                                boven zijn gegaan.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b wordt de
                        situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe betrekking per
                        kalenderweek:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b."><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren
                                resteren.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe betrekking,
                        blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren waarvoor betrokkene nog
                        werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.</al><al>Lid 4</al><al>De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een overzicht te
                        verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in die
                        maand heeft genoten. Op basis van dit overzicht wordt bepaald of er een
                        recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                        zijn.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid,
                        onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.</al><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking aan tot
                        90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 2</al><al>Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28, derde
                        lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe betrekking,
                        omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar rato aan tot 90% van
                        de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden toegekend
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                                werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b."><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf gaat
                                uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt opgeheven.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk 10
                        weken na beëindiging van de uitkering op basis van de Werkloosheidswet door
                        betrokkene te worden ingediend.</al><al>Lid 3</al><al>Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het verzoek
                        betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend,
                        wordt het recht op een maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door
                        het recht op een bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde
                        rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7,
                        10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                        werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21 herleeft voordat een
                        besluit over het verzoek van betrokkene omtrent de toekenning van een
                        reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.</al><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de
                        maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene nog
                        recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard
                        en gedurende de gehele resterende periode waarin hij nog aanspraak zou
                        hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn
                        gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de
                        nieuwe werkgever.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van de
                        berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de datum van
                        toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen invloed op
                        de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                        berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het dagloon
                        van de betrokkene.</al><al>Paragraaf 5 Overgangsbepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al></li></lijst><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                        algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging,
                        tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van
                        het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
                        wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd
                        vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
                        maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen.</al><al>Lid 2</al><al>Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO moet,
                        voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze
                        artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al><al>10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid</al><al>Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al></li></lijst><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een
                        organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van, 8:5, 8:6 of
                        8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6
                        of 8:8 ontslagen is.</al><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>aanvullende uitkering:</vet> uitkering tijdens de
                                werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b."><al><vet>grondslag:</vet> het gemiddelde van het salaris, de toegekende
                                salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht (TOR) hoofdstuk 3,
                                berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de
                                start van de re-integratiefase of de start van het Van werk naar
                                werk-traject, vermeerderd met het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid
                                2, onderdeel a en b. Deze wordt geïndexeerd met de generieke
                                salarisverhoging in de gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c."><al><vet>gemeentelijke sector:</vet> de gemeenten en gemeenschappelijke
                                regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard;</al></li><li nr="d."><al><vet>boventalligheid:</vet> de situatie dat een ambtenaar wegens
                                reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de
                                reorganisatie;</al></li><li nr="e."><al><vet>na-wettelijke uitkering:</vet> de uitkering na afloop van de
                                werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f."><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid als bedoeld in de
                                Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de
                                beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                                gemeente;</al></li><li nr="g."><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                                arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Lid 1</al><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in
                        dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan
                        die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en vakorganisaties in
                        de Commissie voor Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden
                        overgegaan van deze lokale afspraken.</al><al>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Lid 1</al><al>Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het
                        college een passende regeling.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het
                        college gehoord.</al><al>Lid 3</al><al>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de
                        paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor
                        zover dit redelijk en billijk is.</al><al>Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van
                        onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                gemeente</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                levensloop</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al></li></lijst><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>re-integratiefase: </vet> de fase voorafgaand aan ontslag,
                                waarin door middel van een reintegratieplan afspraken worden gemaakt
                                over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot
                                stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel
                                werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen; </al></li><li nr="b."><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven
                                staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te
                                bevorderen; </al></li></lijst><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een
                        re-integratiefase.</al><al>Lid 2</al><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel
                        8:6.</al><al>Lid 3</al><al>De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of
                        overhandiging van het besluit tot ontslag.</al><al>Lid 4</al><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de
                        gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het
                        dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente,
                        waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                        re-integratiefase.</al><al>Lid 5</al><al>De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van: </al><lijst><li nr="a."><al> 2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b."><al> 10 tot 15 jaar 8 maanden </al></li><li nr="c."><al> 15 jaar of meer 12 maanden. </al></li></lijst><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al><al>Lid 1</al><al>De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar
                        geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan
                        niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente
                        aanvaardt.</al><al>Lid 2</al><al>De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6
                        gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet
                        houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde
                        reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een
                        na-wettelijke uitkering. </al><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente</al><al>Lid 1</al><al>De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de
                        re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                        re-integratieplan.</al><al>Lid 2</al><al>De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de
                        oorspronkelijke reintegratiefase.</al><al>Lid 3</al><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de nalatigheid
                        naar de mate waarin dat mogelijk is.</al><al>Lid 4</al><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het
                        reintegratieplan van kracht.</al><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12
                        maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald
                        verlof als bedoeld in artikel 6:9.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de
                        reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn
                        re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a."><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur;
                                en</al></li><li nr="b."><al> de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt
                                op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en</al></li><li nr="c."><al> tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden
                                ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden
                        waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn
                        neergelegd in het reintegratieplan, tijdens de verlenging van de
                        re-integratiefase worden voortgezet.</al><al>Lid 4</al><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na
                        aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan op. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college
                        gehoord. </al><al>Lid 3</al><al>In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                        re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd
                        worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval afspraken over: </al><lijst><li nr="§"><al> verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd
                                zijn in het reintegratieplan;</al></li><li nr="§"><al> scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin
                                van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te
                                behalen resultaten;</al></li><li nr="§"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel; </al></li><li nr="§"><al> sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de
                        verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de
                        activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk,
                        volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.</al><al>Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid</al><al><vet>Toelichting</vet> In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen opgenomen
                        voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.</al><lijst><li nr=""><al><vet>Algemene bepalingen</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al><vet>Inhoud Van werk naar werk-traject</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</al></li><li nr=""><al><vet>Verlenging en einde Van werk naar werk-traject</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                werk-contract</al></li><li nr=""><al><vet>Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar
                                    werk-trajecten</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al></li></lijst><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid
                        ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende
                        gemeente.</al><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject</al><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                        werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot
                        verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.</al><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde
                        ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van
                        werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op
                        plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of
                        aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.</al><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot
                        boventalligverklaring in werking is getreden.</al><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al><al>Lid 1 </al><al>Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken college
                        en ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de
                        ambtenaar, binnen en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van
                        de ambtenaar op de regionale arbeidsmarkt onderzocht. </al><al>Lid 2</al><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd
                        loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al><al>Lid 3</al><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum waarop het
                        Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die
                        datum afgerond.</al><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al><al>Lid 1 </al><al>Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek
                        stellen college en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op. </al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen
                        die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan
                        verbonden termijnen.</al><al>Lid 3</al><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><lijst><li nr="§"><al> het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de
                                tijdsduur daarvan; </al></li><li nr="§"><al> het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></li><li nr="§"><al> de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar
                                werk-traject verricht; </al></li><li nr="§"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare
                                budget;</al></li><li nr="§"><al> eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het
                                Van werk naar werk-onderzoek;</al></li><li nr="§"><al> de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op het
                                vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt tenminste 20%
                                van de omvang van de aanstelling; </al></li><li nr="§"><al> het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende
                                voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een
                        bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien van kosten
                        die dit bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk besluit.</al><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</al><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt
                        de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie
                        maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een
                        verslag opgemaakt.</al><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al
                        dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente
                        aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere
                        reden.</al><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al><al>Lid 1 </al><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een
                        passende of geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een
                        aangeboden functie buiten de gemeente weigert. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van
                        werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan
                        de afspraken uit het Van werk naar werk-contract.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of
                        tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van
                        artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar
                        werk-traject is beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake
                        is van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een aanvullende
                        uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al><al>Lid 1 </al><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de
                        start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere
                        reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een
                        maand een advies uit aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden
                        in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht
                        genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies. </al><al>Lid 2</al><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van
                        het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op
                        korte termijn en de mate waarin voortzetting de kans op een passende of
                        geschikte functie binnen afzienbare termijn vergroot.</al><al>Lid 3</al><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt
                        overgenomen.</al><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</al><al>Lid 1 </al><al>Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het college over
                        het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in
                        kennis van deze beslissing. </al><al>Lid 2</al><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt
                        voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel
                        8:3.</al><al>Lid 3</al><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop
                        van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.</al><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</al><al>Lid 1 </al><al>Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een
                        werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden
                        gevonden, of indien voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans
                        op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot,
                        kan het college besluiten het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze
                        verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan
                        niet meer dan één keer worden verleend. </al><al>Lid 2</al><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar
                        werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de
                        ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al><al>Lid 3</al><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop
                        van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.</al><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract </al><al>Lid 1 </al><al>Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet
                        houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract,
                        maakt deze partij dit aan de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit
                        gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken te maken over verbetering. </al><al>Lid 2</al><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid
                        in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract
                        vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor
                        de voortzetting van het contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de
                        andere partij kenbaar.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt,
                        kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze
                        verlenging bedraagt een redelijke termijn, waarbij de periode die door de
                        niet-nakoming verloren is gegaan als richtlijn kan dienen. Gedurende de
                        periode van verlenging herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken
                        die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
                        ontstaan.</al><al>Lid 4</al><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt,
                        kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van
                        artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</al><al>Lid 5</al><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract
                        of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat,
                        kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de paritaire commissie.</al><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al><al>Lid 1 </al><al>Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd
                        toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf. </al><al>Lid 2</al><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de uitvoering van
                        het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in artikel 10d:23, vijfde lid,
                        voorleggen aan deze commissie.</al><al>Lid 3</al><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een bindend
                        advies uit.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden
                        en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.</al><al>Paragraaf 6 Aanvullende uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:28 Sancties</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al></li></lijst><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al><al>Lid 1 </al><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft
                                doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7
                                tweede en derde lid niet aan de orde is; of</al></li><li nr="b."><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar
                                werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven
                                in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en</al></li><li nr="c."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze
                                ook daadwerkelijk ontvangt.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de
                        ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle
                        gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
                        van zijn aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende uitkering wordt
                        uitgedrukt in een percentage van de grondslag zoals gedefinieerd in artikel
                        10d:2 onderdeel b, over het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                tot een bedrag van € 4.375,= 10%;</al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 20%; </al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                vanaf € 5.250,= 30%.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al> voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 10%; </al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,= 20%;</al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                vanaf € 6.560,= 30%.</al></li></lijst><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de
                        dag na de dag van ontslag.</al><al>Lid 2</al><al>De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de
                        eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.</al><al>Artikel 10d:28 Sancties</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de
                        werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond
                        van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het
                        college besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of
                        gedeeltelijk te laten vervallen.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.</al><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.</al><al>Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al></li></lijst><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een
                        na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering
                                voortduurt;</al></li><li nr="b."><al> hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente
                                overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
                                na-wettelijke uitkering. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag
                        gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</al><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de
                        hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet. </al><al>Lid 2</al><al>Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van
                        de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                        werkloos is.</al><al>Lid 3</al><al>De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband
                        met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de grondslag zoals
                        gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet overschrijden. Het meerdere
                        wordt gekort op de na-wettelijke uitkering. </al><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke
                        sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is </al><lijst><li nr="a."><al> 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b."><al> 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50
                                jaar </al></li><li nr="c."><al> 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                        verstreken.</al><al>Lid 2</al><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.</al><al>Lid 3</al><al>Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag waarop de
                        ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
                        toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de
                        sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te
                        informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de
                        na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek
                        van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke
                        uitkering. </al><al>Lid 2</al><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden
                        waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al><al>Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35%
                        arbeidsongeschiktheid</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                                herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van
                                artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van
                                artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al></li></lijst><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                        ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende
                        het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op
                        grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel
                        7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij
                        arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                        definitief is vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten
                        aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van
                        invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzondere uitkering.</al><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al>Lid 1</al><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                        totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al><al>Lid 2</al><al>Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering
                        gebracht.</al><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de
                        nieuwe arbeid.</al><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al><al>In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke uitkering
                        voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al> op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke
                                sector en</al></li><li nr="b."><al> ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25 +
                                (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien
                                verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X
                                staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag;
                                factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke
                                sector.</al></li></lijst><al>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar met
                        op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al><al>11 Uitkeringsregeling ontslag</al><al>Artikel 11:1 Betrokkene</al><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016,
                            zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen
                            in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor
                            dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent
                            dat voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                            hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden
                            geraadpleegd.</cursief></al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen ambtenaar aan
                        wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking waarin
                                hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling minder dan
                                vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in een betrekking van
                                kennelijk tijdelijke aard;</al></li><li nr="b."><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling, met
                                uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag niet op eigen verzoek
                                is geschied en evenmin aan eigen schuld of toedoen is te wijten; en
                                die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel
                                8:3 kan ontlenen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden verstaan de
                        gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij of zij de echtgenoot
                        of geregistreerde partner volgt die door geheel buiten hem of haar liggende
                        oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.</al><al>Artikel 11:2 Lichamen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en
                        vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
                        verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</al><al>Artikel 11:3 Diensttijd</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel
                        11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst
                        doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Wet
                        privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een
                        verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou
                        zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 11:1,
                        is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het
                        zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                        1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een maand
                                daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een betrekking
                                welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij
                                vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop de
                                uitkering ingaat.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een uitkering in
                        aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van
                        de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
                        van de uitkering, met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan,
                        herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
                        privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke
                        persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden
                        verricht.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet
                        is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:5 Bezoldiging</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld
                        in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze laatstelijk vóór het
                        ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage
                        bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld
                        in artikel 3:6.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de
                        vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag
                        berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande
                        twaalf volle kalendermaanden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging
                        zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn
                        blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die
                        wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de
                        opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden
                        het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene
                        worden herzien.</al><al>Artikel 11:6 Recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat behoudens
                        het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer
                                als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is
                                geweest, ingevolge artikel 11:7;</al></li><li nr="b."><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie jaar
                                onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, ingevolge artikel 11:7,
                                dan wel wanneer het bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe
                                aanleiding geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van
                                toepassing artikel 11:8, vierde lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de
                        betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd was
                        werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
                        artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van werknemer heeft
                        herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a, bedoelde periode van 12
                        maanden verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde
                        verhindering.</al><al>Lid 3</al><al>De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking genomen,
                        voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de
                        betrokkene is ontslagen en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor
                        eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor zover deze
                        niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op
                        uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld weken,
                        waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.</al><al>Lid 5</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde lid, van
                        de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan de
                        verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is voldaan, het
                        recht op uitkering ingaat met de dag waarop de inschrijving bij het
                        arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft plaatsgehad.</al><al>Lid 7</al><al>Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering,
                                berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                                suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65
                                jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d."><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;</al></li><li nr="e."><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet
                                worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;</al></li><li nr="f."><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag
                                zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden
                                betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn
                                omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
                                aanvaarden.</al></li></lijst><al>Lid 8</al><al>De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op uitkering
                        met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager
                        percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt
                        vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur
                        van de uitkering wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
                                wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
                                tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag door de
                        betrokkene.</al><al>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
                                ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3
                                van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren
                                per week werkzaam is geweest of;</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ wordt de duur van de
                                uitkering verlengd met:</al><lijst><li nr="·"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5
                                        jaar;</al></li><li nr="·"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
                                        jaar;</al></li><li nr="·"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al></li><li nr="·"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20
                                        jaar;</al></li><li nr="·"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al></li><li nr="·"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30
                                        jaar;</al></li><li nr="·"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar
                                        en</al></li><li nr="·"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                        jaar.</al></li></lijst></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samentelling van:</al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en; </al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de
                                dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
                                Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het rijk
                                invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van
                                dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
                                grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29,
                                tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met
                                een uitkering bedoeld onder a of d; </al><lijst><li nr=""><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband
                                        met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per
                                        week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar,
                                        bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de
                                        vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                                        bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden
                        behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of
                                een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                volledig, en;</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet
                        meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid of;</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakanties.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als
                        bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt
                        aangewezen, is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                        college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                        wijzen.</al><al>Lid 8</al><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden
                                en opgevoed.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de
                        Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien dit leidt
                        tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
                        bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid van dit artikel is
                        begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende
                        leden.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden, gelijk aan
                        1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond op
                        hele maanden.</al><al>Lid 3</al><al>De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten hoogste
                        vastgesteld op 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten
                        minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en diensttijd,
                        die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60 jaren of meer bedraagt,
                        wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend
                        aansluitend gedurende een periode van zes maanden een bijzondere verlenging
                        verleend.</al><al>Artikel 11:9 Vervolguitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
                        tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitkering recht op
                        een vervolguitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste
                                lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid,
                                onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen
                                recht heeft op verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht op een
                                vervolguitkering.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                        vervolguitkering een jaar.</al><al>Lid 4</al><al>De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend,
                        heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                        uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop
                        zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar
                        na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>Lid 6</al><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan
                        wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend
                        recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn
                        uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie en
                        een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>Lid 7</al><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de uitkering van
                        overeenkomstige toepassing op de vervolguitkering.</al><al>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden gelijk aan
                        87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens
                        67% van de bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de bijzondere
                        verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de bezoldiging.</al><al>Lid 3</al><al>Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de
                        percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3 procentpunten
                        verhoogd.</al><al>Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien
                        verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een
                        betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                        minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                        genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag,
                        bedoeld in artikel 15 van die wet.</al><al>Artikel 11:12 Verhuiskosten</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                        elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
                        voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
                        van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Artikel 11:13 Vermindering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ,
                        of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is
                        verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem
                        ontslag te verlenen, wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een
                        vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering
                        samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede
                        de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                        bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering ingevolge
                        artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking ontslag is
                        verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op uitkering
                        doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het
                        pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt
                        verrekend. De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop
                        het ontslag plaats vond uit de betrekking die door betrokkene gedurende de
                        met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend
                        over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden
                        betrekking te hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid,
                        geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk
                        toegekende uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al
                        dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de
                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van de
                        oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke bezoldiging
                        overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van
                        de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                        uitkering verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.</al><al>Lid 3</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                        bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde
                        vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                        inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al><al>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de
                        dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk mededeling is gedaan
                        van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het
                        college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet
                        hij voor zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in
                        verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of
                        blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                        het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene
                        zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn
                        opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het
                        bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van
                        de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                        inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet
                        langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en
                        wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud
                        van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</al><al>Lid 3</al><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>Lid 4</al><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        11:13, het derde en vierde lid.</al><al>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in artikel
                        11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een
                        tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of
                        geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn
                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige
                        pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering
                        ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
                        overledene kostwinner was.</al><al>Lid 2</al><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan op de uitkering
                        een vermindering werd toegepast op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de verminderde uitkering over een tijdvak van drie
                        maanden, voor zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen
                        gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan
                        het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor de
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>Lid 4</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een
                        WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk
                        is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt
                        en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft op een
                        van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15 dan wel
                        uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens ziekte verhinderd is
                        arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de vierde dag van die
                        verhindering een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene deze
                        over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft genoten. De
                        bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit luidde voor 1
                        januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:18 Samenloop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste
                        lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte
                        aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot
                        en met 11:15, opgeschort.</al><al>Artikel 11:19 Afkoop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                        artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
                        geheel of ten dele worden afgekocht.</al><al>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                        voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                        uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid, vervalt
                        met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer
                        intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende
                        duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat,
                        tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
                        aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens
                        enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid
                        begrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar
                                zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever,
                                voorzover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk
                                is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op
                                uitkering bestaat.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht
                        op een uitkering, mits de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond
                                als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a, arbeid in
                                dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b."><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als
                                bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene
                        zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte
                        weken.</al><al>Lid 5</al><al>De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden,
                        verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 6</al><al>Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als bedoeld
                        in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in het
                        derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al><al>Lid 7</al><al>Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag,
                        bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid, niet binnen een
                        termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht
                        bij het college is ingekomen.</al><al>Artikel 11:21 Verplichtingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>Lid 2</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te
                        doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag
                        ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving
                        als werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>Lid 4</al><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
                        betrokkenen.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich te
                        gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of
                        voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van
                        een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>Lid 6</al><al>Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er in toe te
                        stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking
                        komen, alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen
                        geven.</al><al>Artikel 11:22 Opschorting</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten bedrage
                        van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de betrekking waaruit hem
                        ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de
                        uitkeringsregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het
                        tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in
                        militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Artikel 11:23 Samenloop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht
                        op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering en in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% :</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% :</al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% :</al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% :</al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% :</al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15% :</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering
                        bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten
                        indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                        overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                        geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                        onverminderd te zijn genoten.</al><al>Artikel 11:24 Samenloop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover die
                        aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende uitkeringen
                        niet uitbetaald.</al><al>Artikel 11:25 Betaling</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van de uitkering werd genoten.</al><al>Lid 2</al><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de uitkering over
                        langere termijnen geschieden.</al><al>Artikel 11:26 Verval van uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                        verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld in
                                artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of
                                onvolledig doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11:21,
                                tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming van het
                                college gedurende de tijd, waarin hij een uitkering geniet, de in
                                evengenoemde leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze
                                op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde lid,
                                gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs
                                geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien er overigens
                                gegronde reden is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk
                                te vinden;</al></li><li nr="d."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                                buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven;</al></li><li nr="e."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of
                                krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn gesteld;</al></li><li nr="f."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou zijn
                                verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="g."><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo
                                deze eerder bekend waren, aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag
                                te verlenen;</al></li><li nr="h."><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing op
                        een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21, eerste lid,
                        niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan
                        wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling opzettelijk of door
                        nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het
                        arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in
                        verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                        opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de
                        uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of
                        verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al><al>Lid 4</al><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van een aangeboden
                        betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al><al>Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die
                                waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al></li><li nr="c."><al>indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene
                        recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is van
                        overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uitkering de
                        duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de
                        hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</al><al>Lid 3</al><al>De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige toepassing op
                        een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                        geven.</al><al>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                        uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de
                        resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien
                        verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal
                        zijn dan op grond van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1
                        augustus 1991.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991,
                        de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende
                        uitkering langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van artikel 11,
                        eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus
                        1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen,
                        behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid genoemde termijn en
                        overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw
                        toekennen van de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op een weder
                        toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat
                        de duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                        tweede lid.</al><al>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat
                        betreft de hoogte van deze uitkering de aanspraken zoals deze zijn
                        vastgelegd in evengenoemde verordening.</al><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari
                        1995 een uitkering is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 11:31 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 11:32 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of
                        UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst
                        van deze artikelen zoals deze luidde op 31 december 2000. </al><al>11a Suppletie</al><al>Artikel 11a:0:0:1 Suppletieregeling</al><al>In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 11a, heeft GR de Bevelanden een
                        Suppletieregeling vastgesteld. </al><al>Klik hier om deze regeling te raadplegen. </al><al>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</al><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016,
                            zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen
                            in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor
                            dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent
                            dat voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                            hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden
                            geraadpleegd</cursief>.</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr="a."><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschiktheid in de zin
                                van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b."><al><vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een periodieke
                                uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die
                                voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c."><al><vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de WAO;</al></li><li nr="d."><al><vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2
                                van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is verleend op
                                grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking
                                wegens ziekte, en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80%
                                arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn
                                resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                                betrekkingen;</al></li><li nr="e."><al><vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in artikel 8:5,
                                eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen;</al></li><li nr="f."><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;</al></li><li nr="g."><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Wet op de
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de
                                maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
                                Sociale Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan pensioenpremie,
                                bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen
                                privatisering ABP, en in voorkomend geval verminderd met bijdragen
                                strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de
                                betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit
                                Algemene Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h."><al><vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het dagloon van
                                betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan
                                hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking
                                heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op
                                suppletie wordt ontleend;</al></li><li nr="i."><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke uitkering ter zake
                                van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband
                                van betrokkene.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag
                        is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                        betrekking wegens ziekte.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag
                        wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de vervulling van
                        zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor
                        het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte
                        samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                        opvolgen.</al><al>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de
                        Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare arbeid.
                        Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde
                        arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat
                        is.</al><al>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                                ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de
                                leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:6 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de
                        suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de voor
                        de sector Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.</al><al>Lid 3</al><al>Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b."><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:7 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in artikel
                        11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop
                        de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24
                        maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde
                        periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en
                        het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft
                        geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode
                        gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                        van de suppletie. </al><al>Lid 2</al><al>Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden
                        worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al><al>Artikel 11a:8 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie,
                        ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan,
                        een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering dan wel een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde
                        uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de
                        suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
                        dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering,
                        wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan
                        de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend,
                        naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                        desbetreffende dienstbetrekkingen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die
                        kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op
                        een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter
                        zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
                        laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate van de
                        arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van
                        die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van
                        twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een
                        WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin
                        toegerekend aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato
                        van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een individueel
                        geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot een kennelijk
                        onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bestuursorgaan ten gunste
                        van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de
                        strekking van dit artikel overeenkomt.</al><al>Artikel 11a:9 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie
                        inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan
                        bedoeld in artikel 11a:8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie
                        verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 2</al><al>Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in het
                        eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de
                                betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd;</al></li><li nr="b."><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie
                                is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel
                                11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die
                                dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene,
                                terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte
                                daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid dan wel
                                verband houden met het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van betrokkene
                        afwijken van het tweede lid.</al><al>Artikel 11a:10 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                        geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van
                        handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer
                        werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                        arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan
                        wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                        uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b."><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c."><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel;</al></li><li nr="d."><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:11 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een
                        suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan
                        de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van
                        drie maanden.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde partner(s)
                                indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot of
                                geregistreerde partner gescheiden leefde;</al></li><li nr="b."><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige
                                wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c."><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen
                                ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het
                                bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of
                        geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of
                        gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het
                        betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                        bestaat.</al><al>Lid 4</al><al>Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts
                        sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in
                        huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de
                        huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.</al><al>Lid 5</al><al>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de
                        betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                        uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en
                        strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene
                        recht had.</al><al>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                        bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bestuursorgaan
                        beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al><al>Lid 3</al><al>Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit, doch
                        uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie heeft
                        vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de regel per maand
                        achteraf.</al><al>Lid 4</al><al>De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 3
                        maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het
                        bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene afwijken
                        van de eerste volzin.</al><al>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te stellen
                        voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de
                        hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de betrokkene te
                        betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in
                        artikel 11a:3.</al><al>Lid 2</al><al>Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar redelijkheid
                        vast te stellen voorschot op een suppletie betalen indien onzekerheid
                        bestaat omtrent het recht op suppletie.</al><al>Lid 3</al><al>Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een
                        suppletie.</al><al>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels aan
                        te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen
                        beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of
                        scholing in dagonderwijs.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een
                        voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of
                        scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht
                        op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</al><al>Lid 3</al><al>In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het tweede lid,
                        worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking
                        tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde
                        opleiding of scholing.</al><al>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan
                        mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde
                        activiteiten voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan nodig.</al><al>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot :</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al></li><li nr="b."><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot artikel
                        11a:15.</al><al>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de sector
                        gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K
                        4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet,
                        zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog
                        niet is verstreken, heeft recht op suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31
                        december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="45*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="37*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 maand</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 27 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>34 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>36 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>38 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>42 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>44 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>48 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>52 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>54 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>56 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8, 11a:9,
                        11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als
                        bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van
                        het in dit artikel bepaalde.</al><al>Lid 5</al><al>Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien
                        verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de
                        betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde
                        en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van
                        artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al>Lid 6</al><al>Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                        herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond
                        op een hele maand.</al><al>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari
                        1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken
                        arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de
                        Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene
                        invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste
                        15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de
                        ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                        Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen
                        een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem
                        als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid,
                        van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
                        eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9
                        van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze
                        neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen
                        zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                        gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie
                        doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding
                        van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al><al>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag
                        van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari
                        2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen,
                        met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een
                        WAO-uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag
                        van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari
                        2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is
                        ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de
                        ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al><al>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</al><al>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor
                                georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b."><al><vet>de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de collectieve
                                arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op
                                basis van een arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c."><al><vet>de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende groeperingen van
                                de landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten bij
                                de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het
                                College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                Gemeenten.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een
                        vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de
                        toegelaten organisaties.</al><al>Lid 3</al><al>Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van
                        Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van Overheids- en
                        Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en Hogere
                        Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) ,
                        dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze
                        centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                        worden.</al><al>Lid 4</al><al>De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de
                        commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of
                        NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO
                        FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden
                        ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO
                        FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling
                        van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het
                        aantal leden in overeenstemming gebracht met de hier geldende
                        bepalingen.</al><al>Lid 5</al><al>Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden
                        indien zij representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek
                        wordt in het georganiseerd overleg besproken.</al><al>Lid 6</al><al>Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen
                        hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief
                        geacht worden.</al><al>Artikel 12:1:1 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld
                        in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer
                        vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing geschiedt bij
                        elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van
                        hen die ophouden lid van het college te zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie,
                        bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde
                        lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing
                        geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren
                        tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van
                        een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                        organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
                        bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald. </al><al>Artikel 12:1:2 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel
                        12:1:1 , tweede lid, aan het college opgaaf van het aantal der op 1 januari
                        van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</al><al>Lid 2</al><al>Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                        aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of
                        geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan het
                        college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of
                        plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk
                        een opvolger aangewezen.</al><al>Artikel 12:1:3 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                        vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al><al>Lid 2</al><al>Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging
                        van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens
                        plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder personeel voor het
                        secretariaat ter beschikking.</al><al>Lid 3</al><al>De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al><al>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                        Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot
                        overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het
                        college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval
                        het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg
                        waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling doet aan
                        de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te
                        brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte
                        aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het college het overleg als
                        bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting
                        van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld
                                in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken
                                ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c."><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te
                        stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:2.</al><al>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang
                        voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels
                        volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet
                        overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het
                        College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de
                        centrales van overheidspersoneel.</al><al>Lid 2</al><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor
                        georganiseerd overleg.</al><al>Lid 3</al><al>De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet
                        worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.</al><al>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden</al><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                        worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen
                        daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de
                        concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.</al><al>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd
                        aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen
                        te doen aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de bevoegdheid
                        van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort
                        het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het
                        voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.</al><al>Lid 3</al><al>De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de
                        commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties
                        en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.</al><al>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te
                        wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald
                        onderwerp nodig wordt geacht.</al><al>Lid 2</al><al>De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij
                        kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel
                        12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem
                        te bepalen tijdstippen.</al><al>Lid 2</al><al>Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van
                        de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel
                        uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.</al><al>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering
                        opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen
                        onderwerpen.</al><al>Lid 2</al><al>Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van
                        het gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties
                        is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                        bestaat uit twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts
                        plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
                        gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is
                        vertegenwoordigd.</al><al>Lid 3</al><al>Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering
                        niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de
                        voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe
                        vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden
                        behandeld.</al><al>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</al><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door
                        deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen
                        zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.</al><al>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De vergaderingen zijn niet openbaar.</al><al>Lid 2</al><al>De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering
                        laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.</al><al>Lid 3</al><al>De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door
                        een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn
                        voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een
                        doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in
                        eigen kring te onderwerpen.</al><al>Lid 4</al><al>De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de
                        inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze
                        geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad,
                        alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende
                        organisaties.</al><al>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</al><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij
                        dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                        tijd.</al><al>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging,
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.</al><al>Lid 2</al><al>De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald door
                        hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij
                        staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.</al><al>Lid 3</al><al>De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door
                        stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie
                        zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn aangesloten
                        op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een
                        organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal
                        stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij
                        staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben
                        gestemd.</al><al>Lid 4</al><al>Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt
                        voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op
                        dat tijdstip.</al><al>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</al><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen,
                        welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij
                        in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.</al><al>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</al><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt
                        vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al><al>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn
                        slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies-
                        en arbitragecommissie.</al><al>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd
                                in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b."><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
                                ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst><al>Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van
                        toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2,
                        eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van
                        ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al><al>Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot
                        het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de
                        instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat
                        oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben
                        gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het
                        overleg.</al><al>Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Lid 1</al><al>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de
                        voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg.
                        De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is
                        uitgeschreven.</al><al>Lid 2</al><al>Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het
                        overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering
                        nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de
                        inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden
                        gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                        ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping
                        van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</al><al>Lid 3</al><al>Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging
                        van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties,
                        als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd.</al><al>Lid 4</al><al>Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist
                        tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten
                        organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde
                        in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al><al>Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Lid 1</al><al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het
                        verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het
                        overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat
                        ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de
                        vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen
                        alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud
                        van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie
                        op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                        eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie.</al><al>Lid 2</al><al>Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het
                        verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle
                        deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp
                                en inhoud van het geschil.</al></li></lijst><al>Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                        geschil voortgezet.</al><al>Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende
                        kracht.</al><al>Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie</al><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na
                        overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al><al>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</al><al>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling treedt in werking per............ (*1)</al><al>Noot *1: De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn
                        overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari 1996.</al><al>Lid 2</al><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen de
                        bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die
                        verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de
                        bepalingen van deze regeling.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit
                        het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van
                        individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld,
                        vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                        artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23 tweede lid,
                        11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24
                        en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus
                        1993.</al><al>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige dienstverband
                        heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1 januari 1997 naar
                        rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van
                        het aantal uren van het dienstverband per 31 december 1996 en dit verzoek
                        niet is afgewezen.</al><al>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen
                        ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de
                        artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid,
                        terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al><al>14 Medezeggenschap</al><al>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</al><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en
                        de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor
                        het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                        zittingstermijnen.</al><al>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                        ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen
                        daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad
                        in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35
                        personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de
                        WOR.</al><al>Artikel 14:1:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:3 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:4 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:5 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:6 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:7 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:8 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:9 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:10 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:11 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:12 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:13 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:14 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:15 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:16 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:17 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:18 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:19 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:20 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:21 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:22 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:23 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:24 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:25 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:26 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:27 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:28 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:29 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:30 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:31 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:32 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:33 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:34 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:35 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:36 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:37 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:38 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:39 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:40 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:41 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:42 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:43 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:2:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:2:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>15 Overige rechten en verplichtingen</al><al>Artikel 15:1 Verplichtingen</al><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen en
                        zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. </al><al>Artikel 15:1:0:1 Gedragscode ambtelijke integriteit</al><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1, heeft GR de Bevelanden een
                        Gedragscode ambtelijke integriteit vastgesteld. </al><al>Klik hier om deze gedragscode te raadplegen. </al><al>Artikel 15:1a Verplichtingen</al><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten</al><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens
                        het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;</al></li><li nr="b."><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de vervulling
                                van zijn functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden</al><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
                                beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken
                                of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college;</al></li><li nr="b."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die
                        ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere
                        arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij
                        verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.</al><al>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen
                        wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of
                        voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover
                        deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</al><al>Lid 2</al><al>Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid
                        gedane opgaven.</al><al>Lid 3</al><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de
                        goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare
                        dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels
                        worden gesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde
                        nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van
                        gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren
                        aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de
                        openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al><al><vet>Artikel 15:1e:0:1 Regeling openbaarmaking nevenfuncties van
                            topambtenaren</vet></al><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1e, heeft de gemeente Kapelle
                        een Regeling openbaarmaking nevenfuncties van topambtenaren
                        vastgesteld.</al><al>Klik hier om deze regeling te raadplegen.</al><al>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</al><al>Lid 1</al><al>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan
                        in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het
                        risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden
                        is.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een door
                        dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit
                        van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover
                        deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken. </al><al>Lid 3</al><al>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede
                        lid.</al><al>Lid 4</al><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te
                        bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede
                        vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare
                        dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels
                        worden gesteld.</al><al>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst</al><al>Lid 1</al><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan
                        aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar,
                        middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van
                        anderen.</al><al>Artikel 15:1:9 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met
                        15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al><al>Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere werkgever</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                        werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter
                        vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of
                        werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij
                        naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid
                        of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst
                        van de gemeente noodzakelijk is. </al><al>Lid 2</al><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt zo
                        spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1
                        tweede lid.</al><al>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college
                        wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
                        omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij
                        gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                        taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe
                        strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te
                        verzekeren.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt
                        aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                        veiligheidsregio’s.</al><al>Lid 3</al><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                        veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van het
                        tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet
                        veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht van het bevoegd
                        gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis plaatsvindt.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen
                        tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke
                        verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.</al><al>Lid 5</al><al>De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien
                        de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs
                        toelaten.</al><al>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van
                        door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of
                        nalatigheid is te wijten.</al><al>Lid 2</al><al>Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden niet vastgesteld dan nadat
                        de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te
                        verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te
                        maken.</al><al>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van
                        een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet
                        heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van
                        gelden en geldswaardige papieren.</al><al>Lid 2</al><al>Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een
                        aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in
                        aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel
                        deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al><al>Lid 3</al><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven
                        gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer
                        niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn functie wordt
                        waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.</al><al>Artikel 15:1:14 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college te
                        stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt
                        uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn functie vervult en omtrent zijn
                        gedragingen tijdens de uitoefening daarvan.</al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn
                        gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn functie of de wijze waarop
                        hij zijn functie vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen,
                        waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of
                        de wijze waarop hij zijn functie vervult naar het oordeel van het college
                        verbeterd kan worden.</al><al>Artikel 15:1:15:1 Regeling functiebeschrijving- en waardering</al><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1:15, heeft GR de Bevelanden een
                        Regeling functiebeschrijving- en waardering vastgesteld. </al><al>Klik hier om deze regeling te raadplegen. </al><al>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de door het
                        college voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven
                        kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.</al><al>Lid 2</al><al>Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is
                        de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college
                        toestemming is gegeven.</al><al>Lid 3</al><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of
                        andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen,
                        een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of
                        voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is
                        verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot
                        het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is
                        verleend.</al><al>Lid 4</al><al>Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de
                        verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde
                        kleding.</al><al>Artikel 15:1:17 Standplaats</al><al>Lid 1</al><al>Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden
                        opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.</al><al>Lid 2</al><al>Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name
                        genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
                        werkzaamheden verricht.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere
                        regels stellen.</al><al>Artikel 15:1:18 Dienstwoning</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een dienstwoning is
                        aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het
                        gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk
                        gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij terzake een
                        afwijkende regeling is vastgesteld.</al><al>Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein</al><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren,
                        werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden
                        ontzegd.</al><al>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een
                        persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet
                        publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn
                        functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen
                        en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het
                        staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het
                        gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij
                        verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is
                        verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij is
                        gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven
                        aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een
                        geneeskundig onderzoek.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het
                        bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie te vervullen, zijn
                        volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 15:1:21 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfskosten</al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</al><al>Lid 1</al><al>Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting,
                        geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                        motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid
                        lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade
                        niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</al><al>Lid 2</al><al>Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                        motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                        motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn
                        functie, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende
                                verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c."><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt
                                ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt
                                gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per
                                kilometer.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</al><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in
                        de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de
                        vervulling van zijn functie te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe
                        door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming
                        kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</al><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                        schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al><al>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</al><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                        volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander
                        door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen
                        van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste
                        van de gemeente.</al><al>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</al><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst
                        en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten,
                        gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van doorbetaling
                        verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet,
                        herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije
                        jeugd. </al><al>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen</al><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen
                        worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen
                        onthouden of nadelen toegebracht.</al><al>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</al><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten
                        hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind
                        te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al><al>Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg</al><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                        plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor
                        hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit
                        hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie
                        in de gemeentelijke organisatie.</al><al>Artikel 15:2 Klokkenluiders</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van
                        misstanden.</al><al>Lid 2 </al><al>Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die
                        misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen
                        niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de
                        gemeente benadeeld worden.</al><al>Artikel 15:2:0:1 Regeling melding vermoeden misstand</al><al>In aanvulling op het gestelde in artikel 15:2, heeft GR de Bevelanden een
                        Regeling melding vermoeden misstand vastgesteld. </al><al>Klik hier om deze regeling te raadplegen. </al><al>Artikel 15:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>16 Disciplinaire straffen</al><al>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
                        overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding
                        geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag
                        of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege
                        disciplinair worden gestraft.</al><al>Lid 2</al><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen
                        of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort
                        na te laten of te doen.</al><al>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</al><al>Lid 1</al><al>Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                        disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar vastgestelde
                                werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale
                                vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren
                                per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden
                                opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke
                                feestdagen; </al></li><li nr="c."><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren
                                waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak
                                heeft;</al></li><li nr="d."><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per
                                jaar;</al></li><li nr="e."><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag
                                overeenkomende met het salaris over een halve maand;</al></li><li nr="f."><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
                                verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een
                                herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten hoogste
                                vier jaren;</al></li><li nr="g."><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste
                                twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar
                                beklede functie geen schaal is verbonden, vermindering van het
                                salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet
                                langer dan twee jaren; </al></li><li nr="h."><al> plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander onderdeel
                                van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder
                                vermindering van salaris en de toegekende salaristoelage(n); </al></li><li nr="i."><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot
                                van salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden opgelegd door
                        het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in
                        artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                        aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie. </al><al>Lid 3</al><al>Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer
                        zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het
                        opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk
                        plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander
                        ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
                        eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al><al>Artikel 16:1:3 Verantwoording</al><al>Lid 1</al><al>De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk
                        plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het
                        college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder
                        dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de
                        ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.</al><al>Lid 2</al><al>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur
                        proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens
                        overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de
                        ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo
                        mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van
                        het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de
                        gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere
                        bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.</al><al>Artikel 16:1:4 Verantwoording</al><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                        schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al><al>Artikel 16:1:5 Verantwoording</al><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer
                        gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                        strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al><al>17 Opleiding en ontwikkeling</al><al>Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame
                        inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens positie op de interne
                        en externe arbeidsmarkt verbetert. </al><al>Lid 2</al><al>In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich
                        door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk loopbaanbeleid. </al><al>Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit</al><al>Lid 1 </al><al>Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en
                        ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit. </al><al>Lid 2</al><al>Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en
                        onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                        organisatieverandering.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het
                        gemeentelijk loopbaanbeleid.</al><al>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500.-. </al><al>Lid 2</al><al>Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een opleidingsplan
                        heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan loopbaanontwikkeling
                        op basis van individuele wensen over loopbaanactiviteiten gericht op
                        vergroting van inzetbaarheid kan dit opleidingsplan ongewijzigd worden
                        voortgezet ongeacht het bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de
                        ondernemingsraad.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaangerelateerde
                        activiteiten, zoals opleiding, training, scholing, loopbaanadvies, coaching
                        en ontwikkeling, gericht op de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn
                        arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen of buiten de
                        organisatie.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op een
                        reëel loopbaanperspectief.</al><al>Lid 5</al><al>Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden
                        vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk ontwikkelingsplan.</al><al>Lid 6</al><al>Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de
                        aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.</al><al>Lid 7</al><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het
                        loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee eenmalig
                        een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt vastgelegd in (een
                        aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan.</al><al>Lid 8</al><al>Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop van de
                        overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is benut komt het
                        resterende budget te vervallen.</al><al>Lid 9</al><al>Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al><al>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan</al><al>Lid 1</al><al>Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het college en
                        de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de
                        loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar,
                        alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen
                        activiteiten.</al><al>Lid 2</al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                        opgesteld en door het college vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de
                        doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk
                        opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het college vastgestelde
                        opleidingsplan.</al><al>Lid 4</al><al>De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk
                        ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                        college vergoed.</al><al>Lid 5</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                        betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde
                        van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte
                        afspraken uit te voeren.</al><al>Lid 6</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                        betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="§"><al> de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs
                                te maken kosten; </al></li><li nr="§"><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;</al></li><li nr="§"><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang; </al></li><li nr="§"><al> de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden
                                onderbroken of gestopt; </al></li><li nr="§"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding
                                bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar; </al></li><li nr="§"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding
                                bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen
                                periode na afronding van de studie; </al></li><li nr="§"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                uitvoering van de gemaakte afspraken. </al></li></lijst><al>Artikel 17:5 Loopbaanadvies</al><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij
                        een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</al><al>Artikel 17:6 Inzetbaarheid</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met
                        een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en
                        belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan
                        afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.</al><al>Artikel 17:7 Flankerend beleid</al><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                        beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                        Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al><al>18 Verplaatsingskosten</al><al>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin
                                van de CAR;</al></li><li nr="b."><al><vet>woongebied:</vet> een door het college aan te wijzen gebied
                                aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al><vet>standplaats:</vet> de gemeente of het met name genoemde deel
                                daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht;
                            </al></li><li nr="d."><al><vet>gezinsleden:</vet> de echtgenoot, geregistreerde partner van de
                                betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de
                                betrokkenen en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner voor
                                zover zij samenwonen;</al></li><li nr="e."><al><vet>eigen huishouding voeren:</vet> het zelfstandig en voor eigen
                                rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en
                                stoffering, een en ander ter beoordeling van het bevoegde
                                gezag;</al></li><li nr="f."><al><vet>berekeningsbasis:</vet> het twaalfvoud van het salaris per
                                maand inclusief eventuele salaristoelage(n), dan wel hetgeen
                                daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van toepassing
                                is - die betrokkene geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd
                                met 8% en in voorkomende gevallen vermeerderd met: </al><lijst><li nr="1."><al>genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11
                                        of een genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en
                                        eventueel hoofdstuk 10a;</al></li><li nr="2."><al>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het
                                        pensioenreglement;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al><vet>berekeningstijdstip:</vet></al><lijst><li nr=""><al>1e datum waarop de betrokkene verhuist;</al></li><li nr=""><al> 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de
                                        functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de
                                        functievervulling; </al></li><li nr=""><al>3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum
                                        waarop de laatste salarisbetaling heeft plaatsgevonden;</al></li></lijst></li><li nr="h."><al><vet>verplaatsen en verplaatsing:</vet> veranderen onderscheidenlijk
                                verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht van het
                                bestuursorgaan;</al></li><li nr="i."><al><vet>verplaatsingskostenvergoeding:</vet> tegemoetkoming in de
                                kosten van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing
                                voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
                                tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat de
                                verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="j."><al><vet>dienstwoning:</vet> de door het bevoegde gezag aan de
                                betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen
                                woning.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om
                        in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel
                        15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie
                        binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten
                        gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na
                        de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in
                        verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere
                        tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of
                        instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.</al><al>Lid 3</al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in verband
                        met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij
                        schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als
                        bedoeld in het vorige lid hem bekend is.</al><al>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan in verband
                        met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of
                        verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op
                        verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor
                        vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te
                        wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren
                        nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in
                        verhuiskosten worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden
                        van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de
                        nagelaten gezinsleden.</al><al>Lid 4</al><al>Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de
                        verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien
                        verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak
                        zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.</al><al>Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3
                        wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee
                        jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van
                        het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</al><al>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de
                                inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe
                                woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van
                                breekbare zaken;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te
                                maken kosten, met een maximum van € 310,51 per maand met dien
                                verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt
                                verleend;</al></li><li nr="c."><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende
                                kosten, met een maximum van € 6.209,70.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding
                        voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover
                        bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een
                        tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of
                        slaapvertrek, tot een maximum van vier van deze vertrekken, die de
                        achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd
                        in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten,
                        geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en
                        afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor
                        beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen
                        een deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een
                        andere werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten,
                        wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een
                        voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste
                        berekeningsbasis.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming
                        als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien bijzondere
                        omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een
                        tegemoetkoming worden verleend van 3% van de berekeningsbasis.</al><al>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in
                        of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel
                        15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt heeft
                        aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen
                        de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in
                        aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten.</al><al>Lid 2</al><al>Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het
                        bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van
                        gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien,
                        aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een
                        pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een
                        tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de
                        plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het
                        oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag
                        worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij
                        niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en
                        tweede lid.</al><al>Lid 4</al><al>Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor
                        betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet
                        behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in
                        het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig
                        het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag
                        niet dagelijks heen en weer kan reizen.</al><al>Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde
                        lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar vervoer op basis van
                        het tarief van de tweede klasse.</al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel
                        dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van €
                        3.984 per jaar.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het
                        ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan
                        reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in de plaats
                        daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een
                        tegemoetkoming van € 103,78 op jaarbasis.</al><al>Lid 4</al><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde
                        lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
                        heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet door openbaar
                        vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen
                        groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden
                        niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,17 per kilometer met een
                        maximum van 20 kilometer enkele reis.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van
                        tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen
                        gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de
                        tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.</al><al>Artikel 18:1:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer</al><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
                        die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als
                        een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te
                        bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie
                        de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per
                        openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur
                        van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De
                        hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al><al>Artikel 18:1:9 Pensionkosten</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede
                        lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont
                        90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde pensionkosten, voor
                        zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk
                        geoordeelde pensionkosten.</al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het bezoeken
                        van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van
                        het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van de laagste
                        klasse.</al><al>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en 18:1:9
                        wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden verleend. Het
                        bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene telkens voor niet
                        langer dan zes maanden verlengen.</al><al>Lid 2</al><al>Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten bestaat
                        indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform
                        artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor
                        het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie
                        maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.</al><al>Lid 3</al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen vastgesteld
                        op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14 maandelijks
                        zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een korting op de
                        bedragen van 6%.</al><al>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum van
                        de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn ingediend.</al><al>Lid 2</al><al>Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden
                        daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van de kosten als
                        bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.</al><al>Artikel 18:1:12 Voorschot</al><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                        tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al><al>Artikel 18:1:13 Slotbepaling</al><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit
                        hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze
                        regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid
                        voorzien.</al><al>Artikel 18:1:14 Overgangsrecht</al><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer
                        op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004,
                        is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke
                        ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1
                        juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli
                        2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op
                        een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien
                        de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de
                        tegemoetkoming woon-werkverkeer.</al><al>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al></li></lijst><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al><al><vet>Hoofdwerkgever:</vet> de werkgever waarbij de vrijwilliger in
                        loondienst is.</al><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de
                        rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel
                        12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd
                        overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid gevoerd zal worden. </al><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van dit
                        hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere schriftelijke
                        regels die hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft na te
                        leven.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk zijn
                        vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.</al><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle
                        regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de
                        vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden
                        kosteloos ter beschikking gesteld aan:</al><lijst><li nr="§"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg
                                bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="§"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                aanmerking komt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:7a Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:9 Bevordering</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:10 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in tijdelijke
                        dienst voor een bepaalde periode.</al><al>Lid 2</al><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze van
                        proef.</al><al>Lid 3</al><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van maximaal
                        twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de tijdelijke aanstelling
                        verlengd worden met een periode van ten hoogste een jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de maximale
                        termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is, tenzij de proef niet
                        geslaagd is.</al><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in aanmerking
                        komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s
                        daarvoor stelt.</al><al>Lid 2</al><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger voldoet
                        bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b."><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden
                                en de ligging van zijn woning, in staat om zijn taak bij de
                                gemeentelijke brandweerdienst naar behoren te vervullen;</al></li><li nr="c."><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst><al>Artikel 19:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht van
                        aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de
                                vrijwilliger;</al></li><li nr="b."><al> de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling wordt de
                                periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk
                                omschreven;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d."><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de vergoeding die
                                aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig
                        mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al><al>Artikel 19:9 Bevordering</al><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen
                        wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel
                        veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten
                        minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.</al><al>Artikel 19:10 Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al></li></lijst><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                        indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en informeert het
                        college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het college
                        zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer informeert het
                        college bij zijn indiensttreding hierover en verstrekt gegevens over de aard
                        van zijn werkzaamheden en het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger
                        informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen. </al><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                        indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; </al></li><li nr="b."><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor brandweerwerkzaamheden;
                            </al></li><li nr="c."><al> de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de
                                brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier
                                rekening mee gehouden moet worden;</al></li><li nr="d."><al> de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten
                                tijdens werktijd; </al></li><li nr="e."><al> ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding. </al></li></lijst><al>Paragraaf 4 Vergoedingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                                werkzaamheden</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                                hulpverlening</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al></li></lijst><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding
                        overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de
                        CAR-UWO.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31
                        december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam is, zolang
                        de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit
                        hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.</al><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding. </al><al>Lid 2</al><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage, genoemd
                        in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de
                        functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.</al><al>Lid 3</al><al>In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter vergoeding
                        van onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening.</al><al>Lid 4</al><al>In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de
                        beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde brandbestrijding of
                        andere hulpverlening.</al><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                        werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met
                        toestemming van het college, of in opdracht van het college overige
                        werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding. </al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de
                        bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie waarin de
                        vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de vergoeding op nul
                        is gesteld heeft de vrijwilliger voor die activiteit geen recht op
                        vergoeding. </al><al>Lid 3</al><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers
                        niet zijnde officieren.</al><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                        hulpverlening</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt met
                        daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt hiervoor een
                        vergoeding.</al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de
                        bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie,
                        behorende bij de functie van de vrijwilliger, in de vierde kolom. </al><al>Lid 3</al><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers
                        niet zijnde officieren.</al><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer ingezet
                        wordt voor oefeningen, cursussen of overige brandweerwerkzaamheden, ontvangt
                        een vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld
                        aan de hand van het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat
                        vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                        vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen recht op
                        een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al><al>Lid 3</al><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt over die
                        uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft, een cursus gevolgd
                        heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht heeft. </al><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden
                        voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze vergoeding
                        bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                                Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
                                waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere
                                dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als feestdag;
                            </al></li><li nr="b."><al> per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.</al></li></lijst><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van
                        kazerneringsdiensten.</al><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode dat zij
                        niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of niet deelneemt aan
                        oefeningen recht op doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel
                        19:15 tot en met 19:18.</al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag dat de
                        vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de eerste dag van
                        het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk
                        afwijkt van het gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een
                        kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon. </al><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een
                        cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover
                        deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt.</al><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toekennen
                        van een gratificatie.</al><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                        gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA
                        worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum
                        van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel
                        19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat
                        betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige
                        vergoedingen op eurocenten.</al><al>Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al></li></lijst><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al><al>Lid 1</al><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de vrijwilliger.</al><al>Lid 2</al><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en blijvende
                        arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval, overeenkomstig de
                        polisvoorwaarden.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de inhoud van de
                        verzekering.</al><al>Lid 4</al><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de vrijwilliger
                        gebracht.</al><al>Lid 5</al><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van de
                        polisvoorwaarden.</al><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al><al>Lid 1</al><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte medische
                        kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval en die voor zijn
                        rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het
                        college zich terzake heeft verzekerd. </al><al>Lid 2</al><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste lid
                        genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan het college
                        in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in de hogere
                        kosten.</al><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is een
                        aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering bij blijvende
                        arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval.</al><al>Lid 2</al><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij indiensttreding
                        of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien dat het geval is wordt
                        de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking van de verzekering.</al><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting
                        en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                        aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld of
                        nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte werkzaamheden, voor
                        zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.</al><al>Paragraaf 6 Zwangerschap</al><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk stadium bij
                        het college.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de periode van
                        borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor repressieve
                        brandweeractiviteiten.</al><al>Lid 3</al><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde situaties
                        vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de bedrijfsarts.</al><al>Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:33 Verboden</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al></li></lijst><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger voor de
                        brandweerdienst.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen die
                        door of vanwege het college zijn georganiseerd.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of niet kan
                        deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet daarvan tijdig
                        melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het
                        college.</al><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten
                        en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al>Artikel 19:33 Verboden</al><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a."><al> de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor
                                persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of
                                namens het college;</al></li><li nr="b."><al> vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                                vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming
                                is verleend door of namens het college; </al></li><li nr="c."><al> steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de
                        Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve
                        van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het college
                        toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden
                        worden verbonden.</al><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door het college
                        voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.</al><al>Lid 2</al><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college kosteloos in
                        bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze
                        bij het college in te leveren.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen
                        verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te
                        doen onderwerpen aan inspectie en controle, wanneer daartoe door het college
                        opdracht is gegeven.</al><al>Lid 4</al><al>Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding en
                        uitrustingsstukken. </al><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al><al>Het is de vrijwilliger verboden: </al><lijst><li nr="a."><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen
                                werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen
                                waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="b."><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te
                                geven;</al></li><li nr="c."><al> dienstkleding te dragen voorzien van:</al></li><li nr="I."><al> andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang,
                                behorende bij de functie die de vrijwilliger bekleedt;</al></li><li nr="II."><al> insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen
                                daarvan door de staat of door het college toestemming is
                                verleend.</al></li></lijst><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente schade
                        toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of gedeeltelijk te
                        vergoeden. </al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen kenbaar te
                        maken ten aanzien van de inhouding van de schadevergoeding op zijn
                        vergoeding. </al><al>Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de
                        dienst</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al></li></lijst><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair
                        worden gestraft. </al><al>Lid 2</al><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het
                        overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke
                        omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al><al>De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al> schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel
                                19:14;</al></li><li nr="c."><al> schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de
                                vergoeding;</al></li><li nr="d."><al> ongevraagd ontslag.</al></li></lijst><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a."><al> wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem
                                het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b."><al> wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het Wetboek
                                van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;</al></li><li nr="c."><al> wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld
                                wegens misdrijf;</al></li><li nr="d."><al> in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk
                                maakt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 9 Ontslag</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al></li></lijst><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom
                        verzoekt.</al><al>Lid 2</al><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste een maand
                        en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst van het
                        verzoek.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag aanhouden,
                        wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke vervolging wegens
                        misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de vrijwilliger disciplinair te
                        straffen. Beslissing op het ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak
                        van de rechter onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is
                        de vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarheidsstelling of wegens
                                verandering van de brandweerorganisatie; </al></li><li nr="b."><al>de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn
                                dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning geacht
                                moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de brandweer te
                                vervullen; </al></li><li nr="c."><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken; </al></li><li nr="d."><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken;</al></li><li nr="e."><al> onder curatelestelling;</al></li><li nr="f."><al> toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                                geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g."><al> onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                misdrijf;</al></li><li nr="h."><al> een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van het
                        ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van dit artikel. </al><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al><al>Lid 1</al><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag van de
                        periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband nadien feitelijk
                        gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan
                        is de vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken van
                        vorenbedoelde periode in vaste dienst.</al><al>Lid 2</al><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd worden op een
                        van de gronden genoemd in artikel 19:42.</al><al>Bijlagen</al><al>Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer</al><al><vet>Vergoedingentabellen</vet></al><al>De actuele tabellen kunt u vinden in de bijlagen IIb en IIc.</al><al>Bijlage IIb Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer </al><al>Bijlage IIc Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer</al><al>19a Keuringen brandweerpersoneel</al><al>Artikel 19a:1 Algemeen</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer is
                        aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van bevelvoerder en
                        manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij de
                        brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. </al><al>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring</al><al>Lid 1</al><al>Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen mogelijk als
                        na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden functie blijkt dat
                        tegen het bekleden van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren
                        bestaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen in de
                        aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die daartoe
                        door het college zijn aangewezen.</al><al>Lid 4</al><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. </al><al>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is aangesteld
                        in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst conform het Periodiek
                        Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al><al>Lid 2</al><al>Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb van de
                        CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig of
                        minimaal een half jaar na indienstreding.</al><al>Lid 4</al><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een leeftijd
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b."><al> tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar; </al></li><li nr="c."><al> ouder dan vijftig jaar eens per jaar. </al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de frequentie
                        zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden afgenomen. </al><al>Lid 6</al><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het college de
                        medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van een aantal of het
                        totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde tijd kan in bijzondere
                        gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd. </al><al>Lid 7</al><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                        beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige medewerker op
                        zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op toeslagen en
                        vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de medewerker recht
                        hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en
                        ongeschiktheid is hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps gedurende de
                        tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden opleggen.</al><al>Artikel 19a:4 Fysieke test</al><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld in
                        een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al><al>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling
                        voor kunsteducatie</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:3 Functie-eisen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</al></li></lijst><al>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de kunsteducatie
                        in de functie van:</al><lijst><li nr="a."><al>docent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="b."><al>consulent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="c."><al>balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.</al></li></lijst><al>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling: een
                        onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt. </al><al>Artikel 19b:3 Functie-eisen</al><al>Lid 1</al><al>Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de functie
                        van docent en consulent in het bezit is van een diploma van een
                        HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied. </al><al>Lid 2</al><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de OR,
                        afwijken van het eerste lid.</al><al>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</al><al>Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een
                        functioneringsgesprek gehouden.</al><al>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief contact is
                                met leerlingen;</al></li><li nr="b."><al>niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren zijn als
                                lesgebonden uren;</al></li><li nr="c."><al>sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b zijn in te
                        delen in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorbereiden van lesgebonden uren;</al></li><li nr="b."><al>het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde
                                instelling;</al></li><li nr="c."><al>activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten
                                die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op peil te houden;</al></li><li nr="d."><al>algemene werkzaamheden in het belang van de instelling.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een regeling
                        vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden
                        uren staat. In de regeling kan per discipline een afwijking op deze
                        verhouding en de voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Voor de vaststelling
                        van deze regeling is overeenstemming vereist tussen de werkgever en de OR. </al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde lid,
                        voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding lesgebonden
                        versus niet-lesgebonden uren is. </al><al>Lid 5</al><al>Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in het vierde
                        lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal 65% van zijn
                        formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal 35% van zijn formele
                        arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren. </al><al>Paragraaf 2 Salariëring</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</al></li></lijst><al>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</al><al>Lid 1</al><al>In plaats van bijlage II en IIa, past het college de salaristabel, genoemd
                        in bijlage IV, toe bij het vaststellen van het salaris van de
                        ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><al>Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, is niet
                        van toepassing. De functie van </al><lijst><li nr="a."><al>balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;</al></li><li nr="b."><al>docent is gewaardeerd op schaal 8;</al></li><li nr="c."><al>consulent is gewaardeerd op schaal 9.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering en de
                        waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt hiervoor de
                        functiebeschrijving vast. </al><al>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</al><al>Lid 1</al><al>Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds voldoet
                        aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of vaardigheden,
                        kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de aanloopbedragen van de bij
                        de functie behorende salarisschaal. De aanloopbedragen zijn opgenomen in de
                        salaristabel, genoemd in bijlage IV.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen en voor
                        de bevordering naar een bij de functie behorende salarisschaal.</al><al>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</al><al>Lid 1</al><al>In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen opgenomen. </al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te zijn in
                        het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal een periodieke
                        verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens vindt periodieke
                        verhoging iedere keer na twee jaar plaats. </al><al>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</al><al>Lid 1</al><al>Artikel 3:11 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op een
                        toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op zondag. </al><al>Lid 2</al><al>De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van verlof en
                        bedraagt 25% van de uren.</al><al>Lid 3</al><al>Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de ambtenaar
                        verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en
                        toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of
                        aan artikel 6:2:6.</al><al>Lid 4</al><al>Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de toelage, in
                        afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt.</al><al>Paragraaf 3 Arbeidsduur en vakantie</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                                verplicht vrije periode</al></li></lijst><al>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de ambtenaar
                        met een volledige betrekking 180 uur, indien </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is
                                aangemerkt als verplicht vrije periode of </al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen hebben
                                gekregen van lessen/cursussen</al></li></lijst><al>Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar rato.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes en
                        eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum van 36 uur
                        per week. </al><al>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar
                        verplicht vrij is.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende maximaal een
                        week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar voor werkzaamheden.</al><al>Lid 3</al><al>Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de ondernemingsraad dan
                        wel de ambtenaar daarmee instemt.</al><al>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar artikel 5.7 van de
                        Arbeidstijdenwet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel mogelijk
                        maar in ieder geval binnen twee maanden na ingang van een cursusjaar een
                        rooster van de in dat cursusjaar te werken uren. </al><al>Lid 3</al><al>Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het college
                        zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een aangepast
                        rooster.</al><al>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</al><al>Lid 1</al><al>Voor de ambtenaar met een volledig dienstverband, die op 31 december 2008
                        een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de arbeidsduur
                        met ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar verhoogd. Deze verhogingen
                        vinden plaats totdat voor de ambtenaar een arbeidsduur geldt van 1836 uur
                        per jaar. Voor een ambtenaar met een deeltijdbetrekking gelden deze
                        verhogingen naar rato. </al><al>Lid 2</al><al>Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor deze
                        ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren, die in dienst
                        zijn van de instelling.</al><al>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn</al><al>Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3 indien
                        en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door verhoging van
                        het aantal te werken uren als bedoeld in artikel 19b:13.</al><al>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                        verplicht vrije periode</al><al>Lid 1</al><al>Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in artikel
                        19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft de
                        ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie van het
                        vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op
                        compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van de
                        ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten
                        en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid,
                        of aan artikel 6:2:6. </al><al>Paragraaf 4 Ontslag en uitkeringen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19b:16 Overtolligheid</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij
                                een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de
                                helft van de formele arbeidsduur</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</al></li></lijst><al>Artikel 19b:16 Overtolligheid</al><al>Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of het
                        totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie overeenkomt met
                        de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.</al><al>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</al><al>Lid 1</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld in
                        artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende ontslagvolgorde
                        gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in aanmerking
                                wensen te komen;</al></li><li nr="b."><al>aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;</al></li><li nr="c."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van het
                                afspiegelingsbeginsel in combinatie met anciënniteitsbeginsel.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste lid,
                        onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met dezelfde functies
                        uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen: </al><lijst><li nr="§"><al>van 15 tot 30 jaar;</al></li><li nr="§"><al>van 30 tot 45 jaar; en</al></li><li nr="§"><al>van 45 jaar en ouder.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de ontslagvolgorde,
                        genoemd in het tweede lid.</al><al>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een
                        formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de
                        formele arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of,
                        bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft
                        van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in artikel
                        8:3, derde lid.</al><al>Lid 3</al><al>Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, is
                        artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op grond van
                        artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een zorgvuldig onderzoek niet
                        mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de
                        gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige
                        werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al><al>Lid 5</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie maanden
                        in acht genomen. </al><al>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="§"><al>de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een
                                formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft
                                van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen</al></li><li nr="§"><al>minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als bedoeld in
                                de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                artikel 8:3;</al></li><li nr="b."><al>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in tenminste
                                26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                Werkloosheidswet werkzaam is geweest;</al></li><li nr="c."><al>aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk
                                voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is
                                gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen per jaar loon
                                heeft ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht heeft.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte van het
                        dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband van:</al><lijst><li nr="a."><al>een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6 maanden;</al></li><li nr="b."><al>twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12 maanden;</al></li><li nr="c."><al>drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18 maanden;</al></li><li nr="d."><al>ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24 maanden.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de dag
                                voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het aantal verloren
                                arbeidsuren, en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met het
                                aantal verloren arbeidsuren.</al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de ambtenaar die
                        niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder c, maar wel aan de
                        overige voorwaarden in het tweede lid, recht op een garantie-uitkering KV
                        gedurende 6 maanden. Deze uitkering bedraagt 70% van het minimumuurloon
                        vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is verplicht
                        zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich beschikbaar te
                        stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden. Daarnaast dient hij
                        alle informatie te verstrekken die voor de uitvoering van deze regeling
                        noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen kan het
                        college besluiten de garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, na zijn
                        ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de garantie-uitkering KV
                        beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe werkzaamheden omvat.</al><al>Lid 8</al><al>Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het zevende lid
                        geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de werkzaamheden die tot
                        dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden te bestaan, herleeft het recht
                        op de garantie-uitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten op enige
                        uitkering uit hoofde van het ontslag uit deze werkzaamheden zijn
                        ontstaan.</al><al>Lid 9</al><al>Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:</al><lijst><li nr="a."><al>als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat tot het
                                toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid, een andere
                                uitkering kan krijgen;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
                                ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP Keuzepensioen;</al></li><li nr="c."><al>op de dag na het overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="d."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op een WAO-
                                of WIA-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer.</al></li></lijst><al>20 Aanvullende regelingen hoofdstuk 3 voor brandweerpersoneel</al><al>Pragraaf 1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al></li><li nr=""><al>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al></li><li nr=""><al>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al></li></lijst><al>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende
                        werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de brandweerdienst,
                        heeft aanspraak op een vergoeding.</al><al>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo
                        spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het tijdvak waarin
                        de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het verlof bedraagt 16% van
                        het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking moest houden, voor zover
                        deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede
                        Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de
                        koningin wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het college
                        wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter beschikking
                        moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen.</al><al>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen
                        het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
                        vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
                        voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
                        zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                        Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
                        verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven
                        door het college wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk
                        uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen
                        op andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.</al><al>Paragraaf 2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in
                        dienstroosters</al><al>Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in
                        dienstroosters</al><al>Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in
                        dienstroosters</al><al>Lid 1 </al><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die bij een Veiligheidsregio,
                        onderdeel brandweer, werkzaam is in een dienstrooster, en die voor wat
                        betreft de vaststelling van zijn werktijden valt onder artikel 4:8. </al><al>Lid 2</al><al>De artikelen 3:11 en 3:18 zijn niet van toepassing op de ambtenaar genoemd
                        in het eerste lid. Voor deze ambtenaar zijn de lokale regels over vergoeding
                        van het verrichten van onregelmatige diensten en overwerk van toepassing,
                        zoals deze op 31 december 2015 lokaal golden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling verschuivingstoelage van
                        kracht was, dan blijft deze regeling vanaf 1 januari 2016 van toepassing op
                        de ambtenaar genoemd in het eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling van kracht was die voorziet
                        in een functiegebonden toelage dan blijft deze regeling vanaf 1 januari 2016
                        van toepassing voor de ambtenaar genoemd in het eerste lid.</al><al>Lid 5</al><al>Het bepaalde in dit artikel laat onverlet dat de in de leden 2 tot en met 4
                        genoemde lokale regelingen in het lokale overleg gewijzigd kunnen
                        worden.</al><al>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen</al><al>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een
                        persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk
                        duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen
                        blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college
                        nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als
                        levenspartner worden aangemerkt.</al><al>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</al><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige
                        wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze
                        bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen
                        "levenspartner".</al><al>Artikel 21:1:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</al><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet,
                        treft het college een passende voorziening.</al><al>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</al><al>Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.</al><al><vet>Aanvullende regelingen gemeente Kapelle</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Aanstelling, arbeidsuur &amp; ontslag</al></li><li nr="·"><al>Functiebeschrijving, -waardering &amp; gesprekken</al></li><li nr="·"><al>Nevenfuncties</al></li><li nr="·"><al>Opleidingsbeleid</al></li><li nr="·"><al>Salaris &amp; vergoedingen</al></li><li nr="·"><al>Ziekte &amp; verzuim</al></li><li nr="·"><al>Regeling Verlof, ADV en Brugdagen</al></li></lijst><al><vet>Aanstelling, arbeidsduur en ontslag</vet></al><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><lijst><li nr="·"><al>1 Aanstelling</al></li><li nr="·"><al>2 Arbeidsduur</al></li><li nr="·"><al>3 Aanpassing arbeidsduur</al></li><li nr="·"><al>4 Ontslag</al></li></lijst><al><vet>1 Aanstelling</vet></al><al>Het dienstverband met de gemeente vindt plaats op basis van een
                        publiekrechtelijke aanstelling. Dat wil zeggen dat het publiekrecht (bv.
                        Algemene wet bestuursrecht, Ambtenarenwet en Gemeentewet) op de aanstelling
                        van toepassing is en niet het zgn. privaatrecht (Burgerlijk wetboek etc.) In
                        het aanstellingsbesluit wordt aangehaakt bij de belangrijkste van toepassing
                        zijnde regeling, de CAR-UWO (Collectieve Arbeidsvoorwaarden Regeling-
                        Uitwerkingsovereenkomst) en staan o.a. gegevens betreffende de functie, de
                        datum van aanstelling, de duur van de aanstelling, de wekelijkse arbeidsduur
                        en het salaris.</al><al>Het dienstverband kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden
                        aangegaan.</al><al>Bij een aanstelling voor bepaalde tijd wordt in het aanstellingsbesluit
                        vermeld, wanneer het dienstverband afloopt. Een dienstverband voor bepaalde
                        tijd mag in principe niet langer dan 36 maanden duren. Bij een aanstelling
                        bij wijze van proef is dit 24 maanden.</al><al><vet>2 Arbeidsduur</vet></al><al>De wekelijkse arbeidsduur bedraagt in principe 36 uur per week. Er wordt
                        binnen de gemeente Kapelle echter 38,75 uur per week gewerkt ofwel 7,75 uur
                        per dag. De extra gewerkte uren worden vertaald in 143 ADV-uren op jaarbasis
                        (uitgaande van een full time dienstverband, anders naar rato van het aantal
                        te werken uren). Deze uren worden op de verlofkaart bijgeschreven.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid om met inlevering van de adv en vier uur salaris
                        per week vier maal acht uur te werken. Men wordt dan parttimer met een
                        aanstelling van 32 uur per week. Op die manier is dan een vierdaagse
                        werkweek mogelijk.</al><al>De Gemeente Kapelle kent een systeem van variabele werktijden. De aanvang
                        van het werk ligt tussen 07:30 uur en 09.00 uur; de middagpauze van minimaal
                        een half uur tussen 12:00 en 14:00 uur; het einde van het werk tussen 16:00
                        en 18:00 uur. Iedereen die meer dan 5:30 uur op één dag werkt dient een
                        maaltijdpauze te nemen van minimaal 30 minuten.</al><al><vet>3 Aanpassing arbeidsduur</vet></al><al>Iedere medewerker heeft één maal per twee jaar het recht om zijn arbeidsduur
                        te vermeerderen of te verminderen. Alleen zwaarwegend dienstbelang kan een
                        reden zijn om aanpassing van de arbeidsduur niet toe te staan. Een verzoek
                        tot aanpassing moet aan de volgende voorwaarden voldoen:</al><lijst><li nr="§"><al>de medewerker moet minimaal 1 jaar in dienst zijn</al></li><li nr="§"><al>het verzoek moet 4 maanden voor datum aanpassing schriftelijk worden
                                ingediend</al></li><li nr="§"><al>in het verzoek moet worden aangeven hoeveel uren meer of minder zal
                                worden gewerkt en de spreiding over de week </al></li></lijst><al>De werkgever kan de medewerker met een dienstverband van 36 uur verzoeken de
                        arbeidsduur uit te breiden naar maximaal 40 uur per week. Dit verzoek wordt
                        gedaan in overleg met de OR en met toestemming van de werknemer. De
                        arbeidsvoorwaarden worden aan deze uitbreiding aangepast.</al><al><vet>4 Ontslag</vet></al><al>Een aanstelling voor onbepaalde tijd kan alleen worden beëindigd op basis
                        van een van de in de CAR-UWO beschreven ontslaggronden (o.a. eigen verzoek,
                        pensioen,FPU).</al><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt wanneer de termijn waarvoor men
                        is aangesteld is verlopen.</al><al>In de CAR-UWO wordt het onderwerp ontslag uitvoerig toegelicht. Klik voor
                        nadere informatie op intranetrubriek CAO.</al><al><vet>Functiebeschrijving, -waardering, persoonlijke inschaling,
                            functioneringsgesprekken en beoordelingsgesprekken</vet></al><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Algemeen</al></li><li nr="·"><al>1 Wat is functiebeschrijving/-waardering?</al></li><li nr="·"><al>2 Functiebeschrijving</al></li><li nr="·"><al>3 Functiewaardering</al></li><li nr="·"><al>4 Persoonlijke inpassing</al></li><li nr="·"><al>5 Beoordelingsgesprekken</al></li><li nr="·"><al>6 Functioneringsgesprekken</al></li><li nr="·"><al>7 Beoordelings- en functioneringsgesprekken bij tijdelijke
                                benoemingen in een proefperiode</al></li></lijst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>de persoonlijke rechtspositie van een medewerker wordt sterk bepaald door de
                        beschrijving en waardering van zijn functie, zijn persoonlijke inschaling in
                        de salaristabel en de verslagen van functionerings- en
                        beoordelingsgesprekken die met hem zijn gevoerd. De bovenstaande onderwerpen
                        worden hier van een toelichting voorzien.</al><al><vet>1 Wat is functiebeschrijving/-waardering?</vet></al><al>Functiewaardering is het op een systematische wijze ordenen van functies in
                        een organisatie met als doel een volgorde van relatieve zwaarte vast te
                        stellen. Het gaat erom dat uiteindelijk bepaald kan worden welke functie de
                        zwaarste is, welke de op één na zwaarste is enz. Op basis van deze volgorde
                        kunnen vervolgens beslissingen worden genomen op salarisgebied.</al><al>Om op een onderbouwde manier een rangorde in functies vast te stellen moeten
                        functies eerst worden beschreven. Voor het beschrijven van functies zijn
                        twee manieren te onderscheiden:</al><lijst><li nr="§"><al>mensgerichte functiebeschrijvingen: hierbij wordt “eenvoudigweg”
                                opgeschreven welke taken een medewerker verricht </al></li><li nr="§"><al>organieke functiebeschrijving, waarbij wordt vastgelegd welke taken
                                iemand in een bepaalde functie zou moeten verrichten; hierbij is dus
                                sprake van een streefprofiel, waarbij alleen gekeken wordt naar de
                                functie en niet naar de functionaris. </al></li></lijst><al>De gemeente Kapelle heeft voor de tweede variant gekozen en dus zou
                        functiewaardering in de gemeente Kapelle kunnen worden gedefinieerd als: het
                        omschrijven van alle functies binnen de gemeente Kapelle, zoals deze in een
                        optimale situatie ingevuld zouden moeten worden, en deze te rangschikken in
                        volgorde van zwaarte. De vastgestelde rangorde is de basis voor het
                        salarisbeleid.</al><al>Uit deze definitie volgt in feite de volgorde van het proces: eerst de
                        functie beschrijven, vervolgens de functie waarderen, dan de verhouding
                        tussen functie en functionaris vaststellen door een beoordelingsgesprek (
                        voldoet iemand aan het streefprofiel?) en daaruit de consequenties trekken
                        voor het salaris ( de persoonlijke inpassing in de salarissystematiek).</al><al>Al deze stappen worden nu verder toegelicht. </al><al><vet>2 Functiebeschrijving</vet></al><al><vet>Procedureel:</vet></al><al>De afdelingshoofden zijn in de gemeente Kapelle verantwoordelijk voor het
                        opstellen van de functiebeschrijvingen. Als hoogste leidinggevende binnen
                        een afdeling stellen zij voor alle medewerkers op wat van hen verwacht moet
                        worden. Om eenheid van stijl en wijze van beschrijven in alle beschrijvingen
                        zoveel mogelijk te waarborgen maakt P&amp;O een ruwe versie voor alle
                        functies en het afdelingshoofdhoofd werkt deze verder uit.</al><al>De uitgewerkte versie wordt voorgelegd aan de medewerker die hierop zijn
                        visie mag geven. Het afdelingshoofd neemt eventuele opmerkingen van de
                        medewerker wel of niet mee in de beschrijving en vraagt de medewerker deze
                        voor gezien te tekenen. Dit tekenen voor gezien geeft alleen maar aan dat de
                        medewerker de mogelijkheid heeft gehad om zijn opmerkingen te plaatsen, het
                        betekent uitdrukkelijk niet dat de medewerker akkoord hoeft te zijn met de
                        beschrijving.</al><al>Vervolgens worden alle beschrijvingen in het MT besproken om eenheid van
                        stijl van beschrijven verder te waarborgen. Komen hier aanpassingen uit
                        voort dan worden die nogmaals aan de medewerker voorgelegd en kan de
                        medewerker nogmaals zijn zienswijze geven.</al><al>Tot slot worden alle beschrijvingen door de secretaris vastgesteld. Hiervan
                        ontvangt de medewerker schriftelijk bericht: de functiebeschrijving is een
                        besluit geworden. Tegen dit besluit staan bezwaar en beroep open. Een
                        speciale bezwarencommissie is hiertoe in het leven geroepen.</al><al>Let wel: het bezwaar/ beroep richt zich op dat moment alleen tegen de
                        beschrijving, niet tegen de waardering van de functie!!</al><al><vet>Inhoudelijk:</vet></al><al>Een functiebeschrijving bestaat uit een aantal rubrieken, n.l.:</al><lijst><li nr="§"><al>Een kop: Een kop met daarin de functiebenaming, het functienummer (
                                uitsluitend voor P&amp;O relevant) en de afdeling waartoe de functie
                                behoort. Let wel: de functiebenaming is op geen enkele manier van
                                invloed op de waardering! Hoe men een functie ook noemt, de inhoud
                                bepaalt de waardering. </al></li><li nr="§"><al>De plaats in de organisatie: De plaats in de organisatie geeft waar
                                de functie in de organisatie is gepositioneerd, bepaalt de
                                aansturing van en door de functie en de controlemomenten, kortom
                                beschrijft de omgevingsfactoren van de functie. </al></li><li nr="§"><al>De taken van de afdeling: Deze omschrijving is uiteraard voor alle
                                medewerkers van een afdeling hetzelfde. </al></li><li nr="§"><al>De hoofdbestanddelen van de functie: hierin worden de hoofdtaken van
                                een functie in enkele steekwoorden beschreven. Deze worden
                                vervolgens nader uitgewerkt in: </al><lijst><li nr="·"><al>De functie inhoud: Hierin moeten de niveau- bepalende
                                        werkzaamheden van de functie worden vastgelegd. Dat zijn die
                                        elementen die een functie de zwaarte geven die kenmerkend
                                        is. De hoeveelheid aangeduide taken is niet van invloed op
                                        de waardering, het gaat om de aard van de aangegeven taken.
                                        Alles beschrijven wat iemand doet kan hooguit verwarring in
                                        de hand werken: door alle kaf is het koren dan moeilijk te
                                        vinden. Bovendien past dat niet in de gemaakte keuze voor
                                        organiek beschrijven. Wees dus altijd beknopt en helder in
                                        wat de zwaarste elementen uit de functie zijn. Maak je dus
                                        bij functiebeschrijving niet druk om kwantiteit maar om
                                        kwaliteit van de taken die je geacht wordt uit te voeren.
                                        Overigens: als een taak minder dan ongeveer 10% van je tijd
                                        in beslag neemt wordt deze doorgaans niet in een organieke
                                        functiebeschrijving opgenomen. </al></li><li nr="·"><al>De functie eisen: De functie eisen geven de weg aan die
                                        bewandeld moet worden om een functie in te kunnen vullen.
                                        Daarbij wordt uitgegaan van de kortste weg, bv. zal het heel
                                        goed mogelijk zijn om een afgestudeerd ingenieur als
                                        administratief medewerker in te zetten maar voor het
                                        vervullen van de functie is een HTS opleiding niet vereist.
                                        De minimum eis wordt beschreven, dus in dit voorbeeld bv.
                                        MAVO. Overigens is de functie eis indicatief. D.w.z. dat de
                                        toetsingscommissie (zie verder) een andere mening kan zijn
                                        toegedaan over de eisen en op basis van haar eigen inzichten
                                        waardeert. Het beschrijven van de kortste (opleidings)weg
                                        naar een functie vergt veel kennis van de opleidingsmarkt en
                                        deze kan niet bij ieder afdelingshoofdhoofd, de beschrijver
                                        van de functie, als bekend worden verondersteld. Bovendien
                                        zal een toetsingscommissie (de waardering van een) functie
                                        in zijn geheel bezien en wellicht van oordeel zijn dat
                                        gezien het takenpakket te hoge of te lage opleidingseisen
                                        zijn gesteld. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet>3 Functiewaardering</vet></al><al>De vastgestelde functiebeschrijvingen worden vervolgens voorgelegd aan een
                        waarderingsdeskundige die aan de hand van de systematiek en alle daarbij
                        behorende informatie een proefwaardering maakt. Deze proefwaardering wordt
                        vervolgens voorgelegd aan een toetsingscommissie. Deze commissie bestaat uit
                        een vertegenwoordiger van de vakbonden, een vertegenwoordiger van de
                        gemeente en een waarderingsdeskundige. Deze drie “ wijzen” buigen zich over
                        de proefwaardering en corrigeren die waar nodig.</al><al>Het advies van de toetsingscommissie gaat, eventueel voorzien van afwijkende
                        standpunten binnen die commissie, naar het college van B&amp;W en wordt daar
                        al dan niet vastgesteld. De door B&amp;W vastgestelde functiewaardering is
                        een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaan. Let wel: het gaat op dat
                        moment om bezwaar/ beroep tegen de functiewaardering, niet tegen de
                        functieomschrijving!!</al><al>Er is dus sprake van twee bezwaar/beroepsmomenten: één tegen de beschrijving
                        en één tegen de waardering. M.a.w. het bezwaar kan dus niet bestaan uit:
                        taak x staat niet in mijn omschrijving en dus kom ik maar op waardering y
                        uit. Of je maakt in een vroeg stadium bezwaar tegen je beschrijving ( taak x
                        hoort wel of niet in de beschrijving) of later tegen de waardering ( o.b.v.
                        de vastgestelde beschrijving hoort de waardering niet in y maar in z).</al><al><vet>De waarderingssystematiek:</vet></al><al>Ons waarderingssysteem, Organieke Functiewaarderingssysteem 2004 ( OFS 2004)
                        kent voor het onderverdelen van functies 6 hoofdgroepen en binnen de
                        hoofdgroepen een verdere verfijning d.m.v. 5 zgn. secundaire factoren.</al><al>De hoofdgroepen zijn de volgende: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="84*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Hoofdgroep I: </al></entry><entry colname="col2"><al>ongeschoold werk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdgroep II: </al></entry><entry colname="col2"><al>werk waarvoor minimaal een LBO niveau noodzakelijk
                                            is</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdgroep III: </al></entry><entry colname="col2"><al>werk waarvoor minimaal een MBO niveau noodzakelijk is
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdgroep IV: </al></entry><entry colname="col2"><al>werk waarvoor minimaal een HBO niveau noodzakelijk
                                            is</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdgroep V: </al></entry><entry colname="col2"><al>werk waarvoor minimaal een universitair niveau
                                            noodzakelijk is </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdgroep VI: </al></entry><entry colname="col2"><al>werk waarvoor minimaal een universitair niveau en een
                                            promotietraject noodzakelijk is</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Hoofdgroepen I, V en VI worden binnen Kapelle overigens niet gebruikt.</al><al>Op alle 5 de secundaire factoren kunnen 1,2,3 of 4 punten worden gescoord,
                        behalve op “leidinggeven” waarop ook 0 kan worden gescoord. De secundaire
                        factoren zijn:</al><al><vet>Functionele vorming:</vet></al><al>Functionele vorming is het aantal jaren opleiding en/of werkervaring dat
                        bovenop het voor de hoofdgroep vereiste werk- en denkniveau noodzakelijk is
                        om de functie adequaat in te vullen. Let wel: er wordt in de hoofdgroepen
                        uitgegaan van een werk- en denkniveau, niet van een opleidingsniveau. Het
                        systeem stelt namelijk eisen aan hoe een bepaald werk- en denkniveau bereikt
                        moet worden. Voor het bereiken van bv. hoofdgroep III is een MBO niveau
                        noodzakelijk, d.w.z. een MBO diploma en twee jaar werkervaring. Functionele
                        vorming zijn die jaren die daar weer bovenop komen.</al><al><vet>Handelingsvrijheid:</vet></al><al>Handelingsvrijheid houdt de mate van vrijheid in die een functie kent. Heeft
                        een functionaris veel of weinig bevoegdheden? Mag hij zij zaken allemaal
                        zelf afhandelen of moet hij al snel naar een leidinggevende?</al><al><vet>Keuzemogelijkheden: </vet></al><al>De secundaire factor keuzemogelijkheden geeft aan welke mate van
                        inhoudelijke vrijheid in het werkveld een functie kent. Is alles vastgelegd
                        in regels en procedures of wordt er eigen inbreng en ideeën verwacht?</al><al><vet>Leidinggeven: </vet></al><al>Moet in een bepaalde functie leiding worden gegeven? Zo ja, welke
                        leidinggevende taken zijn er en aan hoeveel mensen wordt leiding
                        gegeven?</al><al><vet>Contact:</vet></al><al>Welke contacten en contactmomenten zitten er in de functie. Hoe zwaar zijn
                        deze contacten: moet er alleen iets worden toegelicht of moet er
                        onderhandeld worden? Hoeveel speelruimte heeft de functionaris in zijn
                        contacten?</al><al><vet>Overigens:</vet></al><al>interne contacten zoals het deelnemen aan een werkoverleg worden niet
                        gewaardeerd met punten; iedere medewerker wordt namelijk geacht dit te doen.
                        Dit aspect komt daarom ook niet terug in een organieke
                        functiebeschrijving.</al><al>Wat ook niet terugkomt in een functiebeschrijving en in de puntenwaardering
                        is het waarnemen van een andere hogere functie bij ziekte of verlof. Wordt
                        een geval van waarneming van een hogere functie door bv. een langdurige
                        ziekte een zaak van de lange termijn , dan wordt hiervoor een bepaalde
                        vergoeding uitbetaald; dit regelt de CAR/UWO, onze
                        arbeidsvoorwaardenregeling. Dit staat echter los van organieke
                        functiewaardering.</al><al>Vervolgens worden de scores op de subkenmerken opgeteld en verbonden aan de
                        hoofdgroepindeling. Er ontstaat dan bv. een score als III-10, wat betekent
                        dat de functie is ingedeeld in hoofdgroep III en 10 punten scoort als totaal
                        van de secundaire factoren.</al><al>Om nu het niveau van de functie te kunnen bepalen wordt de score opgezocht
                        in de zgn. conversietabel. Dit is een tabel die de relatie legt tussen
                        functiewaarderingsuitslag en de niveau indeling van de functies. Deze tabel,
                        die door het GO wordt vastgesteld, is bij het systeem gevoegd.</al><al>De vaststelling van een functieniveau gebeurt altijd met ingang van een
                        bepaalde datum. Het nieuwe functie niveau gaat dus per die datum gelden. Let
                        wel: dit betekent niet dat iedereen met ingang van die datum in de nieuwe
                        functieschaal wordt benoemd; denk aan het verschil tussen functie en
                        functionaris ( zie “ persoonlijke inpassing”).</al><al>Als het functiewaarderingsrapport is vastgesteld, uit de conversietabel het
                        functieniveau is bepaald en het college e.e.a. heeft vastgesteld en alle
                        betrokkenen op de hoogte zijn gesteld en de bezwarentermijn is verstreken,
                        is het proces van functiewaardering afgerond. Dan rest nog de persoonlijk
                        inpassing.</al><al><vet>4 Persoonlijke inpassing</vet></al><al>Als het functieniveau is bepaald, wordt bekeken of de functionaris (denk aan
                        het onderscheid met “functie”) al in de functieschaal is benoemd. Als de
                        functie hoger is gewaardeerd dan voorheen zal dat niet het geval zijn.</al><al>Het moment waarop bekeken wordt of bevordering naar een hogere functieschaal
                        mogelijk is, is het beoordelingsgesprek. In dit beoordelingsgesprek wordt
                        bezien of een medewerker alle taken van een functie volledig uitvoert; </al><al>al die taken op een voldoende wijze uitvoert ( beoordelingsresultaat moet
                        binnen de huidige beoordelingssystematiek gemiddeld een 6 of hoger zijn en
                        mag geen onvoldoendes bevatten); aan de functie eisen voldoet. </al><al>Voldoe je aan alle drie de voorwaarden dan kun je benoemd worden in je
                        functieschaal. De leidinggevende, die het beoordelingsgesprek met je voert,
                        zal tevens aangeven per wanneer bevordering naar de functieschaal wenselijk
                        is. Hier kan terugwerkende kracht aan worden gegeven tot maximaal de datum
                        waarop je functie is vastgesteld, maar dat hoeft niet. De leidinggevende
                        moet motiveren waarom hij daarin een bepaalde keuze maakt.</al><al>De resultaten van de beoordelingsgesprekken en het inpassingsvoorstel worden
                        vastgesteld door het college en ook hiertegen staat bezwaar en beroep
                        open.</al><al>Een kopie van het gehele functiewaarderingssysteem en bijbehorende procedure
                        regeling is via P&amp;O verkrijgbaar.</al><al><vet>5 Beoordelingsgesprekken</vet></al><al>Een beoordelingsgesprek is een gesprek tussen directe chef en medewerker.
                        Hierin geeft de directe chef een oordeel over het functioneren van de
                        medewerker. De beoordeling betreft de wijze waarop de medewerker zijn
                        betrekking vervult in een bepaald tijdvak, met inbegrip van zijn gedragingen
                        in dat tijdvak tijdens de uitoefening van die betrekking. In een
                        beoordelingsgesprek wordt dus alleen terug gekeken; er worden geen
                        verbeteringsafspraken gemaakt.</al><al>De beoordeling wordt vastgelegd op een formulier waarin een aantal scores
                        worden toegekend op de criteria kwaliteit, kwantiteit, houding en
                        taakopvatting.Op al deze criteria moet minimaal een 6 worden gescoord om
                        voor bevordering naar de functieschaal in aanmerking te komen.</al><al>Aan de hand van deze beoordeling kan een schriftelijk beloningsvoorstel
                        worden ingediend. Het beloningsvoorstel kan een gratificatie, het al dan
                        niet toekennen van één of meer periodieke verhogingen, bevordering naar de
                        functionele schaal of toekenning van een persoonlijke toelage inhouden.</al><al><vet>6 Functioneringsgesprekken</vet></al><al>De gemeente kent een regeling functioneringsgesprekken. Een
                        functioneringsgesprek is een regelmatig terugkerend gesprek tussen een
                        leidinggevende en een medewerker over het werk, de werksfeer, werkuitvoering
                        en de werkomstandigheden met het doel de kwaliteit van het werk in de
                        ruimste zin van het woord te verbeteren. Een functioneringsgesprek kijkt
                        zowel achteruit (hoe verlopen zaken tot op heden) als vooruit (hoe kan het
                        beter) en heeft tot doel om tot verbeteringen in het functioneren te
                        komen.</al><al>Bij het voeren van functioneringsgesprekken dienen de volgende
                        uitgangspunten in acht te worden genomen:</al><lijst><li nr="§"><al>het gesprek vindt plaats op basis van gelijkwaardigheid, dit houdt
                                in dat van beide partijen een inbreng wordt verwacht en dat partijen
                                elkaar met respect bejegenen.</al></li><li nr="§"><al>Iedere medewerker heeft minimaal 1 functioneringsgesprek per jaar,
                                te houden voor 1 juli.</al></li><li nr="§"><al>De leidinggevende neemt het initiatief voor het gesprek en
                                organiseert het gesprek (tijd, plaats, procedure etc). </al></li><li nr="§"><al>De gesprekspartners geven tijdig aan elkaar te kennen indien men
                                specifieke onderwerpen aan de orde wenst te stellen. In overleg
                                tussen de leidinggevende en medewerker wordt afgesproken hoe daaraan
                                invulling wordt gegeven. </al></li><li nr="§"><al>Desgewenst en met instemming van de andere gesprekspartner kan door
                                een derde (bv. de P&amp;O adviseur) aan het functioneringsgesprek
                                worden deelgenomen. </al></li><li nr="§"><al>De gemaakte afspraken worden op een daartoe vastgesteld formulier
                                vastgelegd en ondertekend door de leidinggevende en de medewerker.
                                Dit kan zowel actiepunten voor de medewerker als voor de
                                leidinggevende betreffen. </al></li><li nr="§"><al>De medewerker krijgt een afschrift van het gespreksverslag en de
                                gemaakte afspraken. </al></li><li nr="§"><al>Het formulier wordt voor “gezien” ondertekend door de
                                gemeentesecretaris. </al></li></lijst><al><vet>7 Beoordelings- en functioneringsgesprekken bij tijdelijke benoemingen
                            in een proefperiode</vet></al><al>Indien je bij de gemeente werkt op basis van een benoeming voor de duur van
                        bv. één jaar, dan zal gedurende het eerste jaar de leidinggevende minimaal 1
                        x per 3 maanden een functioneringsgesprek met je voeren. Minimaal 3 maanden
                        voor het aflopen van het contract zal je middels een beoordelingsgesprek
                        worden aangegeven of er tot verlenging van de benoeming (onbepaalde tijd)
                        wordt overgegaan of dat eventueel tot een verlenging van de proefperiode
                        wordt gekomen.</al><al>In alle gevallen wordt e.e.a. duidelijk door de leidinggevende
                        gemotiveerd.</al><al><vet>Regeling openbaarmaking nevenfuncties van topambtenaren</vet></al><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Artikel 1</al></li><li nr="·"><al>Artikel 2</al></li><li nr="·"><al>Artikel 3</al></li><li nr="·"><al>Artikel 4</al></li><li nr="·"><al>Artikel 5</al></li><li nr="·"><al>Artikel 6</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Deze regeling is van toepassing op de functie:</al><al>a.Gemeentesecretaris / algemeen directeur</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Deze regeling heeft ten doel te regelen op welke wijze nevenwerkzaamheden
                        openbaar worden gemaakt die de belangen van de dienst, voor zover deze in
                        verband staan met de functievervulling, kunnen raken en die verricht worden
                        door de ambtenaar die een functie als bedoeld in artikel 1 van deze regeling
                        vervult.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden geschiedt door een actuele opgave
                        van nevenwerkzaamheden in het gemeentehuis ter inzage te leggen.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>De opgave vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoofdfunctie (<cursief>gemeentesecretaris / algemeen
                                    directeur</cursief>)</al></li><li nr="b."><al>de nevenwerkzaamheden en de instanties waarbij deze verricht worden
                                    (<cursief>bijvoorbeeld: 1e: voorzitter bestuur Stichting X; 2e:
                                    adviseur bij de Raad voor Y</cursief>)</al></li><li nr="c."><al>de datum van ingang van de nevenwerkzaamheden</al></li><li nr="d."><al>de eventueel aan het uitoefenen van de nevenwerkzaamheden gestelde
                                beperkingen (<cursief>bijvoorbeeld: de functionaris dient zich in
                                    zijn nevenfunctie als adviseur bij de Raad voor Y te onthouden
                                    van adviezen met betrekking tot de projecten in de
                                    gemeente</cursief>)</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>De gemeentesecretaris / algemeen directeur is verantwoordelijk voor de
                        opgave van nevenwerkzaamheden van de ambtenaren die een functie als bedoeld
                        in artikel 1 van deze regeling vervullen.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.</al><al><vet>Medewerkers ontwikkelingsbeleid</vet></al><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Doel</al></li><li nr="·"><al>Subdoelen</al></li><li nr="·"><al>Aanpak</al></li><li nr="·"><al>Budget</al></li><li nr="·"><al>Vastlegging</al></li><li nr="·"><al>Vergoedings- en terugbetalingsregeling</al></li><li nr="·"><al>Terugvorderen kosten</al></li></lijst><al><vet>Doel</vet></al><al>Continuïteit en ontwikkeling van de gemeentelijke organisatie.</al><al><vet>Subdoelen</vet></al><lijst><li nr="§"><al>Voldoende gekwalificeerd personeel in dienst hebben; </al></li><li nr="§"><al>Ontwikkelen van de in de organisatie aanwezige kennis; </al></li><li nr="§"><al>Stimuleren ontwikkeling van onze medewerkers; </al></li><li nr="§"><al>Binden van goede medewerkers; </al></li><li nr="§"><al>Aantrekkelijke werkgever zijn op de arbeidsmarkt;</al></li></lijst><al><vet>Aanpak</vet></al><al>Jaarlijks dienen de afdelingshoofden de discrepantie tussen aanwezige en
                        benodigde kennis te inventariseren deze inventarisatie vindt plaats op drie
                        niveaus:</al><al><vet>1. Operationeel niveau (functie opleiding)</vet></al><al>Op dit niveau wordt geïnventariseerd welke medewerkers een functie uitvoeren
                        waar ze nog niet de juiste opleiding voor gevolgd hebben. Er is dan sprake
                        van een opleidingswens op kennis- of vaardighedenniveau. Een medewerker kan
                        ook zelf aangeven dat hij een opleiding nodig heeft om zijn taken uit te
                        kunnen voeren.</al><al><vet>2. Tactisch niveau (functie opleiding)</vet></al><al>Op dit niveau wordt geïnventariseerd wat de plannen zijn voor korte en
                        middellange termijn? (WMO, Digitalisering, nieuwbouwprojecten maar ook
                        organisatorisch kan er iets op stapel staan ook toekomstige uitstroom van
                        medewerkers door pensioen en dergelijke kan een opleidingsvraag creëren)
                        Opleidingswens op dit niveau is ook vaak op kennis en vaardigheden maar ook
                        een gedrags- of competentie training kan hier gevraagd worden (bijvoorbeeld
                        klantvriendelijkheid)</al><al><vet>3. Strategisch niveau (loopbaanactiviteiten)</vet></al><al>Het strategisch niveau vraagt om het verder vooruit kijken. Vragen als: 'wat
                        zijn onze sleutelfuncties?' (Hoofden, beleidsmedewerkers en specialisten op
                        MBO- of HBO-niveau, ... ) en 'wat gebeurt er als één van deze mensen
                        weggaat?' zijn de input voor de opleidings- en ontwikkelingsvraag voor het
                        strategisch niveau. Naast werving &amp; selectie, is opleiding of
                        ontwikkeling een personeelsinstrument dat bijdraagt aan de oplossing van het
                        opvolgingsvraagstuk. Bijkomend voordeel is dat we ons hiermee kunnen
                        onderscheiden van de concurrentie (op de arbeidsmarkt). We kunnen (een
                        aantal) medewerkers motiveren met een goed uitgevoerd beleid op dit niveau.
                        Het zou een bindende (en boeiende) factor kunnen zijn. Het hele scala aan
                        ontwikkelactiviteiten kan hier aan de orde komen: opleiden, cursus,
                        opdracht, klus, projecten, intervisie, stages, ....</al><al><vet>Budget</vet></al><al>Er is een budget voor opleiding beschikbaar ter hoogte van 2% van de
                        loonsom. Het werkelijk beschikbare budget kan per jaar verschillen omdat een
                        overschot meegenomen mag worden naar het volgende jaar en indien
                        noodzakelijk kan aanspraak gemaakt worden op een deel van het budget van het
                        volgende jaar.</al><al><vet>Vastlegging</vet></al><al>Opleidings- en ontwikkelingsafspraken worden vastgelegd in het afdelingsplan
                        van de afdelingen. Deze plannen samengevoegd is het opleidingsplan van de
                        Gemeente Kapelle. Opleidings- en ontwikkelingsafspraken met medewerkers
                        worden vastgelegd in een Persoonlijk Ontwikkeling Plan / aanvraag ontwikkel
                        activiteit. De medewerker vult dit plan in overleg met het af delingshoofd
                        in.</al><al><vet>Vergoedings- en terugbetalingsregeling</vet></al><al>Voor opleidingen uit het opleidingsplan van de Gemeente Kapelle geldt
                        dat:</al><lijst><li nr="§"><al>Opleidingen (inclusief voorgeschreven lesmateriaal) opgenomen in het
                                POP worden voor 100% vergoed </al></li><li nr="§"><al>Indien opleiding in werktijd plaats vindt, wordt de tijd vergoed.
                                Hierbij geldt dat een opleidingsdag niet langer is dan een werkdag.
                                Uitzondering is een opleiding op strategisch niveau (de
                                loopbaanactiviteiten); </al></li><li nr="§"><al>Reiskosten worden vergoed o.b.v. openbaar vervoer eerste klas of á
                                €0,09 per kilometer (afwijkingen altijd in overleg met het
                                afdelingshoofd) </al></li><li nr="§"><al>Verblijfskosten, waaronder wordt verstaan koffie en thee, worden
                                vergoed op declaratiebasis. (bon wordt door leidinggevende
                                geparafeerd)</al></li></lijst><al>N.b.: Loopbaanactiviteiten worden alleen door de gemeente gefaciliteerd als
                        het iets betreft wat goed is voor de afdeling of de gemeente. Tevens is het
                        van belang dat men 'zijn sporen heeft verdiend' en men al wat langer bezig
                        is. Verder dient het altijd met het werk te maken te hebben, gaat
                        functioneel voor en is de tijd voor de medewerker zelf.</al><al><vet>Terugvorderen kosten</vet></al><al>Korte cursussen van minder dan vijf dagen hoeven niet terug betaald te
                        worden. Bij ontslag binnen twee jaar na het behalen van het diploma of bij
                        het stoppen / niet behalen opleiding door oorzaken binnen de
                        beïnvloedingssfeer van de medewerker zelf, moet 100% van de kosten
                        (verminderd met 1/24e per maand) terugbetaald worden.</al><al><vet>Salaris &amp; vergoedingen</vet></al><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><lijst><li nr="·"><al>1 Salaris</al></li><li nr="·"><al>2 Netto uitkeringen / kerstpakket</al></li><li nr="·"><al>3 Ambtsjubileum</al></li><li nr="·"><al>4 Reis- en Verblijfkosten dienstreizen</al></li><li nr="·"><al>5 Inconveniënten</al></li><li nr="·"><al>6 Spaarloonregeling</al></li></lijst><al><vet>1 Salaris</vet></al><al>De betaling van het nettosalaris vindt plaats via een post- of bankrekening.
                        Omstreeks de 19e van elke maand wordt uw salaris op deze rekening(en)
                        bijgeschreven. Een salarisspecificatie wordt u maandelijks
                        toegezonden/uitgereikt.</al><al><vet>2 Netto uitkeringen / kerstpakket </vet></al><al>Iedere medewerker ontvangt ter gelegenheid van Pasen, Sinterklaas/Kerst en
                        Verjaardag een netto gratificatie tot een bedrag van € 168,-- op jaarbasis.
                        Een parttimer ontvangt een proportioneel gedeelte. Rond de kerst ontvangt
                        iedere medewerker tevens een kerstattentie. Het gratificatiebudget wordt
                        gebruikt voor activiteiten met de afdelingen. Eén afdelingsactiviteit per
                        jaar. Het budget is €60,- per persoon per uitje (voor wie daadwerkelijk
                        meegaat) en de activiteit vindt plaats in eigen tijd. In overleg met het
                        afdelingshoofd kan soms werktijd gebruikt worden, denk bijvoorbeeld aan een
                        bezoek aan een andere gemeente (bijv. bezoek in tijd werkgever, aansluitend
                        etentje in eigen tijd). </al><al><vet>3 Ambtsjubileum </vet></al><al>Indien de medewerker in aanmerking komt voor een jubileumtoelage zoals
                        bedoeld in artikel 3:19 CAR-UWO, krijgt de jubilaris indien hij dat wenst
                        een receptie aangeboden of mag hij met maximaal 8 personen een etentje
                        o.i.d. organiseren waarbij p.p. maximaal 50 euro gebruikt mag worden. </al><al><vet>4 Reis- en Verblijfkosten dienstreizen </vet></al><al>Let wel: het gaat hier om een onkostenvergoeding: alleen werkelijk gemaakte
                        kosten komen voor vergoeding in aanmerking! Declaraties i.v.m. reis- en
                        verblijfkosten moeten op het hiervoor bestemde declaratieformulier worden
                        ingediend bij P&amp;O, voor de vijfde van de maand volgend op de maand
                        waarin de kosten zijn gemaakt, voorzien van naar bestemming gespecificeerde
                        kilometers en alle andere benodigde bescheiden. Het declaratieformulier moet
                        worden ondertekend door het afdelingshoofd of de gemeentesecretaris. Je
                        vindt dit formulier op intranet onder: formulieren. Alleen originele
                        declaraties worden geaccepteerd: P&amp;O neemt geen kopieën aan. Declaraties
                        worden verwerkt via de salarisadministratie: uitbetaling in cash is niet
                        mogelijk. N.B: Voor reiskosten in het kader van woon-werkverkeer wordt geen
                        vergoeding betaald. </al><al><vet>*OV chipkaart</vet></al><al><vet>NS Business Cards:</vet></al><al>Ter vervanging van de eerdere ‘papieren’ trajectkaarten wordt er vanaf 1
                        juli 2014 gebruik gemaakt van NS business cards . Dit houdt in dat reizen
                        met het openbaar vervoer (trein, bus, metro en tram) kan plaatsvinden met de
                        business cards die in het bezit zijn van de gemeente. De gemeente bezit over
                        vijf eerste klas NS business cards. De kaarten kunnen alleen worden gebruikt
                        voor dienstreizen en reizen voor studie of opleiding. De gemeente ontvangt
                        maandelijks achteraf een rekening voor de kosten van het afgelegde traject.
                        Belangrijk is dat voor zowel trein, bus, tram als metro moet worden
                        ingecheckt en uitgecheckt met de NS business card. Wanneer er wordt vergeten
                        om in of uit te checken kan de ritprijs niet worden bepaald en wordt er een
                        correctietarief in rekening gebracht. De meerkosten worden dan aan de
                        medewerker doorberekend. Zie de instructie op de website van de NS over in-
                        en uitchecken: www.ns.nl/reizigers/ovchipkaart/reizen. De NS business cards
                        zijn in beheer van de afdeling Financiën. Als je de kaart wilt gebruiken,
                        wordt gevraagd wat het reisdoel is en de bestemming. Breng de NS business
                        card na gebruik z.s.m. terug. Indien je de kaart bent verloren, geef dit dan
                        direct door aan de afdeling Financiën, zodat de kaart kan worden
                        geblokkeerd. </al><al>LET OP: Afspraak is dat er gebruik wordt gemaakt van één van de vijf
                        business cards die in het bezit zijn van de gemeente. Pas wanneer deze cards
                        niet beschikbaar zijn, kan er gebruikt gemaakt worden van de eigen OV
                        chipkaart.</al><al><vet>Eigen OV chipkaarten:</vet></al><al><cursief>Anonieme OV chipkaart</cursief></al><al>Als u een anonieme OV-chipkaart heeft, kunt u de laatste tien transacties
                        opvragen bij een balie of verkoopautomaat van de Nederlandse Spoorwegen of
                        een andere vervoerder waarmee u heeft gereisd. Er kan dan een bon worden
                        afgedrukt waarop de (laatste 10) transacties staan. Deze bon kunt u
                        vervolgens bij uw reisdeclaratie indienen.</al><al><cursief>Persoonlijke OV chipkaart </cursief></al><al>Heeft u een persoonlijke OV-chipkaart, dan kunt u uw reisoverzicht
                        downloaden via www.ov-chipkaart.nl. Als u daar een account opent, kunt u bij
                        ‘Mijn OV-chipkaart' uw reis- en transactieoverzicht bekijken en afdrukken.
                        Die print kunt u vervolgens bij uw reisdeclaratie indienen. </al><al><vet>5 Inconveniënten </vet></al><al>De medewerkers in de buitendienst ontvangen een vergoeding voor het
                        verrichten van vuil, vies en onaangenaam werk. De vergoeding wordt
                        vastgesteld conform de voorwaarden van artikel 3:14 en 3:14:0:1
                        CAR-UWO.</al><al><vet>6 Spaarloonregeling </vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Ziekte en verzuim</vet></al><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><lijst><li nr="·"><al>1 Ziekmeldingsprocedure</al></li><li nr="·"><al>2 Beleid</al></li><li nr="·"><al>3 Doorbetaling salaris bij ziekte</al></li><li nr="·"><al>4 Communicatie</al></li></lijst><al><vet>1 Ziekmeldingsprocedure</vet></al><al>Bij ziekte is de medewerker verplicht dit zelf zo spoedig mogelijk mondeling
                        of telefonisch te melden bij zijn afdelingshoofd (vóór 09.00 uur op de
                        eerste ziektedag). Bij diens afwezigheid meldt de medewerker de ziekte aan
                        diens vervanger, is ook die afwezig dan wordt de melding gedaan aan de
                        gemeentesecretaris of bij diens afwezigheid de adjunct directeur . Degene
                        die de melding aanneemt geeft de melding door aan P&amp;O middels het
                        ziekmeldingsformulier. Voor afdelingshoofden geldt dat zij zich direct ziek
                        melden bij de gemeentesecretaris / algemeen directeur of bij afwezigheid van
                        de gemeentesecretaris / algemeen directeur, de adjunct directeur. P&amp;O
                        stuurt de ziekmelding door naar de Arbo-unie Zeeland in Goes. Door Arbo Unie
                        kunt uw worden opgeroepen voor het spreekuur van de verzuimconsulent of de
                        bedrijfsarts. U bent verplicht hieraan gehoor te geven. Onze bedrijfsarts is
                        de heer H. Stavast. Ook op eigen initiatief kunt u met hem een afspraak
                        maken als u het gevoel heeft dat het werk op enigerlei wijze een negatieve
                        invloed heeft op uw gezondheid. Zijn telefoonnummer is (0113) 88 66 88. </al><al>Bij het (gedeeltelijk) hervatten van het werk dient u dit door te geven aan
                        uw leidinggevende of diens vervanger of de gemeentesecretaris of diens
                        vervanger. </al><al><vet>2 Beleid</vet></al><al>Het ziekteverzuimbeleid van Gemeente Kapelle is gericht op het gezond houden
                        en maken van onze medewerkers. Ziekte is niet altijd te beïnvloeden, wat wel
                        kan is een ARBO-beleid voeren waarin de Gemeente Kapelle en haar werknemers
                        samen verantwoordelijkheid dragen om ziekte en uitval te voorkomen of zo
                        snel mogelijk te herstellen.</al><al>De fasen die in het ziekteverzuimbeleid worden onderscheiden zijn:
                        preventie, interventie en re-integratie. In de preventiefase gaat het om het
                        voorkomen van uitval door ziekte. In de interventiefase gaat het om zo
                        adequaat mogelijke oplossingen te bieden voor uitval en in de
                        re-integratiefase ligt de nadruk op het zo goed mogelijk begeleiden om terug
                        te keren naar eigen werk.</al><al><vet>Instrumenten: </vet></al><al>Er worden verschillende instrumenten ingezet ter voorkoming van verzuim door
                        ziekte. Mogelijke problemen of klachten moeten gesignaleerd worden. De
                        medewerker en de leidinggevende dragen hier een gezamenlijke
                        verantwoordelijkheid om een zo gezond mogelijke werksituatie te creëren. De
                        Gemeente Kapelle biedt een regeling aan voor het gebruikmaken van
                        bedrijfsfitness. Binnen het gebouw zelf is klimaatbeheersing en ter
                        stimulatie van gezonde voeding ligt er fruit en is melk en jus d’orange
                        beschikbaar in de keuken.</al><al>Ter voorkoming van en begeleiding bij fysieke klachten kan de werkplek
                        aangepast worden en er kan, indien mogelijk, gekeken worden naar
                        aanpassingen aan het werk. Daarnaast biedt het IZA bedrijfszorgpakket
                        verschillende mogelijkheden om vroegtijdige maatregelen te nemen met als
                        doel verzuim door fysieke klachten te voorkomen.</al><al>Voor problemen op psychosociaal gebied is er een vertrouwenspersoon aanwezig
                        binnen de organisatie. Daarnaast biedt het IZA bedrijfszorgpakket ook
                        mogelijkheden om vroegtijdige maatregelen te nemen met als doel verzuim bij
                        psychosociale klachten te voorkomen.</al><al><vet>Deelnemers in het proces: </vet></al><al><vet>De medewerker: </vet></al><al>De medewerker is verantwoordelijk voor zijn eigen gezondheid, indien de
                        leidinggevende merkt dat de medewerker zijn verantwoordelijkheid hierin niet
                        neemt kan hij de medewerker hier op aanspreken. Daarnaast kan de medewerker
                        bij de leidinggevende terecht wanneer problemen zich dreigen voor te
                        doen.</al><al><vet>De leidinggevende:</vet></al><al>De leidinggevende signaleert mogelijke problemen en praat hier met de
                        medewerker over. Indien de leidinggevende signaleert dat de ziekte langdurig
                        gaat worden neemt hij contact op met P&amp;O en de bedrijfsarts. In het
                        kader van de Wet Verbetering Poortwachter zal het stappenplan gevolgd
                        worden.</al><al><vet>De bedrijfsarts:</vet></al><al>De bedrijfsarts speelt een belangrijke rol bij de begeleiding,
                        probleemanalyse en re-integratie. Hij adviseert de medewerker en de
                        leidinggevende.</al><al><vet>P&amp;O:</vet></al><al>P&amp;O adviseert over het inzetten van instrumenten ter voorkoming van
                        uitval, daarnaast biedt P&amp;O hulp en advies in het proces van
                        re-integratie.</al><al><vet>IZA:</vet></al><al>IZA biedt met het bedrijfszorgpakket verschillende diensten aan ter
                        voorkoming of herstelling van ziekte.</al><al><vet>ARBO dienst:</vet></al><al>De ARBO dienst voert indien nodig een risico inventarisatie en evaluatie
                        uit. De punten die hieruit voortkomen worden verwerkt t.b.v. een bijdrage
                        aan een gezonde en veilige werkomgeving.</al><al><vet>3 Doorbetaling salaris bij ziekte</vet></al><al>Voor de regels van doorbetaling van het salaris bij ziekte verwijzen wij
                        naar de tekst van de CAR-UWO.</al><al><vet>4 Communicatie</vet></al><al>Communicatie m.b.t. ziekte naar de collega's verloopt via onderstaande
                        tabel</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="14*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="46*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="40*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Afdeling</al></entry><entry colname="col3"><al>Gemeentelijke organisatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kortdurend ziektegeval</al></entry><entry colname="col2"><al>Het afdelingshoofd doet de ziekmelding direct in TIM.
                                            Hij vertelt op de afdeling op de manier die het beste
                                            past dat de betreffende collega een paar dagen afwezig
                                            is.</al></entry><entry colname="col3"><al>Mensen kunnen in Outlook zien of iemand ziek is of
                                            afwezig is.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Langdurend ziektegeval</al></entry><entry colname="col2"><al>De collega’s zijn op de hoogte, maar het afdelingshoofd
                                            besteedt er aandacht aan dat het langer gaat duren.</al></entry><entry colname="col3"><al>Het afdelingshoofd deelt via de andere afdelingshoofden
                                            mede dat de collega wegens ziekte een bepaalde periode
                                            afwezig zal zijn.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Regeling Verlof, ADV en Brugdagen</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet><vet> Verlof</vet></al><al>Iedere medewerker heeft recht op 144 uur verlof per jaar. Voor parttimers
                        wordt dit aantal naar rato van het deeltijdpercentage vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 2</vet><vet> ADV</vet></al><al>Een fulltimer die feitelijk 7,75 uur per dag werkt, bouwt 143 uur ADV per
                        jaar op. Parttimers kunnen via hun leidinggevende een verzoek indienen om
                        ook voor ADV in aanmerking te komen. Het aantal uren wordt vervolgens naar
                        rato van het deeltijdpercentage vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 3</vet><vet> Leeftijdsuren</vet></al><al>Afhankelijk van de leeftijd die in het kalenderjaar wordt bereikt, wordt het
                        aantal verlofuren als volgt verhoogd:</al><al>Leeftijd verhoging</al><al>30 t/m 39 7,2 uur</al><al>40 t/m 44 14,4 uur</al><al>45 t/m 49 21,6 uur</al><al>50 t/m 54 28,8 uur</al><al>55 t/m 59 36 uur</al><al>60 en ouder 43,2 uur</al><al>Voor parttimers wordt de verhoging met leeftijdsuren naar rato van het
                        deeltijdpercentage vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 4</vet><vet> Bid- en dankdag</vet></al><al>Het verlof van de medewerker wordt verhoogd met 7,2 uur ter compensatie van
                        bid- en dankdag.</al><al>Voor parttimers wordt de verhoging met leeftijdsuren naar rato van het
                        deeltijdpercentage vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 5</vet><vet> Verlof afschrijven</vet></al><al>Het verlof wordt afgeschreven volgens het aantal uren welke men normaal
                        gesproken gewerkt zou hebben. Meestal is dit voor een fulltimer 7,75 uur per
                        dag.</al><al>Bijlagen</al><al>Bijlage I Salarisverhoging</al><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde
                        bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen
                        schaalbedragen verhoogd met 2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%,
                        behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke
                        zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995
                        werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen
                        of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996
                        een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De
                        grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995
                        genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering
                        wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is
                        getreden en in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder
                        dan 100 uur bij één instelling heeft gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                        personeel van zorginstellingen van toepassing. </al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van
                        het jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        2,25%.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,0%.</al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd
                        met 0,5% onder een gelijktijdige verhoging van het minimale bedrag met ƒ
                        250,-. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een
                        minimaal bedrag van ƒ 650,-.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaal;bedragen gebruteerd met 1,9%
                        met een maximum van ƒ 1.745,-.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd naar
                        1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van ƒ 400,- naar
                        ƒ 1.125,- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd
                        met ƒ 50,- naar ƒ 1.175,-</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van
                        € 511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3
                        %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5
                        %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt
                        verhoogd naar 2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd
                        van € 511,- naar € 611,- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de
                        eindejaarsuitkering het jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2 %.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                        verhoogd naar 3 %. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van
                        € 611,- naar € 836,- bruto. </al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 200,- bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de
                        uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw
                        als indexatie. </al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1 %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6
                        %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5
                        procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in
                        de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen
                        die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente
                        ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van
                        0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden berekend over het salaris dat de
                        medewerker ontvangen heeft in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de
                        factor 12. Voor medewerkers met een deeltijdbetrekking worden de twee
                        eenmalige uitkeringen vastgesteld naar rato van de betrekkingsomvang. De
                        eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en hebben geen invloed op de
                        hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en
                        werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a,
                        10d, 11 en 11a van de CAR). </al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en
                        wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit
                        resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.</al><al>Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.</al><al>Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking.
                        Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                        uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband
                        met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50
                        euro.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        3,0%.</al><al>Bijlage II Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke
                        garantiesalarissen</al><al><vet>Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen per 1
                            januari 2017</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="53*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet> Regelnummer </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet> Garantieschalen </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>3391</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>3515</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>3637</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>3748</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>3864</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>3985</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>4114</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>4239</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>4359</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51</al></entry><entry colname="col2"><al>4479</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53</al></entry><entry colname="col2"><al>4594</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>4837</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>4953</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61</al></entry><entry colname="col2"><al>5073</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>63</al></entry><entry colname="col2"><al>5209</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>67</al></entry><entry colname="col2"><al>5509</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>69</al></entry><entry colname="col2"><al>5660</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>73</al></entry><entry colname="col2"><al>5959</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>6111</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>77</al></entry><entry colname="col2"><al>6283</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>79</al></entry><entry colname="col2"><al>6452</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>81</al></entry><entry colname="col2"><al>6622</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>83</al></entry><entry colname="col2"><al>6807</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>85</al></entry><entry colname="col2"><al>7005</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>87</al></entry><entry colname="col2"><al>7204</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>89</al></entry><entry colname="col2"><al>7405</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>91</al></entry><entry colname="col2"><al>7604</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>93</al></entry><entry colname="col2"><al>7803</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>95</al></entry><entry colname="col2"><al>8006</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlage IIa Salaristabel gemeenteambtenaren</al><al><vet>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 januari 2017, nieuwe
                            structuur*</vet></al><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="9*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="9*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="9*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="9*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="9*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="9*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="9*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="9*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="9*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="9*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al><vet>periodiek</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col11" namest="col2"><al><vet>Schaal </vet></al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>0</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1498</al></entry><entry colname="col3"><al>1533</al></entry><entry colname="col4"><al>1571</al></entry><entry colname="col5"><al>1616</al></entry><entry colname="col6"><al>1663</al></entry><entry colname="col7"><al>1773</al></entry><entry colname="col8"><al>1990</al></entry><entry colname="col9"><al>2277</al></entry><entry colname="col10"><al>2527</al></entry><entry colname="col11"><al>2726</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1533</al></entry><entry colname="col3"><al>1584</al></entry><entry colname="col4"><al>1636</al></entry><entry colname="col5"><al>1688</al></entry><entry colname="col6"><al>1743</al></entry><entry colname="col7"><al>1854</al></entry><entry colname="col8"><al>2073</al></entry><entry colname="col9"><al>2370</al></entry><entry colname="col10"><al>2635</al></entry><entry colname="col11"><al>2853</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1570</al></entry><entry colname="col3"><al>1636</al></entry><entry colname="col4"><al>1701</al></entry><entry colname="col5"><al>1791</al></entry><entry colname="col6"><al>1821</al></entry><entry colname="col7"><al>1935</al></entry><entry colname="col8"><al>2158</al></entry><entry colname="col9"><al>2462</al></entry><entry colname="col10"><al>2743</al></entry><entry colname="col11"><al>2979</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1607</al></entry><entry colname="col3"><al>1687</al></entry><entry colname="col4"><al>1766</al></entry><entry colname="col5"><al>1832</al></entry><entry colname="col6"><al>1901</al></entry><entry colname="col7"><al>2016</al></entry><entry colname="col8"><al>2241</al></entry><entry colname="col9"><al>2554</al></entry><entry colname="col10"><al>2850</al></entry><entry colname="col11"><al>3106</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1645</al></entry><entry colname="col3"><al>1739</al></entry><entry colname="col4"><al>1831</al></entry><entry colname="col5"><al>1904</al></entry><entry colname="col6"><al>1981</al></entry><entry colname="col7"><al>2097</al></entry><entry colname="col8"><al>2326</al></entry><entry colname="col9"><al>2646</al></entry><entry colname="col10"><al>2958</al></entry><entry colname="col11"><al>3233</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1682</al></entry><entry colname="col3"><al>1790</al></entry><entry colname="col4"><al>1896</al></entry><entry colname="col5"><al>1977</al></entry><entry colname="col6"><al>2059</al></entry><entry colname="col7"><al>2178</al></entry><entry colname="col8"><al>2409</al></entry><entry colname="col9"><al>2739</al></entry><entry colname="col10"><al>3066</al></entry><entry colname="col11"><al>3360</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1720</al></entry><entry colname="col3"><al>1841</al></entry><entry colname="col4"><al>1960</al></entry><entry colname="col5"><al>2049</al></entry><entry colname="col6"><al>2139</al></entry><entry colname="col7"><al>2258</al></entry><entry colname="col8"><al>2493</al></entry><entry colname="col9"><al>2832</al></entry><entry colname="col10"><al>3174</al></entry><entry colname="col11"><al>3487</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1757</al></entry><entry colname="col3"><al>1892</al></entry><entry colname="col4"><al>2025</al></entry><entry colname="col5"><al>2121</al></entry><entry colname="col6"><al>2218</al></entry><entry colname="col7"><al>2339</al></entry><entry colname="col8"><al>2577</al></entry><entry colname="col9"><al>2924</al></entry><entry colname="col10"><al>3282</al></entry><entry colname="col11"><al>3614</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1795</al></entry><entry colname="col3"><al>1944</al></entry><entry colname="col4"><al>2090</al></entry><entry colname="col5"><al>2193</al></entry><entry colname="col6"><al>2297</al></entry><entry colname="col7"><al>2420</al></entry><entry colname="col8"><al>2661</al></entry><entry colname="col9"><al>3016</al></entry><entry colname="col10"><al>3389</al></entry><entry colname="col11"><al>3741</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1832</al></entry><entry colname="col3"><al>1995</al></entry><entry colname="col4"><al>2155</al></entry><entry colname="col5"><al>2265</al></entry><entry colname="col6"><al>2377</al></entry><entry colname="col7"><al>2501</al></entry><entry colname="col8"><al>2745</al></entry><entry colname="col9"><al>3108</al></entry><entry colname="col10"><al>3497</al></entry><entry colname="col11"><al>3868</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1870</al></entry><entry colname="col3"><al>2047</al></entry><entry colname="col4"><al>2220</al></entry><entry colname="col5"><al>2337</al></entry><entry colname="col6"><al>2456</al></entry><entry colname="col7"><al>2582</al></entry><entry colname="col8"><al>2829</al></entry><entry colname="col9"><al>3201</al></entry><entry colname="col10"><al>3604</al></entry><entry colname="col11"><al>3994</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1907</al></entry><entry colname="col3"><al>2098</al></entry><entry colname="col4"><al>2285</al></entry><entry colname="col5"><al>2409</al></entry><entry colname="col6"><al>2535</al></entry><entry colname="col7"><al>2662</al></entry><entry colname="col8"><al>2913</al></entry><entry colname="col9"><al>3293</al></entry><entry colname="col10"><al>3712</al></entry><entry colname="col11"><al>4121</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="9*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="9*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="9*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="9*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="9*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="9*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="9*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="9*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="9*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="9*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al><vet>periodiek</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col11" namest="col2"><al><vet>Schaal </vet></al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>0</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3005</al></entry><entry colname="col3"><al>3266</al></entry><entry colname="col4"><al>3594</al></entry><entry colname="col5"><al>3923</al></entry><entry colname="col6"><al>4380</al></entry><entry colname="col7"><al>4653</al></entry><entry colname="col8"><al>5004</al></entry><entry colname="col9"><al>5358</al></entry><entry colname="col10"><al>5929</al></entry><entry colname="col11"><al>6572</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3135</al></entry><entry colname="col3"><al>3401</al></entry><entry colname="col4"><al>3730</al></entry><entry colname="col5"><al>4058</al></entry><entry colname="col6"><al>4513</al></entry><entry colname="col7"><al>4813</al></entry><entry colname="col8"><al>5189</al></entry><entry colname="col9"><al>5573</al></entry><entry colname="col10"><al>6161</al></entry><entry colname="col11"><al>6822</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3265</al></entry><entry colname="col3"><al>3536</al></entry><entry colname="col4"><al>3865</al></entry><entry colname="col5"><al>4192</al></entry><entry colname="col6"><al>4645</al></entry><entry colname="col7"><al>4973</al></entry><entry colname="col8"><al>5374</al></entry><entry colname="col9"><al>5788</al></entry><entry colname="col10"><al>6396</al></entry><entry colname="col11"><al>7071</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3395</al></entry><entry colname="col3"><al>3671</al></entry><entry colname="col4"><al>3999</al></entry><entry colname="col5"><al>4325</al></entry><entry colname="col6"><al>4777</al></entry><entry colname="col7"><al>5133</al></entry><entry colname="col8"><al>5558</al></entry><entry colname="col9"><al>6004</al></entry><entry colname="col10"><al>6626</al></entry><entry colname="col11"><al>7321</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3525</al></entry><entry colname="col3"><al>3806</al></entry><entry colname="col4"><al>4134</al></entry><entry colname="col5"><al>4457</al></entry><entry colname="col6"><al>4910</al></entry><entry colname="col7"><al>5293</al></entry><entry colname="col8"><al>5743</al></entry><entry colname="col9"><al>6219</al></entry><entry colname="col10"><al>6858</al></entry><entry colname="col11"><al>7570</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3655</al></entry><entry colname="col3"><al>3941</al></entry><entry colname="col4"><al>4266</al></entry><entry colname="col5"><al>4590</al></entry><entry colname="col6"><al>5042</al></entry><entry colname="col7"><al>5453</al></entry><entry colname="col8"><al>5828</al></entry><entry colname="col9"><al>6435</al></entry><entry colname="col10"><al>7090</al></entry><entry colname="col11"><al>7820</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3785</al></entry><entry colname="col3"><al>4076</al></entry><entry colname="col4"><al>4399</al></entry><entry colname="col5"><al>4722</al></entry><entry colname="col6"><al>5175</al></entry><entry colname="col7"><al>5613</al></entry><entry colname="col8"><al>6113</al></entry><entry colname="col9"><al>6650</al></entry><entry colname="col10"><al>7322</al></entry><entry colname="col11"><al>8070</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3915</al></entry><entry colname="col3"><al>4210</al></entry><entry colname="col4"><al>4531</al></entry><entry colname="col5"><al>4854</al></entry><entry colname="col6"><al>5307</al></entry><entry colname="col7"><al>5773</al></entry><entry colname="col8"><al>6298</al></entry><entry colname="col9"><al>6865</al></entry><entry colname="col10"><al>7555</al></entry><entry colname="col11"><al>8320</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4045</al></entry><entry colname="col3"><al>4342</al></entry><entry colname="col4"><al>4664</al></entry><entry colname="col5"><al>4987</al></entry><entry colname="col6"><al>5440</al></entry><entry colname="col7"><al>5933</al></entry><entry colname="col8"><al>6483</al></entry><entry colname="col9"><al>7080</al></entry><entry colname="col10"><al>7787</al></entry><entry colname="col11"><al>8569</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4174</al></entry><entry colname="col3"><al>4475</al></entry><entry colname="col4"><al>4796</al></entry><entry colname="col5"><al>5119</al></entry><entry colname="col6"><al>5572</al></entry><entry colname="col7"><al>6093</al></entry><entry colname="col8"><al>6668</al></entry><entry colname="col9"><al>7296</al></entry><entry colname="col10"><al>8019</al></entry><entry colname="col11"><al>8819</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4302</al></entry><entry colname="col3"><al>4607</al></entry><entry colname="col4"><al>4928</al></entry><entry colname="col5"><al>5252</al></entry><entry colname="col6"><al>5704</al></entry><entry colname="col7"><al>6253</al></entry><entry colname="col8"><al>6853</al></entry><entry colname="col9"><al>7511</al></entry><entry colname="col10"><al>8251</al></entry><entry colname="col11"><al>9068</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4430</al></entry><entry colname="col3"><al>4740</al></entry><entry colname="col4"><al>5061</al></entry><entry colname="col5"><al>5384</al></entry><entry colname="col6"><al>5837</al></entry><entry colname="col7"><al>6413</al></entry><entry colname="col8"><al>7038</al></entry><entry colname="col9"><al>7726</al></entry><entry colname="col10"><al>8484</al></entry><entry colname="col11"><al>9318</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>*Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al><al>Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid
                        geldt een aparte schaal: schaal A. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk
                        aan het wettelijk minimumloon. Het bedrag van de periodiek 11 is gelijk aan
                        120% van het wettelijk minimumloon. De salarisbedragen voor schaal A worden
                        geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar op
                        1 januari vastgesteld door het LOGA en gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al><al>Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer per 1 januari 2017</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet> jaarvergoeding </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet> uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening
                                            </vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 1. Aspirant manschap a </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>341</al></entry><entry colname="col3"><al>10,55</al></entry><entry colname="col4"><al>19,72</al></entry><entry colname="col5"><al>13,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                                stoffen </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>341</al></entry><entry colname="col3"><al>12,12</al></entry><entry colname="col4"><al>22,78</al></entry><entry colname="col5"><al>15,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                                manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                specialisaties uit categorie 2 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>341</al></entry><entry colname="col3"><al>13,44</al></entry><entry colname="col4"><al>25,21</al></entry><entry colname="col5"><al>16,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 4. Bevelvoerder </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>512</al></entry><entry colname="col3"><al>16,84</al></entry><entry colname="col4"><al>31,66</al></entry><entry colname="col5"><al>21,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 5. Officier van dienst </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4035</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>40,35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 6. Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                                stoffen </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5794</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>57,94</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 7. Commandant van dienst </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8619</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>64,66</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlage IIc Gebruteerde Vergoedingsbedragen betreffende vrijwilligers bij de
                        gemeentelijke brandweer per 1 januari 2017</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet> jaarvergoeding </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet> uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening
                                            </vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 1. Aspirant manschap A </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>345</al></entry><entry colname="col3"><al>10,69</al></entry><entry colname="col4"><al>20,06</al></entry><entry colname="col5"><al>13,36</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                                stoffen </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>345</al></entry><entry colname="col3"><al>12,35</al></entry><entry colname="col4"><al>23,24</al></entry><entry colname="col5"><al>15,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                                manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                specialisaties uit categorie 2 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>345</al></entry><entry colname="col3"><al>13,68</al></entry><entry colname="col4"><al>25,61</al></entry><entry colname="col5"><al>17,09</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 4. Bevelvoerder </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>520</al></entry><entry colname="col3"><al>17,13</al></entry><entry colname="col4"><al>32,14</al></entry><entry colname="col5"><al>21,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 5. Officier van dienst </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4112</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>41,12</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 6. Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                                stoffen </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5899</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>58,99</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 7. Commandant van dienst </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8781</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>65,81</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                        beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen
                        tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het
                        gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als
                        vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. </al><al>Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene
                        Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit
                        punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                        uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in
                        1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers
                        die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden
                        zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze
                        overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                        overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1
                        januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor
                        hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.</al><al>Bijlage III Hoorbepaling</al><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                        gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.</al><al><vet>Artikel 12:1</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg
                        plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
                        van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien
                        door het LOGA-overleg tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                        van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke
                        verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van
                        overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het vorige lid
                        bedoeld.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het
                        voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen
                        een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien dagen zal
                        zijn, vermeldt het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken.
                        Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting
                        toegelaten. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de
                        organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid bedoelde
                        termijn van haar gevoelen te doen blijken.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de
                        bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van het
                        besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel besluit
                        van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de
                        organisaties. </al><al>Bijlage IV Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 januari 2017</al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colwidth="12*"/><colspec colname="col6" colwidth="12*"/><colspec colname="col7" colwidth="12*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>ervaringsjaar/ periodiek</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>aanloopbedrag 1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1800</al></entry><entry colname="col3"><al>1838</al></entry><entry colname="col4"><al>1876</al></entry><entry colname="col5"><al>1926</al></entry><entry colname="col6"><al>2182</al></entry><entry colname="col7"><al>2552</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>aanloopbedrag 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>1926</al></entry><entry colname="col4"><al>1983</al></entry><entry colname="col5"><al>2051</al></entry><entry colname="col6"><al>2307</al></entry><entry colname="col7"><al>2671</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>aanloopbedrag 3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al>2182</al></entry><entry colname="col6"><al>2429</al></entry><entry colname="col7"><al>2798</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>0</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1876</al></entry><entry colname="col3"><al>2051</al></entry><entry colname="col4"><al>2118</al></entry><entry colname="col5"><al>2307</al></entry><entry colname="col6"><al>2552</al></entry><entry colname="col7"><al>2865</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1926</al></entry><entry colname="col3"><al>2118</al></entry><entry colname="col4"><al>2182</al></entry><entry colname="col5"><al>2369</al></entry><entry colname="col6"><al>2613</al></entry><entry colname="col7"><al>2941</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1983</al></entry><entry colname="col3"><al>2182</al></entry><entry colname="col4"><al>2246</al></entry><entry colname="col5"><al>2429</al></entry><entry colname="col6"><al>2671</al></entry><entry colname="col7"><al>3011</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2051</al></entry><entry colname="col3"><al>2246</al></entry><entry colname="col4"><al>2307</al></entry><entry colname="col5"><al>2489</al></entry><entry colname="col6"><al>2734</al></entry><entry colname="col7"><al>3071</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2118</al></entry><entry colname="col3"><al>2307</al></entry><entry colname="col4"><al>2369</al></entry><entry colname="col5"><al>2552</al></entry><entry colname="col6"><al>2798</al></entry><entry colname="col7"><al>3136</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2182</al></entry><entry colname="col3"><al>2369</al></entry><entry colname="col4"><al>2429</al></entry><entry colname="col5"><al>2613</al></entry><entry colname="col6"><al>2865</al></entry><entry colname="col7"><al>3203</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2246</al></entry><entry colname="col3"><al>2429</al></entry><entry colname="col4"><al>2489</al></entry><entry colname="col5"><al>2671</al></entry><entry colname="col6"><al>2941</al></entry><entry colname="col7"><al>3266</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2307</al></entry><entry colname="col3"><al>2489</al></entry><entry colname="col4"><al>2552</al></entry><entry colname="col5"><al>2734</al></entry><entry colname="col6"><al>3011</al></entry><entry colname="col7"><al>3324</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2369</al></entry><entry colname="col3"><al>2552</al></entry><entry colname="col4"><al>2613</al></entry><entry colname="col5"><al>2798</al></entry><entry colname="col6"><al>3071</al></entry><entry colname="col7"><al>3382</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2429</al></entry><entry colname="col3"><al>2613</al></entry><entry colname="col4"><al>2671</al></entry><entry colname="col5"><al>2865</al></entry><entry colname="col6"><al>3136</al></entry><entry colname="col7"><al>3441</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2489</al></entry><entry colname="col3"><al>2671</al></entry><entry colname="col4"><al>2734</al></entry><entry colname="col5"><al>2941</al></entry><entry colname="col6"><al>3203</al></entry><entry colname="col7"><al>3501</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>2734</al></entry><entry colname="col4"><al>2798</al></entry><entry colname="col5"><al>3011</al></entry><entry colname="col6"><al>3266</al></entry><entry colname="col7"><al>3567</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>2865</al></entry><entry colname="col5"><al>3071</al></entry><entry colname="col6"><al>3324</al></entry><entry colname="col7"><al>3631</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>2941</al></entry><entry colname="col5"><al>3136</al></entry><entry colname="col6"><al>3382</al></entry><entry colname="col7"><al>3691</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>3011</al></entry><entry colname="col5"><al>3203</al></entry><entry colname="col6"><al>3441</al></entry><entry colname="col7"><al>3748</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>3071</al></entry><entry colname="col5"><al>3266</al></entry><entry colname="col6"><al>3501</al></entry><entry colname="col7"><al>3804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>uitloopbedrag 1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2613</al></entry><entry colname="col3"><al>2865</al></entry><entry colname="col4"><al>3203</al></entry><entry colname="col5"><al>3441</al></entry><entry colname="col6"><al>3631</al></entry><entry colname="col7"><al>3922</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>uitloopbedrag 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>3011</al></entry><entry colname="col4"><al>3324</al></entry><entry colname="col5"><al>3631</al></entry><entry colname="col6"><al>3748</al></entry><entry colname="col7"><al>4045</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>uitloopbedrag 3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al>3748</al></entry><entry colname="col6"><al>3865</al></entry><entry colname="col7"><al>4175</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Bijlage IVa Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend
                        personeel in de kunsteducatie</al><lijst><li nr=""><al><vet>Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend
                                    personeel in de kunsteducatie</vet> LOGA-partijen vinden dat bij
                                de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren binnen de
                                aanstelling lokaal maatwerk gewenst is. Daarom is in artikel 19b:5
                                vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin per
                                discipline de verhouding wordt vastgesteld van de verschillende
                                soorten werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren.
                                    <vet>Van een vaste verhouding naar een lokale regeling</vet> Tot
                                1 januari 2009 kende de aanvullende rechtspositieregeling voor
                                onderwijzend personeel een vaste maximale verhouding van 26
                                lesgebonden uren en 10 overige niet-lesgebonden uren. Per 1 januari
                                2009 wordt deze vaste maximale verhouding losgelaten. Reden daarvoor
                                is dat een centraal voorgeschreven verhouding geen recht kan doen
                                aan verschillen per discipline, per instelling of per onderwijzend
                                personeelslid. Met een lokale regeling kan wel ingespeeld worden op
                                deze specifieke kenmerken. <vet>Status sjabloon</vet> In dit
                                sjabloon worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet limitatief. In
                                een instelling kan worden vastgesteld dat bepaalde in het sjabloon
                                genoemde werkzaamheden niet binnen de instelling voorkomen en dus
                                niet in de lokale regeling worden opgenomen. Daarentegen kan ook
                                worden vastgesteld dat er instellingsspecifieke werkzaamheden zijn
                                die niet in het sjabloon voorkomen, maar die wel in de lokale
                                regeling moeten worden genoemd. Het sjabloon is dus een handvat voor
                                de lokale regeling waarin onder andere rekening wordt gehouden met
                                    <vet>Opbouw Sjabloon</vet> Schematisch is de opbouw van het
                                sjabloon als volgt: <vet>Categorieën van werkzaamheden </vet> Dit
                                sjabloon onderscheidt als hoofdcategorieën: De categorie
                                niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer opgedeeld worden in drie
                                subcategorieën: De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt:
                            </al></li><li nr="§"><al>de ervaring van de ambtenaar,</al></li><li nr="§"><al>het cursustype dat de ambtenaar geeft en </al></li><li nr="§"><al>de discipline van de ambtenaar.</al></li><li nr="1."><al>lesgebonden uren en</al></li><li nr="2."><al>niet-lesgebonden uren.</al></li><li nr=""><al><vet><cursief>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren.
                                    </cursief></vet> Deze subcategorie <onderstreept>hangt direct
                                    samen met</onderstreept> de lesgebonden uren. </al></li><li nr=""><al><vet><cursief>2b. Algemene werkzaamheden</cursief></vet> Deze
                                subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren. </al></li><li nr=""><al><vet><cursief>2c. Variabele werkzaamheden</cursief></vet> Deze
                                subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.</al></li><li nr="1."><al><vet>Lesgebonden uren in uren per schooljaar/cursusjaar/seizoen
                                </vet> Het gaat in deze categorie om het aantal te verzorgen
                                lesgebonden uren op jaarbasis. Het betreft alle door een discipline
                                uit te voeren les- of cursuswerkzaamheden, al of niet te
                                onderscheiden naar bijvoorbeeld:</al></li><li nr="§"><al>Type lessen/cursussen: individuele lessen, combinatielessen,
                                groepslessen, klassikale lessen</al></li><li nr="§"><al>Homogene ensembles</al></li><li nr="§"><al>Heterogene ensembles</al></li><li nr="§"><al>Koren</al></li><li nr="§"><al>Orkesten</al></li><li nr="§"><al>Regulier onderwijs</al></li><li nr="§"><al>Speciaal onderwijs</al></li><li nr="2."><al><vet>Niet-lesgebonden uren in uren per schooljaar/cursusjaar/seizoen
                                    </vet><vet>Van sjabloon naar lokale regeling</vet> Om een beeld
                                te geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale regeling tot
                                stand kan komen geeft het LOGA een voorbeeld. U dient dit voorbeeld
                                niet op te vatten als een door het LOGA gewenste verdeling van de
                                verhouding lesgebonden uren versus niet-lesgebonden uren. Het gaat
                                om de wijze waarop aan de hand van het sjabloon een lokale regeling
                                kan worden opgesteld. Binnen instelling X is onderwijzend personeel
                                werkzaam in drie verschillende disciplines: Binnen instelling X
                                geldt per discipline de volgende verhouding lesgebonden versus
                                niet-lesgebonden uren: Binnen instelling X zijn de aanstellingen van
                                het onderwijzend personeel in omvang zeer verschillend. Daarom wordt
                                er in instelling X voor gekozen om binnen de categorie
                                niet-lesgebonden uren per aanstellingsomvang een uitsplitsing te
                                maken in de subcategorieën. Die uitsplitsing is als volgt: In dit
                                voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                subcategorieën voor alle disciplines gelijk. Het is ook mogelijk om
                                elke discipline een aparte verdeling van niet-lesgebonden uren over
                                de subcategorieën te maken. <vet>Individuele afwijkmogelijkheden op
                                    de verhouding per discipline</vet> Er zijn individuele
                                omstandigheden voorstelbaar waarin het onredelijk is vast te houden
                                aan de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die per
                                discipline is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te houden met: In
                                de lokale regeling kunnen individuele afwijkingsmogelijkheden op de
                                verhouding die per discipline is vastgelegd worden opgenomen. De
                                voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat individuele
                                afwijking is toegestaan, dienen in de lokale regeling te worden
                                opgenomen. Deze individuele afwijkmogelijkheden bepalen tezamen met
                                de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren die voor de
                                discipline van de ambtenaar is vastgelegd, welke verhouding voor de
                                individuele ambtenaar geldt. Voorbeeld: Voor discipline D staat in
                                de lokale regeling dat de verhouding 70% lesgebonden uren en 30%
                                niet-lesgebonden uren geldt. In de lokale regeling is ook vastgelegd
                                dat voor discipline D een individuele afwijkmogelijkheid bestaat
                                voor ambtenaren met minder dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren
                                krijgen ten koste van het aantal lesgebonden uren 5% meer
                                niet-lesgebonden uren voor de voorbereiding en nazorg van de
                                lesgebonden uren. Het college stelt bij toepassing van de lokale
                                regeling voor een ambtenaar met discipline D en minder dan 3 jaar
                                ervaring de verhouding vast op 65% lesgebonden en 35%
                                niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra voor niet-lesgebonden uren
                                wordt binnen de subcategorieën geheel toegeschreven aan subcategorie
                                2a. <vet>Tot slot </vet> Te overwegen valt om een beperkt percentage
                                van de tijd niet toe te wijzen aan specifieke activiteiten. Niet
                                alles valt namelijk op voorhand te plannen. Aan een aantal kleinere
                                werkzaamheden uit de eerder genoemde (sub)categorieën hoeft dan
                                eveneens niet specifiek tijd te worden toegewezen; zij kunnen tot de
                                vrij in te delen tijd worden gerekend.</al></li><li nr=""><al><vet><cursief>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                        uren</cursief></vet> Het gaat in deze subcategorie om de
                                werkzaamheden van elke discipline in een bepaalde verhouding tot het
                                aantal lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van het type instelling
                                en het type lessen/werkzaamheden. Deze uren worden ook wel
                                “aanstellingsafhankelijke of leerling- of cursistafhankelijke uren”
                                genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:</al></li><li nr="§"><al>Roosterwerkzaamheden </al></li><li nr="§"><al>Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de lessen</al></li><li nr="§"><al>Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten, leerlingvolgsysteem
                                en dergelijke</al></li><li nr="§"><al>Administratieve afwikkeling van de lessen/cursussen (bijvoorbeeld
                                presentielijsten)</al></li><li nr="§"><al>Rapporten/studieverslagen voor van de leerlingen/cursisten </al></li><li nr="§"><al>(Voortgangs)gesprekken met ouders/verzorgers/leerlingen</al></li><li nr="§"><al>Bijhouden van de pedagogische, methodische en didactische
                                ontwikkelingen</al></li><li nr="§"><al>Bijhouden van vakliteratuur</al></li><li nr="§"><al>Onderhouden van de direct aan de lespraktijk verbonden artistieke
                                vaardigheden</al></li><li nr="§"><al>Examens/toetsen</al></li><li nr=""><al><vet><cursief>2b. Algemene werkzaamheden</cursief></vet> Het gaat in
                                deze subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het aantal
                                lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel “organisatiegebonden
                                uren” genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:</al></li><li nr="§"><al> Personeelsvergaderingen, afdelingsvergaderingen, sector- en
                                sectievergaderingen</al></li><li nr="§"><al>Collegiaal overleg (intern en extern)</al></li><li nr="§"><al>Voorbereiding en deelname aan open dagen</al></li><li nr="§"><al>Functioneringsgesprekken, ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk
                                ontwikkelingsplan</al></li><li nr="§"><al>Overleg over het jaarlijkse cursusboekje/studiegids </al></li><li nr="§"><al>Zorg voor het instrumentarium van de instelling en (indien gebruik
                                door de werkgever verplicht is gesteld) van het eigen
                                instrument/gereedschap</al></li><li nr=""><al><vet><cursief>2c. Variabele werkzaamheden</cursief></vet> Het gaat
                                in deze subcategorie om specifieke werkzaamheden die losstaan van
                                het aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel
                                “persoonsgebonden uren” genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:</al></li><li nr="§"><al> Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling in relatie tot de
                                lessen en lesmaterialen</al></li><li nr="§"><al>Materiële voorbereiding en nazorg van de lessen</al></li><li nr="§"><al>Lidmaatschap van de ondernemingsraad of
                                personeelsvertegenwoordiging</al></li><li nr="§"><al>Stagebegeleiding</al></li><li nr="§"><al>Organisatie en voorbereiding van leerlingenuitvoeringen/-concerten
                                (intern en/of extern)</al></li><li nr="§"><al>Organisatie en voorbereiding van concerten speciaal voor
                                onderwijzend personeelsleden (intern en/of extern)</al></li><li nr="§"><al>Organisatie en voorbereiding van exposities (intern en/of
                                extern)</al></li><li nr="§"><al>Organisatie en voorbereiding van instellingspresentaties (intern
                                en/of extern) </al></li><li nr="§"><al>Deelname aan activiteiten en evenementen voor zover niet genoemd
                                onder subcategorie 2b.</al></li><li nr="§"><al>Organiseren van kunstuitingen van cursisten, zoals voorspeelavonden
                                en tentoonstellingen</al></li><li nr="§"><al>Begeleiden van een collega bij een voorspeelavond</al></li><li nr="§"><al>Coördinatiewerkzaamheden</al></li><li nr="§"><al>Algemene organisatiewerkzaamheden, bijvoorbeeld voor
                                nieuwsbrief/schoolkrant van de instelling</al></li><li nr="§"><al>Adviseren van leerlingen ten aanzien van instrument- of
                                materiaalkeuzes</al></li><li nr="§"><al>Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van de instelling</al></li><li nr="§"><al>Bijdragen aan het jaarlijkse cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="§"><al>Opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten die ertoe
                                bijdragen de eigen vakbekwaamheid op peil te houden</al></li><li nr="§"><al>Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld beroepsverenigingen,
                                vakgroepen, mits de werkgever toestemming heeft verleend </al></li><li nr="§"><al>Het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde
                                instelling voor kunsteducatie.</al></li><li nr="1."><al>Discipline A</al></li><li nr="2."><al>Discipline B</al></li><li nr="3."><al>Discipline C</al></li></lijst><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="0*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="14*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="17*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="16*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col5" namest="col1"><al><vet>Discipline</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1. Lesgebonden uren </vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2. Niet-lesgebonden uren</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col5" namest="col1"><al>Discipline A </al></entry><entry colname="col6"><al>65%</al></entry><entry colname="col7"><al>35%</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col5" namest="col1"><al>Discipline B </al></entry><entry colname="col6"><al>60%</al></entry><entry colname="col7"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col5" namest="col1"><al>Discipline C</al></entry><entry colname="col6"><al>70%</al></entry><entry colname="col7"><al>30%</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>De verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                            subcategorieën</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Aanstellingsomvang</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                                uren</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2c. Variabele werkzaamheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Meer dan 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>30%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry><entry colname="col4"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 tot en met 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>35%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry><entry colname="col4"><al>30%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7,2 tot en met 18 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>40%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry><entry colname="col4"><al>20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tot en met 7,2 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>47%</al></entry><entry colname="col3"><al>47% </al></entry><entry colname="col4"><al>6%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="§"><al>zeer veel of zeer weinig ervaring van het onderwijzend personeellid
                                of</al></li><li nr="§"><al>het cursustype dat het onderwijzend personeelslid geeft
                                (groepslessen versus individuele lessen)</al></li></lijst><al>Bijlage IVa1 Functiebeschrijvingen onderwijzend personeel in de
                        kunsteducatie</al><lijst><li nr=""><al><vet>Functiebeschrijvingen</vet><vet>1. Consulent</vet></al></li><li nr="A."><al>Beschrijving van de functie Functiebenaming: consulent
                                Functie-eisen: HBO-niveau <onderstreept>Taken</onderstreept></al></li><li nr="1."><al>Het in overleg met cliënten opstellen van een
                                steunfunctie-activiteitenplan </al></li><li nr="2."><al>Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten </al></li><li nr="3."><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid, producten en
                                programma’s </al></li><li nr="B."><al>Beschrijving van de taken <vet>2. Docent</vet><vet>3.
                                    Balletbegeleider</vet></al></li><li nr=""><al><onderstreept> B.1 Het in overleg met cliënten opstellen van een
                                    steunfunctie-activiteitenplan</onderstreept> Informeert en
                                adviseert (potentiële) cliënten over de mogelijkheden van
                                steunfunctieactiviteiten. Overlegt met (de leiding van) potentiële
                                cliënten over wensen en verwachtingen. Stelt een activiteiten- of
                                begeleidingsplan op of ondersteunt de cliënt daarbij. Overlegt waar
                                nodig met externe instanties.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.2 Het verzorgen van
                                    steunfunctieactiviteiten</onderstreept> Geeft informatie en
                                adviezen over methoden en leermiddelen. Verzorgt teamtrainingen en
                                individuele begeleiding van docenten. Adviseert bij de aanschaf van
                                leermiddelen en ontwikkelt, waar nodig, zelf leermiddelen en
                                methodieken. Organiseert met de cliënt producties, tentoonstellingen
                                en andere evenementen. Begeleidt bij de opstelling van werkplannen.
                                Bewaakt de afspraken met betrekking tot begroting, planning en
                                inzet.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid,
                                    producten en programma’s </onderstreept> Volgt en signaleert
                                relevante ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige vorming.
                                Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling, marktanalyses en aan de
                                ontwikkeling van nieuw aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt
                                met opdrachtgevers en andere instanties over organisatie en
                                uitvoering van projecten. Werkt voorstellen uit in
                                projectbeschrijvingen. </al></li><li nr="A."><al> Beschrijving van de functie Functiebenaming: docent Functie-eisen:
                                HBO-niveau <onderstreept>Taken</onderstreept></al></li><li nr="1."><al>Het verzorgen van de inhoud van onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="2."><al>Het geven van de onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="3."><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten en
                                -programma’s</al></li><li nr="4."><al> Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li><li nr="B."><al>Beschrijving van de taken</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.1 Het verzorgen van de inhoud van
                                    onderwijsactiviteiten</onderstreept> Verzorgt het
                                (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met leiding en collega’s.
                                Bepaalt vanuit het leerplan de inhoud van de onderwijsactiviteiten.
                                Zorgt voor les- en documentatiemateriaal.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.2 Het geven van de onderwijsactiviteit
                                </onderstreept> Bereidt de activiteit voor; stemt af op het niveau
                                van de groep. Geeft de onderwijsactiviteit; doet voor en stuurt bij.
                                Zorgt voor variatie in presentatie en lesvorm. Houdt rekening met
                                persoonlijkheid en doelstelling deelnemers. Bespreekt regelmatig de
                                vorderingen met (ouders van) deelnemers en evalueert de
                                onderwijsactiviteit; stelt eventueel leerdoelstellingen bij.
                                Organiseert kunstuitingen van en voor deelnemers.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten
                                    en -programma’s</onderstreept> Volgt en signaleert relevante
                                ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige vorming. Levert
                                bijdragen aan marktanalyses, de ontwikkeling van nieuw aanbod en
                                marktontwikkelingsplannen; overlegt met opdrachtgevers en andere
                                instanties over organisatie en uitvoering van projecten. Werkt
                                voorstellen uit in projectbeschrijvingen. </al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.4 Het verrichten van overige
                                    werkzaamheden</onderstreept> Woont diverse overlegvormen bij.
                                Houdt ontwikkelingen op het vakgebied bij; neemt deel aan na- en
                                bijscholing. Levert bijdragen aan
                                evenementen/instellingsactiviteiten.</al></li><li nr="A."><al>Beschrijving van de functie Functiebenaming: Balletbegeleider
                                Functie-eisen: MBO-niveau <onderstreept>Taken</onderstreept></al></li><li nr="1."><al>Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li><li nr="2."><al>Het bijhouden van ontwikkelingen op het vakgebied</al></li><li nr="3."><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li><li nr="B."><al>Beschrijving van de taken</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.1 Het instrumentaal begeleiden van
                                    lessen</onderstreept> Begeleidt klassieke balletlessen en andere
                                lesvormen op piano en andere instrumenten. Zorgt waar nodig voor
                                improvisatie en zorgt ervoor dat het karakter van de oefening
                                muzikaal wordt ondersteund. Past gedurende de oefening tempo en
                                sfeer aan en legt andere accenten als de docent dit aangeeft.
                                Verzorgt de instrumentale begeleiding van uitvoeringen.</al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.2 Het bijhouden van ontwikkelingen op het
                                    vakgebied</onderstreept> Houdt ontwikkelingen binnen het
                                vakgebied bij. </al></li><li nr=""><al><onderstreept>B.3 Het verrichten van overige
                                    werkzaamhede</onderstreept>n Voert periodiek overleg met de
                                docent over het afstemmen van het spel op de oefeningen en de
                                samenwerking tussen docent en begeleider.</al></li></lijst><al>Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige vorming</al><al>(Vervallen)</al><al>Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar behorend tot
                        het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige vorming</al><al>(Vervallen)</al><al>Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten, consulenten en
                        Balletbegeleiders werkzaam in de Kunstzinnige Vorming</al><al>(Vervallen)</al><al>Bijlage VI Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel</al><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij de
                            aanstellingskeuring gebruikt dienen te worden. De uitwerking van
                            onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in de
                            aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut.
                            Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden
                                                in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§bekendheid met aanpassingsprobleem bij onregelmatige
                                            diensten,</al><al>§ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie,
                                            epilepsie</al><al>§aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>§aanwezigheid van claustrofobie</al><al>§ooit doorgemaakte warmtestuwing</al><al>§gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5 jaar</al><al>§huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>§hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>§depressieve klachten (checklist)</al><al>§angstklachten (checklist)</al><al> Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie
                                            van:</al><al>§ hoogtevrees (laddertest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ recent doorgemaakt trauma</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>§ posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>§belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>§te hoge BMI of buikvet</al><al>§hoge bloeddruk</al><al>§diabetes mellitus</al><al>§afwijkingen ECG</al><al> Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (aanstellingsbrandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gezichtsvermogen</al><al> Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>§onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>§onvoldoende kleurenzicht</al><al>§onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>§onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gehoorsvermogen</al><al> Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>§ onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>§overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al> Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>§mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>§mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7.Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ geldige inentingen</al><al>§ huidige aanwezigheid infectieziekten (Hepatitis,
                                            Difterie, Tetanus, Tuberculose, HIV) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8.Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§problemen met tillen</al><al>§huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>§problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (laddertest) (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige rugklachten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen
                        verricht om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het
                        werk te kunnen aantonen: </al><lijst><li nr="§"><al>longfunctiebepaling met behulp van spirometrie</al></li><li nr="§"><al> audiogram afname </al></li></lijst><al>Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</al><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij het
                            Periodiek Preventief Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De
                            uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is
                            vastgelegd in het PPMO zoals die is ontwikkeld door het Coronel
                            Instituut. Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden
                                                in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,</al><al>§aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>§aanwezigheid van claustrofobie</al><al>§doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige keuring</al><al>§gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt sinds
                                            vorige keuring</al><al>§huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>§hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>§depressieve klachten (checklist)</al><al>§angstklachten (checklist)</al><al>§hoge werkgerelateerde vermoeidheid (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ recent doorgemaakt trauma</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>§ posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>§belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>§te hoge BMI of buikvet</al><al>§hoge bloeddruk</al><al>§diabetes mellitus</al><al>§afwijkingen ECG</al><al> Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens
                                            werk</al><al> Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>§onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>§onvoldoende kleurenzicht</al><al>§onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>§onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gehoorvermogen tijdens werk</al><al> Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>§ onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>§overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al> Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>§mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>§mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7.Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar
                                            voor anderen kunnen opleveren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8.Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§problemen met tillen</al><al>§huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>§problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (tijdens brandbestrijdingstest en
                                            brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige rugklachten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1-11 met als doel signalering voor begeleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling): Is sinds de vorige keuring een
                                            nieuwe ziekte of gezondheidsklachten opgelopen die van
                                            invloed (kunnen) zijn op de uitvoering van uw werk?
                                            Signaalvraag (schriftelijk) naar:</al><al>1.Aanwezigheid chronische ziekten (stofwisseling,
                                            psychisch, bewegingsapparaat, hart- en vaataandoeningen,
                                            urinewegen/geslachtsorganen, spijsverteringsorganen,
                                            tumoren, luchtwegen, huidaandoeningen)</al><al>2.Ingeschat eigen werkvermogen nu</al><al>3.Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de
                                            fysieke en psychologische taakeisen</al><al>4.doorgemaakte expositie aan agressie in afgelopen
                                            periode</al><al>5.doorgemaakte expositie aan hard geluid in afgelopen
                                            periode met acute oorsuizingen of tijdelijke
                                            gehoorsvermindering als gevolg</al><al>6.doorgemaakte expositie aan stof, rook, gas of dampen
                                            in afgelopen periode</al><al> Inzet testen ter monitoring indien aanleiding bestaat
                                            om achteruitgang in longfunctie of gehoor aan te kunnen
                                            tonen:</al><al>§longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>§ audiogram afname </al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Kapelle/i284879.pdf">Toelichting Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Kapelle</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>