<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR437436_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013, 3e herziening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad jaargang 2016, Nr. 9807</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013, 3e herziening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013, 3e herziening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Inhoudsopgave</titel></kop><structuurtekst><al>1 Inhoudsopgave 1</al><al>2 Inleiding 4</al><al>2.1 Kader 4</al><al>2.1.1 Keur 4</al><al>2.1.2 Algemene regels 4</al><al>2.1.3 Beleidsregels 4</al><al>2.1.4 Relatie met de legger 5</al><al>2.1.5 Grondwater 6</al><al>2.1.6 Waterkwaliteitsaspecten 6</al><al>2.1.7 Eigen werkzaamheden 6</al><al>2.1.8 Maatschappelijke functies 6</al><al>2.1.9 Particuliere belangen van derden 7</al><al>2.1.10 Regelgeving van andere overheden 7</al><al>2.1.11 De vergunningsprocedure 7</al><al>2.2 Leeswijzer 8</al><al>3 Beleidsregels waterkeringen 9</al><lijst><li nr="3."><al>1 Doel 9</al></li><li nr="3."><al>2 Motivering 9</al></li><li nr="3."><al>3 Algemene toetsingscriteria 9</al></li><li nr="3."><al>4 De maatschappelijke functies en particuliere belangen 11</al></li><li nr="3."><al>5 Specifieke toetsingscriteria 12</al></li></lijst><al>3.5.1 Beleidsregel Bouwwerken in, op en nabij een waterkering 13</al><al>3.5.2 Beleidsregel Beplanting in, op en nabij een waterkering 16</al><al>3.5.3 Beleidsregel Kabels, leidingen en bodemenergiesystemen in en nabij
                            een waterkering 19</al><al>3.5.4 Beleidsregel Weg- en dijkmeubilair op en nabij een waterkering
                            23</al><al>3.5.5 Beleidsregel Aanleg en onderhoud van wegen in, op en nabij een
                            waterkering 26</al><al>3.5.6 Beleidsregel Op- en afritten op en nabij een waterkering 29</al><al>3.5.7 Beleidsregel Verhardingen (exclusief wegen en op- en afritten) in,
                            op en nabij een waterkering 33</al><al>3.5.8 Beleidsregel Erfscheiding (niet zijnde beplanting) in, op en nabij
                            een waterkering 36</al><al>3.5.9 Beleidsregel Milieu-, bodem- en archeologisch onderzoek in en
                            nabij een waterkering. 39</al><al>3.5.10 Beleidsregel Rijden met rijdieren en motorvoertuigen op en nabij
                            een waterkering 41</al><al>3.5.11 Beleidsregel Houden van dieren op en nabij een waterkering
                            43</al><al>3.5.12 Beleidsregel Bemesten op een waterkering 45</al><al>3.5.13 Beleidsregel Grondroeringen in en nabij een waterkering 47</al><al>4 Beleidsregels oppervlaktewaterlichamen 49</al><lijst><li nr="4."><al>1 Doel 49</al></li><li nr="4."><al>2 Motivering 49</al></li><li nr="4."><al>3 Algemene toetsingscriteria 49</al></li><li nr="4."><al>4 De maatschappelijke functies, particuliere belangen en
                                    regelgeving en beleid van andere overheden 53</al></li><li nr="4."><al>5 Specifieke toetsingscriteria 53</al></li></lijst><al>4.5.1 Beleidsregel Graven in, dempen en aanleg van een
                            oppervlaktewaterlichaam 54</al><al>4.5.2 Beleidsregel Houden van dieren in een oppervlaktewaterlichaam
                            58</al><al>4.5.3 Beleidsregel Objecten en bouwwerken in een oppervlaktewaterlichaam
                            59</al><al>4.5.4 Beleidsregel Beplantingen in een oppervlaktewaterlichaam 63</al><al>4.5.5 Beleidsregel Bruggen in een oppervlaktewaterlichaam 66</al><al>4.5.6 Beleidsregel Dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam 69</al><al>4.5.7 Beleidsregel Kabels en leidingen in een oppervlaktewaterlichaam
                            73</al><al>4.5.8 Beleidsregel Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken in een
                            oppervlaktewaterlichaam 76</al><al>4.5.9 Beleidsregel Oeverbeschermende voorzieningen in een
                            oppervlaktewaterlichaam 79</al><al>4.5.10 Beleidsregel Peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam
                            82</al><al>4.5.11 Beleidsregel Gemotoriseerd varen in een oppervlaktewaterlichaam
                            86</al><al>4.5.12 Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam vanaf
                            nieuw verhard oppervlak 88</al><al>4.5.13 Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam met een
                            werk of via drainage 92</al><al>4.5.14 Beleidsregel Water onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam
                            95</al><al>5 Beleidsregel bergingsgebieden 98</al><al>6 Beleidsregel ondersteunende kunstwerken 100</al><al>7 Beleidsregel grondwater 103</al><al>7.1 Algemene toetsingscriteria 108</al><al>7.1.1 Duurzaam en doelmatig gebruik grondwater 108</al><al>7.1.2 Voorkomen van negatieve effecten 110</al><al>7.2 Extra aandachtspunten overige onttrekkingsituaties 114</al><al>7.2.1 Artesische bron 115</al><al>7.2.2 Drainage 115</al><al>7.2.3 Beregening en bevloeiing 115</al><al>7.2.4 Noodvoorzieningen 115</al><al>7.2.5 Infiltraties 116</al><al>Bijlagen 117</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Inleiding</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Kader </titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Keur</titel></kop><structuurtekst><al>De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond
                            watersysteem.</al><al>In artikel 2.1 van de Waterwet staan de doelstellingen die het
                            waterschap bij de uitvoering van zijn taak in acht moet nemen (de
                            hoofddoelstellingen):</al><lijst><li nr="a."><al>Voorkomen van overstroming, wateroverlast en
                                    waterschaarste:</al></li><li nr="b."><al>Beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische
                                    kwaliteit van watersystemen;</al></li><li nr="c."><al>Vervulling van maatschappelijke functies door
                                    watersystemen.</al></li></lijst><al>In het Waterbeheerplan is aangegeven welke doelen Waterschap Vallei en
                            Veluwe binnen zijn</al><al>beheersgebied nastreeft</al><al>Om deze doelen te kunnen realiseren beschikt het waterschap over een
                            eigen verordening,</al><al>die van oudsher de Keur heet. De Keur kent ‘verboden’ en ‘geboden’ voor
                            de manier van inrichten,</al><al>gebruik en onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen,
                            bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater. De Keur is
                            een belangrijk instrument voor het waterschap om activiteiten in en rond
                            het watersysteem in goede banen te leiden en te</al><al>zorgen dat ze geen gevaar op kunnen leveren voor het watersysteem. Dit
                            maakt het mogelijk om</al><al>het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor
                            bescherming tegen</al><al>wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond
                            watersysteem.</al><al>De gebods- en verbodsbepalingen in de Keur zijn algemeen van aard. Via
                            algemene regels en beleidsregels zijn deze verder uitgewerkt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Algemene regels</titel></kop><structuurtekst><al>Veel voorkomende werkzaamheden die onder voorwaarden kunnen worden
                            toegestaan,</al><al>reguleert het waterschap zoveel mogelijk via algemene regels. Hiermee
                            worden tijdrovende</al><al>en onnodige vergunningprocedures voorkomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregels</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Daar waar niet aan de algemene regels kan worden voldaan, bestaat de
                            mogelijkheid een</al><al>vergunning voor de werkzaamheden, werken e.d. aan te vragen. Artikel
                            6.21 van de Waterwet bepaalt dat een watervergunning wordt geweigerd
                            voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de in artikel 2.1
                            genoemde doelstellingen, met andere woorden zou leiden tot naar
                            verhouding onaanvaardbare gevolgen voor de waterveiligheid, de chemische
                            of ecologische waterkwaliteit of het vervullen van functies door het
                            watersysteem. Als de vergunning op grond van deze afweging kan worden
                            verleend is vervolgens de vraag aan de orde welke voorschriften en
                            beperkingen aan de watervergunning moeten worden verbonden. Bij de
                            beantwoording van die vraag dient het waterschap alle belangen die
                            rechtsreeks bij het besluit betrokken zijn, af te wegen. Dit zijn ook de
                            belangen van de aangeland (aangrenzende eigenaar). De belangen van de
                            aanvrager, de aangeland en van het watersysteem moeten hierbij tegen
                            elkaar worden afgewogen. Om duidelijk te maken wat het waterschap
                            vanwege zijn wettelijke taak belangrijk vindt, zijn beleidsregels
                            opgesteld. </al><al><cursief>Wettelijke basis</cursief> Artikel 4.18 van de
                            Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt het voor dijkgraaf en heemraden
                            mogelijk beleidsregels vast te stellen met betrekking tot een hen
                            toekomende bevoegdheid, in dit geval het verlenen van watervergunningen.
                            Deze beleidsregels moeten ervoor zorgen dat aanvragen voor een
                            watervergunning steeds op dezelfde manier worden beoordeeld.</al><al><cursief>Voordeel beleidsregels</cursief>Omdat een
                            beleidsregel een besluit in de zin van de Awb is, moet zowel het
                            waterschap als de burger zich aan de beleidsregel houden. De burger mag
                            dus <cursief>in principe</cursief> verwachten dat hij/zij een
                            watervergunning krijgt als de activiteit die hij/zij wil uitvoeren,
                            voldoet aan de beleidsregel. Aan de andere kant zal het waterschap een
                            aanvraag om een watervergunning in principe weigeren als de aanvraag
                            niet voldoet aan de beleidsregel. Voor de motivering van de beslissing
                            op de aanvraag kan verwezen worden naar de (bekendgemaakte)
                            beleidsregels.</al><al><cursief>Afwijken van de beleidsregel</cursief>In bijzondere
                            gevallen kan van een beleidsregel worden afgeweken. Bijvoorbeeld omdat
                            het belang van de aanvrager groter is dan het belang van het waterschap.
                            Andersom kan ook: dan werkt het waterschap niet mee, terwijl dat volgens
                            de beleidsregels wel zou kunnen, bijvoorbeeld door nieuwe relevante
                            besluiten of beleid van het waterschap of andere overheden of door
                            bijzondere (fysieke) omstandigheden. Ook kan soms een precieze
                            toepassing van een beleidsregel gevolgen (voor de aanvrager of voor
                            derden) hebben die niet met die beleidsregel bedoeld waren of
                            onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de beleidsregel. In die
                            gevallen kan het waterschap afwijken. De afwijking moet dan wel goed
                            worden gemotiveerd. </al><al><cursief>Bezwaar en beroep</cursief>Het instellen van bezwaar
                            en beroep is mogelijk tegen besluiten (zoals watervergunningen) waarvan
                            beleidsregels de basis vormen. Daarbij kan een rechter, als hij een
                            beleidsregel (helemaal of gedeelten daaruit) niet rechtmatig vindt, de
                            beleidsregel alsnog onverbindend verklaren. </al><al><cursief>W</cursief><cursief>atertoetsadvies</cursief>Beleidsregels
                            hebben zowel externe als interne werking. Beleidsregels zijn in principe
                            ook voor het opstellen van een watertoetsadvies richtinggevend. Als
                            daarom een positief watertoetsadvies is afgegeven, wordt de aanvraag om
                            een watervergunning in principe vooral aan dat advies getoetst. In veel
                            gevallen zal dat tot een vlotte watervergunningsprocedure kunnen leiden.
                        </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Relatie met de legger</titel></kop><structuurtekst><al> De verbodsbepalingen uit de keur gelden niet buiten de in de legger
                            vastgelegde begrenzing van het waterstaatswerk dan wel de
                            beschermingszone.</al><al>Een legger is een door het waterschap vastgesteld register van gegevens
                            van waterstaatswerken. De legger bevat gegevens over ligging, status,
                            afmetingen en onderhoudsplichtigen van waterkeringen,
                            oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en ondersteunende
                            kunstwerken. Daarnaast geeft de legger aan waar de verbodsbepalingen uit
                            de Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013 van toepassing zijn. Ook geeft
                            de legger een specificatie van de onderhoudsplichten uit de Keur. De
                            legger heeft de volgende functies: </al><lijst><li nr="-"><al>het vastleggen van onderhoudsplichtigen en -verplichtingen; bij
                                    geschillen geldt de legger als bewijsmiddel, tenzij er een
                                    vergunning afgegeven is of een overeenkomst is gesloten, dan is
                                    die leidend;</al></li><li nr="-"><al>het mogelijk maken van doelmatig onderhoud: de legger beschrijft
                                    de situatie waaraan de onderhoudstoestand van waterkeringen,
                                    oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en ondersteunende
                                    kunstwerken getoetst wordt;</al></li><li nr="-"><al>het vastleggen van de (zonering van) waterkeringen,
                                    oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en ondersteunende
                                    kunstwerken waarop het verbodsregime van de Keur van toepassing
                                    is;</al></li><li nr="-"><al>heldere communicatie naar ingelanden: transparantie en
                                    aanspreekbaarheid op de onderhoudstoestand van de
                                    waterstaatswerken.</al></li></lijst><al><cursief>Legger waterkeringen</cursief></al><al>In de legger waterkeringen zijn waterkeringen naar vorm, afmetingen en
                            ligging vastgelegd, met de bijbehorende beschermingszones. Tevens worden
                            de onderhoudsplichtigen, onderhoudsverplichtingen en de zonering
                            (begrenzing) van de waterkeringen in de legger aangegeven.</al><al><cursief>Legger oppervlaktewater</cursief></al><al>In de legger oppervlaktewater zijn de voor het waterhuishoudkundige
                            systeem essentiële oppervlaktewaterlichamen naar afmeting en ligging
                            ruimtelijk vastgelegd, inclusief de onderhoudsstroken en
                            natuurvriendelijke oevers. Ook de bij de oppervlaktewaterlichamen
                            behorende beschermingszones, de bergingsgebieden en de ondersteunende
                            kunstwerken zijn op deze legger aangegeven. Er wordt in de legger,
                            gerangschikt naar afnemend belang, onderscheid gemaakt naar drie
                            categorieën oppervlaktewaterlichamen: A, B en C.</al><al>Overigens behoeft van de bergingsgebieden en de oppervlaktewaterlichamen
                            categorie C alleen de ligging te worden aangegeven. Er geldt op grond
                            van de provinciale Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe voor
                            deze waterstaatswerken namelijk een vrijstelling voor het vastleggen van
                            afmetingen en constructie. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Grondwater</titel></kop><structuurtekst><al>Het waterschap is bevoegd gezag voor het onttrekken, retourneren en
                            infiltreren van grondwater. Uitzondering vormt een drietal categorieën
                            waar de provincie bevoegd gezag voor is. Dit zijn industriële
                            onttrekkingen groter dan 150.000 m3 / jaar en onttrekkingen ten behoeve
                            van drinkwaterwinning en bodemenergiesystemen. De beleidsregels gelden
                            voor zowel het onttrekken van grondwater door middel van een
                            onttrekkinginrichting, als voor grondwateronttrekkingen zonder
                            toepassing van een onttrekkinginrichting (bijvoorbeeld drainage waarbij
                            het water onder vrij verval afstroomt naar oppervlaktewater. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Waterkwaliteitsaspecten</titel></kop><structuurtekst><al>Het waterschap toetst werkzaamheden van derden met deze beleidsregels
                            uitsluitend op de waterhuishoudkundige en ecologische effecten op het
                            watersysteem en op de effecten op de maatschappelijke functies van het
                            watersysteem en op de belangen van derden. De invloed van werkzaamheden
                            van derden op de waterkwaliteit wordt op basis van de Waterwet en
                            bijbehorende Algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) getoetst en valt
                            daarmee buiten het bereik van deze beleidsregels.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Eigen werkzaamheden</titel></kop><structuurtekst><al>Met de keur, de bijbehorende algemene regels, de beleidsregels en de
                            legger, reguleert het</al><al>waterschap uitsluitend activiteiten van derden. Als waterbeheerder voert
                            het waterschap</al><al>echter zelf ook veel werkzaamheden in en rond het watersysteem uit. De
                            reguliere</al><al>beheermaatregelen die het waterschap uitvoert, zijn bedoeld er voor te
                            zorgen dat de</al><al>waterstaatswerken op de afmetingen blijven zoals die zijn vastgesteld in
                            de legger. Voor al</al><al>deze werkzaamheden geldt er geen meldplicht of vergunningplicht. Wel
                            houdt het</al><al>waterschap zich zelf ook aan de regels zoals het die aan derden stelt.
                            Door nieuwe</al><al>ambities of functiewijzigingen moet het watersysteem soms aangepast
                            worden. Dergelijke</al><al>aanpassingen doet het waterschap door middel van een projectplan. Binnen
                            het kader van het projectplan toetst het waterschap de voorgenomen
                            werkzaamheden aan de beleidsregels. Belanghebbenden kunnen tegen deze
                            plannen bezwaar maken dan wel beroep bij de rechtbank instellen. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Maatschappelijke functies</titel></kop><structuurtekst><al>Zoals gezegd vervult het watersysteem ook maatschappelijke functies.
                            Waterstaatswerken kunnen cultuurhistorisch interessant zijn of een vorm
                            van recreatief medegebruik hebben. Het beheergebied van Waterschap
                            Vallei en Veluwe kent een aantal interessante cultuurhistorische
                            waarden. Er zijn vele grotere en kleinere objecten zoals (stoom)
                            gemalen, sluisjes, dijken en beken. In het kader van de 'brede kijk' die
                            we als waterschap hebben, laten we de maatschappelijke belangen, zoals
                            recreatie, cultuurhistorie, natuur, archeologie en landschap meewegen
                            bij de vergunningverlening op grond van de keur, voor zover er geen
                            ander wettelijk voorschrift is dat in de bescherming van deze belangen
                            voorziet én het een belang betreft met het oog waarop de betreffende
                            bevoegdheid aan het waterschap is toegekend (het
                            specialiteitsbeginsel).</al><al><cursief>Recreatie en sportvisserij</cursief></al><al>Veel van de oppervlaktewaterlichamen categorie A zijn in eigendom van
                            het waterschap evenals de onderhoudsstroken die vaak van deze
                            oppervlaktewaterlichamen deel uitmaken. De belangen van het waterschap
                            als eigenaar worden daarom tevens beschermd via het privaatrechtelijke
                            spoor. Eisen met betrekking tot sportvisserij in deze wateren zijn
                            vastgelegd in huurovereenkomsten betreffende het visrecht. Daarnaast is
                            in artikel 3.11 van de keur geregeld dat vanaf het moment dat het
                            visplan is goedgekeurd door het bestuur, dan wel vanaf 1 juli 2014 voor
                            zover het KRW-waterlichamen, HEN- en SED-wateren en wateren met de
                            functie zwemwater betreft, het verboden is vis uit te zetten in of te
                            onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen A en Banders dan op basis van en
                            in overeenstemming met het visplan. Voor oppervlaktewaterlichamen
                            categorie C geldt op grond van een algemene regel, geen
                            visplanverplichting. </al><al><cursief>Vaarwegbeheer</cursief></al><al>De Eem en de Arkervaart zijn door de provincie aangewezen als vaarweg.
                            De provincie Utrecht is vaarwegbeheerder van de Eem en de gemeente
                            Nijkerk van de Arkervaart. Op basis van de Scheepvaartverkeerswet gelden
                            regels voor het varen op deze oppervlaktewaterlichamen. Vaaractiviteiten
                            van derden op deze vaarwegen worden door de provincie respectievelijk
                            gemeente Nijkerk aan deze regels getoetst. Daarnaast zijn er
                            oppervlaktewaterlichamen waar geen sprake is van officieel
                            vaarwegbeheer. Op deze wateren kan gevaren worden als de fysieke
                            toestand van het water het toelaat en het varen bij keur niet is
                            verboden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Particuliere belangen van derden </titel></kop><structuurtekst><al>Zoals aangegeven in par. 2.1.3 mag een vergunning weliswaar niet worden
                            geweigerd omwille van de belangen van derden, maar met de belangen van
                            derden dient wel rekening te worden gehouden waar het gaat om de wijze
                            waarop de te vergunnen handeling zal worden uitgevoerd en de in verband
                            daarmee aan de vergunning te verbinden voorschriften. Voorbeelden van
                            particuliere belangen zijn woongenot en bedrijfsresultaat.</al><al>Als dat belang van de derde louter bestaat uit het zonder toestemming in
                            gebruik genomen zijn van eigendommen van derden, speelt het particuliere
                            belang geen rol bij de belangenafweging. Het waterschap is niet in de
                            (publieke) positie om (private) eigendomsverhoudingen te beoordelen. Het
                            hebben van een watervergunning van het waterschap ontslaat de
                            vergunninghouder dan ook niet van de plicht privaatrechtelijke
                            toestemming te vragen aan degene van wie eigendommen bij de
                            vergunningverlening betrokken zijn.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Regelgeving van andere overheden</titel></kop><structuurtekst><al> Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook regelgeving van andere
                            overheden van toepassing zijn, zoals de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (WABO) en de Flora- en Faunawet. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>De vergunningsprocedure</titel></kop><structuurtekst><al> Op de aanvraag en de voorbereiding van de watervergunning op grond van
                            de keur zijn de afdelingen 4.1.1 en 4.1.2. van de Algemene wet
                            bestuursrecht, artikel 6.13 e.v. van de Waterwet, hoofdstuk 6 van het
                            Waterbesluit en hoofdstuk 6 van de Waterregeling van toepassing.</al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief>Sinds 2009
                            staat in de Algemene wet bestuursrecht de lex silencio positivo (LSP).
                            De LSP is de regel die erop neerkomt dat bij overschrijding van de
                            beslistermijn een besluit geacht wordt te zijn genomen van rechtswege.
                            De LSP geldt niet voor watervergunningen, omdat er geen sprake is van
                            dienstenactiviteiten als bedoeld in de Dienstenwet. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Leeswijzer</titel></kop><structuurtekst><al>Wanneer het keurverbod van toepassing is op een activiteit en daarvoor
                            geen algemene regels gelden of de activiteit voldoet niet aan de
                            criteria en/of voorschriften van de algemene regels, dan is de
                            activiteit vergunningplichtig op grond van de Keur. De beleidsregels
                            vormen het toetsingskader bij vergunningverlening.</al><al>Het document is opgebouwd uit de volgende hoofdstukken:</al><al>Hoofdstuk 1 bevat de inhoudsopgave;</al><al>Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over de beleidsregels;</al><al>Hoofdstuk 2 bevat de beleidsregels voor waterkeringen;</al><al>Hoofdstuk 4 bevat de beleidsregels voor oppervlaktewaterlichamen;</al><al>Hoofdstuk 5 bevat de beleidsregels voor bergingsgebieden; </al><al>Hoofdstuk 6 bevat de beleidsregels voor ondersteunende kunstwerken;</al><al>Hoofdstuk 7 bevat de beleidsregels voor grondwater;</al><al>Hoofdstuk 8 bevat de bijlagen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregels waterkeringen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Doel </titel></kop><structuurtekst><al> De beleidsregels zijn gebaseerd op de doelstellingen van de Waterwet en
                            de doelen van het Waterbeheerplan (zie par. 2.1.1.). Algemeen
                            uitgangspunt bij de beoordeling van aanvragen voor een watervergunning
                            voor werken/werkzaamheden in of nabij waterkeringen is dat functie van
                            de waterkering voor de veiligheid, het voorkomen van overstromingen van
                            het achterliggende gebied niet in gevaar komt en het waterkerend
                            vermogen niet wordt aangetast.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Motivering</titel></kop><structuurtekst><al> Om het in paragraaf 3.1 verwoorde doel te kunnen bereiken, stelt het
                            waterschap eisen aan activiteiten in en nabij waterkeringen. Deze eisen
                            hangen samen met het effect van de activiteit op de constructie,
                            waterhuishoudkundige functie en het doelmatige onderhoud van de
                            waterkering.</al><al>Deze eisen zijn verwoord in de waterhuishoudkundige toetsingscriteria,
                            uitgaande van de volgende waterhuishoudkundige aspecten:</al><lijst><li nr="-"><al>Hoogte van de waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Stabiliteit van de waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Risico periode;</al></li><li nr="-"><al>Profiel van vrije ruimte;</al></li><li nr="-"><al>Beheer (= inclusief onderhoud).</al></li></lijst><al>De waterhuishoudkundige toetsingscriteria zijn onderverdeeld in algemene
                            toetsingscriteria (par. 3.3) en specifieke criteria voor bepaalde
                            onderwerpen (par. 3.5). Daar waar voor activiteiten specifieke criteria
                            gelden, gaan deze boven de algemene toetsingscriteria.</al><al>Voor de volgende onderwerpen gelden specifieke toetsingscriteria:</al><lijst><li nr="-"><al>Bouwwerken in, op en nabij waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Beplanting in, op en nabij waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Kabels, leidingen en bodemenergiesystemen in en nabij
                                    waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Weg- en dijkmeubilair op en nabij waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Aanleg en onderhoud van wegen in en nabij waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Op- en afritten op en nabij waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Verhardingen (exclusief weg en op- en afritten) in, op en nabij
                                    waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Erfscheiding (niet zijnde beplanting) in, op en nabij
                                    waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Milieu-, bodem- en archeologisch onderzoek in en nabij
                                    waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Rijden met lastdieren en motorvoertuigen op en nabij
                                    waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Houden van dieren op en nabij de waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Bemesten op de waterkering;</al></li><li nr="-"><al>Grondroeringen in en nabij waterkering.</al></li></lijst><al>Behalve aan deze waterhuishoudkundige toetsingscriteria wordt de
                            vergunningaanvraag getoetst aan de maatschappelijke functies en
                            particuliere belangen van derden en van de aanvrager (par. 3.4).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Algemene toetsingscriteria</titel></kop><structuurtekst><al> Onderstaand zijn per waterhuishoudkundig aspect de algemene
                            toetsingscriteria aangegeven. </al><al>Hiervoor kunnen berekeningen en een onderbouwing van de
                            werkzaamheden/activiteiten op kosten van de aanvrager worden
                            gevraagd.</al><al><vet><cursief>Hoogte</cursief></vet></al><al>Doel van de bepalingen in de Keur is het behouden van de kerende hoogte
                            van de waterkering. </al><al><vet><cursief>Stab</cursief></vet><vet><cursief>i</cursief></vet><vet><cursief>liteit
                                </cursief></vet></al><al>Doel van de bepalingen in de Keur is de stabiliteit van de waterkering
                            niet in gevaar te brengen. Hiervoor wordt onder ander gekeken naar de
                            volgende punten:</al><al>1.<vet><cursief>Micro en Macro stabiliteit</cursief></vet></al><al>De Macrostabiliteit van het binnentalud is van belang om een voldoende
                            groot grondlichaam te houden om de waterdruk bij hoogwater te keren. Het
                            talud kan aangetast worden door infiltratie van het overstromend water
                            bij een combinatie van hoge waterstand en golfoverslag. Instabiliteit
                            kan ook optreden door een verhoogde waterspanning in de ondergrond,
                            waardoor het gehele grondlichaam wegschuift. Voor het buitentalud treed
                            instabiliteit op bij snelle daling van de buitenwaterstand na hoogwater.
                            Stabiliteit wordt onder meer verkregen door voldoende flauwe taluds in
                            combinatie met het juiste grondsoort en de waterspanning in het
                            dijklichaam.</al><al>Dit houdt in dat graafwerkzaamheden in de dijk zoveel mogelijk voorkomen
                            moeten worden.</al><al>De microstabiliteit van het binnentalud moet voldoende zijn om te
                            voorkomen dat kwelwater door het dijklichaam uittreedt. Hierdoor kan de
                            taludbekleding bij lagere waterstanden instabiel worden en loslaten van
                            de waterkering.</al><al>2.<vet><cursief>Erosiebestendigheid</cursief></vet></al><al>Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een
                            vooraf vastgesteld overslagdebiet bij de maatgevende hoogwaterstand. Dit
                            houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud gedurende het
                            optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn tegen
                            uitspoeling. Een goede (gras) bekleding dient om erosie te voorkomen.
                            Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij
                            overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en
                            binnentalud toe. </al><al>Een grasbekleding is alleen erosiebestendig met een goede,
                            ononderbroken, goed doorwortelde en soortenrijke grasmat. Als de grasmat
                            minder tot ontwikkeling komt vermindert doorworteling en is de grasmat
                            minder bestand tegen erosie.</al><al>Een steenbekleding vereist voldoende gewicht, een laagopbouw die
                            uitspoeling van materiaal voorkomt en een goede aanaarding, zodat de
                            bekleding vast blijft zitten aan de rest van de dijk.</al><al>In de bekleding mogen geen potentieel objecten of zaken aanwezig zijn
                            die de aaneengeslotenheid van de bekleding verstoren, zodat golven
                            hierop geen grip hebben. </al><al>De eisen aan de erosiebestendigheid hangen af van de veiligheidseisen
                            voor de waterkering en de wijze van het beheer door het waterschap</al><al>3.<vet><cursief>Kans op kwel en piping</cursief></vet></al><al>Kwel is het verschijnsel waarbij water door een verschil in waterstand
                            onder de dijk doorstroomt en in het achterland weer aan de oppervlakte
                            komt. Kwel zorgt vooral voor wateroverlast en kan op de lange duur
                            leiden tot verweking van de binnenteen van de dijk, omdat het water via
                            zandlagen onder of in het dijklichaam stroomt door de kleilaag achter de
                            dijk wordt geperst. Bovendien kunnen door kwel (onverharde) onderhouds-
                            en inspectiepaden onbegaanbaar raken.</al><al>Als bij kwel ook zand wordt meegevoerd en daardoor de waterkering wordt
                            ondermijnd is er sprake van piping.</al><al>Overmatige kwel en een hoge kans op piping zijn onwenselijk.</al><al><vet><cursief>Risico periode</cursief></vet></al><al>Doel van de bepaling in de keur is de kans op falen van de waterkering
                            te minimaliseren. Deze kans is het grootst op het moment dat de dijk het
                            zwaarst belast wordt. Deze belasting treedt op bij hoge waterstanden en
                            sterke wind. In de periode van 1 november tot 1 april is er een grotere
                            kans op het optreden van hoog water in combinatie met sterke wind. Bij
                            het verrichten van werkzaamheden in de waterkering in deze periode wordt
                            de functie van de waterkering aangetast, waardoor de faalkans van de
                            waterkering wordt vergroot.</al><al>Een belangrijk aspect van de bescherming van de stabiliteit en
                            veiligheid van waterkeringen is gedurende de risico periode met name de
                            dijkbekleding. Hierbij zijn de volgende factoren relevant, namelijk: de
                            erosiebestendigheid (uitspoeling en afbraak waterkering), de
                            waterdichtheid (relatie met de grondwaterstand in de waterkering) en de
                            stabiliteit van de waterkering (weerstand met betrekking tot
                            afschuiving).</al><al>Vanwege het verhoogde risico op het falen van de waterkering, als gevolg
                            van werken die de dijkbekleding aantasten, gedurende de risicoperiode,
                            worden werken in of nabij waterkeringen uitsluitend toegestaan indien
                            sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen.</al><al>Waterkeringen moeten voor het waterschap te allen tijde bereikbaar
                            kunnen zijn voor onder andere inspectie of calamiteiten. Het uitvoeren
                            van werken, zeker gedurende de risicoperiode, mag geen belemmering
                            opleveren.</al><al>In sommige gevallen zijn technische maatregelen noodzakelijk, om de
                            invloed van de werkzaamheden op de waterkering te beperken dan wel te
                            niet te doen. De te nemen maatregelen zijn afhankelijk van de locatie,
                            type werkzaamheden en de tijdsduur. Bij een specifiek werk is het pas
                            mogelijk om aan te geven hoe en met welke maatregelen de werkzaamheden
                            mogen worden uitgevoerd. In de afweging kan na beoordeling van alle
                            hierboven genoemde aspecten door het waterschap een pakket van te nemen
                            maatregelen worden voorgeschreven in de watervergunning. Bij dit pakket
                            kan gedacht worden aan erosiebestendige maatregelen, bereikbaarheid,
                            waarschuwings- en toegankelijkheidsvoorzieningen of een vervangende
                            waterkerende constructie.</al><al><vet><cursief>Profiel van vrije ruimte</cursief></vet></al><al>Doel van de bepalingen in de Keur is dat werken een toekomstige
                            dijkverbetering niet hinderen of de uitvoering daarvan negatief
                            beïnvloeden.</al><al>Het waterschap toetst de waterkeringen conform de Wet periodiek op het
                            veilig kunnen keren van water. Als de waterkering wordt afgekeurd bij
                            deze zogeheten toetsing moet het waterschap maatregelen nemen om de
                            waterkering te laten voldoen aan de gestelde eisen. </al><al>Ontwikkelingen en activiteiten die een negatief effect kunnen hebben op
                            toekomstige verbeteringen aan waterkeringen zijn daarbij niet gewenst. </al><al>Waar dijkverbetering of groot onderhoud wordt voorbereid moet de
                            vergunninghouder er rekening mee houden dat het vergunde object in de
                            zone voor toekomstige verbetering op kosten van de vergunninghouder moet
                            worden verwijderd, ofwel tijdelijk minder dan wel niet kan worden
                            gebruikt. De levensduur van een object in het profiel van vrije ruimte
                            mag niet meer zijn dan 50 jaar.</al><al><vet><cursief>Beheer (= inclusief onderhoud)</cursief></vet></al><al>Doel van de bepalingen in de Keur is het kunnen uitoefenen van beheer. </al><al>Met beheer wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn om de
                            waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de
                            toekomst. Hieronder vallen eventuel benodigde veiligheidstoetsing,
                            regelmatig terugkerende onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspecties,
                            schouw en bestrijding van muskusratten.</al><al>Met onderhoud wordt bedoeld al het onderhoud en herstel aan de bekleding
                            en het profiel van het dijklichaam dat noodzakelijk is om de stabiliteit
                            van de waterkering te waarborgen (maaien, taludherstel e.d.).</al><al>Medegebruik kan ertoe leiden dat beheer en onderhoud van de kering
                            belemmerd wordt. Het waterschap moet de waterkering regelmatig kunnen
                            inspecteren, kunnen onderzoeken (bijvoorbeeld door uitvoering van
                            grondonderzoek), toetsen en kunnen onderhouden (bijvoorbeeld door het
                            maaien en repareren van de bekleding, ophogen van verzakte delen).
                            Werken en activiteiten op de waterkering kunnen de uitvoering van deze
                            werkzaamheden belemmeren en kunnen voor het waterschap kostenverhogend
                            zijn. Daarom worden ten aanzien van de toegankelijkheid en onderhoud
                            voorwaarden gesteld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>De maatschappelijke functies en particuliere belangen</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>a. Maatschappelijke
                            functies</cursief>Maatschappelijke functies zoals recreatie
                            (wandelen, fietsen), cultuurhistorie en landschap en ecologie dienen bij
                            de toetsing van de vergunningaanvraag tevens in beschouwing te worden
                            genomen, voor zover er geen ander wettelijk voorschrift is dat in de
                            bescherming van deze belangen voorziet. Het verlenen van de vergunning
                            mag niet leiden tot het onaanvaardbaar benadelen van de maatschappelijke
                            functies die van toepassing zijn.</al><al><cursief>b. Particuliere belangen </cursief></al><al>Belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad door het
                            verlenen van een vergunning. Als waterstaatkundige belangen zich op
                            zichzelf niet verzetten tegen de vergunningverlening, moeten
                            particuliere belangen worden gewogen in het licht van de belangen van de
                            aanvrager. </al><al>Indien schade aan derden mogelijk is, wordt aangegeven welke maatregelen
                            worden genomen om schade te verkomen. Schade op het eigen perceel is ter
                            beoordeling van de initiatiefnemer.</al><al><cursief>c. regelgeving en beleid van andere overheden</cursief></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook regelgeving van andere
                            overheden van toepassing zijn, zoals de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (WABO) en de Flora- en Faunawet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Specifieke toetsingscriteria</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Bouwwerken in, op en nabij een waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, tweede lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken
                            te plaatsen of te behouden.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder een bouwwerk wordt verstaan een door menselijk toedoen ontstane of
                            te maken constructie met toebehoren. Dit betreffen niet-waterkerende
                            (semi) permanente bouwwerken, zoals gebouwen of kunstwerken.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuw bouwwerk, en</al></li><li nr="-"><al>wijziging van het huidige bouwwerk, bijvoorbeeld verbouw of
                                    herbouw,</al></li></lijst><al>voor alle waterkeringen, de bijbehorende beschermingszones en profiel
                            van vrije ruimte, die opgenomen zijn in de legger. </al><al>Verbouw of herbouw van een bestaand bouwwerk buiten het bestaande
                            bouwwerk wordt beschouwd als nieuw gebruik.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam, moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit is vrijgesteld. Deze situaties heeft het
                            waterschap opgenomen in algemene regels aanbrengen en vallen niet onder
                            deze beleidsregel.</al><al><cursief>Privaat</cursief><cursief>recht</cursief></al><al>Wanneer een object of bouwwerk wordt aangebracht op onroerende zaken van
                            het waterschap zal het object of bouwwerk door natrekking onderdeel
                            worden van deze onroerende zaak. Het beleid van het waterschap bij
                            natrekking staat aangegeven in het eigendommenbeheerbeleid van het
                            waterschap. </al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en
                            extern transparant te maken op welke manier het waterschap het
                            bouwwerken op waterkeringen beoordeelt. Hierbij staat de veiligheid
                            tegen overstroming van de waterkering voorop. Vanuit die randvoorwaarde
                            maakt het waterschap een belangenafweging. Een basisvoorwaarde voor het
                            instemmen met medegebruik is dat het beheer van de waterkering niet
                            wordt belemmerd door het medegebruik. Met beheer wordt bedoeld alle
                            activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste
                            veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst. Hieronder vallen
                            eventueel benodigde veiligheidstoets, regelmatig terugkerende
                            onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspectie en schouw en bestrijding
                            van muskusratten.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al>Vanuit de maatschappij bestaat de wens om bouwwerken die geen
                            waterkerende functie hebben op waterkeringen te plaatsen. In het
                            verleden zijn al veel niet waterkerende bouwwerken op een waterkering
                            aangebracht. Dat kan gaan om een woning, bedrijfsgebouw,
                            transformatorhuis of een brug. Deze werken moeten goed worden
                            gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de
                            toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud mogen niet
                            worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap
                            leiden.</al><al>Het beheer van de waterkering is gericht op het in stand houden van het
                            vastgestelde profiel zoals omschreven in de Legger. Uitgangspunt is dat
                            dit minimum profiel niet aangetast mag worden. </al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van bouwwerken, omdat
                            niet waterkerende objecten of werkzaamheden nabij een waterkering in
                            beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar
                            kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig
                            kunnen doen toenemen.</al><al><onderstreept>Kans op piping</onderstreept></al><al>Deze kans is aanwezig bij zowel op palen als op staal gefundeerde
                            bebouwing. Door zetting van slappe grondlagen kunnen onder de fundering
                            of funderingsbalken holle ruimten ontstaan, waardoor de kans op
                            uitschuring van gronddeeltjes door stromend grondwater toeneemt. De kans
                            daarop wordt versterkt als de grondopbouw wordt verstoord en/of
                            funderingspalen met een verzwaarde voet worden toegepast (waardoor
                            rondom de palen holle ruimte ontstaat).</al><al><onderstreept>Kans op instabiliteit</onderstreept></al><al>Op staal gefundeerde bouwwerk geeft zijn belasting direct af aan de
                            ondergrond. Deze hogere belasting beïnvloedt de stabiliteit van de
                            waterkering direct; de mate waarin is zonder berekeningen echter
                            moeilijk aan te geven. Wel kan gesteld worden dat bij zwaardere, maar
                            (als gevolg van met name windbelasting) ook bij hogere bouwwerken, de
                            afname van stabiliteit aanzienlijk kan zijn. Een reductie van deze
                            nadelige effecten kan worden verkregen door de bebouwing op voldoende
                            afstand uit de waterkering te plaatsen. Het meest effectief, bij
                            verwachting van instabiliteit als gevolg van hoge windbelasting, is
                            toepassing van een fundering op palen in plaats van een fundering op
                            staal.</al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij
                            overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en
                            het talud nabij bouwwerken toe. Dit effect zal nog worden versterkt door
                            de verwachte toename van menselijke activiteiten, zoals grondbewerking
                            in tuinen. </al><al><onderstreept>Beheer van de kering</onderstreept></al><al>De aanwezigheid van bouwwerken op kruin en/of taluds werken belemmerend
                            op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Controle van de
                            afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijk schade kunnen
                            niet goed worden uitgevoerd. </al><al>Door het met grond ophogen van de waterkering (kruin/binnentalud) nabij
                            bouwwerken neemt de kans op schade aan de waterkering toe, tenzij bij
                            het ontwerp van het bouwwerk en de fundering ervan afdoende op dit
                            risico wordt geanticipeerd. Vaak moet overgestapt worden naar een
                            aangepaste onderhoudsmethode.</al><al>Het op hoogte onderhouden van het grondlichaam onder de bebouwing is
                            uiteraard onmogelijk, zowel bij een fundering op staal als een fundering
                            op palen. Hier mag op den duur geen gevaar voor de waterkering uit
                            voortvloeien.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: </vet><vet>Algemeen</vet></al><al>1.Bouwwerken mogen niet worden gefundeerd op paalkoppen met een
                            verzwaarde voet.</al><al><vet>Specifiek: Bouwwerken </vet><vet>kernzone</vet></al><lijst><li nr="2."><al>Een nieuw bouwwerk is niet toegestaan.</al></li><li nr="3."><al>Verbouw en herbouw moeten binnen het bestaande bouwoppervlak
                                    plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>Het bouwwerk moet buiten het beoordelingsprofiel worden
                                    aangelegd:</al><lijst><li nr="-"><al>Indien het bouwwerk niet buiten het beoordelingsprofiel
                                            kan worden aangebracht, moet een vervangende
                                            waterkerende constructie worden aangelegd. Het ontwerp
                                            moet voldoen aan de vigerende ontwerpvoorwaarden.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Specifiek: Bouwwerken beschermingszone</vet><vet>A</vet></al><al>5.Het bouwwerk moet buiten het beoordelingsprofiel worden aangelegd en
                            er moet met berekeningen worden aangetoond dat het waterkerend vermogen
                            van de waterkering, nu en in de toekomst niet in gevaar komt.</al><al><vet>Specifiek: Bouwwerken profiel van vrije ruimte</vet></al><lijst><li nr="6."><al>Een nieuw bouwwerk is niet toegestaan.</al></li><li nr="7."><al>Verbouw en herbouw moeten binnen het bestaande bouwoppervlak
                                    plaatsvinden.</al></li></lijst><al>Indien het bouwwerk niet buiten het profiel van vrije ruimte kan worden
                            aangebracht, moet een constructie worden aangelegd die zorgt dat het
                            ontwerp voldoet aan de toekomstige waterstanden. Het ontwerp moet
                            voldoen aan de vigerende ontwerpvoorwaarden en er moet met berekeningen
                            worden aangetoond dat het waterkerend vermogen van de waterkering in de
                            toekomst niet in gevaar komt. </al><al><vet>Specifiek: Bouwwerken beschermingszone B</vet></al><al>a.Indien niet wordt voldaan aan de algemene vrijstelling zal moeten
                            worden voldaan aan de criteria onder de algemene toetsingscriteria en
                            onder Specifiek: Algemeen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Beplanting in, op en nabij een waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, derde lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte
                            beplanting aan te brengen dan wel te verwijderen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder beplanting wordt verstaan bomen, heesters, struiken en lage
                            beplanting, uitgezonderd gras dat deel uitmaakt van de erosiebestendige
                            bekleding. </al><al>Onder houtachtige beplanting wordt verstaan beplanting met opgaande
                            stam(men) van hout.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op:</al><lijst><li nr="-"><al>Het aanbrengen van beplanting, en</al></li><li nr="-"><al>Het verwijderen van beplanting,</al></li></lijst><al>in de kernzone, de bijbehorende beschermingszones A en profiel van vrije
                            ruimte, die opgenomen zijn in de legger van het waterschap. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit is vrijgesteld. Deze situaties heeft het
                            waterschap opgenomen in de “algemene regel aanbrengen en verwijderen van
                            beplanting nabij een waterkering““en vallen niet onder deze
                            beleidsregel.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en
                            extern transparant te maken op welke manier het waterschap het
                            aanbrengen en verwijderen van beplanting op waterkeringen beoordeelt.
                            Hierbij staat de veiligheid tegen overstroming van de waterkering
                            voorop. Vanuit die randvoorwaarde maakt het waterschap een
                            belangenafweging. Een basisvoorwaarde voor het instemmen met medegebruik
                            is dat het beheer van de waterkering niet wordt belemmerd door het
                            medegebruik. Met beheer wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn
                            om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en
                            in de toekomst. Hieronder vallen eventueel benodigde veiligheidstoets,
                            regelmatig terugkerende onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspectie
                            en schouw en bestrijding van muskusratten.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al>Vanuit de maatschappij bestaat de wens om beplanting op of nabij een
                            waterkering aan te brengen dan wel te verwijderen. Op de waterkering
                            bestaat beplanting vanuit het verleden. Beplanting moet goed worden
                            gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de
                            toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud mogen niet
                            worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap
                            leiden.</al><al>Het beheer van de waterkering is gericht op het in stand houden van het
                            vastgestelde in stand te houden profiel zoals is omschreven in de
                            Legger</al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>De waterkering dient vrij te zijn van diepwortelende en hoog opgaande
                            beplanting, omdat niet waterkerende objecten of werkzaamheden nabij een
                            waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering
                            in gevaar kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer
                            onevenredig kunnen doen toenemen.</al><al><onderstreept>Kans op instabiliteit</onderstreept></al><al>Als gevolg van het omwaaien van bomen op of in de directe nabijheid van
                            de waterkering, en de daardoor ontstane ontgrondingskuilen kan de
                            stabiliteit van de waterkering verminderen. Door beweging van beplanting
                            kan defrictie ontstaan dit kan een negatief effect hebben op de
                            stabiliteit van de waterkering.</al><al>Afstervende wortels als gevolg van veroudering of na het omhakken van
                            boom of struik veroorzaken holle ruimten waardoor niet controleerbare
                            waterstromingen kunnen ontstaan die ongunstige invloed hebben op de
                            stabiliteit van de waterkering.</al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een
                            vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende
                            waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud
                            gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn
                            tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede, ononderbroken, goed
                            doorwortelde en soortenrijke grasmat waarin geen potentieel storende
                            objecten als bomen, struiken ed. aanwezig zijn.</al><al>Door de aanwezigheid van beplanting komt de grasmat minder tot
                            ontwikkeling als gevolg van schaduwwerking en bladval. De doorworteling
                            vermindert en hierdoor is de grasmat minder bestand tegen erosie.</al><al>Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij
                            overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en
                            het talud nabij beplanting toe. Dit effect zal nog worden versterkt door
                            de verwachte toename van menselijke activiteiten, zoals grondbewerking
                            in tuinen. Het onderhoud van de grasmat zal door aanwezigheid van
                            beplanting bemoeilijkt worden.</al><al><onderstreept>Beheer van de kering</onderstreept></al><al>De aanwezigheid van beplanting anders dan gras op kruin en/of taluds
                            werken belemmerend op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering.
                            Controle van de afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijk
                            schade kunnen niet goed worden uitgevoerd.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: </vet><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="8."><al>Bij verwijdering dient de beplanting volledig te worden gerooid
                                    met inbegrip van de stobben. Hierbij mag niet meer grond worden
                                    vergraven of losgemaakt dan strikt noodzakelijk is.</al></li><li nr="9."><al>Bij verwijdering van beplanting moeten de ontstane gaten gevuld
                                    worden met grond met dezelfde samenstelling als op het
                                    desbetreffende perceel aanwezig en ook de toplaag moet worden
                                    hersteld. </al></li></lijst><al><vet>Specifiek: Beplanting</vet><vet>kernzone</vet></al><lijst><li nr="10."><al>Beplanting wordt niet toegestaan op de kruin en het
                                    buitentalud.</al></li><li nr="11."><al>Beplanting wordt niet toegestaan op het binnentalud tenzij er
                                    sprake is van een overhoogte ten opzichte van het
                                    beoordelingsprofiel, zoals deze in de legger is vastgelegd. Deze
                                    overhoogte dient van zodanige afmetingen te zijn dat bij
                                    ontworteling het beoordelingsprofiel niet aangetast. De
                                    stabiliteit en de erosiebestendigheid van het talud en de kruin
                                    moet gewaarborgd blijven en de beworteling moet buiten het
                                    beoordelingsprofiel van de waterkering blijven.</al></li></lijst><al><vet>Specifiek: Beplanting</vet><vet>beschermingszone A</vet></al><al>12.Beplanting moet vijf meter uit de teen van de dijk worden aangebracht
                            mits er bij ontworteling geen aantasting van het beoordelingsprofiel van
                            de waterkering optreedt en de stabiliteit en de erosiebestendigheid van
                            het talud en de kruin gewaarborgd blijven en de beworteling buiten de
                            kernzone van de waterkering blijft.</al><al><vet>Specifiek: Beplanting</vet><vet> profiel van vrije
                            ruimte</vet></al><lijst><li nr="13."><al>Beplanting wordt niet toegestaan op de kruin en het
                                    buitentalud.</al></li><li nr="14."><al>Beplanting wordt niet toegestaan op het binnentalud tenzij er
                                    sprake is van een overhoogte ten opzichte van het
                                    beoordelingsprofiel, zoals deze in de legger is vastgelegd. Deze
                                    overhoogte dient van zodanige afmetingen te zijn dat bij
                                    ontworteling het beoordelingsprofiel niet aangetast wordt. De
                                    stabiliteit en de erosiebestendigheid van het talud en de kruin
                                    moet gewaarborgd blijven en de beworteling moet buiten het
                                    beoordelingsprofiel van de waterkering blijven.</al></li><li nr="15."><al>Beplanting moet vijf meter uit de teen van de dijk worden
                                    aangebracht mits er bij ontworteling geen aantasting van het
                                    beoordelingsprofiel van de waterkering optreedt en de
                                    stabiliteit en de erosiebestendigheid van het talud en de kruin
                                    gewaarborgd blijven en de beworteling buiten de kernzone van de
                                    waterkering blijft.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Kabels, leidingen en bodemenergiesystemen in en nabij
                            een waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, derde lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken
                            te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</al><al>Hieronder valt het leggen, verwijderen of wijzigen van kabels en/of
                            leidingen en bodemenergiesystemen, inclusief bijbehorende voorzieningen
                            (zoals bijvoorbeeld kwelschermen, appendages voor kathodische
                            bescherming).</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>In het kader van deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen een
                            aantal groepen kabels/leidingen:</al><lijst><li nr="·"><al><onderstreept>Kabel</onderstreept>: alle kabels waaronder
                                    elektriciteits-, signaal- en telecommunicatiekabels, inclusief
                                    bijbehorende voorzieningen. Glasvezelkabels vallen niet onder
                                    kabels omdat deze altijd in een mantelbuis worden gelegd.
                                    Glasvezelkabels worden daarom als kleine leiding beoordeeld.
                                </al></li><li nr="·"><al><onderstreept>Mantelbuis</onderstreept>: een korte drukloze
                                    leidingen ter bescherming van kabels en/of mediumvoerende
                                    leidingen, veelal gelegen onder wegen, op- en afritten,
                                    bouwwerken of beplanting.</al></li><li nr="·"><al><onderstreept>Kleine (druk)leidingen</onderstreept>: een leiding
                                    met een externe diameter tot maximaal 110 millimeter en/of een
                                    maximale druk van 10 bar, inclusief bijbehorende voorzieningen.
                                    Hieronder vallen onder andere huisaansluitingen voor water en
                                    gas, mantelbuizen voor glasvezelkabels en
                                    drainageleidingen.</al></li><li nr="·"><al><onderstreept>Grote (druk)leidingen</onderstreept>: een leiding
                                    met een externe diameter van meer dan 110 millimeter en/of een
                                    druk van meer dan 10 bar, inclusief bijbehorende voorzieningen.
                                    Hieronder vallen onder andere hoofdtransportleidingen. Grote
                                    (druk)leidingen zijn (vaak) kapitaalintensieve objecten. </al></li><li nr="·"><al><onderstreept>Bijbehorende voorzieningen</onderstreept>:
                                    voorzieningen die noodzakelijk vanuit waterkeringtechnische
                                    overwegingen of voor het in goede staat behouden van het kabel-
                                    of leidingnet. Dit zijn bijvoorbeeld kwelschermen, kleikisten,
                                    appendages voor kathodische bescherming, drukregulatiesystemen
                                    en afsluiters.</al></li><li nr="·"><al><onderstreept>Bodemenergiesysteem</onderstreept>: een systeem
                                    waarbij door middel van warmtewisselaars energie (waaronder
                                    warmte) wordt onttrokken aan het (diepe) grondwater.</al></li></lijst><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het leggen, wijzigen of
                            verwijderen van kabels en/of leidingen, inclusief bijbehorende
                            voorzieningen (zoals bijvoorbeeld kwelschermen, appendages voor
                            kathodische bescherming) en plaatsen van bodemenergiesystemen in alle
                            waterkeringen en bijbehorende beschermingszones.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al>In verband met de diepte tot waarop bodemenergiesystemen worden
                            aangelegd beïnvloeden deze systemen ook het diepe grondwater. Daarom is
                            er behalve een watervergunning op basis van de Keur van Waterschap
                            Vallei en Veluwe voor deze de realisatie van bodemenergiesystemen ook
                            een watervergunning in gevolge artikel 6.4 Waterwet vereist. De
                            provincie is hiervoor bevoegd gezag.</al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Voor het realiseren van bouwwerken ten behoeve van het functioneren van
                            het kabel- en/of leidingnet (zoals bijvoorbeeld transformatorstations,
                            pompputten, etc.) is de beleidsregel Bouwwerken op waterkeringen van
                            toepassing.</al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen. </al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit is vrijgesteld. Deze situaties heeft het
                            waterschap opgenomen in de ”algemene regel Kabels en leidingen in, onder
                            en nabij waterkering” en vallen niet onder deze beleidsregel</al><al><cursief>Relatie met normen</cursief></al><al>Voor leidingen in en nabij waterstaatswerken geldt de NEN3650-serie
                            (2012).</al><al><cursief>Privaat</cursief><cursief>recht</cursief></al><al>Wanneer een object of bouwwerk wordt aangebracht op onroerende zaken van
                            het waterschap zal het object of bouwwerk door natrekking onderdeel
                            worden van deze onroerende zaak. Het beleid van het waterschap bij
                            natrekking staat aangegeven in het eigendommenbeheerbeleid van het
                            waterschap. </al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van
                            waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem.
                            Bij het aanbrengen van kabels, leidingen en het realiseren van
                            bodemenergiesystemen in de kern- en beschermingszones van een
                            waterkering is het voornamelijk van belang dat de waterkerende functie
                            van de waterkering is gegarandeerd.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De aanleg en de aanwezigheid van kabels en leidingen kan de waterkerende
                            functie van de waterkering aantasten. Het waterschap is daarom
                            terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen en
                            bodemenergiesystemen binnen de waterkering en de bijbehorende
                            beschermingszones. Het waterschap hanteert de 'nee, tenzij'-benadering
                            bij het toetsen van deze watervergunningsaanvragen.</al><al>Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben
                            voor de stabiliteit van de waterkering. Schade aan de waterkering door
                            verweking of explosie moet worden voorkomen. Door de leidingen die dit
                            effect kunnen veroorzaken buiten de waterkering of beschermingszone A te
                            leggen, wordt instabiliteit voorkomen. Dit laatste geldt ook voor
                            bodemenergiesystemen </al><al><vet>Dijkkruisende kabels en/of leidingen</vet></al><al>Kruisingen van kabels en/of leidingen met de waterkering verdienen
                            aparte aandacht. Een kabel en/of leiding die de waterkering kruist
                            verminderd de weerstand voor grond- en/of kwelwater. Daarom moeten deze
                            kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de
                            waterkering als de kabel en/of leiding) zo klein mogelijk
                            wordt.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: </vet><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het ontwerp, de aanleg en het beheer van leidingen in en nabij
                                    waterkeringen moet uitgevoerd worden zoals in de NEN 3650-serie
                                    (2012) is aangegeven.</al></li><li nr="2."><al>De zogenaamde "rakettechniek", boogzinker, schildboringen is
                                    binnen een kernzone en bijbehorende beschermingszones niet
                                    toegestaan.</al></li><li nr="3."><al>Een leiding of bodemenergiesysteem die niet meer in gebruik is
                                    moet bij voorkeur worden verwijderd. Indien dit niet mogelijk is
                                    moet hij worden gedämmerd.</al></li></lijst><al><vet>Evenwijdig</vet><vet> aan een waterkering gelegen kabels en
                                leidingen</vet></al><lijst><li nr="4."><al>Kabels en leidingen (<onderstreept>&lt;</onderstreept>10 bar en
                                    ø <onderstreept>&lt;</onderstreept> 300mm) moeten gelegd
                                    worden:</al><lijst><li nr="-"><al>buiten de kernzone en bijbehorende beschermingszone A en
                                            profiel van vrije ruimte; </al></li><li nr="-"><al>als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, in
                                            de beschermingszone A op de verst mogelijke afstand van
                                            de teen van de dijk;</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Leidingen (&gt;10 bar en ø &gt;300 mm) moeten gelegd worden
                                    buiten de kernzone en bij behorende beschermingszones tenzij er
                                    sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang en
                                    plaatsgebondenheid dan kan deze worden gelegd in
                                    beschermingszone B mits H³xD<sup>í5</sup>&lt;1.</al></li><li nr="6."><al>Kabels en leidingen mogen niet in het talud van de waterkering
                                    gelegd worden. </al></li><li nr="7."><al>De toepassing van mantelbuizen evenwijdig aan de waterkering
                                    wordt alleen toegestaan als het volgens de NEN 3650-serie (2012)
                                    noodzakelijk is. Deze situaties zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>onder een afrit of zijweg;</al></li><li nr="-"><al>als er sprake is van bundeling van kabels bij
                                            horizontaal gestuurde boring (HDD techniek). </al></li></lijst></li></lijst><al>De mantelbuis moet dan buiten het beoordelingsprofiel gelegd
                            worden.</al><al>8.Als een kabel, leiding of verstoringszone van een leiding binnen het
                            beoordelingsprofiel van een waterkering komt te liggen, moet ter plaatse
                            een vervangende waterkering worden aangelegd. Het ontwerp moet voldoen
                            aan de vigerende ontwerpvoorwaarden.</al><al><vet>Dijkkruisende kabels en leidingen </vet></al><lijst><li nr="9."><al>Kruisingen van kabels en leidingen met waterkeringen moeten de
                                    waterkering haaks kruisen. </al></li><li nr="10."><al>Toepassing van mantelbuizen bij dijkkruisingen zijn in principe
                                    niet toegestaan tenzij een mantelbuis wettelijk is
                                    voorgeschreven en bij glasvezelverbinding. Mantelbuizen moeten
                                    blijvend waterdicht worden afgesloten.</al></li><li nr="11."><al>Dijkkruisende leidingen moeten als een stuk gelegd worden.</al></li><li nr="12."><al>Een leidingkruising moet drukloos gemaakt en afgesloten kunnen
                                    worden en:</al><lijst><li nr="-"><al>In mediumvoerende leidingen moeten daarom afsluiters aan
                                            de binnendijkse en de buitendijkse zijde van de
                                            waterkering geplaatst worden. De afsluiters moeten ook
                                            tijdens hoogwaterperiodes bereikbaar en bedienbaar
                                            zijn.</al></li><li nr="-"><al>Niet mediumvoerende leidingen (zoals mantelbuizen of
                                            buizen voor glasvezelkabels) moeten ter plaatse van het
                                            in- en uittredepunt of ter plaatse van de binnen- en
                                            buitenkruinlijn van de waterkring worden afgedicht met
                                            10 tot 20 centimeter flexibel synthetisch rubber. </al></li></lijst></li><li nr="13."><al>Dijkkruisingen vinden in principe plaats doormiddel van
                                    gestuurde boringen en:</al><lijst><li nr="-"><al>Ter plaatse van de gehele kernzone en bijbehorende
                                            beschermingszone A moet de bovenzijde van kabels en
                                            leidingen een diepte hebben van minimaal 10meter onder
                                            maaiveld. </al></li><li nr="-"><al>Ter plaatse van kruisingen met constructies (zoals
                                            damwanden en kwelschermen) moet de bovenzijde van de
                                            kabels en leidingen ten minste 5 meter onder de
                                            onderzijde van de constructie komen te liggen.</al></li><li nr="-"><al>Ter plaatse van het in en uittredepunt van de HDD moet
                                            een kwelscherm met kleikist worden aangebracht. Het
                                            kwelscherm moet een diameter hebben van ten minste 50
                                            centimeter rondom de buitenzijde van de kabel of
                                            leiding.</al></li><li nr="-"><al>Het in en uittredepunt van de HDD voor leidingen &gt;10
                                            bar en ø &gt;300 mm moet buiten de kernzone en de
                                            bescherminszones liggen, tenzij er sprake is van
                                            zwaarwegend maatschappelijk belang en plaatsgebondenheid
                                            dan kan deze worden gelegd in beschermingszone B op de
                                            verst mogelijke afstand van de teen.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Traditionele dijkkruisingen (open ontgraving/persing)</vet></al><al>14.Ter plaatse van de binnen- en/of buitenkruinlijn moeten kabels en
                            leidingen worden voorzien van een kwelscherm, tenzij de kruising boven
                            het MHW plaatsvindt. Het kwelscherm moet een diameter hebben van ten
                            minste 50 centimeter rondom de buitenzijde van de kabel of leiding.</al><al><vet>Bodemenergiesystemen</vet></al><lijst><li nr="15."><al>De bronnen moeten zo worden gerealiseerd dat inspectie ook bij
                                    hoogwater mogelijk is. </al></li><li nr="16."><al>De boringen voor het bodemenergiesystemen mogen niet in de
                                    kernzone en beschermingszone A gerealiseerd worden.</al></li><li nr="17."><al>De boringen moeten zo ver mogelijk uit de waterkering
                                    plaatsvinden.</al></li><li nr="18."><al>Bij meerdere boringen moet de boorlijn haaks op de waterkering
                                    staan. </al></li><li nr="19."><al>Er moet een boormethode toegepast worden waarbij een
                                    boorspoeling (bijvoorbeeld bentoniet) wordt gebruikt, waarmee
                                    ook in onsamenhangende grond (zand- en grindlagen) de
                                    standzekerheid van de boorgatwand gegarandeerd is. </al></li><li nr="20."><al>De ruimte tussen de boorgatwand en de verticale filterleiding
                                    moet worden opgevuld met een uithardende boorvloeistof, zoals
                                    bentoniet of gelijkwaardig. </al></li><li nr="21."><al>Bij gesloten systemen moet bij voorkeur geen filtergrind worden
                                    gebruikt. Als dit wel wordt gebruikt, mag dit tot maximaal 15,00
                                    meter boven het geluste deel van de buis.</al></li><li nr="22."><al>Bij open systemen mag tot maximaal 3,00 meter boven het
                                    geperforeerde deel van de filterbuis filtergrind worden
                                    gebruikt. </al></li><li nr="23."><al>Als na het boren de mantelbuis blijft staan, moet deze vanaf
                                    maaiveld een lengte van 2,00 meter langer dan de deklaagdikte
                                    hebben, met een minimum van 4,00 meter.</al></li><li nr="24."><al>Rondom de mantelbuis moet een kleikist met kwelscherm worden
                                    aangebracht. Het kwelscherm moet ook een breedte hebben van
                                    minimaal 1,00 meter rondom de mantelbuis. </al></li><li nr="25."><al>In de situatie dat na het boren de mantelbuis wordt gelicht,
                                    moet het resterende boorgat verder worden opgevuld met de
                                    uithardende boorvloeistof. </al></li><li nr="26."><al>In geval van een open systeem moet de aanvrager aantonen dat er
                                    geen gevaar is voor de waterkering door middel van een
                                    3-dimensionaal grondwatermodel waarbij rekening wordt gehouden
                                    met variatie van de dikte van de bodemlagen, doorlaatfactoren en
                                    situering van de onttrekkings- en retourfilters.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Weg- en dijkmeubilair op en nabij een
                            waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, derde lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken
                            aan te brengen dan wel te verwijderen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Wegmeubilair: alle voor het wegbeheer noodzakelijke objecten zoals
                            lichtmasten en verkeersborden.</al><al>Dijkmeubilair: bankjes, informatieborden, vlaggenmasten, lantaarnpalen,
                            afvalbakken, brievenbussen, bewegwijzering, etc. </al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op:</al><lijst><li nr="-"><al>Het aanbrengen van weg- en dijkmeubilair, en</al></li><li nr="-"><al>Het verwijderen van weg- en dijkmeubilair,</al></li></lijst><al>in de kernzone, de bijbehorende beschermingszone A en profiel van vrije
                            ruimte, die opgenomen zijn in de legger van het waterschap. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam, moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit is vrijgesteld. Deze situaties heeft het
                            waterschap opgenomen in de “algemene regel aanbrengen en verwijderen van
                            wegmeubilair op, in en nabij een waterkering“ en vallen niet onder deze
                            beleidsregel.</al><al><cursief>Privaat</cursief><cursief>recht</cursief></al><al>Wanneer een object of bouwwerk wordt aangebracht op onroerende zaken van
                            het waterschap zal het object of bouwwerk door natrekking onderdeel
                            worden van deze onroerende zaak. Het beleid van het waterschap bij
                            natrekking staat aangegeven in het eigendommenbeheerbeleid van het
                            waterschap. </al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en
                            extern transparant te maken op welke manier het waterschap het
                            aanbrengen en verwijderen van weg- en dijkmeubilair op waterkeringen
                            beoordeelt. Hierbij staat de veiligheid tegen overstroming van de
                            waterkering voorop. Vanuit die randvoorwaarde maakt het waterschap een
                            belangenafweging. Een basisvoorwaarde voor het instemmen met medegebruik
                            is dat het beheer van de waterkering niet wordt belemmerd door het
                            medegebruik. Met beheer wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn
                            om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en
                            in de toekomst. Hieronder vallen eventueel benodigde veiligheidstoets,
                            regelmatig terugkerende onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspectie
                            en schouw en bestrijding van muskusratten.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al>Vanuit de maatschappij bestaat de wens om weg- en dijkmeubilair op of
                            nabij een waterkering aan te brengen dan wel te verwijderen. Weg- en
                            dijkmeubilair moet goed worden gereguleerd opdat de veiligheid van de
                            waterkeringen nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer
                            en onderhoud van de waterkering mogen niet worden belemmerd en niet tot
                            onevenredig hoge kosten voor het waterschap leiden.</al><al>Het beheer van de waterkering is gericht op het instandhouden van het
                            vastgestelde – minimum profiel zoals is omschreven in de Legger</al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van werken en objecten
                            omdat niet waterkerende objecten of werkzaamheden nabij een waterkering
                            in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar
                            kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig
                            kunnen doen toenemen.</al><al><onderstreept>Kans op piping</onderstreept></al><al>Deze kans is aanwezig bij palen en dieper dan de afdeklaag gefundeerde
                            objecten. De kans op uitschuring van gronddeeltjes door stromend
                            grondwater neemt toe als de grondopbouw wordt verstoord en/of palen met
                            een verzwaarde voet worden toegepast (waardoor rondom de palen holle
                            ruimte ontstaat).</al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij
                            overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en
                            het talud nabij werken toe. </al><al><onderstreept>Beheer van de kering</onderstreept></al><al>De aanwezigheid van werken op kruin en/of taluds werken belemmerend op
                            de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Controle van de
                            afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijke schade kunnen
                            niet goed worden uitgevoerd. </al><al>Door het met grond ophogen van de waterkering (kruin/binnentalud) nabij
                            werken neemt de kans op schade aan de waterkering toe, tenzij bij het
                            ontwerp van het werk en de fundering ervan afdoende op dit risico wordt
                            geanticipeerd. Om doelmatig beheer en onderhoud aan de waterkering uit
                            te kunnen voeren is het van belang dat objecten niet te dicht op elkaar
                            geplaatst worden. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: a</vet><vet>lgemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Weg- en dijkmeubilair mogen niet worden gefundeerd op paalkoppen
                                    met een verzwaarde voet.</al></li><li nr="2."><al>Gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van weg- en
                                    dijkmeubilair moeten direct volledig worden gevuld met zwelklei
                                    of bentoniet voor een blijvende waterdichte afdichting. </al></li></lijst><al><vet>Specifiek: weg- en dijkmeubilair
                                in</vet><vet>kernzone</vet></al><lijst><li nr="3."><al>Aangetoond dient te worden dat het weg- of dijkmeubilair
                                    logischerwijs niet buiten de kernzone kan worden geplaatst.</al></li><li nr="4."><al>Weg- en dijkmeubilair wordt niet toegestaan op het buitentalud
                                    en op de kruin, binnen 1 meter van de buitenkruinlijn.</al></li><li nr="5."><al>Weg- of dijkmeubilair wordt niet toegestaan op het binnentalud
                                    tot 1 meter buiten de teen van de dijk, tenzij er sprake is van
                                    een overhoogte ten opzichte van het leggerprofiel, zoals deze in
                                    de legger is vastgelegd. </al></li><li nr="6."><al>Weg- of dijkmeubilair meer dan 1 meter buiten de teen van de
                                    dijk moet voldoen aan de algemene toetsingscriteria.</al></li><li nr="7."><al>Bij verwijderen van weg- of dijkmeubilair mogen geen kale
                                    plekken achterblijven en moet een door het waterschap
                                    voorgeschreven bekleding worden aangebracht </al></li><li nr="8."><al>Voor het funderen van het dijk- en weg meubilair mogen alleen
                                    gladde palen worden gebruikt.</al></li><li nr="9."><al>Bij ontgraving voor de verankering van het weg- en
                                    dijkmeubilair, moet minimaal 0,20 meter kleidekking worden
                                    aangebracht.</al></li><li nr="10."><al>De verankering of aangebrachte verbrede paalvoet mag niet dieper
                                    dan de afdeklaag worden aangebracht.</al></li></lijst><al><vet>Specifiek: weg- en dijkmeubilair in beschermingszone
                                </vet><vet>A</vet></al><lijst><li nr="11."><al>Het weg- en dijkmeubilair moet buiten het beoordelingsprofiel
                                    worden aangelegd.</al></li><li nr="12."><al>Indien het weg- en dijkmeubilair niet buiten het
                                    beoordelingsprofiel kan worden aangebracht, moet met
                                    berekeningen worden aangetoond dat het waterkerend vermogen van
                                    de waterkering, nu en in de toekomst niet in gevaar komt.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Aanleg en onderhoud van wegen in, op en nabij een
                            waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, derde lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken
                            te plaatsen of te behouden.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder een weg wordt verstaan een voor het verkeer geschikt gemaakte
                            strook grond. Hieronder vallen onverharde wegen, gesloten verhardingen
                            en open verhardingen. </al><al>Onverharde wegen zijn aangelegd zonder wegcunet (zoals wandelpaden,
                            zandwegen of schelpenpaden). Gesloten verhardingen zijn opgebouwd uit
                            een materiaal dat na het aanbrengen een solide geheel vormt en niet meer
                            op te delen is, zoals asfalt en beton. Bij open verhardingen bestaat het
                            wegdek uit losse elementen, zoals klinkers, stelconplaten of
                            tegels.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen of onderhouden van
                            een weg op de waterkering, de bijbehorende beschermingszones A en het
                            profiel van vrije ruimte.</al><al>De beleidsregel is niet bedoeld om de wegen die voor de inwerkingtreding
                            van deze beleidsregel aanwezig waren, te legaliseren.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen. </al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit niet vergunningplichtig is. Deze situaties
                            heeft het waterschap opgenomen in algemene regels en vallen niet onder
                            deze beleidsregel.</al><al><cursief>Privaat</cursief><cursief>recht</cursief></al><al>Wanneer een object of bouwwerk wordt aangebracht op onroerende zaken van
                            het waterschap zal het object of bouwwerk door natrekking onderdeel
                            worden van deze onroerende zaak. Het beleid van het waterschap bij
                            natrekking staat aangegeven in het eigendommenbeheerbeleid van het
                            waterschap. </al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en
                            extern transparant te maken op welke manier het waterschap wegen en het
                            onderhouden van wegen op waterkeringen beoordeeld. Hierbij staat de
                            veiligheid tegen overstroming van de waterkering voorop. Vanuit die
                            randvoorwaarde maakt het waterschap een belangenafweging. Een
                            basisvoorwaarde voor het instemmen met gebruik is dat het beheer van de
                            waterkering niet wordt belemmerd door het gebruik. Met beheer wordt
                            bedoeld alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het
                            vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst. Hieronder
                            vallen eventueel benodigde veiligheidstoets, regelmatig terugkerende
                            onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspectie en schouw en bestrijding
                            van muskusratten.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al>Vanuit de maatschappij bestaat de wens om wegen die geen waterkerende
                            functie hebben op waterkeringen te plaatsen. In het verleden zijn al
                            veel wegen op een waterkering aangebracht. Deze werken moeten goed
                            worden gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de
                            toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud van de
                            waterkering mogen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge
                            kosten voor het waterschap leiden.</al><al>Het beheer van de waterkering is gericht op het instandhouden van het
                            vastgestelde profiel zoals omschreven in de Legger. Uitgangspunt is dat
                            dit legger profiel niet aangetast mag worden.</al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van wegen, omdat wegen
                            op of nabij een waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en
                            beheer van de kering in gevaar kunnen brengen, belemmeren of de kosten
                            van het beheer onevenredig kunnen doen toenemen.</al><al><onderstreept>Kans op kwel</onderstreept></al><al>Bij (half)verharde wegen op waterkeringen bestaat het gevaar dat door
                            het zakken van de relatief poreuze funderingsconstructie van de
                            verharding (veelal zand bij open bestrating en gebroken puin of slakken
                            (een restproduct van de hoogovens) bij een gesloten verharding) de
                            doorlatendheid van de waterkering toeneemt. Dit effect kan bij een
                            starre wegconstructie op de relatief slappe ondergrond nog worden
                            versterkt door het ontstaan van onderloopsheid van die constructie.</al><al><onderstreept>Kans op instabiliteit</onderstreept></al><al>De verkeersbelasting op wegen op waterkeringen kan de stabiliteit van de
                            waterkering in negatieve zin beïnvloeden. </al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Met name het met (vracht)auto’s berijden van de waterkering brengt een
                            vergrote kans op beschadiging van de grasmat direct naast de verharding
                            met zich mee. Kwetsbare plekken zijn met name de bermen en de op- en
                            afritten. De erosiebestendigheid van de bekleding zal daardoor
                            afnemen.</al><al><onderstreept>Beheer van de kering</onderstreept></al><al>De aanwezigheid van wegen op kruin en/of taluds werkt belemmerend op de
                            mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Controle van de afmetingen
                            van de waterkering en inspectie op mogelijk schade kunnen niet goed
                            worden uitgevoerd. Daarnaast bestaat er een wisselwerking tussen de
                            belasting door de weg en verzakking van een waterkering, waarbij de
                            onderhoudskosten toenemen.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: Wegen in kernzone, profiel van vrije ruimte en
                                beschermingszone A </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een weg moet op een zodanige wijze worden aangebracht dat er een
                                    functiescheiding tussen wegfunctie en waterkerende functie wordt
                                    gerealiseerd door:</al><lijst><li nr="a."><al>het gehele wegpakket inclusief fundering op de
                                            waterkering buiten het beoordelingsprofiel aan te
                                            leggen. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de
                                            te verwachten zettingen voor primaire keringen 100 jaar,
                                            voor regionale keringen 50 jaar en voor overige keringen
                                            10 jaar. Deze benodigde hoogte en breedte van de
                                            waterkering is het profiel van vrije ruimte, zoals
                                            opgenomen in de legger; of</al></li><li nr="b."><al>door bij aanleg binnen het beoordelingsprofiel te zorgen
                                            voor een vervangende waterkerende constructie (grond,
                                            damwand, etc.). Het ontwerp daarvan moet voldoen aan de
                                            vigerende ontwerpvoorwaarden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De wegverharding moet gerealiseerd worden als gesloten
                                    verharding met asfaltbekleding of aaneengesloten
                                    elementverharding. </al></li><li nr="3."><al>De wegverharding en onderliggende fundering moet de
                                    verkeersbelasting voldoende spreiden naar het onderliggende
                                    dijklichaam.</al></li><li nr="4."><al>Het gebruik van grof (ongebroken) puin als verharding of
                                    fundering is niet toegestaan omdat dit steeds verder het
                                    dijklichaam kan binnentreden waardoor het afsluitende kleidek
                                    wordt geperforeerd.</al></li><li nr="5."><al>Met stabiliteits- en zettingsberekeningen moet aangetoond worden
                                    dat een weg het waterkerend vermogen niet in gevaar brengt:</al><lijst><li nr="a."><al>in de aanlegfase;</al></li><li nr="b."><al>en in de gebruiksfase inclusief verkeersbelasting;</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>De afwatering van de verharding mag geen negatieve gevolgen
                                    hebben op de erosiebestendigheid en stabiliteit van de
                                    waterkering.</al></li><li nr="7."><al>Bermen dienen voldoende beschermd te worden tegen uitwijkend
                                    verkeer. Wegen smaller dan 5m moeten aan beide zijden voorzien
                                    zijn van betonnen grastegels, van 0,40 m breed, die een goede
                                    ontwikkeling van de grasmat het minst belemmeren </al></li><li nr="8."><al>Het beheer van de weg ligt niet bij het waterschap. Dit is in de
                                    legger voor waterkeringen opgenomen. Indien nodig wordt de weg
                                    privaatrechtelijk gescheiden van de waterkering d.m.v. bijv. een
                                    opstalrecht. </al></li></lijst><al><vet>Specifiek: Onderhoud aan bestaande wegen</vet></al><lijst><li nr="9."><al>Het verbeteren, aanpassen of vervangen van een bestaande weg
                                    wordt gelijkgesteld aan het aanleggen van een nieuwe weg. Daarom
                                    moet voldaan worden aan de criteria onder “Specifiek: Wegen in
                                    kernzone, profiel van vrije ruimte en beschermingszone A”.</al></li><li nr="10."><al>Bij onderhoud aan wegen mag de waterkering niet beroerd worden.
                                    Wanneer de onderhoudswerkzaamheden beschadiging van de
                                    waterkering tot gevolgd hebben dienen deze direct te worden
                                    hersteld. De aansluitende kleilaag en de grasbekleding naast de
                                    weg dienen volledig hersteld te worden.</al></li><li nr="11."><al>Indien geen functiescheiding van toepassing is conform de eerste
                                    criteria uit “Specifiek: Wegen in kernzone, profiel van vrije
                                    ruimte en beschermingszone A”,is een maximale verstoring van de
                                    wegconstructie tot aan het MHW toelaatbaar. Een diepere
                                    verstoring wordt alleen toegestaan als er een kleikist wordt
                                    aangebracht. De kleikist moet:</al><lijst><li nr="a."><al>minimaal 0,50 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>aan de waterzijde van de weg gelegen zijn;</al></li><li nr="c."><al>zo diep worden aangelegd dat wordt aangesloten op een
                                            slecht doorlatende ondergrond;</al></li><li nr="d."><al>evenals de bovenkant van de weg, op voldoende kerende
                                            hoogte komen te liggen.</al></li></lijst></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="97*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="3*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Beleidsregel Op- en afritten op en nabij een
                                                waterkering</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden
                                                zonder watervergunning van het bestuur gebruik te
                                                maken van een waterstaatswerk of bijbehorende
                                                beschermingszones door, anders dan in
                                                overeenstemming met de functie daarin, daarop,
                                                daarboven, daarover of daaronder handelingen te
                                                verrichten, werken te behouden of vaste substanties
                                                of voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, derde lid is het verboden
                                                zonder watervergunning van het bestuur in het
                                                profiel van vrije ruimte werken te plaatsen of te
                                                behouden.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder een op- en afrit wordt verstaan een, ten
                                                behoeve van de ontsluiting van een perceel op de
                                                openbare weg, aangelegde op- en afrit.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen
                                                of onderhouden van op- of afritten op de
                                                waterkering, de bijbehorende beschermingszones A die
                                                opgenomen zijn in de legger van het waterschap.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en
                                                  regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook
                                                andere regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij
                                                bijvoorbeeld aan de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet.
                                                Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer
                                                naast de watervergunning op grond van deze
                                                regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen
                                                dan wel een melding moeten doen bij het
                                                desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                                toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en
                                                voor dat aspect geen specifieke toetsingscriteria
                                                zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Deze beleidsregel heeft een directe relatie met de
                                                beleidsregels voor wegen en verhardingen. </al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid
                                                van een oppervlaktewaterlichaam moet rekening worden
                                                gehouden met de desbetreffende beleidsregel(s) voor
                                                oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden
                                                wordt uitgevoerd, kan het zijn dat deze activiteit
                                                niet vergunningplichtig is. Deze situaties heeft het
                                                waterschap opgenomen in algemene regels en vallen
                                                niet onder deze beleidsregel.</al><al><cursief>Samenloopregeling</cursief></al><al>In de Waterwet is een samenloopregeling opgenomen
                                                voor situaties waarbij meerdere bevoegd gezagen
                                                betrokken zijn bij de besluitvorming. Voor
                                                handelingen in of nabij de buitendijksezijde van de
                                                waterkering is in veel gevallen ook een
                                                watervergunning van Rijkswaterstaat nodig. Hierbij
                                                is de samenloopregeling van toepassing. </al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle
                                                betrokkenen intern en extern transparant te maken op
                                                welke manier het waterschap op- en afritten op
                                                waterkeringen beoordeelt. Hierbij staat de
                                                veiligheid tegen overstroming van de waterkering
                                                voorop. Vanuit die randvoorwaarde maakt het
                                                waterschap een belangenafweging. Een basisvoorwaarde
                                                voor het instemmen met gebruik is dat het beheer van
                                                de waterkering niet wordt belemmerd door het
                                                gebruik. Met beheer wordt bedoeld alle activiteiten
                                                die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste
                                                veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst.
                                                Hieronder vallen eventueel benodigde
                                                veiligheidstoets, regelmatig terugkerende
                                                onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspectie en
                                                schouw en bestrijding van muskusratten.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al>Op- en afritten, dienen in het algemeen voor de
                                                bereikbaarheid van woningen, alleenstaande
                                                boerderijen en bedrijven en de toegang tot
                                                landbouwgronden en natuurgebieden. Bovendien is de
                                                waterkering ten behoeve van het uitvoeren van
                                                doelmatig beheer en onderhoud en inspecties,
                                                voorzien van inspectiewegen, paden, op- en afritten. </al><al>Deze op- en afritten moeten goed worden gereguleerd
                                                opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de
                                                toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en
                                                onderhoud mogen niet worden belemmerd en niet tot
                                                onevenredig hoge kosten voor het waterschap
                                                leiden.</al><al>Het beheer van de waterkering is gericht op het
                                                instandhouden van het vastgestelde leggerprofiel
                                                zoals is vastgesteld in de Legger. Uitgangspunt is
                                                dat dit profiel en de stabiliteit niet aangetast
                                                mogen worden.</al><al>Op- en afritten kunnen door hun aanwezigheid en het
                                                transport hierover invloed hebben op de stabiliteit
                                                van de waterkering. Bovendien zorgen op- en afritten
                                                voor een vergroting van het dijklichaam, wat aan de
                                                ene kant extra stabiliteit betekent, maar aan de
                                                andere kant extra belasting voor het bestaande
                                                dijklichaam oplevert. Bovendien kan door de
                                                toegankelijkheid van verkeer een aanzienlijke
                                                verkeersbelasting ontstaan. Trillingen door verkeer
                                                kunnen bij met water verzadigde waterkeringen leiden
                                                tot verweking. De fundering en verharding van een
                                                op- en afrit mogen geen nadelige invloed hebben op
                                                de dijkbekleding.</al><al>Op- en afritten kunnen buitendijks door de vorm van
                                                aansluiten op de waterkering de stroming van de
                                                rivier beïnvloeden. Dit veroorzaakt snellere
                                                waterstroming bij de waterkering of juist
                                                verzameling van drijfvuil. Dit kan negatieve
                                                gevolgen hebben voor de erosiebestendigheid.</al><al>Op- en afritten worden veelal voorzien van een
                                                verharding. Deze verharding en de aansluiting van
                                                deze verharding op de bestaande weg vraagt extra
                                                aandacht.</al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn
                                                van op- en afritten omdat op- en afritten op een
                                                waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en
                                                beheer van de kering in gevaar kunnen brengen,
                                                belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig
                                                kunnen doen toenemen.</al><al><onderstreept>Kans op kwel</onderstreept></al><al>Bij op- en afritten op waterkeringen bestaat het
                                                gevaar dat de doorlatendheid van de waterkering
                                                toeneemt door het zakken van de relatief poreuze
                                                funderingsconstructie van de op- en afritten. Die
                                                fundering bestaat namelijk veelal uit zand bij open
                                                bestrating en bestaat uit gebroken puin of slakken
                                                (een restproduct van de hoogovens) bij een gesloten
                                                verharding. Dit effect kan bij een starre
                                                funderingsconstructie op de relatief slappe
                                                ondergrond nog worden versterkt door het ontstaan
                                                van onderloopsheid van die constructie.</al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Een goede bekleding dient om erosie te voorkomen.
                                                Een steen bekleding eist voldoende gewicht, een
                                                laagopbouw die uitspoeling van materiaal voorkomt en
                                                een goede aanaarding. Vooral dit laatste verdient
                                                aandacht bij op- en afritten. Het berijden van de
                                                waterkering en de op- en afrit met auto’s en zware
                                                voertuigen brengt een vergrote kans op beschadiging
                                                van de aansluitende grasmat. Vooral de bermen bij
                                                op- en afritten zijn kwetsbaar.</al><al><onderstreept>Profiel van vrije
                                                  ruimte</onderstreept></al><al>Bij toekomstige aanpassingen van de waterkering
                                                moeten extra kosten voorkomen worden voor een hogere
                                                dus langere op- en afrit. Daarom worden eisen
                                                gesteld aan de hellingshoek waaronder de op- en
                                                afrit ligt. Een flauwere hellingshoek bij aanleg
                                                geeft de mogelijkheid tot toekomstige
                                                verhoging.</al><al><onderstreept>Beheer van de
                                                kering</onderstreept></al><al>De aanwezigheid van een op- en afrit kan een
                                                obstakel voor een doelmatig beheer en onderhoud
                                                vormen. Bestaande beweidingsvakken kunnen door op-
                                                en afritten opgedeeld worden, hetgeen niet wenselijk
                                                is. In maaivakken zal de maaimachine voor ieder
                                                obstakel moeten wijken en moet handwerk uitgevoerd
                                                worden.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: Algemeen</vet></al><al>1.Voor de noodzakelijke ontsluiting van een perceel
                                                wordt vergunning verleend voor een op- of afrit
                                                waarbij wordt uitgegaan van maximaal één afrit per
                                                perceel. In bijzondere gevallen kunnen twee afritten
                                                worden toegestaan (bijv. bij percelen die over een
                                                lengte van meer dan 250 meter grenzen aan een
                                                waterkering). Bovendien geldt dat als redelijkerwijs
                                                gebruik gemaakt kan worden van bestaande op- en
                                                afritten, al dan niet met een kleine aanpassing
                                                daarvan, geen vergunning verleend zal worden voor
                                                nieuwe ontsluitingen.</al><al>2.Bij splitsing van percelen moet de bestaande
                                                ontsluiting gehandhaafd blijven en moet deze voor de
                                                opgesplitste delen van het perceel als ontsluiting
                                                blijven dienen, tenzij hiervan redelijkerwijs geen
                                                gebruik kan worden gemaakt. </al><al><vet>Specifiek: Op- en afritten in
                                                kernzone</vet></al><al>3.De op- en afritten mogen het onderhoud van de
                                                waterkering niet onevenredig belemmeren.</al><al>4.De op- en afritten moeten buiten het leggerprofiel
                                                van de waterkering aangelegd worden en mogen de
                                                stabiliteit niet negatief beïnvloeden. Voor een
                                                goede aansluiting van materialen tussen bestaande
                                                verharding en nieuwe op- en afritten wordt voor
                                                tijdelijke werkzaamheden in het
                                                instandhoudingsprofiel vergunning verleend. De
                                                bekleding van de dijken mag niet worden aangetast
                                                door de nieuwe op- en afritten.</al><al>5.In gebieden waar door de aanleg van een op- en
                                                afrit grote zettingen verwacht worden, zal de
                                                initiatiefnemer door middel van berekeningen aan
                                                moeten tonen dat de aanleg geen nadelige gevolgen
                                                heeft of kan veroorzaken op de waterkering en
                                                bijbehorende of inliggende voorzieningen (bijv.
                                                kabels en leidingen) en/of belendende percelen. </al><al>6.De wegverharding en onderliggende fundering op de
                                                op- en afrit moet de verkeersbelasting voldoende
                                                spreiden naar het onderliggende grondlichaam en mag
                                                geen negatieve invloed hebben op de constructie en
                                                functie van de waterkering.</al><al>7.De verharding moet op een zandbed worden
                                                aangelegd. Onder het zandbed moet grondkerend doek
                                                worden aangebracht. De verharding moet goed
                                                aangeaard en rondom ingezaaid worden.</al><al>8.De verharding inclusief fundering moet op de
                                                kleibekleding worden aangebracht.</al><al>9.Als de op- en afritten in de waterkering worden
                                                aangelegd moet de constructie zodanig opgebouwd zijn
                                                dat deze geen schade ondervindt als deze bereden
                                                wordt door het gangbaar onderhoudsmaterieel van of
                                                namens het waterschap. </al><al>10.De breedte, talud helling, bekleding en
                                                samenstelling van de op- en afritten dienen in
                                                overeenstemming te zijn met de bestemming daarvan.
                                                Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten
                                                op taluds van de waterkering. Het ontwerp is ter
                                                beoordeling door het waterschap. </al><al>11.De verharding op de op- en afrit dient goed aan
                                                te sluiten op de bestaande verharding op de
                                                waterkering. Daarbij dient de berm op de kruin van
                                                de waterkering beschermd te worden tegen uitwijkend
                                                verkeer. Wegen smaller dan 5m moeten aan beide
                                                zijden voorzien zijn van grasbeton tegels, van 0,40
                                                m breed, die een goede ontwikkeling van de grasmat
                                                het minst belemmeren</al><al>12.Voor op- en afritten op het buitentalud wordt in
                                                principe geen vergunning verleend, tenzij de
                                                verkeersveiligheid dit nadrukkelijk vereist. </al><al><vet>Specifiek: Onderhoud aan (bestaande) op- en
                                                  afritten</vet></al><al>13.De eigenaar van het te ontsluiten perceel en/of
                                                aangebrachte voorzieningen draagt op zijn kosten
                                                zorg voor het onderhoud van de op- of afrit en
                                                voorzieningen. </al><al>14.Voor het verbeteren, aanpassen of vervangen van
                                                een bestaande op- en afrit gelden dezelfde criteria
                                                als voor nieuw aan te leggen op- en afritten.</al><al><vet>Specifiek: op- en afritten in profiel van vrije
                                                  ruimte</vet></al><al>15.Met het ontwerp van de op- en afritten dient
                                                rekening te worden gehouden met een toekomstige
                                                verhoging van de waterkering.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="97*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="3*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Beleidsregel Verhardingen (exclusief wegen en op- en
                                                afritten) in, op en nabij een waterkering</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden
                                                zonder watervergunning van het bestuur gebruik te
                                                maken van een waterstaatswerk of bijbehorende
                                                beschermingszones door, anders dan in
                                                overeenstemming met de functie daarin, daarop,
                                                daarboven, daarover of daaronder handelingen te
                                                verrichten, werken te behouden of vaste substanties
                                                of voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder verharding wordt verstaan een (dijk)bekleding
                                                van stenen, (beton)tegels, schelpen in klei, asfalt
                                                (niet bedoeld voor de openbare weg) en andere
                                                elementenverharding of vlakke afdekconstructies,
                                                zoals stelcomplaten, gestort beton, (houten)
                                                vlonders. Ook een taludtrap en een veerooster vallen
                                                onder dit begrip.</al><al>Onder een pad wordt verstaan, een maximaal 1 meter
                                                brede verharding, die niet bedoeld is als
                                                hoofdontsluiting van een perceel. </al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen
                                                of onderhouden van verharding in de waterkering en
                                                de bijbehorende beschermingszones A die opgenomen
                                                zijn in de legger van het waterschap.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en
                                                  regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook
                                                andere regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij
                                                bijvoorbeeld aan de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet.
                                                Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer
                                                naast de watervergunning op grond van deze
                                                regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen
                                                dan wel een melding moeten doen bij het
                                                desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                                toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en
                                                voor dat aspect geen specifieke toetsingscriteria
                                                zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid
                                                van een oppervlaktewaterlichaam moet rekening worden
                                                gehouden met de desbetreffende beleidsregel(s) voor
                                                oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden
                                                wordt uitgevoerd, kan het zijn dat deze activiteit
                                                niet vergunningplichtig is. Deze situaties heeft het
                                                waterschap opgenomen in algemene regels en vallen
                                                niet onder deze beleidsregel.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle
                                                betrokkenen intern en extern transparant te maken op
                                                welke manier het waterschap verhardingen en
                                                bestrating op waterkeringen beoordeeld. Hierbij
                                                staat de veiligheid tegen overstroming van de
                                                waterkering voorop. Vanuit die randvoorwaarde maakt
                                                het waterschap een belangenafweging. Een
                                                basisvoorwaarde voor het instemmen met gebruik is
                                                dat het beheer van de waterkering niet wordt
                                                belemmerd door het gebruik. Met beheer wordt bedoeld
                                                alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen
                                                op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en
                                                in de toekomst. Hieronder vallen eventueel benodigde
                                                veiligheidstoets, regelmatig terugkerende
                                                onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspectie en
                                                schouw en bestrijding van muskusratten.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al>Vanuit de maatschappij bestaat de wens om
                                                verhardingen die geen waterkerende functie hebben op
                                                waterkeringen te plaatsen. In het verleden zijn al
                                                veel verhardingen op een waterkering aangebracht.
                                                Deze werken moeten goed worden gereguleerd opdat de
                                                veiligheid van de waterkeringen nu en in de toekomst
                                                niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud
                                                mogen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig
                                                hoge kosten voor het waterschap leiden.</al><al>Het beheer van de waterkering is gericht op het
                                                instandhouden van het leggerprofiel zoals omschreven
                                                in de Legger. Uitgangspunt is dat dit minimum
                                                profiel niet aangetast mag worden.</al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn
                                                van verhardingen omdat verhardingen op een
                                                waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en
                                                beheer van de kering in gevaar kunnen brengen,
                                                belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig
                                                kunnen doen toenemen.</al><al><onderstreept>Kans op kwel</onderstreept></al><al>Bij verhardingen op waterkeringen bestaat het gevaar
                                                dat de doorlatendheid van de waterkering toeneemt
                                                door het zakken van de relatief poreuze
                                                funderingsconstructie van de verharding. Die
                                                fundering bestaat namelijk veelal uit zand bij open
                                                bestrating en bestaat uit gebroken puin of slakken
                                                (een restproduct van de hoogovens) bij een gesloten
                                                verharding.</al><al>Dit effect kan bij een starre funderingsconstructie
                                                op de relatief slappe ondergrond nog worden
                                                versterkt door het ontstaan van onderloopsheid van
                                                die constructie.</al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Een goede bekleding dient om erosie te voorkomen.
                                                Een steenbekleding eist voldoende gewicht, een
                                                laagopbouw die uitspoeling van materiaal voorkomt en
                                                een goede aanaarding. Met name dit laatste verdient
                                                aandacht bij verhardingen. </al><al><onderstreept>Beheer van de
                                                kering</onderstreept></al><al>De aanwezigheid van verhardingen op kruin en/of
                                                taluds werken belemmerend op de mogelijkheden tot
                                                beheer van de waterkering. Controle van de
                                                afmetingen van de waterkering en inspectie op
                                                mogelijk schade kunnen niet goed worden uitgevoerd. </al><al>In geval van verzakkingen zijn de onderhoudskosten
                                                hoog. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: Verhardingen in
                                                kernzone</vet></al><al>1.Er mag geen verharding worden aangebracht op:</al><al>-de kruin; </al><al>-het buitentalud;</al><al>- het binnentalud, tenzij er sprake is van zowel een
                                                overhoogte als een horizontaal vlak en bestaande
                                                bebouwing</al><al>2.Er mag geen pad op de kruin van de waterkering en
                                                op het buitentalud worden aangebracht, tenzij het is
                                                om binnen- en buitendijkse percelen die in elkaars
                                                verlengde liggen van dezelfde eigenaar/gebruiker met
                                                elkaar te verbinden en alleen bij bestaande
                                                bebouwing.</al><al>3.De maximale breedte van een pad is 1 meter.</al><al>4.Er mag geen holle ruimte onder de verharding
                                                aanwezig zijn.</al><al>5.De verharding moet op een zandbed worden
                                                aangelegd. Onder het zandbed moet grondkerend doek
                                                worden aangebracht. De verharding moet goed met klei
                                                aangeaard en rondom ingezaaid worden.</al><al>6.De verharding inclusief fundering moet op de
                                                kleibekleding worden aangebracht.</al><al>7.Er mag geen ontgraving plaatsvinden.</al><al>8.Een verharding moet op een zodanige wijze worden
                                                aangebracht dat het geen belemmering vormt voor het
                                                onderhoud van de waterkering door waterschap en dat
                                                de verharding geen schade ondervindt als deze
                                                bereden wordt door het gangbaar onderhoudsmaterieel
                                                van of namens het waterschap. </al><al><vet>Specifiek: Verhardingen in Beschermingszone
                                                  A</vet></al><al>9. Er mag geen holle ruimte onder de verharding
                                                aanwezig zijn.</al><al>10.De verharding moet op een zandbed worden
                                                aangelegd. Onder het zandbed moet grondkerend doek
                                                worden aangebracht. De verharding moet goed
                                                aangeaard en rondom ingezaaid worden.</al><al><vet>Specifiek: Onderhoud aan bestaande
                                                  verhardingen</vet></al><al>11.Voor het verbeteren, aanpassen of vervangen van
                                                een bestaande verharding moet voldaan worden aan de
                                                criteria onder “Specifiek Verhardingen in kernzone”
                                                danwel “Specifiek Verhardingen in beschermingszone
                                                A” .</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Erfscheiding (niet zijnde beplanting) in, op en nabij
                            een waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, derde lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken
                            te plaatsen of te behouden.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder een erfscheiding wordt verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>Afrastering: in de grond geplaatste palen met een onderlinge
                                    afstand van minimaal 3 meter met daartussen prikkeldraad,
                                    staaldraad of schrikdraad;</al></li><li nr="-"><al>Hek: in de grond geplaatste palen met daartussen een frame van
                                    spijlen of gaas;</al></li><li nr="-"><al>Schuttingen: afscheiding bestaat veelal uit in de grond
                                    geplaatste palen met daartussen een gesloten scherm van hout,
                                    beton of andersoortige materialen. </al></li></lijst><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op:</al><lijst><li nr="-"><al>Nieuwe erfscheiding, en</al></li><li nr="-"><al>wijziging of vervanging van erfscheiding, en</al></li><li nr="-"><al>op verwijdering van erfscheiding,</al></li></lijst><al>voor alle waterkeringen en de bijbehorende beschermingszones A. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen. </al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit niet vergunningplichtig is. Deze situaties
                            heeft het waterschap opgenomen in de algemene regel aanbrengen en
                            verwijderen van afrasteringen op of nabij een waterkering. </al><al><cursief>Privaat</cursief><cursief>recht</cursief></al><al>Wanneer een object of bouwwerk wordt aangebracht op onroerende zaken van
                            het waterschap zal het object of bouwwerk door natrekking onderdeel
                            worden van deze onroerende zaak. Het beleid van het waterschap bij
                            natrekking staat aangegeven in het eigendommenbeheerbeleid van het
                            waterschap. </al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en
                            extern transparant te maken op welke manier het waterschap
                            erfscheidingen op of nabij waterkeringen beoordeelt. Hierbij staat de
                            veiligheid tegen overstroming van de waterkering voorop. Vanuit die
                            randvoorwaarde maakt het waterschap een belangenafweging. Een
                            basisvoorwaarde voor het instemmen met medegebruik is dat het beheer van
                            de waterkering niet wordt belemmerd door het medegebruik. Met beheer
                            wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op
                            het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst.
                            Hieronder vallen eventueel benodigde veiligheidstoets, regelmatig
                            terugkerende onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspectie en schouw en
                            bestrijding van muskusratten.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al>Bij aanwonenden bestaat de wens om erfscheidingen op waterkeringen en in
                            de beschermingszone te plaatsen. In het verleden zijn al veel
                            erfscheidingen op een waterkering aangebracht. Deze werken moeten goed
                            worden gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de
                            toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud van de
                            waterkering mogen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge
                            kosten voor het waterschap leiden.</al><al>Het beheer van de waterkering is gericht op het in stand houden van het
                            vastgestelde profiel zoals omschreven in de Legger. Uitgangspunt is dat
                            dit minimum profiel niet aangetast mag worden. </al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van werken omdat niet
                            waterkerende objecten of werkzaamheden in of nabij een waterkering in
                            beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar
                            kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig
                            kunnen doen toenemen.</al><al><onderstreept>Kans op piping</onderstreept></al><al>Deze kans is aanwezig bij het aanbrengen van palen. Door zetting van
                            slappe grondlagen kunnen onder de fundering of funderingsbalken holle
                            ruimten ontstaan, waardoor de kans op uitschuring van gronddeeltjes door
                            stromend grondwater toeneemt. De kans daarop wordt versterkt als de
                            grondopbouw wordt verstoord en/of funderingspalen met een verzwaarde
                            voet worden toegepast (waardoor rondom de palen holle ruimte
                            ontstaat).</al><al><onderstreept>Kans op instabiliteit</onderstreept></al><al>Het aanbrengen en verwijderen van palen kan de stabiliteit van de
                            waterkering beïnvloeden; de mate waarin is zonder berekeningen echter
                            moeilijk aan te geven. Wel kan gesteld worden dat bij zwaardere, maar
                            (als gevolg van met name windbelasting) ook bij hogere erfscheiding, de
                            afname van stabiliteit aanzienlijk kan zijn. Een reductie van deze
                            nadelige effecten kan worden verkregen door de erfscheiding op voldoende
                            afstand uit de waterkering te plaatsen. </al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij
                            overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en
                            het talud nabij een erfscheiding toe. Met name bij schuttingen. Dit
                            effect zal nog worden versterkt door de verwachte toename van menselijke
                            activiteiten, zoals grondbewerking in tuinen. </al><al><onderstreept>Beheer van de kering</onderstreept></al><al>De aanwezigheid van erfscheiding op kruin en/of taluds en/of
                            onderhoudspad werken belemmerend op de mogelijkheden tot beheer en
                            onderhoud van de waterkering. Controle van de afmetingen van de
                            waterkering en inspectie op mogelijk schade kunnen niet goed worden
                            uitgevoerd. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: </vet><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erfscheidingen mogen niet worden gefundeerd op paalkoppen met
                                    een verzwaarde voet.</al></li><li nr="2."><al>Gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van een erfscheiding
                                    moeten direct volledig worden gevuld met zwelklei of bentoniet
                                    voor een blijvende waterdichte afdichting. </al></li></lijst><al><vet>Specifiek: erfscheiding</vet><vet>kernzone</vet></al><lijst><li nr="3."><al>Een nieuwe schutting wordt niet toegestaan op de kruin en het
                                    buitentalud tot 1 meter buiten de teen van de dijk.</al></li><li nr="4."><al>Een nieuw hek op de kruin en het buitentalud wordt toegestaan
                                    mits vergunninghouder onderhoudsplichtige is van de dijk en het
                                    hek op een onderhoudsgrens wordt geplaatst.</al></li><li nr="5."><al>Een nieuw hek of een nieuwe schutting wordt niet toegestaan op
                                    het binnentalud tot 1 meter buiten de teen van de dijk, tenzij
                                    er sprake is van een overhoogte ten opzichte van het
                                    leggerprofiel, zoals deze in de legger is vastgelegd. </al></li><li nr="6."><al>Een nieuw hek of een nieuwe schutting meer dan 1 meter buiten de
                                    teen van de dijk moet voldoen aan de algemene
                                    toetsingscriteria.</al></li><li nr="7."><al>Een nieuwe afrastering moet voldoen aan de algemene
                                    toetsingcriteria.</al></li></lijst><al><vet>Specifiek: erfscheiding</vet><vet>
                                beschermingszone</vet><vet>A</vet></al><lijst><li nr="8."><al>De erfscheiding moet buiten het beoordelingsprofiel worden
                                    aangelegd. Indien de erfscheiding niet buiten het
                                    beoordelingsprofiel kan worden aangebracht, moet met
                                    berekeningen worden aangetoond dat het waterkerend vermogen van
                                    de waterkering, nu en in de toekomst niet in gevaar komt.</al></li><li nr="9."><al>Voor afrasteringen geldt een algemene vrijstelling.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Milieu-, bodem- en archeologisch onderzoek in en nabij
                            een waterkering.</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>In deze beleidsregel worden de volgende begrippen onderscheiden:</al><al>·Milieu-, bodem- en archeologisch onderzoek: alle soorten onderzoek
                            waarbij sonderingen/boringen worden uitgevoerd of grond wordt ontgraven.
                            Hieronder vallen in ieder geval ook het uitvoeren van
                            sonderingen/boringen, het plaatsen van peilbuizen, het graven van
                            proefsleuven en het uitvoeren van explosiekernonderzoek.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het in alle waterkeringen en
                            bijbehorende beschermingszones:</al><lijst><li nr="-"><al>uitvoeren van grondboringen;</al></li><li nr="-"><al>uitvoeren van sonderingen;</al></li><li nr="-"><al>plaatsen of verwijderen van peilbuizen;</al></li><li nr="-"><al>uitvoeren van milieu-, bodem-, archeologische, of
                                    explosievenonderzoek.</al></li></lijst><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit is vrijgesteld. Deze situaties heeft het
                            waterschap opgenomen in de “algemene regel verrichten van grondboringen
                            en sonderingen nabij een waterkering“ en vallen niet onder deze
                            beleidsregel.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van
                            waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem.
                            Met betrekking tot het uitvoeren van milieu-, bodem- of archeologisch
                            onderzoek, het plaatsen van peilbuizen, het uitvoeren van sonderingen en
                            grondboringen is het met name van belang dat de stabiliteit en de
                            waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd en dat een
                            toename van kwel/piping wordt voorkomen. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Beheer en onderhoud </vet></al><al>Het uitvoeren van milieu-, bodem- of archeologisch onderzoek, het
                            plaatsen van peilbuizen, en het uitvoeren van sonderingen en
                            grondboringen heeft relatief weinig invloed op het beheer en onderhoud
                            van de waterkering. Het is van belang dat de waterkering, en in het
                            bijzonder het buitentalud, voor aanvang van de risicoperiode volledig is
                            hersteld. Het is daarom in principe niet toegestaan dit soort onderzoek
                            uit te voeren gedurende de risicoperiode.</al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>Bij het uitvoeren van boringen, sonderingen en diepere ontgravingen
                            bestaat het risico dat de afdichtende kleilaag van de waterkering
                            doorsneden wordt. Dit kan, met name in </al><al>kwel- en pipinggevoelige gebieden, leiden tot een waterstroom tussen
                            verschillende watervoerende lagen (kortsluiting). Hierdoor kunnen
                            kwelstromen ontstaan en wordt het risico op piping vergroot.</al><al>Bij ontgravingen kunnen problemen ontstaan met de stabiliteit van de
                            waterkering, in het bijzonder als deze ontgravingen in het talud of bij
                            de teen van de waterkering plaatsvinden.</al><al>Daarnaast kunnen door het uitvoeren van boringen, sonderingen en/of het
                            plaatsen van peilbuizen veranderingen in de grondwaterstanden ontstaan.
                            Veranderingen in de grondwaterstanden kunnen leiden tot
                            stabiliteitsproblemen bij waterkeringen.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Milieu-, bodem- en archeologisch onderzoek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het uitvoeren van milieu- of archeologisch onderzoek in de
                                    kernzone en beschermingszone A is alleen toegestaan indien er
                                    een zwaarwegend belang wordt aangetoond (bijvoorbeeld wanneer
                                    het onderzoek vanuit andere wetgeving vereist is).</al></li><li nr="2."><al>Ontgravingen moeten zover mogelijk buiten de kernzone worden
                                    gegraven en mogen niet dieper worden dan voor het onderzoek
                                    noodzakelijk is.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ontgraving dieper wordt dan 1 meter, moet de
                                    initiatiefnemer aantonen dat de stabiliteit van de waterkering
                                    niet in gevaar is.</al></li><li nr="4."><al>Boringen en sonderingen binnen de kernzone en beschermingszone A
                                    zijn alleen toegestaan indien het intredepunt van de
                                    sondering/boring boven het MHW ligt of als de noodzaak voor
                                    sonderingen/boringen op die locatie is aangetoond.</al></li><li nr="5."><al>Peilbuizen moeten worden voorzien van een waterdichte
                                    afsluitmogelijkheid.</al></li><li nr="6."><al>Niet meer in gebruik zijnde peilbuizen moeten worden
                                    verwijderd.</al></li><li nr="7."><al>Gaten die zijn ontstaan door de werkzaamheden moeten direct
                                    volledig worden gevuld met zwelklei of bentoniet, ten behoeve
                                    van een blijvend waterdichte afdichting</al></li><li nr="8."><al>Sleuven die gegraven zijn voor onderzoek dienen te worden
                                    gedicht met het uitkomend materiaal in oorspronkelijke volgorde
                                    en verdicht</al></li><li nr="9."><al>Seismische onderzoeken in/op de kernzone zijn niet toegestaan.
                                    Seismisch onderzoek in de beschermingszones is alleen toegestaan
                                    indien de aanvrager aantoont dat dit geen negatieve gevolgen
                                    heeft voor de waterkering.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Rijden met rijdieren en motorvoertuigen op en nabij een
                            waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het rijden met rijdieren en
                            motorvoertuigen op waterkeringen voor zover dit niet plaatsvindt op de
                            paden die daarvoor bedoeld zijn. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit is vrijgesteld. Deze situaties heeft het
                            waterschap opgenomen in de “algemene regel rijden met rijdieren en
                            motorvoertuigen op en nabij een waterkering“ en vallen niet onder deze
                            beleidsregel.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en
                            extern transparant te maken op welke manier het waterschap het rijden
                            met rijdieren en motorvoertuigen op- of nabij een waterkering
                            beoordeelt. Hierbij staat de veiligheid tegen overstroming van de
                            waterkering voorop. Vanuit die randvoorwaarde maakt het waterschap een
                            belangenafweging. Een basisvoorwaarde voor het instemmen met medegebruik
                            is dat het beheer van de waterkering niet wordt belemmerd. Met beheer
                            wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op
                            het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst.
                            Hieronder vallen eventueel benodigde veiligheidstoets, regelmatig
                            terugkerende onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspectie en schouw en
                            bestrijding van muskusratten.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al>Naast het normaal onderhoud van percelen op en nabij waterkeringen en
                            het rijden op de daarvoor bestemde paden wordt er gereden op en nabij
                            waterkeringen. Het rijden met rijdieren en motorvoertuigen op of nabij
                            waterkering moet goed gereguleerd worden zodat de veiligheid van de
                            waterkering niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud van de
                            waterkering mogen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge
                            kosten voor het waterschap leiden.</al><al><onderstreept>kans op erosie</onderstreept></al><al>Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een
                            vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende
                            waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud
                            gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn
                            tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede, ononderbroken bekleding </al><al>Door het rijden met een lastdier of motorvoertuig kan door spoorvorming
                            de bekleding worden aangetast. Door doorbreking van de bekleding van de
                            waterkering neemt zeker bij hoge rivierstanden en bij overslag maar ook
                            bij zware regenval de kans op erosie van de bekleding van de kruin en
                            het buiten- en binnentalud toe. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: rijden met lastdieren en motorvoertuigen in
                                de</vet><vet>kernzone</vet><vet> en niet op de daarvoor
                                bestemde paden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor rijden met rijdieren en motorvoertuigen in de kernzone en
                                    niet op de daarvoor bestemde paden wordt geen vergunning
                                    verleend tenzij:</al><lijst><li nr="-"><al>er sprake is van een tijdelijke situatie en
                                            locatiegebondenheid, en</al></li><li nr="-"><al>de belasting van de waterkering niet tot instabiliteit
                                            kan leiden, en</al></li><li nr="-"><al>er voorzorgsmaatregelingen worden genomen zodat de
                                            bekleding niet beschadigt.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Houden van dieren op en nabij een waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder dieren wordt verstaan alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de
                            grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren
                            o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden. </al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het houden van dieren in de
                            kernzone die opgenomen is in de legger van het waterschap. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam, moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen. </al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit is vrijgesteld. Deze situaties heeft het
                            waterschap opgenomen in de “algemene regel houden van dieren op en nabij
                            een waterkering“ en vallen niet onder deze beleidsregel.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en
                            extern transparant te maken op welke manier het waterschap het houden
                            van dieren op waterkeringen beoordeelt. Hierbij staat de veiligheid
                            tegen overstroming van de waterkering voorop. Een goede dijkbekleding is
                            hiervoor essentieel. Vanuit die randvoorwaarde heeft het waterschap de
                            belangenafweging gemaakt dat het houden van dieren op de waterkering
                            niet is toegestaan. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>Het beleid is erop gericht de sterkte van de grasmat op de waterkering
                            te behouden en het beperken en voorkomen van trapschade aan de
                            waterkering. Het houden van dieren op de waterkering kan trapschade
                            veroorzaken waardoor de kans op erosie toeneemt. Daarom wordt het houden
                            van dieren op de waterkering in principe niet toegestaan. </al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een
                            vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende
                            waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud
                            gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn
                            tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede, ononderbroken, goed
                            doorwortelde en soortenrijke grasmat. Het houden van dieren op de
                            waterkering kan vertrappingsschade veroorzaken. Daardoor ontstaan kale
                            plekken in de vegetatie en hierdoor is de grasmat minder bestand tegen
                            erosie.</al><al><onderstreept>Beheer van de kering</onderstreept></al><al>Het houden van dieren werkt belemmerend voor het berijden van de
                            waterkering en onderhoudspaden en daarmee het onderhoud van de
                            waterkering. Dieren kunnen schade aan het dijklichaam aanrichten
                            waardoor het onderhoud wordt bemoeilijkt. Het waterschap streeft naar
                            een zo sterk mogelijke bekleding. Het grazen van dieren kan daar een
                            negatief effect op hebben. Schapen kunnen echter onder de juiste
                            omstandigheden het maaibeheer door machines vervangen of aanvullen. Dit
                            vraagt om de juiste begeleiding die uitsluitend door het waterschap zelf
                            kan worden uitgevoerd. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: het houden van de dieren in de
                            kern</vet><vet>zone</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het houden van dieren wordt niet toegestaan op de kruin, het
                                    talud en het onderhoudspad van de waterkering.</al></li><li nr="2."><al>Op waterkeringen is enkel gecontroleerde beweiding met schapen
                                    in opdracht van het waterschap toegestaan.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Bemesten op een waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder bemesten wordt verstaan het verspreiden van meststoffen</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het bemesten in de kernzone. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam, moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen. </al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit is vrijgesteld. Deze situaties heeft het
                            waterschap opgenomen in de “algemene regel bemesten anders dan bestuur
                            heeft bepaald op en nabij een waterkering“ en vallen niet onder deze
                            beleidsregel.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en
                            extern transparant te maken op welke manier het waterschap het bemesten
                            op waterkeringen beoordeelt. Hierbij staat de veiligheid tegen
                            overstroming van de waterkering voorop. Een goede dijkbekleding is
                            hiervoor essentieel. Vanuit die randvoorwaarde heeft het waterschap de
                            belangenafweging gemaakt dat het bemesten anders dan het bestuur heeft
                            bepaald niet is toegestaan. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>Het beleid is erop gericht de sterkte van de grasmat op de waterkering
                            te behouden. Het bemesten van de waterkering kan schade veroorzaken
                            waardoor de kans op erosie toeneemt. Daarom wordt het bemesten anders
                            dan door het bestuur bepaald van de waterkering in principe niet
                            toegestaan. </al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een
                            vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende
                            waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud
                            gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn
                            tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede, ononderbroken, goed
                            doorwortelde en soortenrijke grasmat. Door het bemesten op de
                            waterkering verandert de soortenrijke vegetatie in een homogene grasmat.
                            Daardoor vermindert de doorworteling en hierdoor is de grasmat minder
                            bestand tegen erosie.</al><al><onderstreept>Beheer van de kering</onderstreept></al><al>Bemesten zorgt voor de ontwikkeling van extra maaisel. De kosten voor
                            afvoer van maaisel nemen hierdoor toe.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: het bemesten anders dan het bestuur heeft bepaald in de
                                kern</vet><vet>zone</vet></al><al>Het bemesten wordt niet toegestaan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Grondroeringen in en nabij een waterkering</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                            watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk
                            of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming
                            met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                            handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of
                            voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al>Grondroeringen in de kernzone en de beschermingszones vallen onder dit
                            verbod behoudens het normaal agrarisch gebruik binnen de
                            beschermingszones.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>In deze beleidsregel wordt onder grondroering verstaan alle bewerkingen
                            in de grond zoals daar o.a. zijn: woelen, frezen, graven, spitten en
                            ploegen.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op op zichzelf staande
                            grondroeringen in de kernzone en de beschermingszone A (behoudens voor
                            die laatste het normaal agrarisch gebruik als daar zijn het een spade
                            diep spitten, ploegen en frezen).</al><al>Voor grondroeringen ten behoeve van het aanbrengen, wijzigen of
                            onderhouden van een werk wordt verwezen naar de desbetreffende specifiek
                            beleidsregel dan wel er vindt een toetsing plaats op basis van de
                            algemene toetsingscriteria.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de waterkering is gelegen in de nabijheid van een
                            oppervlaktewaterlichaam, moet rekening worden gehouden met de
                            desbetreffende beleidsregel(s) voor oppervlaktewaterlichamen. </al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan
                            het zijn dat deze activiteit niet vergunningplichtig is. Deze situaties
                            heeft het waterschap opgenomen in algemene regels en vallen niet onder
                            deze beleidsregel.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en
                            extern transparant te maken op welke manier het waterschap het
                            verrichten van grondroeringen in of nabij een waterkering beoordeelt.
                            Hierbij staat de veiligheid tegen overstroming van de waterkering
                            voorop. Vanuit die randvoorwaarde maakt het waterschap een
                            belangenafweging. Een basisvoorwaarde voor het instemmen met
                            grondroeringen is dat het beheer en functioneren van de waterkering niet
                            wordt belemmerd door de grondroering. Met beheer wordt bedoeld alle
                            activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste
                            veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst. Hieronder vallen
                            eventueel benodigde veiligheidstoets, regelmatig terugkerende
                            onderhoudswerken, dijkversterkingen, inspectie en schouw en bestrijding
                            van muskusratten.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al>Grondroeringen moeten goed worden gereguleerd opdat de veiligheid van de
                            waterkeringen niet in gevaar komt. Ook het beheer en het onderhoud mogen
                            niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge kosten voor het
                            waterschap leiden.</al><al>Het beheer van de waterkering is gericht op het in stand houden van het
                            vastgestelde in stand te houden profiel zoals is omschreven in de
                            Legger</al><al><vet>Functioneren waterkering</vet></al><al>In het profiel van de waterkering moet de bekleding in stand blijven en
                            het stabiliteitsevenwicht gewaarborgd zijn. Daarom is grondroering in de
                            kernzone verboden. </al><al><onderstreept>Kans op instabiliteit</onderstreept></al><al>Als gevolg van grondroeringen op of in de directe nabijheid van de
                            waterkering kan de stabiliteit van de waterkering verminderen. Ook kan
                            doorsnijden (= lek maken van de bekleding/bovenlaag) van de waterkering
                            er voor zorgen dat meer water de waterkering intreedt, wat de
                            stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloed.</al><al><onderstreept>Kans op erosie</onderstreept></al><al>Bij het ontwerpen van de waterkering wordt rekening gehouden met een
                            vooraf vastgesteld en geaccepteerd overslagdebiet bij maatgevende
                            waterstand. Dit houdt in dat zowel het buitentalud als het binnentalud
                            gedurende het optreden van het maatgevend hoogwater bestand moet zijn
                            tegen uitspoeling. Dit kan alleen met een goede, ononderbroken, goed
                            doorwortelde en soortenrijke grasmat waarin geen onderbrekingen aanwezig
                            zijn.</al><al>Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij
                            overslag maar ook bij zware regenval de kans toe op erosie van de kruin
                            en de taluds. </al><al><onderstreept>Beheer van de kering</onderstreept></al><al>Grondroeringen op kruin en/of taluds en het onderhoudspad werken
                            belemmerend op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Specifiek: grondroeringen</vet><vet>kernzone</vet></al><al>1.Grondroeringen worden niet toegestaan in de kernzone.</al><al><vet>Specifiek: grondroeringen in </vet><vet>beschermingszone
                            A</vet></al><lijst><li nr="2."><al>Grondroeringen worden toegestaan mits:</al><lijst><li nr="-"><al>er geen aantasting van het beoordelingsprofiel van de
                                            waterkering optreedt en de stabiliteit van de
                                            waterkering gewaarborgd blijft;</al></li><li nr="-"><al>de geroerde grond weer hersteld en de samenstelling van
                                            de grond zoveel mogelijk gelijk is aan de situatie
                                            voorafgaand aan de grondroering.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregels oppervlaktewaterlichamen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Doel</titel></kop><structuurtekst><al> De beleidsregels zijn gebaseerd op de doelstellingen van de Waterwet en
                            de doelen van het Waterbeheerplan (zie par. 2.1.1). Algemeen
                            uitgangspunt bij de beoordeling van aanvragen voor een watervergunning
                            voor activiteiten in of rond een oppervlaktewaterlichaam is dat de
                            functie van het oppervlaktewaterlichaam voor de afvoer, aanvoer en/of
                            berging van water en de ecologie niet in gevaar komt. Daarbij streeft
                            het waterschap er naar de betrokken waterhuishoudkundige belangen
                            zodanig te benaderen dat een overzicht van het geheel (het watersysteem)
                            wordt behouden. Daarnaast dient het onderhoud doelmatig te kunnen worden
                            uitgevoerd. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Motivering</titel></kop><structuurtekst><al> Om het in paragraaf 4.1 verwoorde doel te kunnen bereiken, stelt het
                            waterschap eisen aan activiteiten in en rond het
                            oppervlaktewaterlichaam. Deze eisen hangen samen met het effect van de
                            activiteit op de constructie, waterhuishoudkundige functie en het
                            doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam.</al><al>Deze eisen zijn verwoord in de waterhuishoudkundige toetsingscriteria,
                            uitgaande van de volgende waterhuishoudkundige aspecten:</al><lijst><li nr="-"><al>Stabiliteit taluds;</al></li><li nr="-"><al>Doorstroomcapaciteit;</al></li><li nr="-"><al>Bergingscapaciteit;</al></li><li nr="-"><al>Ecologische toestand;</al></li><li nr="-"><al>Grondwatersituatie;</al></li><li nr="-"><al>Onderhoud.</al></li></lijst><al>De waterhuishoudkundige toetsingscriteria zijn onderverdeeld in algemene
                            toetsingscriteria(par. 4.3) en specifieke criteria voor bepaalde
                            onderwerpen (par. 4.5). Daar waar voor activiteiten specifieke criteria
                            gelden, gaan deze boven de algemene toetsingscriteria.</al><al>Voor de volgende onderwerpen gelden specifieke toetsingscriteria:
                            Graven, dempen en aanleggen;</al><al>Houden van dieren;</al><al>Objecten en bouwwerken;</al><al>Beplanting;</al><al>Bruggen;</al><al>Dammen met duiker;</al><al>Kabels en leidingen;</al><al>Steigers, vlonder en overhangende bouwwerken;</al><al>Oeverbeschermende voorzieningen;</al><al>Peilafwijkingen;</al><al>Gemotoriseerd varen;</al><al>Afvoeren van water via verhard oppervlak;</al><al>Afvoeren van water met werk en via drainage;</al><al>Onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam;</al><al>Handelingen in bergingsgebied;</al><al>Handelingen bij ondersteunend kunstwerk.</al><al>Behalve aan deze waterhuishoudkundige toetsingscriteria wordt de
                            vergunningaanvraag getoetst aan de maatschappelijke functies en
                            particuliere belangen van derden en van de aanvrager (par. 4.4)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Algemene toetsingscriteria </titel></kop><structuurtekst><al>Onderstaand zijn per waterhuishoudkundig aspect de algemene
                            toetsingscriteria aangegeven. </al><al>(De aanduiding tussen haakjes in het kopje ziet op de categorieën
                            oppervlaktewaterlichamen waarvoor het algemene toetsingscriterium
                            geldt)</al><al><vet><cursief>Stabiliteit
                                </cursief></vet><vet><cursief>(</cursief></vet><vet><cursief>A</cursief></vet><vet><cursief>
                                    en</cursief></vet><vet><cursief> B)</cursief></vet></al><al>Doel van de bepalingen in de keur is het behouden van een goede
                            stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam. In geval van
                            oppervlaktewaterlichamen categorie A en B mag inde nieuwe situatie mag –
                            als er geen sprake is van belastingtoename - het onderwatertalud in
                            principe niet steiler zijn dan 1:3 en het bovenwatertalud in principe
                            niet steiler dan 1:2. Tevens moet worden voorkomen dat de stabiliteit
                            van het talud wordt aangetast. Deze kan onder meer in gevaar komen
                            door:</al><lijst><li nr="§"><al>Ontbreken van begroeiing op talud. Bij een onbegroeid talud
                                    neemt de kans op erosie toe.</al></li><li nr="§"><al>Schaduwwerking. Hierdoor neemt de dichtheid van de eventueel
                                    aanwezige grasmat van het talud af, wat de kans op erosie
                                    vergroot. </al></li><li nr="§"><al>Belastingtoename. Een (bouw)werk of grondlichaam oefent een
                                    zekere druk uit op de</al></li></lijst><al>ondergrond.</al><al>Door deze belastingtoename kan het gebeuren dat het talud instabiel
                            wordt en vervolgens</al><lijst><li nr="-"><al>gaat afschuiven of dat de beschoeiing bezwijkt. Uitgangspunt is
                                    dat binnen 1 meter vanaf insteek dan wel kant water bij normaal
                                    waterpeil (bouw)werken alleen zijn toegestaan mits zij
                                    deugdelijk zijn gefundeerd en geen extra druk uitoefenen op
                                    talud en/of beschoeiing;</al></li><li nr="-"><al>Indien er geen maatregelen worden getroffen om de belasting van
                                    de beschoeiing of het onderuitzakken van het talud tegen te
                                    gaan, moet de helling van het talud daarop worden aangepast, dan
                                    wel de al dan niet aanwezige oeverbescherming.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Doorstroomcapaciteit
                                    </cursief></vet><vet><cursief>(A</cursief></vet><vet><cursief>
                                    B</cursief></vet><vet><cursief> en
                                    C</cursief></vet><vet><cursief>)</cursief></vet></al><al>Doel van de keur is het voorkomen van stremming, stuwing en wijziging
                            van de afvoer en</al><al>aanvoer van water. Als in de nieuwe situatie de doorstroomfunctie wordt
                            aangetast, moet</al><al>deze functie geheel worden gecompenseerd. Bij het bepalen van de
                            doorstroomcapaciteit</al><al>houdt het waterschap rekening met de normen voor wateroverlast.</al><al>Overigens dient ook tijdens de uitvoering van de werkzaamheden de
                            waterafvoer te zijn gegarandeerd.</al><al><vet><cursief>Bergingscapaciteit
                                    </cursief></vet><vet><cursief>(A,</cursief></vet><vet><cursief>
                                    B</cursief></vet><vet><cursief> en
                                    C</cursief></vet><vet><cursief>)</cursief></vet></al><al>Doel van de keur is het behouden van de bestaande bergingscapaciteit van
                            het betreffende</al><al>afwateringsgebied. In de nieuwe situatie moet verloren
                            bergingscapaciteit in polder- en</al><al>stedelijke gebieden geheel worden gecompenseerd. Dit kan door het graven
                            van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of door het verbreden van een
                            bestaand oppervlaktewaterlichaam.</al><al>Bij het bepalen van de bergingscapaciteit houdt het waterschap rekening
                            met de uitgangspunten dat:</al><al>1 de omgeving qua afvoer niet zwaarder mag worden belast dan voorheen
                            en</al><al>2 het watersysteem in het plangebied moet voldoen aan de normen voor
                            wateroverlast</al><al>zoals die zijn vastgelegd in de provinciale Waterverordening waterschap
                            Vallei en Veluwe en het Waterbeheerplan (in bebouwd gebied is de norm
                            T=100 (waarbij de kans op het buiten zijn oevers</al><al>treden kleiner is dan 1/100 per jaar) en in landelijk gebied T=10 (idem
                            maar dan kleiner</al><al>dan 1/10 per jaar). De aanvrager moet zelf aantonen hoe aan deze
                            criteria wordt</al><al>voldaan. Daarbij moet de aanvrager gebruik maken van de meest recente
                            KNMI</al><al>scenario’s voor neerslag.</al><al><vet><cursief>Ecologische toestand </cursief></vet><vet><cursief>(A,
                                    B</cursief></vet><vet><cursief> en
                                    C</cursief></vet><vet><cursief>)</cursief></vet></al><al>Doel van de keur is het beschermen van de ecologische toestand van</al><al>oppervlaktewaterlichamen. Bij de behandeling van de vergunningaanvraag
                            wordt</al><al>beoordeeld wat het effect is op de ecologische toestand van een water.
                            Als algemeen</al><al>criterium geldt dat er geen negatief effect mag zijn op aanwezige of nog
                            te ontwikkelen</al><al>ecologische waarden. Zo is het niet toegestaan om werken (bijvoorbeeld
                            steigers of</al><al>vlonders) aan te leggen op locaties waar natuurvriendelijke oevers
                            liggen óf zijn gepland,</al><al>indien het negatieve effect op de ecologie niet volledig wordt
                            gecompenseerd.</al><al>Onderscheid is gemaakt in KRW (Kaderrichtlijn Water)-waterlichamen en
                            overige oppervlaktewaterlichamen (met of zonder een natuurfunctie). Er
                            wordt gewerkt aan doelen overig water voor zowel stedelijk als landelijk
                            water. Deze gaan gelden als toetsingskader voor overig water. In de
                            specifieke toetsingscriteria worden de ecologische uitgangspunten per
                            ingreep weergegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen stromende
                            (R-type) en niet stromende (M-type) oppervlaktewaterlichamen.</al><al>·<cursief>KRW-waterlichamen</cursief></al><al>Alle KRW-waterlichamen staan op de Natuurkaart. Voor deze
                            oppervlaktewaterlichamen zijn de doelen (GEP; Goed Ecologisch
                            Potentieel) per kwaliteitselement (vissen, waterplanten, zuurstof etc.)
                            gekwantificeerd en vastgelegd in het provinciaal waterplan en/of het
                            waterbeheerplan. In de Nederlandse wetgeving is bepaald dat de
                            ecologische toestand ten opzicht van de huidige ecologische toestand
                            niet mag achteruitgaan.</al><al>Ingrepen mogen daarnaast geen belemmering vormen voor geplande
                            maatregelen of</al><al>gestelde doelen. Elke vergunningaanvraag met betrekking tot deze
                            KRW-waterlichamen wordt hieraan getoetst. Daarbij geldt als uitgangspunt
                            voor een KRW-waterlichaam van het R-type, dat </al><lijst><li nr="-"><al>in de periode van 1 februari tot 2 juni de doorstroming/migratie
                                    niet langer dan een week belemmerd mag worden door de
                                    werkzaamheden:</al></li><li nr="-"><al>het onwenselijk is dat het doorstroomprofiel wordt vergroot
                                    zonder hydraulische noodzaak.</al><lijst><li nr="·"><al><cursief>Overige oppervlaktewaterlichamen (met een
                                                natuur</cursief><cursief>functie)</cursief></al></li></lijst></li></lijst><al>Op de bij de keur en de algemene regels behorende Natuurkaart staan alle
                            oppervlaktewaterlichamen aangegeven die een natuurfunctie hebben of in
                            een gebied met een natuurfunctie liggen. Dit zijn
                            oppervlaktewaterlichamen waar extra gelet wordt op het beschermen van de
                            ecologische toestand. Ook bij de oppervlaktewaterlichamen zónder
                            natuurfunctie wordt gelet op het beschermen van de ecologische toestand,
                            zij het in</al><al>mindere mate. Van de overige wateren is de huidige ecologische toestand
                            niet</al><al>gekwantificeerd en vastgelegd in het provinciaal waterplan of het
                            waterbeheersplan. Voor</al><al>deze wateren wordt een meer kwalitatieve benadering gehanteerd om te
                            bepalen of er</al><al>sprake is een negatief effect op huidige ecologische waarden. Deze
                            benadering werkt als</al><al>volgt: indien bijvoorbeeld een natuurvriendelijke oever van een bepaalde
                            afmeting</al><al>verloren gaat, moet deze worden gecompenseerd door een nieuwe
                            natuurvriendelijke</al><al>oever met een vergelijkbare ecologische functie. Migratiebarrières
                            verdienen hierbij</al><al>afzonderlijke aandacht, omdat deze effect hebben op een groter deel van
                            het oppervlaktewaterlichaam.</al><al><vet><cursief>Grondwatersituatie</cursief></vet><vet><cursief> (A,
                                    B</cursief></vet><vet><cursief> en
                                    C</cursief></vet><vet><cursief>)</cursief></vet></al><al>Doel van de keur is het beschermen van de gewenste grondwatersituatie
                            met het oog op</al><al>een optimaal gebruik door de verschillende daar aan verbonden belangen.
                            Deze is</al><al>afhankelijk van de functie en het gebruik van de langs de watergang
                            gelegen gronden. Het is</al><al>onwenselijk dat peilen zodanig wijzigen dat natuur verdroogd raakt,
                            funderingen van</al><al>woningen worden aangetast of natschade ontstaat. Daarnaast kunnen ook
                            andere</al><al>handelingen in het watersysteem zoals slootdempingen veranderingen in
                            de</al><al>grondwaterstand veroorzaken.</al><al>Op de Natuurkaart zijn de gebieden met een natuurfunctie aangegeven. De
                            hydrologische beschermingsgebieden maken hier onderdeel van uit. Op deze
                            kaart zijn tevens de verdroogde gebieden (TOP-lijst) en de Natura
                            2000-gebieden aangegeven. Dit zijn de belangrijkste gebieden waar gelet
                            moet worden op het beschermen van de natuur tegen verdroging.</al><al>In het Waterbeheerplan is aangegeven dat de gewenste grondwatersituatie
                            via</al><al>de GGOR (Gewenst Grond- en Oppervlaktewaterregime) gekwantificeerd wordt
                            bepaald.</al><al>Daar waar de GGOR is bepaald of visies zijn opgesteld zullen deze als
                            toetsingskader</al><al>dienen voor de vergunningverlening.</al><al><vet><cursief>Onderhoud</cursief></vet><vet><cursief> (A
                                )</cursief></vet></al><al>Doel van de bepalingen in de Keur is het onbelemmerd kunnen uitvoeren
                            van het onderhoud</al><al>van de oppervlaktewaterlichamen categorie A. Dit zijn veelal watergangen
                            die door het waterschap worden onderhouden. Bij de behandeling van de
                            vergunningaanvraag wordt beoordeeld of het onderhoud van de watergang
                            naar behoren kan worden uitgevoerd. Onderhoud wordt onderscheiden in
                            gewoon en buitengewoon onderhoud. Gewoon onderhoud is het maaien en het
                            verwijderen van het maaisel en groot onderhoud is het baggeren en het
                            onderhouden van de beschoeiing. In de legger (dan wel de keur op grond
                            van het overgangsrecht) zijn de afmetingen van de
                            oppervlaktewaterlichamen, alsook – indien van toepassing – de
                            onderhoudsstroken vastgelegd. Deze onderhoudsstrook heeft vooral ten
                            doel om de watergang toegankelijk te houden voor – doorgaans machinaal –
                            uit te voeren onderhoud. Daarnaast fungeert deze strook ook als
                            werkstrook bij bijvoorbeeld vervanging van de beschoeiing. </al><al>Gezien de grote variëteit aan watergangen binnen het beheergebied van
                            het waterschap is het niet mogelijk voor elke denkbare situatie dekkende
                            criteria op te stellen. Aanvragen voor een watervergunning worden in
                            ieder geval aan de volgende eisen getoetst:</al><al>·<cursief>Onderhoud vanaf de oever</cursief></al><al>Wanneer het onderhoud vanaf de oever plaatsvindt:</al><lijst><li nr="-"><al>dient – met uitzondering van de wateren met een natuurfunctie
                                    zoals aangegeven op de Natuurkaart - de waterdiepte minimaal
                                    1,00 meter te zijn en het vlakke deel van de bodem 2,00 meter, ;
                                </al></li><li nr="-"><al>dient bij watergangbreedtes tot 6 meter (gerekend van insteek
                                    tot insteek) de watergang ten</al></li></lijst><al>minste aan één zijde te zijn voorzien van een obstakelvrije vlakke
                            strook van minimaal 5 meter breedte, tenzij in de legger een
                            onderhoudsstrook is vastgelegd: in dat geval dient deze strook minimaal
                            de aangegeven breedte te hebben. Daarbij dient er ruimte te zijn om
                            uitkomende specie en maaisel te ontvangen en te verwijderen, die bij
                            onderhoud van dat oppervlaktewaterlichaam wordt verwijderd. Hierbij
                            wordt rekening gehouden met de hoogte van onderhoudsmaterieel van 4
                            meter; </al><lijst><li nr="-"><al>bij watergangbreedtes van meer dan 6 meter (gerekend van insteek
                                    tot insteek) dient de watergang aan twee zijden voorzien te zijn
                                    van een obstakelvrije vlakke strook van minimaal 5 meter
                                    breedte, tenzij in de legger een onderhoudsstrook is vastgelegd:
                                    in dat geval dient deze strook minimaal de aangegeven breedte te
                                    hebben. Hierbij wordt rekening gehouden met de hoogte van
                                    onderhoudsmaterieel van 4 meter;</al></li><li nr="-"><al>mogen de in de watergang aanwezige boten geen belemmering vormen
                                    voor het</al></li></lijst><al>reguliere rijdend onderhoud;</al><lijst><li nr="-"><al>de natuurvriendelijke oever langs een oppervlaktewaterlichaam
                                    categorie A bereikbaar te zijn voor onderhoudsmaterieel. Langs
                                    een natuurvriendelijke oever dient daarom ten behoeve van
                                    doelmatig onderhoud een obstakelvrije zone van minimaal 5 meter
                                    aanwezig te zijn.</al><lijst><li nr="·"><al><cursief>Varend onderhoud</cursief></al></li></lijst></li></lijst><al>Wanneer het onderhoud varend plaatsvindt:</al><lijst><li nr="-"><al>dient de waterdiepte (ook naast een eventueel mee te maaien
                                    natuurvriendelijke oever) minimaal 1,25 meter te zijn en het
                                    vlakke deel van de bodem minimaal 2,0 meter;</al></li><li nr="-"><al>dient de te onderhouden watergang minimaal 50 meter lang te
                                    zijn;</al></li><li nr="-"><al>dient er voldoende doorvaarthoogte van de aanwezige kruisingen
                                    met infrastructuur te</al></li></lijst><al>zijn van 1,25 meter ten opzichte van normaalpeil of, wanneer
                            zomer-/maximum- en winter-/ minimumpeil worden gehanteerd, tot
                            zomer-/maximumpeil;</al><lijst><li nr="-"><al>dient nabij bruggen en wegen een gecombineerde
                                    bootlosplaats/locatie waar maaisel verwijderd kan worden, te
                                    worden aangelegd. Deze is minimaal voorzien van een
                                    halfverharding, heeft een taludverhouding van 1:10 en een
                                    breedte van 5 meter.</al></li><li nr="-"><al>mogen de in de watergang aanwezige boten geen belemmering vormen
                                    voor het varend</al></li></lijst><al>onderhoud.</al><al>·<cursief>Groot onderhoud (baggeren en vervangen van de
                                beschoeiing)</cursief></al><al>Wanneer groot onderhoud plaatsvindt zoals het baggeren van
                            oppervlaktewaterlichamen en het</al><al>vervangen van de beschoeiing, dienen (bouw)werken/ steigers/ terrassen
                            e.d. binnen 1</al><al>meter vanaf insteek water voorafgaand daaraan te worden verwijderd door
                            de</al><al>vergunninghouder.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>De maatschappelijke functies, particuliere belangen en regelgeving en
                            beleid van andere overheden</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>a. Maatschappelijke
                            functies</cursief>Maatschappelijke functies zoals recreatie
                            (wandelen, kanoën, sportvisserij, pleziervaart enz.), cultuurhistorie en
                            landschap dienen bij de toetsing van de vergunningaanvraag tevens in
                            beschouwing te worden genomen, voor zover er geen ander wettelijk
                            voorschrift is dat in de bescherming van deze belangen voorziet. Het
                            verlenen van de vergunning mag niet leiden tot het onaanvaardbaar
                            benadelen van de maatschappelijke functies die van toepassing zijn.</al><al><cursief>b. Particuliere belangen </cursief></al><al>Belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad door het
                            verlenen van een vergunning. Als waterstaatkundige belangen zich op
                            zichzelf niet verzetten tegen de vergunningverlening, moeten
                            particuliere belangen worden gewogen in het licht van de belangen van de
                            aanvrager. </al><al>Indien schade aan derden mogelijk is, wordt aangegeven welke maatregelen
                            worden genomen om schade te voorkomen. Schade op het eigen perceel is
                            ter beoordeling van de initiatiefnemer.</al><al><cursief>c. regelgeving en beleid van andere overheden</cursief></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook regelgeving van andere
                            overheden van toepassing zijn, zoals de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (WABO) en de Flora- en Faunawet.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Specifieke toetsingscriteria</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Graven in, dempen en aanleg van een
                            oppervlaktewaterlichaam</titel></kop><structuurtekst><al><vet>K</vet><vet>ader</vet></al><al><vet> Keur</vet>Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de
                            keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken
                            van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders
                            dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie daarin,
                            daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten,
                            werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of
                            liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, tweede lid van de keur is het verboden zonder
                            vergunning van het bestuur een waterstaatswerk te wijzigen of aan te
                            leggen.</al><al><vet>Begripsbepaling </vet> Deze beleidsregel is van toepassing op
                            zowel het graven in (bijvoorbeeld voor het ophogen of het verlagen van
                            met maaiveld) en het geheel dan wel gedeeltelijk dempen als het nieuw
                            graven (aanleggen) van oppervlaktewaterlichamen. </al><al>Onder dempen en graven wordt het wijzigen van het profiel verstaan.
                            Dempen kan ook het gevolg zijn van het leggen van een dam met duiker of
                            ander bouwwerk. Bij aanleg ontstaat er een nieuw oppervlaktewaterlichaam
                            welke in de meeste gevallen aansluit op een bestaand
                            oppervlaktewaterlichaam.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet> Deze beleidsregel is van toepassing
                            op alle waterstaatswerken zijnde oppervlaktewaterlichamen, die
                            (inclusief eventuele onderhoudsstroken en natuurvriendelijke oevers)
                            opgenomen zijn in de legger van het waterschap. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief>Naast de in deze
                            beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria, gelden – indien
                            van toepassing en voor dat aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn
                            geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregel</cursief>Wanneer het
                            oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering is gelegen,
                            moet rekening worden gehouden met de desbetreffende beleidsregel(s) voor
                            waterkeringen.</al><al>Wanneer als gevolg van de werkzaamheden voor wat betreft de berging
                            compenserende maatregelen dienen te worden getroffen, is tevens de
                            Beleidsregel ondersteunende kunstwerken van belang.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief> Voor het verbreden van
                            oppervlaktewaterlichamen B en C gelden algemene regels. Voor het
                            veranderen van het talud van oppervlaktewaterlichamen B en C gelden
                            algemene regels. Voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers in
                            oppervlaktewaterlichamen B en C gelden algemene regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel voldoen, zijn
                            vrijgesteld van de vergunningplicht.</al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van het watersysteem,
                            waarbij wordt uitgegaan van de waterkwantiteitstrits vasthouden, bergen,
                            afvoeren. Het onderhoud dient doelmatig te kunnen worden uitgevoerd.
                            Daarnaast dienen de overige betrokken functies, zoals de ecologische
                            zoveel mogelijk te worden behouden of te worden verbeterd.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet> Algemeen</vet>Voor zover de werkzaamheden betrekking hebben
                            op de aanleg van een nieuw oppervlaktewaterlichaam heeft deze
                            beleidsregel naast werkzaamheden door particulieren ook betrekking op
                            grootschalige aanleg van oppervlaktewaterlichamen door bijvoorbeeld
                            Rijkswaterstaat of gemeenten. Alle waterhuishoudkundig relevante
                            ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten
                            moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces
                            van de watertoets worden doorlopen. Daarbij kijkt het waterschap of in
                            een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter
                            plaatse en geeft een wateradvies Uitgangspunt is dat er hydrologisch
                            neutraal wordt ontwikkeld: de nieuwe watersituatie moet minimaal gelijk
                            blijven aan de uitgangssituatie.</al><al><vet>Stabiliteit</vet>Het is bij het wijzigen van het profiel van
                            een oppervlaktewaterlichaam belangrijk dat de stabiliteit (vorm,
                            afmeting en constructie) wordt gewaarborgd. Er worden daarom
                            voorschriften gegeven over de taludverhouding en de afwerking van de
                            oever/ taluds. Afhankelijk van de status van het water kunnen
                            aanvullende eisen worden gesteld.</al><al><vet>Doorstroomcapaciteit</vet>In zowel de poldergebieden,
                            bergingsgebieden, stedelijke gebieden als de hellende zandgebieden kan
                            het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen effect hebben op de
                            doorstroming van het al bestaande watersysteem. Negatieve gevolgen voor
                            de doorstroming van bestaande watergangen dienen te worden voorkomen.
                            Als een nieuw oppervlaktewaterlichaam is of wordt aangesloten op een
                            bestaand watersysteem, moet het oppervlaktewaterlichaam voldoen aan
                            zodanige afmetingen dat het functioneren van het
                            oppervlaktewaterlichaam, als onderdeel van het totale watersysteem, kan
                            worden gewaarborgd. Afhankelijk van de verwachte effecten op het
                            watersysteem kunnen aanvullende eisen worden gesteld.</al><al><vet>B</vet><vet>ergingscapaciteit</vet>Wijzigingen in het profiel
                            van een oppervlaktewaterlichaam in poldergebieden, bergingsgebieden en
                            stedelijke gebieden, hebben invloed op de aan- en afvoer van water en op
                            de berging (retentie) in dat gebied. Dit geldt ook voor wateren die
                            onder normale omstandigheden droogvallen. Deze wijzigingen mogen niet
                            leiden tot een wijziging van de aanvoer-, afvoer- en bergingscapaciteit
                            van het watersysteem. Hierbij wordt uitgegaan van het zogenaamde
                            “stand-still” principe. Als de berging als gevolg van de wijziging
                            minder wordt, moet hiervoor worden gecompenseerd binnen hetzelfde
                            peilgebied en zo dicht mogelijk bij de ingreep. Het kan echter voorkomen
                            dat er geen mogelijkheid is tot compenseren in hetzelfde peilgebied. Ook
                            voor grote inrichtingsplannen bestaat vaak de wens om te compenseren in
                            een ander peilgebied. Beoordeling vindt plaats op basis van de volgende
                            verdringingsreeks: 1. Verminderde berging 1:1 compenseren in hetzelfde
                            peilgebied; indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar 2. 2.
                            Verminderde berging compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied
                            (met hoger peil); indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar 3. 3.
                            Verminderde berging compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied
                            (met lager peil dus); indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar
                            4. 4. Verminderde berging compenseren in hetzelfde
                            bemalings-/stroomgebied. Met het afwijken van de hoofdregel (compenseren
                            in hetzelfde peilgebied) moet terughoudend worden omgegaan. Het
                            uiteindelijke resultaat mag geen negatieve invloed hebben op de werking
                            van het watersysteem.</al><al> Bij de aanleg van een nieuw watersysteem in een nieuwbouwplan kan het
                            voornemen bij een gemeente of projectontwikkelaar bestaan om grond aan
                            particulieren uit te geven tot binnen het oppervlaktewaterlichaam. In
                            dat geval moet de bergingsfunctie van het watersysteem zijn gewaarborgd. </al><al><vet>Ecologische toestand</vet>Door de vergroting van het profiel
                            of de aanleg van een nieuw oppervlaktewaterlichaam kan de
                            doorstroomsnelheid van een oppervlaktewaterlichaam respectievelijk van
                            een daarmee in verbinding staand oppervlaktewaterlichaam verminderen
                            waardoor de waterkwaliteit afneemt. Daarnaast kan als gevolg van
                            werkzaamheden in het profiel de leefomstandigheden voor planten en
                            dieren zodanig wijzigen dat het voortbestaan van specifieke planten of
                            dieren wordt bedreigd. Om deze reden kan het nodig zijn dat er
                            compensatie plaatsvindt.</al><al>Indien de aanpassing van het profiel het gevolg is van de aanleg van
                            natuurvriendelijke oevers zal dit een positief effect op de flora en
                            fauna hebben.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet>Wijzigingen van het profiel van
                            oppervlaktewaterlichamen en de aanleg van nieuwe
                            oppervlaktewaterlichamen kunnen veranderingen in de grondwaterstand
                            veroorzaken, waardoor natuur verdroogt raakt of funderingen van woningen
                            worden aangetast of natschade ontstaat. </al><al>De gewenste grondwatersituatie dient met het oog op een optimaal gebruik
                            door de verschillende daaraan verbonden belangen, beschermd te worden.
                            Deze is afhankelijk van de functie en het gebruik van de langs de
                            watergang gelegen gronden.</al><al><vet>Onderhoud</vet>Onderhoud is noodzakelijk om een goed
                            functioneren van het watersysteem te waarborgen. Door het wijzigen van
                            het profiel van een oppervlaktewaterlichaam kunnen negatieve effecten op
                            het onderhoud optreden. Zo kan versmalling van een
                            oppervlaktewaterlichaam dat varend werd onderhouden, er toe leiden dat
                            een onderhoudsstrook nodig is (en moeten worden vastgelegd in de
                            legger). Demping kan tot gevolg hebben dat de vaarroute moet worden
                            gewijzigd.</al><al>Indien oppervlaktewaterlichamen categorie A worden aangelegd, die niet
                            varend zullen worden onderhouden, wordt een onderhoudsstrook en bij
                            oppervlaktewaterlichamen A daarnaast ook nog een beschermingszone in de
                            legger vastgelegd. Met betrekking tot de afmetingen van de nieuwe
                            oppervlaktewaterlichamen moet dus niet alleen rekening gehouden worden
                            met de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zelf inclusief
                            onderhoudsstrook, maar eventueel ook met de beschermingszones. Dit is
                            vooral belangrijk als er sprake is van meerdere perceelseigenaren. </al><al>Het aansluiten van nieuwe oppervlaktewaterlichamen op
                            oppervlaktewaterlichamen categorie A mag het doelmatig onderhoud van de
                            oppervlaktewaterlichamen categorie A niet hinderen. Doorgaande
                            onderhoudsroutes mogen niet zomaar worden doorbroken.</al><al>Voor nieuw stedelijk gebied worden al in de ontwerpfase afspraken over
                            het waarborgen van doelmatig onderhoud gemaakt. Deze worden vaak
                            vastgelegd in een waterstructuurplan of waterhuishoudingsplan. Beide
                            vormen van afspraken kunnen vervolgens in de legger worden bevestigd,
                            zodat daarmee ook een adequate keurbescherming ontstaat. Het maatwerk
                            houdt daarbij in dat zo weinig mogelijk onnodige gebruiksbeperkingen op
                            andermans eigendom worden gelegd. </al><al>Wanneer bij een gemeente of projectontwikkelaar het voornemen bestaat om
                            grond aan particulieren uit te geven tot aan of binnen het
                            oppervlaktewaterlichaam dienen doelmatige onderhoudsmogelijkheden te
                            zijn gewaarborgd.</al><al><vet>T</vet><vet>oetsingscriteria</vet></al><al><vet>Stabiliteit </vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria.</al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>1.De aanvrager moet bij de aanvraag van een watervergunning voor het
                            wijzigen van het profiel aangeven op welke manier en op welke plek de
                            eventuele nadelige effecten van de wijziging van het watersysteem vooraf
                            zullen worden gecompenseerd.</al><al><cursief> Gebiedsspecifiek</cursief></al><lijst><li nr="2."><al>Indien er gegraven wordt in een oppervlaktewaterlichaam in een
                                    stedelijk gebied, een poldergebied of een bergingsgebied, moet
                                    compenserende waterberging worden aangelegd binnen het
                                    betreffende peilgebied.</al></li><li nr="3."><al> de demping dient te worden gecompenseerd door vooraf vervangend
                                    wateroppervlak (uitgedrukt in m2) te graven in hetzelfde
                                    peilgebied. Het te graven oppervlak is minimaal gelijk aan het
                                    te dempen oppervlak. 8. in uitzonderingsgevallen kan worden
                                    afgeweken van: </al><lijst><li nr="a."><al>de regel dat moet worden gecompenseerd in hetzelfde
                                            peilgebied. Hiervoor moet echter een goede motivering
                                            worden gegeven. Er geldt dan de volgende volgorde: I.
                                            Compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met
                                            hoger peil); II. Compenseren in aangrenzend
                                            benedenstrooms peilgebied (met lager peil); III.
                                            Compenseren in hetzelfde bemalings-/stroomgebied. b. de
                                            regel dat moet worden gecompenseerd met open water. In
                                            de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is extra
                                            oppervlaktewater ruimtelijk in te passen. Alternatieve
                                            waterberging door meervoudig ruimtegebruik in de vorm
                                            van ondergrondse waterberging zou dan uitkomst kunnen
                                            bieden. Ook hiervoor moet een goede motivering worden
                                            gegeven. Zie de Beleidsregel ondersteunende
                                            kunstwerken.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Nieuw aan te leggen oppervlaktewaterlichamen dienen zo mogelijk
                                    met natuurvriendelijke oevers te worden uitgevoerd.</al></li><li nr="5."><al>Door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen mag geen
                                    directe verbinding ontstaan tussen verschillende
                                    peilgebieden.</al></li></lijst><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>n.v.t.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>6.Zie algemene toetsingscriteria. </al><al><vet>Onderhoud</vet></al><lijst><li nr="7."><al>Als één zijde alleen voor handmatig onderhoud bereikbaar moet
                                    zijn, dan moet deze strook minimaal 1,00 meter breed zijn. Zijn
                                    beide zijden voor handmatig onderhoud bereikbaar dan geldt voor
                                    beide oevers een obstakelvrije zone van 0,5 meter vanaf de
                                    waterkant.</al></li><li nr="8."><al>De doelmatige uitvoering van machinaal onderhoud mag niet
                                    belemmerd worden. Dit betekent dat de op grond van effectiviteit
                                    en efficiëntie ter plaatse gekozen werkwijze voor het rijdend of
                                    varend onderhoud ongewijzigd moet blijven.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Houden van dieren in een oppervlaktewaterlichaam</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet>Op grond van artikel 3.2, eerst lid, van de
                            keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken
                            van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders
                            dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie, daarin,
                            daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten,
                            werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of
                            liggen. Hieronder wordt ook verstaan het houden van dieren in en langs
                            oppervlaktewaterlichamen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet>Onder dieren worden verstaan alle
                            gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens,
                            paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine
                            huisdieren zoals kippen, ganzen en honden. </al><al><vet>Toepassingsgebied</vet>Deze beleidsregel is van toepassing op
                            alle waterstaatswerken zijnde oppervlaktewaterlichamen die (inclusief
                            eventuele onderhoudstroken en natuurvriendelijke oevers) opgenomen zijn
                            in de legger van het waterschap. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria,
                            gelden – indien van toepassing en voor dat aspect geen specifieke
                            toetsingscriteria zijn geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering
                            is gelegen, moet rekening worden gehouden met de desbetreffende
                            beleidsregel(s) voor waterkeringen.</al><al>Met betrekking tot het hebben van dieren is naast deze beleidsregel ook
                            het beleid met betrekking tot het eigendommenbeheer van het waterschap
                            relevant.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het houden van dieren in en langs oppervlaktewaterlichamen
                            categorie A, B en C gelden algemene regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel voldoen, zijn
                            vrijgesteld van de vergunningplicht<vet>.</vet></al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het in stand houden en beschermen van
                            het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale watersysteem.
                            Ook moet het mogelijk blijven om zonder belemmeringen doelmatig
                            onderhoud en inspecties van oppervlaktewaterlichamen uit te kunnen
                            voeren. Daarnaast dienen de overige betrokken functies, zoals de
                            ecologie en eventuele gebruiksfuncties, zoveel mogelijk te worden
                            behouden. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet> Stabiliteit</vet></al><al>De aanwezigheid van huisdieren in en langs oppervlaktewaterlichaam kan
                            een nadelig effect hebben op de stabiliteit van de oever of het
                            talud.</al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>Huisdieren kunnen van invloed zijn op de doorstroming van een watergang,
                            bijvoorbeeld doordat zij de oever vertrappen en daardoor het profiel van
                            de watergang kleiner maken. Ook kan het voorkomen dat, bij afwezigheid
                            van een veekerende constructie, vee in de watergang zelf terecht komt
                            (met als gevolg onderkoeling, verdrinking, vermesting van het water
                            etc.). </al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>Op natuurvriendelijke oevers kan vee o.a. door vertrapping of vermesting
                            ecologische schade toebrengen. </al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Het houden van huisdieren heeft geen effect op de
                            grondwatersituatie.</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Wanneer huisdieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam A gehouden
                            worden, kan dat effect hebben op het onderhoud van de watergang. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria </al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria </al><al><vet>Ecologie / overige gebruiksfuncties</vet></al><al>1.Het hebben of houden van vee of het aanleggen van drinkplaatsen is op
                            natuurvriendelijke oevers niet toegestaan.</al><al><vet> Grondwatersituatie</vet></al><al>nvt</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><lijst><li nr="2."><al>Huisdieren op niet vrijliggende onderhoudspaden dienen op eerste
                                    aanzegging te worden verwijderd. </al></li><li nr="3."><al>De doelmatige uitvoering van machinaal onderhoud mag niet
                                    belemmerd worden. Dit betekent dat de op grond van effectiviteit
                                    en efficiëntie gekozen werkwijze voor het rijdend of varend
                                    onderhoud ongewijzigd moet blijven.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Beleidsregel Objecten en bouwwerken in een
                            oppervlaktewaterlichaam</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet>Op grond van artikel 3.2, eerst lid, van de
                            keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken
                            van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders
                            dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie, daarin,
                            daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten,
                            werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of
                            liggen. Hieronder wordt ook verstaan het aanleggen, verwijderen of
                            behouden van objecten en bouwwerken in oppervlaktewaterlichamen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet>Met bouwwerken worden alle werken van
                            enige omvang die met de bodem zijn verankerd bedoeld.</al><al>Voor de term objecten bestaat geen eenduidige omschrijving. Objecten
                            zijn zeer verschillend van aard en worden om zeer verschillende redenen
                            geplaatst. Onder objecten kunnen bijvoorbeeld toestellen, terrassen,
                            hekwerken, schuttingen, straatmeubilair, schakelkasten en
                            uitstroomvoorzieningen worden verstaan. </al><al><vet>Toepassingsgebied</vet>Deze beleidsregel is van toepassing op
                            alle waterstaatswerken zijnde oppervlaktewaterlichamen die (inclusief
                            eventuele onderhoudsstroken en natuurvriendelijke oevers) opgenomen zijn
                            in de legger van het waterschap. </al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle objecten en bouwwerken die
                            in of vlakbij een oppervlaktewaterlichaam worden aangebracht.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief>Naast de in deze
                            beleidsregels opgenomen specifieke toetsingscriteria, gelden – indien
                            van toepassing en voor dat aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn
                            geformuleerd – de algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregels</cursief>Wanneer het
                            oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering is gelegen,
                            moet rekening worden gehouden met de desbetreffende beleidsregel(s) voor
                            waterkeringen.</al><al>Voor steigers, vlonders en overhangende bouwwerken geldt de Beleidsregel
                            Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken.</al><al>Voor bruggen geldt de Beleidsregel Bruggen.</al><al>Voor (dammen met) duikers geldt de Beleidsregel (Dammen met)
                            duikers.</al><al>Voor kabels en leidingen geldt de Beleidsregel Kabels en leidingen.</al><al>Voor beschoeiingen en damwanden geldt de Beleidsregel Oeverbeschermende
                            voorzieningen. </al><al>Wanneer het aanleggen of behouden van objecten en bouwwerken in
                            oppervlaktewaterlichamen leidt tot wijziging van het profiel, geldt
                            tevens de Beleidsregel Graven in, dempen en aanleg van
                            oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een afrastering of
                            erfafscheiding in oppervlaktewaterlichamen categorie A, B en C gelden
                            algemene regels.</al><al>Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van straatmeubilair en
                            schakelkasten in oppervlaktewaterlichamen categorie Ben C gelden
                            algemene regels.</al><al>Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van uitstroomvoorzieningen
                            oppervlaktewaterlichamen categorie A,B en C gelden algemene regels.</al><al>Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een terras in
                            oppervlaktewaterlichamen categorie A, B en C gelden algemene
                            regels.</al><al><cursief>Privaatrecht </cursief></al><al>Wanneer een object of bouwwerk wordt aangebracht op onroerende zaken van
                            het waterschap zal het object of bouwwerk door natrekking onderdeel
                            worden van deze onroerende zaak. Het beleid van het waterschap bij
                            natrekking staat aangegeven in het eigendommenbeheerbeleid van het
                            waterschap. </al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere regelgeving van
                            toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat
                            het geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                            van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten aanvragen dan wel een
                            melding moeten doen bij het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het in stand houden en beschermen van
                            het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale watersysteem.
                            Ook moet het mogelijk blijven om zonder belemmeringen doelmatig
                            onderhoud en inspecties van oppervlaktewaterlichamen uit te kunnen
                            voeren. Daarnaast dienen de overige betrokken functies, zoals de
                            ecologie en eventuele gebruiksfuncties, zoveel mogelijk te worden
                            behouden. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>Een object of bouwwerk kan een vrij zware constructie zijn. Voorkomen
                            moet worden dat het profiel van een oppervlaktewaterlichaam wordt
                            aangetast door het plaatsen van het werk.</al><al>Het profiel van de watergang moet geschikt zijn voor de aanwezigheid van
                            het bouwwerk of object. Het mag geen nadelige invloed hebben op de
                            waterhuishouding. Het plaatsen of hebben van een werk met een overdruk
                            van 10 bar of een explosiegevaarlijke inrichting die een bedreiging
                            kunnen vormen voor de stabiliteit, is verboden.</al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>Sommige objecten en bouwwerken bevinden zich vanuit hun functie in het
                            natte profiel van een oppervlaktewaterlichaam. Voor deze objecten en
                            bouwwerken (bruggen, stuwen, oevervoorzieningen, etc) zijn afzonderlijk
                            beleidsregels opgesteld. Daarnaast komt het in stedelijk gebied veel
                            voor dat daar waar tuinen aan water grenzen, ter vergroting van het
                            woongenot, werken en objecten in en vlak bij het oppervlaktewaterlichaam
                            worden geplaatst.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>Een object of bouwwerk kan van invloed zijn op de waterkwaliteit door
                            bijvoorbeeld beschaduwing van het oppervlaktewaterlichaam. Aangezien
                            werken sterk verschillend kunnen zijn, zal iedere aanvraag hierop apart
                            getoetst worden.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Het aanleggen of behouden van bouwwerken in oppervlaktewaterlichamen kan
                            wanneer dit tot (gedeeltelijke) demping van het oppervlaktewaterlichaam
                            leidt, gevolgen hebben voor de grondwatersituatie.</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Langs oppervlaktewaterlichamen categorie A kan aan één zijde of aan
                            beide zijden een onderhoudsstrook liggen. Deze onderhoudsstroken, welke
                            zijn vastgelegd in de legger, hebben tot doel dat doelmatig onderhoud
                            met groot materieel door het waterschap kan worden uitgevoerd. Het
                            plaatsen van een object of bouwwerk binnen deze onderhoudsstrook kan dan
                            ook tot gevolg hebben dat het onderhoud vanaf de betreffende zijde van
                            het water wordt belemmerd. De vraag of doelmatig onderhoud kan worden
                            uitgevoerd is daarom bepalend voor het al dan niet verlenen van een
                            watervergunning.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De stabiliteit van de oever mag door het plaatsen van een object
                                    of bouwwerk niet verminderd worden. Bouwwerken dienen dan ook
                                    zodanig te worden gefundeerd dat deze geen invloed uitoefenen op
                                    de bodem en de taluds van het oppervlaktewaterlichaam.</al></li><li nr="2."><al>Ter plaatse van een uitstroomvoorziening moet het talud en zo
                                    nodig de bodem en het tegenover gelegen talud tegen
                                    instabiliteit, afkalving en erosie worden beschermd.</al></li></lijst><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><lijst><li nr="3."><al>Als objecten en bouwwerken worden aangebracht die het voor het
                                    onderhoud benodigde gebruik van de strook niet belemmeren, kan
                                    een watervergunning verleend worden tot de insteek of indien de
                                    insteek niet herkenbaar is in het veld, het snijpunt
                                    waterspiegel/talud. Te denken valt aan (sier)bestrating e.d.. In
                                    de vergunning kan wel het voorschrift worden opgenomen dat dit
                                    bouwwerk of obstakel bij vervanging van de beschoeiing op eerste
                                    aanzegging dient te worden verwijderd.</al></li><li nr="4."><al>Indien het object een uitstroomvoorziening betreft, dient deze
                                    verzonken in het talud te worden aangebracht.</al><al>Beleidsregel Beplantingen in een oppervlaktewaterlichaam </al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het
                                    verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken
                                    van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door,
                                    anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige
                                    functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                                    handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste
                                    substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het
                                    aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting in en langs
                                    oppervlaktewaterlichamen valt ook onder dit verbod.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder beplanting wordt verstaan alle vormen van beplanting,
                                    zoals bomen en struiken (hoogopgaand en laagblijvend) die
                                    algemeen voorkomen in het landschap en tevens worden beschouwd
                                    als een werk in en langs een oppervlaktewaterlichaam conform de
                                    keur.</al><al><vet> Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken
                                    zijnde oppervlaktewaterlichamen die (inclusief eventuele
                                    onderhoudsstroken of natuurvriendelijke oevers) opgenomen zijn
                                    in de legger van het waterschap. </al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle beplantingen die in
                                    een oppervlaktewaterlichaam worden aangebracht.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een
                                    waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met de
                                    desbetreffende beleidsregel(s) voor waterkeringen.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting in en
                                    langs oppervlaktewaterlichamen categorie B en C gelden algemene
                                    regels</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht<vet>.</vet></al><al><cursief>Privaatrecht </cursief></al><al>Wanneer beplanting wordt aangebracht op onroerende zaken van het
                                    waterschap zal de beplanting door natrekking onderdeel worden
                                    van deze onroerende zaak. Het beleid van het waterschap bij
                                    natrekking staat aangegeven in het eigendommenbeheerbeleid van
                                    het waterschap. </al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie
                                    van het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale
                                    watersysteem. Belangrijke aspecten daarbij zijn het in stand
                                    houden van het doorstromingsprofiel en waterberging, het
                                    waarborgen van de stabiliteit en de normale
                                    onderhoudsmogelijkheden. </al><al>Ook de stabiliteit van de taluds kan in het geding komen. Het
                                    moet mogelijk blijven om doelmatig onderhoud uit te voeren.
                                    Andere functies, bijvoorbeeld natuur, moeten behouden
                                    blijven.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Beplanting heeft een hoge belevingswaarde, maar is direct nabij
                                    een oppervlaktewaterlichaam veelal ongewenst. Niet zozeer de
                                    solitaire beplanting of rijbeplanting geeft ongewenste effecten,
                                    maar veel aaneengesloten beplanting, vaak hoogopgaand, geeft
                                    problemen met het oog op bereikbaarheid met onderhoudsmaterieel.
                                    Daarnaast veroorzaakt deze beplanting overlast als gevolg van
                                    schaduw op het oppervlaktewater en bladval.</al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>Bij het aanbrengen van beplanting moet rekening worden gehouden
                                    met de stabiliteit van het talud en de oevers. Het profiel van
                                    het oppervlaktewaterlichaam moet hiervoor geschikt zijn. Door
                                    met name grotere bomen en struiken kan het talud afschuiven door
                                    omwaaien, waardoor het oppervlaktewaterlichaam wordt versperd.
                                    Er worden daarom eisen gesteld aan de plaatsing van de
                                    beplanting ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam en ten
                                    opzichte van elkaar.</al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit </vet></al><al>Sommige beplanting bevindt zich door zijn aard of functie in het
                                    natte profiel van een oppervlaktewaterlichaam of bevindt zich
                                    binnen stedelijk gebied aansluitend op openbaar groen of tuinen
                                    in en langs het oppervlaktewaterlichaam met beschermingszone.
                                    Deze beplanting beïnvloedt de doorstroming en de berging
                                    nadelig. De afweging is dat een benodigd doorstromingsprofiel
                                    zoals vastgelegd in de legger, vrij dient te blijven. Overigens
                                    kan beplanting een functie hebben ten aanzien van
                                    oeverbescherming.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>Beplanting kan van invloed zijn op de waterkwaliteit door
                                    schaduwwerking op en te veel directe bladval in het
                                    oppervlaktewaterlichaam. De uitgangspunten die gelden met
                                    betrekking tot het onderhoud kunnen hier worden herhaald.
                                    Overigens kan het uit ecologisch oogpunt juist ook gewenst zijn
                                    dat beplanting langs een oppervlaktewaterlichaam wordt
                                    aangebracht, bijvoorbeeld juist vanwege de beschaduwing.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Het aanleggen en behouden van beplanting heeft geen effect op de
                                    grondwatersituatie.</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam mag niet
                                    worden belemmerd. Als dit vanaf de kant wordt gedaan dient een
                                    strook langs het oppervlaktewaterlichaam vrij gehouden te
                                    worden. Als het onderhoud vanaf het water wordt uitgevoerd,
                                    dient voldoende doorvaartbreedte vrij te blijven.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al>NB: de hieronder genoemde normen gelden als toetsingscriteria
                                    voor voorzover de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam
                                    zoals deze zijn vastgelegd in de legger, dit toelaten.</al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Zie de algemene toetsingscriteria.</al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Vanwege de grote kans op instabiliteit van het talud
                                            door het aanbrengen van beplanting nabij de insteek van
                                            het oppervlaktewaterlichaam, zal een aanvraag voor het
                                            aanbrengen van beplanting (bomen en struiken) binnen
                                            2,00 m uit de insteek worden afgewezen, tenzij de
                                            afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals deze in
                                            de legger zijn vastgelegd, dit toelaten.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer bestaande beplanting een geheel vormt met het
                                            talud, dusdanig dat verwijderen van de beplanting zal
                                            leiden tot instabiliteit van het talud, wordt een
                                            aanvraag voor het verwijderen van beplanting
                                            afgewezen.</al></li><li nr="3."><al>Solitaire bomen dienen 2,00 m uit de insteek van het
                                            oppervlaktewaterlichaam te worden aangebracht, mits de
                                            afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals deze in
                                            de legger zijn vastgelegd, dit toelaten. De
                                            hart-op-hartafstand van de stam van de bomen dient
                                            minimaal 12 meter te bedragen, zodat onderhoud en
                                            specieberging mogelijk blijven. </al></li><li nr="4."><al>Plaatselijke omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een
                                            grotere, dan wel kleinere afstanden dan die hiervoor
                                            zijn aangegeven, worden voorgeschreven. </al></li></lijst><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>5.De beplanting dient buiten het doorstromingsprofiel te worden
                                    aangebracht.</al><al><vet>Ecologi</vet><vet>sche toestand</vet></al><lijst><li nr="6."><al>Vanuit ecologisch oogpunt dient de afstand van de
                                            beplanting tot het oppervlaktewaterlichaam zodanig te
                                            zijn, ook in relatie tot de hoogte, dat schaduw en
                                            bladval beperkt blijven. </al></li><li nr="7."><al>In bijzondere gevallen kan schaduwwerking juist
                                            wenselijk zijn. </al></li></lijst><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><lijst><li nr="8."><al>Incidentele beplanting als bosschages en dergelijke,
                                            wordt op de onderhoudstrook toegelaten mits deze het
                                            doelmatig machinaal onderhoud niet belemmeren. Parallel
                                            aan het water mag zo’n bosschage daarom niet langer dan
                                            3,00 m zijn.</al></li><li nr="9."><al>Plaatselijke omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een
                                            grotere, dan wel kleinere afstanden dan die hiervoor
                                            zijn aangegeven, worden voorgeschreven</al></li></lijst><al>Beleidsregel Bruggen in een oppervlaktewaterlichaam </al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur </vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur is het
                                    verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken
                                    van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door,
                                    anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige
                                    functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                                    handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste
                                    substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Een brug is een werk over een oppervlaktewaterlichaam, dat
                                    bedoeld is om een perceel te ontsluiten of om openbare wegen
                                    over oppervlaktewaterlichamen te verbinden. </al><al><vet> Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken
                                    zijnde oppervlaktewaterlichamen, die (inclusief eventuele
                                    onderhoudsstroken en natuurvriendelijke oevers) opgenomen zijn
                                    in de legger van het waterschap.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Soms worden brughoofden in het natte profiel geplaatst. Daardoor
                                    krijgen ze meer het karakter van een (WACO-)duiker. Dergelijke
                                    ‘bruggen’ worden dan ook als duikers getoetst aan de voor
                                    duikers geldende beleidsregels. Als er sprake is van vernauwing
                                    van het natte profiel is de beleidsregel voor duikers in ieder
                                    geval van toepassing.</al><al>Bij bruggen ten behoeve van de infrastructuur dient ook rekening
                                    te worden gehouden met het lozingsaspect.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het aanleggen, verwijderen en houden van bruggen in en over
                                    oppervlaktewaterlichamen categorie B en C gelden algemene
                                    regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht</al><al><cursief>Privaatrecht </cursief></al><al>Wanneer een brug wordt aangebracht op onroerende zaken van het
                                    waterschap zal de brug door natrekking onderdeel worden van deze
                                    onroerende zaak. Het beleid van het waterschap bij natrekking
                                    staat aangegeven in het eigendommenbeheerbeleid van het
                                    waterschap.</al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van het beleid</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie
                                    van het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale
                                    watersysteem. Belangrijke aspecten daarbij zijn het in stand
                                    houden van het doorstromingsprofiel en waterberging, het
                                    waarborgen van de stabiliteit en de onderhoudsmogelijkheden. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet> Stabiliteit</vet></al><al>Bij het plaatsen van bruggen dienen de vorm, afmetingen en
                                    constructie van het oppervlaktewaterlichaam te worden behouden,
                                    zowel bij aanleg als daarna (zoals bij het uitvoeren van
                                    onderhoud aan de brug). </al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit </vet></al><al>Als bruggen worden geplaatst zonder ondersteunende pijlers in
                                    het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam heeft de brug
                                    vrijwel geen effect op de doorstroming van de watergang. Bij
                                    lange bruggen worden vaak wel pijlers gebruikt. Daardoor kan de
                                    doorstroming worden beïnvloed, bijvoorbeeld door ophoping van
                                    vuil. </al><al><vet>Ecologische toestand </vet></al><al>Het materiaal waaruit de brug bestaat kan van invloed zijn op de
                                    waterkwaliteit. Er kunnen daarom eisen worden gesteld aan het
                                    gebruikte materiaal. Tevens dient rekening te worden gehouden
                                    met faunapassage.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Het hebben van een brug heeft geen effect op de
                                    grondwatersituatie.</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Bij een brug over een oppervlaktewaterlichaam categorie A is het
                                    belangrijk dat de brug het doelmatig onderhoud aan het
                                    oppervlaktewaterlichaam niet belemmert. Er worden daarom eisen
                                    gesteld aan de hoogte van de brug ten opzichte van het
                                    maximumpeil en de afstand tussen de eventuele pijlers. Daarnaast
                                    is het ook belangrijk hoever de brug afligt van een ander
                                    (kunst)werk. Wanneer een brug bijvoorbeeld te dicht op een
                                    andere brug of een dam met duiker is geplaatst zou dat kunnen
                                    betekenen dat doelmatig onderhoud met behulp van machines
                                    moeilijk wordt of zelfs niet meer mogelijk is.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet> Stabiliteit </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De beschoeiing mag niet worden beschadigd. Ook moet
                                            schade aan de bodem voorkomen worden.</al></li><li nr="2."><al>Indien hogere stroomsnelheden worden veroorzaakt door de
                                            aanleg van bruggen moeten voorzieningen worden aangelegd
                                            om onder andere schade aan de taluds te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>De oevers (met name onder de brug waar nauwelijks
                                            plantengroei is) moeten afdoende beschermd zijn.</al></li><li nr="4."><al>De taluds onder de brug en aan weerszijden tot 2,00
                                            meter naast de brug moeten verhard worden
                                            afgewerkt.</al></li></lijst><al><vet>Doors</vet><vet>tro</vet><vet>o</vet><vet>m</vet><vet>- en
                                        </vet><vet>berging</vet><vet>scapaciteit</vet></al><lijst><li nr="5."><al>De aanleg van de brug mag het doorstroomprofiel van het
                                            oppervlaktewaterlichaam niet aantasten.</al></li><li nr="6."><al>Een watervergunning wordt in beginsel alleen verleend
                                            als aangetoond wordt dat de brug nodig is om op een
                                            efficiënte manier van het ene perceel op het andere te
                                            komen, dus dienst doet als overgang. Waar dat mogelijk
                                            is moeten bestaande overgangen worden benut.</al></li><li nr="7."><al>Per perceel wordt maximaal 1 brug toegestaan. Bij
                                            percelen die over een afstand van meer dan 250 meter
                                            grenzen aan een oppervlaktewaterlichaam kunnen 2 of meer
                                            bruggen worden toegestaan. De minimale afstand tussen de
                                            bruggen moeten dan wel 250 meter bedragen.</al></li><li nr="8."><al>Bij vergunningaanvragen voor bruggen speelt de
                                            gevoeligheid van het bovenstroomse of aangrenzende
                                            gebied voor wateroverlast een grote rol. Dit dient bij
                                            de vergunningverlening te worden meegewogen. </al></li><li nr="9."><al>Voor oppervlaktewaterlichamen met een bovenbreedte 8
                                            meter geldt dat bruggen met pijlers niet zijn
                                            toegestaan.</al></li><li nr="10."><al>Het in de watervergunning voor te schijven aantal
                                            pijlers en de onderlinge afstand, is afhankelijk van de
                                            vorm, breedte en functie (berging en/of afvoer) van het
                                            oppervlaktewaterlichaam. </al></li><li nr="11."><al>In principe worden er geen pijlers in het
                                            doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam
                                            toegestaan.</al></li><li nr="12."><al>Aan de brug, de landhoofden en eventuele pijlers kunnen
                                            technische voorwaarden worden verbonden ter waarborging
                                            van een goede staat van onderhoud van het water en ten
                                            aanzien van de toegestane verkeersklasse van de brug. Zo
                                            moeten de pijlers rond van vorm zijn om onnodige stuwing
                                            te voorkomen.</al></li><li nr="13."><al>De hoogte van de brug ten opzichte van de bodem is
                                            afhankelijk van de maatgevende afvoer van het
                                            oppervlaktewaterlichaam. Met behulp van de maatgevende
                                            afvoer en het profiel van het oppervlaktewaterlichaam
                                            kan de minimale afmeting worden berekend. De onderkant
                                            van de brugconstructie dient mimimaal 0,5 meter boven de
                                            hoogwaterlijn te liggen zodat er tijdens hoogwater geen
                                            drijfvuil kan verzamelen bij de brug. Voor een
                                            oppervlaktewaterlichaam welke varend wordt onderhouden
                                            is criterium 16 van deze beleidsregel tevens van
                                            toepassing.</al></li><li nr="14."><al>Door het verlenen van een watervergunning voor het
                                            plaatsen van een brug mogen niet alle reserves gebruikt
                                            worden. Met andere woorden: de eerste aanvrager mag niet
                                            beperkend worden voor de andere aanvrager. Het belang
                                            van het betreffende oppervlaktewaterlichaam voor de
                                            waterhuishouding wordt ook meegewogen.</al></li></lijst><al><vet>Ecologi</vet><vet>sche functie</vet><vet> / andere
                                        functies</vet></al><lijst><li nr="15."><al>De bruggen in oppervlaktewaterlichamen met een
                                            natuurfunctie dienen geschikt te worden gemaakt voor het
                                            migreren van fauna. Bijvoorbeeld door de afmetingen van
                                            de brug hierop aan te passen of looprichels aan te
                                            brengen.</al></li><li nr="16."><al>De brug mag het eventuele gebruik van het
                                            oppervlaktewaterlichaam als vaarwater niet belemmeren.
                                            Dit betekent dat een minimale doorvaarthoogte aan de
                                            watervergunning kan worden verbonden. Tevens kunnen
                                            aanvullende voorschriften ten aanzien van de afwatering
                                            van het wegdek worden opgenomen</al></li></lijst><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><lijst><li nr="17."><al>Wordt het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam met de
                                            maaiboot onderhouden, dan dient de minimale
                                            doorvaarthoogte 1,25 meter te zijn. De doorvaartbreedte
                                            dient in dit geval minimaal 2,50 meter te zijn.</al></li><li nr="18."><al>De aanleg en aanwezigheid van de brug mag het onderhoud
                                            van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit
                                            betekent dat de brug minimaal 10 meter van een ander
                                            werk in het oppervlaktewaterlichaam geplaatst moet
                                            worden.</al></li></lijst><al>Beleidsregel Dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam </al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur is het
                                    verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken
                                    van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door,
                                    anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige
                                    functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                                    handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste
                                    substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder een dam met duiker wordt verstaan een werk over en in een
                                    oppervlaktewaterlichaam, dat bedoeld is voor de verbinding van
                                    een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar
                                    een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam.
                                    Soms worden dammen met duiker ook wel gebruikt om watergangen
                                    met elkaar te verbinden. Onder een duiker wordt een ronde (en in
                                    sommige gevallen een rechthoekige) buis verstaan, welke meestal
                                    uit meerdere delen bestaat.</al><al><vet> Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken
                                    zijnde oppervlaktewaterlichamen, die (inclusief eventueel
                                    onderhoudsstroken en natuurvriendelijke oevers) opgenomen zijn
                                    in de legger van het waterschap. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een
                                    waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met des
                                    betreffende beleidsregel(s) voor waterkeringen en
                                    waterbergingsgebieden.</al><al>Op dammen met duiker die worden aangelegd om
                                    oppervlaktewaterlichamen te verbinden is ook de beleidsregel
                                    Graven in, dempen en aanleg van oppervlaktewaterlichamen welke
                                    o.a. ziet op de aanleg van nieuwe oppervlaktewaterlichamen, aan
                                    de orde. Overigens ziet deze beleidsregel ook op het
                                    gedeeltelijk dempen, wat ook bij het leggen van een dam met
                                    duiker aan de orde kan zijn. Een andere mogelijkheid om een
                                    perceel te ontsluiten is het plaatsen van een brug. Voor het
                                    plaatsen van bruggen geldt een aparte beleidsregel. Bij dammen
                                    met duiker ten behoeve van de infrastructuur dient ook rekening
                                    te worden gehouden met het lozingsaspect.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een
                                    (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichamen B en C gelden
                                    algemene regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht<vet>.</vet></al><al><cursief>Privaatrecht </cursief></al><al>Wanneer een dam met duiker wordt aangebracht op onroerende zaken
                                    van het waterschap zal de dam met duiker door natrekking
                                    onderdeel worden van deze onroerende zaak. Het beleid van het
                                    waterschap bij natrekking staat aangegeven in het
                                    eigendommenbeheerbeleid van het waterschap.</al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie
                                    van het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale
                                    watersysteem. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                    waterkwantiteitstrits vasthouden, bergen afvoeren. Belangrijke
                                    aspecten daarbij zijn het in stand houden van het
                                    doorstroomprofiel en waterberging, het waarborgen van de
                                    stabiliteit van de taluds en de onderhoudsmogelijkheden.
                                    Daarnaast dienen de overige betrokken functies, zoals de
                                    ecologie, zoveel mogelijk te worden behouden. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet> Stabiliteit</vet></al><al>Bij het aanleggen van een dam met duiker dienen de vorm,
                                    afmetingen en constructie van het oppervlaktewaterlichaam te
                                    worden behouden, zowel bij aanleg als daarna (zoals bij het
                                    uitvoeren van onderhoud aan de dam met duiker).</al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit </vet></al><al>Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt een vernauwing op
                                    van het oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming van
                                    het water vermindert. Afhankelijk van de lengte van de dam en de
                                    diameter van de duiker treedt opstuwing en verlies aan berging
                                    op. Deze negatieve effecten moeten beperkt worden. Voor
                                    perceelsontsluiting wordt de lengte van de dam met duiker
                                    beperkt. Afhankelijk van de functie en de afmetingen van het
                                    oppervlaktewaterlichaam (categorieën) worden er minimale
                                    afmetingen gesteld aan dam met duiker; hierbij speelt de lengte
                                    van de duiker en de kans op verstopping ook een rol.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>Het materiaal waaruit de dam met duiker bestaat kan van invloed
                                    zijn op de waterkwaliteit. Er kunnen daarom eisen worden gesteld
                                    aan het gebruikte materiaal en aan de afwerking van de taluds.
                                    Daarnaast kan de duiker ook invloed hebben op de ecologische
                                    functie van het oppervlaktewaterlichaam. Dit gebeurt met name
                                    bij lange duikers en duikers in oppervlaktewaterlichamen met een
                                    natuurfunctie zoals deze zijn aan aangegeven op de bij de keur
                                    en Algemene regels behorende natuurkaart. </al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Het leggen van een dam met duiker kan effect hebben op de
                                    grondwatersituatie doordat het drainerend vermogen van het
                                    oppervlaktewaterlichaam beperkt wordt. </al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>De locatie van een dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam
                                    categorie A is van belang voor het doelmatig onderhoud aan het
                                    oppervlaktewaterlichaam. Om goed onderhoud te kunnen uitvoeren
                                    is het van belang dat het oppervlaktewaterlichaam goed
                                    bereikbaar is voor (machinaal) onderhoud. De dam met duiker mag
                                    daarom niet te dicht bij andere (kunst)werken worden aangelegd. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>1.Indien door de aanleg van de dam met duiker, hogere
                                    stroomsnelheden worden veroorzaakt dan 0,70 meter per seconde in
                                    de duiker, moeten in- en uitstroomvoorzieningen worden aangelegd
                                    om onder andere schade aan de taluds en bodem te voorkomen.</al><al><vet>Doorstro</vet><vet>o</vet><vet>m</vet><vet>- en
                                        </vet><vet>berging</vet><vet>scapaciteit</vet></al><lijst><li nr="2."><al>In principe wordt alleen vergunning verleend voor een
                                            dam met duiker ten behoeve van perceelsontsluiting.</al></li><li nr="3."><al>Voor duikers ten behoeve van een functie anders dan
                                            perceelontsluiting (bijvoorbeeld parkeren of tuin) wordt
                                            alleen in specifieke gevallen vergunning verleend.
                                            Bijvoorbeeld wanneer de perceelsontsluiting essentieel
                                            is in het kader van de bedrijfsvoering.</al></li><li nr="4."><al>Watervergunningen voor het plaatsen van dammen met
                                            duikers in oppervlaktewaterlichamen categorie A die
                                            gebruikt worden als ontsluiting van percelen, kunnen
                                            alleen worden verleend als die percelen niet op een
                                            andere manier ontsloten zijn of kunnen worden ontsloten.
                                            In principe wordt maximaal één duiker per perceelszijde
                                            toegestaan,</al></li><li nr="-"><al>tenzij de aanvraag ziet op de aanleg van een op grond
                                            van bedrijfshygiënische reden wettelijk verplichte
                                            tweede in- en uitrit, waarbij de minimale afstand tussen
                                            de dammen 10 meter bedraagt; - tenzij er sprake is van
                                            een ander bijzonder geval waarbij het wenselijk is dat
                                            meer duikers worden toegestaan (bijv. bij percelen die
                                            over een lengte van meer dan 250 meter grenzen aan een
                                            watergang).</al></li><li nr="5."><al>De dam met duiker mag een maximale opstuwing veroorzaken
                                            van 5 millimeter bij maatgevende afvoer van 1,5 liter
                                            per seconde per hectare. Bij vergunningaanvragen voor
                                            duikers speelt de gevoeligheid van het bovenstroomse of
                                            aangrenzende gebied voor wateroverlast een grote rol.
                                            Dit dient bij de vergunningverlening te worden
                                            meegewogen. Overigens mogen door het verlenen van een
                                            watervergunning voor het plaatsen van een dam met duiker
                                            niet alle reserves gebruikt worden. Met andere woorden:
                                            de eerste aanvrager mag niet beperkend worden voor de
                                            andere aanvrager. Het belang van de betreffende
                                            watergang voor de waterhuishouding wordt ook
                                            meegewogen</al></li><li nr="6."><al>Wanneer een langere duiker gevraagd wordt dan de
                                            maximaal toegestane (standaard) lengte moet dit
                                            gemotiveerd worden en is aanleg daarvan alleen mogelijk
                                            als het verlies aan bergend vermogen door de extra
                                            lengte gecompenseerd wordt. </al></li></lijst><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><lijst><li nr="7."><al>Duikers in watergangen met een natuurfunctie mogen geen
                                            belemmering betekenen voor de aanwezige of nog te
                                            ontwikkelen ecologische waarden. Dit betekent dat
                                            ligging, diepte, diameter van de duiker waarvoor
                                            vergunning wordt aangevraagd, daarop moeten worden
                                            afgestemd. Indien e.e.a. niet verenigbaar is met de
                                            natuurfunctie, zal de vergunning worden geweigerd. </al></li><li nr="8."><al>Bij de aanvulling ten behoeve van de aanleg van de dam
                                            met duiker dienen materialen te worden toegepast, die
                                            geen nadelig effect hebben op de waterkwaliteit en de
                                            leefomgeving. </al></li></lijst><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Door aanleg van duikers kan het drainerend vermogen van een
                                    oppervlaktewaterlichaam verminderen. </al><al><vet>Onderhoud</vet></al><lijst><li nr="9."><al>De duiker dient in principe een vrije doorstroomhoogte
                                            in de duiker te hebben van minimaal 0,20 meter bij
                                            oppervlaktewaterlichamen categorie A boven het hoogst
                                            vastgestelde peil.</al></li><li nr="10."><al>Wordt het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam met de
                                            maaiboot onderhouden, dan dient de duiker als vaarduiker
                                            te worden uitgevoerd; de minimale doorvaarthoogte van de
                                            vaarduiker dient 1,25 meter boven het hoogst
                                            vastgestelde peil te zijn. De doorvaartbreedte dient
                                            minimaal 2,5 meter te zijn.</al></li><li nr="11."><al>De aanleg en aanwezigheid van de dam met duiker mag het
                                            onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet
                                            belemmeren. Dit betekent dat de dam met duiker niet
                                            binnen een afstand van 10 meter op een ander werk
                                            geplaatst mag worden. In oppervlaktewaterlichamen A zijn
                                            dubbele duikers (twee duikers naast elkaar) niet
                                            toegestaan. Bij lange duikers dient om de 30 meter een
                                            inspectieput te worden aangebracht. Een uitzondering
                                            hierop zijn de zogenaamde vaarduikers in
                                            oppervlaktewaterlichamen die varend worden
                                            onderhouden.</al></li><li nr="12."><al>Duikers met een bocht of een knik dienen ter hoogte van
                                            de bocht cq knik eveneens een inspectieput te
                                            hebben.</al></li></lijst><al><vet>Constructieve eisen</vet></al><lijst><li nr="13."><al>Zowel in landelijk als in stedelijk gebied, geldt dat de
                                            minimale doorsnede van een duiker in een
                                            oppervlaktewaterlichaam 0,50 meter bedraagt. </al></li><li nr="14."><al>Voor de lengte van de duiker in een dam wordt voor
                                            particuliere perceelontsluitingen standaard uitgegaan
                                            van maximaal 10 meter, voor bedrijfsmatig gebruik
                                            standaard van maximaal 25 meter.</al></li></lijst><al>Beleidsregel Kabels en leidingen in een
                                    oppervlaktewaterlichaam</al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur is het
                                    verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken
                                    van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones
                                    door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige
                                    functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                                    handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste
                                    substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onder kabels en leidingen worden verstaan alle kabels en
                                    leidingen ongeacht diameter of functie.</al><al>Voorbeelden zijn vrij lozende leidingen (bijvoorbeeld
                                    rioolleiding), druk- of pijpleidingen (bijvoorbeeld persriool,
                                    water, gas), en kabels voor elektra, telefonie , glasvezel etc..
                                    Kabels en leidingen kunnen zowel parallel aan als kruisend (over
                                    of onderdoor) ten opzichte van een oppervlaktewaterlichaam
                                    worden gelegd. Daarnaast kan de kruising ten opzichte van het
                                    oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden aan of over
                                    kunstwerken.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken
                                    zijnde oppervlaktewaterlichamen die (inclusief eventuele
                                    onderhoudsstroken en natuurvriendelijke oevers) opgenomen zijn
                                    in de legger van het waterschap. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een
                                    waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met de
                                    desbetreffende beleidsregel(s) voor waterkeringen.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van kabels en
                                    leidingen in oppervlaktewaterlichamen A, B en C gelden algemene
                                    regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht<vet>.</vet> Op handelingen die onder de
                                    keur vallen, kan ook andere regelgeving van toepassing zijn.
                                    Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en faunawet. Indien dat het
                                    geval is, zal de initiatiefnemer naast de watervergunning op
                                    grond van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten
                                    aanvragen dan wel een melding moeten doen bij het desbetreffende
                                    bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie
                                    van het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale
                                    waterhuishoudkundige systeem. Belangrijke aspecten hierbij zijn
                                    het in stand houden van de stabiliteit van de taluds /oevers, de
                                    doorstroming van het water tijdens en na de aanleg van de kabel
                                    of leiding en het waarborgen van de normale
                                    onderhoudsmogelijkheden.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>Kabels en leidingen worden veelal geplaatst door middel van een
                                    open ontgraving en/of een gestuurde boring. Wanneer deze
                                    werkzaamheden te dicht op de insteek van een
                                    oppervlaktewaterlichaam worden uitgevoerd kan dat een negatief
                                    effect hebben op de stabiliteit van de oevers of taluds. Wanneer
                                    een leiding is ingegraven of geboord zou het voor kunnen komen
                                    dat deze beschadigd raakt (zeker als deze ondiep onder maaiveld,
                                    talud of slootbodem ligt). Er worden daarom eisen gesteld aan de
                                    afmetingen van een ontgraving (maximale breedte en diepte van de
                                    geul). </al><al>Voor de stabiliteit is niet zozeer de kabel of leiding, maar de
                                    uitvoeringsmethode voor de kabel of leiding bepalend. Veelal
                                    leidt dit tot het stellen van aanvullende voorschriften. Tevens
                                    kunnen oppervlaktewaterlichamen voorzien zijn van kademuren. In
                                    die gevallen kan het belangrijk zijn om aanvullende
                                    voorschriften te stellen.</al><al><vet>Doorstroomcapaciteit</vet></al><al>Omdat de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam niet mag
                                    worden gehinderd, mogen kabels en leidingen niet in het
                                    doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam lopen. Er zijn
                                    voorschriften over de diepte waarop kabels en leidingen ten
                                    opzichte van het (legger)profiel dienen te worden
                                    aangebracht.</al><al><vet>Ecologische functie</vet></al><al>n.v.t.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Gestuurde boringen kunnen grondlagen doorboren die slecht
                                    waterdoorlatend zijn. Als onder de slechtdoorlatende laag de
                                    waterdruk hoger is dan erboven, kan er water via de gestuurde
                                    boring omhoog komen. De slechtdoorlatende lagen kunnen
                                    horizontaal zijn (vooral in de Gelderse Vallei) of verticaal
                                    (aan de oostzijde van de Veluwe).</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Kabel- en leidingwerkzaamheden hebben tijdens de uitvoering
                                    weinig effect op de doelmatigheid van het onderhoud. Aan het
                                    profiel van de watergang en de bescherming verandert immers
                                    niets. Wat met betrekking tot het onderhoud wel van belang is,
                                    is dat kabels en leidingen niet beschadigd mogen worden als er
                                    onderhoudswerkzaamheden aan de watergang worden uitgevoerd. Ook
                                    daarom zijn er voorschriften over de diepte waarop kabels en
                                    leidingen worden aangebracht.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al>NB: de hieronder genoemde normen gelden als toetsingscriteria
                                    voorzover de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zoals
                                    deze zijn vastgelegd in de legger, dit toelaten.</al><al><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Leidingkruisingen dienen zoveel mogelijk ter plaatse van
                                            bestaande duikers en bruggen of een bestaand
                                            leidingtracé te worden gerealiseerd.</al></li><li nr="2."><al>Geen vergunning wordt verleend voor bovengrondse kabels
                                            en leidingen tot een hoogte van 5 meter boven maaiveld,
                                            tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. In dat geval
                                            zullen er aan de vergunning voorschriften worden
                                            verbonden teneinde de kans op gevaar/schade zo veel
                                            mogelijk uit te sluiten. Voor bovengrondse kabels en
                                            leidingen door een kunstwerk wordt alleen vergunning
                                            verleend als daardoor de watergang niet beschadigd wordt
                                            /de doorstroming niet wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>De minimale afstand van de kabel of leiding ten opzichte
                                            van het oppervlaktewaterlichaam, zowel verticaal als
                                            horizontaal, wordt afhankelijk van de lokale situatie en
                                            de aard en omvang van de kabel of leiding per geval
                                            bepaald.</al></li></lijst><al><vet>Stabiliteit</vet></al><lijst><li nr="4."><al>Bij een gestuurde boring moet de bouwput buiten het
                                            oppervlaktewaterlichaam worden gerealiseerd.</al></li><li nr="5."><al>Bij het maken van een gestuurde boring moet worden
                                            voldaan aan de richtlijnen volgens NEN 3650 en NEN
                                            3651.</al></li><li nr="6."><al>Bij een gestuurde boring onder een
                                            oppervlaktewaterlichaam wordt de afstand tussen de
                                            insteek en het intrede- en uittredepunt van de boring
                                            per geval bepaald.</al></li><li nr="7."><al>Bij een gestuurde boring dient de spoeldruk zodanig te
                                            zijn dat geen bentonietspoeling ter plaatse van bodem,
                                            taluds en onderhoudsstrook van het
                                            oppervlaktewaterlichaam uit kan treden. Vergunning wordt
                                            verleend in geval van vrij verval rioleringen tussen 0,5
                                            meter en 1 meter onder de bodem van een watergang mits
                                            met speciale voorzieningen (stelconplaten, gobimatten
                                            etc.) </al></li></lijst><al><vet>Doorstroomcapaciteit</vet></al><al>8.Eventueel noodzakelijke hulpconstructies (damwanden,
                                    omleidingen, etc.) behoeven de goedkeuring van het
                                    waterschap.</al><al><vet>Ecologische functie</vet></al><al>Nvt</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Bij een eventuele doorboring van slecht doorlatende lagen in de
                                    ondergrond dienen passende maatregelen te worden genomen.</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al> Zie algemene toetsingscriteria.</al><al>Beleidsregel Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken in
                                    een oppervlaktewaterlichaam </al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur is het
                                    verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken
                                    van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door,
                                    anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige
                                    functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                                    handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste
                                    substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk wordt in de zin van
                                    de keur beschouwd als een werk. Het leggen en behouden van
                                    steigers, vlonders en overhangende bouwwerken, zonder
                                    watervergunning is daarom op grond van de Keur verboden. Onder
                                    een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk wordt verstaan een
                                    constructie aan of op het water, die bedoeld is om mensen direct
                                    bij het water toe te laten, of om met een vaartuig aan te leggen
                                    (vissen, zwemmen, kanoën, zeilen). </al><al>De steiger is een constructie die gedeeltelijk over een
                                    oppervlaktewaterlichaam is geplaatst terwijl een vlonder een
                                    losse houten vloer is die zich op het maaiveld bevindt grenzend
                                    aan het oppervlaktewaterlichaam dan wel drijft op het
                                    oppervlaktewaterlichaam. In dit laatste geval spreken van
                                    drijvende vlonders.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken
                                    zijnde oppervlaktewaterlichamen, die (inclusief eventuele
                                    onderhoudsstroken en natuurvriendelijke oevers) opgenomen zijn
                                    in de legger van het waterschap. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een
                                    waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met de
                                    desbetreffende beleidsregel(s) voor waterkeringen </al><al>Bij oppervlaktewaterlichaam die als vaarwater zijn aangewezen,
                                    moet ook rekening worden gehouden met regels die gesteld zijn in
                                    het kader van dit vaarwegbeheer </al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger,
                                    vlonder of overhangend bouwwerk in oppervlaktewaterlichamen A, B
                                    en C gelden algemene regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht<vet>.</vet></al><al><cursief>Privaatrecht </cursief></al><al>Wanneer een steiger, vlonder of overhangend werk wordt
                                    aangebracht op onroerende zaken van het waterschap zal het werk
                                    door natrekking onderdeel worden van deze onroerende zaak. Het
                                    beleid van het waterschap bij natrekking staat aangegeven in het
                                    eigendommenbeheerbeleid van het waterschap.</al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie
                                    van het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale
                                    watersysteem. In het geval van steigers, vlonders en
                                    overhangende bouwwerken gaat het er vooral om dat de
                                    doorstroming niet wordt belemmerd, de waterberging in stand
                                    wordt gehouden en de stabiliteit van de taluds wordt
                                    gewaarborgd. Belangrijk aspect is het waarborgen van de
                                    mogelijkheden voor gewoon en buitengewoon onderhoud. De
                                    toegepaste materialen mogen geen nadelige gevolgen hebben voor
                                    de waterkwaliteit.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet> Stabiliteit</vet></al><al>Een steiger, vlonder of overhangend werk kan belemmerend werken
                                    op de groei van taludbeschermende beplanting (schaduw). Een
                                    oeverbescherming is dan noodzakelijk.</al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>Indien een steiger ondersteund wordt door palen die in het water
                                    zijn geplaatst of indien de steiger tot op de waterlijn wordt
                                    aangebracht kan dit tot stremming en of opstuwing leiden. Ook
                                    spelen de inrichting en peilfluctuaties van het
                                    oppervlaktewaterlichaam een rol.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>De toe te passen materialen mogen geen negatieve gevolgen hebben
                                    voor de waterkwaliteit.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Het aanleggen en hebben van een steiger, een vlonder of een
                                    overhangend werk heeft geen gevolgen voor de
                                    grondwatersituatie.</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>De doelmatige uitvoering van machinaal onderhoud mag niet
                                    belemmerd worden. Dit betekent dat de op grond van effectiviteit
                                    en efficiëntie gekozen werkwijze voor rijdend of varend
                                    onderhoud ongewijzigd moet blijven.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>1.De steiger, vlonder of overhangend bouwwerk mag niet rusten op
                                    beschoeiingen, schanskorven en andere oeververdedigingswerken,
                                    tenzij deze onderdeel zijn van het werk. </al><al><vet>Doorstro</vet><vet>om- en
                                    bergingscapaciteit</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria. </al><al><vet>Ecologische functie</vet></al><al>2.Waar natuurvriendelijke oevers aanwezig zijn worden steigers
                                    in principe niet toegestaan</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>nvt</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><lijst><li nr="3."><al>Wanneer een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk
                                            tegenover een reeds aanwezige steiger, vlonder of
                                            overhangend bouwwerk wordt aangebracht, moet een
                                            minimale doorvaartbreedte van 3,50 meter in acht worden
                                            genomen.</al></li><li nr="4."><al>Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken mogen het
                                            buitengewoon onderhoud, waarbij het
                                            oppervlaktewaterlichaam bijvoorbeeld gebaggerd dient te
                                            worden of de beschoeiing dient te worden vervangen, niet
                                            belemmeren.</al></li><li nr="5."><al>Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken moeten
                                            door de eigenaar verwijderd kunnen worden en daarom
                                            demontabel zijn. </al></li></lijst><al><vet>Constructieve eisen</vet></al><lijst><li nr="6."><al>De hoogte van de onderzijde van de steiger moet minimaal
                                            0,2 meter boven het maximale peil liggen.</al></li><li nr="7."><al>De steiger mag alleen in de lengterichting van de
                                            taluds/oevers van het oppervlaktewaterlichaam worden
                                            geplaatst. </al></li><li nr="8."><al>De maximale afmetingen van de steiger wordt aan de hand
                                            van de volgende tabel bepaald.</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="31*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="41*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Breedte oppervlaktewaterlichaam (gemeten op de
                                                  waterlijn)</al></entry><entry colname="col2"><al>Maximale breedte steiger (gemeten vanaf de
                                                  insteek, haaks op de oeverlijn)</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximale lengte steiger</al><al>(gemeten langs de oeverlijn)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Smaller dan 5 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>Niet toegestaan</al></entry><entry colname="col3"><al>Niet toegestaan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tussen 5 en 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>Maximaal 10% van de breedte van het
                                                  oppervlaktewaterlichaam</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximaal de lengte van het perceel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ø15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>Maximaal 1,5 meter</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximaal de lengte van het perceel</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>9.De maximale afmetingen van een drijvende vlonder wordt aan de
                                    hand van de volgende tabel bepaald:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="31*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="41*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Breedte oppervlaktewaterlichaam (gemeten op de
                                                  waterlijn)</al></entry><entry colname="col2"><al>Maximale breedte drijvende vlonder (gemeten
                                                  vanaf de insteek, haaks op de oeverlijn)</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximale lengte drijvende vlonder</al><al>(gemeten langs de oeverlijn)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Smaller dan 10 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>Niet toegestaan</al></entry><entry colname="col3"><al>Niet toegestaan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ø10 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>Maximaal 15% van de breedte van het
                                                  oppervlaktewaterlichaam</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximaal de lengte van het perceel</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Beleidsregel Oeverbeschermende voorzieningen in een
                                    oppervlaktewaterlichaam </al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur, is het
                                    verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken
                                    van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door,
                                    anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige
                                    functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                                    handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste
                                    substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Een oeverbeschermende voorziening wordt als een werk beschouwd.
                                    Met werken wordt bedoeld alle door menselijk toedoen ontstane of
                                    te maken constructies of inrichtingen. Zowel een constructie met
                                    als zonder fundering is een (bouw)werk. Als voorbeeld kunnen
                                    worden genoemd de beschoeiing en de damwand. </al><al>Er is sprake van een beschoeiing als er materiaal is aangebracht
                                    langs de oeverlijn om ofwel de oever tegen afkalving te
                                    beschermen, dan wel te voorkomen dat door afkalving of
                                    afschuiving van de oever de doorstroming, of waterbeheersing
                                    belemmerd wordt. Ondergedoken beschoeiingen vallen onder het
                                    begrip beschoeiingen.</al><al>Onder het plaatsen van een damwand wordt verstaan een
                                    grondkerende constructie om afkalving en instorting van de oever
                                    te voorkomen. Deze constructie kan bestaan uit het aanbrengen
                                    van een kade, een aanlegplaats voor boten en een op een damwand
                                    gelijkende constructie. Veelal worden deze constructies
                                    aangelegd om de gebruiksmogelijkheden van het aangrenzende
                                    perceel te verbeteren of te vergroten. Zodra een beschoeiing
                                    hoger is dan 0,3 meter boven het maximumpeil, wordt deze
                                    beschouwd als een damwand. Bij het plaatsen van een damwand komt
                                    de insteek op een andere plaats te liggen, namelijk op de kop
                                    van de damwand. Dit is van belang, omdat hierdoor de ligging van
                                    het keurgebied ook verplaatst. Dit laatste geldt alleen bij
                                    vaste afmetingen (gekoppeld aan de insteek), niet bij de legger
                                    op grond van artikel 5.2 Waterwet. </al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken
                                    zijnde oppervlaktewaterlichamen die (inclusief eventuele
                                    onderhoudsstroken en natuurvriendelijke oevers) opgenomen zijn
                                    in de legger van het waterschap. </al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle werken die langs een
                                    oppervlaktewaterlichaam worden aangebracht en die dienen om het
                                    talud of de oever te beschermen tegen afkalving of afschuiving,
                                    dan wel om bij een verbreding of versmalling van het
                                    oppervlaktewaterlichaam het talud op te vangen. Deze werken
                                    kunnen verband houden met het plaatsen van bouwwerken nabij een
                                    oppervlaktewaterlichaam. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een
                                    waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met de
                                    desbetreffende beleidsregel(s) voor waterkeringen.</al><al><cursief>Algemene regels </cursief></al><al>Voor het aanleggen, verwijderen en behouden van beschoeiingen in
                                    oppervlaktewaterlichamen categorie B en C gelden algemene
                                    regels.</al><al>Voor het aanleggen, verwijderen en behouden van
                                    oeverbeschermende damwanden in oppervlaktewaterlichamen
                                    categorie Ben C gelden algemene regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht<vet>.</vet></al><al><cursief>Privaatrecht </cursief></al><al>Wanneer een oeverbeschermende damwand wordt aangebracht op
                                    onroerende zaken van het waterschap zal de damwand door
                                    natrekking onderdeel worden van deze onroerende zaak. Het beleid
                                    van het waterschap bij natrekking staat aangegeven in het
                                    eigendommenbeheerbeleid van het waterschap. </al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het in stand houden en
                                    beschermen van het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het
                                    totale watersysteem. Ook moet het mogelijk blijven om zonder
                                    belemmeringen doelmatig onderhoud en inspecties van
                                    oppervlaktewaterlichamen uit te kunnen voeren. Daarnaast dienen
                                    de overige betrokken functies, zoals de ecologie, zoveel
                                    mogelijk te worden behouden. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet> Stabiliteit</vet></al><al>Een oeverbeschermende voorziening in het oppervlaktewaterlichaam
                                    kan de stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en eventuele
                                    reeds bestaande werken aantasten. </al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>De doorstroming van het water mag niet worden belemmerd door het
                                    plaatsen van palen in het doorstromingsprofiel van het
                                    oppervlaktewaterlichaam. Oeverbeschermende voorzieningen mogen
                                    het theoretisch natte profiel niet verkleinen.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>Een oeverbeschermende voorziening kan een negatief effect hebben
                                    op de waterkwaliteit. Het ecologisch functioneren van een
                                    oppervlaktewaterlichaam kan ook door een oeverbeschermende
                                    voorziening worden belemmerd, bijvoorbeeld doordat het een
                                    barrière vormt voor migratie van bepaalde diersoorten.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>De plaatsen of hebben van een oeverbeschermende voorziening in
                                    een oppervlaktewaterlichaam kan gevolgen hebben voor de
                                    grondwatersituatie. </al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>De doelmatige uitvoering van machinaal onderhoud mag niet
                                    belemmerd worden. Dit betekent dat de op grond van effectiviteit
                                    en efficiëntie gekozen werkwijze voor rijdend of varend
                                    onderhoud ongewijzigd moet blijven.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het aanleggen van een oeverbeschermende voorziening
                                            dienen de vorm, afmetingen en constructie van het
                                            oppervlaktewaterlichaam te worden behouden, zowel bij
                                            aanleg als daarna (zoals bij het uitvoeren van onderhoud
                                            aan de beschoeiing). Er kunnen eisen worden gesteld aan
                                            de maximale hoogte van de damwand in relatie tot de
                                            vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam, de
                                            maaiveldhoogte en de plaats in de het talud waar de
                                            damwand geplaatst wordt.</al></li><li nr="2."><al>De damwand dient te worden voorzien van een deugdelijke
                                            verankering en constructie, waarbij rekening wordt
                                            gehouden met de belasting.</al></li></lijst><al><vet> Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><lijst><li nr="3."><al>De aan te leggen oeverbeschermende voorziening dient
                                            buiten het doorstromingsprofiel te worden
                                            aangelegd.</al></li><li nr="4."><al>De beschoeiing dient zodanig te worden afgewerkt dat er
                                            geen grond naar het oppervlaktewaterlichaam
                                            uitspoelt.</al></li><li nr="5."><al>In en langs oppervlaktewaterlichamen categorie A in de
                                            bebouwde kom (zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994)
                                            worden binnen 1,0 meter vanaf kant water in principe
                                            geen damwanden toegestaan. In en langs
                                            oppervlaktewaterlichamen categorie A buiten de bebouwde
                                            kom worden in de onderste helft van het talud geen
                                            keerwand toegestaan. Indien er een beschoeiing aanwezig
                                            is, wordt binnen 0,40 meter vanaf de beschoeiing geen
                                            keerwand toegestaan.</al></li></lijst><al><vet>Ecologi</vet><vet>sche toestand</vet></al><lijst><li nr="6."><al>In oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie, zoals
                                            aangegeven op de bij de Algemene regels op grond van
                                            Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013 horende
                                            Natuurkaart, geldt dat het aanbrengen van een
                                            oeverbeschermende voorziening nietwordt
                                            toegestaan, tenzij een negatief effect voldoende kan
                                            worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen. </al></li><li nr="7."><al>De toe te passen materialen mogen geen negatief effect
                                            hebben op de waterkwaliteit of op de natuurfunctie. In
                                            de watervergunning zullen aanvullende voorwaarden worden
                                            opgenomen.</al></li><li nr="8."><al>In principe wordt alleen langs particuliere erven en
                                            openbaar terrein grenzend aan een watergang in stedelijk
                                            gebied een harde beschoeiing toegestaan. Het waterschap
                                            streeft naar het zoveel mogelijk aanleggen en behouden
                                            van natuurvriendelijke oevers.</al></li></lijst><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>9.De constructie van de oeverbeschermende voorziening dient
                                    waterdoorlatend te zijn om toetreding van grondwater naar de
                                    watergang mogelijk te maken. In specifieke gevallen (bv.
                                    opgeleide beken met een waterdicht doorstroomprofiel) moet de
                                    waterdichtheid juist gewaarborgd blijven om wegzijging te
                                    voorkomen. </al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>10.Het gangbare onderhoud mag niet worden gefrustreerd.</al><al>Beleidsregel Peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam</al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur, is het
                                    verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van
                                    een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door,
                                    anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige
                                    functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                                    handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste
                                    substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder
                                    wordt ook verstaan het wijzigen van het waterpeil in een
                                    oppervlaktewaterlichaam door middel van een werk; daaronder
                                    begrepen de onderbemaling.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Bij werken waarmee peilafwijkingen tot stand worden gebracht,
                                    kan worden gedacht aan het afdammen van wateren en het plaatsen
                                    van een stuw of pomp.</al><al>Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen
                                        <cursief>kortdurende, lokale en bovenlokale
                                        peilafwijkingen</cursief>: - <cursief>Kortdurende
                                        peilafwijkingen</cursief> zijn peilafwijkingen in het kader
                                    van het operationele peilbeheer door het waterschap zelf, dan
                                    wel op verzoek van derden. Voorbeelden hiervan zijn: het
                                    verhogen van het peil in verband met onderhoud met een maaiboot,
                                    het spoelen van wateren, het verlagen van het peil ten behoeve
                                    van het vangen van muskusratten, plaatsen van beschoeiingen,
                                    etc. Op grond van artikel 3.10 van de keur geldt een
                                    vrijstelling van de vergunningplicht voor handelingen die plaats
                                    hebben door of in opdracht van het waterschap in de uitvoering
                                    van zijn taak. - <cursief>Lokale peilafwijkingen</cursief>
                                    hebben meestal betrekking op een lokaal, particulier belang. Te
                                    denken valt hierbij aan onderbemalingen ten behoeve van een
                                    specifieke agrarische functie. Bijvoorbeeld door het afdammen
                                    van watergangen en het plaatsen van een pomp. Deze afwijkingen
                                    worden altijd gereguleerd door middel van een watervergunning op
                                    grond van de keur. - <cursief>Bovenlokale
                                        peilafwijkingen</cursief> zijn peilafwijkingen ten behoeve
                                    van een algemeen belang. Voorbeelden hiervan zijn
                                    peilafwijkingen als gevolg van een bestemmingsplanwijziging van
                                    landelijk naar stedelijk gebied, (her)inrichting van (natte)
                                    natuurgebieden, het verplaatsen van stuwen, waardoor de grenzen
                                    van de peilvakken wijzigen, etc. Naast een watervergunning kan
                                    hiervoor ook een (partiële) herziening van het peilbesluit of
                                    peilenplan noodzakelijk zijn. Het gaat hierbij om gebieden waar
                                    het peil lager of hoger wordt gehouden dan het peil volgens het
                                    peilbesluit. Dit gebeurt door middel van een pomp of stuw. De
                                    reden om een onderbemaling in te stellen in het landelijk
                                    gebied, is meestal om het land in de lagere delen van de polder
                                    geschikt te maken voor hetzelfde gebruik als in de hogere delen
                                    door de drooglegging te vergroten. Een verhoging in landelijk
                                    gebied gebeurt om natuurwaarden, archeologische of
                                    cultuurhistorische waarden te beschermen. In het stedelijk
                                    gebied wordt het peil meestal gewijzigd om het gebied geschikt
                                    te maken voor het gebruik als stedelijk gebied of om de
                                    funderingen van bebouwing te beschermen. </al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het door middel van een
                                    werk wijzigen van het waterpeil in alle waterstaatswerken zijnde
                                    oppervlaktewaterlichamen die (inclusief eventuele
                                    onderhoudsstroken en natuurvriendelijke oevers) opgenomen zijn
                                    in de legger van het waterschap. </al><al>De wijziging van het waterpeil kan ondermeer het volgende
                                    beogen:</al><lijst><li nr="1."><al>bescherming van een bestaand onroerend goed; </al></li><li nr="2."><al>optimalisatie van de drooglegging voor agrarisch
                                            grondgebruik in gebieden met de functie landbouw; </al></li><li nr="3."><al>optimalisatie van de drooglegging voor
                                            natuur(ontwikkeling) in reservaats- of
                                            natuurontwikkelingsgebied.</al></li><li nr="4."><al>optimalisatie van de drooglegging in stedelijk gebied of
                                            bebouwing in landelijk gebied.</al></li></lijst><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Wetgeving</cursief></al><al>Het waterschap is volgens de Waterwet verantwoordelijk voor het
                                    peilbeheer. De waterstand, en daarmee de drooglegging in
                                    gebieden, wordt in peilbesluiten of peilenplannen vastgelegd.
                                    Door het peilbesluit wordt het waterschap verplicht maatregelen
                                    te treffen die ervoor zorgen dat de waterstand niet hoger of
                                    lager wordt dan de vastgestelde peilen. Op grond van de
                                    Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe dient het
                                    waterschap peilbesluiten vast te stellen voor de
                                    oppervlaktewaterlichamen in de gebieden die zijn aangegeven op
                                    de bij de verordening behorende kaart. Indien de gevraagde
                                    peilafwijkingen een zodanige omvang hebben dat een wijziging van
                                    het peilbesluit nodig is, zal een wijziging van dat peilbesluit
                                    in (openbare) procedure worden gebracht.</al><al>In artikel 3.7 van de keur is bepaald dat ingeval van grote
                                    schaarste of overvloed aan water, opmerkelijke verslechtering
                                    van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een
                                    waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheden dreigen
                                    te ontstaan, het bestuur zonodig in afwijking van verleende
                                    vergunningen of geldende peilbesluiten, kan verbieden (…) water
                                    te lozen op of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregels</cursief></al><al>Er is een relatie met het onttrekken van water uit een
                                    oppervlaktewaterlichaam. Voor deze activiteit, voor zover niet
                                    vallend onder de Algemene regel onttrekken van water aan
                                    oppervlaktewaterlichaam A, B en C, geldt een afzonderlijke
                                    beleidsregel. </al><al>Omdat peilafwijkingen veelal tot stand worden gebracht door
                                    middel van een werk, zal de vergunningaanvraag ook betrekking
                                    hebben op het aanleggen van dat werk. In dat geval is de
                                    betreffende beleidsregel van toepassing.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Er gelden geen algemene regels (vrijstellingen) voor
                                    peilafwijkingen.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van het
                                    waterhuishoudkundige systeem. In het geval van voorzieningen die
                                    peilafwijkingen tot gevolg hebben, wordt het waterpeil en dus
                                    ook het watersysteem beïnvloed. Zo kan er een versnippering van
                                    het waterbeheer optreden, evenals een vermindering van het
                                    bergend vermogen. Voorkomen moet worden dat het watersysteem
                                    dusdanig negatief wordt beïnvloed dat het niet meer optimaal
                                    functioneert of dat de vastgelegde gebruiksfunctie (inclusief de
                                    ecologische) wordt geschaad.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet> Algemeen</vet></al><al>Lokale peilafwijkingen dienen uitsluitend een particulier doel
                                    en een hertoetsing moet plaatsvinden bij de herziening van het
                                    peilbesluit of peilenplan. </al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria.</al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>Peilafwijkingen zijn in het algemeen ongewenst. Als een
                                    peilafwijking wordt toegestaan, zal in vrijwel alle gevallen
                                    maatwerk moeten worden geleverd, waarbij alle relevante belangen
                                    worden afgewogen. Het waterschap verleent alleen een
                                    watervergunning als uit de toets van de aanvraag blijkt dat de
                                    peilwijziging géén negatieve consequenties zal hebben voor de
                                    omgeving of als deze consequenties met voorschriften voldoende
                                    zijn op te vangen. </al><al>De gevolgen ten aanzien van afwenteling van wateroverlast en
                                    beperking van bergingscapaciteit moeten volledig te ondervangen
                                    zijn door het stellen van voorschriften.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Peilafwijkingen kunnen verdroging of vernatting tot gevolg
                                    hebben. </al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria.</al><al><vet>Constructieve eisen</vet></al><al>Aan het werk zullen voorwaarden worden verbonden om de invloed
                                    op de omgeving beperkt te houden. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Peilafwijkingen mogen geen ontoelaatbare gevolgen hebben
                                            voor:</al></li><li nr="a."><al> het watersysteem, in die zin dat er versnippering
                                            optreedt waardoor de onderlinge samenhang van het
                                            systeem minder goed te beheren is (waterkwaliteit,
                                            waterkwantiteit);</al></li><li nr="b."><al>de bergingscapaciteit van het watersysteem en ten
                                            gevolge daarvan voor het ontstaan van wateroverlast;
                                        </al></li><li nr="c."><al>de doorspoelmogelijkheden van het watersysteem ten
                                            behoeve van de waterkwaliteit;</al></li><li nr="d."><al>de vastgelegde gebruiksfunctie van het gebied waar de
                                            peilafwijking op van toepassing is, dan wel het
                                            aangrenzende gebied; </al></li><li nr="e."><al>schade aan gebouwen, infrastructuur en doelstellingen
                                            van specifieke waterhuishoudkundige functies;</al></li><li nr="f."><al>toename van (ongelijkmatige) bodemdaling in het
                                            veenweidegebied; </al></li><li nr="g."><al>landschappelijke-, natuur- en cultuurhistorische
                                            waarden.</al></li><li nr="2."><al>Bij de aanvraag om watervergunning moet het aangevraagde
                                            waterpeil onderbouwd worden op basis van maaiveldhoogte,
                                            grondgebruik, bodemsoort en de gewenste drooglegging en
                                            ontwateringsdiepte voor het perceel. </al></li></lijst><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><lijst><li nr="3."><al>De drooglegging in de onderbemaling mag niet groter zijn
                                            dan de gemiddelde drooglegging in het peilvak waarvan de
                                            beoogde onderbemaling deel uitmaakt.</al></li><li nr="4."><al>Het verschil tussen maaiveld en waterpeil in een
                                            onderbemaling in veengebied mag niet groter worden dan
                                            0,60 meter.</al></li><li nr="5."><al>De totale oppervlakte aan onderbemalingen mag niet
                                            groter zijn dan 10% van een peilvak.</al></li><li nr="6."><al>Het debiet van de bemalingsinstallatie voor de
                                            onderbemaling mag in verhouding niet groter zijn dan de
                                            bemalingsinstallatie van het waterschap en/of de
                                            afvoercapaciteit van het ontvangende watersysteem zoals
                                            aangegeven op de in deze beleidsregels opgenomen
                                            afvoernormenkaart.</al></li><li nr="7."><al>Bij een peilverhoging moet binnen het gebied van de
                                            peilafwijking berging worden gewaarborgd. Hiervoor moet
                                            de voorziening (stuw) die de peilafwijking veroorzaakt
                                            worden voorzien van een overstort met een
                                            overstorthoogte gelijk aan het zomerpeil vermeerderd met
                                            0,25 meter.</al></li></lijst><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>8.De onderbemaling mag geen negatieve effecten hebben op de
                                    grondwatersituatie van aanpalende natuurgebieden.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria.</al><al><vet>Onderhoud </vet></al><al>Zie algemene toetsingscriteria.</al><al>Beleidsregel Gemotoriseerd varen in een oppervlaktewaterlichaam </al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur, is het
                                    verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van
                                    een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door,
                                    anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige
                                    functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
                                    handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste
                                    substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder
                                    wordt ook verstaan het gemotoriseerd varen in een
                                    oppervlaktewaterlichaam. </al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Gemotoriseerd varen is varen met een mechanisch aangedreven
                                    vaartuig.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het gemotoriseerd varen
                                    in alle waterstaatswerken zijnde oppervlaktewaterlichamen die
                                    opgenomen zijn in de legger van het waterschap. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving </vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het varen met mechanisch aangedreven vaartuigen in
                                    oppervlaktewaterlichamen categorie A, B en C gelden algemene
                                    regels.</al><al>Gedragingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht.</al><al><cursief>Andere wet- en regelgeving</cursief></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag. </al><al><vet>Doel van het beleid</vet></al><al> Doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van
                                    watergangen als onderdeel van het watersysteem. In dit geval
                                    gaat het erom dat de stabiliteit van de taluds wordt
                                    gewaarborgd, het doelmatig onderhoud niet wordt belemmerd en de
                                    gebruiksfunctie (inclusief de ecologische) niet wordt
                                    geschaad.</al><al><vet>Motivering van </vet><vet>de beleidsregel</vet></al><al><vet> Stabiliteit</vet></al><al>Het gemotoriseerd varen en de daarmee gepaard gaande
                                    gedragingen, kan van invloed zijn op de stabiliteit van het
                                    talud van het oppervlaktewaterlichaam, bijvoorbeeld bij het in-
                                    en uitstappen of de golfslag die bij het varen kan ontstaan. Het
                                    talud zou daardoor kunnen verzakken</al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>Het gemotoriseerd varen en de daarmee gepaard gaande
                                    gedragingen, bijvoorbeeld bij het in- en uitstappen of de
                                    golfslag die bij het varen kan ontstaan, kan als gevolg van
                                    verzakking van het talud van invloed zijn op de doorstroming van
                                    het oppervlaktewaterlichaam.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>Naast dat rietkragen de oever beschermen tegen afkalving, zijn
                                    ze belangrijk voor flora en fauna. Omdat rietkragen en andere
                                    natuurlijke oevers kwetsbaar zijn, dienen bepaalde gedragsregels
                                    in acht te worden genomen.</al><al>Materiaal (brandstof, olie e.d.), afkomstig van het vaartuig,
                                    kan in het oppervlaktewaterlichaam terecht komen, wat weer van
                                    invloed kan zijn op de waterkwaliteit.</al><al><vet>Grondwatersituatie </vet></al><al>Nvt</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Het gemotoriseerd varen in A oppervlaktewaterlichamen kan het
                                    doelmatig onderhoud van die wateren belemmeren. </al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet> Stabiliteit</vet></al><al>1.Langs rietkragen en natuurlijke oevers dient
                                                  rustig gevaren te worden.</al><al>2.Het is niet toegestaan af te meren in het
                                                  riet of te ankeren in het riet of de natuurlijke
                                                  oever.</al><al>3.Het is niet toegestaan hinderlijke golfslag
                                                  te veroorzaken.</al><al>4.Het is niet toegestaan om bij in- en
                                                  uitstappen schade toe te brengen aan het talud of
                                                  de oeverbegroeiing.</al><al><vet> Doorstroom- en
                                                  bergingscapaciteit</vet></al><al>Zie onder Stabiliteit</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>Zie onder Stabiliteit</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Nvt</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Zie Algemene toetsingscriteria</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al> Beleidsregel Water brengen in een
                                                  oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard
                                                  oppervlak</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Kader</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.4 van de keur is het
                                                  verboden zonder watervergunning van het bestuur
                                                  water te brengen in of te onttrekken aan
                                                  oppervlaktewaterlichamen. </al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>In deze beleidsregel wordt uitleg gegeven over
                                                  hoe het waterschap omgaat met het brengen van
                                                  water in oppervlaktewater vanaf verhard oppervlak.
                                                  Onder verhard oppervlak kunnen alle oppervlakken
                                                  worden verstaan die voor nieuwbouw, wegen, etc.,
                                                  verhard worden. Hierdoor kan de neerslag ter
                                                  plaatse niet langer in de (voorheen onverharde)
                                                  grond infiltreren. Daardoor treedt er een
                                                  versnelde afvoer van de neerslag op.</al><al>Ook nieuwe lozingen vanaf bestaande
                                                  verhardingen zoals bijvoorbeeld bij het afkoppelen
                                                  van het gemengd rioleringsstelsel, vallen onder
                                                  deze regel. Deze afvoer mag niet leiden tot een
                                                  zwaardere belasting van het bestaande
                                                  watersysteem. </al><al>Wanneer de extra afvoer wordt geminimaliseerd
                                                  volgens de in deze beleidsregels gestelde
                                                  randvoorwaarden wordt het ontvangende watersysteem
                                                  geacht bestand te zijn tegen de extra belasting.
                                                  Hetzelfde geldt voor lozingen van verharde
                                                  oppervlakten met een minimale afmeting. Deze
                                                  lozingen zijn vrijgesteld bij de algemene regels
                                                  voor het brengen van water in
                                                  oppervlaktewaterlichaam.</al><al>Afvoeren op oppervlaktewater van bestaande
                                                  verhardingen worden geacht te zijn verrekend via
                                                  het gemeentelijk rioleringsplan. In het kader van
                                                  het Bestuursakkoord Water zijn hierover nadere
                                                  afspraken gemaakt.</al><al><vet> Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het
                                                  brengen van water afkomstig van verhard oppervlak
                                                  in oppervlaktewaterlichamen, voor zover dit niet
                                                  bij algemene regel is vrijgesteld van de
                                                  vergunningplicht.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en
                                                  regelgeving</vet></al><al><cursief>Wetgeving</cursief></al><al>In artikel 3.7 van de keur is bepaald dat
                                                  ingeval van grote schaarste of overvloed aan
                                                  water, opmerkelijke verslechtering van de
                                                  kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van
                                                  een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige
                                                  omstandigheden dreigen te ontstaan, het bestuur zo
                                                  nodig in afwijking van verleende vergunningen of
                                                  geldende peilbesluiten, kan verbieden water te
                                                  lozen op oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Andere beleidsregel / algemene
                                                  regel</cursief></al><al>Voor het in oppervlaktewater brengen van water
                                                  via drainage wordt verwezen naar de Beleidsregel
                                                  Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam met
                                                  een werk of via drainage.</al><al>In geval van compensatie van de toegenomen
                                                  afvoer door middel van ondergrondse waterberging
                                                  wordt verwezen naar de Beleidsregel Ondersteunende
                                                  kunstwerken. </al><al>Voor het brengen van water in
                                                  oppervlaktewaterlichamen A, B en C gelden algemene
                                                  regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de
                                                  algemene regel voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                                  vergunningplicht<vet>.</vet></al><al><cursief>Andere wet- en
                                                  regelgeving</cursief></al><al>Kwaliteitsaspecten bij lozingen zijn
                                                  uitputtend geregeld in de Waterwet en
                                                  onderliggende besluiten en regelingen. De Keur
                                                  zegt hier niets over. In relatie tot
                                                  hemelwaterlozingen is het van belang dat deze
                                                  lozingen vanuit waterkwaliteitsoogpunt als niet
                                                  vervuilend zijn aangemerkt. Daarbij wordt gesteld
                                                  dat hemelwater bij voorkeur in de bodem wordt
                                                  geloosd en wanneer dat niet mogelijk is op
                                                  oppervlaktewater. Het lozen op een gemengd stelsel
                                                  is in principe alleen toegestaan wanneer lozen in
                                                  de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam niet
                                                  mogelijk is.</al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan
                                                  ook andere regelgeving van toepassing zijn. Denk
                                                  hierbij bijvoorbeeld aan de Wet algemene
                                                  bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                                  faunawet. Indien dat het geval is, zal de
                                                  initiatiefnemer naast de watervergunning op grond
                                                  van deze regelgeving, tevens een vergunning moeten
                                                  aanvragen dan wel een melding moeten doen bij het
                                                  desbetreffende bevoegd gezag.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is de versnelde afvoer van
                                    neerslag afkomstig van verhard oppervlak in het beheersgebied te
                                    beperken tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een
                                    uitbreiding van het verhard oppervlak moet dus in principe,
                                    vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal
                                    plaatsvinden. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet> Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>Neerslag dat op een onverharde bodem valt, dringt voor een
                                    belangrijk deel in de bodem. Het komt dan uiteindelijk in het
                                    grondwater of via ondergrondse afstroming in een
                                    oppervlaktewaterlichaam (wegzijging en kwel). Slechts een klein
                                    deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewaterlichaam.
                                    Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag nauwelijks of
                                    niet in de bodem dringen. Een groot deel van het water stroomt
                                    direct, of via een overstort vanuit het rioleringssysteem naar
                                    het oppervlaktewatersysteem. </al><al>De provincies Gelderland en Utrecht hebben het waterschap bij
                                    verordening opgedragen het watersysteem op orde te hebben en te
                                    houden. </al><al>Het watersysteem in stedelijk gebied moet tot een
                                    neerslaggebeurtenis die eens in de 100 jaar voorkomt (T=100)
                                    blijven functioneren. Dat wil zeggen dat het water binnen de
                                    oevers moet blijven. Om dat te kunnen blijven garanderen mag een
                                    nieuwe lozing niet tot verslechtering leiden. Waar een lozing
                                    niet direct waarneembaar hoeft te zijn, zullen meerdere lozingen
                                    bij elkaar uiteindelijk kunnen leiden tot overschrijding van de
                                    inundatienorm. Gelet op het gelijkheidsbeginsel worden alle
                                    lozingen gelijkwaardig behandeld en gelden voor alle lozingen
                                    die niet zijn vrijgesteld dezelfde uitgangspunten.</al><al>Voor landelijk gebied geldt een lagere inundatienorm. Deze
                                    lagere inundatienorm is door het waterschap vertaald naar een –
                                    in vergelijking met het stedelijk gebied - bredere vrijstelling
                                    in de Algemene regels. </al><al><vet>Normbenadering</vet></al><al>Omdat het watersysteem bij een T=100 neerslaggebeurtenis moet
                                    blijven functioneren is het uitgangspunt dat de neerslag die
                                    valt tot deze T=100 geen extra belasting mag veroorzaken dan dat
                                    er bij een onverharde situatie zou zijn geweest. Bij het bepalen
                                    van de maatgevende bui is uitgegaan van de
                                    neerslaggebeurtenissen die door het KNMI zijn bijgehouden.
                                    Daarbij zijn meerdere neerslaggebeurtenissen aan te wijzen
                                    (korte en langere buien). Aangezien de bui die in 24 uur valt
                                    veelal de meeste maatgevende is, wordt uitgegaan van deze bui
                                    met een neerslaghoeveelheid van 87mm.</al><al>Het waterschap houdt rekening met een toenemende afvoernorm (ook
                                    in een onverharde situatie zal de afvoer hebben toegenomen). Op
                                    de in deze beleidsregels opgenomen afvoernormenkaart zijn de
                                    geldende afvoernormen in het beheersgebied van Waterschap Vallei
                                    en Veluwe weergegeven. Voor stedelijk gebied wordt standaard
                                    uitgegaan van een afvoernorm van 1,5l/s/ha onder normale
                                    omstandigheden. Bij een T=100 situatie wordt uitgegaan van 2 x
                                    de geldende afvoernorm. In stedelijk gebied komt dat, vertaald
                                    naar mm per dag, neer op 26 mm/dag. </al><al>Niet al het water dat vrijkomt gedurende een regenbui, wordt
                                    afgevoerd. Een deel zal verdampen en achterblijven op de plek
                                    waar het valt (interceptie). Rekening houdend met deze factoren
                                    gaat Waterschap Vallei en Veluwe ervan uit dat er zonder
                                    voorzieningen 60mm meer geloosd wordt dan in een onverharde
                                    situatie. Deze hoeveelheid moet daarom gecompenseerd worden. De
                                    wijze waarop deze compensatie wordt gerealiseerd is aan de
                                    initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal moeten aantonen dat de
                                    genoemde hoeveelheid ook vastgehouden kan worden.</al><al>Vasthouden kan op verschillende manieren. Bergen op het maaiveld
                                    (wadi) of in een aan te leggen watersysteem is een optie maar
                                    ook onder maaiveld (infiltratiekratten) is mogelijk (zie de
                                    Beleidsregel Ondersteunende kunstwerken). </al><al><vet>Infiltreren</vet></al><al>Bij veel oplossingen wordt er naast de afvoer naar
                                    oppervlaktewater ook vanuit gegaan dat een deel zal infiltreren.
                                    Hoeveel dat is hangt af van de bodemgesteldheid en
                                    grondwaterstanden. De in tabel 1 genoemde infiltratiewaarden
                                    kunnen daarbij gehanteerd worden. Wanneer de initiatiefnemer van
                                    mening is dat er andere infiltratiewaarden gelden, moet hij dat
                                    onderbouwen.</al><al>Tabel 1 Richtlijn infiltratiecapaciteit verschillende
                                    grondsoorten</al><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Grondsoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Infiltratiecapaciteit in
                                                  [mm/h]</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Grof zand</al></entry><entry colname="col2"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Fijn zand</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leemachtig fijn zand</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Licht zavel</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Löss</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Veen</al></entry><entry colname="col2"><al>2,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leem</al></entry><entry colname="col2"><al>2,1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lichte klei</al></entry><entry colname="col2"><al>1,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Matig zware klei</al></entry><entry colname="col2"><al>0,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kleiig leem</al></entry><entry colname="col2"><al>0,4</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Ontvangend watersysteem</vet></al><al>Doel van de beleidsregel is een functionerend watersysteem
                                    volgens de gestelde normen. De marges die het bestaande
                                    watersysteem heeft zijn per gebied verschillend. In vlak gebied
                                    kan een watersysteem over een overschot aan bergingscapaciteit
                                    beschikken. In hellend gebied is de afvoercapaciteit leidend
                                    maar ook hier kan een overcapaciteit bestaan. Wanneer aangetoond
                                    kan worden dat er voldoende ruimte in het bestaande watersysteem
                                    aanwezig is kan deze ruimte tot een bepaalde mate benut worden.
                                    Wanneer deze ruimte er niet is, kan deze gerealiseerd worden.
                                    Daarbij is het wel van belang dat het waterschap hier mee
                                    instemt. De beleidsregel “Graven in, dempen en aanleg van
                                    oppervlaktewaterlichamen” en de beleidsregel Ondersteunende
                                    kunstwerken zijn hierop van toepassing. </al><al>Bij de beoordeling of er voldoende ruimte in het systeem
                                    aanwezig is of het verzoek om ruimte te creëren, laat het
                                    waterschap naast de berekeningen ook het beheerdersoordeel zwaar
                                    mee wegen.</al><al><vet>Afkoppelen</vet></al><al>In geval van bestaande bouw waarbij het hemelwater in de
                                    bestaande situatie op het gemengd stelsel was aangesloten is het
                                    uitgangspunt dat de situatie niet mag verslechteren. Aangezien
                                    de bergingscapaciteit in het rioolstelsel beperkt is kan worden
                                    gesteld dat het verplaatsen van het hemelwater van het gemengd
                                    stelsel naar oppervlaktewater tot minder overstorten zal leiden.
                                    Dit is een wenselijke ontwikkeling welke dan ook wordt
                                    toegestaan. In geval de nieuwe lozing van hemelwater in een
                                    ander peilvak plaatsvindt dan de overstort is het van belang dat
                                    het ontvangende oppervlaktewater voldoende capaciteit
                                    heeft.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op
                                            oppervlaktewater geldt dat de hoeveelheid te lozen water
                                            geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende
                                            watersysteem.</al></li><li nr="2."><al>Aan het in het eerste lid gestelde wordt in ieder geval
                                            voldaan wanneer:</al></li><li nr="a."><al>er niet meer dan de plaatselijk geldende landelijke
                                            afvoer vanuit het plangebied geloosd wordt, of;</al></li><li nr="b."><al>er een berging van 60mm per m² verhard oppervlak wordt
                                            gerealiseerd, of;</al></li><li nr="c."><al>het nadelige effect op het watersysteem wordt
                                            gecompenseerd, of;</al></li><li nr="d."><al>er geloosd wordt vanaf verhard oppervlak dat hiervoor
                                            was aangesloten op het gemengd stelsel (afkoppelen) en
                                            het ontvangende oppervlaktewaterlichaam voldoende
                                            capaciteit heeft. </al></li><li nr="3."><al>De in het tweede lid genoemde berging kan o.a. worden
                                            gerealiseerd door middel van </al><lijst><li nr="a."><al>een statische berging met een capaciteit van
                                                  600m³ per hectare;</al></li><li nr="b."><al>een dynamische berging waarbij rekening wordt
                                                  gehouden met infiltratie. De mate van infiltratie
                                                  waarmee rekening gehouden mag worden dient door de
                                                  initiatiefnemer te worden aangetoond.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De in het derde lid genoemde compensatie kan o.a. worden
                                            gerealiseerd door het benutten of creëren van
                                            overcapaciteit in het ontvangende watersysteem, onder
                                            andere door de inzet van stuwconstructies.</al></li></lijst><al>Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam met
                                    een werk of via drainage</al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet>Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.4 van de keur is het verboden zonder
                                    watervergunning van het bestuur water te brengen in of te
                                    onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. </al><al><vet>Begripsbepalingen </vet></al><al>Onder werk wordt in dit verband verstaan een lozingsvoorziening,
                                    zoals buizen, leidingen eventueel met een taludbak. </al><al>Onder drainage wordt verstaan een ontwateringsmiddel voor het
                                    kunstmatig laag houden van de grondwaterstand.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het brengen van water met
                                    een werk of via drainage in een oppervlaktewaterlichaam, voor
                                    zover daarvoor op grond van de Algemene regels geen vrijstelling
                                    geldt.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Wetgeving</cursief></al><al>In artikel 3.7 van de keur is bepaald dat ingeval van grote
                                    schaarste of overvloed aan water, opmerkelijke verslechtering
                                    van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een
                                    waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheden dreigen
                                    te ontstaan, het bestuur zo nodig in afwijking van verleende
                                    vergunningen of geldende peilbesluiten, kan verbieden water te
                                    lozen op oppervlaktewaterlichamen.</al><al>Op grond van artikel 6.2, lid 1 Waterwet en de bijbehorende
                                    AMvB’s is het verboden stoffen te brengen in een
                                    oppervlaktewaterlichaam.</al><al><cursief>Andere beleidsregel/ algemene regel:</cursief></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al>Voor lozingen van neerslag afkomstig van nieuw verhard oppervlak
                                    wordt verwezen naar de beleidsregel Brengen van water in een
                                    oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard oppervlak. </al><al>Indien in verband met het brengen van water in een
                                    oppervlaktewaterlichaam een uitstroomvoorziening in het
                                    oppervlaktewaterlichaam wordt aangebracht is tevens de
                                    Beleidsregel objecten en bouwwerken in oppervlaktewaterlichamen
                                    van toepassing.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het brengen van water in oppervlaktewaterlichamen A, B en C
                                    gelden algemene regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht<vet>.</vet></al><al><cursief>Andere wet- en regelgeving</cursief></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> Het doel van deze beleidsregel is het voorkomen van een
                                    overbelasting van het watersysteem. Het brengen van water in
                                    oppervlaktewaterlichamen heeft vanuit waterhuishoudkundig
                                    oogpunt namelijk een effect op de bergingscapaciteit van die
                                    oppervlaktewaterlichamen, maar de doorstroming en de
                                    waterkwaliteit kunnen ook worden beïnvloed. Aan de hand van de
                                    afmetingen/capaciteit en de status van een
                                    oppervlaktewaterlichaam kan de maximaal toelaatbare hoeveelheid
                                    te lozen water worden bepaald.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>De hoeveelheid te brengen water in een oppervlaktewaterlichaam
                                    kan van geval tot geval verschillen. Afhankelijk van de
                                    hoeveelheid te brengen water en de snelheid waarmee het water op
                                    het oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, kan dit schade aan
                                    het oppervlaktewaterlichaam veroorzaken. Waar een lozingspunt in
                                    het talud wordt aangebracht, kan aan de tegenoverliggende oever
                                    uitspoeling van grond plaatsvinden. Dit moet voorkomen worden.
                                    Daarom kan het waterschap in de watervergunning hiervoor
                                    aanvullende eisen stellen. </al><al><vet>Doorstroomcapaciteit</vet></al><al>Een oppervlaktewaterlichaam moet voldoende doorstroomcapaciteit
                                    hebben om een bepaalde hoeveelheid te lozen water af te kunnen
                                    voeren. De aanwezigheid van dammen en duikers, bijvoorbeeld, kan
                                    hierop van invloed zijn en dat wordt dan ook in de berekeningen,
                                    met betrekking tot de maximale toelaatbare hoeveelheid te lozen
                                    water, meegenomen. </al><al><vet>Bergingscapaciteit</vet></al><al>Het watersysteem is van groot belang voor de bergingscapaciteit.
                                    Een lozing op een oppervlaktewaterlichaam mag de
                                    bergingscapaciteit van dat oppervlaktewaterlichaam niet
                                    verminderen. Daarnaast is het van belang dat grote
                                    peilschommelingen worden voorkomen.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>In oppervlaktewaterlichamen met bijzondere natuurlijke waarden
                                    kan een lozing onaanvaardbare gevolgen hebben voor het
                                    ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor het weigeren van de
                                    vergunning.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam heeft bij
                                    peilstijging ook effect op de grondwatersituatie.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ter hoogte van het lozingspunt mag er geen uitspoeling
                                            plaatsvinden van de bodem en het talud.</al></li><li nr="2."><al>Om uitspoeling te voorkomen kan er een bodem- en
                                            taludbescherming geëist worden.</al></li></lijst><al><vet>Doorstroom- en
                                        </vet><vet>berging</vet><vet>scapaciteit</vet></al><lijst><li nr="3."><al>De doorstroom- en bergingscapaciteit van het
                                            oppervlaktewaterlichaam mag als gevolg van de lozing
                                            niet belemmerd worden.</al></li><li nr="4."><al>De taludbak en bijbehorende constructies dienen buiten
                                            het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam te
                                            worden aangebracht.</al></li></lijst><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>5.De lozing mag niet leiden tot schade aan de ecologische
                                    toestand. De intensiteit van de lozing moet afgestemd worden op
                                    de omvang en de functie van het oppervlaktewaterlichaam en de
                                    aanwezige flora en fauna.</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Zie Beleidsregel grondwater.</al><al>Beleidsregel Water onttrekken aan een
                                    oppervlaktewaterlichaam</al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.4 van de keur is het verboden zonder
                                    vergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken
                                    aan oppervlaktewaterlichamen.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Onttrekken:het door middel van een werk of zonder een werk
                                    (onttrekkingsvoorziening) halen van water uit een
                                    oppervlaktewaterlichaam.</al><al>Peil: het peil zoals vastgelegd in peilbesluit, peilenplan dan
                                    wel het gangbare peil.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op het onttrekken van water
                                    uit een oppervlaktewaterlichaam, tenzij er op grond van algemene
                                    regels, een vrijstelling geldt.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Wetgeving</cursief></al><al>In artikel 3.7 van de keur is bepaald dat ingeval van grote
                                    schaarste of overvloed aan water, opmerkelijke verslechtering
                                    van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een
                                    waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheden dreigen
                                    te ontstaan, het bestuur zonodig in afwijking van verleende
                                    vergunningen of geldende peilbesluiten, kan verbieden (…) water
                                    te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.</al><al><cursief>Andere beleidsregel/algemene regel:</cursief></al><al>Voor het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam
                                    kan een (tijdelijk) werk worden aangebracht. Hiervoor wordt
                                    verwezen naar de beleidsregel objecten en bouwwerken.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het onttrekken van water uit oppervlaktewaterlichamen A, B
                                    en C gelden algemene regels.</al><al>Onttrekkingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht<vet>.</vet></al><al><cursief>Andere wet- en regelgeving</cursief></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al> De onderhavige verbodsbepaling is er op gericht overlast als
                                    gevolg van onttrekkingen uit</al><al>oppervlaktewaterlichamen te voorkomen. Het onttrekken van water
                                    uit oppervlaktewaterlichamen heeft vanuit waterhuishoudkundig
                                    oogpunt namelijk een effect op de stabiliteit, de doorstroming
                                    en de ecologische toestand van die oppervlaktewaterlichamen. Aan
                                    de hand van de afmetingen en de status van een
                                    oppervlaktewaterlichaam kan de maximaal toelaatbare hoeveelheid
                                    te onttrekken water worden bepaald.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Onttrekkingen kunnen aanleiding geven tot watertekort indien de
                                    aanvoerende capaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te
                                    beperkt is. Als gevolg van grote onttrekkingen kunnen
                                    oppervlaktewaterlichamen (versneld) droogvallen. Dit kan leiden
                                    tot beperkingen in het functioneren van het
                                    oppervlaktewaterlichaam zowel in hydrologische als in
                                    ecologische zin. Dit risico doet zich bij kleinere onttrekkingen
                                    in het algemeen niet voor. Om die reden zijn deze kleine
                                    onttrekkingen via de algemene regel Onttrekken van water,
                                    vrijgesteld van het in de keur opgenomen verbod zoals opgenomen
                                    in artikel 3.4.</al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>De hoeveelheid te onttrekken water uit een
                                    oppervlaktewaterlichaam kan van geval tot geval enorm
                                    verschillen. Afhankelijk van de hoeveelheid te onttrekken water
                                    en de snelheid waarmee het water uit het oppervlaktewater wordt
                                    gehaald, kan dit schade aan het oppervlaktewaterlichaam
                                    veroorzaken. Bijvoorbeeld door verzakking van taluds en
                                    beschoeiingen. </al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><al>Een oppervlaktewaterlichaam moet voldoende doorstromen om een
                                    bepaalde hoeveelheid te onttrekken water te kunnen aanvoeren. De
                                    aanwezigheid van dammen en duikers, bijvoorbeeld, kan hierop van
                                    invloed zijn en dat moet dan ook in de berekeningen, met
                                    betrekking tot de maximale toelaatbare hoeveelheid te onttrekken
                                    water, worden meegenomen. </al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>In oppervlaktewaterlichamen met bijzondere natuurlijke waarden
                                    kan een onttrekking onaanvaardbare gevolgen hebben voor het
                                    ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor het weigeren van de
                                    vergunning.</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>Een onttrekkingsinrichting met bijbehorende werken kan het
                                    onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam belemmeren.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>1.Bij waterschaarste kunnen houders van een
                                    onttrekkingvergunning een tijdelijk onttrekkingverbod opgelegd
                                    krijgen door het dagelijks bestuur waarbij de landelijke
                                    verdringingsreeks de volgorde van de betrokken belangen
                                    bepaalt.</al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>2.Ter plaatse van het onttrekkingspunt moeten de oever en zo
                                    nodig de bodem tegen instabiliteit, afkalving en erosie worden
                                    beschermd.</al><al><vet>Doorstroom- en bergingscapaciteit</vet></al><lijst><li nr="3."><al>Het aan- en afvoer van de watergang mag als gevolg van
                                            de onttrekking niet belemmerd worden.</al></li><li nr="4."><al>De onttrekking mag niet tot een onderschrijding van het
                                            in het watersysteem geldende peil leiden.</al></li></lijst><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>5.De onttrekking mag niet leiden tot schade aan de ecologie. De
                                    intensiteit van de onttrekking moet afgestemd worden op de
                                    omvang en de functie van het oppervlaktewaterlichaam en de
                                    aanwezige flora en fauna. </al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>6.Een onttrekkingsvoorziening met bijbehorende werken dient
                                    zodanig te worden ontworpen dat de eventueel ter plaatse door de
                                    legger aangewezen onderhoudsstrook vrij bereikbaar en vrij van
                                    obstakels blijft ten behoeve van het onderhoud van het
                                    oppervlaktewaterlichaam.</al><al><vet>Constructieve eisen</vet></al><lijst><li nr="7."><al>Indien een definitieve onttrekkingsvoorziening wordt
                                            toegepast dient deze afdoende te worden gefundeerd.</al></li><li nr="8."><al>Een definitieve onttrekkingsvoorziening dient verzonken
                                            in het talud te worden aangebracht.</al></li></lijst><al>Beleidsregel bergingsgebieden</al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                                    vergunning van het bestuur gebruik te maken van een
                                    waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders
                                    dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven,
                                    daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te
                                    behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of
                                    liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, tweede lid, is het verboden zonder
                                    watervergunning van het bestuur een waterstaatswerk te wijzigen
                                    of aan te leggen.</al><al>Onder waterstaatswerken vallen naast oppervlaktewaterlichamen,
                                    waterkeringen en de ondersteunende kunstwerken ook de
                                    bergingsgebieden.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Bergingsgebieden zijn gebieden die periodiek kunnen overstromen,
                                    zodat voorkomen kan worden dat elders wateroverlast
                                    optreedt.</al><al>Bij werkzaamheden in bergingsgebieden gaat het vooral om
                                    activiteiten die een verlies aan waterbergingscapaciteit van de
                                    bergingsgebieden tot gevolg hebben. Daarbij kan gedacht worden
                                    aan bebouwing en ophoging van het terrein. Vanwege de
                                    belangrijke waterbergende functie van bergingsgebieden dient het
                                    verlies aan waterberging ten gevolge van de werkzaamheden
                                    volledig te worden gecompenseerd.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken
                                    zijnde bergingsgebieden die opgenomen zijn in de legger van het
                                    waterschap en de aanleg ervan. </al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden in de nabijheid van een
                                    oppervlaktewaterlichaam, moet rekening worden gehouden met de
                                    desbetreffende beleidsregel(s) voor
                                    oppervlaktewaterlichamen.</al><al>Op de demping van een oppervlaktewaterlichaam binnen een
                                    bergingsgebied is de Beleidsregel Graven in, dempen en aanleggen
                                    van oppervlaktewaterlichamen van toepassing.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het ophogen van gronden en het aanleggen, verwijderen en
                                    behouden van werken binnen een bergingsgebied gelden algemene
                                    regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht<vet>.</vet></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie
                                    van bergingsgebieden, als onderdeel van het totale watersysteem.
                                    In dit geval gaat het om de instandhouding van de belangrijke
                                    waterbergende functie van de bergingsgebieden.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Stabiliteit</vet></al><al>nvt</al><al><vet>Doorstroomcapaciteit</vet></al><al>nvt</al><al><vet>Bergingscapaciteit</vet></al><al>Sommige gebieden zijn planologisch zo vastgelegd, dat ze (grote)
                                    hoeveelheden water kunnen bergen. Er wordt daarbij ook
                                    ingespeeld op toenemende neerslaghoeveelheden in de toekomst en
                                    de daarmee samenhangende verhoogde waterafvoer. Deze extra
                                    ruimte kan zowel gevonden worden in nieuwe gebieden die nu nog
                                    niet regelmatig inunderen, als in het nog vaker laten inunderen
                                    van bestaande gebieden die van nature al regelmatig inunderen. </al><al>Binnen de in de legger aangewezen bergingsgebieden dient de
                                    eigenaar/gerechtigde/gebruiker te gedogen dat die gronden vanuit
                                    het oppervlaktewaterlichaam tijdelijk inunderen.</al><al>Bergingsgebieden zijn van groot waterhuishoudkundig belang,
                                    omdat ze wateroverlast op andere plaatsen voorkomen. Voor
                                    werkzaamheden in bergingsgebieden zijn er dan ook voorschriften
                                    die de instandhouding van de volledige waterbergingscapaciteit
                                    van de bergingsgebieden waarborgen.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>nvt</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>nvt</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>nvt</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet> Bergingscapaciteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Elke afname van het waterbergend vermogen tussen het
                                            maaiveld volgens AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland)
                                            en de bij legger vastgestelde inundatiehoogte moet
                                            worden gecompenseerd.</al></li><li nr="2."><al>Compensatie moet plaatsvinden binnen hetzelfde
                                            bergingsgebied of aansluitend daaraan.</al></li><li nr="3."><al>Bij ontwikkelingsplannen in een bergingsgebied moet in
                                            overleg met het waterschap de bouwhoogte, fundering en
                                            vloerpeil voor gebouwen worden bepaald.</al></li></lijst><al>Beleidsregel ondersteunende kunstwerken</al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder
                                    vergunning van het bestuur gebruik te maken van een
                                    waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders
                                    dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven,
                                    daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te
                                    behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of
                                    liggen.</al><al>Op grond van artikel 3.2, tweede lid is het verboden zonder
                                    watervergunning van het bestuur een waterstaatswerk te wijzigen
                                    of aan te leggen.</al><al>Onder waterstaatswerken vallen naast oppervlaktewaterlichamen,
                                    waterkeringen en de bergingsgebieden ook ondersteunende
                                    kunstwerken.</al><al><vet>Begripsbepaling</vet></al><al>Ondersteunende kunstwerken zijn objecten die zich niet altijd in
                                    oppervlaktewaterlichamen bevinden maar wel ten dienste staan van
                                    het watersysteem, zoals beduikeringen, overkluizingen, stuwen en
                                    ondergrondse vormen van waterberging. Laatstgenoemde werken
                                    worden veelal aangelegd als alternatief voor de aanleg van open
                                    water en hebben als doel verminderde waterberging te
                                    compenseren. Beduikeringen en overkluizingen hebben een
                                    transporterende functie.</al><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken
                                    zijnde ondersteunende kunstwerken die opgenomen zijn in de
                                    legger van het waterschap en op de aanleg daarvan.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Algemene toetsingscriteria</cursief></al><al>Naast de in deze beleidsregels opgenomen specifieke
                                    toetsingscriteria, gelden – indien van toepassing en voor dat
                                    aspect geen specifieke toetsingscriteria zijn geformuleerd – de
                                    algemene toetsingscriteria. </al><al><cursief>Andere beleidsregels</cursief></al><al>Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden in de nabijheid van een
                                    oppervlaktewaterlichaam of een waterkering, moet rekening worden
                                    gehouden met de desbetreffende beleidsregel(s) voor
                                    oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen.</al><al><cursief>Algemene regels</cursief></al><al>Voor het aanbrengen van een verharding boven ondersteunende
                                    kunstwerken gelden algemene regels.</al><al>Handelingen die aan de voorwaarden van de algemene regel
                                    voldoen, zijn vrijgesteld van de
                                    vergunningplicht<vet>.</vet></al><al><cursief>Andere wet- en regelgeving</cursief></al><al>Op handelingen die onder de keur vallen, kan ook andere
                                    regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of de Flora- en
                                    faunawet. Indien dat het geval is, zal de initiatiefnemer naast
                                    de watervergunning op grond van deze regelgeving, tevens een
                                    vergunning moeten aanvragen dan wel een melding moeten doen bij
                                    het desbetreffende bevoegd gezag.</al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al>Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie
                                    van het waterstaatswerk als onderdeel van het totale
                                    watersysteem. Belangrijke aspecten daarbij zijn het in stand
                                    houden van de doorstroming, de bergingscapaciteit en de
                                    onderhoudsmogelijkheden. </al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet> Algemeen </vet></al><al>Een ondersteunend kunstwerk wordt aangelegd met een specifiek
                                    doel. Dit kan zijn ten behoeve van het waterbeheer, het
                                    verbinden van wegen en percelen over oppervlaktewaterlichamen of
                                    als alternatief voor de aanleg van open water. Dit werk kan
                                    vanwege de verbinding met een oppervlaktewaterlichaam effect
                                    hebben op de doorstroming en er kan ophoping van vuil ontstaan.
                                    Er worden daarom eisen gesteld aan de uitvoering en het
                                    onderhoud van het werk.</al><al>Bij toename van verhard oppervlak of het (gedeeltelijk) dempen
                                    van een oppervlaktewaterlichaam stelt het waterschap vaak als
                                    eis dat de afname van de berging wordt gecompenseerd met open
                                    water. In de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is
                                    extra oppervlaktewater ruimtelijk in te passen. Alternatieve
                                    waterberging door meervoudig ruimtegebruik in de vorm van
                                    ondergrondse waterberging zou dan uitkomst kunnen bieden.</al><al>Aan alternatieve waterberging zitten echter twee kanten. Aan de
                                    ene kant kan alternatieve waterberging, mits goed ontworpen en
                                    onderhouden, een goed alternatief zijn voor de aanleg van open
                                    water. Aan de andere kant is er de zorg van het
                                    beheer(s)baarheid (handhaving): hoe valt bijvoorbeeld te
                                    garanderen dat een ondergrondse waterberging na enige tijd niet
                                    is dichtgeslibt? Juist dit punt van beheer(s)baarheid is
                                    aanleiding om voorzichtig en terughoudend om te gaan met
                                    alternatieve waterberging. Voor de toekomstvastheid van het
                                    watersysteem is en blijft het belangrijk dat er voldoende
                                    bovengrondse waterberging is. De opgave is dan ook om de aanleg
                                    van nieuw verhard oppervlak te compenseren via extra
                                    waterberging in de vorm van open water. Als dit echt niet
                                    mogelijk is, bijvoorbeeld in een sterk verstedelijkt gebied of
                                    vanwege maatschappelijke druk, is alternatieve waterberging in
                                    principe een optie.</al><al>Er zijn veel technieken voor alternatieve waterberging:
                                    grasdaken, kratten onder wegen, regentonnen, enzovoort. En de
                                    techniek ontwikkelt voortdurend door. Maar niet alle technieken
                                    bieden voldoende opslagcapaciteit of zijn zonder meer
                                    ongeschikt. Enerzijds omdat ze zich nog niet hebben bewezen; dan
                                    is nader onderzoek gewenst. Anderzijds omdat er onaanvaardbare
                                    negatieve (bij)effecten kunnen optreden; dan worden ze
                                    ongeschikt bevonden. Geborgd dient te worden dat de toegepaste
                                    alternatieve bergingstechniek effectief, duurzaam en zonder veel
                                    onderhoud functioneert voor het gehele peilvak waarvan de
                                    alternatieve waterbergingstechniek deel uitmaakt. </al><al><vet>Stabiliteit</vet>nvt</al><al><vet>Bergingscapaciteit</vet></al><al>Zie onder algemeen.</al><al><vet>Ecologische toestand</vet></al><al>nvt</al><al><vet>Grondwatersituatie</vet></al><al>Verkeerd aangelegde systemen kunnen zorgen voor extra
                                    grondwaterafvoer, bijvoorbeeld als gevolg van spanningswater. </al><al>Bij systemen waarbij een combinatie met infiltratie bestaat, kan
                                    het te infiltreren water de grondwaterstand in de omgeving
                                    beïnvloeden.</al><al><vet>Onderhoud</vet>Na goedkeuring van een ondergrondse
                                    waterberging verleent het waterschap een watervergunning,
                                    waarmee onder andere de onderhoudsplicht van de ondergrondse
                                    waterberging bij de grondeigenaren wordt gelegd. Op grond van
                                    deze onderhoudsplicht kan het waterschap handhaven op de
                                    ondergrondse waterberging, op zowel publiek als privaat terrein. </al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse waterberging mag alleen worden toegepast
                                            indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: </al></li><li nr="a."><al>in het gebied zijn geen of onvoldoende mogelijkheden om
                                            extra open water te creëren; b. de ondergrondse
                                            waterberging kan de benodigde berging volledig
                                            waarborgen.</al></li><li nr="2."><al>De alternatieve waterberging moet binnen de directe
                                            omgeving van de te compenseren toename van de verharding
                                            of het te vervangen open water worden aangelegd. </al></li><li nr="3."><al>De afvoer van de alternatieve waterberging moet kleiner
                                            of gelijk zijn aan de afvoernormen zoals aangegeven op
                                            de in deze beleidsregels opgenomen afvoernormenkaart.
                                        </al></li><li nr="4."><al>Alternatieve waterbergingen mogen geen schadelijke
                                            effecten hebben op de waterkwaliteit of de leefomgeving.
                                        </al></li></lijst><al><vet>Onderhoud</vet></al><lijst><li nr="5."><al>De initiatiefnemer dient een beheer- en onderhoudsplan
                                            te leveren waarin het te verrichten onderhoud en de
                                            frequentie daarvan wordt aangegeven en toegelicht. Dit
                                            onderhoud kan bestaan uit het nakijken van het
                                            waterbergingssysteem, het herstellen van mankementen,
                                            het doorspuiten van leidingen, het verwijderen van
                                            drijfvuil/sliblaag.</al></li><li nr="6."><al>De aanwezigheid en werking van de alternatieve
                                            waterberging dient controleerbaar te zijn door het
                                            waterschap, bijvoorbeeld door het plaatsen van
                                            inspectieputten.</al></li><li nr="7."><al>Tenzij anders is geregeld is de eigenaar van de grond
                                            waarop de alternatieve waterberging is gelegen,
                                            onderhoudsplichtig voor de betreffende alternatieve
                                            bergingsvoorziening.</al></li></lijst><al>Beleidsregel grondwater </al><al><vet>Kader</vet></al><al><vet> Keur</vet></al><al>Op grond van artikel 3.6 van de Keur Waterschap Vallei en Veluwe
                                    2013 (hierna: keur) is het verboden zonder watervergunning van
                                    het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te
                                    infiltreren.</al><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="31*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="69*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bodemdaling </al></entry><entry colname="col2"><al>Optelling van inklinking, krimp en oxidatie
                                                  van de bovenste grondlagen en het samendrukken en
                                                  deformeren van de diepere grondlagen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bodemlozing</al></entry><entry colname="col2"><al>Het definitief in de bodem brengen of doen
                                                  brengen van vloeistoffen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bodemenergiesystemen</al><al>Droogteschade</al></entry><entry colname="col2"><al>Warmtepompsystemen en systemen waarbij door
                                                  middel van het onttrekken en infiltreren van
                                                  grondwater, als bedoeld in de Waterwet, energie in
                                                  de bodem wordt opgeslagen.</al><al>Schade als gevolg van een te lage
                                                  grondwaterstand.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Freatisch grondwater</al></entry><entry colname="col2"><al>Het eerstegrondwater dat men aantreft
                                                  als men gaat graven. Dit grondwater staat
                                                  rechtstreeks in verbinding met atmosferische
                                                  luchtdruk.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hemelwater</al><al>Hoog, middelwaardig en laag gebruik</al></entry><entry colname="col2"><al>Verzamelnaam voor neerslag, zoals regen,
                                                  sneeuw en hagel. </al><al>Kwalificatie van de toepassing van onttrokken
                                                  grondwater waarbij hoogwaardig ziet op de
                                                  toepassing voor drinkwater. Middelwaardige
                                                  toepassingen stellen wel eisen aan de kwaliteit
                                                  van het water, maar de toepassing betreft geen
                                                  eerste levensbehoefte zoals voor natuurgebieden of
                                                  in (de productie van) voedingsmiddelen.
                                                  Laagwaardig is voor toepassingen waarvoor ook
                                                  water van een mindere kwaliteit geschikt is, zoals
                                                  drainage, aanvulling van vijvers, beregening en
                                                  bodemsanering. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Infiltreren</al><al> Invloedsgebied</al></entry><entry colname="col2"><al>In de bodem brengen van water, ter aanvulling
                                                  van het grondwater, in samenhang met het
                                                  onttrekken van grondwater. Het gebied waarbij de
                                                  grondwaterstand als gevolg van de onttrekking van
                                                  grondwater meer dan 0,05 meter lager (of bij
                                                  infiltratie hoger) wordt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kwel</al></entry><entry colname="col2"><al>Opwaarts gerichte grondwaterstroming.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Natschade</al></entry><entry colname="col2"><al>Schade als gevolg van een te hoge
                                                  grondwaterstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onttrekken van grondwater</al></entry><entry colname="col2"><al>Het onttrekken van grondwater door middel van
                                                  een onttrekkingsinrichting.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onttrekkingsinrichting</al></entry><entry colname="col2"><al>Inrichting of werk, bestemd voor het
                                                  onttrekken van grondwater. Inrichtingen en/of
                                                  Infiltratiewerken die vanwege één opdrachtgever
                                                  en/of één project plaatsvinden en die een
                                                  samenhangend geheel vormen, gelden als één
                                                  inrichting. In één of meer van de volgende
                                                  gevallen is geen sprake van een samenhangend
                                                  geheel indien: </al><al>a.de invloedsgebieden van onttrekkingen en/of
                                                  infiltraties elkaar niet overlappen;</al><al>b.bij onttrekkingen een periode van drie
                                                  maanden of langer ligt tussen de beëindiging van
                                                  een onttrekking en het begin van de volgende
                                                  onttrekking;</al><al>c.is aangetoond dat voorafgaand aan een
                                                  opvolgende onttrekking de grondwaterstand en de
                                                  stijghoogte in de diepere watervoerende pakketten
                                                  zich hebben hersteld tot het natuurlijk
                                                  niveau.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ontwatering</al></entry><entry colname="col2"><al>De afvoer van water uit percelen over en door
                                                  de grond en eventueel door traanbuizen en greppels
                                                  naar een stelsel van grotere waterlopen. De afvoer
                                                  van water vindt plaats onder vrij verval.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opbarsten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bezwijken van de grond, door het ontbreken van
                                                  vertikaal evenwicht in de grond, onder invloed van
                                                  wateroverdrukken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Retourneren van onttrokken grondwater </al></entry><entry colname="col2"><al>In hetzelfde watervoerende pakket infiltreren
                                                  van water zonder wijziging van de kwaliteit. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Standstill beginsel </al></entry><entry colname="col2"><al>Dit principe houdt in dat als gevolg van een
                                                  ingreep in de ondergrond de kwantiteit en de
                                                  kwaliteit van het grondwater niet mag
                                                  verslechteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Strategische voorraad zoet grondwater </al></entry><entry colname="col2"><al>De strategische zoete grondwatervoorraad is
                                                  zoet grondwater dat moet worden behouden om ook in
                                                  de toekomst verschillende functies, zoals voor
                                                  drinkwaterwinning, te kunnen vervullen. De zoete
                                                  grondwaterlichamen uit het KRW proces worden als
                                                  strategische zoete grondwatervoorraad beschouwd.
                                                  Dit is het zoete grondwater dat zich in de
                                                  watervoerende pakketten onder de deklaag bevindt
                                                  in de gebieden met overwegend zoet
                                                  grondwater.</al><al>Het volgende zoete grondwater is dus niet een
                                                  strategische voorraad:</al><al>-Het zoete grondwater in de deklaag, aangezien
                                                  dit lokale, kleinschalige grondwatersystemen
                                                  betreft en de zoetwatervoorraad hierin relatief
                                                  klein is;</al><al>-De lokale zoete grondwaterlenzen in de
                                                  gebieden met overwegend brak/zout grondwater,
                                                  aangezien deze relatief klein zijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verdroging </al></entry><entry colname="col2"><al>Proces van afnemend wateraanbod (kwantitatief
                                                  en kwalitatief) waardoor de grondwaterstand in een
                                                  het gebied met een natuurfunctie onvoldoende hoog
                                                  is of water van onvoldoende kwaliteit moet worden
                                                  aangevoerd om een te lage grondwaterstand te
                                                  compenseren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verzilting </al></entry><entry colname="col2"><al>Toename van het zoutgehalte in het grondwater
                                                  of het oppervlaktewater door natuurlijke of
                                                  kunstmatige oorzaken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Watersysteem </al></entry><entry colname="col2"><al>Samenhangend geheel van een of meer
                                                  oppervlakte- en grondwaterlichamen, met
                                                  bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen of
                                                  ondersteunende kunstwerken (<cursief>definitie
                                                  Waterwet)</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Watervoerend pakket </al></entry><entry colname="col2"><al>Een bodemlaag die water doorvoert en die aan
                                                  boven- en onderzijde begrensd wordt door een
                                                  slecht doorlatende of ondoorlatende laag of door
                                                  oppervlaktewater.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zetting </al></entry><entry colname="col2"><al>Daling van het grondoppervlak (maaiveldhoogte)
                                                  veroorzaakt door een daling van de
                                                  grondwaterstand.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toepassingsgebied</vet></al><al>Deze beleidsregel is van toepassing op alle
                                    grondwateronttrekkingen, -retourneringen en infiltraties
                                    waarvoor het waterschap bevoegd gezag is binnen zijn
                                    beheergebied.</al><al>Het waterschap is bevoegd gezag voor het onttrekken, retourneren
                                    en infiltreren van grondwater. Uitzondering vormt een drietal
                                    categorieën waar de provincie bevoegd gezag voor is. Dit zijn
                                    industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m<sup>3</sup>/jaar,
                                    drinkwaterwinning en bodemenergie systemen.</al><al><vet>Raakvlakken met andere wet- en regelgeving</vet></al><al><cursief>Relatie met Wetgeving</cursief></al><lijst><li nr="·"><al>Waterwet: Voor vergunningen voor het onttrekken en
                                            infiltreren van water zijn voornamelijk procedurele
                                            bepalingen opgenomen.</al></li><li nr="·"><al>Waterbesluit: Geeft bepalingen over het melden en meten
                                            van grondwater, en algemene bepalingen omtrent de
                                            watervergunning.</al></li><li nr="·"><al>Waterregeling: Geeft indieningsvereisten voor meldingen
                                            en vergunningaanvragen.</al></li><li nr="·"><al>Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe: Geeft
                                            regels over het verstrekken van gegevens aan de
                                            provincie en beperkt de vrijstellingsbevoegdheid als
                                            bedoeld in artikel 6.11 van de Waterbesluit.</al></li><li nr="·"><al>De grondwateronttrekking kan m.e.r
                                            (beoordelings-)plichtig zijn op grond van Besluit m.e.r.
                                            Categorie C15.1 en D15.2.</al></li><li nr="·"><al>Er kan een relatie zijn met bijvoorbeeld Wet
                                            bodembescherming (bijv. bodemsanering),
                                            Natuurbeschermingswet, Wet milieubeheer/Wabo en
                                            daaronder hangende Amvb's (bijv. lozen van
                                            bronneringswater op riolering).</al></li><li nr="·"><al>Op deze activiteit kan de Crisis- en herstelwet van
                                            toepassing zijn.</al></li><li nr="·"><al>Op deze activiteit het Tracéwet van toepassing
                                            zijn.</al></li><li nr="·"><al>Veelal zal voor het onttrekken een provinciale
                                            grondwaterheffing (artikel 7.7 Waterwet) moeten worden
                                            betaald. </al></li></lijst><al><cursief>Relatie met andere algemene regels en/of beleidsregels
                                    </cursief></al><al>Van andere overheden:</al><lijst><li nr="·"><al>Grondwaterrichtlijn van de Europese Kaderrichtlijn
                                            Water.</al></li><li nr="·"><al>provinciale waterplannen en grondwaterplannen.</al></li><li nr="·"><al>van het waterschap: Operationeel beleid
                                            grondwaterbeheer</al></li><li nr="·"><al>Algemene regels brengen van water via drainage in een
                                            oppervlaktewaterlichaam op grond van de keur</al></li><li nr="·"><al>Algemene regels voor grondwateronttrekkingen op grond
                                            van de keur:</al></li></lijst><al> In deze Algemene regels is voor een aantal typen onttrekkingen
                                    een vrijstelling van de vergunningplicht op genomen. In de
                                    Algemene regels zijn de criteria genoemd waaronder een
                                    onttrekking op basis van een melding kan worden uitgevoerd. Voor
                                    het uitvoeren van een meldingsplichtige onttrekking gelden
                                    voorschriften.</al><lijst><li nr="-"><al>Algemene regel onttrekking grondwater bij
                                            bouwputbemaling, proefbronnering of grondsanering</al></li><li nr="-"><al>Algemene regel onttrekking grondwater voor het saneren
                                            van een grondwaterverontreiniging</al></li><li nr="-"><al>Algemene regel onttrekking grondwater voor beregening en
                                            bevloeiing </al></li><li nr="-"><al>Algemene regel onttrekking grondwater voor een
                                            noodvoorziening</al></li><li nr="-"><al>Algemene regel onttrekking grondwater voor overige
                                            doeleinden</al><lijst><li nr="-"><al>Algemene regel onttrekking grondwater door een
                                                  artesische bron (geldt voor alle onttrekkingen
                                                  door een artesische bron)</al></li><li nr="-"><al>Algemene regel onttrekking grondwater door
                                                  drainage.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Normen en richtlijnen</cursief></al><al>In de artikelen 6.19, 6.27 en 6.28 van de Waterregeling is
                                    aangegeven welke informatie bij een aanvraag watervergunning
                                    overlegd moet worden.</al><al>Hieronder zijn de wettelijke eisen nader uitgewerkt.</al><al>In artikel 6.19 van de Waterregeling is bepaald dat de aanvrager
                                    van een vergunning moet beschrijven wat de aard en de omvang van
                                    de gevolgen van de handeling (hier: grondwateronttrekking en/of
                                    infiltratie) zijn, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de
                                    beoordeling van de aanvraag.</al><al>De aard en het detailniveau van de gevolgen die in beeld moeten
                                    worden gebracht, verschillen per onttrekking. De volgende
                                    aspecten kunnen bijvoorbeeld een rol spelen:</al><lijst><li nr="·"><al>verlaging/verhoging grondwaterstanden en/of stijghoogten
                                            in het watervoerend pakket; </al></li><li nr="·"><al>invloed op gewenste grondwater- en oppervlaktewater
                                            regime (GGOR); </al></li><li nr="·"><al>invloedsfeer van de onttrekking waarbij de verlaging op
                                            de kaart in de regel door middel van contouren per 5 cm
                                            verlaging wordt aangegeven; </al></li><li nr="·"><al>verlaging van grondwaterstanden bij gevoelige objecten
                                            (bebouwing, waterkeringen, infrastructuur en
                                            kunstwerken, bomen, natuur, landbouw, zettinggevoelige
                                            gronden). Waar relevant en mogelijk ook de verlaging ten
                                            opzichte van historische fluctuaties in beeld brengen;
                                        </al></li><li nr="·"><al>berekening van zetting, klink of negatieve kleef
                                            evenals, indien relevant, gevolgen voor fundering; </al></li><li nr="·"><al>gevolgen van zetting en grondwaterstandverandering voor
                                            landbouw, natuur, bebouwing, waterkeringen,
                                            infrastructuur, kunstwerken en eventuele archeologische
                                            of aardkundige waarden; </al></li><li nr="·"><al>de invloed van de onttrekking/infiltratie op aanwezige
                                            bodemverontreinigingen; </al></li><li nr="·"><al>de gevolgen van een onttrekking op de diepteligging van
                                            het zoet-zoutgrensvlak (modelberekening); </al></li><li nr="·"><al>bij retourbemaling of bij infiltratie van hemelwater: de
                                            gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit in het
                                            (grond)waterlichaam. </al></li></lijst><al> Bij de berekeningen moet worden aangegeven welke uitgangspunten
                                    voor de ondergrond zijn gebruikt (laagindeling, KD-waarden,
                                    c-waarden) en welke uitgangspunten gebruikt zijn met betrekking
                                    tot de onttrekking zelf (afmetingen en diepte bouwput,
                                    filterdiepte etc.). Daarbij moet duidelijk zijn of gebruik
                                    gemaakt is van analytische en/of modelberekeningen.</al><al>Verder moet inzicht worden gegeven in de samenstelling van het
                                    te onttrekken respectievelijk te infiltreren grondwater. Het is
                                    van belang om de samenstelling hiervan te kennen in verband met
                                    de lozing op het oppervlaktewater of riolering en omdat te
                                    infiltreren water de kwaliteit van het grondwater niet mag
                                    verslechteren. Bij het onderzoek naar de kwaliteit van water kan
                                    het onder meer gaan om het gehalte aan chloride, sulfaat, ijzer,
                                    zwevende stof, CZV, BZV. </al><al><cursief>Beschrijving maatregelen en/of voorzieningen
                                    </cursief></al><al>In artikel 6.27 en 6.28 van de Waterregeling is als
                                    indieningsvereiste voor vergunningsaanvragen voor
                                    grondwateronttrekkingen respectievelijk infiltraties, onder meer
                                    bepaald dat een beschrijving moet worden gegeven van de
                                    maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de
                                    negatieve gevolgen van de onttrekking of infiltratie te
                                    voorkomen of te beperken. Bij die maatregelen kan worden gedacht
                                    aan:</al><lijst><li nr="·"><al>beperken onttrekking door civieltechnische of
                                            geohydrologische maatregelen (werken binnen damwand,
                                            werken in den natte, onderwaterbeton, bodem injecteren,
                                            etc.); </al></li><li nr="·"><al>infiltratiemiddelen om (gevolgen van)
                                            grondwaterpeilverlaging te beperken; </al></li><li nr="·"><al>geoptimaliseerd onttrekkingsregime om effecten te
                                            minimaliseren (bijvoorbeeld laten opkomen grondwaterpeil
                                            tijdens onderbrekingen in het werk); </al></li><li nr="·"><al>funderingsvervangende of ondersteunende constructies;
                                        </al></li><li nr="·"><al>overige maatregelen zoals beregening natuur, isolatie
                                            bodemverontreiniging door schermen, etc.; </al></li><li nr="·"><al>schaderegeling: dit kan in een zeldzaam geval een
                                            mogelijkheid zijn; in principe is het voorkomen van
                                            schade echter het uitgangspunt; </al></li><li nr="·"><al>infiltratie van hemelwater met het doel dit water
                                            vervolgens weer te onttrekken. </al></li></lijst><al><cursief> Monitoringsplan</cursief></al><al>Zeker indien sprake is van kwetsbare objecten (civieltechnische
                                    werken zoals bebouwing, kunstwerken, waterkeringen en wegen) kan
                                    een monitoringsplan worden vereist. Dit plan kan onderdelen
                                    omvatten als:</al><lijst><li nr="·"><al>nulmeting (grondwaterstanden, opname maaiveld en
                                            bebouwing (door middel van fotografische vooropnamen),
                                            inmeten van hoogtebouten); </al></li><li nr="·"><al>meetplan grondwaterstanden (met actiewaarden); </al></li><li nr="·"><al>meetplan zakbakens (om maaiveldhoogten en -zakkingen te
                                            meten) en/of hoogtebouten (voor bebouwing); </al></li><li nr="·"><al>meetplan bodemvocht (met name voor monumentale natuur
                                            (meestal bomen) om te bepalen wanneer watergiften nodig
                                            zijn (watergiftenplan); </al></li><li nr="·"><al>meetplan waterkwaliteit. </al></li></lijst><al> De eisen voor een monitoringsplan worden door middel van
                                    voorschriften in de vergunning opgenomen.</al><al><cursief>Uitzondering voor tijdelijke bemalingen</cursief></al><al>Voor de onderbouwing van een vergunningaanvraag, bemalingsplan
                                    en monitoringsplan voor tijdelijke bemalingen sluit het
                                    waterschap aan bij de Beoordelingsrichtlijn SIKB 12000
                                    Tijdelijke bemalingen en de Besluitvorming uitvoeringsmethode
                                    Tijdelijke grondwaterbemalingen (BUM TB). Dan kan ook een
                                    rapportage opgesteld worden conform de “Beoordelingsrichtlijn
                                    Tijdelijke bemalingen BRL SIKB 12010 en BRL SIKB 12020 of
                                    gelijkwaardig. </al><al><vet>Doel van de beleidsregel</vet></al><al><cursief> Doel van grondwaterbeleid</cursief></al><al>Het grondwaterbeleid – gebaseerd op de hoofddoelstellingen van
                                    de Waterwet en de doelen van het Waterbeheerplan (zie par.
                                    2.2.1) – heeft als doel om zo effectief en efficiënt mogelijk
                                    met grondwater om te gaan en het voorkomen van negatieve
                                    effecten door grondwateronttrekkingen en infiltraties.</al><al>De pijlers zijn het borgen van duurzaam en doelmatige gebruik
                                    van grondwater, het in beeld (laten) brengen van effecten en het
                                    voorkomen van negatieve gevolgen. Daarbij zullen de onttrekking
                                    /infiltratie en de gevolgen daarvan worden beschouwd vanuit het
                                    integrale watersysteem inclusief de beleidsdoelen zoals de
                                    KRW-doelstellingen, verdrogingbestrijding, beheer strategische
                                    zoetwaterreserves, het tegengaan van bodemdaling en het bieden
                                    van veiligheid tegen overstroming.</al><al><vet>Motivering van de beleidsregel</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op grond van de keur is het - zonder vergunning - verboden
                                    grondwater te onttrekken en water te infiltreren in de bodem,
                                    omdat dit in beginsel niet wenselijk is voor het in stand houden
                                    van het grondwatersysteem. Gezien de maatschappelijke wensen en
                                    belangen kan hier onder voorwaarden van worden afgeweken.</al><al>Grondwater wordt voor veel doeleinden onttrokken en gebruikt,
                                    bijvoorbeeld voor de toepassing als productiewater, beregenen,
                                    veedrenking of als bluswatervoorzieningen. Tevens wordt
                                    grondwater onttrokken om permanent of tijdelijk de
                                    grondwaterstand te verlagen, bijvoorbeeld bij werkzaamheden waar
                                    in den droge gewerkt moet worden of voor de ontwatering van
                                    percelen. Bij saneringen wordt grondwater onttrokken om de
                                    verontreiniging te verwijderen.</al><al>Naast het onttrekken speelt ook het in de bodem brengen van
                                    water een rol bij het grondwaterbeheer. Ook hier zijn
                                    verschillende redenen voor, zoals het aanvullen van het
                                    grondwater en/ of het tijdelijk bergen van hemelwater in de
                                    bodem of het beïnvloeden van de stijghoogte om schade te
                                    voorkomen. Deze beleidsregels gelden voor onttrekkingen waarbij
                                    direct of indirect grondwater wordt onttrokken en waarvoor
                                    volgens de keur een vergunning van het waterschap nodig is. </al><al><vet>Gebiedspecifiek</vet></al><al>In het grondwaterbeleid wordt rekening gehouden met
                                    gebiedsspecifieke kenmerken. De gevoeligheid van het gebied ten
                                    aanzien van veranderingen in het grondwater en het risico van
                                    schade als gevolg hiervan, speelt een belangrijke rol bij de
                                    vergunningverlening. </al><al>De gebieden die van (relatief hoge) grondwaterstanden
                                    afhankelijk zijn en waar het waterschap investeert in herstel
                                    dan wel zich inzet voor behoud staan o.a. aangegeven op de
                                    natuurkaart waarop naast de wateren ook de gebieden met een
                                    natuurfunctie staan.</al><al><vet>Toetsingscriteria</vet></al><al>Om negatieve effecten van grondwateronttrekkingen op de bodem-
                                    en het grondwatersysteem, op grondgebruikfuncties of op andere
                                    onttrekkingen en ingrepen in de ondergrond te voorkomen worden
                                    er voorwaarden gesteld aan grondwateronttrekkingen die
                                    vergunningplichtig zijn het kader van de keur. De
                                    toetsingscriteria die in principe voor alle
                                    grondwateronttrekkingen gelden (de algemene toetsingscriteria)
                                    staan in paragraaf 7.1. Vervolgens worden in paragraaf 7.2 een
                                    aantal extra aandachtspunten benoemd voor bepaalde
                                    onttrekkingsituaties. </al><al>Algemene toetsingscriteria </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Duurzaam en doelmatig gebruik grondwater</al></li><li nr="a."><al>algemeen</al></li><li nr="b."><al>bij permanente onttrekkingen</al></li><li nr="c."><al>in gebied met kwel of inzijging</al></li><li nr="d."><al>bij stopzetten of verminderen
                                                  grondwateronttrekkingen</al></li><li nr="2."><al>Voorkomen van negatieve effecten</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>algemeen</al></li><li nr="b."><al>op natuur, landbouw en openbaar groen</al></li><li nr="c."><al>op bebouwing, infrastructuur en objecten</al></li><li nr="d."><al>op de bodemstabiliteit</al></li><li nr="e."><al>op bodemverontreinigingen</al></li><li nr="f."><al>op andere grondwateronttrekkingen</al></li><li nr="g."><al>op archeologisch erfgoed</al></li><li nr="h."><al>op chloridengehalte van grondwater </al></li></lijst><al>Duurzaam en doelmatig gebruik grondwater</al><al> Adequaat voorraadbeheer moet uitputting of aantasting van de
                                    grondwatervoorraad voorkomen. De algemene uitgangspunten die het
                                    waterschap hanteert staan onder a.</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Algemeen</vet></al></li><li nr="·"><al>De onttrekking mag niet in strijd zijn met de
                                            doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet.</al></li><li nr="·"><al>De onttrekking wordt zoveel mogelijk beperkt.</al></li><li nr="·"><al>De onttrekking mag niet leiden tot uitputting van de
                                            beschikbare zoet grondwatervoorraad.</al></li><li nr="·"><al>Indien grondwater van goede kwaliteit gebruikt wordt
                                            voor laag- of middelwaardige toepassingen, wordt dit
                                            zoveel mogelijk teruggebracht in de bodem. Daarbij geldt
                                            dat de retourbemaling doelmatig moet zijn. </al></li></lijst><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Bij de inhoudelijk toetsing wordt primair getoetst aan het
                                    voorkomen van wateroverlast en waterschaarste. Als hier niet aan
                                    voldaan kan worden moet de vergunning geweigerd worden. De
                                    toetsing moet in samenhang worden beschouwd met en de
                                    bescherming en verbetering van de ecologische kwaliteit en de
                                    maatschappelijke functievervulling door het watersysteem. Deze
                                    laatste aspecten zijn in dit document beschreven en moeten in
                                    onderlinge samenhang worden afgewogen. Mogelijk is dat een
                                    maatregel die goed is voor het ene aspect tegelijkertijd slecht
                                    is voor een ander aspect. Bovendien moeten de aspecten ten
                                    aanzien van de bescherming en verbetering van de ecologische
                                    kwaliteit en de maatschappelijke functievervulling door het
                                    watersysteem worden afgewogen tegen factoren zoals kosten,
                                    sociaaleconomische gevolgen, milieubelasting, volksgezondheid en
                                    natuur. Als het belang van de onttrekking of infiltratie kleiner
                                    is dan alle andere genoemde belangen wordt de vergunning
                                    geweigerd.</al><al>Het gebruik van grondwater en het onttrekken ervan moet beperkt
                                    worden. Voor laag- en middelwaardige toepassingen geldt dat
                                    nadat de onttrekking al zoveel mogelijk is beperkt het
                                    grondwater ook weer zoveel als mogelijk geretourneerd wordt. Bij
                                    de beoordeling in hoeverre de onttrekking niet vergund, beperkt
                                    of retour gebracht moet worden zal het waterschap een integrale
                                    afweging maken.</al><al>Het behouden van de strategische zoet grondwatervoorraad houdt
                                    in dat de som van de onttrekkingen van grondwater en de normale
                                    afvoer van afstromend regenwater via oppervlaktewater niet
                                    groter mag zijn dan de aanvulling van de grondwatervoorraad (met
                                    name via infiltratie van regenwater). Gezien de omvang van de
                                    Veluwe als infiltratiegebied zullen de onttrekkingen voor het
                                    beheersgebied van Waterschap Vallei en Veluwe niet snel leiden
                                    tot uitputting van de zoet grondwatervoorraad.</al><al>Dat een retourbemaling doelmatig moet zijn, wil zeggen dat de
                                    retourbemaling de negatieve effecten van de onttrekking tegen
                                    gaat en daarnaast geen andere negatieve effecten veroorzaakt. </al><al><vet>b.</vet><vet>Permanente onttrekkingen</vet></al><al>·Laagwaardig gebruik van grondwater moet voorkomen worden </al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Bij de vergunningen voor de industrie wordt nadrukkelijk bekeken
                                    of grondwater voor het gevraagde doel niet een te waardevolle
                                    grondstof is. Grondwater mag worden ingezet voor hoogwaardige
                                    industriële toepassing. Grondwater mag ook worden gebruikt voor
                                    bedrijfsprocessen die alleen met grond- of drinkwater kunnen
                                    werken. Voorbeelden van deze niet-hoogwaardige toepassingen zijn
                                    suppletie in koelsystemen en ketelvoedingswater.</al><al>Inzet van grondwater wordt als laagwaardig beschouwd als er
                                    alternatieven bestaan voor het verbruik van grondwater, zoals
                                    inzet van regenwater, oppervlaktewater of partieel gezuiverd
                                    afvalwater. Voorbeelden zijn enkelvoudige doorstroomkoeling,
                                    vullen van vijvers en spoelen van afvalcontainers. Vergunningen
                                    voor deze toepassingen worden in principe niet verleend tenzij
                                    het alternatief in strijd is met andere milieudoelstellingen.
                                    Een vergunning kan worden verleend indien de onttrekking voor
                                    een laagwaardige toepassing wordt gecombineerd met een sanering
                                    of het voorkomen van wateroverlast.</al><al>Bij een nieuwe vergunningaanvraag dient het effectief en
                                    efficiënt gebruik van grondwater te worden aangetoond. In een
                                    vergunning kan voorgeschreven worden dat waterbesparingsplannen
                                    opgesteld moeten worden.</al><al>·Permanente onttrekkingen van grondwater voor het droog houden
                                    van civieltechnische en bouwkundige werken zijn niet
                                    toegestaan.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Dit betreffen permanente onttrekkingen voor het droog houden van
                                    verdiept aangelegde civieltechnische en bouwkundige werken
                                    waarvan de bodem niet waterdicht is gemaakt (gebouwd volgens het
                                    ‘polderprincipe’). Daardoor moet met een permanente bronbemaling
                                    grondwater worden onttrokken om het grondwaterpeil continu lager
                                    te houden ten opzichte van het grondwaterpeil in de omgeving. </al><al>De grondwaterstand- en stroming wordt door deze permanente
                                    onttrekkingen onnodig beïnvloed en bovendien wordt de riolering,
                                    rioolwaterzuiveringsinstallatie of het oppervlaktewater onnodig
                                    belast. Deze onttrekkingen zijn te voorkomen door aanpassingen
                                    in het ontwerp. Vergunningen voor dit doel worden in beginsel
                                    niet meer verleend voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit
                                    betekent dat ondergrondse constructies volledig waterdicht
                                    moeten zijn.</al><al>Een permanente bemaling ten behoeve van drooglegging wordt
                                    ongeacht de grootte van de onttrekking, niet toegestaan. Voor
                                    bestaande werken kan een permanente onttrekking worden overwogen
                                    als er geen aanvaardbare alternatieven voorhanden zijn en de
                                    aanvrager kan aantonen dat hiermee een maatschappelijk belang
                                    gemoeid is. </al><al><vet>c.</vet><vet>Onttrekking in gebied met
                                        </vet><vet>k</vet><vet>wel of inzijging</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Een onttrekking en of infiltratie mag niet leiden tot
                                            negatieve effecten op de kwaliteit van het grondwater.
                                        </al></li><li nr="·"><al>Een onttrekking of infiltratie mag geen negatieve
                                            effecten hebben op de grond- en
                                            oppervlaktewaterhuishouding.</al></li></lijst><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Door een verandering in de grondwaterstroming verandert de mate
                                    van uitwisseling van het water uit het watervoerende pakket en
                                    het freatisch grondwater. Hierdoor kan de kwaliteit van het
                                    grondwater beïnvloed worden. Daarnaast kan de grondwaterstand
                                    en/of stijghoogte veranderen, wat ook gevolgen kan hebben voor
                                    de peilregulering van het oppervlaktewater. Daarnaast kan de
                                    drooglegging veranderen, waardoor de geschiktheid voor het
                                    grondgebruik kan verminderen. </al><al><vet>d. </vet><vet>Stopzetten of verminderen
                                        grondwateronttrekkingen</vet></al><al>·Bij langdurige en/of grote onttrekkingen moeten de gevolgen van
                                    het stopzetten of verminderen van de onttrekking of infiltratie
                                    worden beschouwd.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Het stopzetten of verminderen van langdurige of grote
                                    grondwateronttrekkingen kan (grote) gevolgen hebben voor de
                                    grondwaterstanden en het grondwaterstromingspatroon in de
                                    omgeving. Hierdoor kunnen negatieve effecten optreden als
                                    grondwateroverlast, zakkingen of rijzingen van maaiveld,
                                    zettingschade, afname van de stabiliteit van waterkeringen en
                                    veranderingen in de oppervlaktewaterkwaliteit.</al><al>Vooral als de onttrekking al lange tijd aanwezig is kunnen
                                    derden zich hebben aangepast aan de gewijzigde
                                    grondwatersituatie, waardoor vermindering of stopzetting van de
                                    onttrekking ongewenste effecten kan hebben. Reeds lopende
                                    vergunningen, waarbij hiermee geen rekening is gehouden, worden
                                    hierop aangepast. </al><al>Voorkomen van negatieve effecten</al><al><vet>a. </vet><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Als er negatieve effecten van een ingreep in de bodem of
                                            het grondwater te verwachten zijn, dienen deze effecten
                                            voorkomen te worden. </al></li><li nr="·"><al>Wanneer het voorkomen van negatieve effecten niet
                                            redelijkerwijs mogelijk is, moeten mitigerende
                                            maatregelen worden genomen.</al></li><li nr="·"><al>Wanneer voorkomen en mitigerende maatregelen
                                            redelijkerwijs niet mogelijk zijn, moeten compenserende
                                            maatregelen worden genomen.</al></li><li nr="·"><al>Om zicht te hebben of te houden op negatieve effecten
                                            kunnen in de vergunning voorschriften met betrekking tot
                                            monitoring en registratie van de werkelijk onttrokken
                                            hoeveelheid grondwater, worden opgenomen. </al></li><li nr="·"><al>De effecten van de onttrekking of infiltratie worden
                                            beschouwd binnen het invloedsgebied.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Het beleid is er op gericht dat negatieve effecten worden
                                    voorkomen. Door het onttrekken ontstaat er altijd invloed op de
                                    omgeving. Wat precies onder negatieve effecten wordt verstaan is
                                    afhankelijk van de lokale situatie, de grondgebruikfunctie en de
                                    toepassing; het waterschap maakt hiervoor een afweging.
                                    Hieronder staan de inhoudelijke criteria die bij deze afweging
                                    worden betrokken. Een effect van een ingreep hoeft niet altijd
                                    negatief te zijn: het zoeter worden van brak grondwater of
                                    oppervlaktewater door een grondwateronttrekking kan positieve
                                    effecten hebben op bijvoorbeeld natuurontwikkeling of de
                                    landbouw. Een voorbeeld van het voorkomen van effecten is het
                                    verminderen van de hoeveelheid onttrokken grondwater door
                                    toepassing van damwanden.</al><al>Door mitigerende maatregelen te nemen in uitzonderingsgevallen
                                    waarbij het voorkomen van effecten aantoonbaar niet haalbaar of
                                    betaalbaar is, gaat het waterschap na of en hoe het compenseren
                                    van de negatieve effecten wordt toegestaan. Een voorbeeld van
                                    een mitigerende maatregel is het retourneren van
                                    grondwater.</al><al>Compenserende maatregelen moeten worden getroffen voor negatieve
                                    effecten die niet voorkomen kunnen worden en waarvoor geen
                                    redelijke mitigerende maatregelen kunnen worden ingezet. Een
                                    voorbeeld van een compenserende maatregel is de herplant van
                                    door droogte afgestorven bomen.</al><al>Door het onttrekken en infiltreren van grondwater wijzigt de
                                    natuurlijke grondwaterstand en/of stijghoogte in het
                                    watervoerende pakket en de grondwaterstroming zowel horizontaal
                                    als verticaal. Door het onttrekken ontstaat een gebied
                                    waarbinnen de onttrekking invloed heeft op de grondwaterstand
                                    en/of stijghoogte. Uitgegaan wordt van een gebied dat wordt
                                    begrensd door de 5 cm-verlagingslijn (het invloedsgebied). In
                                    uitzonderingsgevallen kan hiervoor een andere waarde worden
                                    gehanteerd.</al><al>Hieronder worden een aantal mogelijke effecten benoemd en
                                    uitgewerkt die voor elke grondwateronttrekkng en eventuele –
                                    infiltratie beoordeeld moeten worden. </al><lijst><li nr="b."><al><vet>Effecten op natuur, landbouw en openbaar
                                                groen</vet></al></li><li nr="·"><al>Bij het beoordelen van de effecten op natuur, landbouw
                                            en openbaar groen wordt getoetst op effecten die buiten
                                            het eigen terrein optreden. </al></li></lijst><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Indien schade aan gronden van derden mogelijk is, wordt aangeven
                                    welke maatregelen zullen worden genomen om schade te voorkomen.
                                    Schade op het eigen perceel is ter beoordeling van de
                                    initiatiefnemer.</al><al>·De watervergunning moet rekening houden met natuurdoelen
                                    wanneer geen andere specifieke regelgeving van toepassing
                                    is.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Grondwaterbeheer kan van invloed zijn op de natuur. De grootste
                                    bedreiging voor de grondwaterafhankelijke natuurgebieden is
                                    verdroging. Andere oorzaken voor problemen in
                                    grondwaterafhankelijke natuurgebieden zijn de afname van de
                                    grondwateraanvulling in het infiltratiegebied, aanvoer van
                                    systeemvreemd water en de vervuiling van het grondwater door
                                    overbemesting. </al><al>Naast een watervergunning kan een vergunning op grond van de
                                    Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) vereist zijn.
                                    Grondwaterlichamen kunnen deel uitmaken van Natura2000-gebieden
                                    of beschermde natuurmonumenten die zijn aangewezen op grond van
                                    de Nbw 1998. Wanneer een grondwaterlichaam geen deel uitmaakt
                                    van een beschermd gebied is het nog mogelijk dat een handeling
                                    in het grondwatersysteem invloed heeft op een aangewezen
                                    natuurgebied dat in de nabije omgeving ligt (externe werking).
                                    Ook dan is het beschermingsregime van de Nbw 1998 van
                                    toepassing. In deze gevallen is een vergunning op grond van de
                                    Nbw 1998 vereist. De Nbw vergunning is dan leidend ten opzichte
                                    van de Waterwetvergunning voor wat betreft de toelaatbaarheid
                                    voor de natuur en de maatregelen. Het is namelijk mogelijk dat
                                    in een bepaald geval een watervergunning kan worden verleend
                                    terwijl de Nbw-vergunning moet worden geweigerd. In dat geval
                                    kan de onttrekking geen doorgang vinden.</al><al>Overigens zijn de hierboven genoemde Natura 2000-gebieden en
                                    beschermde natuurmonumenten via de Omgevingsvisie van de
                                    Provincie Gelderland en het Bodem-, Water- en Milieuplan van de
                                    Provincie Utrecht verwerkt in de Natuurkaart behorende bij de
                                    Algemene regel en Beleidsregels. Zij zijn daarop terug te vinden
                                    onder noemer gebieden met een natuurfunctie zijnde Natura
                                    2000-gebieden respectievelijk natte landnatuur inclusief
                                    hydrologische beschermingszones. In deze gebieden geldt geen
                                    vrijstelling van de vergunningplicht voor
                                    grondwateronttrekkingen voor beregening en door drainage.</al><al>. De toekenning van de functie natuur aan een gebied werkt door
                                    in de verlening van watervergunningen voor
                                    grondwateronttrekkingen in dat gebied. In deze gevallen kan de
                                    afweging van de diverse betrokken belangen waaronder natuur, er
                                    toe leiden dat een watervergunning wordt verleend, terwijl er
                                    strijd is met de instandhoudingsdoelen van de Nbw 1998. Indien
                                    een aanvraag wordt ontvangen die mogelijk ook vergunningplichtig
                                    is in het kader van de NBW 1998 zal dit gemeld worden bij de
                                    provincie teneinde deze trajecten goed op elkaar af te
                                    stemmen.</al><al>·Het uitgangspunt is dat de grondwaterstand in natuurgebieden
                                    niet beïnvloed mag worden.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Zo lang geen verandering van de freatische grondwaterstand of de
                                    kwelsituatie optreedt, mag er van uit worden gegaan dat geen
                                    schade optreedt aan de natuur. Wanneer wel een daling of
                                    stijging als gevolg van de onttrekking of infiltratie optreedt,
                                    moet een afweging worden gemaakt ten aanzien van de gevoeligheid
                                    van de aanwezige soorten, de schade die daadwerkelijk optreedt,
                                    het beïnvloedde areaal ten opzichte van het totaal, de mate
                                    waarin herstel kan optreden en de gevoeligheid in het
                                    betreffende seizoen. </al><al>·Voor landbouw is het uitgangspunt dat geen onevenredige
                                    opbrengstderving mag optreden. </al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Opbrengstderving kan optreden door freatische
                                    grondwaterstandsveranderingen en veranderingen in de kwaliteit
                                    van het grondwater. Binnen het freatische beïnvloedingsgebied
                                    moet dit dus bepaald worden. Grondwaterstandsveranderingen
                                    kunnen zowel een negatief als een positief effect hebben.</al><al>·Voor openbaar groen is het uitgangspunt dat grondwatergevoelige
                                    soorten niet negatief beïnvloed mogen worden.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Een negatieve invloed is bijvoorbeeld droogteschade of het
                                    beperkt worden in de groei. </al><al>Mitigerende maatregelen ter voorkoming van schade zijn relatief
                                    eenvoudig in te zetten. Zo is beregening mogelijk als de
                                    grondwaterstand daalt tot onder GLG, of kan openbaar groen in
                                    geval van sterfte herplant worden. Openbaar groen kan als
                                    monumentaal groen zijn aangemerkt en daarom extra bescherming
                                    genieten. Herplanten is dan natuurlijk geen optie. </al><al><vet>c.</vet><vet>Effecten op bebouwing, infrastructuur en
                                        objecten</vet></al><al>·Zetting mag geen schade veroorzaken.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Verlaging van de freatische grondwaterstand en de stijghoogten
                                    kan zetting van grondlagen tot gevolg hebben, waardoor mogelijk
                                    enige zakking van het maaiveld en zettingsgevoelige objecten
                                    optreedt. Dit is voornamelijk het geval indien de freatische
                                    grondwaterstand en stijghoogte worden verlaagd beneden de in het
                                    verleden opgetreden laagste waarden. Schade aan bebouwing,
                                    leidingen en infrastructuur kan met name ontstaan als gevolg van
                                    zettingsverschillen.</al><al>Bij het beoordelen wordt de schade aan objecten beoordeeld
                                    conform het principe van de NEN-6740, echter lokaal kan hiervan
                                    moeten worden afgeweken. Zettingsgevoelige objecten die al
                                    eerder aan zettingen onderhevig waren, kunnen bijvoorbeeld veel
                                    minder extra zetting ondergaan voordat schade optreedt, dan dat
                                    op grond van een berekening aan de NEN norm verwacht kan
                                    worden.</al><al>Bij zettingsgevoelige bebouwing, infrastructuur en objecten kan
                                    bijvoorbeeld aan op staal gefundeerde gebouwen, kabels en
                                    leidingen of wegen en waterkeringen gedacht worden.</al><al>·Grondwaterpeilverlaging mag geen droogvallen van houten palen
                                    veroorzaken.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Oudere bebouwing kan op houten palen zijn gefundeerd. Deze palen
                                    mogen in principe niet aan zuurstof worden blootgesteld, omdat
                                    dan aantasting van het hout kan optreden. Blootstelling aan
                                    zuurstof treedt op wanneer de grondwaterstand lager wordt dan de
                                    paalkoppen. Wanneer de grondwaterstand ten gevolge van
                                    onttrekkingen lager wordt dan de paalkoppen moeten in de
                                    vergunning de aspecten duur van de droogstand (ook cumulatief
                                    met eerdere verlagingen), gevoeligheid van de fundering
                                    (houtsoort) en reeds eerder opgetreden schade aan de fundering
                                    overwogen worden.</al><al>·Negatieve kleef mag geen schade veroorzaken.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Door stijghoogtewijzigingen kan ter plaatse van paalfunderingen
                                    een vermindering in kleef optreden. Wanneer de werking van de
                                    palen voornamelijk op kleef is gebaseerd kan dit schade
                                    veroorzaken. Het betreft dan vaak houten palen, trekpalen en
                                    betonnen paalfunderingen. </al><al><vet>d. </vet><vet>Effecten op de
                                        b</vet><vet>odem</vet><vet>stabiliteit</vet></al><al>·Een onttrekking of infiltratie mag niet leiden tot opbarsten
                                    van de bodem.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Opbarsten van de bodem kan ongewenste waterstromen veroorzaken
                                    en tot een onbeheersbare situatie leiden zoals permanente
                                    toename van kwel en/of inzijging en kortsluiting tussen
                                    watervoerende pakketten. Zowel het maaiveld, de bodem van de
                                    bouwput en de wateren in de directe omgeving kunnen opbarsten.
                                    Het bepalen van het risico van opbarsten van de bodem gebeurt
                                    aan de hand van de NEN-6740. </al><al><vet>e. </vet><vet>Effecten op
                                        bodemv</vet><vet>erontreinigingen</vet></al><al>·Bij onttrekking en infiltratie moet rekening worden gehouden
                                    met het verplaatsen van bodemverontreinigingen.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Door het onttrekken van grondwater of infiltreren van water kan
                                    de grondwaterstroming veranderen waardoor mobiele
                                    verontreinigingen kunnen verplaatsen. Het verplaatsen van
                                    verontreinigingen valt onder de definitie saneren in de Wet
                                    bodembescherming (Wbb). In de Wbb zijn voorwaarden gesteld aan
                                    het saneren. </al><al>Wanneer sprake is van een ernstige verontreiniging én de
                                    verplaatsing van verontreinigd grondwater bedraagt meer dan 1000
                                    m<sup>3</sup>, is een melding op grond van de Wet
                                    bodembescherming (Wbb) noodzakelijk. Het waterschap informeert
                                    de aanvrager en het Wbb bevoegd gezag hierover. Bij een
                                    meldingplichtige verplaatsing van verontreinigd grondwater moet
                                    het Wbb bevoegd gezag beslissen over de ernst en de spoed. Als
                                    het een geval van ernstige verontreiniging betreft, moet degene
                                    die grondwater gaat onttrekken een saneringsplan indienen. Dit
                                    saneringsplan zal zich met name richten op de wijze waarop
                                    verspreiding van de verontreiniging wordt voorkomen. </al><al>De aanvrager zal voorafgaand aan de bemaling moeten uitzoeken
                                    hoe veel verontreinigd grondwater verplaatst wordt. Het
                                    waterschap is geen Wbb bevoegd gezag en beslist dus niet of
                                    maatregelen noodzakelijk zijn. Wanneer het Wbb bevoegd gezag dit
                                    noodzakelijk acht, kunnen er echter maatregelen nodig zijn die
                                    andere of grotere effecten hebben dan de bemaling zelf,
                                    bijvoorbeeld spiegelbronnen of retourinfiltratie. De
                                    watervergunning is in dit geval voor wat betreft welke
                                    maatregelen genomen moeten worden, volgend aan de Wbb
                                    beschikking. De toelaatbaarheid van de effecten van die
                                    maatregelen moeten echter wel overwogen worden.</al><al>Wanneer de aanvrager aangeeft dat minder dan 1000 m<sup>3</sup>
                                    verplaatst wordt, kan in de vergunning worden opgenomen dat er
                                    monitoring op de verplaatsing plaats moet vinden. Dit betreft
                                    dan monitoring op de kwaliteit van het grondwater. Als blijkt
                                    dat de verplaatsing meer is dan in de aanvraag aangegeven, kan
                                    dit aan het Wbb bevoegd gezag worden doorgegeven. </al><al><vet>f. </vet><vet>Andere
                                        </vet><vet>grondwateronttrekkingen</vet></al><al>·De grondwateronttrekking of infiltratie mag geen ontoelaatbare
                                    invloed hebben op andere/bestaande grondwateronttrekkingen.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Of de invloed van een nieuwe onttrekking ontoelaatbaar is hangt
                                    af van het belang van de beïnvloede bestaande onttrekkingen.
                                    Gaat het om secundaire systemen, zoals ondergrondse
                                    gietwateropslag, bodemenergiesystemen of sommige brandputten,
                                    dan moet het rendementsverlies van de installaties bij de
                                    afweging worden betrokken. Bij compenserende maatregelen die in
                                    de vergunning kunnen worden opgenomen kan ook een financiële
                                    regeling tussen de nieuwe en de bestaande partij horen.</al><al>In het geval dat de overige onttrekkingen een primaire functie
                                    voor de bestaande onttrekkers heeft, zoals brandputten waar geen
                                    andere watervoorziening van voldoende capaciteit voorhanden is,
                                    industriële onttrekkingen of saneringen is de toelaatbaarheid
                                    eerder een probleem en zal een maatregel in de vergunning eerder
                                    een beperking van het effect van de nieuwe onttrekking inhouden.
                                    Hiervoor geldt dat een nieuwe grondwateronttrekking of
                                    –infiltratie zodanig wordt aangepast dat de cumulatieve effecten
                                    toelaatbaar zijn.</al><al>Uitgangspunt is dat bestaande onttrekkingen worden beschermd, en
                                    dat eventuele maatregelen door de nieuwe aanvrager worden
                                    genomen, tenzij de nieuwe onttrekking ziet op een hoogwaardiger
                                    gebruik. Mogelijk dat dan een reeds verleende vergunning moet
                                    worden ingetrokken.</al><al>In geval van het ontrekken of wijzigen van reeds verleende
                                    vergunningen, dient onevenredige schade aan de vergunninghouder
                                    te worden vergoed. </al><al><vet>g. </vet><vet>Effect op a</vet><vet>rcheologi</vet><vet>sch
                                        </vet><vet>e</vet><vet>rfgoed</vet></al><al>·Een onttrekking of infiltratie mag het archeologisch erfgoed
                                    niet verstoren.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Een van de belangrijkste voorwaarden voor het behoud van
                                    archeologisch erfgoed is de afwezigheid van de zuurstof ofwel de
                                    aanwezigheid van grondwater. Verandering van grondwaterstand en
                                    –kwaliteit kan het behoud van archeologisch erfgoed beïnvloeden.
                                    Het belangrijkste uitgangspunt is om archeologische waarden in
                                    de ondergrond (ter plekke) te behouden, omdat de bodem nu
                                    eenmaal de beste conserveringsomgeving is. Dit wordt behoud in
                                    situ genoemd. </al><al>Het uitgangspunt is dat ter plaatse van archeologische
                                    organische objecten de grondwaterstand niet mag dalen tot onder
                                    de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG). Indien de
                                    grondwaterstand verder wordt verlaagd dan de GLG is nadere
                                    informatie van een archeologische deskundige nodig. In de Wet op
                                    de archeologische monumentenzorg is een belangrijk principe
                                    opgenomen: ‘de verstoorder betaalt’. Dit betekent dat de
                                    initiatiefnemer van een project dat mogelijk schade toebrengt
                                    aan het bodemarchief (verstoort), verplicht is het archeologisch
                                    onderzoek te laten uitvoeren om behoud van het bodemarchief te
                                    kunnen waarborgen. </al><al>Voor activiteiten die een beschermd archeologisch monument
                                    kunnen aantasten, moet op grond van de Monumentenwet een
                                    vergunning worden aangevraagd bij het ministerie van Onderwijs,
                                    Cultuur en Wetenschap. In de watervergunning worden in dat geval
                                    geen nadere eisen opgenomen. </al><al><vet>h. </vet><vet>Effecten op chloridengehalte van de
                                        grondwater (v</vet><vet>erzilting</vet><vet>)</vet></al><al>·Een onttrekking of infiltratie mag niet leiden tot het
                                    permanent verhogen van het chloride-gehalte van grondwater.</al><al><cursief> Toelichting:</cursief></al><al>Door verzilting neemt de hoeveelheid zoet grondwater af en kan
                                    onder andere de beschikbaarheid als grondstof in gevaar komen en
                                    kunnen negatieve effecten optreden op grondgebruikfuncties nu en
                                    in de toekomst. </al><al>Extra aandachtspunten overige onttrekkingsituaties </al><lijst><li nr="1."><al><vet>Artesische bron</vet></al></li><li nr="2."><al><onderstreept>Buisdrainage</onderstreept></al></li><li nr="3."><al><onderstreept>Beregening en
                                            bevloeiing</onderstreept></al></li><li nr="4."><al><onderstreept>Noodvoorziening</onderstreept></al></li><li nr="5."><al><onderstreept>Infiltraties</onderstreept></al></li></lijst><al>Artesische bron</al><al><cursief>Toelichting</cursief><cursief>:</cursief></al><al>Grondwateronttrekkingen kunnen ook door middel van en artesische
                                    bron plaatsvinden. </al><al>Als gevolg van de Algemene regel onttrekking grondwater door een
                                    artesische bron geldt er een vrijstelling voor <vet>alle</vet>
                                    onttrekkingen door een artesische bron, mits aan de in de
                                    algemene regel genoemde voorschriften wordt voldaan en de
                                    onttrekking wordt gemeld.</al><al>Drainage</al><lijst><li nr="·"><al>Indien de drainage zich bevindt in een gebied met een
                                            natuurfunctie of dieper ligt dan 1,00 meter onder
                                            maaiveld, is de onttrekking door middel van deze
                                            drainage vergunningplichtig.</al></li><li nr="·"><al>De vergunningaanvraag wordt getoetst aan de criteria uit
                                            hoofdstuk 6, met inachtneming van het hierna
                                            bepaalde.</al></li><li nr="·"><al>Het toepassen van drainage voor het op peil houden van
                                            grondwaterstanden zonder gebruik van actieve bronnering
                                            mag niet leiden tot uitwisseling van grondwater tussen
                                            verschillende watervoerende pakketten.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting</cursief><cursief>:</cursief></al><al>Voor grondwateronttrekkingen door middel van drainage waarbij de
                                    drainage zich niet bevindt in een gebied met een natuurfunctie
                                    of niet dieper ligt dan 1,00 meter onder maaiveld gelden
                                    algemene regels en is geen vergunning nodig. </al><al>Bij grondwaterpeilbeheer door middel van drainage (passieve
                                    onttrekkingen) kunnen afhankelijk van de diepte van het
                                    drainagesysteem en de verlaging van het grondwaterniveau
                                    nadelige effecten optreden. Bijvoorbeeld kwaliteitsverandering
                                    door vermengen van grondwater van verschillende dieptes en
                                    effecten van de verlagingen in de omgeving.
                                    Grondwaterstandverlaging door middel van drainage dient zoveel
                                    als mogelijk voorkomen te worden. Bij beoordeling van een
                                    verzoek kan naast een beoordeling op de effecten van de
                                    onttrekking expliciet gevraagd worden naar toepassing van een
                                    alternatief met minder impact en de bijbehorende effecten en
                                    kosten ten opzichte van voorgestelde drainage. </al><al>Beregening en bevloeiing</al><lijst><li nr="·"><al>Indien de onttrekking ten behoeve van beregening en
                                            bevloeiing meer bedraagt dan 100 m³ per uur, is deze
                                            vergunningplichtig.</al></li><li nr="·"><al>De vergunningaanvraag wordt getoetst aan de criteria uit
                                            hoofdstuk 6, met inachtneming van het hierna
                                            bepaalde.</al></li><li nr="·"><al>Het onttrekken van grondwater voor beregening en
                                            bevloeiing gebeurt op basis van de
                                            voorkeursvolgorde.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting:</cursief></al><al>Als gevolg van de Algemene regel onttrekking grondwater voor
                                    beregening en bevloeiing geldt er alleen een vergunningplicht
                                    indien de onttrekking meer bedraagt dan 100 m³ per uur.</al><al>Bij beregening en bevloeiing moet bij voorkeur gebruik worden
                                    gemaakt van oppervlaktewater. Als er niet voldoende
                                    oppervlaktewater, zowel kwantitatief als kwalitatief, aanwezig
                                    is of als ten gevolge van langdurige droogte het onttrekken van
                                    oppervlaktewater niet is toegestaan kan onttrekking van
                                    grondwater worden toegestaan. Er wordt gestreefd naar beperking
                                    van de hoeveelheid te onttrekken grondwater op basis van een
                                    voorkeursvolgorde. Dit betekent dat er zoveel mogelijk
                                    alternatieven voor grondwater worden ingezet als deze
                                    beschikbaar zijn. Voor beregening of bevloeiing geldt de
                                    voorkeursvolgorde: opgeslagen hemelwater, oppervlaktewater,
                                    eerste watervoerende pakket, en (alleen in uiterste gevallen)
                                    tweede watervoerende pakket. </al><al>Noodvoorzieningen</al><lijst><li nr="·"><al>Grondwateronttrekkingen voor noodvoorzieningen worden
                                            toegestaan na melding en bij voldoen aan hiervoor
                                            opgestelde algemene regels. </al></li><li nr="·"><al>Indien de onttrekking door middel van noodvoorziening
                                            vergunningplichtig is, vindt toetsing van de
                                            vergunningaanvraag plaats aan de hand van de criteria
                                            uit hoofdstuk 6.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting</cursief><cursief>:</cursief></al><al>Grondwateronttrekkingen voor noodvoorzieningen komen veelal voor
                                    in gebieden waar onvoldoende oppervlaktewater dan wel
                                    leidingwater voorhanden is. Het onttrekken van grondwater voor
                                    bijvoorbeeld het blussen van branden kan dan de enig mogelijke
                                    oplossing zijn. Hier is uiteraard een groot maatschappelijk
                                    belang bij. Bovendien zal de grondwateronttrekking vrijwel nooit
                                    (alleen in noodsituaties en bij testen) worden ingezet. Schade
                                    aan bijvoorbeeld natuur of landbouw of het aantrekken van
                                    verontreinigingen zal daarom slechts marginaal optreden. Voor
                                    het gebruik van noodvoorzieningen zijn algemene regels
                                    opgesteld.</al><al>Infiltraties </al><al>Voor het infiltreren van water in de bodem zijn eisen gesteld in
                                    de Waterwet, Waterbesluit en de waterregeling ten aanzien van de
                                    normering en meting van de kwaliteit van het water.</al><lijst><li nr=""><al>Bijlagen</al></li></lijst></li></lijst><al>Vaarwaterenkaart</al><al>Natuurkaart</al><al>Poldergebiedenkaart</al><al>Afvoernormenkaart</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i0d95f262-50f4-428e-ae40-d34e4302e7aa" naam="i284735i0d95f262-50f4-428e-ae40-d34e4302e7aa.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.1cm"/></plaatje></al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>