<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR437311_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-04-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, nr. 41079</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a, eerste lid, aanhef en onder a,b,c,d, art. 8a, lid 2, art. 8b, art. 47, art. 60b; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige, art. 35.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016/016/1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Roermond</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 februari
                        2016,</al><al>raadsvoorstelnummer 2016/016/1;</al><al>gezien het advies van de Cliëntenraad Participatiewet van 15 januari
                        2016;</al><al>gezien het advies van de commissie Burgers en Samenleving van 15 maart
                        2016;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in</al><al>artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d en e en tweede lid, </al><al>artikel 8b, artikel 47 en artikel 60b Participatiewet; </al><al>artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers; </al><al>artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen.</al><al/><al><vet>besluit</vet></al><al> De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016 vast te
                        stellen.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene
                                    wet bestuursrecht (Awb).</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>uitkeringsnorm:</al></li><li nr="b."><al>de op de leef- en woonsituatie van toepassing zijnde
                                            bijstandsnorm conform de PW, eventueel aangevuld met de
                                            bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor 18 tot 21
                                            jarigen;</al></li><li nr="c."><al>de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5,
                                            onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>de op belanghebbende van toepassing zijnde grondslag
                                            bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>uitkeringsgerechtigde: belanghebbende bedoeld in artikel
                                            1 onder l van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                                            werk en inkomen;</al></li><li nr="f."><al>UWV: het Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="g."><al>wetten: de IOAW, de IOAZ en de Participatiewet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende de in de wetten opgenomen verplichtingen
                                    naar het oordeel van het college niet of in onvoldoende mate
                                    nakomt wordt de uitkering verlaagd.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten
                                    en de bijzondere persoonlijke omstandigheden waarin de
                                    belanghebbende verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De verlaging wordt opgelegd op de voor de uitkeringsgerechtigde van
                            toepassing zijnde uitkeringsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering wordt
                            in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt
                                    verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>de reden van afwijking indien wordt afgeweken van de in deze
                                    verordening genoemde percentages en/of duur van de
                                    verlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan
                                            door het college heeft plaatsgevonden, of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar geleden door het college
                                            is geconstateerd en naar aanleiding van deze gedraging
                                            nog geen besluit door het college heeft
                                            plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als het college afziet van een verlaging wordt de belanghebbende
                                    hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt met terugwerkende kracht toegepast, voor
                                    zover de bijstand nog niet is uitbetaald. Daarbij wordt
                                    uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover de bijstand over de afgelopen maand reeds is
                                    uitbetaald gaat de verlaging de eerstvolgende kalendermaand in.
                                    Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                    uitkeringsnorm.</al></li><li nr="3."><al>De duur van de verlaging bedraagt de termijnen die in deze
                                    verordening worden vermeld.</al></li><li nr="4."><al>Indien de belanghebbende, binnen 12 maanden gerekend vanaf de
                                    datum van het besluit waarin de verlaging wordt toegepast,
                                    opnieuw een verplichting niet nakomt (recidive) wordt de duur
                                    waarnaar in het derde lid wordt verwezen verdubbeld.</al></li><li nr="5."><al>Bij derde en meer opvolgende verwijtbare gedragingen worden de
                                    termijnen waarnaar in het vierde lid wordt verwezen telkens
                                    verlengd met één maand extra.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende
                            gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in
                            artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte
                            van de verlaging uitgegaan van de som van de verlagingen van de
                            afzonderlijke gedragingen, tot een maximum van een verlaging van 100%
                            gedurende één maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                            betrekking tot de arbeidsinschakeling</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a en 55 van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de PW;</al></li><li nr="2."><al>voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27
                                            jaar : het onvoldoende nakomen van verplichtingen als
                                            bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de
                                            Participatiewet, gedurende vier weken na een melding als
                                            bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW,
                                            voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in
                                            artikel 18, vierde lid, van de PW;</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                                            PW;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie: het niet of in onvoldoende mate naar vermogen
                                    proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover
                                    dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel
                                    18, vierde lid, van de PW.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de IOAW of de IOAZ, voor zover dit niet heeft
                                            geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de
                                            IOAW of de IOAZ;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of in onvoldoende mate naar vermogen proberen
                                            algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="4."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van door
                                            het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen
                                            sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en
                                            het niet of in onvoldoende mate mee te werken aan
                                            onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de a arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel
                                    18, vierde lid, van de PW niet of onvoldoende nakomt, wordt de
                                    verlaging vastgesteld op 100% van de uitkeringsnorm gedurende
                                    een maand.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de verlaging op grond van artikel 18, elfde lid,
                                    PW herzien zodra uit houding en gedragingen van de
                                    belanghebbende ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen
                                    weer nakomt.</al></li><li nr="3."><al>Het verzoek tot herziening op grond van artikel 18, elfde lid
                                    PW, dient schriftelijk ingediend te worden bij het college.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan de verlaging enkel herzien in de gevallen dat de
                                    duur van de opgelegde verlaging langer is dan één maand.</al></li><li nr="5."><al>Herziening van de verlaging kan niet plaatsvinden vóór de maand
                                    waarin het verzoek tot herziening ingediend.</al></li><li nr="6."><al>Indien het college de verlaging op grond van artikel 18, elfde
                                    lid, PW herziet, wordt de hoogte van het percentage van de
                                    verlaging gehalveerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Participatiewet</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening het bestaan heeft betoond als
                            bedoeld in artikel 18, tweede lid van de PW wordt de uitkeringsnorm
                            verlaagd met inachtneming van het onderstaande:</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende voorafgaande aan de ingangsdatum van
                                    de bijstandsverlening het beschikbare vermogen op een
                                    onverantwoorde wijze heeft besteed waardoor hij niet langer
                                    beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te
                                    voorzien en als gevolg daarvan eerder dan noodzakelijk een
                                    beroep moet doen op bijstand wordt de uitkeringsnorm op deze
                                    gedraging afgestemd met een verlaging van 100% van de
                                    uitkeringsnorm gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>Indien er sprake is van het niet of niet volledig tot
                                    uitbetaling komen van een voorliggende voorziening vanwege
                                    verrekening, waarbij op grond van een wettelijk voorschrift
                                    artikel 4:93 vierde lid van de Awb buiten toepassing is gelaten,
                                    wordt de bijstand op deze gedraging afgestemd met een verlaging
                                    van 100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand.</al></li><li nr="3."><al>Indien een belanghebbende op een andere wijze door eigen toedoen
                                    afhankelijk wordt van de bijstand dan wordt de bijstand op deze
                                    gedraging afgestemd met een verlaging van 100% van de
                                    uitkeringsnorm gedurende een maand.</al></li><li nr="4."><al>Indien de belanghebbende verwijtbaar geen beroep doet op een
                                    voorliggende voorziening en de aanspraak op de voorliggende
                                    voorziening niet is vast te stellen wordt de uitkeringsnorm op
                                    deze gedraging afgestemd met een verlaging van 50% van de
                                    uitkeringsnorm gedurende één maand.</al></li><li nr="5."><al>Indien een belanghebbende niet of in onvoldoende mate voldoet
                                    aan een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de
                                    PW wordt een verlaging toegepast van 50% gedurende één
                                    maand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a</nr><titel>Medewerkingsplicht</titel></kop><al>Indien een belanghebbende de medewerkingsplicht, als bedoeld in artikel
                            17 lid 2 van de PW, artikel 13 lid 2 van de IOAW of IOAZ niet of
                            onvoldoende nakomt, wordt de verlaging vastgesteld op 50% van de
                            uitkeringsnorm gedurende een maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                    personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                    PW en de IOAW of de IOAZ wordt de uitkeringsnorm verlaagd.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de
                                    vorm van verbaal geweld, discriminatie of intimidatie op de
                                    volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>50% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij een
                                            ernstige misdraging;</al></li><li nr="b."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij een
                                            tweede ernstige misdraging binnen een periode van 24
                                            maanden na de vorige misdraging;</al></li><li nr="c."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende 2 maanden vanaf een
                                            derde ernstige misdraging binnen een periode van 24
                                            maanden na de vorige misdraging.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de
                                    vorm van zaakgericht fysiek geweld of mensgericht fysiek geweld
                                    op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand bij een
                                            eerste ernstige misdraging;</al></li><li nr="b."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende 2 maanden bij een
                                            tweede ernstige misdraging binnen een periode van 24
                                            maanden na de vorige misdraging;</al></li><li nr="c."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende 3 maanden vanaf een
                                            derde ernstige misdraging binnen een periode van 24
                                            maanden na de vorige misdraging.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Van een zeer ernstige misdraging is sprake als verwijtbaarheid
                                    is vastgesteld en dit gedrag in het normale menselijke verkeer
                                    onacceptabel is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ vastgesteld bij
                            besluit van 18 december 2014, besluitnummer 2014/085/2 worden
                            ingetrokken per 1 april 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 april 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016.</al></li></lijst><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al>Afstemmingverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Roermond
                            2016</al><al>Algemeen</al><al>Rechten en plichten in de Participatiewet (PW)</al><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                            invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede
                            gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het
                            gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Rechten en
                            plichten zijn echter twee kanten van één medaille. Het recht op bijstand
                            is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                            onafhankelijk te worden van de uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de PW spreekt over het afstemmen van de
                            bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                            mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                            benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de
                            daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is.
                            Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de
                            persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18,
                            tweede lid, van de PW legt een directe koppeling tussen de rechten en
                            plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is
                            altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk
                            te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de
                            hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                            uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde,
                            maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De
                            inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden
                            verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de
                            uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                            verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt,
                            ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet
                            niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de
                            persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde
                            verplichtingen. Het college kan dan ook (gedeeltelijk) van een verlaging
                            afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de PW
                            geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze
                            verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                            honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening wordt
                            de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de
                            PW).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                            verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                            bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is
                            vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW of
                            vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging,
                            dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten
                            beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de
                            beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende
                            aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de
                            PW). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te
                            worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het
                            licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                            belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich
                            uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of
                            dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat
                            aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij
                            te stellen.</al><al>Artikel 18, derde lid, van de PW is naar het oordeel van het ministerie
                            van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is
                            van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen
                            (artikel 18, vierde lid, van de PW). Ten aanzien van geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de PW van
                            toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde
                            lid, van de PW is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als
                            belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de Afstemmingsverordening is een punitieve
                            sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich
                            zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een
                            strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor
                            worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen
                            naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden
                            feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar.
                            Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                            gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van
                            zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van
                            de PW op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                            Afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie
                            (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende
                            gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier
                            strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging
                            kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire
                            maatregel en een punitieve sanctie.</al><al>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op
                            grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te weigeren als een
                            belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen
                            niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW/IOAZ). Het
                            gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening (artikel
                            van de 35 IOAW/IOAZ).</al><al>Keuze blijvend of tijdelijk weigeren in de IOAW/IOAZ</al><al>Het college heeft de vrijheid om de uitkering blijvend of tijdelijk te
                            weigeren als belanghebbende onder</al><al>meer verwijtbaar werkloos raakt. Wil het college gebruik maken van die
                            bevoegdheid dan moet dat in de verordening geregeld zijn. In de
                            verordening is geregeld dat het college de uitkering alleen tijdelijk
                            weigert. Dit ter voorkoming van vergaande nadelige gevolgen voor de
                            belanghebbende bij blijvende weigering van de uitkering. Gehele
                            weigering van de uitkering heeft tot gevolg dat de IOAW/IOAZ-ers
                            mogelijk een beroep op de bijstand moeten doen, waar de vermogenstoets
                            geldt. Daarnaast betreft het een kwetsbare doelgroep, die uit ouderen
                            bestaat.</al><al>Niet verlenen van medewerking</al><al>Het niet verlenen van medewerking (art. 17 lid 2, PW en artikel 13, lid
                            2 IOAW/IOAZ) zal niet snel aanleiding geven tot verlaging van de
                            bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                            toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van
                            een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht
                            op bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het
                            verlagen van de bijstand is in dat geval niet aan de orde.</al><al>Schenden van de inlichtingenplicht</al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet
                            werk en bijstand (thans: PW), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd
                            bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                            verlaging van de bijstand.</al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de PW, de IOAW, de IOAZ of de Awb
                            worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn
                            vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</al><al>Het eerste lid van dit artikel geeft de omvang van de werking van deze
                            verordening aan en met name dat het hier een uitwerking betreft van
                            artikel 18 tweede lid van de PW.</al><al>In de Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen
                            standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele)
                            verlaging van de uitkeringsnorm. In dit tweede lid is de hoofdregel
                            neergelegd: de verlaging afstemmen op de ernst van het feit dat zich
                            heeft voorgedaan, de afweging in hoeverre de betrokken persoon hiervoor
                            verantwoordelijk is en de eventuele individuele bijzondere
                            omstandigheden die van belang kunnen zijn in verband met de gevolgen van
                            de tijdelijke verlaging voor de persoon of het gezin. Deze bepaling
                            brengt met zich mee dat bij elke verlaging zal moeten worden nagegaan of
                            gelet op deze drie criteria afwijking van de hoogte en de duur van de
                            voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de
                            standaardverlaging kan zowel tot een verzwaring als een matiging van de
                            hoogte en/of de duur van de verlaging leiden.</al><al>Matiging van de verlaging kan bijvoorbeeld aan de orde komen bij:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële of sociale omstandigheden van de
                                    belanghebbende;</al></li><li nr="-"><al>proportionaliteit: de zwaarte van de verlaging is niet evenredig
                                    aan de ernst van de gedraging en de mate van
                                    verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</al><al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                            berekend over de uitkeringsnorm. Onder de uitkeringsnorm wordt verstaan
                            de wettelijke norm inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond
                            van de IOAW/IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel
                            5 van de IOAW/IOAZ.</al><al>Een verlaging kan ook worden toegepast op de bijzondere bijstand die aan
                            een belanghebbende wordt verstrekt. Bijvoorbeeld aan een belanghebbende
                            waar bijzondere bijstand aan wordt verleend met toepassing van artikel
                            12 van de PW. Personen van 18 tot 21 jaar ontvangen een lage
                            jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van
                            aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als
                            een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou
                            dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.</al><al>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een verlaging.</al><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt
                            plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een
                            belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven
                            wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen
                            vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het
                            motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat
                            een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                            voorzien.</al><al>Artikel 5 Afzien van verlaging</al><al>Indien elke verwijtbaarheid ontbreekt dient het college af te zien van
                            een verlaging. Dit wordt in het eerste lid nogmaals benadrukt. Een
                            andere reden om af te zien van een verlaging is dat de gedraging te lang
                            geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                            (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                            gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden wordt onder
                            b. geregeld dat het college geen verlagingen toepast bij gedragingen die
                            langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Daarnaast wordt ook geen verlaging toegepast wanneer de verwijtbare
                            gedraging langer dan één jaar geleden door het college is geconstateerd
                            maar het college tot dusver heeft nagelaten een besluit te nemen.</al><al>Het tweede lid regelt dat een belanghebbende schriftelijk op de hoogte
                            wordt gesteld van het afzien van een verlaging. Dit is van belang in
                            verband met eventuele recidive.</al><al>Artikel 6 Ingangsdatum, tijdvak en recidive</al><al>De verlaging wordt naar de toekomst toegepast, tenzij de uitkering nog
                            niet is uitbetaald. De verlaging dient na constatering in beginsel zo
                            spoedig mogelijk geëffectueerd te worden zodat oorzaak en gevolg
                            maximaal aan elkaar worden gekoppeld.</al><al>In de leden 3 tot en met 5 is de systematiek geregeld indien sprake is
                            van herhaling van een verwijtbare gedraging. Indien binnen één jaar na
                            een eerste verwijtbare gedraging opnieuw sprake is van een verwijtbare
                            gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking
                            gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Bij een derde
                            en meer opvolgende verwijtbare gedragingen wordt de duur van de
                            verlaging telkens verlengd met één maand extra.</al><al>Er is geen sprake van recidive als is afgezien van een afstemming omdat
                            de verwijtbaarheid geheel heeft ontbroken. Met eerste verwijtbare
                            gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest
                            tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens zeer bijzondere
                            omstandigheden niet is geëffectueerd.</al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het
                            tijdstip waarop het besluit</al><al>(waarin de verlaging is medegedeeld) bekend is gemaakt (verzenddatum
                            beschikking).</al><al>Artikel 7 Samenloop van gedragingen</al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een uitkeringsgerechtigde. Bijvoorbeeld:
                            belanghebbende staat niet ingeschreven bij het UWV en werkt onvoldoende
                            mee aan een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen. De
                            verlaging van de uitkeringsnorm wordt dan vastgesteld aan de hand van de
                            cumulatie van de verschillende percentages van de beide categorieën. In
                            dit geval bedraagt de verlaging niet meer dan 60% gedurende één
                            maand.</al><al>De verlaging van de uitkeringsnorm kan niet meer bedragen dan de hoogte
                            van de volledige uitkering (100%) gedurende één maand.</al><al>Hoofdstuk 2 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                            betrekking tot de arbeidsinschakeling</al><al>Artikel 8 Gedragingen Participatiewet</al><al>De artikelen 8 en 10 dienen in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                            artikel 8 worden de schendingen van verplichtingen uit de PW
                            geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die genoemd zijn in artikel 8
                            zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel
                            10 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                            categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen
                            heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende
                            nakomen van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB
                            zoals dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest
                            afstemmen als een belanghebbende de verplichtingen ‘niet of onvoldoende
                            nakomt’. Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de PW wordt dit
                            gewijzigd in ‘het niet nakomen van de verplichtingen’. Het woord
                            ‘onvoldoende’ valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee
                            echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden
                            gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om
                            onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 8 neergelegd
                            dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende
                            nakomen van de verplichtingen.</al><al>Inspanningen in eerste vier weken na de melding (onderdeel b)</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel
                            9, eerste lid, van de PW). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                            geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier
                            weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW). Is
                            geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13,
                            tweede lid, onderdeel d, van de PW geen recht op bijstand. Zijn er wel
                            inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college
                            onvoldoende, dan verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in
                            principe al worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd
                            in artikel 3 van deze verordening. Een aparte grondslag is strikt
                            genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen
                            leiden als het bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die in de vijfde
                            of zesde week na de melding de fout in gaat. Desalniettemin is het niet
                            of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid
                            toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de Afstemmingsverordening
                            (zie artikel 8, onderdeel b, ten tweede).</al><al>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen (onderdeel c)</al><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om
                            het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                            arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel
                            18, vierde lid, van de PW. In artikel 18, vierde lid, van de PW staan de
                            geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een
                            geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime:
                            verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende een in de
                            Afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten
                            hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de PW). In deze
                            verordening is de duur vastgelegd in artikel 10.</al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in
                            artikel 8, onderdeel c, als het niet naar vermogen proberen te
                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een
                            gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden
                                    die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid, en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en
                                    gedrag.</al></li></lijst><al>Artikel 9 Gedragingen IOAW en IOAZ</al><al>De artikelen 9 en 10 dienen in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                            artikel 9 worden de schendingen van verplichtingen uit de IOAW en de
                            IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die genoemd zijn in
                            artikel 9 zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt
                            in artikel 10 een gewicht toegekend in de vorm van een
                            verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende
                            zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer
                            concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                            betaalde arbeid.</al><al>Artikel 10 Hoogte en duur van de verlaging</al><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><al>Hoofdstuk 3 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met
                            betrekking tot de arbeidsinschakeling</al><al>Artikel 11 Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                            arbeidsverplichting</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de PW
                            geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze
                            verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                            honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening wordt
                            de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de
                            PW).</al><al>Het gaat om de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid; </al></li><li nr="b."><al>het uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                    verplichting om ingeschreven te staan bij een
                                    uitzendbureau;</al></li><li nr="c."><al>het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                    in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die
                                    andere gemeente te verhuizen;</al></li><li nr="d."><al>bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale
                                    reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het
                                    naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="e."><al>bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat
                                    er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen
                                    verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een
                                    arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een
                                    netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de
                                    belanghebbende geldende uitkeringsnorm, kan aangaan;</al></li><li nr="f."><al>het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden,
                                    noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden
                                    of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="g."><al>het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding,
                                    gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;</al></li><li nr="h."><al>het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen,
                                    waaronder begrepen sociale activering, gericht op
                                    arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of
                                    haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><al>In deze verordening is geregeld dat bij overtreding van een van deze
                            geüniformeerde verplichtingen de bijstand verlaagd wordt met een
                            percentage van 100% gedurende één maand.</al><al>In artikel 18 lid 11 van de PW is opgenomen dat wanneer het college naar
                            aanleiding van de schending van de geüniformeerde verplichtingen de
                            bijstand heeft verlaagd het college, op verzoek van de belanghebbende,
                            deze verlaging kan herzien, zodra uit de houding en gedragingen van de
                            belanghebbende ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen weer
                            nakomt.</al><al>Herziening van deze verlaging vindt alleen plaats voor zover de
                            verlaging langer duurt dan één maand. Praktisch betekent dat dat enkel
                            herziening plaats vindt bij recidive. In dit artikel is verder geregeld
                            dat het verzoek om herziening schriftelijk ingediend moet worden bij het
                            college.</al><al>Herziening kan plaatsvinden vanaf de maand dat het verzoek wordt
                            ontvangen. Tenslotte is geregeld dat het college in dit soort gevallen
                            de verlaging herziet en het percentage van de verlaging halveert
                            gedurende de verder opgelegde periode.</al><al>Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</al><al>Artikel 12 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            Participatiewet</al><al>Aan de PW ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in eerste
                            instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer
                            dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is
                            dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op
                            bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende
                            eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan
                            is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            voor de voorziening in het bestaan.</al><al>Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er
                            toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                            aangewezen op bijstand): </al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen (eerste lid);</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering
                                    of een andere voorliggende voorziening.</al></li></lijst><al>Met betrekking tot het tweede lid:</al><al>Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW
                            in werking getreden. </al><al>Deze wet beoogt een aanscherping van het sanctieregime in de sociale
                            zekerheid. In deze wet is </al><al>geregeld dat een belanghebbende die herhaaldelijk fraudeert met een
                            sociale zekerheidsuitkering (anders dan de bijstand) een boete krijgt
                            van 150% van het benadelingsbedrag. Deze boete wordt volledig verrekend
                            met de uitkering waardoor de uitkering feitelijk niet tot uitbetaling
                            komt.</al><al>Indien de belanghebbende geen andere middelen van het bestaan heeft kan
                            hij een beroep doen op de bijstand als vangnetvoorziening.</al><al>Het feit dat het recht op een passende en toereikende voorziening
                            verloren is gegaan wordt aangemerkt als tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid. Een en ander levert daarom maatregelwaardig gedrag
                            op, op basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al>Met betrekking tot het vierde lid:</al><al>Lid 4 doelt op situaties waar een belanghebbende verzaakt om een beroep
                            te doen op een voorliggende voorziening maar waarin niet duidelijk is
                            hoe hoog de claim op de voorliggende voorziening is. Bijvoorbeeld in de
                            gevallen waarin een belanghebbende nog een loonvordering heeft op een
                            ex-werkgever maar waarin niet duidelijk is hoe hoog deze vordering
                            is.</al><al>Artikel 12a Medewerkingsplicht</al><al>In artikel 17 lid 2 van de PW en artikel 13 lid 2 van de IOAW/IOAZ is de
                            medewerkingsplicht opgenomen. De belanghebbende is verplicht desgevraagd
                            de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                            uitvoering van de wet.</al><al>De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die
                            redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet, waaronder in
                            ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep
                            om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn
                            arbeidsinschakeling of het afnemen van een toets in het kader van de
                            beheersing van de Nederlandse taal (artikel 18b PW).</al><al>Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen</al><al>In de PW, IOAW en IOAZ is opgenomen dat de belanghebbende verplicht is
                            ‘zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met de
                            uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het
                            verrichten van hun werkzaamheden’.</al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden
                            verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een
                            persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt
                            bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen
                            naar een persoon of het beledigen, bedreigen, discrimineren of
                            vergelijkbare agressieve uitingen in het contact met en persoon. Ook het
                            toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het
                            ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige
                            misdragingen gezien. Handelingen en uitingen die door hun grote en
                            mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote
                            invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele
                            intimidatie, het tonen van steek- en/of vuurwapens evenals (pogingen
                            tot) opsluiting in een ruimte, zijn eveneens als zeer ernstige
                            misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld, waaronder mede wordt
                            verstaan bedreigingen aan de medewerker en of diens gezin, valt onder de
                            noemer 'zeer ernstige misdraging'.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden
                            van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is
                            opgenomen in de PW, IOAW en IOAZ. Het gaat dan om alle vormen van zeer
                            ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de wetten
                            belaste personen en instanties (college, SVB en re-integratiebedrijven)
                            tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens
                            het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging
                            dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de wetten. Dat
                            is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is
                            alleen het strafrecht van toepassing.</al><al>Voor het bepalen van de verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de soort gedraging, de mate waarin de gedraging te
                            verwijten valt en de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgevonden.</al><al>In dit verband kan in het algemeen een onderscheid gemaakt worden tussen
                            instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is
                            sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld.</al><al>In het tweede en derde lid is tevens onderscheid gemaakt tussen fysiek
                            en niet fysiek geweld. Daarbij wordt fysiek geweld in welke vorm dan ook
                            als een ernstiger incident beschouwd dan wanneer dit niet heeft
                            plaatsgevonden.</al><al>Daarnaast is sprake van een steeds zwaardere afstemming (verlaging) van
                            de bijstand naarmate deze vergelijkbare incidenten door dezelfde persoon
                            vaker voorkomen.</al><al>Hierdoor ontstaat een meer gedifferentieerd uitgewerkt en gestructureerd
                            systeem waarbij meer recht wordt gedaan een stapsgewijze progressieve
                            reactie op onacceptabele gedragingen en incidenten.</al><al>Het toepassen van een verlaging staat overigens geheel los van het doen
                            van strafrechtelijke aangifte bij de politie. Bij gemeenten is een
                            intern agressieprotocol opgesteld met instructies hoe te handelen bij
                            agressie.</al><al>Schematisch:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="38*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="2"><al>Niet fysiek geweld </al><al>(verbaal, discriminatie of intimidatie)</al></entry><entry colname="col2"><al>1<sup>e</sup> keer </al></entry><entry colname="col3"><al>50%</al></entry><entry colname="col4"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>2<sup>e</sup> keer &lt; 24 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>3<sup>e</sup> keer of meer &lt; 24 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>2 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al>Fysiek geweld</al><al>(zaak- of mensgericht)</al></entry><entry colname="col2"><al>1<sup>e</sup> keer </al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>2<sup>e</sup> keer &lt; 24 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>2 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>3<sup>e</sup> keer of meer &lt; 24 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>3 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</al><al>Artikel 14 Intrekken oude verordening</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 15 Inwerkingtreding en citeertitel</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 30
                            maart 2016.</al><al>De griffier,</al><al>J.Vervuurt </al><al>De burgemeester,</al><al>M.J.D. Donders – de Leest</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>