<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR437292_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tilburg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-177001.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dArbeidsvoorwaarden%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAnderePeriode%26spd%3d20161101%26epd%3d20170110%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dTilburg%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=1&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad, 15-12-2016 nr. 177001</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tilburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 139</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>29-11-2016 nr. 29</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27049</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tilburg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is
                                            aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn
                                            alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar
                                            burgerlijk recht is aangegaan;</al></li><li nr="b."><al>functie: het geheel van werkzaamheden dat door de
                                            ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1;</al></li><li nr="c."><al>pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals
                                            die gold tot en met 31 december 1995;</al></li><li nr="d."><al>pensioen: een pensioen in de zin van het
                                            pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
                                            ABP;</al></li><li nr="e."><al>arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het
                                            aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door
                                            de ambtenaar arbeid moet worden verricht;</al></li><li nr="f."><al>arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de
                                            ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;</al></li><li nr="g."><al>formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de
                                            aanstelling;</al></li><li nr="h."><al>feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals
                                            die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is
                                            vastgesteld;</al></li><li nr="i."><al><cursief>vervallen per 1juli 2013</cursief></al></li><li nr="j."><al>arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele
                                            arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;</al></li><li nr="k."><al>dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of
                                            onbepaalde tij, of een oproepovereenkomst;</al></li><li nr="l."><al>overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de
                                            bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht
                                            verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;</al></li><li nr="m."><al>werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                                            verrichten;</al></li><li nr="n."><al>werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen
                                            gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden
                                            verricht;</al></li><li nr="o."><al>uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een
                                            volledige dienstverband herberekende - salaris van de
                                            ambtenaar per maand;</al></li><li nr="p."><al>Zvw: de Zorgverzekeringswet</al></li><li nr="q."><al>CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de
                                            sector gemeenten;</al></li><li nr="r."><al>UWO: Uitwerkingsovereenkomst;</al></li><li nr="s."><al>vervallen;</al></li><li nr="t."><al>vervallen;</al></li><li nr="u."><al>LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                            Arbeidsvoorwaarden.</al></li><li nr="v."><al>WAO: de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="w."><al>arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van
                                            artikel 18, eerste lid, van de WAO;</al></li><li nr="x."><al>WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;</al></li><li nr="y."><al>WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;</al></li><li nr="z."><al>IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig
                                            arbeidsongeschikten;</al></li><li nr="aa."><al>IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame
                                            arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;</al></li><li nr="bb."><al>WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikten; </al></li><li nr="cc."><al>WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
                                            arbeidsgeschikten op grond van de WIA;</al></li><li nr="dd."><al>WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong
                                            gehandicapten;</al></li><li nr="ee."><al>WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                            zelfstandigen;</al></li><li nr="ff."><al>Waz: Wet arbeid en zorg</al></li><li nr="gg."><al>SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en
                                            Inkomen;</al></li><li nr="hh."><al>uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als
                                            bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet
                                            sociale verzekeringen 1997;</al></li><li nr="ii."><al>pensioenreglement: het pensioenreglement van de
                                            Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="jj."><al>WPA: de Wet privatisering ABP;</al></li><li nr="kk."><al>vervallen;</al></li><li nr="ll."><al>vervallen;</al></li><li nr="mm."><al>volledig dienstverband: een dienstverband waarvan de
                                            arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele
                                            arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd
                                            dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836
                                            uur per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur
                                            per week:</al></li><li nr="nn."><al>ZW: de Ziektewet.</al></li><li nr="oo."><al>ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de
                                            ZW.</al></li><li nr="pp."><al>UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,
                                            als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.</al></li><li nr="qq."><al>Salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de
                                            ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens
                                            formele arbeidsduur.</al></li><li nr="rr."><al>Salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3
                                            genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de
                                            waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de
                                            buitendagvenstertoelage, de toelage
                                            beschikbaarheidsdienst, de inconveniententoelage, de
                                            arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de
                                            afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend.
                                            Deze werden tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging
                                            gerekend.</al></li><li nr="ss."><al>Functieschaal: de salarisschaal die bij een functie
                                            hoort;</al></li><li nr="tt."><al>Periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal;</al></li><li nr="uu."><al>Salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in
                                            de bijlage bij dit hoofdstuk;</al></li><li nr="vv."><al>Achterblijvende Partner: weduwe, weduwnaar,
                                            geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de
                                            ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met
                                            de overleden ambtenaar;</al></li><li nr="ww."><al>vakantietoelage: jaarlijkse toelage van 8% van het
                                            salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met
                                            ingang van 1 januari 2017 een vast onderdeel van het
                                            Individueel Keuze Budget vormt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en
                                    bedrijven door de gemeente beheerd.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 1:1:1 Gemiddelde arbeidsduur per jaar</al><al>Ingevolge artikel 1:1 eerste lid sub j is de gemiddelde arbeidsduur per
                            jaar vastgesteld op 1816,5 uren.</al><al/><al>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze regeling en de
                                    uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwijzend personeel bij een inrichting van
                                            openbaar onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting
                                            van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn
                                            in de zin van het Rechtspositiebesluit
                                            onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c."><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                            zodanig;</al></li><li nr="d."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel
                                            231, tweede lid, onderdeel b,c, d en e van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                                            benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke
                                            belastingen;</al></li><li nr="f."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                            zonder opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="g."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                            met opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h."><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale
                                            werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een
                                            arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met
                                            uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de
                                            gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
                                            artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder
                                            "medewerker", van de sector -cao Ambulancezorg.</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is,
                                    afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                    georganiseerd overleg en de ondernemingsraad,overeenstemming
                                    vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van
                                    de ondernemingsraad.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 1:2:1</al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                    recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26 en de
                                    hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van
                                    een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de
                                    hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                    hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                    werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen
                                    regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke
                                    tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen
                                    van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                                    werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 1:2a Stageplaats</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie
                                    of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een
                                    stage-overeenkomst. </al></li><li nr="2."><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                                    uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en
                                    artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4. </al></li><li nr="3."><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de
                                    stagiair. </al></li><li nr="4."><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met
                                    de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van
                                    de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate
                                    begeleiding. </al></li><li nr="5."><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.</al></li><li nr="6."><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                                    Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 1:2b Werkervaringsplaats </al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan degene die daarom verzoekt een
                                    werkervaringsplaats aanbieden op basis van een
                                    werkervaringsovereenkomst. </al></li><li nr="2."><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing,
                                    met uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17
                                    en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4. </al></li><li nr="3."><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    voor een periode van maximaal 6 maanden. De
                                    werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een
                                    periode van maximaal 6 maanden. </al></li><li nr="4."><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de
                                    medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal
                                    staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding. </al></li><li nr="5."><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.</al></li><li nr="6."><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van
                                    het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak </al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college salarisschaal
                                    A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van
                                    de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de
                                    Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk
                                    minimumloon kan verdienen. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college vaststellen
                                    dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een
                                    aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en
                                    voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld,
                                    recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van
                                    het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van
                                    het salaris lager dan het wettelijk minimumloon, dan is het
                                    salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon.
                                </al></li><li nr="3."><al>Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 1 gelden niet de in artikel
                                    3:28 lid 2, onderdelen a , b en c genoemde minimumbedragen.
                                </al></li><li nr="4."><al>Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 2 gelden als minimumbedragen,
                                    de bedragen genoemd in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a, b en c
                                    naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. </al></li><li nr="5."><al>Indien het college voor de in lid 2 genoemde ambtenaar
                                    loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het
                                    college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop
                                    gebaseerde toelagen en vergoedingen. </al></li></lijst><al>Artikel 1:3 Toepassing</al><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze regeling vinden ten aanzien van
                                    ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet
                                    regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of
                                    krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld.</al></li><li nr="2."><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                                    regeling of van delen daarvan op ambtenaren of groepen
                                    ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het
                                    voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin,
                                    wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van
                                    het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te
                                    besluiten tot een verdere handelwijze.</al></li></lijst><al>Artikel 1:3a</al><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de
                            op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al><al>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college,
                            indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk
                            is:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                    bepalingen van deze verordening, alsmede ten behoeve van het
                                    functioneren van de dienst;</al></li><li nr="b."><al>instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de
                                    vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:2 Uitreiking van regeling</al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van
                                    deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                    regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de
                                    Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.</al></li><li nr="2."><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in
                                    het vorige lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a."><al>de centrales van overheidspersoneel welke zijn
                                            toegelaten tot het LOGA met het College voor
                                            Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                            Gemeenten;</al></li><li nr="b."><al>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen
                                            van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn
                                            bij de onder a aangeduide centrales;</al></li><li nr="c."><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d."><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het
                                            college in aanmerking komt.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 1:4:3</al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de
                                    voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld
                                    ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling
                                    of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te
                                    leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk
                                    toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                                    bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze
                                    behoorlijk te zijner kennis gebracht.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</al><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd
                            van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                            dragen.</al><al>Artikel 1:5</al><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van
                            het dienstverbandng, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot
                            een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al><al>Artikel 1:6 Vrijstelling</al><lijst><li nr="1."><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere
                                    gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke
                                    aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4,
                                    alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de
                                    salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstukken 8 en 10d.
                                    In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming
                                    zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                                    functies en over de functies zelf.</al></li><li nr="2."><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                                    toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst
                                    die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij
                                    de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren
                                    kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in
                                    verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de
                                    inrichting van de werkzaamheden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 2 AANSTELLING EN ARBEIDSOVEREENKOMST </vet></al><al>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</al><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                            geschiedt de aanstelling door het college.</al><al>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst</al><lijst><li nr="1"><al>De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de
                                    gemeente.</al></li><li nr="2"><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter
                                    uitvoering van dit artikel.</al></li><li nr="3"><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de
                                    gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege
                                    aangesteld in algemene dienst van de gemeente.</al></li></lijst><al>Artikel 2:1B</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het
                                    belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden.
                                    Een passende functie is een functie die de ambtenaar
                                    redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn
                                    omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan
                                    worden opgedragen.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht,
                                    is de ambtenaar verplicht om:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden
                                            te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar
                                            te nemen;</al></li><li nr="b."><al>tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                            vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c."><al>beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie
                                            vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde
                                            tijd periodiek verrichten van deze
                                            beschikbaarheids-diensten wordt de ambtenaar
                                            schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste
                                            op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van
                                            twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen
                                            uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn
                                    persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde
                                    werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd,
                                    geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden
                                    terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd
                                    van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig
                                    mogelijk een beslissing ter zake neemt.</al></li></lijst><al>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid</al><lijst><li nr="1."><al>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie -
                                    na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd
                                    bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat
                                    hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het
                                    verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.</al></li><li nr="2."><al>Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van
                                    de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid
                                    bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.</al></li><li nr="3."><al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene
                                    in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als
                                    bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.</al></li><li nr="4."><al>De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan
                                    slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij
                                    beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze
                                    verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet
                                    arbeid vreemdelingen.</al></li></lijst><al>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor
                                    bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie
                                    bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten
                                    worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een
                                    geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen functie,
                                    waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit
                                    medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig
                                    onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe
                                    aangewezen door het college.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                    gemeente.</al></li></lijst><al>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</al><lijst><li nr="1."><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd. </al></li><li nr="2."><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor
                                    bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten
                                    hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de
                                    tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang
                                    van die dag als aanstelling voor onbepaalde tijd. </al></li><li nr="3."><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd
                                    elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6
                                    maanden, geldt de laatste aanstelling als aanstelling voor
                                    onbepaalde tijd. </al></li><li nr="4."><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar
                                    opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een
                                    ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht
                                    bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten
                                    aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten
                                    worden elkaars opvolger te zijn. </al></li><li nr="5."><al>Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt,
                                    geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf
                                    de dag waarop:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met
                                            tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben
                                            opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze
                                            tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;</al></li><li nr="b."><al>meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar
                                            hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes
                                            maanden.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal
                                    opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de
                                    aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die
                                    zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                    leeftijd.</al></li></lijst><al>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                                    bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel
                                            a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb.
                                            1993, 635);</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de
                                            ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is
                                            aangesteld:</al></li><li nr="I."><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;</al></li><li nr="II."><al>in een aanstelling bij wijze van proef;</al></li><li nr="III."><al>voor een project met een eenmalig en uniek
                                            karakter;</al></li><li nr="IV."><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                                            praktische opleiding of vorming;</al></li><li nr="V."><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van
                                            een door de overheid getroffen regeling, die het
                                            karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de
                                            opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                                            personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen
                                            van werklozen;</al></li><li nr="VII."><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                    ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></li><li nr="3."><al>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de
                                    wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></li></lijst><al>Artikel 2:4:2 Vacatures</al><lijst><li nr="1."><al>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                    personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                    aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich
                                    daartegen verzet.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                    overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering
                                    krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de
                                    gemeente.</al></li></lijst><al>Artikel 2:4:2:1 Inlenen van flexibel personeel (ingevoerd m.i.v. 1 maart
                            2005)</al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente kan voor werkzaamheden medewerkers inlenen op
                                    uitzend- of detacheringsbasis. Het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>Werkzaamheden van tijdelijke aard, waarbij het in het
                                            belang van de bedrijfsvoering nodig is om de
                                            werkzaamheden flexibel in te vullen. </al></li><li nr="b."><al>Werkzaamheden van structurele aard waarbij het in het
                                            belang van de bedrijfsvoering nodig is om de
                                            werkzaamheden flexibel in te vullen. Onder deze
                                            categorie vallen ook werkzaamheden van structurele aard
                                            waarbij de betreffende medewerker nog niet over de
                                            juiste kwalificaties beschikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op de medewerkers die bij de gemeente werkzaam zijn op uitzend-
                                    of detacheringsbasis zijn de bepalingen in de AVR niet van
                                    toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De gemeente leent een medewerker in principe maximaal voor een
                                    aaneensluitende periode van drie jaar op uitzend- of
                                    detacheringsbasis in. Als de gemeente besluit om na afloop van
                                    deze drie jaar de betreffende medewerker nog langer te werk te
                                    stellen, dan doet de gemeente de medewerker een eenmalig aanbod
                                    om aangesteld te worden als ambtenaar in vaste dienst. Als de
                                    medewerker niet wenst in te gaan op dit aanbod, dan dient hij
                                    dit vast te leggen in een schriftelijke en ondertekende
                                    verklaring. De detacheringsconstructie kan dan - ook na drie
                                    jaar - worden voortgezet. De medewerker kan hierna geen
                                    aanspraak meer maken op een aanstelling als ambtenaar in vaste
                                    dienst.</al></li></lijst><al>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</al><lijst><li nr="1."><al>Door het college kan met een persoon slechts een
                                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor
                                    het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en
                                    omvang wisselend karakter.</al></li><li nr="2."><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                                    opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></li><li nr="3."><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige
                                    toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor
                                    bepaalde tijd is gesloten.</al></li></lijst><al>Artikel 2:5:1</al><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn
                            de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</al><al>De overeenkomst kent een minimum - urengarantie. Per oproep wordt een
                            minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van
                            minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per
                            kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer
                            of minder uren wordt gewerkt.</al><al>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</al><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen
                                    die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen,
                                    het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                    bieden;</al></li><li nr="b."><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na
                                    daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c."><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de
                                    aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht
                                    kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang
                                    van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al></li><li nr="d."><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                    vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden
                                    verricht;</al></li><li nr="e."><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                    oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging
                                    respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de
                                    aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij
                                    kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de
                                    termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever
                                    gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk
                                    vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van
                                    twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig
                                    aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f."><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet
                                    heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste
                                    een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de
                                    oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens
                                    ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag
                                    van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al></li></lijst><al>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht</al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum
                                    afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2.</al></li><li nr="2."><al>Het salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen
                                    vermeerderd met 8%, worden uitgedrukt in een bedrag per
                                    uur.</al></li><li nr="3."><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering
                                    ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de
                                    uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten
                                    gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip
                                    waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in
                                    bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het
                                    arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van
                                    het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat
                                    een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de
                                    oproepkracht.</al></li></lijst><al>Artikel 2:6 Overgangsrecht</al><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van
                            artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien
                            een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten
                            hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling. </al><al>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</al><lijst><li nr="1."><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te
                                    verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden
                                    tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij
                                    zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                    verzetten.</al></li><li nr="2."><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij
                                    zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                    verzetten.</al></li><li nr="3."><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn
                                    arbeidsplaats.</al></li><li nr="4."><al>De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon
                                    met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de
                                    AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 2:7a Tijdelijke uitbreiding formele arbeidsduur tot max. 40 uur
                            per week</al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar
                                    die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per
                                    week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</al></li><li nr="2."><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al></li><li nr="1."><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een
                                    vooraf te bepalen periode;</al></li><li nr="2."><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="3."><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="4."><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="5."><al>het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a, evenredig
                                    wordt verhoogd;</al></li><li nr="6."><al>het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel b, evenredig
                                    wordt verhoogd; </al></li><li nr="7."><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="8."><al>de verkoop van vakantieuren op grond van artikel 3:36 voor de
                                    duur van de verruiming niet is toegestaan.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt
                                    het college dit vooraf aan de OR.</al></li><li nr="4."><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag
                                    over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de
                                    arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter
                                    bespreking voorgelegd aan de OR.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 SALARIS, VERGOEDINGEN, TOELAGEN EN
                            UITKERINGEN</vet></al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering</al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren
                                        binnen de gemeentelijke organisatie kunnen worden
                                        bekleed.</al></li><li nr="2."><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                                        functiewaarderingssysteem.</al></li></lijst><al>3.Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op
                                basis van een functiewaarderingssysteem.</al><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                                uitkeringen</al><al>1.Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op
                                salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit
                                hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in
                                strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te
                                verrichten.</al><al>2.De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de
                                uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders
                                is bepaald.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Salaris</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al><al>1.Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand
                                van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en
                                bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een
                                periodiek in de functieschaal.</al><al>2.Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al
                                voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding,
                                ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst
                                lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld.</al><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al><al>1.Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende
                                periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><al>a.de ambtenaar functioneert voldoende;</al><al>b.de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet
                                bereikt;</al><al>c.er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling, zijn
                                laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie.</al><al>2.Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging
                                aanvullende voorwaarden stellen.</al><al>3.Het college kan een ambtenaar een extra periodieke
                                salarisverhoging toekennen.</al><al>4.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het
                                college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste
                                verhogingsdatum vaststellen.</al><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al><al>1.Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen
                                salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij
                                hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond
                                aanwezig is.</al><al>2.In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn
                                instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere
                                schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het
                                salaris.</al><al>3.In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing
                                van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met
                                een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het
                                salaris.</al><al>4.In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing
                                van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager
                                maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het
                                salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal
                                statuut.</al><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal
                                overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een
                                hoger salaris.</al><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31
                                december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De
                                uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale
                                regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing
                                zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Salaristoelagen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al><al>1.Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of
                                uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft
                                geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt,
                                een functioneringstoelage toekennen.</al><al>2.De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het
                                voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze
                                opnieuw worden toegekend.</al><al>3.De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al><al>1.Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage
                                toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als
                                schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het
                                betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan
                                personeel.</al><al>2.De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is
                                vastgesteld, met een maximum van 3 jaar.</al><al>3.De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al><al>1.Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen
                                met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van
                                waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt
                                niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen functie.</al><al>2.Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de
                                toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar
                                geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van
                                de waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld.</al><al>3.Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid
                                toegekend.</al><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al><al>1.De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de
                                werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt
                                uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende
                                tijdvakken van de week:</al><al>·maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen
                                18.00 uur en 22.00 uur: 20%</al><al>·maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00
                                en 24.00 uur: 40%</al><al>·zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40%</al><al>·zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen
                                0.00 en 24.00 uur: 65%</al><al> Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk
                                aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal
                                6.</al><al>2.De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week
                                slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een
                                van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</al><al>3.Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt
                                uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel
                                3:18) worden uitbetaald.</al><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al><al>1.De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de
                                werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten
                                het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een
                                buitendagvenstertoelage.</al><al>2.De buitendagvenstertoelage bedraagt:</al><al>·50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten
                                het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;</al><al>·75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
                                zaterdag;</al><al>·100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
                                zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.</al><al>3.De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage</al><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al><al>1.De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                                beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage
                                beschikbaarheidsdienst.</al><al>2.De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot
                                en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag,
                                zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid.</al><al>3.Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk
                                aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal
                                7.</al><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage
                                toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware,
                                onaangename of gevaarlijke arbeid.</al><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een
                                lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage
                                toekennen.</al><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al><al>1.De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige
                                dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de
                                inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft
                                recht op een afbouwtoelage indien</al><al>·hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden
                                gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én</al><al>·met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is
                                gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.</al><al>2.Het eerste lid is niet van toepassing:</al><al>·op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d
                                of 9e) van toepassing is, of</al><al>·indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een
                                sociaal plan.</al><al>3.De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De
                                afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar
                                50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag.</al><al>4.Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen
                                onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde
                                van de voorgaande 12 maanden.</al><al>5.Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een
                                functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden,
                                wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Overige vergoedingen en uitkeringen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al><al>1.De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam
                                te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de
                                Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie-
                                of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in
                                verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.</al><al>2.De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al><al>1.De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere
                                regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een
                                overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding
                                wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst
                                (artikel 3:11) worden uitbetaald.</al><al>2.De overwerkvergoeding bestaat uit:</al><al>a.verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk,</al><al>b.het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het
                                volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar:</al><al>·100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen
                                0.00 en 24.00 uur;</al><al>·75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;</al><al>·75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag
                                tussen 0.00 en 6.00 uur;</al><al>·50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag
                                tussen 0.00 en 6.00 uur;</al><al>·50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of
                                vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur;</al><al>·25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of
                                vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur.</al><al>3.Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo
                                vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover
                                de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op
                                een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</al><al>4.Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde
                                lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat
                                bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het
                                uurloon conform het tweede lid onder b.</al><al>5.De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van
                                toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt
                                opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een
                                overwerkvergoeding.</al><al>6.De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.</al><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al><al>1.Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25,
                                40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt
                                verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP
                                aangesloten werkgever.</al><al>2.Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het
                                maandsalaris en de toegekende salaristoelagen over de maand van
                                jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. Bij 40 en 50 jaar
                                overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris en de
                                toegekende salaristoelagen over de maand van jubileren, tezamen
                                vermeerderd met 8%.</al><al>3.Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel
                                8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag,
                                maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou
                                hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van
                                de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van
                                ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt.</al><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                                prestaties</al><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig
                                een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of
                                geleverde bijzondere prestaties.</al><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding.</al><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten
                                voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij
                                gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het
                                2e klasse tarief.</al><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding
                                woon-werkverkeer toekennen.</al><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al><al>1.Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen
                                eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar.</al><al>2.Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende
                                partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen —
                                een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal het laatst
                                genoten salaris en de toegekende salaristoelagen, tezamen
                                vermeerderd met 8%.;</al><al>3.Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het
                                voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de
                                meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                overledene kostwinner was.</al><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in
                                en door de dienst</al><al>1.Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks
                                gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de
                                achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de
                                overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de
                                minderjarige kinderen.</al><al>2.De uitkering bedraagt één jaarsalaris en de toegekende
                                salaristoelagen, tezamen vermeerderd met 8%, berekend over de 12
                                kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van
                                overlijden.</al><al>3.Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval
                                in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het
                                tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met
                                een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde
                                uitkering.</al><al>4.Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste
                                lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de
                                meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                overledene kostwinner was.</al><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                zorgverzekering</al><al>1.De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in zijn
                                ziektekosten als hij één van de volgende aanvullende zorgverzekering
                                heeft: Extra Zorg 3 of 4 bij IZA ,Plus Collectief of Top Collectief
                                bij CZ, Collectief Aanvullend 3 of 4 bij Menzis.</al><al>2.De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per
                                kalenderjaar in de maand december uitbetaald.</al><al>3.Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft
                                de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de
                                ziektekosten.</al><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                zorgverzekering</al><al>1.De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.</al><al>2.De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het
                                salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag
                                dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</al><al>3.De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen
                                wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van
                                de tijd dat hij in dienst is geweest.</al><al>4.De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand
                                december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt
                                is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste
                                maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Individueel keuzebudget</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:27 Algemeen</al><al>1.De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna te
                                noemen: IKB.</al><al>2.Het college is beheerder van het IKB.</al><al>3.Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de
                                ambtenaar naar keuze kan gebruiken voor de doelen genoemd in artikel
                                3:29, op de wijze zoals vastgelegd is in deze paragraaf.</al><al>Artikel 3:28 Opbouw IKB</al><al>1.Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover
                                pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt
                                opgebouwd.</al><al>2.Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd
                                bedraagt:</al><al>a.8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende
                                salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3
                                van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag
                                is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en</al><al>b.6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende
                                salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van €
                                145,83 bij een volledig dienstverband, en</al><al>c.1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de
                                ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat
                                dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig
                                dienstverband, en</al><al>3.Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd
                                bedraagt:</al><al>a.0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende
                                salaris, en</al><al>b.indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de
                                ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw
                                geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar
                                geldt, tenzij artikel 9a:9 lid 1, onderdeel b van toepassing
                                is.</al><al>4.Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                gedeeltelijk zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend
                                op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde
                                salaristoelage(n). Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris
                                dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd.</al><al>5.Indien in een maand het salaris en de salaristoelagen gedeeltelijk
                                zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3, lid 2 tot en met 4, dan
                                wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in die maand
                                berekend op basis van het volledige salaris en de toegekende
                                salaristoelagen.</al><al>6.Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn
                                een persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en
                                niet is opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 in
                                hoofdstuk 3.</al><al>7.Op de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:1 is lid 2, onderdeel c van
                                dit artikel niet van toepassing. De vorige volzin geldt niet voor de
                                ambtenaar bedoeld in artikel 9b:50</al><al>Artikel 3:29 Doelen IKB</al><al>1.De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor:</al><al>a.het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier maal de
                                aanstellingsduur per week gedurende het kalenderjaar;</al><al>b.extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een maximum van het
                                tot aan de datum van uitbetaling opgebouwde IKB;</al><al>c.het financieren van een opleiding, indien en voor zover deze niet
                                door de gemeente wordt vergoed en de geldende fiscale regelgeving de
                                besteding van het IKB aan dit doel belastingvrij mogelijk
                                maakt.</al><al>2.Het college kan de bestedingsdoelen zoals omschreven in lid 1
                                aanvullen.</al><al>Artikel 3:30</al><al>1.De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te
                                gebruiken voor een of meerdere van de in artikel 3:29 genoemde
                                doelen. Hij heeft voor deze keuze geen toestemming nodig.</al><al>2.Het college wijst in verband met de salarisverwerking voor elke
                                maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar
                                moet maken.</al><al>3.Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een
                                deel van zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of het
                                resterende deel daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het
                                gereserveerde IKB op een later moment in het lopende kalenderjaar
                                besteden.</al><al>4.Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking
                                in december nog een resterend IKB dan wordt dit bij de
                                salarisbetaling van die maand uitbetaald.</al><al>5.Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare budget
                                toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend betrekking
                                op hetzelfde kalenderjaar.</al><al>6.Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden
                                teruggestort in het IKB.</al><al>Artikel 3:31 Waarde van een vakantie-uur</al><al>Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt
                                het IKB per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende
                                uurloon in de maand waarin hij de vakantie-uren koopt.</al><al>Artikel 3:32 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</al><al>1.Bij beëindiging van het dienstverband wordt het resterende IKB bij
                                de laatste salarisbetaling aan de ambtenaar uitbetaald.</al><al>2.Bij overlijden van de ambtenaar wordt in aanvulling op de
                                overlijdensuitkering het resterende IKB uitbetaald aan de nagelaten
                                betrekkingen zoals omschreven in artikel 3:23, lid 2 en 3.</al><al>Artikel 3:33 Wet- en regelgeving</al><al>1.Het gebruik van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen,
                                pensioen en sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht deze
                                gevolgen te kennen.</al><al>2.Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij
                                is uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde loonheffing
                                of eventuele boetes op de ambtenaar.</al><al>3.Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door wijzigingen
                                van wet- en regelgeving dan wordt dat niet gecompenseerd door het
                                college.</al><al>4.Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met
                                geldende wet- en regelgeving.</al><al>Artikel 3:34 Vakantietoelage 2016</al><al>1.De vakantietoelage die de ambtenaar heeft opgebouwd in de periode
                                van juni 2016 tot en met december 2016 op grond van artikel 6:3
                                zoals dat gold op 31 december 2016 wordt uitbetaald bij de
                                salarisbetaling van mei 2017. Dit bedrag maakt geen onderdeel uit
                                van het IKB.</al><al>2.Indien de ambtenaar ontslag verleend wordt voor 1 mei 2017 dan
                                wordt de opgebouwde vakantietoelage over 2016 uitbetaald bij de
                                laatste salarisbetaling.</al><al>Artikel 3:35 Overige bepalingen</al><al>Voor de ambtenaar die werkzaam is in de kunsteducatie en op wie
                                artikel 19b:10 van toepassing is, is artikel 3:28, lid 3, niet van
                                toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Overige individuele keuzemogelijkheden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren</al><al>1.De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten hoogste
                                72 uren bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij een deeltijd
                                dienstverband wordt dit aantal naar rato vastgesteld.</al><al>2.Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van artikel
                                3:29 lid 1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit
                                artikel.</al><al>3.Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij
                                zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al><al>4.Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure.</al><al>5.Het bepaalde in artikel 3:31 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3:37 Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1
                                januari 2016</al><al>1.Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december
                                2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden
                                waaronder ze zijn toegekend. Toelichting: <onderstreept>1a Bestaande
                                    garantietoelage en
                                afbouwtoelagen.</onderstreept>Hiermee hebben
                                LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming – die
                                naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste
                                inkomen van de betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn
                                om een terugval in salaris of emolumenten en toelagen – niet zijnde
                                onkostenvergoedingen – op te vangen, niet vervallen bij invoering
                                van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met andere woorden
                                onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in de
                                toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit
                                overgangsrecht. Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van
                                hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 en vinden vanaf dat moment hun
                                grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de voorwaarden waaronder ze zijn
                                toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden bij toekenning
                                (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toepassing
                                blijven. <onderstreept>1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke
                                    overeengekomen einddatum.</onderstreept>Een
                                tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een
                                rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage
                                met een hogere grondslag en die niet te kwalificeren is als de
                                garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld, maar die zich ook niet
                                leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens worden
                                voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat
                                de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk
                                is en dat de einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke
                                toelage wordt betaald schriftelijk is vastgelegd in een besluit. Een
                                voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige
                                gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de
                                carrière wordt aan een medewerker die kan doorgroeien naar een
                                managementfunctie een toelage gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze
                                toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de TOR zou er toe leiden
                                dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in een TOR
                                wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk
                                vastgelegde einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot
                                de vastgelegde einddatum.</al><al>2.Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt
                                uitgezonderd van het nieuwe beloningshoofdstuk met uitzondering van
                                het IKB, tenzij in het overleg van de Brandweerkamer met de
                                vakbonden anders wordt besloten.</al><al>3.Lokale financiële arbeidsvoorwaarden (Bruto blijft bruto, netto
                                blijft netto) die op al het personeel binnen een gemeente worden
                                toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale
                                bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling, vervallen voor het
                                personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende
                                personeel wordt deze omgezet in een vast bedrag: de toelage
                                overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 1. Toelichting: Lokale
                                arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in
                                hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk 3.</al><al>4.Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale
                                bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en
                                dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1
                                januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van
                                het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante
                                factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald:</al><al>a.hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou
                                ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor
                                toelagen/vergoedingen</al><al>b.hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou
                                ontvangen volgens de nieuwe systematiek.</al><al> Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel
                                2. Toelichting: Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de grondslag
                                van de vakantietoelage meer beloningselementen (inclusief
                                emolumenten) omvat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen,
                                moeten bij het vaststellen van de TOR rekening houden met het
                                volgende. Als het daarbij gaat om beloningselementen, die met de
                                introductie van hoofdstuk 3 komen te vervallen of die worden
                                verlaagd, dienen de betreffende bedragen bij wijze van
                                nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd.
                                In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die
                                recht doet aan het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen
                                bezuinigingsmaatregel is. Medewerkers worden gecompenseerd voor een
                                eventuele teruggang in beloning. Behoudens de garantie bedoeld in
                                artikel 1 van het overgangsrecht en de tijdelijke toelagen met een
                                schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om
                                medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te
                                compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
                                aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het
                                dienstverband ongewijzigd bestaan. De TOR is in 2 delen geknipt,
                                maar het gaat niet om twee verschillende soorten toelagen. De TOR 1
                                en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd achter
                                elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1
                                is een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt,
                                bijvoorbeeld PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat deze voor
                                iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage
                                of toeslag of vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is
                                opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om
                                de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te
                                gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een recent afgesloten jaar
                                is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan onregelmatige diensten,
                                beschikbaarheidsdiensten en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op
                                basis van de in 2014 geldende (lokale) regels. De in 2014 gewerkte
                                roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het nieuwe
                                hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het
                                bedrag dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief
                                verschil, dan wordt daarmee de TOR 2 gevuld. Geen roosters Als de
                                werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren
                                heeft de berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom
                                is in het LOGA afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden
                                toegepast die wordt gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016,
                                uitgaande van het gegeven dat de roosters en werkpatronen niet
                                wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op basis van het rooster
                                2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend met de
                                toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de
                                hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij
                                beloond met de ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente
                                daarvoor kiest hetzij om ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten.
                                Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn
                                om het overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe
                                werktijdregeling wordt geïmplementeerd, de oude percentages van de
                                oude regeling kunnen worden toegepast voor medewerkers die in dienst
                                zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe medewerkers gelden de
                                percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele kleine
                                groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit
                                alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van
                                overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door
                                opname van het oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar
                                2014), een TOR 2 ontstaat die niet nodig is. 5. Als 2014 geen
                                representatief jaar is door langdurige ziekte (langer dan 2
                                maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk of
                                andere redenen wordt in onderling overleg een ander representatief
                                refertetijdvak vastgesteld. Deze bepaling geeft ruimte om tot een
                                andere referteperiode te komen als de bovengenoemde berekening tot
                                een niet representatief beeld leidt. Als medewerkers bijvoorbeeld in
                                2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de TOR in verhouding
                                te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode gold,
                                wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van
                                het overgangsrecht. De term ‘ander representatief refertetijdvak’
                                mag ruimer worden geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak.
                                Het gaat erom een geschikte berekeningswijze vast te stellen mits
                                die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door
                                invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan. Met ‘onderling
                                overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker en
                                in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het
                                geval als het om patronen gaat en een groep van medewerkers in
                                gelijke omstandigheden is betrokken. Datzelfde geldt als door
                                bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde werktijdenregelingen
                                het onmogelijk is om de roosters van 2014 te reproduceren.</al><al>5.Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage
                                overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                loonontwikkelingen. Toelichting: De TOR 1 en de TOR 2 worden
                                opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief verschil van Euro 300
                                per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen ORT van het
                                nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot
                                een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (-Euro
                                200) = Euro 100-. De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in
                                de pensioengrondslag maar is geen salaristoelage en geen grondslag
                                voor het IKB.</al><al>6.Er zijn geen anticumulatiebepalingen. Toelichting: Met deze
                                afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de
                                medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt,
                                bijvoorbeeld door promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT.
                                De inkomensstijging wordt niet verrekend met de TOR van de
                                medewerker.</al><al>7.Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer
                                per jaar wordt uitbetaald in de maand december. Toelichting: De
                                hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt
                                uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is,
                                bijvoorbeeld omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse
                                uitbetaling, of een uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is
                                (zie hieronder punt 13) afgesproken dat lokaal andere afspraken
                                kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft niet bepaald met wie deze
                                afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat als het om
                                groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een
                                enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook
                                individueel worden gemaakt.</al><al>8.De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis
                                zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een
                                eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar. Toelichting: Het bedrag van
                                Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt
                                het bedrag naar rato verlaagd.</al><al>9.Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan
                                wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd.</al><al>10.Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de
                                toelage overgangsrecht H3 naar rato. Toelichting: Als de aanstelling
                                in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR daalt
                                niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.</al><al>11.Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen
                                effect. Toelichting: De TOR volgt de duur en de omvang van de
                                aanstelling in principe naar rato, behalve ingeval van vergroting
                                van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt verhoogd.</al><al>12.Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of
                                betaling in termijnen gemaakt worden. Toelichting: Zie punt 8.</al><al>13.Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31
                                december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de
                                ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe
                                artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de
                                lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben
                                op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
                                vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de
                                lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om
                                de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de
                                ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de
                                overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3. Toelichting: De
                                ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het
                                betreft de afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december
                                2020 recht hebben op een ambtsjubileumgratificatie op grond van de
                                oude regeling van de gemeente, deze ambtsjubileumgratificatie
                                ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook dat de in die
                                regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het
                                relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht
                                vastleggen. Hoe de gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het
                                een kleine groep, dan kan het op individueel niveau. Makkelijker is
                                op in een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3 de
                                oude regeling op te nemen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN</vet></al><al>Artikel 4:1</al><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met
                                inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Standaardregeling voor de werktijden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:2</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen
                                        het dagvenster.</al></li><li nr="2."><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen
                                        7:00 en 22:00 uur.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk
                                        kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de
                                        planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het
                                        komende jaar.</al></li><li nr="4."><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als
                                        uitgangspunt dat</al><lijst><li nr="a."><al>hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de
                                                ambtenaar en het college;</al></li><li nr="b."><al>de werktijden binnen de normen van de
                                                arbeidstijdenwet blijven;</al></li><li nr="c."><al>de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en
                                                per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar
                                                daarvan wordt afgeweken.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken
                                        over de werktijden aangepast worden.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar
                                        over de werktijden in relatie tot de planning van de
                                        werkzaamheden.</al></li><li nr="7."><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat
                                        het ongewijzigd voortzetten van de planning van de
                                        werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur
                                        per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast.
                                        Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat
                                        overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is
                                        dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding
                                        vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor
                                        elk teveel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het
                                        uurloon of een uur vakantieverlof.</al></li><li nr="8."><al>de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het
                                        dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang
                                        noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het
                                        dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als
                                        bedoeld in artikel 3:12.</al></li><li nr="9."><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het
                                        dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel
                                        4:5 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="10."><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de
                                        werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het
                                        college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de
                                        werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In
                                        die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de
                                        ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2
                                        van dit hoofdstuk.</al></li><li nr="11."><al> Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang
                                        incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op
                                        werktijden die afwijken van de afspraken die hierover
                                        gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de
                                        ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming
                                        bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor
                                        de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage,
                                        zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid,
                                        is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="12."><al> Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en
                                        afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft
                                        de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan
                                        het college alleen gemotiveerd kan afwijken. </al></li><li nr="13."><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een
                                        ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het
                                        tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere
                                        dagvenster gelden.</al></li></lijst><al>Artikel 4:2:1</al><al>vervallen</al><al>Artikel 4:2:2</al><al>Vervallen </al><al>Artikel 4:2:3</al><al>vervallen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bijzondere regeling van de werktijden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                                eenzijdig wordt vastgestelddoor het college.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2a</nr><titel>Bijzondere regeling</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.</al></li><li nr="2."><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur
                                        per week.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan
                                        legt het college deze vast in een rooster.</al></li><li nr="4."><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende
                                        regels in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>De werktijden worden ten minste één maand voor
                                                aanvang bekendgemaakt aan de ambtenaar.</al></li><li nr="b."><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend
                                                vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op
                                                een ORT wordt ontweken.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en
                                        zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een
                                        afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26
                                        zondagen per jaar.</al></li><li nr="2."><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt
                                        zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de
                                        voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan
                                        bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk
                                        wordt beperkt.</al></li><li nr="3."><al>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van
                                        arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten
                                        van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de
                                        Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen
                                        en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt
                                        gevierd.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt,
                                        hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van
                                        arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of
                                        nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende
                                        feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen
                                        als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is
                                        gesloten</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                                        kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de
                                        sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing
                                        indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft
                                        ingediend.</al></li></lijst><al>Artikel 4:6</al><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op
                                zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of
                                zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije
                                beschikking toegekend.</al><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6
                                nadere regels stellen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:8</al><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op
                                        de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een
                                        dienstrooster.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste
                                        lid van dit artikel een werktijdenregeling vast.</al></li><li nr="3."><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college
                                        er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt
                                        overschreden.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4:9</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan
                                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006
                                                opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                                verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b."><al>kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het
                                                omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een
                                                geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag
                                                uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van
                                                uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de
                                        ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van
                                        de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het
                                        verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten
                                        periode.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het
                                        opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit
                                        verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel
                                        worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de
                                        levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde
                                        verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij
                                        de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de
                                        randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen
                                        omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar
                                        het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden
                                        gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw
                                        een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende
                                        opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit
                                        verzoek kan worden voldaan.</al></li><li nr="4."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het
                                        resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen
                                        gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de
                                        ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig
                                        worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband
                                        met het aanvaarden van een ander dienstverband, niet
                                        mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet
                                        opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                                        ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</al></li><li nr="5."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7,
                                        8:8, of 8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om
                                        voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde
                                        verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt
                                        het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                                        ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</al></li><li nr="6."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                        ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed
                                        op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot
                                        ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in
                                        op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde
                                        verloftegoed.</al></li><li nr="7."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9
                                        wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op
                                        grond van het tiende lid.</al></li><li nr="8."><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                        nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel
                                        8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                                        ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</al></li><li nr="9."><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                        gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en
                                        het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het
                                        resterende opgebouwde verloftegoed.</al></li><li nr="10."><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt
                                        dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen
                                        geldende uurloon van de ambtenaar.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>en 5a (vervallen per 1 april 2016)</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Hoofdstuk 6 VAKANTIE EN VERLOF </vet></al><al>Artikel 6:1 Vakantieverlof</al><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                            salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 6:1:1</al><lijst><li nr="1."><al>De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel
                                    6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde
                                    in artikel 6:2:4 eerste lid dan wel toepassing wordt gegeven aan
                                    artikel 6:2:6.</al></li><li nr="2."><al>De vakantie wordt verleend door het college.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2 Opbouw (extra) vakantie-uren</al><lijst><li nr="1."><al>De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    bedraagt ten minste 144 uur per kalenderjaar. </al></li><li nr="2."><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de
                                    ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de
                                    arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een
                                    volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om
                                    te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan
                                    36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren
                                    als maximum. </al></li><li nr="3."><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe,
                                    tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten. </al></li></lijst><al>Artikel 6:2:1</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar, die is ingeschaald gelijk aan of hoger dan het
                                    maximum van schaal 9 van Bijlage II of IIA heeft recht op 151,2
                                    verlofuren per kalenderjaar. </al></li><li nr="2."><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar, die is aangesteld
                                    voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week,
                                    wordt naar evenredigheid verminderd.</al></li><li nr="3."><al>De aan de ambtenaar volgens de in artikel 6:2 eerste lid
                                    bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd
                                    met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen
                                    3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op
                                    onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in
                                    artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke
                                    mate op de ambtenaar rust.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang
                                    van de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op
                                    grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de
                                    vakantie naar evenredigheid verminderd en vervalt het recht op
                                    vermeerdering van vakantie als bedoeld in artikel 6:2:1:1,
                                    eerste tot en met vierde lid.</al></li><li nr="5."><al>Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in
                                    artikel 6:2:1:1 eerste tot en met vierde lid, vervalt met ingang
                                    van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten
                                    als omschreven in hoofdstuk 5a.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2:1:1</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de ambtenaar, die vóór 1 januari 1997 in dienst was, en die
                                    de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt, wordt de duur van de hem
                                    volgens artikel 6:2 respectievelijk 6:2:1 eerste lid toekomende
                                    vakantie vermeerderd met 7,2 uur; vervolgens bij het bereiken
                                    van de leeftijd van 40 jaar wederom met 7,2 uur en zo verder bij
                                    elke vijf jaar ouder telkens opnieuw met 7,2 uur, totdat bij het
                                    bereiken van de leeftijd van 60 jaar de hem volgens artikel 6:2
                                    respectievelijk 6:2:1, eerste lid, toekomende vakantie
                                    vermeerderd wordt met 43,2 uur.</al></li><li nr="2."><al>Voor de ambtenaar, die op of na 1 januari 1997 in dienst treedt,
                                    en die de leeftijd van 45 jaar heeft bereikt, wordt de duur van
                                    de hem volgens artikel 6:2 respectievelijk 6:2:1 eerste lid
                                    toekomende vakantie vermeerderd met 7,2 uur; vervolgens bij elke
                                    vijf jaar ouder telkens opnieuw met 7,2 uur, totdat bij het
                                    bereiken van de leeftijd van 60 jaar de hem volgens artikel 6:2
                                    respectievelijk 6:2:1, eerste lid, toekomende vakantie
                                    vermeerderd wordt met 28,8 uur.</al></li><li nr="3."><al>Van de ambtenaar die vóór 1 januari 1997 in dienst was, en met
                                    een leeftijd van 18 jaar en jonger wordt de jaarlijkse vakantie
                                    verhoogd met 21,6 uren. In het kalenderjaar waarin de leeftijd
                                    van 19 jaar respectievelijk 20 jaar wordt bereikt, wordt de
                                    jaarlijkse vakantie verhoogd met 14,4 respectievelijk 7,2
                                    uur.</al></li><li nr="4."><al>Van de ambtenaar die op of na 1 januari 1997 in dienst treedt en
                                    met een leeftijd van 18 jaar en jonger, wordt de jaarlijkse
                                    vakantie verhoogd met 7,2 uur.</al></li><li nr="5."><al>Als maatstaf voor de berekening van het aantal vakantie-uren,
                                    waarop de ambtenaar in enig kalenderjaar aanspraak kan maken,
                                    geldt het schaalbedrag welke de ambtenaar op 1 januari geniet,
                                    of ingeval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar,
                                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n) op het tijdstip
                                    van indiensttreding.</al></li><li nr="6."><al>De verhoging van het aantal vakantie-uren op grond van het
                                    bepaalde in artikel 6:2:1, lid 3 en artikel 6:2:1:1 lid 1 tot en
                                    met 4, gaat in op de eerste dag van het kalenderjaar waarin het
                                    hier bedoelde geval aanwezig is, respectievelijk de ambtenaar de
                                    daar bedoelde leeftijd heeft bereikt onderscheidenlijk op het
                                    tijdstip van indiensttreding. </al></li></lijst><al>Artikel 6:2:2 Splitsing vakantieverlof</al><lijst><li nr="1"><al>De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor
                                    ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste 72 uur,
                                    aaneensluitend verleend.</al></li><li nr="2"><al>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder
                                    voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het
                                    eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De
                                    ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen
                                    op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele
                                    achtergrond, anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5,
                                    derde lid, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van
                                    bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij
                                    verhuizing.</al></li><li nr="3"><al>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal
                                    worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de
                                    vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het
                                    bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing
                                    wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere
                                    ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met
                                    de wensen van de ambtenaar.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en
                            andere redenen van afwezigheid </al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld
                                    of wordt ontslagen heeft recht op vakantie naar rato van de tijd
                                    dat hij zijn functie vervult. </al></li><li nr="2."><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in
                                    het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn
                                    functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar
                                    evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde
                                    lid. </al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt
                                    een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: </al><lijst><li nr="a."><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en
                                            bevalling;</al></li><li nr="b."><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend
                                    op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk
                                    zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren
                                    van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die
                                    dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</al></li><li nr="5."><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die
                                    met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt
                                    een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het
                                    uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend
                                    vakantie-uur.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2:4 </al><lijst><li nr="1"><al>Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig
                                    kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt
                                    hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het
                                    eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede
                                    volgende kalenderjaar verleend.</al></li><li nr="2"><al>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de
                                    vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten
                                    buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan
                                    door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten
                                    deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2:5</al><lijst><li nr="1"><al>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende
                                    redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten
                                    gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts
                                    gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren
                                    van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van
                                    het aantal genoten vakantie-uren.</al></li><li nr="2"><al>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de
                                    vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem
                                    vergoed.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2:6</al><lijst><li nr="1"><al>Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk
                                    niet is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                                            schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten
                                            of</al></li><li nr="c."><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan
                                            voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in
                                            een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van
                                            de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich
                                            daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan
                                            achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie
                                            minder is dan een nader door het college te bepalen
                                            aantal uren.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                    worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar
                                    aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend,
                                    op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te
                                    vervullen.</al></li><li nr="3"><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien
                                    verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer
                                    vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of
                                    krachtens artikelen 6:2 en 6:2:1 eerste lid toekomende aantal
                                    uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar
                                    uitdrukkelijk anders is beslist.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2:7</al><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan
                            zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding
                            worden toegekend.</al><al>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof </al><lijst><li nr="1."><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of
                                    gedeeltelijk niet is opgenomen , vervalt dit verlof 12 maanden
                                    na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan
                                    dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is
                                    geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege
                                    dienstbelang niet mogelijk is geweest. </al></li><li nr="2."><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof
                                    gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het
                                    college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.
                                </al></li></lijst><al>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof </al><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of
                            gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het
                            einde van dat kalenderjaar. </al><al>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft
                                    gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n).</al></li><li nr="2."><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon
                                    verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    kan worden verleend.</al></li><li nr="3."><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                    ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde
                                    lid, toegelaten organisatie.</al></li><li nr="4."><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen
                                    wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als
                                    bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende
                                    uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is
                                    verschuldigd.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:1</al><lijst><li nr="1"><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met
                                    behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag
                                    dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar
                                    wordt voltrokken.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college
                                    wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal
                                    plaatsvinden.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend
                                    zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet
                                    aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n).</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                                    ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen
                                    opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                                    kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te
                                    vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak
                                    op zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></li><li nr="4."><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend
                                    zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de
                                    omvang van het langdurend zorgverlof.</al></li><li nr="5."><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie
                                    te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7
                                    kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de
                                    vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>Centrales van overheidspersoneel:</al><lijst><li nr="i."><al>de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP);</al></li><li nr="ii."><al>de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend
                                            Personeel (CCOOP);</al></li><li nr="iii."><al>de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij
                                            overheid, onderwijs en instellingen (CMHF).</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren
                                    welke zijn aangesloten bij de onder A genoemde centrales van
                                    overheidspersoneel.</al></li><li nr="2."><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                    door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al></li><li nr="a."><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen
                                    van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft
                                    welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel
                                    organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van
                                    een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar
                                    lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of
                                    afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van
                                    elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan
                                    ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien
                                    afgevaardigden, verlof wordt verleend;</al></li><li nr="b."><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid
                                    is van het hoofdbestuur van bondsraad- of
                                    bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of
                                    bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is
                                    van een landelijke groepsraad; </al></li><li nr="c."><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale
                                    organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is
                                    aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn
                                    vereniging aan die vergadering deelneemt. </al></li><li nr="3."><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) verleend: </al></li><li nr="a."><al>om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel
                                    als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij
                                    aangesloten vereniging is aangewezen </al></li><li nr="·"><al>om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te
                                    ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten
                                    vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat,
                                    welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van
                                    overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te
                                    ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per
                                    kalenderjaar; </al></li><li nr="·"><al>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een
                                    organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100
                                    voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers; </al></li><li nr="·"><al>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar
                                    voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten
                                    hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400
                                    medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per
                                    organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een
                                    arbeidsvoorwaardenadviseur </al></li><li nr="b."><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren -
                                    als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve
                                    van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven,
                                    alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee
                                    kalenderjaren. </al></li><li nr="4."><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per
                                    week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het
                                    derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</al></li><li nr="5."><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor
                                    de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan
                                    ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien
                                    verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend
                                    aan de ambtenaar die:</al></li><li nr="a."><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                    overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of
                                    2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij
                                    die centrale is aangesloten.</al></li><li nr="b."><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het
                                    eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of
                                    sectie van de centrale.</al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is
                            aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur
                            wordt het aantal uren genomen in het derde lid onder a en b, naar
                            evenredigheid verminderd.</al><lijst><li nr="6."><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend
                                    aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren,
                                    bedoeld in het eerste lid, onder b.</al></li><li nr="7."><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                                    wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie,
                                    bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met
                                    behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend
                                    voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede
                                    voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering.
                                    Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt
                                    eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van
                                    de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</al></li><li nr="8."><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere
                                    regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het
                                    tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden
                                    gesteld.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72
                                    uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op
                                    grond van de Waz. </al></li><li nr="2"><al>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt
                                    voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                    betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar
                                    evenredigheid verminderd.</al></li><li nr="3"><al>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever
                                    en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</al></li><li nr="4"><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                    waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                    Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is
                                    mogelijk.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</al><lijst><li nr="1"><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                    Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al></li><li nr="2"><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                    bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak
                                    heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een
                                    onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat
                                    artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze
                                    inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als
                                    vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te
                                    boven.</al></li><li nr="3"><al>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                                    vaststellen.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:4:1 Buitengewoon verlof bij bekleding politieke ambten</al><lijst><li nr="1"><al>Het te verlenen buitengewoon verlof bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor raadsleden van gemeenten:</al><lijst><li nr="i."><al>tot 30.000 inwoners ten hoogste 30 uur per
                                                  maand;</al></li><li nr="ii."><al>van 30.000 tot 100.000 inwoners ten hoogste 50
                                                  uur per maand;</al></li><li nr="iii."><al>boven 100.000 inwoners ten hoogste 100 uur per
                                                  maand;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>voor wethouders van gemeenten:</al><lijst><li nr="i."><al>tot 5.000 inwoners ten hoogste 1 dag per
                                                  week;</al></li><li nr="ii."><al>van 5.000 tot 10.000 inwoners ten hoogste 2
                                                  dagen per week;</al></li><li nr="iii."><al>van 10.000 tot 15.000 inwoners ten hoogste 3
                                                  dagen per week;</al></li><li nr="iv."><al>van 15.000 tot 20.000 inwoners ten hoogste 4
                                                  dagen per week;</al></li><li nr="v."><al>meer dan 20.000 inwoners ten hoogste 5 dagen per
                                                  week.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2"><al>Bij vervulling van andere politieke functies zal van geval tot
                                    geval worden nagegaan in welke mate verlof zal worden verleend.
                                </al></li><li nr="3"><al>De inhouding bedoeld in artikel 6:4:4 tweede lid is gelijk aan
                                    het bedrag van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    over de tijd, dat verlof wordt genoten, maar gaat de in de
                                    politieke functie genoten vergoeding over de daarmee
                                    overeenkomende tijd niet te boven.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:4:2 Buitengewoon verlof voor jeugd- en jongerenwerk</al><lijst><li nr="1."><al>Ingevolge artikel 6:4:5 eerste lid kan aan ambtenaren, tenzij de
                                    belangen van de dienst zich daartegen verzetten, buitengewoon
                                    verlof van korte duur met behoud van salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) worden verleend voor:</al></li><li nr="a."><al>het leiden of volgen van een cursus, gericht op vrijwilligers
                                    die zich met jeugd- en jongerenwerk bezighouden;</al></li><li nr="b."><al>het leiden van een jeugdkamp of kindervakantie-activiteiten als
                                    hoofdleider (leider-coördinator);</al></li><li nr="c."><al>het assisteren van de hoofdleider van een
                                    jeugdkamp/kindervakantie-activiteit op basis van één vrijwillig
                                    medewerkende op elke 15 deelnemers, en één vrijwillig
                                    medewerkende op elke 3 deelnemers wanneer het een
                                    kamp/vakantie-activiteit betreft voor lichamelijk of geestelijk
                                    gehandicapte jeugd. Voor de onder sub c bedoelde gevallen kan
                                    alleen buitengewoon verlof worden verleend indien de
                                    aanwezigheid voor het welslagen van een
                                    jeugdkamp/kindervakantie-activiteit dringend gewenst is en geen
                                    andere persoon beschikbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Een cursus als bedoeld onder sub a moet uitgaan van een
                                    landelijke of een provinciale organisatie voor jeugd- en
                                    jongerenwerk of van een landelijke of provinciale jeugdafdeling
                                    van een sportorganisatie, dan wel door een van deze organisaties
                                    worden aanbevolen als belangrijk voor de vorming van de
                                    vrijwilliger. De cursus moet tenminste drie achtereenvolgende
                                    dagen duren.</al></li><li nr="3."><al>Een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit bedoeld onder sub b
                                    of c moet uitgaan van een landelijk werkende jeugd- of
                                    sportorganisatie dan wel van een plaatselijk, regionaal of
                                    provinciaal werkende jeugd- of sportorganisatie, of worden
                                    georganiseerd door een instelling die geheel of gedeeltelijk ten
                                    behoeve van de jeugd werkzaam is. Een jeugdkamp of
                                    kindervakantie-activiteit met minder dan tien deelnemers valt
                                    niet onder deze regeling.</al></li><li nr="4."><al>Onder een <onderstreept>j</onderstreept>eugdkamp wordt verstaan
                                    het kamperen (hetzij in tenten, hetzij in een ander daarvoor
                                    geschikt verblijf) van jongeren in groepsverband. De leiding van
                                    een jeugdkamp moet geheel of voornamelijk bestaan uit vrijwillig
                                    medewerkenden. Gezinskampen vallen niet onder deze regeling.
                                    Onder een jeugdkamp wordt mede verstaan een jeugdsportkamp voor
                                    zover de leiding geheel of voornamelijk berust bij vrijwillig
                                    medewerkenden. Uitgesloten zijn wedstrijdkampen, sporttoernooien
                                    en sportwervings- of selectiekampen. Kampen kunnen zowel in
                                    Nederland als in het buitenland worden gehouden. Een kamp moet
                                    tenminste vier achtereenvolgende dagen duren.</al></li><li nr="5."><al>Onder een kindervakantie-activiteit wordt verstaan een door een
                                    plaatselijk of regionaal werkende jeugdorganisatie of
                                    gemeentelijke instantie georganiseerde vakantie-activiteit voor
                                    jeugd en jongeren. Een kindervakantie-activiteit moet tenminste
                                    drie achtereenvolgende dagen duren.</al></li><li nr="6."><al>Onder vrijwillig medewerkende wordt in dit artikel verstaan
                                    iemand die gedurende het hele jaar zonder vaste vergoeding
                                    (onkostenvergoeding uitgezonderd) in zijn of haar vrije tijd in
                                    enig organisatorisch verband (mede) leiding geeft aan een groep
                                    of aan groepen jongeren.</al></li><li nr="7."><al>Het buitengewoon verlof bedraagt voor de onder sub a tot en met
                                    c bedoelde gevallen telkens ten hoogste vijf dagen, met dien
                                    verstande dat per kalenderjaar in totaal niet meer dan tien
                                    dagen kunnen worden toegekend.</al></li><li nr="8."><al>Deze regeling is niet van toepassing op onderwijsgevenden.</al></li><li nr="9."><al>Een aanvraag om buitengewoon verlof moet, tenminste twee maanden
                                    voordat het kamp/de activiteit een aanvang neemt, worden
                                    ingediend. Indiening dient namens de ambtenaar te
                                    geschieden:</al></li><li nr="a."><al>door het bestuur van:</al></li><li nr="-"><al>de landelijke organisatie voor jeugd- en jongerenwerk die de
                                    cursus organiseert;</al></li><li nr="-"><al>de landelijke instelling die kampen organiseert voor jeugd en
                                    jongeren;</al></li><li nr="-"><al>de landelijke sportorganisatie (of de jeugdafdeling daarvan) als
                                    het kamp/de kinderactiviteit uitgaat van een van deze landelijke
                                    organisatie, of van een plaatselijke afdeling daarvan;</al></li><li nr="b."><al>door een provinciaal, regionaal of plaatselijk werkende
                                    instelling voor jeugd- en jongerenwerk, als het betreft niet
                                    landelijk georganiseerde jeugd- en jongerenwerk of
                                    kindervakantie-activiteiten.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:4:3 Buitengewoon verlof voor begeleiden
                            zieken/gehandicapten</al><lijst><li nr="1"><al>Ingevolge artikel 6:4:5 eerste lid kan aan ambtenaren - mits het
                                    belang van de dienst zich daartegen niet verzet en het gewone
                                    vakantieverlof van andere medewerkers niet in het gedrang komt -
                                    buitengewoon verlof met behoud van salaris en toegekende
                                    salaristoelage(n) worden toegekend voor activiteiten zoals het
                                    begeleiden van zieken bij bedevaarten, ziekentridia, Rode
                                    Kruis-excursies en andere dergelijke activiteiten, waarbij van
                                    betrokkene een grote inzet wordt vereist.</al></li><li nr="2"><al>Extra verlof wordt verleend voor de duur van de activiteiten tot
                                    ten hoogste 5 dagen per kalenderjaar.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:4:5 Kermisverlof</al><lijst><li nr="1"><al>Aan het personeel wordt gedurende de Tilburgse kermis op
                                    maandag- en dinsdagmiddag verlof verleend.</al></li><li nr="2"><al>Aan de ambtenaren, die tijdens de genoemde middagen dienst
                                    moeten doen, wordt extra verlof verleend, gelijk aan het aantal
                                    uren dat zij tijdens de "vrije middagen" in functie zijn, met
                                    dien verstande, dat indien door betrokkene op één der genoemde
                                    dagen slechts enkele uren wordt gewerkt, aan hem/haar daarvoor
                                    3,6 uur extra verlof zal worden toegekend.</al></li><li nr="3"><al>De tijd gedurende welke tijdens de "vrije middagen" dienst wordt
                                    gedaan, wordt als gewone werktijd beschouwd.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</al><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het
                            genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende
                            salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden,
                            verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel
                            6:4 tot en met artikel 6:4:4:1. Het verlof wordt verleend voor maximaal
                            één jaar.</al><al>Artikel 6:4:5a</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                                    bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek
                                    onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de
                                    functie voor ten hoogste twee jaren.</al></li><li nr="2."><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel
                                    21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</al><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                            mindering gebracht op de vakantie.</al><al>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald
                                    ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij
                                    dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele
                                    arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een
                                    percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
                                </al></li><li nr="2."><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                    ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens: </al></li><li nr="-"><al>schaal 1: 90% </al></li><li nr="-"><al>schaal 2: 85% </al></li><li nr="-"><al>schaal 3: 80% </al></li><li nr="-"><al>schaal 4: 70% </al></li><li nr="-"><al>schaal 5: 60% </al></li><li nr="-"><al>schaal 6 en hoger: 50% </al></li><li nr="3."><al>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat
                                    het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid
                                    verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.
                                </al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing. </al></li><li nr="5."><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een
                                    verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te
                                    nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen
                                    verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot
                                    gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt
                                    opgeschort.</al></li></lijst><al>Artikel 6:5:2 Meerlingen</al><lijst><li nr="1"><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak
                                    op betaald ouderschapsverlof.</al></li><li nr="2"><al>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6.5:7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de
                                    meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt
                                    gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te
                                    genieten.</al></li></lijst><al>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie </al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet,
                            wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                            ouderschapsverlof.</al><al>Artikel 6:5:5 Terugbetaling </al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van
                                    artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van
                                    artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</al></li><li nr="2."><al>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                    bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>het gevolg is van het aanvaarden van een diesntverband
                                            bij een andere gemeente;</al></li><li nr="b."><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een
                                            uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege
                                            werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar
                                            ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of
                                            geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem
                                            liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                                            wijzigen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie
                                    aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het
                                    ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5
                                    heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt
                                    verminderd, terug te betalen.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik
                                    maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met
                                    het in het eerste en derde lid bepaalde.</al></li></lijst><al>Artikel 6:5:6 (vervallen met ingang van 1 januari 2006)</al><al>Artikel 6:5:7</al><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid
                            voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</al><al>Artikel 6:6 (vervallen met ingang van 1 januari 2006)</al><al>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><lijst><li nr="1"><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps-
                                    en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak
                                    op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></li><li nr="2"><al>De Wazo-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                    wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op
                                    grond van het eerste lid recht heeft. </al></li><li nr="3"><al>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV. </al></li><li nr="4"><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot
                                    uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar
                                    een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld
                                    of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris
                                    en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</al></li></lijst><al>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of
                                    pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                    doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></li><li nr="2"><al>De Wazo-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond
                                    van het eerste lid recht heeft.</al></li><li nr="3"><al>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                    pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Wazo-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV.</al></li><li nr="4"><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is
                                    gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                                    wordt opgelegd, dan wel het recht op de Wazo-uitkering geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen
                                    te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris ende
                                    toegekende salaristoelage(n) in mindering gebracht.</al></li><li nr="5"><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
                                    artikel 7:3, niet op.</al></li></lijst><al>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                            levensloopregeling</al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de
                                    gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te
                                    verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste
                                    18 maanden.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18
                                    maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op
                                    maximaal één periode van onbetaald verlof. </al></li><li nr="3"><al>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid
                                    gestelde voorwaarden.</al></li><li nr="4"><al>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                                    arbeidsduur of op een deel daarvan.</al></li><li nr="5"><al>De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                                    gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek
                                    wordt ingediend.</al></li><li nr="6"><al>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee
                                    maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt
                                    schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</al></li><li nr="7"><al>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat
                                    hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof
                                    intrekken. </al></li><li nr="8"><al>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                                    tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar
                                    hiermee instemmen.</al></li><li nr="9"><al>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking
                                    heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe,
                                    tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof
                                    verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</al></li></lijst><al>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens het verlof </al><lijst><li nr="1"><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof
                                    geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                    onbetaald verlof. </al></li><li nr="2"><al>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                    uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                    (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                                    vastgesteld.</al></li><li nr="3"><al>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de
                                    gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al></li><li nr="4"><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel
                                    21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></li></lijst><al>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</al><lijst><li nr="1."><al>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn
                                    betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14
                                    kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende
                                    kalenderdag. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die
                                    volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen
                                    ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet
                                    wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan
                                    pensionering.</al></li></lijst><al>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof.</al><al>Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling</al><al>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel
                            19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al><al>b instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of
                            verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de
                            loonbelasting 1964;</al><al>c levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende
                            geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt
                            gestort;</al><al>d levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar
                            afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt
                            gestort;</al><al>e levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening
                            onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</al><al>Artikel 6a:2 <cursief>Doel </cursief>(Vervallen per 1januari 2013)</al><al>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><al>1 De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                            levensloopregeling meldt dit bij het college.</al><al>2 Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                            kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals
                            genoemd in artikel 6a:4.</al><al>3 Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</al><al>1 De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                            waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt
                            aangehouden.</al><al>2 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                            levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                            inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in
                            dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit
                            levenslooptegoed. </al><al>3 De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                            college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van
                            de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd
                            bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is. </al><al>4.De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet
                            aan de voorwaarden die de Wet op de Loonbelasting 1964 aan deelname
                            stelt.</al><al>Artikel 6a:<cursief>5 </cursief>Inleg</al><al>1 De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                            gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per
                            jaar.</al><al>2 De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen
                            wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al><al>3 De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde
                            bronnen. </al><al>Artikel 6a:6 Bronnen</al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                            levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al>het salaris;</al></li><li nr="b."><al>het IKB indien het college de levensloopregeling op grond van
                                    artikel 3:29 lid 2 heeft aangewezen als bestedingsdoel</al></li><li nr="c."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren,
                                    bedoeld in artikel 3:36;</al></li><li nr="d."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid 3.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage (vervallen per 1 januari 2017) </al><al>Artikel 6a:7a (Vervallen per 1 januari 2013)</al><al>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</al><al>1.Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk
                            twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar.
                            Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden.</al><al>2.Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                            daarnaast:</al><al>a.bij overlijden van de ambtenaar;</al><al>b.bij ontslag van de ambtenaar;</al><al>c.op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                            leeftijd bereikt.</al><al>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de
                            opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en
                            hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste
                            ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn)
                            levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet
                            plaatsvinden. </al><al>Artikel 6a:10 Slotbepaling</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk
                            9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van
                            hoofdstuk 9b van toepassing is. </al><al>Artikel 6a:11 Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een
                            betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 AANSPRAKEN BIJ ONGESCHIKTHEID WEGENS ZIEKTE OF
                                GEBREK</vet></al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 7:1 Definities</al><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
                                        bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij
                                        aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                                        sociale aard niet van hem kan worden gevergd;</al></li><li nr="b."><al>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: toonvormende
                                        arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen
                                        dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd
                                        in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;
                                    </al></li><li nr="c."><al>scholing in het kader van de reïntegratie: scholing die
                                        gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid
                                        waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak
                                        bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:
                                        arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in
                                        overwegende mate haar oorzaak vindt in:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de
                                                bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
                                                worden verricht of;</al></li><li nr="-"><al>in een dienstongeval verband houdende met de aard
                                                van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere
                                                omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten
                                                worden verricht;</al></li></lijst></li></lijst><al>en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te
                                wijten;</al><lijst><li nr="e."><al>restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen
                                        dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden,
                                        gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;</al></li><li nr="f."><al>arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste
                                        lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g."><al>inactieve: de oud-ambtenaar met een WW-uitkering,
                                        aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering,
                                        WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die
                                        direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een
                                        gemeente;</al></li><li nr="h."><al>postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel
                                        leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van het
                                        ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze
                                        uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of
                                        inactieve was;</al></li><li nr="2."><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in
                                        acht genomen.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al><al>Artikel 7:2:1 <cursief>Arbodienst</cursief></al><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                                deskundige(n).</al><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige
                                        begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit
                                        hoofdstuk.</al></li><li nr="2"><al>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar
                                        geschiedt door een arbodienst of gecertificeerd
                                        deskundige(n), overeenkomstig door het college te stellen
                                        regels.</al></li></lijst><al>Artikel 7:2:2:1<cursief> Ziektecontrole</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan
                                        onder:</al></li><li nr="a."><al>geneeskundige: de bedrijfsarts, die belast is met de
                                        geneeskundige controle op de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>buitendienst medewerker: de niet geneeskundige, die
                                        ingevolge de voor hem vastgestelde instructie belast is met
                                        de controle op de ambtenaar, die door ziekte verhinderd is
                                        zijn dienst te verrichten.</al></li><li nr="2."><al>a. In aansluiting op het bepaalde in artikel 15:1d, tweede
                                        lid is de ambtenaar, die door ziekte verhinderd is zijn
                                        dienst te verrichten verplicht:</al></li><li nr="1."><al>daarvan onverwijld - in ieder geval binnen 2 uur na aanvang
                                        van de voor hem vastgestelde werktijd - mededeling te doen
                                        aan het hoofd van dienst, zulks onder opgaaf van zijn
                                        verblijfsadres;</al></li><li nr="2."><al>na daartoe door de geneeskundige te zijn uitgenodigd, het
                                        spreekuur van de geneeskundige te bezoeken;</al></li><li nr="3."><al>de met de controle belaste buitendienstmedewerker, na
                                        legitimatie, in zijn woning of op het verblijfadres toe te
                                        laten en hem alle inlichtingen te verstrekken, welke deze
                                        nodig heeft.</al></li><li nr="3a."><al>Zodra zulks mogelijk is, is de ambtenaar verplicht zijn
                                        werkzaamheden terstond te hervatten en zich onverwijld
                                        hersteld te melden bij het hoofd van dienst. Deze
                                        verplichting rust ook op hem onverminderd het bepaalde in
                                        het tweede lid, onder a, sub 2.</al></li><li nr="3b."><al>Heeft de geneeskundige met de ambtenaar een afspraak gemaakt
                                        over het tijdstip van werkhervatting en de ambtenaar meldt
                                        zich ziek op het afgesproken tijdstip van werkhervatting,
                                        dan is de ambtenaar verplicht om terstond het hoofd van
                                        dienst hierover te informeren en een afspraak te maken voor
                                        het spreekuur van de geneeskundige.</al></li><li nr="4."><al>Ingeval het de ambtenaar niet mogelijk is het spreekuur van
                                        de geneeskundige waarvoor hij is uitgenodigd te bezoeken, is
                                        hij gebonden het verblijfadres niet te verlaten - tenzij
                                        voor een noodzakelijk bezoek aan de behandelende arts -
                                        totdat de eerste controle van de buitendienstmedewerker
                                        heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="5."><al>Indien de ambtenaar het spreekuur heeft bezocht, is hij
                                        verplicht de verdere richtlijnen van de geneeskundige op te
                                        volgen.</al></li><li nr="6."><al>Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, onder a, dient
                                        de ambtenaar bij verandering van verblijfadres daarvan
                                        terstond mededeling te doen aan het hoofd van dienst en de
                                        geneeskundige. Verandering van verblijfadres naar een andere
                                        gemeente kan uitsluitend plaatsvinden na voorafgaande
                                        toestemming van de geneeskundige.</al></li><li nr="7."><al>Indien de ambtenaar verhinderd is het spreekuur, dat door de
                                        geneeskundige is vastgesteld of met de
                                        buitendienstmedewerker is overeengekomen, te bezoeken, is
                                        hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen aan de
                                        geneeskundige.</al></li><li nr="8."><al>De ambtenaar is verplicht om afspraken over werkhervatting
                                        terstond mede te delen aan het hoofd van dienst.</al></li></lijst><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst
                                rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die
                                naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al><al>Artikel 7:2:4 Periodiek geneeskundig onderzoek</al><al>De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn
                                werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat,
                                dan wel voor een goede vervulling van zijn functie aan bijzondere
                                gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek
                                geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel
                                van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk
                                is.</al><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al><lijst><li nr="1"><al>Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                                        ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te
                                        onderwerpen:</al><al> a indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                        aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede
                                        gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al><al> b indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt
                                        is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn
                                        functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische
                                        oorzaken zijn aan te wijzen.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in
                                        het eerste lid, te onderwerpen.</al></li></lijst><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al><lijst><li nr="1"><al>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in
                                        artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of
                                        geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel
                                        van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de
                                        dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich
                                        tegen voortzetting van zijn werkzaamheden verzetten, wordt
                                        de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.</al></li><li nr="2"><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt
                                        niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de
                                        lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het
                                        wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden
                                        wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In
                                        dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="3"><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                        voor de toepassing van de overige artikelen van dit
                                        hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens
                                        ziekte.</al></li></lijst><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                ambtenaar</al><al>1Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
                                bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te
                                laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het
                                herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud,
                                het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. </al><al>2 De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                                schriftelijk in kennis gesteld.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aanspraken tijdens ziekte</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</al><al>1 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg
                                van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid
                                gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn
                                volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>2 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                                gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op
                                doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n).</al><al>3 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12
                                maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand
                                recht op doorbetaling van 75% zijn salaris en toegekende
                                salaristoelage(n).</al><al>4 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24
                                maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling
                                van 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>5 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook
                                gebreken verstaan.</al><al>6 De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                                salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop
                                hij:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b."><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                                        verricht;</al></li><li nr="d."><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</al></li></lijst><al>7 De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden
                                recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. </al><al>8 De ambtenaar, bedoeld in het derde en vierde lid, diegedurende
                                tenminste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende
                                arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of
                                scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het
                                zevende lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van
                                5% berekend over het salaris en de toegekende salaristoelagen waar
                                hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum
                                het salaris en de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in het
                                eerste lid.</al><al>9 De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon,
                                berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur. </al><al>10 De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van
                                het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek
                                is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het
                                eerste tot en met het vierde lid, op. </al><al>11 Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid
                                worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien
                                zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen
                                of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode
                                waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in
                                artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs
                                niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al><al>12 De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelagen,
                                bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien
                                de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.</al><al>13 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                recht op beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al><al>14 Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                                terminale ziekte. In die</al><al>gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de
                                termijn van zes</al><al>maanden, bedoeld in het eerste lid, het volledige salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) wordt doorbetaald.</al><al>Artikel 7:3:1 (met ingang van 1 januari 2013)</al><al>In aanvulling op het bepaalde in artikel 7:3 behoudt de ambtenaar
                                die een vergoeding BHV,EHBO en Interventieteam geniet het recht op
                                doorbetaling van deze vergoedingen bij ongeschiktheid tot het
                                verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch
                                vast te stellen als gevolg van ziekte of gebrek. </al><al>Artikel 7:4 Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al><al>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof
                                geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat
                                de ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan dat
                                hij zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                                dienst </al><lijst><li nr="1"><al>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                                        IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                                        dienst, een aanvullende uitkering verleend. </al></li><li nr="2"><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor
                                        de ambtenaar met een WGA- of IVA-uitkering, gelijk aan het
                                        bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA of
                                        IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar
                                        toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het
                                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te
                                        vullen tot een bepaald percentage van het salaris en de
                                        toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar heeft genoten
                                        in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is
                                        afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en
                                        bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</al><al> 80% of meer:95%</al><al> 65 tot 80%: 68,875%</al><al> 55 tot 65%: 57%</al><al> 45 tot 55%: 47,5%</al><al> 35 tot 45%; 38%</al></li></lijst><al>3 De aanvullende uitkering eindigt:</al><al> a indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het
                                eerste lid genoemde voorwaarden of;</al><al> b met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al><al>4 De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van
                                dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van
                                wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of
                                bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7:6 Overlijdensuitkering bij arbeidsongeschiktheid in en
                                door de dienst (vervallen met ingang van 1 oktober 2010)</al><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><lijst><li nr="1"><al>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                        ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het
                                        oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van </al><al> geneeskundige behandeling of verzorging.</al></li><li nr="2"><al>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid
                                        nadere voorschriften geven.</al></li></lijst><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al><al>Het college kan nadere regels stellen.</al><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling refertetijdvak toelagen</al><al>Het refertetijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling
                                van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                                overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning,
                                ten behoeve van de vaststelling van het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) tijdens ziekte, dient in een lokale regeling nader
                                te worden uitgewerkt.</al><al>Artikel 7:8:1:1</al><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling
                                van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst en de
                                toelage beschikbaarheidsdienst ten behoeve van de vaststelling van
                                het bedrag van het salaris en de toegekende salaristoelagen zoals
                                bedoeld in dit hoofdstuk, is 12 maanden.</al><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in
                                een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                toepassing van artikel 2:7a</al><al>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel
                                2:7a, kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit
                                artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid
                                waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide
                                arbeidsduur. </al><al>Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is
                                verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van
                                de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele
                                arbeidsduur.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Verplichtingen en sancties</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al><al>1 Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen
                                te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is,
                                opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge
                                van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in
                                staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te
                                verrichten. </al><al>2 Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht
                                en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid
                                voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de
                                ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de
                                gemeente.</al><al>3 Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan
                                van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het
                                plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig
                                geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</al><al>4 Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn
                                opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven
                                aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek-
                                en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige
                                begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</al><al>Artikel 7:10</al><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie
                                die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                reïntegratie</al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge
                                        van ziekte verhinderd is zijn </al><al> arbeid te verrichten, is verplicht:</al><al> a gevolg te geven aan, door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en
                                        mee te werken aan door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in
                                        artikel 7:9;</al><al> b zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren
                                        en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        7:9, derde lid;</al><al> c zich te gedragen naar de regels die in het protocol,
                                        bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li><li nr="2"><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn
                                        functie te vervullen, in staat is passende arbeid als
                                        bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college
                                        of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt
                                        gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</al></li></lijst><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al><al>1De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                                vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter
                                beantwoording van de vragen:</al><al>a of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn
                                functie wegens</al><al> ziekte;</al><al>b in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder
                                a;</al><al>c of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie
                                opzettelijk heeft veroorzaakt;</al><al>d of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                                behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet
                                houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige
                                gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het
                                verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn
                                uitgezonderd;</al><al>e of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt
                                belemmerd of vertraagd;</al><al>f of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang
                                van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het
                                behoud, het herstel of de bevordering van zijn
                                arbeidsgeschiktheid;</al><al>g wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden
                                hervat.</al><al>2 Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen
                                van medisch onderzoek.</al><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling </al><al>Geen aanspraak op salaris en de toegekende salaristoelage(n),
                                bedoeld in artikel 7:3 en geen opbouw van het IKB, bedoeld in
                                artikel 3:28, bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in
                                        artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de
                                        ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van
                                        zijn functie heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan
                                        op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan
                                        worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen
                                        een half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde
                                        geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar
                                        hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand
                                        heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge
                                        waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn
                                        functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten
                                        onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt
                                        dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</al></li></lijst><al>Artikel 7:13:2 Staken van doorbetaling van de bezoldiging</al><al>1 De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB,
                                bedoeld in artikel 3:28 worden gestaakt, indien en voor zolang de
                                ambtenaar:</al><al>a weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het
                                verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in
                                te stellen medische onderzoek na te komen;</al><al>b blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft
                                nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te
                                blijven stellen;</al><al>c blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften
                                van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van
                                voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige
                                aard;</al><al>d zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig
                                maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of
                                vertraagd;</al><al>e er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek
                                door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan
                                plaatshebben;</al><al>f tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                                wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij
                                dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk
                                wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend;</al><al>g weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft
                                in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang
                                van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of
                                derden;</al><al>h zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst
                                bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien
                                zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst
                                als geldig erkende reden heeft opgegeven;</al><al>i weigert om – op verzoek van het college – informatie te
                                verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit
                                hoofdstuk.</al><al>2 De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                en de opbouw van het IKB vinden wel plaats indien de ambtenaar op
                                grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt
                                van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen </al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen,
                                        bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onderdeel c, wordt
                                        disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.</al></li><li nr="2"><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                        salaristoelagen, bedoeld in , en de opbouw van het IKB
                                        bedoeld in artikel 3:28, worden gestaakt, indien en voor
                                        zolang de ambtenaar:</al></li></lijst><al>a weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                                aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen
                                maatregelen, als bedoeld in , eerste lid, onder a, die erop gericht
                                zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid
                                te verrichten; </al><al>b weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen
                                van een plan van aanpak als bedoeld in , eerste lid, onder b.</al><al>c weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op
                                grond van , tweede lid, verplicht is.</al><al>3 De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n), en de opbouw van het IKB, bedoeld in het tweede
                                lid, vinden wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn
                                geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag,
                                genoemd in het tweede lid.</al><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</al><lijst><li nr="1"><al> Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe
                                        aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen
                                        7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de
                                        toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen
                                        dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</al></li><li nr="2"><al> Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                        bevoegdheid geen gebruik heeft </al></li></lijst><al>gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het
                                niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog
                                aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de
                                second opinion die hij conform artikel 32 van de wet SUWI, heeft
                                aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in
                                het gelijk gesteld wordt.</al><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al><al>1 Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                                ambtenaar opgedragen: </al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke duur,
                                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling;</al></li><li nr="b."><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van proef,
                                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling;</al></li><li nr="c."><al>bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering,
                                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling.</al></li></lijst><al>2 Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel
                                7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve
                                herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door
                                wijziging van de aanstelling.</al><al>3 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35%
                                arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode
                                van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de
                                passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.</al><al>4 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan
                                80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de
                                periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar
                                met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer
                                benut.</al><al>5 Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt
                                onder een andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde
                                werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al><al>6 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie
                                tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of
                                bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>7 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien
                                zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                                of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode
                                waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden
                                voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al><al>8 De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>9 De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle
                                informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te
                                stellen.</al><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al><lijst><li nr="1"><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is
                                        zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn
                                        functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het college
                                        daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de
                                        mate waarin de hervatting kan geschieden.</al></li><li nr="2"><al>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede
                                        worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het
                                        UWV.</al></li><li nr="3"><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval
                                        vereist indien de ambtenaar </al><al> gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest
                                        zijn functie te vervullen.</al></li></lijst><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in
                                mindering brengen op de beloning van de ambtenaar , van inkomsten
                                uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens
                                re-integratie. </al><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking </al><lijst><li nr="1"><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het
                                        vervullen van zijn functie, op grond van een aan het college
                                        uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in
                                        het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel
                                        in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor
                                        zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit
                                        deze arbeid in mindering gebracht op het salaris en de
                                        toegekende salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht op
                                        heeft krachtens artikel 7:3.</al></li><li nr="2"><al>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens
                                        gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van
                                        hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere
                                        toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden
                                        betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste
                                        lid.</al><al>Paragraaf 5 Bijzondere situaties </al><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                                                ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk
                                                recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag
                                                van die uitkering in mindering gebracht op het
                                                bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht
                                                heeft.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt
                                                binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan
                                                zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de
                                                periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering
                                                ontvangt, voor de toepassing van dit artikel
                                                rekening gehouden met een volledige
                                                ZW-uitkering.</al></li><li nr="3."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van
                                                handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering
                                                vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                                                wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering
                                                geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan
                                                zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de
                                                toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                                                volledige ZW-uitkering.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college
                                                alle medewerking aan het via het college tot
                                                uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.</al></li><li nr="5."><al>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag
                                                waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht
                                                heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar
                                                uitbetaald.</al></li></lijst><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij
                                        de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is
                                        ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag
                                        van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop
                                        hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA </al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                                                verhindering tot het vervullen van zijn functie
                                                recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt
                                                het bedrag van die uitkering in mindering gebracht
                                                op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3
                                                recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een
                                                IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband
                                                met volledige, maar niet duurzame
                                                arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste
                                                recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of
                                                WGA-uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een
                                                IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer
                                                dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato
                                                van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                                uit de verschillende functies, in mindering gebracht
                                                op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling
                                                wordt gedaan.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering
                                                aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en
                                                hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt
                                                voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of
                                                IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit
                                                artikel rekening gehouden met een
                                                IVA-uitkering.</al></li><li nr="4."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van
                                                handelingen door de ambtenaar niet kan worden
                                                vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor
                                                een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit
                                                redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                                                toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                                                IVA-uitkering.</al></li><li nr="5."><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                                handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering
                                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop
                                                geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit
                                                redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                                                toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of
                                                IVA-uitkering zoals die werd genoten voor
                                                vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering
                                                van het bedrag plaatsvond.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college
                                                alle medewerking aan het via het college tot
                                                uitbetaling laten komen van de WGA- of
                                                IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling
                                        Pensioenreglement</al><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de
                                        ambtenaar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld
                                        in artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke
                                        aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de
                                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid
                                        recht heeft op een WAJONG-of WAZ-uitkering, worden deze
                                        uitkeringen voor de toepassing van dit hoofdstuk
                                        gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.</al><al>Paragraaf 6 Ziektekosten</al><al>Artikel 7:24 Zorgverzekering</al><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren,
                                        postactieven en inactieven een overeenkomst als bedoeld in
                                        artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.</al><al>Artikel 7:24a Tegemoetkoming ziektekosten</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra
                                                Zorg 3 of Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV,
                                                of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren Kruis
                                                Achmea heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in
                                                zijn ziektekosten. </al></li><li nr="2."><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal
                                                per kalenderjaar in de maand december uitbetaald.
                                            </al></li><li nr="3."><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een
                                                kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid
                                                recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten.
                                            </al></li></lijst><al>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per
                                                jaar.</al></li><li nr="2."><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per
                                                jaar als het salaris van de ambtenaar maal de
                                                deeltijdfactor lager is dan of gelijk is aan het
                                                bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal
                                                6.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt
                                                of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de
                                                ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst
                                                is geweest.</al></li><li nr="4."><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid
                                                is de maand december. Voor de ambtenaar die
                                                gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum
                                                voor de vergelijking van het tweede lid de laatste
                                                maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.</al></li></lijst><al>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband
                                        een tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit
                                        verrekend met de tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a
                                        en artikel 7:25. De ambtenaar is verplicht de gemeente te
                                        informeren, indien hij een dergelijke tegemoetkoming
                                        ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.</al><al>Artikel 7:25b (<cursief>Inhouding ziektekostenpremies
                                        </cursief>vervallen per 1 juli 2013)</al><al>Paragraaf 7 Overige bepalingen</al><al><vet>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens
                                                ziekte op 31 december 2000 recht heeft op
                                                salarisbetaling of uitkering op grond van dit
                                                hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum
                                                voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk,
                                                zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht
                                                tot het moment dat de ziekte van de betrokkene
                                                eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de
                                                betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens
                                                de Ziektewet.</al></li><li nr="2"><al>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde
                                                betalingen aan hem, die op grond van dit artikel
                                                zijn verricht, terug te betalen, indien hem met
                                                terugwerkende kracht een uitkering krachtens de
                                                Ziektewet wordt toegekend.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel
                                                7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1
                                                januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1
                                                januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op
                                                een lager niveau is vastgesteld, recht op een
                                                garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende
                                                gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige
                                                omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen
                                                restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare
                                                arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen
                                                geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is,
                                                gezien zijn krachten en bekwaamheden.</al></li><li nr="2"><al>De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de
                                                datum van aanvang van de ziekte in de
                                                Oorspronkelijke functie18 maanden 100%, vervolgens
                                                39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het
                                                salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de
                                                ambtenaar genoot in de oorspronkelijke functie.</al></li><li nr="3"><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht
                                                hetgeen de ambtenaar ontvangt uit de
                                                dienstbetrekking waarin hij is herplaatst en, in
                                                voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering,
                                                invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en
                                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
                                                verkregen op of na de datum waarop de
                                                arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is
                                                vastgesteld.</al></li><li nr="4"><al>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid
                                                gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen
                                                van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare
                                                arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk
                                                inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan,
                                                wordt het bedrag van de garantie-uitkering
                                                verminderd met het bedrag van de verzuimde of de
                                                verloren gegane inkomsten.</al></li><li nr="5"><al>De garantie-uitkering eindigt:</al><al> a met ingang van de maand volgend op die waarin hij
                                                de leeftijd van 65 jaar bereikt;</al><al> b bij ontslag.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7:28 Overgangsartikel</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van
                                                ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen
                                                voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5,
                                                7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van
                                                toepassing. </al></li><li nr="2"><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de
                                                artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7: 7:18,
                                                7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december 2005,
                                                van toepassing. </al></li><li nr="3"><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van
                                                ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op
                                                of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO
                                                recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen
                                                7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van
                                                toepassing.</al></li><li nr="4"><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de
                                                artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21,
                                                zoals die golden op 31 december 2005, van
                                                toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21,
                                                eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen
                                                moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3,
                                                zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 .</al></li><li nr="5"><al>Het college stelt per 1 januari 2006 voor de
                                                ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid,
                                                bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1
                                                januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De
                                                hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006
                                                wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend
                                                op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot
                                                en met het vierde lid.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7:28:1</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van
                                                ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen
                                                voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van
                                                toepassing. </al></li><li nr="2"><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is
                                                artikel 7:18:1 zoals dat gold op 31 december 2005,
                                                van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7:28a</vet></al><al>1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is
                                        artikel 7:16 niet van toepassing.</al><al>2 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is
                                        artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008, van
                                        toepassing.</al><al><vet>Artikel 7:28b </vet></al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid,
                                        bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is
                                        artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november
                                        2008.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 ONTSLAG</vet></al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:1</nr><titel>Ontslag op verzoek</titel></kop><al>1 Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                verleend.</al><al>2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al><al>3 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                                indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:1:1</nr></kop><al>1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met
                                ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie
                                maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al><al>2 Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het
                                eerste lid worden afgeweken.</al><al>3 Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar
                                aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen
                                voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een
                                verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de
                                strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf
                                onherroepelijk is geworden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:2</nr><titel>Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                    leeftijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag
                                    waarop hij de AOW- gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar
                                    niet (geheel) gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag
                                    verleend met ingang van de eerste van de maand volgend op die
                                    waarin hij de 65-jarige leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar
                                    hiermee instemt, van het bepaalde in het eerste lid
                                    afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:2a</nr></kop><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het
                                bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van
                                de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als
                                bedoeld in artikel 8:2, derde lid, wordt beëindigd wanneer een van
                                de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van
                                één maand in acht genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:3</nr><titel>Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><al>1Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van
                                zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het
                                dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                verleend.</al><al>2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al><al>3 Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd,
                                ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:3:1</nr></kop><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg
                                gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna
                                wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:4</nr><titel>Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>1 Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b."><al>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>2 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens
                                ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede
                                verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend. </al><al>3 Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                                indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al><al>4 Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake
                                is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van
                                de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke
                                herbeoordeling.</al><al>5 Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                                ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze
                                melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste
                                ziektedag. </al><al>6 Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                recente WIA-beschikking zijn genomen. </al><al>7 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van
                                UWV betrekken.</al><al>8 Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                                functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al><al>9 Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan
                                vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
                                wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs
                                niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al><al>10 De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                                verlengd: </al><al>a met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al><al>b met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:5</nr><titel>Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1"><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond
                                            van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van
                                            zijn functie wegens ziekte. Voor de toepassing van dit
                                            artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                                            ontslag wordt eervol verleend. </al></li><li nr="2"><al>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts
                                            plaatsvinden indien: </al></li><li nr="a."><al>er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van
                                            zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 36
                                            maanden;</al></li><li nr="b."><al>het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de
                                            ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid
                                            op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al></li><li nr="3"><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of
                                            er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede
                                            lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van
                                            de WIA en de resultaten van een mogelijke
                                            herbeoordeling.</al></li><li nr="4"><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte
                                            dat sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede
                                            lid op grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in
                                            het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt
                                            op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste
                                            ziektedag. </al></li><li nr="5"><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van
                                            de meest recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></li><li nr="6"><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn,
                                            bedoeld in het vijfde lid, genomen is, moet het college,
                                            indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag,
                                            een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al></li><li nr="7"><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                            bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                            ongeschiktheid voor de vervulling van de functie
                                            tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                            zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                            zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel
                                            6:7, niet in aanmerking genomen. </al></li><li nr="8"><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                            bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                            ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij
                                            elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                                            opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                            aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                            bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
                                            in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort
                                            te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al></li><li nr="9"><al>De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede
                                            lid, onderdeel a, wordt verlengd: </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                    artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid,
                                    van de WIA heeft vastgesteld.</al><al>10Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst
                                    passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde
                                    lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag
                                    van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het
                                    bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende
                                    en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:5a</nr><titel>Ontslag na weigering medewerking aan wettelijke
                                    regelingen</titel></kop><al>1 De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie
                                wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij
                                zonder deugdelijke grond weigert:</al><al>a gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door
                                het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid
                                te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al><al>b arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten
                                waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;</al><al>c zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede
                                lid, van de WIA;</al><al>d een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al><al>2 Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
                                het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend
                                advies van het UWV in.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:6</nr><titel>Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op
                                    grond van dit artikel wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:7</nr><titel>Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het
                                        bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij
                                        aanvaarding van de functie geldt;</al></li><li nr="b."><al>het aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling
                                        in de functie zou uitsluiten;</al></li><li nr="c."><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="d."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                        wegens misdrijf;</al></li><li nr="f."><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                        indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen
                                        verwijt kan worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:7:1</nr></kop><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een
                                ontslag op grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het
                                ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop
                                de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen
                                    op een bij het besluit omschreven grond niet vallende onder de
                                    gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:8:1</nr></kop><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge
                                artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het
                                ontslagbesluit vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:9</nr></kop><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie
                                in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen
                                tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien
                                hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van
                                het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol
                                ontslag verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:10</nr><titel>Ontslag wegens pré-Vut</titel></kop><al>Vervallen per 1 april 2012</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:10:1</nr></kop><al>Vervallen per 1 april 2012</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:11</nr><titel>Ontslag wegens FPU</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering
                                    op grond van de FPU-regeling wordt ontslag verleend indien het
                                    bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
                                    overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting
                                    pensioenfonds ABP op grond van de desbetreffende aanvraag hebben
                                    vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht bestaat op een
                                    uitkering op grond van die regeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte
                                    van de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week
                                    worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen
                                    verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de
                                    formele arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag bedraagt
                                    telkenmale dat het wordt verleend, tenminste 10% van de
                                    oorspronkelijke formele arbeidsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:11:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang
                                    van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de
                                    FPU-regeling bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:12</nr><titel>Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                                    urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is
                                    van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het
                                    dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een
                                    aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht
                                    voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                                    aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van
                                    rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de
                                    urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw
                                    een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke
                                    urenuitbreiding geacht voor dezelfde tijd te zijn
                                    aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                                    kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de
                                    aanstelling leidde is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is
                                    aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft,
                                    ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de
                                    urenuitbreiding leidde, is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan
                                    niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel
                                    2:4 zijn overschreden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit
                                    een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels
                                    stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:12:1</nr><titel>Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                                    urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan
                                    ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd
                                    in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan
                                    ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd
                                    in dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:12:2</nr><titel>Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                                    urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</titel></kop><al>1 Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid,
                                wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><al>a van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                twaalf maanden heeft geduurd;</al><al>b van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft
                                geduurd;</al><al>c van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de
                                urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                korter dan zes maanden heeft geduurd.</al><al>2 Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn
                                mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van zijn
                                salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:13</nr><titel>Ontslag als disciplinaire straf</titel></kop><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag
                                verleend worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wet: Wet op de ondernemingsraden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de
                                    wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid,
                                    van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als
                                    bedoeld in artikel 9 van de wet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15
                                    van de wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                    geweest van een ondernemingsraad;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                    geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het
                                    feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als
                                    bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij
                                    aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of
                                    vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn
                                    centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de
                                    organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                                    doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de
                                    daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan
                                    ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de
                                    betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris
                                    heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige
                                    toepassing op die secretaris. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:15:1</nr><titel>Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1"><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de
                                            ambtenaar door het college worden geschorst:</al></li><li nr="a."><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
                                            onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van
                                            de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen
                                            van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                            inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                            uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                                            misdrijf wordt ingesteld;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door
                                            het belang van de dienst.</al></li><li nr="2"><al>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                                    omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing
                                    aanleiding heeft of hebben gegeven;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                    schorsing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:15:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    b of c, kunnen het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een
                                    termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit
                                    te keren bedrag, ook tot het volle bedrag plaatsvinden,
                                    behoudens het bepaalde in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    a, kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum
                                    van ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of
                                    gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens het bepaalde in het
                                    derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de
                                    doorbetaling geheel gestaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden
                                    uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar
                                    in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op
                                    hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris en
                                    toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de
                                    schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf
                                    wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden
                                    alsnog tot uitbetaling wordt besloten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en
                                    toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op
                                    de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk
                                    ontslag niet volgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:15:3</nr><titel>Bevoegdheid tot ontslagverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is
                                    tot aanstelling in de functie, laatstelijk door de ambtenaar
                                    vervuld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift
                                    gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag
                                    dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                    onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop
                                    het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar
                                    vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:16:1</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2001)</titel></kop><al>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur</al><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week
                                gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke
                                uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk
                                ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van
                                wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16. </al><al>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld
                                        in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004
                                        zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing. </al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de
                                        artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van
                                        toepassing. </al></li><li nr="3."><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld
                                        in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari
                                        2004, maar die op grond van de WAO recht hebben op een
                                        WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van
                                        toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de
                                        artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van
                                        toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 8:19</al><al>1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5,
                                is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals
                                dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al><al>Artikel 8:20</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of
                                artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9 UITKERING FUNCTIONEEL LEEFTIJDSONTSLAG</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:1</nr><titel>Ontslag wegens FLO</titel></kop><al>Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het
                                bepaalde in artikel 8:3, zoals bedoeld in artikel 9:15, wordt met
                                ingang van de datum van het ontslag ten laste van de gemeente een
                                maandelijkse uitkering toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:1:1</nr></kop><al>Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk
                                verstaan de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op
                                een uitkering volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:1:1:1</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 januari 2006)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:1:2</nr></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 8:3:1, eerste lid, bedoeld in artikel 9:15:1,
                                    bedoelde datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de
                                    ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor
                                    de duur van ten hoogste een jaar, telkens met een periode van
                                    ten hoogste een jaar te verlengen, worden opgeschort, indien dit
                                    door het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag,
                                    in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar,
                                    blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek, geestelijk
                                    en lichamelijk in staat kan worden geacht zijn betrekking te
                                    blijven vervullen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het
                                    bepaalde in het eerste lid, blijkens de uitslag van een
                                    geneeskundig onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor
                                    de verdere vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag
                                    worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand
                                    volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek
                                    te zijner kennis is gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:2</nr><titel>Bedrag en duur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het
                                    ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar
                                    aan diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met
                                    zoveel - doch ten hoogste 10 malen - 0,5% van die bezoldiging
                                    als het totaal aantal volle dienstjaren geldig voor pensioen
                                    krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer
                                    dan 30 bedraagt. Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van
                                    bedoelde bezoldiging, met dien verstande dat het bedrag van de
                                    uitkering niet lager is dan het bedrag van het pensioen waarop
                                    de gewezen ambtenaar recht zou hebben indien hij zou zijn
                                    gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in
                                    aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in artikel 5.4
                                    van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken van de
                                    leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                                    bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan
                                    de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de
                                    vakantieuitkering, bedoeld in artikel 6:3, berekend over een
                                    maand en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6, met dien
                                    verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de
                                    functioneringstoelage slechts geacht worden te behoren tot de
                                    bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de
                                    twaalf maanden voorafgaande aan het ontslag gemiddeld per maand
                                    aan die vergoeding of beloning aan de gewezen ambtenaar is
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking
                                    verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke
                                    verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen
                                    ambtenaar op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt
                                    van de datum van in werking treden dier wijziging af het aldus
                                    gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de
                                    betrekking verbonden bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De hoogte van de uitkering wordt actuarieel neutraal herrekend
                                    indien de ambtenaar na 1 januari 2006 gebruik maakt van de
                                    mogelijkheid van artikel 9:1:2, eerste lid om de ingang van het
                                    ontslag uit te stellen. Overschrijdt de uitkering de oude
                                    bezoldiging dan wordt het meerdere omgezet in ouderdoms- en
                                    nabestaandenpensioen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:3</nr><titel>Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector
                                            Gemeenten.</al></li><li nr="b."><al>Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel
                                            uitmaakt van de LOGA-overeenkomst met betrekking tot de
                                            financiering van het functioneel leeftijdsontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De gemeenten zijn verplicht de in de Vereveningsregeling
                                    bedoelde bijdragen af te dragen aan het Vereveningsfonds voor
                                    alle bij hun in dienst zijnde personen voor wie premie ten
                                    behoeve van de FPU-regeling moet worden afgedragen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft
                                    verhaald op de bij de instelllingen in dienst zijnde personen
                                    voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling wordt
                                    afgedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:4</nr><titel>Samenloop met FPU</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of
                                    ouder gelegen is na 1 april 1997, is deze ambtenaar verplicht
                                    een uitkering krachtens de FPU-regeling aan te vragen. De
                                    uitkering als bedoeld in artikel 9:1 komt niet tot uitbetaling
                                    indien de ambtenaar geen toestemming verleent om de uitkering
                                    krachtens de FPU-regeling via de werkgever tot uitbetaling te
                                    laten komen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet
                                    tijdig de uitkering krachtens de FPU-regeling aanvraagt, en hem
                                    dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de periode
                                    waarin hij dientengevolge voornoemde uitkering niet of niet
                                    volledig ontvangt, voor de toepassing van lid 3 van dit artikel
                                    rekening gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum
                                    zou hebben genoten, indien hij de voornoemde uitkering wel
                                    tijdig zou hebben aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat,
                                    verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de
                                    FPU-regeling, met dien verstande dat buiten beschouwing blijft
                                    dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat
                                    gebaseerd is op een individuele opbouw krachtens artikel 16.2,
                                    16.3 of 16.4 van het pensioenreglement. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de in het tweede lid bedoelde ambtenaar, de uitkering
                                    krachtens de FPU-regeling geheel of ten dele vervallen wordt
                                    verklaard dan wel geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt
                                    deze uitkering voor de toepassing van lid 3 van dit artikel
                                    geacht onverminderd te zijn genoten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:4:1</nr><titel>Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op
                                    uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of
                                    in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een
                                    uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand
                                    genomen met ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is
                                    ingegaan, wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze
                                    vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en
                                    de onverminderde uitkering krachtens artikel 9:2 samen de
                                    laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    de uitkering krachtens deze regeling is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het
                                    eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid
                                    of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten
                                    aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in
                                    het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde
                                    vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of
                                    hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                                    of indien de gewezen ambtenaar aannemelijk maakt dat die
                                    inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van
                                    andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:4:1:1</nr></kop><al>De vermindering, als bedoeld in artikel 9:4:1 eerste lid, bedraagt,
                                indien de gewezen ambtenaar de leeftijd van 55 jaren heeft bereikt
                                de helft van het bedrag, waarmee de som van de uitkering en de
                                inkomsten op jaarbasis de laatstelijk genoten bezoldiging
                                overschrijdt, doch tot ten hoogste het verschil tussen het bedrag
                                van de uitkering en het bedrag van het pensioen, waarop hij recht
                                zou hebben, indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de
                                datum van zijn ontslag. De gewezen ambtenaar wordt geacht de
                                leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt op de eerste dag van de
                                maand, waarin hij deze bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:4:2</nr></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de
                                    gewezen ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij
                                    doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij
                                    uit dien hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die
                                    inkomsten tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan
                                    tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
                                    uitkeringstermijn nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet
                                    vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van
                                    elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sedert
                                    het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige
                                    opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der werkzaamheden
                                    mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden
                                    berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en
                                    kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast
                                    naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van
                                    nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. Dit
                                    lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid
                                    of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1,
                                    tweede en derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het
                                    eerste lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college
                                    bepalen dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet
                                    of slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de
                                    uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het
                                    oordeel van het college in aanmerking komen, de inlichtingen
                                    verstrekken welke voor de uitvoering van deze regeling
                                    noodzakelijk zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:4:3</nr><titel>Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of
                                    ongeval</titel></kop><al>Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering
                                ontleent en die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog
                                aanspraken in verband met de dienstbetrekking waaruit hij is
                                ontslagen heeft of verkrijgt, wordt de uitkering tot het einde van
                                de periode waarover die aanspraken bestaan, verminderd met het
                                bedrag daarvan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:5</nr><titel>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van
                                    62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van
                                    het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de
                                    pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig
                                    voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                                    pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per
                                    1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de
                                    werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen
                                    ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening
                                    blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige
                                    aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de
                                    helft plaats vindt, komen volledig ten laste van de gewezen
                                    ambtenaar. De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden
                                    voor zijn ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd
                                            van 62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis
                                            van artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="b."><al>dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                                            weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft
                                            pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra
                                            kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold
                                            voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62
                                            jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van
                                            artikel 9:5 lid 1;</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                            gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de
                                            mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement
                                            bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de
                                            Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek
                                            bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door
                                            de werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanschrijving bedoeld in het eerste lid wordt herhaald in de
                                    drie maanden voor de dag dat de ambtenaar de leeftijd van 62
                                    jaar bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:6:1</nr><titel>(vervallen in 1997)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:7:1</nr><titel>Verval uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De uitkering vervalt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen
                                            ambtenaar is overleden;</al></li><li nr="b."><al>op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van
                                            65 jaren bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard
                                    indien de gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van het
                                    college zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven,
                                    zou zijn ontslagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:8:1</nr><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar
                                    heeft de weduwe, de weduwnaar of geregistreerd partner die
                                    krachtens het pensioenreglement recht heeft op een
                                    nabestaandenpensioen, recht op een bedrag gelijk aan de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 9:2, over een tijdvak van drie
                                    maanden, welk bedrag in voorkomend geval wordt verminderd met de
                                    uitkering bij overlijden krachtens de FPU-regeling. Wordt geen
                                    weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner als bedoeld in de
                                    vorige volzin nagelaten, dan verkrijgen de minderjarige kinderen
                                    van de overledene recht op bedoelde uitkering. Ontbreken ook
                                    zodanige kinderen, dan hebben, indien de overledene kostwinner
                                    was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, deze
                                    betrekkingen recht op bedoelde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het eerste
                                    lid recht hebben op de uitkeringen als in dat lid bedoeld, dan
                                    kan dit bedrag door het college geheel of ten delen worden
                                    aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte
                                    en van de lijkbezorging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:9:1</nr><titel>FLO-betrekkingen en leeftijdsgrenzen (vervallen per 1 januari
                                    2006)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:10:1</nr><titel>Ingangsdatum ontslag wegens FLO</titel></kop><al>Indien een ambtenaar die een betrekking vervult als in artikel 9:9:1
                                genoemd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de
                                leeftijdsgrens als genoemd in dat artikel reeds heeft bereikt, wordt
                                hem eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de
                                maand volgende op die waarin deze regeling in werking treedt, tenzij
                                overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                9:1:2, eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:12</nr></kop><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag wordt
                                verleend en die recht heeft op een uitkering op grond van dit
                                hoofdstuk, heeft totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld recht
                                op een maandelijkse uitkering waarvan het bedrag berekend wordt op
                                basis van de bepalingen van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:13</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>Ambtenaren aan wie op of na 1 januari 2006 FLO-ontslag is verleend
                                en die op grond van</al><al>artikel 9:12 een maandelijkse uitkering hebben ontvangen, worden met
                                ingang van 1 juli 2006</al><al>geacht te zijn ontslagen op grond van artikel 8:11 en worden onder
                                de werking van hoofdstuk</al><al>9b gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:14</nr></kop><al>Met ingang van 1 juli 2006 kan ambtenaren op grond van dit hoofdstuk
                                geen uitkering meer verleend worden.</al><al>Hoofdstuk 9a AMBTENAREN DIE VANAF 1 JANUARI 2006 IN DIENST ZIJN
                                GETREDEN OP EEN BEZWARENDE FUNCTIE</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari
                                2006 in dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31
                                december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:2</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting
                                        door het frequent draaien van piket of het werken in
                                        roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                        werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans
                                        op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b."><al> de tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie
                                        van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente
                                        die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de
                                        bezwarende functie en die past bij de richting zoals
                                        afgesproken is in het loopbaanplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:3</nr><titel>Medische keuring (vervallen per 1 januari 2011)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:4</nr><titel>Het loopbaanplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de
                                    ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in
                                    de bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of
                                    buiten de gemeentelijke dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:5</nr></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de
                                    volgende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk
                                    loopbaanplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en
                                    de vereiste kennis en vaardigheden, alsmede de in dat kader door
                                    de ambtenaar te volgen opleiding en de te ondernemen
                                    activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar gewerkt te
                                    hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te
                                    beginnen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te
                                    verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het
                                    loopbaanplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding
                                    opgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                                    geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de
                                    belangen van het college als met de belangen van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking
                                    tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het
                                    college die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte
                                    afspraken uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                                    loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                                    college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de
                                    activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten
                                    vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b."><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan
                                            gekozen wordt;</al></li><li nr="c."><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de
                                            activiteit plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e."><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit
                                            of de te volgen scholing;</al></li><li nr="f."><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of
                                            scholing;</al></li><li nr="g."><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                            scholing;</al></li><li nr="h."><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i."><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of
                                            te ondernemen activiteit kan worden onderbroken of
                                            gestopt;</al></li><li nr="j."><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor
                                            een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:6</nr><titel>Terugbetaling</titel></kop><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten
                                die het college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met
                                de activiteiten dan wel opleidingen, die door het college zijn
                                vergoed, terug te betalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:7</nr><titel>Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke
                                    dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan
                                    binnen of buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt
                                    plaats door aanpassing van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt
                                    plaats door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende
                                    functie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:8</nr><titel>Disciplinaire straf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het
                                    loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                    bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet
                                    begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel
                                    8:13 disciplinair ontslag verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:9</nr><titel>Gevolgen niet starten tweede loopbaan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                                    wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het
                                            college zijn verplichtingen uit het loopbaanplan niet
                                            nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het
                                            college en de ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.
                                            Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in
                                            de bezwarende functie door te werken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan
                                    begonnen wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet
                                    medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken,
                                    geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:10</nr><titel>Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de
                                    bezwarende functie door te werken, ontvangt een
                                    overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het
                                    aantal jaren dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam
                                    is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                                    overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                                    overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is
                                    vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12
                                    maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het
                                    salaris.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering
                                    gebracht op de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel
                                    7:3.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze
                                    hoger is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel
                                    7:3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:11</nr><titel>Garantiesalaris en afbouw toelagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de
                                        optelsom van:</al><lijst><li nr="a."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid,
                                                onderdeel b,</al></li><li nr="b."><al>de vakantieuitkering,</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering,</al></li><li nr="d."><al>de functioneringstoelage,</al></li><li nr="e."><al>de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f."><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde
                                                andere toelagen en emolumenten, voor zover die aan
                                                de ambtenaar zijn toegekend, berekend over een
                                                periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan
                                                het begin van de tweede loopbaan. Indien
                                                verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden
                                                heeft geleid tot een wijziging van de feitelijke
                                                uitbetaling van de bezoldiging, werkt die wijziging
                                                door in de oude bezoldiging.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de
                                        tweede loopbaan begint, krijgt een garantietoelage ter
                                        hoogte van het negatieve verschil tussen het oude en het
                                        nieuwe salaris. Het oude salaris wordt niet geïndexeerd met
                                        de generieke salarisverhoging, zoals deze in de
                                        gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></li><li nr="3."><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot
                                        het bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen
                                        en vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met
                                        de garantietoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude
                                        bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke
                                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector
                                        wordt overeengekomen.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de
                                        organisatie van de gemeente de toelagen en vergoedingen
                                        verliest, die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt
                                        een aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een percentage
                                        van het verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en
                                        eventuele toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie
                                        behoren. De afbouwtoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b."><al>het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c."><al>het derde jaar 50%;</al></li><li nr="d."><al>het vierde jaar 25%.</al></li></lijst></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de
                                generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector
                                wordt overeengekomen.</al><lijst><li nr="5."><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                                        bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en
                                        vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de
                                        garantietoelage en de afbouwtoelage de oude bezoldiging
                                        overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met
                                        de generieke salarisverhoging, zoals deze in de
                                        gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de
                                        organisatie van de gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter
                                        hoogte van 175% van het verschil tussen de oude bezoldiging
                                        en het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en
                                        vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                                        toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat
                                        voor de ambtenaar bij indiensttreding bij de nieuwe
                                        werkgever is vastgesteld.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31
                                december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:1</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                    beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke ambulancedienst;
                                    en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het
                                    college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                                    2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft vervuld,
                                    op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                    december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar
                                    of ouder.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de
                                    ambtenaar die</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of
                                    ambulancedienst, of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, dan
                                    wel naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij bij de
                                    overstap tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de
                                    functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende
                                    functie is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd
                                    van 55 jaar of ouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:2</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bezoldiging: de optelsom van</al><lijst><li nr="I."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid,
                                                onderdeel b,</al></li><li nr="II."><al>de vakantieuitkering;</al></li><li nr="III."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="IV."><al>de functioneringstoelage;</al></li><li nr="V."><al>de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="VI."><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde
                                                andere toelagen en emolumenten, voor zover die aan
                                                de ambtenaar zijn toegekend, met uitzondering van de
                                                levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9,
                                                berekend over een periode van 12 maanden
                                                onmiddellijk voorafgaande aan de datum, die
                                                voortvloeit uit de toepassing van artikel 9b:4,
                                                artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel
                                                9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De
                                                bezoldiging wordt, met uitzondering van de
                                                bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25, na
                                                deze datum geïndexeerd met de generieke
                                                salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke
                                                sector wordt overeengekomen. Indien verlofopname
                                                door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid
                                                tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van
                                                de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid,
                                                onderdeel c, werkt die wijziging door in de
                                                bezoldiging.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting
                                        door het frequent draaien van piket of het werken in
                                        roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                        werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans
                                        op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="c."><al>dienstjaren voor brandweerpersoneel: de jaren in dienst van
                                        een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren werkzaam
                                        als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer,
                                        mits dit een functie was, die op dat moment recht gaf op
                                        functioneel leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger
                                        bij de brandweer, mits het om jaren gaat waarin
                                        daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is ingezet en men
                                        niet tegelijkertijd een aanstelling had als
                                        beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren
                                        als vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken
                                        hoeveel jaren hij als vrijwilliger is ingezet;</al></li><li nr="d."><al>dienstjaren voor ambulancepersoneel: de jaren werkzaam bij
                                        een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam bij een
                                        ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een
                                        ambulancedienst in de particuliere sector en de jaren
                                        werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het
                                        stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment
                                        recht gaf op functioneel leeftijdsontslag;</al></li><li nr="e."><al>FPU-uitkering: de uitkering in het kader van de
                                        FPU-regeling;</al></li><li nr="f."><al>niet-bezwarende functie: een functie die niet valt onder de
                                        definitie van onderdeel b;</al></li><li nr="g."><al>tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de
                                        gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in
                                        het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende
                                        functie;</al></li><li nr="h."><al>onbezoldigd volledig verlof: verlof voor de formele
                                        arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                                bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                                moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in
                                december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in
                                aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:3</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006
                                - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor
                                een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:4</nr><titel>Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar
                                    bereikt volledig buitengewoon verlof verleend, tegen
                                    doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende
                                    bezoldiging. Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de
                                    ambtenaar vanaf de datum bedoeld in de eerste volzin in plaats
                                    van het volledig buitengewoon verlof als hiervoor bedoeld, een
                                    keuze maken uit de volgende mogelijkheden:</al><lijst><li nr="a."><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt
                                            wordt een bonus wordt verstrekt van 20% van het voor de
                                            ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande
                                            aan toekenning van de bonus;</al></li><li nr="b."><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken,
                                            tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar
                                            geldende bezoldiging;</al></li><li nr="c."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een
                                            bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar
                                            geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan
                                            toekenning van de bonus. Indien dit voor het behouden
                                            van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever
                                            dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als
                                            alternatief voor onderdeel b: 60% van een volledige
                                            betrekking werken tegen doorbetaling van 95% van de voor
                                            de ambtenaar geldende bezoldiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid
                                    bedoelde datum het college door middel van een verzoek bekend
                                    naar welke variant zijn voorkeur uitgaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum,
                                    bedoeld in het eerste lid Zoveel later in als het college op 31
                                    december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                    december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                    leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder
                                    a en b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie
                                    door te werken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                    inachtneming van het derde lid, de in het eerste lid gestelde
                                    keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met een periode
                                    van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                    geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                    inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes
                                    kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                                    verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor
                                    zover het dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het
                                    moment, bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien
                                    verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel
                                    c, berekend wordt naar rato van de tijd die resteert tot de
                                    datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij geldt als
                                    voorwaarde dat als tweede en eventueel volgende keuze alleen een
                                    optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de
                                    eerdere keuze. Het tweede lid is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari
                                    2011 gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin
                                    van het eerste lid van dit artikel, en direct daaraan
                                    voorafgaand een functie bekleedde waaraan salarisschaal 6 of
                                    lager was verbonden, ontvangt gedurende die periode € 500,-
                                    netto per kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen
                                    volledig kalenderjaar gebruik maakt van de genoemde
                                    mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato. Deze uitkering
                                    wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. Aan
                                    de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een vergoeding
                                    heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het totaalbedrag,
                                    waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald dat hoger
                                    is dan de reeds ontvangen vergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:5</nr><titel>Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste
                                volzin en onder onderdeel a en b, bouwt de ambtenaar pensioen op
                                over de volledige bezoldiging, met dien verstande dat over de bonus,
                                bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a, geen pensioen
                                wordt opgebouwd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:6</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                                vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                                werkt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:7</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste
                                volzin en onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                                respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:8</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2006)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:9</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                    9b:4</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig
                                buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de
                                voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening
                                van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:10</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                    9b:4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:4, eerste volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat
                                    genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:4 van
                                    toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de
                                    bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                                    gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde
                                    bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven
                                    gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:4 van
                                    toepassing is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:4.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:11</nr><titel>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                                    met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                    gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan
                                    wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a
                                    of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                                    waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig
                                    verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                    bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                    artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                    bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is
                                    ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                    wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                                    op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59
                                    of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                                    telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat
                                    de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                    bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes Kalendermaanden voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:12</nr><titel>Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                    volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds
                                    bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU reglement basis-
                                    en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds
                                    bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU reglement basis-
                                    en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:13</nr><titel>vervallen per 1 juli 2013</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:14</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:15</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2006)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:16</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2006)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:17</nr><titel>Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:18</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:11, telt niet mee voor de berekening van de
                                ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:19</nr><titel>Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                                    50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                    meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                    jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4, respectievelijk artikel
                                    8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum
                                    van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat,
                                    artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:18 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55
                                    jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                    vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door
                                    deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste
                                    lid, vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is,
                                    verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische
                                    geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de
                                    bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt
                                    naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:11, eerste lid. Op hem blijft artikel 9b:11 van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:20</nr><titel>Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                                    ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie
                                    van de gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een
                                    garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de
                                    oude bezoldiging en het nieuwe totaalinkomen van de ambtenaar.
                                    Tot het totaalinkomen wordt de nieuwe bezoldiging gerekend,
                                    alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in verband met zijn
                                    arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief
                                    herplaatst wordt in een functie met een lager totaalinkomen
                                    buiten de organisatie van de gemeente, maken het college en de
                                    ambtenaar afspraken over een financiële regeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:21</nr><titel>Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is
                                de levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:22</nr><titel>Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                    daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53
                                    jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57%
                                    van het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor,
                                    die behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het
                                    geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                                    dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de
                                    indexatie per betreffend dienstjaar zoals door ABP is
                                    vastgesteld. Indien het loon uit enig dienstjaar bij ABP niet
                                    bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in
                                    ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter
                                    beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                    uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van
                                    het tweede lid, het in het eerste lid genoemde bedrag in ABP
                                    Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                    leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                    leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                                    wordt berekend tot het moment van uittreden. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                    het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                    de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een
                                    indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college
                                    bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment voor
                                    deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:22a</nr><titel>Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                                    1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                    bezwarende functie</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                        afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële
                                        tarieven.</al></li><li nr="2"><al>De leeftijdsafhankelijke factor bedraagt</al></li></lijst><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colwidth="12*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colwidth="2*"/><colspec colname="col4" colwidth="10*"/><colspec colname="col5" colwidth="18*"/><colspec colname="col6" colwidth="2*"/><colspec colname="col7" colwidth="12*"/><colspec colname="col8" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col2"><al>factor</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col5"><al>factor</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col8"><al>factor</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,278</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>0,432</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>48</al></entry><entry colname="col8"><al>0,674</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>34</al></entry><entry colname="col5"><al>0,445</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>49</al></entry><entry colname="col8"><al>0,694</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,459</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>50</al></entry><entry colname="col8"><al>0,715</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>36</al></entry><entry colname="col5"><al>0,473</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>51</al></entry><entry colname="col8"><al>0,736</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>37</al></entry><entry colname="col5"><al>0,487</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>52</al></entry><entry colname="col8"><al>0,758</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,322</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>38</al></entry><entry colname="col5"><al>0,501</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>53</al></entry><entry colname="col8"><al>0,781</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>39</al></entry><entry colname="col5"><al>0,516</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>54</al></entry><entry colname="col8"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,532</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>55</al></entry><entry colname="col8"><al>0,829</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,352</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>41</al></entry><entry colname="col5"><al>0,548</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>56</al></entry><entry colname="col8"><al>0,853</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>42</al></entry><entry colname="col5"><al>0,564</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>57</al></entry><entry colname="col8"><al>0,879</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>43</al></entry><entry colname="col5"><al>0,581</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>58</al></entry><entry colname="col8"><al>0,905</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>44</al></entry><entry colname="col5"><al>0,599</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>59</al></entry><entry colname="col8"><al>0,933</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,396</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>45</al></entry><entry colname="col5"><al>0,617</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry><entry colname="col8"><al>0,961</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,408</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>46</al></entry><entry colname="col5"><al>0,635</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>61</al></entry><entry colname="col8"><al>0,989</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,420</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>47</al></entry><entry colname="col5"><al>0,654</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al> 62</al></entry><entry colname="col8"><al> 1,019</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd,
                                stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren
                                vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:22b</nr><titel>Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de
                                ambtenaar</al><lijst><li nr="·"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen
                                        en</al></li><li nr="·"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                        blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                                uittreden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in een
                                bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                                moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in
                                december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in
                                aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:23</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006
                                - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor
                                een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:24</nr><titel>Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                                    loopbaan gestart wordt</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder
                                    toepassing van artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam
                                    tot het moment, bedoeld in artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de
                                    ambtenaar in het kader van het loopbaanplan hierover andere
                                    afspraken maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:25</nr><titel>Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de
                                    maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a
                                    van toepassing, met inachtneming van de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede
                                    loopbaan eerst gezocht wordt naar een functie binnen de
                                    organisatie van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een
                                    procedure voor erkenning verworven competenties zijn
                                    competenties laten erkennen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede
                                    loopbaan heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de kosten,
                                    voor zover redelijk, van een extern loopbaanadvies.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere
                                    functie aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente,
                                    ontvangt, in afwijking van artikel 9a:11, eerste tot en met
                                    zevende lid, een garantietoelage ter hoogte van het negatieve
                                    verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe
                                    bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college en de ambtenaar maken in het kader van het
                                    loopbaanplan afspraken over een financiële regeling wanneer de
                                    ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan buiten de
                                    organisatie van de gemeente een functie aanvaardt met een lager
                                    totaalinkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:26</nr><titel>Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                    januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand
                                    volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt
                                    50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken tegen
                                    doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                    bezoldiging. Indien dit voor het behouden van
                                    vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan
                                    aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief 60% van
                                    een volledige betrekking werken tegen doorbetaling van 95% van
                                    de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                                    bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31
                                    december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                    december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                    leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld
                                    in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken.
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                    bedoeld in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te
                                    werken, wordt ziek gemeld. Op hem is artikel 9b:43, eerste lid,
                                    van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                    inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde
                                    moment later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar.
                                    Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om
                                    door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                    inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes
                                    kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                                    verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:27a</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de
                                artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6
                                en artikel 6:3 niet van toepassing</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:28</nr><titel>Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de
                                    ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                    januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren
                                    heeft, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                                    maand waarin hij een bepaalde leeftijd bereikt, volledig
                                    buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van een bepaald
                                    percentage van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. De
                                    leeftijd en het percentage zijn afhankelijk van het aantal
                                    dienstjaren op 1 januari 2006. De leeftijd waaraan de
                                    ingangsdatum van het volledig buitengewoon verlof is gekoppeld,
                                    en het percentage dat vanaf dat moment wordt betaald zijn bij
                                    een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a."><al>5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75%</al></li><li nr="b."><al>10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78%</al></li><li nr="c."><al>15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                                    bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31
                                    december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                    december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                    leeftijdgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                    ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:29</nr><titel>Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar
                                pensioen op over de volledige bezoldiging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:30</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                    9b:28</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig
                                buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of
                                80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de
                                berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:31</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                    9b:28</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28,
                                vindt opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren
                                dat de ambtenaar werkt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:32</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2006)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:33</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2006)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:34</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                    artikel 9b:28</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:26 en artikel 9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of
                                    in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang
                                    van of na de datum waarop artikel 9b:26 van toepassing is
                                    geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een
                                    vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het
                                    bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging
                                    samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:26 van
                                    toepassing is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:26.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:35</nr><titel>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                                    met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                                    bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                                    de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt
                                    onbezoldigd volledig verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van
                                    60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op
                                    grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                    voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                                    van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                    ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor
                                    wie het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                    zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie
                                    een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het
                                    onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een
                                    jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is
                                    om door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:36</nr><titel>Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                    volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds
                                    bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPUreglement basis-
                                    en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds
                                    bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPUreglement basis-
                                    en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:37</nr><titel>Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig verlof
                                    (vervallen met ingang van 1 juli 2013)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:38</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:39</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2006)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:40</nr><titel>(vervallen met ingang van 1 juli 2006)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:41</nr><titel>Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:42</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:35, telt niet mee voor de berekening van de
                                ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:43</nr><titel>Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de
                                    ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                    januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                    bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie
                                    door te werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                    jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4, respectievelijk artikel
                                    8:5 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de
                                    datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:44</nr><titel>Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                                    1 januari 2006</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is
                                de levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:45</nr><titel>Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                                    1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                    daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende
                                    dienstjaren heeft op het moment van storting, op de leeftijd van
                                    53 jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van
                                    57% van het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke
                                    factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het
                                    geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                                    dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de
                                    indexatie per betreffend dienstjaar zoals door ABP is
                                    vastgesteld. Indien het loon uit enig dienstjaar bij ABP niet
                                    bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20
                                    dienstjaren heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het
                                    eerste lid gedeeld door 20 en vermenigvuldigd met het aantal
                                    dienstjaren dat de ambtenaar heeft op de leeftijd van 53 jaar.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de
                                    bezwarende functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd
                                    van 59 jaar of tot een moment hiervoor, wanneer eerder 20
                                    dienstjaren bereikt zijn, een bedrag in ABP Extra Pensioen
                                    gestort ter hoogte van het inkomen in dat jaar x de
                                    deeltijdfactor in dat jaar x 2,85% maal de leeftijdsafhankelijke
                                    factor, die hoort bij de leeftijd op het moment van het recht op
                                    uitbetaling. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een
                                    functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd
                                    van 60 jaar was verbonden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in
                                    ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar
                                    overgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                    uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van
                                    het vierde lid, het in het eerste lid genoemde of, indien van
                                    toepassing, het in het tweede lid genoemde bedrag in ABP Extra
                                    Pensioen, gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                    leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                    leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                                    wordt berekend tot het moment van uittreden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                    het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                    de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken,
                                    als bedoeld in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal
                                    dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaren na 59 jaar.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal
                                    dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaar na 59 jaar. De
                                    leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft
                                    waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was
                                    verbonden.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een
                                    indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college
                                    bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment voor
                                    deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:45a</nr><titel>Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder dan
                                    20 dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke
                                        factor is afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële
                                        tarieven.</al></li><li nr="2"><al>De leeftijdsafhankelijke factor bedraagt</al></li></lijst><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="2*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="18*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="2*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="11*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>factor</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>factor</vet></al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>factor</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,278</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>0,432</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>48</al></entry><entry colname="col8"><al>0,674</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>34</al></entry><entry colname="col5"><al>0,445</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>49</al></entry><entry colname="col8"><al>0,694</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,459</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>50</al></entry><entry colname="col8"><al>0,715</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>36</al></entry><entry colname="col5"><al>0,473</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>51</al></entry><entry colname="col8"><al>0,736</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>37</al></entry><entry colname="col5"><al>0,487</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>52</al></entry><entry colname="col8"><al>0,758</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,322</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>38</al></entry><entry colname="col5"><al>0,501</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>53</al></entry><entry colname="col8"><al>0,781</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>39</al></entry><entry colname="col5"><al>0,516</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>54</al></entry><entry colname="col8"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,532</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>55</al></entry><entry colname="col8"><al>0,829</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,352</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>41</al></entry><entry colname="col5"><al>0,548</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>56</al></entry><entry colname="col8"><al>0,853</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>42</al></entry><entry colname="col5"><al>0,564</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>57</al></entry><entry colname="col8"><al>0,879</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>43</al></entry><entry colname="col5"><al>0,581</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>58</al></entry><entry colname="col8"><al>0,905</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>44</al></entry><entry colname="col5"><al>0,599</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>59</al></entry><entry colname="col8"><al>0,933</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,396</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>45</al></entry><entry colname="col5"><al>0,617</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry><entry colname="col8"><al>0,961</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,408</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>46</al></entry><entry colname="col5"><al>0,635</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>61</al></entry><entry colname="col8"><al>0,989</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,420</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>47</al></entry><entry colname="col5"><al>0,654</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al> 62</al></entry><entry colname="col8"><al> 1,019</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd,
                                stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren
                                vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:45b</nr><titel>Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de
                                ambtenaar</al><lijst><li nr="·"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen
                                        en</al></li><li nr="·"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                        blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                                uittreden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>De ambtenaar in een bezwarende functie geboren voor 1950</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:46</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een bezwarende
                                functie, die geboren is voor 1950.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:47</nr><titel>Aanvulling op FPU-uitkering voor de ambtenaar geboren voor
                                    1950 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar wordt onder de voorwaarde dat hij een FPU-uitkering
                                    aanvraagt en ontvangt, vanaf de eerste dag van de maand volgend
                                    op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt, volledig
                                    ontslag verleend op grond van artikel 8:11.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De datum van ontslag, bedoeld in het eerste lid, gaat zoveel
                                    later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                                    artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                    bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan
                                    55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                    inachtneming van het tweede lid, verzoeken om de datum van
                                    ontslag, bedoeld in het eerste lid, later laten ingaan, telkens
                                    met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                                    ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De FPU-uitkering van de ambtenaar wordt tot de leeftijd van 60
                                    jaar aangevuld tot 80% van de bezoldiging. Daarna wordt de
                                    FPU-uitkering aangevuld tot 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij toepassing van het derde lid wordt de aanvulling bedoeld in
                                    het vierde lid actuarieel neutraal verhoogd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:47a</nr><titel>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van
                                    62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van
                                    het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de
                                    pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig
                                    voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                                    pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per
                                    1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de
                                    werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen
                                    ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening
                                    blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige
                                    aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de
                                    helft plaats vindt, komen ten allen tijde volledig ten laste van
                                    de gewezen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn
                                    ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd
                                            van 62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis
                                            van artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                                            weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft
                                            pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra
                                            kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold
                                            voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62
                                            jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van
                                            artikel 9b:47 lid 1;</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                            gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de
                                            mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement
                                            bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de
                                            Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek
                                            bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door
                                            de werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanschrijving bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie
                                    maanden voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar
                                    bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:48</nr><titel>Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                                    9b:47</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten
                                    uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met
                                    ingang van of na de datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:47,
                                    wordt op uitkering, bedoeld in artikel 9b:47, vierde lid, een
                                    vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het
                                    bedrag waarmede de inkomsten en uitkering de laatstelijk genoten
                                    bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:49</nr><titel>Ambtenaar, geboren voor 1950 in een bezwarende functie, die
                                    niet voldoet aan voorwaarden voor FPU</titel></kop><al>Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een
                                FPU-uitkering:</al><al>a zijn de artikelen 9b:3 tot en met 9b:22 van overeenkomstige
                                toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer
                                had;</al><al>b zijn de artikelen 9b:23 tot en met 9b:45 van overeenkomstige
                                toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 minder dan 20
                                dienstjaren had.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>De ambtenaar in een niet bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:50</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet
                                bezwarende functie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:51</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                                    januari 2006, in een niet bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20
                                    dienstjaren of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet
                                    bezwarende functie bekleed heeft, waarvoor door het college
                                    krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                    leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een levensloopbijdrage van 2% van
                                    het voor ambtenaar geldende jaarsalaris over het jaar dat de
                                    functie werd bekleed.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die
                                    direct voorafgaan aan 1 januari 2006.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                    inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:52</nr><titel>De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat en onder de voorwaarde
                                    dat de ambtenaar een FPU-uitkering aanvraagt en ontvangt, maakt
                                    de ambtenaar een keuze uit de volgende mogelijkheden:</al><lijst><li nr="a."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:11, ingaande op
                                            de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de
                                            ambtenaar 60 jaar en drie maanden is geworden;</al></li><li nr="b."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:11 op een latere
                                            datum dan bedoeld onder a. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder
                                    b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te
                                    werken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De FPU-uitkering van de ambtenaar die gekozen heeft voor
                                    volledig ontslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt
                                    tot de leeftijd van 62 jaar aangevuld tot 80% van de
                                    bezoldiging. Daarna wordt de FPU-uitkering aangevuld tot 70% van
                                    de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig ontslag, bedoeld
                                    in het eerste lid, onderdeel b, is hoofdstuk 5a van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een
                                    FPU-uitkering is artikel 9b:51 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:52a</nr><titel>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de gewezen ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de
                                    mogelijkheid van artikel 9b:52 lid 1 onder a, bij het bereiken
                                    van de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid
                                    die artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige
                                    voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten van deze
                                    vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                                    pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per
                                    1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de
                                    werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen
                                    ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening
                                    blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige
                                    aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de
                                    helft plaats vindt, komen ten allen tijde volledig ten laste van
                                    de gewezen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn
                                    ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijk om ook na het bereiken van de leeftijd van
                                            62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van
                                            artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                                            weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft
                                            pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra
                                            kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold
                                            voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62
                                            jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van
                                            artikel 9b:47 lid 1;</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de
                                            gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de
                                            mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement
                                            bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de
                                            Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek
                                            bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door
                                            de werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanschrijving als bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie
                                    maanden voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar
                                    bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:53</nr><titel>Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                                    9b:52</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten
                                    uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met
                                    ingang van of na de datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:52,
                                    wordt op uitkering, bedoeld in artikel 9b:52, derde en vierde
                                    lid, een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan
                                    het bedrag waarmede de inkomsten en uitkering de laatstelijk
                                    genoten bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                                bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                                moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in
                                december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking
                                kwam voor een WIA/WAO uitkering en die geen werkgeversbijdragen
                                levensloop heeft ontvangen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:54</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006
                                – als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een
                                WIA/WAO-uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:55</nr><titel>Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20, artikel
                                9b:22, artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:56</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                    gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan
                                    wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a
                                    of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                                    waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon
                                    verlof verleend voor een periode van 3 jaar, tegen doorbetaling
                                    van 70% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                    bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                    artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                    bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan.
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                    wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                                    op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59
                                    of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                                    telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat
                                    de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                    bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                    aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de
                                    ambtenaar bij uittreden recht op volledig buitengewoon verlof
                                    als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                    FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als
                                    bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht
                                    voortgezet wordt, dan is het zesde lid niet van toepassing en
                                    behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en
                                    met vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:57</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen 3:3
                                en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3
                                niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:58</nr><titel>Premie IZA-verzekering tijdens periode van artikel 9b:56
                                    (vervallen met ingang van 1 juli 2013)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:59</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                    9b:56</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig
                                buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de
                                voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening
                                van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:60</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                    9b:56</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:56, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                                    arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                                    datum waarop artikel 9b:56 van kracht is geworden, wordt op de
                                    doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                    vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en
                                    de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                                    bezoldiging te boven gaan. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:56 van
                                    kracht is geworden. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:56. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:61</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld
                                in artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:62</nr><titel>Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het
                                volledig buitengewoon verlof.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:63</nr><titel>Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                                    50 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                    jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel
                                    8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum
                                    van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat,
                                    artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot
                                    en met 9b:62 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55
                                    jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                    vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door
                                    deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste
                                    lid, vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is,
                                    verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische
                                    geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de
                                    bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt
                                    naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:56, eerste lid. Op hem blijft artikel 9b:56 van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:64</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie
                                bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft
                                deze paragraaf van toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in een
                                bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                                moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in
                                december 2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die
                                geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:65</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006
                                - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:66</nr><titel>Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel
                                9b:45a en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:67</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                                    de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt
                                    volledig buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3
                                    jaar tegen doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20
                                    dienstjaren zijn bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig
                                    verlof als bedoeld in het eerste lid verleend naar rato van het
                                    aantal dienstjaren, dat op dat moment is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van
                                    60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op
                                    grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                    voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                                    van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.
                                </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor
                                    wie het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                    zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie
                                    een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het
                                    onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een
                                    jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is
                                    om door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                    aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de
                                    ambtenaar bij uittreden recht op buitengewoon verlof als bedoeld
                                    in het eerste lid naar rato van aantal dienstjaren op dat moment
                                    met een maximum van 20 dienstjaren.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                    FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als
                                    bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht
                                    voortgezet wordt, dan is het zevende lid niet van toepassing en
                                    behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en
                                    met zesde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:68</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3
                                en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3
                                niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:69</nr><titel>Premie IZA-verzekering tijdens de periode van artikel 9b:67
                                    (vervallen met ingang van 1 juli 2013)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:70</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                    9b:67</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk
                                bezoldigd volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70%
                                van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de
                                berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:71</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                    9b:67</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:67 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                                    arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                                    datum waarop artikel 9b:67 van kracht is geworden, wordt op de
                                    doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                    vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en
                                    de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                                    bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:67 van
                                    kracht is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>van andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van
                                    artikel 9b:67.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:72</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren
                                plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:73</nr><titel>Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het
                                gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:74</nr><titel>Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                    bedoeld in artikel 9b:26, eerstevlid, in zijn bezwarende functie
                                    door te werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:28. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van
                                    50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4
                                    respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                    voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had
                                    vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de
                                    datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede
                                    9b:67 tot en met 9b:73 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:75</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie
                                bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft
                                deze paragraaf van toepassing.</al><al>Hoofdstuk 9e De gemeentelijke levensloopregeling
                                flo-overgangsrecht</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:1</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2
                                of 3 van hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:2</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht: een
                                            regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de
                                            loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b."><al>instelling: een door de ambtenaar gekozen
                                            kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel
                                            19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c."><al>levenslooprekening: een bij de instelling door de
                                            ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de
                                            inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al>levensloopverzekering: een bij de instelling door de
                                            ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                            ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al>levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening
                                            onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal;</al></li><li nr="f."><al>netto spaarverzekering: de bij Loyalis Levensloop
                                            Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als
                                            productnaam “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van
                                            de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="g."><al>netto spaarverzekeringstegoed: het tegoed op de netto
                                            spaarverzekering;</al></li><li nr="h."><al>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance: het
                                            product van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het
                                            FLO-overgangsrecht, dat bestaat uit een
                                            levensloopverzekering en een netto
                                            spaarverzekering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                    en,</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om in
                                    te leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het
                                    moment dat de werkgever deze levensloopbijdrage verstrekt
                                    en,</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige
                                    leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                    Ambulance.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:3</nr><titel>Doel</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                                voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van
                                een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar.
                                De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:4</nr><titel>Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke
                                    levensloopregeling FLO-overgangsrecht meldt dit bij het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de
                                    derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan
                                    de eisen zoals genoemd in artikel 9e:5.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:5</nr><titel>Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de
                                    instelling waarbij de levenslooprekening of de
                                    levensloopverzekering wordt aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                    levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                    inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                    ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt
                                    inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan
                                    het college informatie verstrekt over de omvang van het
                                    levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed
                                    geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere
                                    inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking
                                    staat. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                    gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                    FLO-overgangsrecht niet deelneemt aan een spaarloonregeling als
                                    bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:6</nr><titel>Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                    gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste
                                    bedrag van de inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                    aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7
                                    genoemde bronnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:7</nr><titel>Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de
                                gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een
                                of meer van de volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a"><al>het salaris</al></li><li nr="b"><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c"><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d"><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en
                                        9e:9;</al></li><li nr="e"><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren
                                        als bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f"><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid
                                        3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:8</nr><titel>Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of
                                    meer op 1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing
                                    is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57,
                                    58 of 59 jaar zodanig, dat de ambtenaar bij het bereiken van de
                                    datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                    artikel 9b:11, eerste lid, een tegoed heeft overeenkomend met
                                    210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij
                                    is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto
                                    spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen
                                    een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                    onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar
                                    zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van
                                    het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                                    tweede lid, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                                    de som van het levenslooptegoed en het netto
                                    spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen
                                    een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                    onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie
                                    van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                    volgt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                    inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 9b:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:9</nr><titel>Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing
                                    is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57,
                                    58 of 59 jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum,
                                    bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid, en uitgaande van het
                                    bereiken van 20 dienstjaren of meer op dat moment, een tegoed
                                    heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                                    artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het
                                    levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De
                                    controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het
                                    bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig
                                    verlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar
                                    zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van
                                    het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                                    tweede lid, en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of
                                    meer, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                                    de som van het levenslooptegoed en het netto
                                    spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen
                                    een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                    onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal
                                    jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd
                                    van 59 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal
                                    jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd
                                    van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie
                                    van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                    volgt.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd
                                    nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet de
                                    levensloopbijdrage in een tegoed naar rato van het aantal
                                    dienstjaren, dat op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige
                                    leeftijd is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                    inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 9b:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:10</nr><titel>Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                                    FLO-overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                    uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe
                                    door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving
                                    moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                    FLO-overgangsrecht eindigt daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:11</nr><titel>Afkoop levensloopbijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9,
                                        tweede lid, wiens deelname aan de levensloopregeling
                                        FLO-overgangsrecht eindigt op grond van artikel 9e:10,
                                        tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van
                                        onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel
                                        9b:11, eerste lid, of 9b:35, eerste lid, heeft recht op een
                                        afkoopbedrag.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9,
                                        derde lid, wiens deelname aan de levensloopregeling
                                        FLO-overgangsrecht eindigt op grond van artikel 9e:10,
                                        tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van
                                        onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel
                                        9b:11, tweede lid, of 9b:35, tweede lid, heeft recht op een
                                        afkoopbedrag.</al></li><li nr="3"><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld
                                        in het eerste lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het
                                        LOGA overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 59
                                        jaar een tegoed heeft overeenkomend met 210% van de
                                        bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                                        de som van het levenslooptegoed en het netto
                                        spaarverzekeringstegoed.</al></li><li nr="4"><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld
                                        in het tweede lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het
                                        LOGA overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 60
                                        jaar een tegoed heeft overeenkomend met 140% van de
                                        bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                                        de som van het levenslooptegoed en het netto
                                        spaarverzekeringstegoed.</al></li><li nr="5"><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren
                                        zijn bereikt, voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in
                                        het LOGA overeengekomen uitgangspunten, in een tegoed op 59-
                                        of 60-jarige leeftijd naar rato van het aantal dienstjaren
                                        op het moment van ontslag.</al></li><li nr="6"><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald,
                                        waarbij:</al></li></lijst><al>a het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag
                                voorafgaand aan het moment van ontslag; </al><al>b er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                waardeberekening wordt gehanteerd;</al><al>c het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond op hele
                                maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.</al><lijst><li nr="7"><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend
                                        inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het
                                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li><li nr="8"><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                        artikel 3:1.</al></li><li nr="9"><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                        artikel 9b:2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:11a</nr><titel>Levensloopbijdrage bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                                ambtenaar </al><lijst><li nr="·"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen
                                        en</al></li><li nr="·"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                        blijft, geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college
                                        beslist tot afkoop. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:12</nr><titel>Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</titel></kop><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld
                                in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet
                                wordt, is de voorwaarde voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en
                                9e:9 dat de ambtenaar het afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11
                                beschikbaar stelt voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:13</nr><titel>Opname levenslooptegoed</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:</al></li><li nr="a."><al>a ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens
                                        een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van
                                        de Wet arbeid en zorg, hoofdstuk 6 of de periode van
                                        onbetaald volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en
                                        9b:35;</al></li><li nr="b."><al>b ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in
                                        een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het
                                        Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor
                                        zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964
                                        niet worden overschreden.</al></li><li nr="2"><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de
                                        ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste
                                        ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een
                                        deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe
                                        de melding moet plaatsvinden.</al></li><li nr="3"><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden
                                        afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.
                                    </al></li><li nr="4"><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het
                                        levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan
                                        wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld
                                        anders dan ten behoeve van de in artikel 61k
                                        Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding
                                        ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse
                                        aanbieders. </al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 10 WACHTGELD </vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:1</nr><titel>Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel
                                    8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een
                                    betrekking:</al><lijst><li nr="i."><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="ii."><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die
                                            aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet
                                            is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke
                                            aard;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel
                                    8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is
                                    gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid,
                                    respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar,
                                    bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat
                                    het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze
                                    regeling ontslag te verlenen, hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:2</nr><titel>Lichamen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen':</al><al>Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:3</nr><titel>Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                                    in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                    overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in
                                    de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of
                                    door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet,
                                    voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag,
                                    bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op
                                    grond van de Regeling beperking van het zijn van
                                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                                    1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                    regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                    buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor
                                            de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                            lid;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                            overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8,
                                            derde tot en met vijfde lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikel 5.4 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met
                                            ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                    wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen
                                    anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                    vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met
                                    ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
                                    waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:4</nr><titel>Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                    publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding
                                    waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam
                                    werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                    Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:5</nr><titel>Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze
                                    regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de
                                    betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage,
                                    bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                                    eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                    wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                    wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag
                                    van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                    wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op
                                    die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van
                                    de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde
                                    bedrag als bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                    voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan
                                    zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan
                                    de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:6</nr><titel>Recht op wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht
                                    op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat,
                                    tenzij de betrokkene:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het
                                    bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar
                                    een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld
                                    in Hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid sub b, heeft recht op
                                    wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80%. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van
                                    het wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                    waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager
                                    percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het
                                    vierde lid tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval
                                    vermeerderd met een invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een
                                    mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in
                                    aanmerking wordt genomen.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                    ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, sub c, heeft na afloop
                                    van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5 sub a, recht op
                                    wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten van het
                                    eerste lid sub c, op grond van het ontslag uit de betrekking
                                    waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou hebben op
                                    wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge
                                    artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op de eerste
                                    dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel
                                    11a:5, sub a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop
                                    het wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is
                                    ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het
                                    buiten toepassing laten van het eerste lid sub c, zou zijn
                                    geëindigd. Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 10:10 van
                                    toepassing in die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip
                                    waarop het ontslag is ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:6:1</nr><titel>Recht op wachtgeld na privatisering</titel></kop><al>Ingeval sprake is van een ontslag in het kader van een
                                privatiseringsoperatie heeft betrokkene recht op een wachtgeld
                                overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 11b.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:7</nr><titel>Duur van het wachtgeld</titel></kop><al>1 De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
                                waarop het ontslag ingaat.</al><al>2 Indien de betrokkene:</al><al> a in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in
                                artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam is geweest of</al><al> b onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al><al> wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="80*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>3 maanden</al><al>0,5 jaar</al><al>1 jaar</al><al>1,5 jaar</al><al>2 jaar</al><al>2,5 jaar</al><al>3,5 jaar</al><al>4,5 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                                  jaar.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3 Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van:</al><al> a perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al><al> b de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en
                                de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al><al>4 Perioden, waarin een betrokkene:</al><al> a recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
                                de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al><al> b ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het
                                Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al><al> c een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van
                                dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al><al> d na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt
                                op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel
                                29, tweede lid, van die wet;</al><al> e een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt
                                met een uitkering bedoeld onder a of d;</al><al> worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
                                gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking
                                genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande
                                aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.</al><al>5 Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor
                                de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan
                                het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><al> a beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon
                                in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest
                                of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid
                                volledig, en</al><al> b vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al><al>6 Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><al> a de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid, of</al><al> b de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakantie.</al><al>7 Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                aangewezen.</al><al> Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het college
                                bevoegd een van hen die naar het oordeel van het college als
                                verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                                wijzen.</al><al>8 Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><al> a een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al><al> b een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                onderhouden en opgevoed.</al><al>9 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
                                de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:8</nr></kop><al>1 In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                                langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
                                bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de
                                duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende
                                leden.</al><al>2 De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                                vermeerderd voor de betrokkene:</al><al> a die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al><al> b die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5%
                                van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%;</al><al> c die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur
                                gelijk aan 78% van de diensttijd.</al><al>3 Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                                voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld,
                                waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid
                                van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                                krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de
                                berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid
                                mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening
                                van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende
                                duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in
                                het volgende lid, in mindering gebracht.</al><al>4 In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die
                                ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de
                                som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60
                                jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld
                                is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere
                                verlenging duurt tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt. </al><al>5 De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in
                                het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
                                vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
                                betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
                                blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                                verlenging, buiten aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:9</nr><titel>Vervolgwachtgeld</titel></kop><al>1 De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                                artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat
                                wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld.</al><al>2 De betrokkene die</al><al> a het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste
                                lid, heeft bereikt en</al><al> b voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                                sub a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht
                                heeft op verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een
                                vervolgwachtgeld.</al><al>3 Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                                vervolgwachtgeld een jaar.</al><al>4 De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag
                                van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar.</al><al>5 De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede
                                lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan
                                de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, sub a of b,
                                heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
                                toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum.</al><al>6 De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
                                is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                                artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, sub a of b, heeft
                                aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende
                                wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
                                jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer
                                dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum.</al><al>7 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
                                wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het
                                vervolgwachtgeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:10</nr><titel>Bedrag van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden
                                    gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende
                                    negen maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die
                                    bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984
                                    (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige
                                    volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van het
                                    wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen
                                    waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij uit de
                                    betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, op
                                    de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar de
                                    diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                                    berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
                                    pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
                                    tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid,
                                    gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige
                                    lid, met dien verstande dat gedurende het eerste jaar van die
                                    verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de
                                    bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:11</nr><titel>Bedrag van het vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het
                                    minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                    bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantietoeslag, of, indien het een betrokkene jonger dan
                                    23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                                    genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                    vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:12</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem
                                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot
                                    het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke
                                    gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                    woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                    werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het
                                    recht op wachtgeld ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                    houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                    houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                    heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                    werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                    arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar
                                    het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                                    arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                    omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                    groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                    hebben bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is
                                    voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem
                                    door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval
                                    worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking
                                    of andere bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                                    vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem
                                    ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend,
                                    dan wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht
                                    er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het
                                    college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van
                                    deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:13</nr><titel>Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                    verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                    terstond mededeling te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                                    de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien betrokkene door het LISV schriftelijk in kennis is
                                    gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor
                                    een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens
                                    de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en
                                    alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het
                                    verkrijgen van deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                    door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                    vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                    kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de
                                    toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn
                                    genoten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:14</nr><titel>Verhuiskosten</titel></kop><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij
                                elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een
                                op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding
                                in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden
                                toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:15</nr><titel>Vermindering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                    arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                    waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                    mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                    wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag
                                    waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                                    gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld
                                    vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                    bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het
                                    wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid,
                                    niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend
                                    en die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    betrekking wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking
                                    die hij gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd
                                    bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het
                                    pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid
                                    als volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen met ingang
                                    van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond - uit de
                                    betrekking die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld,
                                    worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of
                                    geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het
                                    gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op
                                    zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt
                                    verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
                                    niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                    de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met
                                    inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de
                                    oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
                                    vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                                    resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                                    uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                                    overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    wachtgeld is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien
                                    van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste
                                    lid van overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde
                                    vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of
                                    hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen
                                    of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet
                                    het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere
                                    oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet
                                    verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:16</nr><titel>Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                                    op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem
                                    schriftelijke mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag
                                    te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een
                                    door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor
                                    zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid
                                    of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende
                                    wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                                    het verschijnen van de eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                                    de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen
                                    van elke wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter
                                    hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige
                                    opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het
                                    bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten
                                    over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter
                                    niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                    dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering
                                    voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het
                                    einde van evenbedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                                    een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                    daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:17</nr><titel>Verlenging</titel></kop><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij
                                het recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het
                                wachtgeld komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige
                                betrekking gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is
                                verleend, wordt de duur van die betrekking aan de op grond van de
                                artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld
                                toegevoegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:18</nr><titel>Opschorting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten
                                    bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in
                                    verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt
                                    de uitvoering of verdere uitvoering van dit hoofdstuk opgeschort
                                    tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak
                                    bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                    dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                    uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat
                                    in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van
                                    diens militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:19</nr><titel>Samenloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                                    hij met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                    WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                    invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                    van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld,
                                    toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                                    genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij
                                    een arbeidsongeschiktheid van 65% tot 80%: 80%; 55% tot 65%:
                                    60%; 45% tot 55%: 50%; 35% tot 45%: 40%; 25% tot 35%: 30%; 15%
                                    tot 25%: 20%; minder dan 15%: 0%. De som van de in de eerste
                                    volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd
                                    met een invaliditeitspensioen, en het verminderde wachtgeld
                                    bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat
                                    wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval
                                    van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het
                                    wachtgeld in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid
                                    van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                    door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                    vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering
                                    wordt geweigerd en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit
                                    artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, wordt
                                    gedurende de termijn waarover die aanspraken bestaan, het
                                    wachtgeld slechts uitbetaald voorzover het evenbedoelde
                                    uitkeringen te boven gaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:20</nr><titel>Betaling</titel></kop><al>1 Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld
                                werd genoten.</al><al>2 Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                                wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:21</nr><titel>Afkoop</titel></kop><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene
                                een regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of
                                ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:22</nr><titel>Verval van wachtgeld</titel></kop><al>1 Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><al> a indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16, eerste
                                en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet;</al><al> b indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede,
                                derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem
                                hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;</al><al> c indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in
                                het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven;</al><al> d indien de betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn gesteld;</al><al> e indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou
                                zijn verleend als hij in dienst was gebleven;</al><al> f indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo
                                deze eerder bekend waren aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen.</al><al>2 Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
                                eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
                                waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten,
                                de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10;12, zesde lid, aan
                                wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld
                                wordt toegekend.</al><al>4Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens
                                het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is
                                dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers
                                of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het
                                oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige
                                functionering van de openbare dienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:23</nr></kop><al>1 Het recht op wachtgeld vervalt:</al><al> a met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt;</al><al> b op de dag na het overlijden van de betrokkene;</al><al> c op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde
                                lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al><al> d op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau
                                dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt
                                gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie
                                dan wel die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk,
                                dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk
                                werk te aanvaarden.</al><al>2 Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit
                                wachtgeld de duur, voorzover deze wordt berekend aan de hand van
                                artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:24</nr><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan
                                de nagelaten echtgenoot een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de
                                bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie
                                maanden. Laat de overledene geen echtgenoot na dan geschiedt de
                                uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke
                                kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige
                                kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers,
                                zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner
                                was.</al><al>2 Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van
                                een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op
                                het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel
                                10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde
                                wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is de som van beide
                                uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde
                                wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar
                                het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al><al>3 Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van
                                de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al><al>4 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:25</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>1 Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al><al>2 Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al><al>3 Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                                wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens
                                begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al><al>4 Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                                wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens
                                begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:26</nr></kop><al>1 Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als
                                bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur,
                                nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
                                verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december
                                1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</al><al>2 De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                                verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
                                overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
                                wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
                                termijnen betaald.</al><al>3 De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan
                                het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al><al>4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8,
                                eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                minimumvakantietoeslag.</al><al>5 De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk
                                van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:27</nr></kop><al>1 Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde
                                verordening.</al><al>2Het vorenstaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor
                                1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:28</nr><titel>Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</titel></kop><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                                uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en
                                10:23 van overeenkomstige toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:29</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                        ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al></li><li nr="2"><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders
                                        uit de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is
                                        bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen
                                        zoals die luidde op 31 december 2000.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 10a BOVENWETTELIJKE WERKLOOSHEIDSUITKERING</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10a</nr><titel>is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt
                            ontslagen.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:1</nr></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr=""><al>1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>werkloosheid: werkloosheid in de zin van artikel 16 van
                                            de Werkloosheidswet;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>betrokkene: de ambtenaar die werkloos geworden is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, zonder
                                    de maximering van het dagloon, als bedoeld in artikel 22 Besluit
                                    dagloonregels werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste
                                    lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de ambtenaar kan
                                    ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende uitkering
                                    als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de
                                    aansluitende uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit
                                    hoofdstuk, met uitzondering van de gemeentelijke
                                    werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.</al><al>2.Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in
                                    acht genomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Aanvullende uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:2</nr><titel>Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met
                                    suppletie</titel></kop><al>1 Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al><al> a recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met
                                21 van de Werkloosheidswet en</al><al> b werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8 en 8:12.</al><al>2 Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling
                                indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
                                recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de
                                CAR.</al><al>3 Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
                                het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een
                                WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de
                                mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                                vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet.</al><al>4 Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan
                                uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
                                aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
                                inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:3</nr><titel>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon
                                op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de
                                betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voor
                                zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan
                                het recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:4</nr><titel>Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt telkens
                                aangepast aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                bezoldigingswijziging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:5</nr><titel>Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><al>1 De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                uitkering bedragen tezamen een percentage van de
                                berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering. </al><al>2 Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><al> a gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al><al> b vervolgens 70%</al><al>3 Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van
                                de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
                                berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al><al>4 Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als
                                bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum
                                van ontslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:5a</nr><titel>Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen
                                    11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
                                    (wijziging met ingang van 1 augustus 2004)</titel></kop><al>1 De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan 57,5,
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een verlengde
                                uitkering.</al><al>2 De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is,
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde
                                uitkering.</al><al>3 De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
                                tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode
                                van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet
                                is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>4 Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                                toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>5 Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde
                                uitkering in mindering gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:5b</nr><titel>Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                                    artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                                    is (wijziging met ingang van 1 augustus 2004)</titel></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                                2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste
                                lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:6</nr><titel>Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van
                                het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                toepassing op de aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:7</nr><titel>Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                                vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:8</nr><titel>Verlenging van het recht op uitkering</titel></kop><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                                vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:9</nr><titel>Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van
                                    het in lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de
                                    zin van de Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in
                                    het bedrag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                    nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te
                                    willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk
                                    weigert, kent het college een aanvulling op de aanvullende
                                    uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag
                                    vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht
                                    zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven
                                    voor ontslag in aanmerking te willen komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                    nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te
                                    willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het
                                    college een gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de
                                    hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou hebben gehad
                                    indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                                    aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke
                                    werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van
                                    artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende
                                    uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de
                                    bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de
                                    toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke
                                    werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens
                                    de Werkloosheidswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:10</nr><titel>Anticumulatie</titel></kop><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:11</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                                activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
                                op de aanvullende uitkering. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:12</nr><titel>Aanvulling op ziekengeld</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
                                    verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de
                                    Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou
                                    hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2
                                    van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op
                                    aanvulling van dat ziekengeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling
                                    bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de
                                    betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij
                                    niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te
                                    verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                    toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:12a</nr><titel>Aanvulling op Waz-uitkering</titel></kop><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht
                                heeft op een uitkering op grond</al><al>van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot het voor haar geldende
                                dagloon.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:12b</nr><titel>Aanvulling op REA-uitkering (m.i.v. 1 april 2004)</titel></kop><al>1 De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en
                                dientengevolge een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt,
                                kan bij proefplaatsing en scholing bij een nieuwe werkgever recht
                                hebben op een uitkering op grond van de Wet op (re)integratie
                                arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een aanvullende
                                uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk wanneer hij
                                geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er
                                ook in dit geval recht op aanvulling.</al><al>2De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
                                bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
                                betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een
                                WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:13</nr><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                    aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet
                                    een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het
                                    bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het
                                    voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van
                                    13 weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                    aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                    gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:13a</nr><titel>Grensarbeiders (met ingang van 1 april 2004)</titel></kop><al>1 De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een
                                WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering
                                voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering heeft,
                                uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland
                                woont.</al><al>2De uitkering op grond van dit artikel:</al><al>a eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte
                                of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te
                                aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld
                                in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, of n, WW vanwege het
                                enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde
                                wetten is geëindigd;</al><al>b is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een
                                WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke
                                uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op een
                                WW-uitkering.</al><al>3 De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid
                                recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de
                                aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad
                                indien hij in Nederland zou hebben gewoond. </al><al>4 Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering
                                wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar
                                het recht van zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing
                                van het derde lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op
                                grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt
                                plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige
                                uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze
                                gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de uitkering op
                                grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering
                                waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland
                                had gewoond. </al><al>5 Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid
                                naar het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in
                                mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over
                                dezelfde periode.</al><al>6 Zolang en voor zover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een
                                ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, een
                                bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en
                                strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht
                                van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het
                                karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond
                                van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                                wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien
                                deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk
                                is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluitende uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:14</nr><titel>Diensttijd</titel></kop><al>1 In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het
                                ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan
                                het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden,
                                alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn
                                verklaard.</al><al>2 Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is
                                ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van
                                het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering
                                ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                regeling niet is verbonden.</al><al>3In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><al>a diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar; </al><al>b diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een
                                bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten
                                laste van de overheid;</al><al>c diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van
                                een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan
                                een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al><al>d tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                pensioenreglement;</al><al>e tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking
                                welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij
                                vrijwillig werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:15</nr><titel>Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met suppletie
                                    (wijziging leden 4 tot en met 7 met ingang van 1 augustus
                                    2004)</titel></kop><al>1 Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:</al><al>a recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met
                                21 van de Werkloosheidswet en</al><al>b werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde lid.</al><al>2 Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkenen
                                die door het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een
                                gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</al><al>3 In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel
                                8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik
                                is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste
                                volzin biedt.</al><al>4 Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag
                                van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra
                                de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet is verstreken. </al><lijst><li nr="5"><al>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is,
                                        ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste
                                        werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat
                                        zodra de geldende uitkeringsduur van de verlengde uitkering
                                        is verstreken.</al></li><li nr="6"><al>Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                        Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op de
                                        aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag,
                                        waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                                        uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        is verstreken.</al></li><li nr="7"><al>Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot
                                        uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van
                                        eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in
                                        hoofdstuk 11a van de CAR.</al></li><li nr="8"><al>De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens
                                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                        ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht heeft op een
                                        WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                        80% of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering,
                                        berekend naar de duur, als bepaald in artikel 10a:16, derde
                                        lid, op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op
                                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij om die
                                        reden recht heeft op een uitkering krachtens de
                                        Werkloosheidswet. </al></li><li nr="9"><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtste lid, is
                                        ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het
                                        recht op de aansluitende uitkering toegerekend aan de
                                        dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                                        desbetreffende dienstbetrekkingen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:16</nr><titel>Duur van de uitkering (wijziging met ingang van 1 augustus
                                    2004)</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op
                                        drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al></li><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5%.</al></li><li nr="2"><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd
                                        met:</al></li><li nr="a."><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                        zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                        werkloosheid en </al></li><li nr="b."><al>twee jaar.</al></li></lijst><al>3 Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
                                betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan
                                van de datum van het ontslag.</al><al>4 De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55
                                jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                uitkering tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:16a</nr><titel>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                                    tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                    geworden (wijziging met ingang van 1 augustus 2004)</titel></kop><al>1 De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht
                                heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003
                                maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op
                                drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><al>a die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al><al>b die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5%
                                van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5% </al><al>en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de
                                eerste dag van de werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering
                                genoemd in artikel 10a:5a.</al><al>2 De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die
                                op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55
                                jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die
                                waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op
                                basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de
                                aansluitende uitkering.</al><al>3 Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                                zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>4 Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:16b</nr><titel>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                                    artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                                    is (wijziging met ingang van 1 augustus 2004)</titel></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                                2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste
                                lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:17</nr><titel>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</titel></kop><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:18</nr><titel>Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:19</nr><titel>Hoogte van de uitkering: bedrag (wijziging met ingang van 1
                                    augustus 2004)</titel></kop><al>1 De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de
                                berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te rekenen
                                vanaf de eerste dag van werkloosheid nog niet is verstreken en
                                vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>2 Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
                                bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum
                                van ontslag.</al><al>3 Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:20</nr><titel>Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><al>1 De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
                                gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>2 In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
                                aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het
                                verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op
                                een uitkering krachtens de Ziektewet.</al><al>3 Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht
                                op uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de
                                Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de
                                uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het
                                verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering,
                                berekend overeenkomstig artikel 10a:16.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:20a</nr><titel>Nawerking Ziektewet en Waz</titel></kop><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na
                                aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een
                                uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze
                                uitkering in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:21</nr><titel>Herleving van het recht op uitkering (wijziging lid 2 met
                                    ingang van 1 augustus 2004)</titel></kop><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving
                                    van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing
                                    op de aansluitende uitkering. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
                                    Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de
                                    wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de
                                    verlenging van het recht op uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de
                                    aansluitende uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:22</nr><titel>Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de
                                    Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:23</nr><titel>Anticumulatie</titel></kop><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing
                                op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:24</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                                activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:25</nr><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36,
                                eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien
                                verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan
                                100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een
                                periode van 13 weken.</al><al>2 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:25a</nr><titel>Grensarbeiders (met ingang van 1 april 2004)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
                                    artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende
                                    uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland
                                    zou hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a,
                                    tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:26</nr><titel>Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat
                                    nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke
                                    werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben
                                    aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn
                                    aanvraag een vergoeding van € 2.270,-- worden toegekend als
                                    tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                                    verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een
                                    tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding
                                    op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering
                                    gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:27</nr></kop><al>1 Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
                                aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><al> a de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf met
                                tenminste 50% met een minimum van 5 uur te verminderen;</al><al> b te verhuizen binnen 6 maanden na de vermindering van de
                                werkloosheid, doch uiterlijk 3 maanden voor de oorspronkelijk
                                vastgestelde beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode;</al><al> c arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd
                                met een duur van minimaal 1 jaar, blijkend uit de overlegging van
                                het arbeidscontract;</al><al> d zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van
                                de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze
                                standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet
                                bedragen;</al><al> e schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit andere hoofde
                                ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de
                                uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding
                                verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al><al>2 Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst
                                als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is
                                verhuisd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:28</nr><titel>Reïntegratietoeslag</titel></kop><al>1 Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag
                                indien:</al><al> a hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet
                                aanvaardt en</al><al> b het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan
                                90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met
                                inachtneming van het tweede lid.</al><al>2 De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                                dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het
                                college.</al><al>3 Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is
                                dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
                                reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van
                                de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al><al>4 Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van
                                tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal 1 jaar te
                                zijn overeengekomen.</al><al>5 In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel
                                10a:32 van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste lid
                                genoemde reïntegratietoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:29</nr></kop><al>1 De duur van de reïntegratietoeslag is 9 maanden voor elk vol jaar
                                dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of
                                aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet
                                zou hebben verkregen.</al><al>2 Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis
                                van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog
                                recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar
                                beneden afgerond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:30</nr></kop><al>1 De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><al> a indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al><al> b indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                betrekking;</al><al> c indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie
                                maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de
                                reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.</al><al>2 Onder gehele werkloosheid in de zin het eerste lid, onderdeel b
                                wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe
                                betrekking per kalenderweek:</al><al> a tenminste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of</al><al> b minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren
                                resteren.</al><al>3 Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
                                betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren
                                waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan
                                naar rato uitgekeerd.</al><al>4 De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een
                                overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe
                                dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis van
                                dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een
                                reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                                zijn.</al><al>5 Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste
                                lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer
                                herleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:31</nr></kop><al>1 De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking
                                aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al><al>2 Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
                                10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de
                                nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude betrekking,
                                naar rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                berekeningsgrondslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:32</nr><titel>Reïntegratiepremie</titel></kop><al>1 Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden
                                toegekend indien:</al><al> a betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                                werkloosheid geniet en</al><al> b hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf
                                gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt
                                opgeheven.</al><al>2 Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient
                                uiterlijk tien weken na beëindiging van de uitkering op basis van de
                                Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.</al><al>3 Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien
                                het verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke
                                uitkering.</al><al>4 Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt
                                toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen
                                bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens
                                vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene
                                op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8 en
                                10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al><al>5 Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21
                                herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene omtrent
                                de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief
                                besloten op dit verzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:33</nr></kop><al>1 De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de
                                maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop
                                betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe
                                dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende
                                periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op bovenwettelijke
                                uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn gebleven als dat hij is
                                op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe
                                werkgever.</al><al>2 Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van
                                de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de
                                datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al><al>3 Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen
                                invloed op de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:34</nr></kop><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                                berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het
                                dagloon van de betrokkene.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:35</nr><titel>(Vervallen per 01-01-2003)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:36</nr><titel>Overige en slotbepalingen</titel></kop><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                                algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse
                                wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen 6
                                maanden na datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                                gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de
                                aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd vanaf de in het
                                Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
                                maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                                Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:37</nr></kop><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:38</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>1 Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na
                                1 juli 2008 wordt ontslagen.</al><al>2 Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO
                                moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de
                                tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al><al>Hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij
                                werkloosheid</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Werkingssfeer en begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:1</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van
                                een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van
                                artikel 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond
                                van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:2</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvullende uitkering: uitkering tijdens de
                                        werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b."><al>grondslag: het gemiddelde van het salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n) en de toelageovergangsrecht (TOR),
                                        berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand
                                        aan de start van de re-integratiefase of de start van het
                                        Van werk naar werk-traject, vermeerderd met het IKB, bedoeld
                                        in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a en b. Deze wordt
                                        geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de
                                        gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke
                                        regelingen, die de CAR van</al><al> toepassing hebben verklaard;</al></li><li nr="d."><al>boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens
                                        reorganisatie niet kan terugkeren</al><al> In de formatie na de reorganisatie;</al></li><li nr="e."><al>na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de
                                        werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f."><al>werkloosheid: werkloosheid als bedoeld in de
                                        Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit
                                        uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst
                                        bij de gemeente;</al></li><li nr="g."><al>werkloosheidsuitkering: uitkering op grond van de
                                        Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de
                                        aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:3</nr><titel>Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de
                                        bepalingen in dit hoofdstuk.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn
                                        overeengekomen, dan die in dit</al><al> hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en
                                        vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd Overleg
                                        wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale
                                        afspraken.</al></li></lijst><al>.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:4</nr><titel>Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt,
                                    treft het college een passende regeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand
                                    door het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de
                                    inhoud van de paragraaf over</al><al> aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor zover
                                    dit redelijk en billijk is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van
                                onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:5</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin
                                        door middel van een reintegratieplan afspraken worden
                                        gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de
                                        ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering
                                        wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk
                                        te voorkomen;</al></li><li nr="b."><al>re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de
                                        re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar
                                        beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van
                                        de ambtenaar te bevorderen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:6</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel
                                            8:6 heeft recht op een reintegratiefase.</al></li><li nr="2."><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag
                                            op grond van artikel 8:6.</al></li><li nr="3."><al>De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na
                                            verzending of overhandiging van het besluit tot
                                            ontslag.</al></li><li nr="4."><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het
                                            dienstverband bij de gemeente,waaruit ontslag
                                            plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband
                                            gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de
                                            gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van
                                            de start van de re-integratiefase.</al></li><li nr="5."><al>De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een
                                            dienstverband van:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>2 tot 10 jaar 4 maanden</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>10 tot 15 jaar 8 maanden</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>15 jaar of meer 12 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:7</nr><titel>Einde re-integratiefase</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de
                                    ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen
                                    van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen
                                    of buiten de gemeente aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                                    artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de
                                    re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede
                                    lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende
                                    uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich
                                    tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van
                                    de oorspronkelijke reintegratiefase.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de
                                    nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte
                                    afspraken uit het reintegratieplan van kracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:9</nr><titel>Verlenging re-integratiefase door middel van
                                    levensloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met
                                    maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de
                                    mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel
                                    6:9.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar
                                    tijdens de reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen
                                    voldoen aan zijn re-integratie-verplichtingen en indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur;
                                    en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed
                                    opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling;
                                    en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden
                                    ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                                    voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
                                    ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan,
                                    tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden
                                    voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:10</nr><titel>Re-integratieplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen
                                        een maand na aanvang van dere-integratiefase een
                                        re-integratieplan op.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand
                                        door het college gehoord.</al></li><li nr="3."><al>In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                                        re-integratie-inspanningen die van het college en de
                                        ambtenaar verlangd worden. In het re-integratieplan staan in
                                        ieder geval afspraken over:</al></li><li nr="-"><al>verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
                                        neergelegd zijn in het reintegratieplan;</al></li><li nr="-"><al>scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing,
                                        het begin van die scholing, het einde van die scholing, de
                                        betaling en de te behalen resultaten;</al></li><li nr="-"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel;</al></li><li nr="-"><al>sollicitatieactiviteiten.</al></li><li nr="4."><al>In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de
                                        kosten voor de verschillende activiteiten uit het
                                        re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het
                                        reintegratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig
                                        voor rekening van het college, met een maximum van €
                                        7.500,=.</al></li></lijst><al>.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:11</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het
                                college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze
                                boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar
                                heeft bij de betreffende gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:12</nr><titel>Duur van een Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                                werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college
                                besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel
                                10d:22.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:13</nr><titel>Inspanningsverplichting</titel></kop><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig
                                verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de
                                uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar
                                werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een
                                passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar
                                van een functie buiten de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:14</nr><titel>Start Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit
                                tot boventalligverklaring in werking is getreden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Inhoud Van werk naar werk-traject</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:15</nr><titel>Van werk naar werk-onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject
                                    onderzoeken college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en
                                    ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de
                                    gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
                                    regionale arbeidsmarkt onderzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de
                                    datum waarop het Van werk naar werk-traject begint en is
                                    uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:16</nr><titel>Van werk naar werk-contract</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar
                                    werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar
                                    werk-contract op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de
                                    voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere
                                    afspraken en daaraan verbonden termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de
                                    tijdsduur daarvan;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar
                                    werk-traject verricht;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor
                                    beschikbare budget;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit
                                    het Van werk naar werk-onderzoek;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                    sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op het
                                    vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt tenminste
                                    20% van de omvang van de aanstelling;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende
                                    voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen
                                    tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten
                                    aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college
                                    een afzonderlijk besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:17</nr><titel>Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</titel></kop><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                                wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd.
                                Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd.
                                Hiervan wordt een verslag opgemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verlenging en einde Van werk naar werk-traject</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:18</nr><titel>Einde Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de
                                ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of
                                buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek
                                of ontslag om een andere reden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:19</nr><titel>Tussentijdse beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar
                                    plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de
                                    gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de
                                    gemeente weigert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging
                                    van het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de
                                    ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar
                                    werk-contract.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in
                                    het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar
                                    ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag
                                    volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is
                                    beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake is
                                    van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een
                                    aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:20</nr><titel>Advies loopbaanadviseur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden
                                    sinds de start ervan niet met een positief resultaat is
                                    afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit
                                    aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder
                                    geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in
                                    acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het
                                    advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet
                                    op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin
                                    voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen
                                    afzienbare termijn vergroot.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of
                                    niet wordt overgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:21</nr><titel>Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het
                                    college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en
                                    stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden
                                    niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op
                                    grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee
                                    jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:22</nr><titel>Verlenging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke
                                    toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een
                                    functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het
                                    vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar
                                    vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar
                                    werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke
                                    en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer
                                    worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk
                                    naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het
                                    college de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de periode waarmee het Van werk naar
                                    werk-traject is verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:23</nr><titel>Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                    werk-contract</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij
                                    zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van
                                    werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere
                                    partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht
                                    gezamenlijk afspraken te maken over verbetering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in
                                    het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het
                                    Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere
                                    partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het
                                    contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de andere
                                    partij kenbaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject
                                    wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn,
                                    waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan
                                    als richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging
                                    herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
                                    ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject
                                    tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en
                                    ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar
                                    werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit
                                    artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil
                                    voorleggen aan de paritaire commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:24</nr><titel>Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar
                                    werk-trajecten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die
                                    desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de
                                    bepalingen in deze paragraaf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in
                                    artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil
                                    een bindend advies uit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling,
                                    bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                                    vastgelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Aanvullende uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:25</nr><titel>Aanvullende uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase
                                    heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel
                                    10d:7 tweede en derde lid niet aan de orde is;</al><al> of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar
                                    werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals
                                    beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is;</al><al> en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en
                                    deze ook daadwerkelijk ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is
                                    dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de
                                    aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die
                                    van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:26</nr><titel>Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende
                                    uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de grondslag
                                    zoals gedefinieerd in artikel 10d:2, onderdeel b over het aantal
                                    uren dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,= 10%;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,=
                                    20%;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) vanaf € 5.250,= 30%.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor ambtenaren met een salaris en toegekende salaristoelage(n)
                                    van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 10%;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor ambtenaren met een salaris en toegekende salaristoelage(n)
                                    van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,= 20%;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30%.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:27</nr><titel>Duur aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te
                                    rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na
                                    afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de
                                    werkloosheidsuitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:28</nr><titel>Sancties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                    toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie
                                    evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de
                                    sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                    toegepast kan het college besluiten om het recht op
                                    na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten
                                    vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels
                                    op.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:29</nr><titel>Einde aanvullende uitkering</titel></kop><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is
                                verstreken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Na-wettelijke uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:30</nr><titel>Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft
                                    recht op een na-wettelijke uitkering indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering
                                    voortduurt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                    gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van
                                    zijn na-wettelijke uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat
                                    het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de
                                    werksfeer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:31</nr><titel>Hoogte na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer
                                    heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn
                                    voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het
                                    bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren
                                    dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit
                                    of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de
                                    grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet
                                    overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:32</nr><titel>Duur na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de
                                gemeentelijke sector maal een</al><al>correctiefactor. De correctiefactor is</al><lijst><li nr="a."><al>1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b."><al>2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd
                                        van 50 jaar</al></li><li nr="c."><al>3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:33</nr><titel>Einde na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                                    verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                                    eindigt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag
                                    waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt
                                    heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:34</nr><titel>Sancties na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties
                                worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering.
                                Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft
                                om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op
                                de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:35</nr><titel>Afkoop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de
                                    uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming
                                    geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de
                                    voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35%
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:36</nr><titel>Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                                    ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die
                                    gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde
                                    lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is
                                    herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een
                                    bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor
                                    ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                                    definitief is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
                                    ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                    gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van
                                    zijn bijzondere uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:37</nr><titel>Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                                    8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                                    totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de
                                    nieuwe arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
                                    mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:38</nr><titel>Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                                    8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</titel></kop><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na
                                aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:39</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de
                                        na-wettelijke uitkering voor de ambtenaar die:</al></li><li nr="a."><al>op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de
                                        gemeentelijke sector en</al></li><li nr="b."><al>ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan
                                        (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2)
                                        jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd
                                        wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele
                                        jaren op de dag van ontslag; factor Y voor de
                                        indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de overgangsuitkering is gelijk aan (0,25 +
                                        (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar,
                                        met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op
                                        38. Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op
                                        de dag van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd
                                        in de gemeentelijke sector.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 11 UITKERINGSREGELING ONTSLAG </vet></al><al><vet>N.B.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:1</nr><titel>Betrokkene</titel></kop><al>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                                ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><al> a op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking waarin
                                hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling minder dan
                                vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in een betrekking van
                                kennelijk tijdelijke aard;</al><al> b op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling, met
                                uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag niet op eigen verzoek
                                is geschied en evenmin aan eigen schuld of toedoen is te
                                wijten;</al><al> en die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge
                                artikel 8:3 kan ontlenen.</al><al>2 Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                                verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij
                                of zij de echtgenoot volgt die door geheel buiten hem of haar
                                liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:1:1</nr></kop><al>Onder betrokkene wordt tevens verstaan de gewezen werknemer in
                                dienst genomen overeenkomstig artikel 2:5 eerste lid sub d, wiens
                                arbeidsovereenkomst is beëindigd niet op eigen verzoek en evenmin
                                aan eigen schuld of toedoen is te wijten en die geen recht heeft op
                                een pensioen krachtens de pensioenwet. Onder ontslag wordt hierbij
                                mede verstaan beëindiging van een arbeidsovereenkomst naar
                                burgerlijk recht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:2</nr><titel>Lichamen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen':</al><al>Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:3</nr><titel>Diensttijd</titel></kop><al>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in
                                artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de
                                zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door
                                inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de
                                pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al>2 Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
                                de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
                                zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid
                                blijft buiten beschouwing:</al><al> a diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een maand
                                daarvan wegens verleend ontslag;</al><al> b diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van
                                de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde
                                lid;</al><al> c diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van
                                een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan
                                een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al><al> d tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;</al><al> e tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                                betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke
                                hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop
                                de uitkering ingaat.</al><al>4 Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                                uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
                                anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met ingang
                                van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die
                                diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:4</nr><titel>Dienstbetrekking</titel></kop><al>1 Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al><al>2 Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:5</nr><titel>Bezoldiging</titel></kop><al>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                                bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling
                                zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was
                                verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3
                                van deze regeling, en de eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel
                                3:6.</al><al>2 Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van
                                het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al><al>3 Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al><al>4 Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder
                                verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de
                                bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:6</nr><titel>Recht op uitkering</titel></kop><al>1 Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat
                                behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag
                                waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur
                                wordt vastgesteld:</al><al> a voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer
                                als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is
                                geweest, ingevolge artikel 11:7;</al><al> b voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie
                                jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, ingevolge artikel
                                11:7, dan wel wanneer het bepaalde in artikel 11:8, eerste lid,
                                daartoe aanleiding geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en,
                                indien van toepassing artikel 11:8, vierde lid.</al><al>2 Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden
                                waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid
                                verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft
                                verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de
                                hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste
                                lid, sub a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van
                                de perioden van de bedoelde verhindering.</al><al>3 De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in
                                aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de
                                dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of
                                meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in
                                de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in
                                aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.</al><al>4 Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
                                weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
                                ontvangen.</al><al>5 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde
                                lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>6 In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet
                                aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid,
                                is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de
                                inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft
                                plaatsgehad.</al><al>7 Geen recht op uitkering bestaat:</al><al> a indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                                WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer;</al><al> b indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                                suppletie als bedoeld in Hoofdstuk 11a van deze regeling;</al><al> c indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65
                                jaar heeft bereikt;</al><al> d indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;</al><al> e indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet
                                worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;</al><al> f voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag
                                zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden
                                betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn
                                omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
                                aanvaarden.</al><al>8 De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, sub a, heeft recht op
                                uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80%. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf
                                de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering
                                wordt voor de toepassing van:</al><al> a artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
                                wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
                                tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                                genomen.</al><al> b artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al><al>9 Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag
                                door de betrokkene.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:6:1</nr><titel>Recht op uitkering na privatisering</titel></kop><al>Ingeval sprake is van een ontslag in het kader van een
                                privatiseringsoperatie heeft betrokkene recht op een uitkering
                                overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 11b.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:7</nr><titel>Duur van de uitkering</titel></kop><al>1 De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                                ontslag ingaat.</al><al>2 Indien de betrokkene :</al><al> a in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in
                                artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam is geweest of</al><al> b onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de duur van de
                                uitkering verlengd met:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="80*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>3 maanden</al><al>0,5 jaar</al><al>1 jaar</al><al>1,5 jaar</al><al>2 jaar</al><al>2,5 jaar</al><al>3,5 jaar</al><al>4,5 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar; </al><al>bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                                  jaar.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3 Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van:</al><al> a perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al><al> b de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en
                                de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al><al>4 Perioden, waarin een betrokkene:</al><al> a recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
                                de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al><al> b ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het
                                rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                sub a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al><al> c een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van
                                dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al><al> d na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt
                                op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel
                                29, tweede lid, van die wet;</al><al> e een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt
                                met een uitkering bedoeld sub a of d;</al><al> worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
                                gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking
                                genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande
                                aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.</al><al>5 Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor
                                de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan
                                het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><al> a beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon
                                in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest
                                of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                volledig, en</al><al> b vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al><al>6 Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><al> a de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid, of</al><al> b de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakanties.</al><al>7 Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen, is
                                het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het college
                                als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                                wijzen.</al><al>8 Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><al> a een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al><al> b een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                onderhouden en opgevoed.</al><al>9 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van
                                de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:8</nr></kop><al>1 In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien
                                dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover
                                van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde
                                lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering
                                vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al><al>2 De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden,
                                gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven
                                wordt afgerond op hele maanden.</al><al>3 De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                                hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al><al>4 Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van
                                ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en
                                diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60
                                jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover
                                uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes
                                maanden een bijzondere verlenging verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:9</nr><titel>Vervolguitkering</titel></kop><al>1 De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                                artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die
                                uitkering recht op een vervolguitkering.</al><al>2 De betrokkene die</al><al> a het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste
                                lid, heeft bereikt, en</al><al> b voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid,
                                sub a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht
                                heeft op verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht op een
                                vervolguitkering.</al><al>3 Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                                vervolguitkering een jaar.</al><al>4 De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag
                                van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar.</al><al>5 De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                                toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
                                toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum.</al><al>6 De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is
                                en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft
                                aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                                uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
                                jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer
                                deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum.</al><al>7 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                                uitkering van overeenkomstige toepassing op de
                                vervolguitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:10</nr><titel>Bedrag van de uitkering</titel></kop><al>1 Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
                                gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
                                maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</al><al>2 Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                                bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de
                                bezoldiging.</al><al>3 Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                                worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3
                                procentpunten verhoogd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:11</nr><titel>Bedrag van de vervolguitkering</titel></kop><al>1 Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon,
                                met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
                                van de bezoldiging.</al><al>2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8,
                                eerste lid, sub a, van de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag,
                                of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor
                                zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid,
                                en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de
                                daarvoor berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
                                wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:12</nr><titel>Verhuiskosten</titel></kop><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien
                                hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college
                                een op voet van Hoofdstuk 18 te bepalen vergoeding in de kosten van
                                een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:13</nr><titel>Vermindering</titel></kop><al>1 Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling
                                is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op de in
                                artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toegepast tot het
                                bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te
                                boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering
                                vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering
                                ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking
                                genomen.</al><al>2 Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend
                                en die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking
                                ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht
                                op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer
                                was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in
                                het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen
                                met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats vond uit de
                                betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering
                                doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand
                                waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt
                                deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
                                uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al
                                dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip
                                van de oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke
                                bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                                overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                                wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
                                bedrag aan overschrijding.</al><al>3 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is
                                toegekend.</al><al>4 Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten
                                of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                het ontslag.</al><al>5 Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet
                                verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:14</nr><titel>Opgave van inkomsten</titel></kop><al>1 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
                                aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave
                                van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of
                                dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in
                                alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van
                                de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al><al>2 Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                                betrokkene zijn op te geven doet hij vóór het verschijnen van elke
                                uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
                                van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
                                verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
                                beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                                termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
                                jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
                                het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde
                                termijn.</al><al>3 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>4 Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:15</nr><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld
                                in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot een bedrag
                                uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5
                                over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
                                echtgenoot na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn
                                minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige
                                pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de
                                uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige
                                kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al><al>2 Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een
                                door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan
                                op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond van artikel
                                11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de verminderde
                                uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig
                                aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het
                                bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al><al>3 Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of
                                van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al><al>4 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:16</nr><titel>Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><al>1 Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                terstond mededeling te doen aan het college.</al><al>2 Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                                geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
                                lid.</al><al>3 Indien betrokkene door het LISV schriftelijk in kennis is gesteld
                                van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
                                gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
                                deze uitkering.</al><al>4 Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de
                                WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
                                80% of meer.</al><al>5 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:17</nr><titel>Uitkering bij ziekte</titel></kop><al>1 Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak
                                heeft op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en
                                met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn
                                wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens
                                met ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering
                                toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de
                                betrokkene deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse
                                werkweek heeft genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze
                                regeling, zoals dit luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel
                                mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:18</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17,
                                eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering
                                wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in
                                de artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:19</nr><titel>Afkoop</titel></kop><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld
                                in artikel 11:7, tweede lid, sub a of b, kan het recht op uitkering
                                geheel of ten dele worden afgekocht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:20</nr><titel>Verval en opnieuw toekennen van het recht op
                                    uitkering</titel></kop><al>1 Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, sub a of b,
                                uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid,
                                vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en
                                wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw
                                toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de
                                laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake
                                van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige
                                publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</al><al>2 Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                                werkloosheid begrepen:</al><al> a het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                dienstbetrekking;</al><al> b het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een
                                naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever,
                                voorzover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk
                                is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op
                                uitkering bestaat.</al><al>3 Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering
                                als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft
                                opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene:</al><al> a binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond
                                als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, sub a, arbeid in
                                dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al><al> b in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer
                                als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.</al><al>4 Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                                betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met
                                gewerkte weken.</al><al>5 De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt
                                zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw
                                toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al><al>6 Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering
                                als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als
                                bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al><al>7 Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                                aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid,
                                niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het
                                opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:21</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>1 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt
                                is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband
                                met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
                                gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</al><al>2 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen
                                veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende
                                van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al><al>3 De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
                                oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</al><al>4 Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                groepen van betrokkenen.</al><al>5 De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich
                                te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het
                                algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot
                                het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>6 Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er
                                in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college
                                daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze
                                regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:22</nr><titel>Opschorting</titel></kop><al>1 Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                                aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een
                                uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in verband
                                met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in
                                deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die
                                aanspraak bestaat.</al><al>2 Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in
                                deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
                                militaire dienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:23</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>1 Indien de betrokkene terzake van de dienstbetrekking waaruit hij
                                met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering,
                                toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
                                percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                                invaliditeitsgraad van 65% tot 80%: 80%; 55% tot 65%: 60%; 45% tot
                                55%: 50%; 35% tot 45%: 40%; 25% tot 35%: 30%; 15% tot 25%: 20%;
                                minder dan 15%: 0%. De som van de in de eerste volzin bedoelde
                                WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen en de verminderde uitkering bedraagt voorts
                                niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten indien er
                                geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                                overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</al><al>2 Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                WAO-uitkering dan wel uitkering op grond van de Wet op de
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering aanvraagt en hem dit
                                redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit
                                artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al>3 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat dan wel het recht op deze uitkering geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:24</nr></kop><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn,
                                waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling
                                toegekende uitkeringen niet uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:25</nr><titel>Betaling</titel></kop><al>1 Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
                                uitkering werd genoten.</al><al>2 Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                                uitkering over langere termijnen geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:26</nr><titel>Verval van uitkering</titel></kop><al>1 De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><al> a indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld
                                in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of
                                onvolledig doet;</al><al> b indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel
                                11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming
                                van het college gedurende de tijd, waarin hij een uitkering geniet,
                                de in evengenoemd leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat
                                deze op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie
                                van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al><al> c indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde lid,
                                gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs
                                geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien er overigens
                                gegronde reden is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk
                                te vinden;</al><al> d indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in
                                het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven;</al><al> e indien de betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn gesteld;</al><al> f indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou
                                zijn verleend als hij in dienst was gebleven;</al><al> g indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo
                                deze eerder bekend waren, aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag
                                te verlenen;</al><al> h indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.</al><al>2 Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>3 Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                                eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg
                                te geven aan een oproeping of aanwijzing van het arbeidsbureau,
                                welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden,
                                vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de
                                verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
                                zijn gegaan.</al><al>4 Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen
                                van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                                behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
                                vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam
                                te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid
                                of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:27</nr><titel>Einde van het recht op uitkering</titel></kop><al>1 Het recht op uitkering eindigt:</al><al> a met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die
                                waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al><al> b met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al><al> c indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al><al>2 Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze
                                uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van
                                artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag.</al><al>3 De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:28</nr><titel>Nadere voorschriften</titel></kop><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere
                                voorschriften geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:29</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>1 Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al><al>2 Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al><al>3 De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                                artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde
                                tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de
                                werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede
                                lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde
                                voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel
                                13, eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1
                                augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende
                                uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de
                                duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                                tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:30</nr></kop><al>1 Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde
                                verordening.</al><al>2Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                                januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:31</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:32</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later.</al></li><li nr="2"><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders
                                        uit de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is
                                        bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen,
                                        zoals deze luidde op 31 december 2000.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 11a Suppletie</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al> a arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van
                                artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al><al> b arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke uitkering,
                                toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit
                                enig dienstverband van betrokkene;</al><al> c WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO;</al><al> d betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de
                                WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is verleend op grond
                                van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens
                                ziekte, en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80%
                                arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn
                                resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                                betrekkingen;</al><al> e bestuursorgaan: het orgaan als bedoeld in artikel 8:5, eerste
                                lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen;</al><al> f suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;</al><al> g dagloon: het dagloon in de zin van de Wet op de
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de maximum
                                dagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
                                Sociale Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan pensioenpremie,
                                bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen
                                privatisering ABP, en in voorkomend geval verminderd met bijdragen
                                strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de
                                betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 1, tweede lid, sub b, van het Besluit Algemene
                                Dagloonregelen WAO;</al><al> h berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van betrokkene
                                op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem recht op
                                suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het
                                inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt
                                ontleend;</al><al> i werkloosheidsuitkering: een periodieke uitkering ter zake van
                                ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van
                                betrokkene.</al><al>2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:2</nr><titel>Recht op suppletie</titel></kop><al>1 Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem
                                ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling
                                van zijn betrekking wegens ziekte.</al><al>2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid
                                bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid
                                voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden
                                onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode
                                van 90 maanden worden perioden van ziekte samengeteld die elkaar met
                                een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:3</nr></kop><al>1 Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al><al>2 Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van
                                de Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede
                                gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle
                                algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn
                                klachten en bekwaamheden in staat is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:4</nr></kop><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang:</al><al>a betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al><al>b betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                                ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:5</nr><titel>Einde recht op suppletie</titel></kop><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><al>a na ommekomst van de duur van de suppletie;</al><al>b met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al><al>c met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de
                                leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:6</nr><titel>Suppletie</titel></kop><al>1 De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag
                                van de suppletie.</al><al>2 De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast
                                aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                bezoldigingswijziging.</al><al>3 Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt:</al><al> a gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al><al> b gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:7</nr></kop><al>1 In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
                                artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan
                                het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de
                                in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode verminderd met de
                                periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop
                                genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze
                                vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende
                                welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                                van de suppletie.</al><al>2 Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24
                                maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met
                                een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:8</nr></kop><al>1 Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
                                suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering
                                dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het
                                bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht
                                op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit
                                hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer
                                recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de
                                toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking
                                ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van
                                de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                dienstbetrekkingen.</al><al>2 Indien de betrokkene recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een
                                dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen
                                vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan
                                hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
                                laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate
                                van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het
                                bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in
                                mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen
                                als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de
                                in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de
                                feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                dienstbetrekkingen.</al><al>3 Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                                individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot
                                een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het
                                bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze van
                                toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
                                overeenkomt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:9</nr></kop><al>1 Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                                berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al><al>2 Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld
                                in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met
                                arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><al> a met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan
                                de betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd;</al><al> b gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                suppletie is toegekend;</al><al> c vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in sub a en b, en artikel
                                11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die
                                dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene,
                                terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte
                                daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid dan wel
                                verband houden met het ontslag.</al><al>3 In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                                betrokkene afwijken van het tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:10</nr></kop><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen
                                steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien,
                                als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                                betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                                arbeidsongeschiktheids-uitkeringen, uitkeringen op grond van de
                                Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
                                overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht
                                heeft:</al><al>a vermindering ondergaan;</al><al>b blijvend geheel geweigerd worden;</al><al>c tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel</al><al>d in uitkeringsduur beperkt worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:11</nr></kop><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie
                                een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit,
                                gelijk aan de berekeningsgrondslag van het suppletie van betrokkene
                                over een tijdvak van drie maanden.</al><al>2 Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><al> a aan de langstlevende der echtgeno(o)t(en) of geregistreeerde
                                partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere
                                echtgenoot gescheiden leefde;</al><al> b bij ontstentenis van de onder sub a bedoelde persoon aan de
                                minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;</al><al> c bij ontstentenis van de onder sub a en b bedoelde personen aan
                                degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten
                                van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.</al><al>3 Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als
                                echtgeno(o)t(en) of geregistreeerde partner(s) aangemerkt niet
                                gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam
                                een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen
                                tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                                bestaat.</al><al>4 Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan
                                slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk
                                voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in
                                de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
                                verzorging voorzien.</al><al>5 Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar
                                aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen,
                                waarop betrokkene recht had.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:12</nr><titel>Betaling van de suppletie</titel></kop><al>1 Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                                bestaat.</al><al>2 Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al><al>3 Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit,
                                doch uiterlijk binnen een maand nadat het recht op die suppletie
                                heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de
                                regel per maand achteraf.</al><al>4 De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
                                binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer
                                betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste
                                van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:13</nr></kop><al>1 Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast
                                te stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid
                                bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de
                                suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen
                                van een verplichting als bedoeld in artikel 11a:3.</al><al>2 Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                                redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
                                indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</al><al>3 Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
                                beschouwd als een suppletie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:14</nr><titel>Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</titel></kop><al>1 Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die
                                regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels
                                te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan
                                een opleiding of scholing in dagonderwijs.</al><al>2 Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen
                                aan een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan
                                noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door het
                                bestuursorgaan te stellen regels het recht op suppletie bestaan
                                totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</al><al>3 In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
                                tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
                                gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in
                                het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:15</nr></kop><al>1 De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht
                                daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al><al>2 De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van
                                onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
                                bestuursorgaan nodig.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:16</nr><titel>Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><al>1 Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking
                                tot:</al><al> a de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al><al> b het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie.</al><al>2 het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                artikel 11a:15.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:17</nr><titel>Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                                    wegens ziekte</titel></kop><al>1 Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de
                                sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als
                                bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van het
                                pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur
                                op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft recht op
                                suppletie.</al><al>2 Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een
                                op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van: </al><al><plaatje><illustratie id="i21390208-e818-46f5-b17a-d6e16cf3130a" naam="i284570i21390208-e818-46f5-b17a-d6e16cf3130a.gif" type="foto" breedte="13.4cm" hoogte="19.9cm"/></plaatje><plaatje><illustratie id="iaff28cbf-b73f-437d-96e5-815adb721060" naam="i284571iaff28cbf-b73f-437d-96e5-815adb721060.gif" type="foto" breedte="13.1cm" hoogte="4.7cm"/></plaatje></al><al>3 De artikelen 11a:3 tot en met 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7 tot
                                en met 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16
                                zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>4 Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer
                                als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met
                                inachtneming van het in dit artikel bepaalde.</al><al>5 Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met
                                dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag
                                voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in
                                artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van
                                de maximum dagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                                Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al>6 Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                                herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden
                                afgerond op een hele maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:18</nr></kop><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1
                                januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer
                                onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19,
                                eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
                                mate van zijn algemene invaliditeit op grond van het
                                pensioenreglement is vastgesteld op ten minste 15 procent dan wel de
                                mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële regeling op
                                grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                                Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent,
                                binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene,
                                geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39,
                                vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de
                                maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
                                Sociale Verzekering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:19</nr></kop><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in
                                paragraaf 9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat,
                                wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders
                                overeenkomen, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad,
                                waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten
                                aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad
                                vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch
                                niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:20</nr></kop><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:21</nr></kop><al>1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van
                                artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de ambtenaar die op
                                grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al><al>2 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op
                                grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is,
                                met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht
                                heeft op een WAO-uitkering.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Overleg met organisaties van overheidspersoneel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><al>1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al> a de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor
                            georganiseerd overleg;</al><al> b de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve
                            arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op basis
                            van een arbeidsovereenkomst;</al><al> c de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen van de
                            landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten bij de
                            centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College
                            voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</al><al>2 Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld
                            uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een
                            vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</al><al>3 Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale
                            van Overheidspersoneel (ACOP), de Christelijke Centrale van Overheids-
                            en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en
                            Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en
                            instellingen (CMHF), dan wel een van de bij deze centrales aangesloten
                            bonden, voorzover deze centrales resp. bonden voldoende representatief
                            geacht kunnen worden.</al><al>4 De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de
                            commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of
                            NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel
                            ABVAKABO FNV / NOVON. Indien deze leden ophouden lid van de commissie te
                            zijn, worden zij niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan
                            wel ABVAKABO FNV / NOVON in overeenstemming is met het aantal als
                            genoemd in de bepaling van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk
                            op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met de
                            hier geldende bepalingen.</al><al>5 Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten
                            worden, indien zij representatief geacht kunnen worden. Een betreffend
                            verzoek wordt in het georganiseerd overleg besproken.</al><al>6 Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
                            verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende
                            representatief geacht worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:1</nr><titel>Samenstelling.</titel></kop><al>1 Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie,
                            bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer
                            vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing geschiedt
                            bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter
                            vervanging van hen die ophouden lid van het college te zijn. Daarnaast
                            maakt de gemeentesecretaris deel uit van de vertegenwoordiging van de
                            gemeente. </al><al>2 De vertegenwoordiging van de organisaties bestaat uit drie
                            vertegenwoordigers van ABVAKABO/NOVON en twee vertegenwoordigers van CNV
                            Publieke Zaak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:2</nr></kop><al>1 Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in
                            artikel 12:1:1, derde lid, aan het college opgaaf van:</al><al> a het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten
                            ambtenaren;</al><al> b de namen en adressen der ambtenaren, die ingevolge artikel 12:1:2,
                            derde lid, als leden en plaatsvervangers zijn aangewezen.</al><al>2 Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                            aangewezen, houdt op dit te zijn, zodra hij geen lid van de organisatie
                            of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk
                            aan het college doet weten, dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of
                            plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig
                            mogelijk een opvolger aangewezen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:3</nr></kop><lijst><li nr="1"><al>Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                                    vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al></li><li nr="2"><al>Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                                    vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
                                    commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                                    college verder personeel voor het secretariaat ter
                                    beschikking.</al></li></lijst><al>3 De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2</nr><titel>Taak en bevoegdheden</titel></kop><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang
                            voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene
                            regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De
                            commissie kan niet overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan
                            het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                            Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:1</nr></kop><al>Besluiten omtrent de onderwerpen bedoeld in artikel 12:2, worden door
                            het college en de raad niet genomen, noch voorstellen daaromtrent
                            gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de conceptbesluiten,
                            respectievelijk voorstellen, heeft kenbaar gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:2</nr></kop><al>1 De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is
                            bevoegd aangaande de in artikel 12:2 bedoelde onderwerpen voorstellen te
                            doen aan het college.</al><al>2 Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen, behorende tot de
                            bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een
                            beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan
                            legt het college het voorstel, voorzien van zijn advies, ter
                            besluitvorming voor aan de raad.</al><al>3 De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van
                            de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de
                            organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde
                            organisaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:3</nr><titel>Subcommissies</titel></kop><al>1 De commissie kan, indien dit voor de behandeling van een bepaald
                            onderwerp nodig worden geacht, een subcommissie instellen, bestaande uit
                            door haar aan te wijzen voorzitter en leden.</al><al>2 De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                            subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen, die
                            ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid ter beschikking staan.</al><al>3 Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:4</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><al>1 De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door
                            hem te bepalen tijdstippen.</al><al>2 Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien tenminste drie
                            leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen
                            verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het
                            verzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:5</nr></kop><al>1 De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter
                            vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de
                            te behandelen onderwerpen.</al><al>2 Een vergadering kan slechts plaatshebben, indien de vertegenwoordiging
                            van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de
                            organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het
                            gemeentebestuur bestaat uit twee of meer leden van het college kan de
                            vergadering slechts plaatshebben indien tenminste de helft van de
                            vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de
                            helft van de organisaties is vertegenwoordigd.</al><al>3 Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het vorige lid een
                            vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
                            onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14
                            dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die onderwerpen
                            in elk geval kunnen worden behandeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:6</nr></kop><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken
                            door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die
                            onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de
                            orde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:7</nr></kop><al>1 De vergaderingen en de verslagen daarvan zijn intern openbaar, tenzij
                            het Georganiseerd Overleg besluit om bepaalde onderwerpen alsnog
                            vertrouwelijk te behandelen.</al><al>2 De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                            vergadering doen bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
                            deelnemen.</al><al>3 De vertegenwoordigers der organisaties kunnen zich doen bijstaan door
                            een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie, zij zijn
                            voorts bevoegd de onderwerpen der agenda binnen de grenzen ener
                            doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in
                            eigen kring te onderwerpen.</al><al>4 De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent
                            de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken, geheimhouding
                            opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en
                            van de raad, alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de
                            vertegenwoordigde organisaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:8</nr></kop><al>De voorzitter kan op verzoek van tenminste twee leden of zo dikwijls hij
                            dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                            tijd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:9</nr></kop><al>1 Indien in de vergadering moet worden gestemd, brengt elke
                            vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1:1, eerste lid, één stem
                            uit.</al><al>2 De stem van de vertegenwoordiging van de gemeente wordt bepaald door
                            hoofdelijke stemming der aanwezige leden in of buiten de vergadering.
                            Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.</al><al>3 De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald
                            door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke
                            organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar
                            zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met dien
                            verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen
                            dan het totaal aantal stemmen, dat door de andere organisaties
                            gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de
                            vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:10</nr></kop><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de
                            notulen, welke, tenzij in het bij artikel 12:2:11 bedoelde reglement
                            anders is bepaald, zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden
                            gezonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:11</nr></kop><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen
                            wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:12</nr></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:2:12 tot en met 12:2:18 wordt
                            verstaan onder:</al><al>a deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                            gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd in
                            artikel 12:1, eerste lid;</al><al>b advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
                            ingesteld door het College van Arbeidszaken van de Vereniging van
                            Nederlandse Gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:13</nr></kop><al>De artikelen 12:2:14 tot en met 12:2:18 zijn slechts van toepassing op
                            geschillen inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 12:2 voor zover
                            die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren met
                            inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal
                            worden gevoerd, betreffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:14</nr></kop><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg
                            tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst
                            die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben,
                            brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het
                            overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige
                            deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:15</nr></kop><al>1 Binnen tien dagen na de kennisgeving in het vorige artikel schrijft de
                            voorzitter een vergadering van de commissie uit. De vergadering moet
                            worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</al><al>2 Tenzij door de commissie wordt besloten het overleg voort te zetten
                            dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of
                            overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van
                            het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht
                            door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                            ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door
                            onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die
                            commissie.</al><al>3 Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                            vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de vertegenwoordiging der
                            organisaties bevoegd.</al><al>4 Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming
                            vereist tussen alle deelnemers aan het overleg. Het bepaalde in artikel
                            12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al><al>5 Het gestelde in het vierde lid geldt niet voor onderwerpen die in het
                            convenant van 12 april 1988 zijn genoemd. Ten aanzien van deze
                            onderwerpen kan eenzijdig arbitrage worden aangevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:16</nr></kop><al>1 Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:2:15 wordt
                            het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de
                            advies- en arbitragecommissie.</al><al> Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die
                            zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat
                            tenminste het onderwerp en de inhoud van het geschil.</al><al> Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:2:15 geen
                            overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over
                            de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de
                            overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de
                            inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na eerdergenoemde
                            vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en
                            arbitragecommissie.</al><al>2 Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:2:15 wordt
                            het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht aan de voorzitter van de
                            advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend
                            door alle deelnemers aan het overleg en dient tenminste te
                            bevatten:</al><al> a het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al><al> b de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp
                            en inhoud van het geschil.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:17</nr></kop><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                            geschil voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:18</nr></kop><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                            bindende kracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:19</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>In de gevallen, waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist het college
                            na overleg met de commissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:20</nr></kop><al>1 Dit hoofdstuk kan niet worden gewijzigd, dan nadat het voorstel tot
                            wijziging in de commissie is behandeld.</al><al>2 De commissie heeft het recht voorstellen omtrent wijziging voor te
                            leggen aan het college.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 14 MEDEZEGGENSCHAP</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1</nr></kop><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer
                            en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet
                            voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                            zittingstermijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>bedrijfscommissie: de Bedrijfscommissie voor de Overheid;</al><al>bestuurder: de gemeentesecretaris van de gemeente Tilburg;</al><al>dienst: a. Concernstaf;</al><lijst><li nr="b."><al>Dienst Bedrijven;</al></li><li nr="c."><al>Servicedienst;</al></li><li nr="d."><al>Dienst Publiekszaken;</al></li><li nr="e."><al>Dienst Beleidsontwikkeling;</al></li><li nr="f."><al>Dienst Gebiedsontwikkeling;</al></li></lijst><al>ondernemer: de gemeente Tilburg;</al><al>onderneming: de gemeente Tilburg;</al><al>vakbondslijst: een kandidatenlijst ingediend door een
                            werknemersorganisatie; </al><al>vrije lijst: een kandidatenlijst ingediend door in de onderneming
                            werkzame personen die geen lid zijn van een werknemersorganisatie welke
                            een kandidatenlijst heeft ingediend;</al><al>werknemersorganisaties: de verenigingen van werknemers bedoeld in
                            artikel 9, lid 2, onder a, van de wet; </al><al>wet: de Wet op de ondernemingsraden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:2</nr><titel>Samenstelling en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ondernemingsraad bestaat uit 15 leden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden worden gekozen via het integrale kiessysteem volgens het
                                lijstenstelsel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een
                                plaatsvervangende voorzitter. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter, of bij diens verhindering de plaatsvervangende
                                voorzitter, vertegenwoordigt de ondernemingsraad in rechte. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de ondernemingsraad treden om de 4 jaar tegelijk af.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aftredende leden zijn terstond herkiesbaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:4</nr><titel>Voorbereiding van de verkiezing, actief en passief kiesrecht,
                                kandidaatstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De organisatie van de verkiezing van de leden van de
                                ondernemingsraad berust bij de ondernemingsraad. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ondernemingsraad kan de organisatie van de verkiezing opdragen
                                aan een commissie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kiesgerechtigd zijn de personen die gedurende ten minste zes maanden
                                in de onderneming werkzaam zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad zijn de personen die
                                gedurende tenminste zes maanden bij de onderneming werkzaam zijn.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ondernemingsraad bepaalt na overleg met de ondernemer de datum
                                van de verkiezingen alsmede de tijdstippen van aanvang en einde van
                                de stemming. De secretaris van de ondernemingsraad doet van een en
                                ander mededeling aan de ondernemer, aan de in de onderneming
                                werkzame personen en aan de werknemersorganisaties. Tussen het doen
                                van deze mededeling en de datum waarop de verkiezing wordt gehouden,
                                liggen ten minste 15 weken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van de verkiezing ligt niet eerder dan 4 weken en niet
                                later dan 2 weken voor de afloop van de zittingsperiode van de
                                aftredende leden van de ondernemingsraad. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ondernemingsraad of de door hem ingestelde verkiezingscommissie
                                kan zich bij de verkiezingen laten bijstaan door een of meer
                                stembureaus, die elk bestaan uit ten hoogste 3 in de onderneming
                                werkzame personen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:7</nr></kop><al>1 Uiterlijk 12 weken voor de verkiezingsdatum stelt de ondernemingsraad
                            een lijst op van de in de onderneming werkzame personen die op de
                            verkiezingsdatum kiesgerechtigd zijn respectievelijk verkiesbaar zijn,
                            en maakt deze lijst in de onderneming bekend. </al><al>2 a Kandidaatstelling geschiedt door indiening van een lijst van een of
                            meer kandidaten bij de secretaris van de ondernemingsraad. Deze
                            verstrekt een gedagtekend bewijs van ontvangst, gesteld ten name van
                            degene die de lijst heeft ingediend. </al><al> b Kandidatenlijsten kunnen worden ingediend voor de afzonderlijke
                            diensten en voor de gehele onderneming.</al><al>3 Tot uiterlijk 6 weken voor de verkiezingsdatum kunnen
                            werknemersorganisaties kandidatenlijsten indienen.</al><al>4 Binnen 1 week nadat de in lid 3 bedoelde termijn is verstreken,
                            bepaalt de ondernemingsraad het aantal handtekeningen dat ten minste
                            nodig is voor de indiening van een kandidatenlijst door diegenen die
                            geen lid zijn van een werknemersorganisatie welke een kandidatenlijst
                            heeft ingediend. </al><al>5 Tot uiterlijk 3 weken voor de verkiezingsdatum kunnen de in lid 4
                            bedoelde kandidatenlijsten bij de secretaris van de ondernemingsraad
                            worden ingediend. </al><al>6 Bij elke kandidatenlijst wordt van iedere daarop voor komende
                            kandidaat de schriftelijke verklaring overgelegd inhoudende dat hij de
                            kandidatuur aanvaardt. </al><al>7 De naam van een kandidaat mag slechts op één kandidatenlijst
                            voorkomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ondernemingsraad onderzoekt of de ingediende kandidatenlijsten en
                                de daarop voorkomende kandidaten voldoen aan de vereisten van de wet
                                en van dit hoofdstuk. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ondernemingsraad verklaart een kandidatenlijst die niet aan de in
                                het vorige lid bedoelde vereisten voldoet, ongeldig en deelt dit
                                onverwijld schriftelijk en met opgave van redenen mede aan degene(n)
                                die de lijst heeft (hebben) ingediend. Gedurende één week na deze
                                mededeling bestaat de gelegenheid de lijst aan de gestelde vereisten
                                aan te passen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kandidatenlijsten worden uiterlijk 2 weken voor de
                                verkiezingsdatum door de ondernemingsraad aan de in de onderneming
                                werkzame personen bekend gemaakt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:9</nr></kop><al>Indien er niet meer kandidaten zijn gesteld dan er plaatsen zijn te
                            vervullen in de ondernemingsraad, vindt er geen verkiezing plaats en
                            worden de gestelde kandidaten geacht te zijn gekozen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:10</nr><titel>Wijze van stemmen bij verkiezingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verkiezing geschiedt bij geheime stemming; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Door of namens de ondernemingsraad wordt iedere kiesgerechtigde in
                                de stemmingsperiode in staat gesteld een stem uit te brengen volgens
                                een vooraf door de ondernemingsraad vastgestelde en gepubliceerde
                                methode;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Iedere kiesgerechtigde persoon kan voor ten hoogste twee andere
                                kiesgerechtigden een stem uitbrengen, mits hij door deze personen
                                schriftelijk is gemachtigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:11</nr></kop><al>Iedere kiesgerechtigde persoon brengt ten hoogste één stem uit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het einde van de stemming stelt de ondernemingsraad het aantal
                                geldige stemmen vast dat op elke kandidatenlijst en elke daarop
                                voorkomende kandidaat is uitgebracht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ongeldig zijn de stembiljetten: </al><lijst><li nr="a."><al>die niet door of namens de ondernemingsraad zijn
                                        gewaarmerkt;</al></li><li nr="b."><al>waaruit niet duidelijk de keuze van de stemgerechtigde
                                        blijkt; </al></li><li nr="c."><al>waarop meer dan één stem is uitgebracht;</al></li><li nr="d."><al>waarop andere aantekeningen voorkomen dan de aanwijzing van
                                        de verkozen kandidatenlijst. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter bepaling van de uitslag van de verkiezing berekent de
                                ondernemingsraad in de eerste plaats de kiesdeler door het aantal
                                geldig uitgebrachte stemmen te delen door het aantal te bezetten
                                zetels in de ondernemingsraad. Vervolgens worden aan iedere
                                kandidatenlijst zoveel zetels toegewezen als de kiesdeler begrepen
                                is in het aantal op die lijst uitgebrachte geldige stemmen. De
                                daarbij overblijvende stemmen alsmede de stemmen uitgebracht op een
                                lijst die de kiesdeler niet haalde, gelden als overschotstemmen.
                                Zetels die op deze wijze niet kunnen worden vervuld, worden als
                                restzetel achtereenvolgens toegekend aan de lijsten met de grootste
                                stemmenoverschotten. Bij een gelijk stemmenoverschot van twee of
                                meer lijsten beslist het lot welke lijst het eerst een restzetel
                                krijgt. De aan een lijst toegevallen zetels worden toegewezen aan de
                                daarop staande kandidaten in de volgorde waarop zij op de lijst
                                voorkomen, met dien verstande dat een kandidaat die persoonlijk de
                                kiesdeler heeft gehaald, in ieder geval is gekozen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitslag van de verkiezing wordt door de ondernemingsraad
                                vastgesteld en volledig bekend gemaakt aan de ondernemer, aan de in
                                de onderneming werkzame personen, en aan de werknemersorganisaties
                                die de kandidatenlijsten hebben ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:14</nr></kop><al>De gebruikte stembiljetten worden door de secretaris van de
                            ondernemingsraad in een of meer gesloten enveloppen ten minste drie
                            maanden bewaard. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:15</nr><titel>Voorziening in tussentijdse vacatures</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In geval van een tussentijdse vacature in de ondernemingsraad wijst
                                de ondernemingsraad tot opvolger van het betrokken lid aan de
                                kandidaat die blijkens de uitslag van de laatstgehouden verkiezing
                                daarvoor als eerste in aanmerking komt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing geschiedt binnen een maand na het ontstaan van de
                                vacature. Artikel 13, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er geen opvolger als bedoeld in het eerste lid aanwezig is,
                                wordt in de vacature voorzien door het houden van een tussentijdse
                                verkiezing, tenzij binnen zes maanden een algemene verkiezing
                                plaatsvindt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:16</nr><titel>Bezwarenregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tegen een besluit van een ondernemingsraad met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de bepaling van de datum van de verkiezing en de tijdstippen
                                        van het begin en einde van de stemming (artikel 6, eerste
                                        lid); </al></li><li nr="b."><al>de opstelling van de lijst van kiesgerechtigde en
                                        verkiesbare personen (artikel 7, eerste lid);</al></li><li nr="c."><al>de vaststelling van het aantal handtekeningen dat nodig is
                                        voor de indiening van een kandidatenlijst door degenen die
                                        geen lid zijn van een werknemersorganisatie welke een
                                        kandidatenlijst heeft ingediend (artikel 7, vierde lid);
                                    </al></li><li nr="d."><al>de geldigheid van een kandidatenlijst (artikel 8); </al></li><li nr="e."><al>de vaststelling van de uitslag van de verkiezing (artikel
                                        13, tweede lid);</al></li><li nr="f."><al>de voorziening in een tussentijdse vacature (artikel 15);
                                        kan iedere belanghebbende binnen een week na de bekendmaking
                                        van het besluit bezwaar maken bij de ondernemingsraad. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ondernemingsraad beslist onverwijld op het bezwaar en treft
                                daarbij zo nodig de noodzakelijke voorzieningen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:17</nr><titel>Werkwijze en secretariaat</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ondernemingsraad komt in vergadering bijeen in de navolgende
                                gevallen: </al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de voorzitter; </al></li><li nr="b."><al>op gemotiveerd verzoek van ten minste 3 leden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergadering is openbaar voor alle kiesgerechtigden en voorzitter
                                en leden van de Raad van de gemeente Tilburg.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bepaalde onderwerpen kunnen in beslotenheid behandeld worden.
                                Hiervan wordt op de agenda melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De voorzitter bepaalt tijd en plaats van de vergadering. Een
                                vergadering op verzoek van leden van de ondernemingsraad wordt
                                gehouden binnen 14 dagen nadat hun verzoek daartoe bij de voorzitter
                                is ingekomen. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De bijeenroeping geschiedt door de secretaris, door middel van een
                                schriftelijke kennisgeving aan de leden. De bijeenroeping geschiedt
                                ten minste 7 dagen vóór de te houden vergadering, behoudens in
                                spoedeisende gevallen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Er kan voor bepaalde onderwerpen spreektijd aangevraagd worden door
                                de onder lid twee genoemde personen bij de secretaris van de
                                ondernemingsraad voor de vergadering van de ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Een vergadering kan slechts plaatsvinden indien de meerderheid van
                                de leden van de ondernemingsraad aanwezig is. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Bij ontstentenis van de voorzitter en van diens plaatsvervanger
                                kiest de ondernemingsraad uit de aanwezige leden een voorzitter voor
                                de vergadering. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:18</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ondernemingsraad benoemt een secretaris. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris is belast met het bijeenroepen van de
                                ondernemingsraad, het opmaken van de agenda, het opstellen van het
                                verslag van de vergadering, alsmede met het voeren van de
                                briefwisseling en het beheren van de voor de ondernemingsraad
                                bestemde en van de ondernemingsraad uitgaande stukken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:19</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris maakt in overleg met de voorzitter voor iedere
                                vergadering een agenda op. Ieder lid van de ondernemingsraad kan bij
                                de secretaris een voorstel indienen voor plaatsing van een onderwerp
                                op de agenda. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris maakt de agenda bekend aan de leden van de
                                ondernemingsraad, aan de ondernemer en aan de in de onderneming
                                werkzame personen. Behoudens in spoedeisende gevallen geschiedt de
                                bekendmaking ten minste 7 dagen vóór de vergadering van de
                                ondernemingsraad. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:20</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ondernemingsraad beslist bij gewone meerderheid van stemmen. Ter
                                bepaling of aan dit voorschrift wordt voldaan tellen blanco stemmen
                                niet mee. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over zaken wordt mondeling en over personen wordt schriftelijk
                                gestemd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij een besluit met betrekking tot de benoeming van een
                                persoon geen van de kandidaten bij de eerste stemming de gewone
                                meerderheid haalt, vindt herstemming plaats tussen de twee
                                kandidaten die bij de eerste stemming de meeste stemmen kregen. Bij
                                deze herstemming is diegene gekozen, die alsdan de meeste stemmen op
                                zich heeft verenigd. Indien de stemmen staken beslist het lot. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij staking van stemmen over een voorstel tot een door de
                                ondernemingsraad te nemen besluit dat geen betrekking heeft op een
                                te benoemen persoon, wordt dit voorstel op de eerstvolgende
                                vergadering opnieuw aan de orde gesteld. Indien dan wederom de
                                stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:21</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na iedere vergadering van de ondernemingsraad
                                maakt de secretaris een verslag van die vergadering op en zendt het
                                toe aan de leden van de ondernemingsraad. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris maakt na het verstrijken van 7 dagen na de toezending
                                het verslag bekend aan de in de onderneming werkzame personen en aan
                                de ondernemer, tenzij binnen die termijn een lid van de
                                ondernemingsraad een met redenen toegelicht bezwaar heeft gemaakt
                                tegen de inhoud van het verslag. Het aan de in de onderneming
                                werkzame personen bekend te maken verslag bevat geen gegevens
                                waaromtrent geheimhouding moet worden betracht ingevolge het
                                bepaalde in artikel 20 van de wet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een bezwaar als bedoeld in het vorige lid is gemaakt, maakt
                                de secretaris het verslag eerst bekend nadat de ondernemingsraad
                                over het verslag heeft beslist. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:22</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris maakt jaarlijks vóór 1 april een verslag op van de
                                werkzaamheden van de ondernemingsraad in het afgelopen jaar. Dit
                                verslag behoeft de goedkeuring van de ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris maakt het jaarverslag zo spoedig mogelijk na de
                                goedkeuring bekend aan de ondernemer en aan de in de onderneming
                                werkzame personen, alsmede aan het bevoegde districtshoofd van de
                                Arbeidsinspectie en de bedrijfscommissie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:23</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit hoofdstuk kan worden gewijzigd en aangevuld bij besluit van
                                    de ondernemingsraad.</al></li><li nr="2."><al>Alvorens de wijziging of aanvulling vast te stellen, stelt de
                                    ondernemingsraad de ondernemer in de gelegenheid daarover zijn
                                    standpunt kenbaar te maken. </al></li><li nr="3."><al>In de vergadering waarin wordt besloten dit hoofdstuk te
                                    wijzigen of aan te vullen dienen ten minste tweederde van de
                                    leden van de ondernemingsraad aanwezig te zijn. </al></li><li nr="4."><al>Een zodanig besluit behoeft ten minste een meerderheid van
                                    tweederde der uitgebrachte stemmen. Ter bepaling of aan dit
                                    voorschrift is voldaan tellen blanco stemmen niet mee. </al></li><li nr="5."><al>De ondernemingsraad verstrekt onverwijld een exemplaar van de
                                    wijziging of aanvulling aan de ondernemer en aan de
                                    bedrijfscommissie. </al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 15 Overige rechten en verplichtingen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen
                            en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1a</nr></kop><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet,
                            bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1b</nr><titel>Persoonlijk gebruik van goederen of diensten</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of
                            namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten te laten verrichten door personen in
                                    gemeentedienst;</al></li><li nr="b."><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de
                                    vervulling van zijn functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1c</nr><titel>Aannemen van geschenken en gelden</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
                                    beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te
                                    verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het
                                    college;</al></li><li nr="b."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1d</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
                                orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen
                                of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij
                                verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
                                mededelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1e</nr><titel>Nevenwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te
                                bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij
                                verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de
                                dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling,
                                kunnen raken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                                eerste lid gedane opgaven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                                bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren
                                van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere
                                ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                                integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van
                                nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1f</nr><titel>Melding financiële belangen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie
                                waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                koersgevoelige informatie verbonden is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een
                                door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen
                                respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de
                                belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de
                                functievervulling, kunnen raken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het
                                tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten
                                te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de
                                goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de
                                openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn
                                functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent
                                dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1g</nr><titel>Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
                                dienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de
                                ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen
                                ten behoeve van anderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:8</nr><titel>Staking bij een particuliere werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                                werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats
                                heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te
                                verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden
                                behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks
                                met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de
                                regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente
                                noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt
                                zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in
                                artikel 12:1 tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:9</nr><titel>Aanvaarden andere werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het
                                college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of
                                andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te
                                verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze
                                werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in
                                die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed
                                en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt
                                aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                                Veiligheidsregio's.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1Wet
                                veiligheidsregio's, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van
                                het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van
                                de Wet veiligheidsregio's te verrichten onder leiding en toezicht
                                van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is
                                te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan
                                oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide
                                taak.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                                slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
                                zulks redelijkerwijs toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:10</nr><titel>Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                                vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan
                                zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan
                                op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden niet
                                vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich
                                schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze
                                van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:11</nr><titel>Plichten rekenplichtige ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar wordt van de verplichting tot
                                aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate
                                hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft
                                genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een
                                aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien
                                in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat
                                personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                                ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
                                afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                                gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens
                                aanwijzing door of namens het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:12</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:13</nr><titel>Beoordelings- en functioneringsgesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Over de medewerker wordt periodiek een beoordeling uitgebracht
                                omtrent de wijze waarop hij zijn functie vervult en zijn gedragingen
                                tijdens de uitoefening van die functie. Hierbij is van toepassing
                                het bepaalde in artikel 15:1:13:2.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de medewerker
                                tenminste eenmaal per jaar een functioneringsgesprek gevoerd. Voor
                                alle medewerkers van de gemeente Tilburg is hierbij het bepaalde uit
                                artikel 15:1:13:3 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:13:1</nr><titel>Beoordeling directeuren (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:13:2</nr><titel>Beoordeling medewerkers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>beoordeelde: de ambtenaar of de werknemer in de zin van deze
                                        regeling;</al></li><li nr="b."><al>beoordelingsformulier: het door het college vastgestelde
                                        formulier, waarop de beoordeling kan worden vastgelegd;</al></li><li nr="c."><al>beoordeling: het toetsen van het functioneren van de
                                        beoordeelde aan de volgens het functieprofiel van belang
                                        zijnde competenties, behaalde resultaten en gemaakte
                                        afspraken, dat wordt vastgelegd op het
                                        beoordelingsformulier, dan wel in een beoordelingsverslag.
                                        Als de medewerker dit wenst wordt echter het vastgestelde
                                        beoordelingsformulier gebruikt; </al></li><li nr="d."><al>beoordelingsadviseur: de personeelsfunctionaris van het
                                        organisatieonderdeel waar de beoordeelde werkzaam is;</al></li><li nr="e."><al>beoordelaar: de direct leidinggevende van de beoordeelde die
                                        met de beoordeling belast is;</al></li><li nr="f."><al>informant: een persoon aan wie in het kader van de
                                        beoordeling gevraagd wordt informatie te verstrekken over
                                        het functioneren en/of de prestaties van de
                                        beoordeelde;</al></li><li nr="g."><al>beoordelingsgesprek: de bespreking tussen de beoordelaar en
                                        de beoordeelde over het functioneren van
                                        laatstgenoemde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beoordeling vindt plaats volgens een door het college bepaalde
                                methode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beoordeling vindt plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>na eerste indiensttreding en na overplaatsing van de
                                        beoordeelde in een andere functie: minimaal driemaal
                                        gedurende het proefjaar.</al></li><li nr="b."><al>ten aanzien van alle andere beoordeelden: jaarlijks.</al></li><li nr="c."><al>functionerings- en beoordelingsgesprek zijn op zichzelf
                                        staande gesprekken, die onder voorwaarde dat de medewerker
                                        daarmee instemt in de tijd gecombineerd kunnen worden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>De beoordeling wordt opgemaakt ten opzichte van competenties
                                        en resultaatgebieden van het functieprofiel en de gemaakte
                                        afspraken in het kader van het Individueel OntwikkelingsPlan
                                        (IOP) en het Individueel Jaarplan (IJP).</al></li><li nr="d."><al>Indien de beoordeelde buiten diens schuld geen kennis draagt
                                        van aan werkzaamheden te stellen eisen, dan blijven deze
                                        buiten beschouwing bij de beoordeling.</al></li><li nr="e."><al>De beoordelaar kan in het kader van de beoordeling een of
                                        meerdere informanten inschakelen. De informatie van de
                                        informanten wordt schriftelijk vastgelegd en bij de
                                        beoordeling gevoegd. De informatie is niet anoniem en wordt
                                        tevoren aan te beoordeelde ter beschikking gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De beoordeelde wordt uiterlijk veertien dagen tevoren door de
                                beoordelaar in kennis gesteld van de datum en het tijdstip van het
                                komende beoordelingsgesprek.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Tijdens het beoordelingsgesprek krijgt de beoordeelde de gelegenheid
                                diens zienswijze te geven. Het beoordelingsgesprek wordt afgesloten
                                met een samenvattend oordeel van de beoordelaar.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>De beoordeling wordt uiterlijk veertien dagenna het
                                beoordelingsgesprek door de beoordelaar en de beoordeelde vastgelegd
                                op het beoordelingsformulier of in een beoordelingsverslag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De beoordelingsadviseur, die er op toeziet dat de beoordeling plaats
                                vindt overeenkomstig het in dit artikel bepaalde, is bij het
                                beoordelingsgesprek aanwezig indien de beoordeelde dan wel de
                                beoordelaar daarom verzoekt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Het beoordelingsformulier of het beoordelingsverslag wordt
                                        voor akkoord getekend door de beoordelaar. De beoordeelde is
                                        verplicht het formulier of het beoordelingsverslag voor
                                        akkoord of gezien te tekenen.</al></li><li nr="b."><al>Indien een beoordeelde hiërarchisch rechtstreeks onder de
                                        directeur is geplaatst, treedt de directeur op als
                                        beoordelaar. Indien de beoordeelde een directeur is treedt
                                        de gemeentesecretaris als beoordelaar op. Indien de
                                        beoordeelde de gemeentesecretaris is treedt de burgemeester
                                        als beoordelaar op.</al></li><li nr="c."><al>Door ondertekening van het beoordelingsformulier of het
                                        beoordelingsverslag door het afdelingshoofd of de directeur
                                        wordt de beoordeling vastgesteld.</al></li><li nr="d."><al>De beoordeling va de algemeen directeur /gemeentesecretaris
                                        en de directeuren wordt door het college in de
                                        collegevergadering/vertrouwelijk vastgesteld. </al></li><li nr="e."><al>De beoordeelde wordt het vastgestelde beoordelingsformulier
                                        of het beoordelingsverslag direct toegezonden.</al></li><li nr="f."><al>Opberging van het beoordelingsformulier of het
                                        beoordelingsverslag vindt plaats conform de Regeling
                                        Persoonsdossiers. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:13:3</nr><titel>Functioneringsgesprek</titel></kop><al>1 Dit artikel verstaat onder: </al><al>a medewerker: de ambtenaar of de werknemer in de zin van deze regeling; </al><al>b formulier voor het functioneringsgesprek: het door het college
                            vastgestelde formulier, waarop het functioneringsgesprek inclusief
                            Individueel JaarPlan (IJP) en Individueel OntwikkelingsPlan (IOP) kan
                            worden vastgelegd; </al><al>c functioneren: het beschrijven van het functioneren van de medewerker
                            gekoppeld aan het functieprofiel, dat wordt vastgelegd op het formulier
                            voor het functioneringsgesprek, dan wel in een
                            functioneringsverslag;</al><al>d leidinggevende: de direct leidinggevende van de medewerker;</al><al>e functioneringsgesprek: de bespreking tussen de leidinggevende en de
                            medewerker over het functioneren van laatstgenoemde
                            (tweerichting-communicatie).</al><al>f Individueel JaarPlan (IJP): concretisering van resultaatafspraken voor
                            het komend jaar.</al><al>g Individueel OntwikkelingsPlan (IOP): concretisering van de
                            competenties uit het functieprofiel in ontwikkelafspraken voor de
                            komende jaren. </al><al>2a Een functioneringsgesprek vindt jaarlijks plaats ten aanzien van alle
                            medewerkers. b Geen functioneringsgesprek vindt plaats na eerste
                            indiensttreding en na</al><al>overplaatsing van de medewerker in een andere functie (conform artikel
                            15:1:13:2 lid 3a, beoordelingsgesprek minimaal driemaal gedurende het
                            proefjaar).</al><al>3 Het functioneringsgesprek wordt gevoerd ten aanzien van het
                            functieprofiel en overige schriftelijk vastgelegde afspraken. Onderdelen
                            van het functioneringsgesprek zijn tevens:</al><al>a het Individueel JaarPlan (IJP) gekoppeld aan de
                            resultaatafspraken;</al><al>b het Individueel OntwikkelingsPlan (IOP) gekoppeld aan de competenties
                            uit het functieprofiel.</al><al>4 a De medewerker wordt uiterlijk veertien dagen tevoren door de
                            leidinggevende in kennis gesteld van de datum en het tijdstip van het
                            komende functioneringsgesprek.</al><al>b Tijdens het functioneringsgesprek krijgt de medewerker de gelegenheid
                            zijn zienswijze te geven. </al><al>c De verslaglegging van het functioneringsgesprek inclusief de gemaakte
                            afspraken wordt tijdens of uiterlijk veertien dagen na het
                            functioneringsgesprek door de medewerker vastgelegd op het formulier
                            voor het functioneringsgesprek of in een functioneringsverslag. In het
                            verslag worden tenminste het IOP en het IJP uitgewerkt. Als de
                            medewerker dit wenst wordt echter het vastgestelde formulier voor het
                            functioneringsgesprek gebruikt.</al><al>5 a Het formulier voor het functioneringsgesprek of het
                            functioneringsverslag wordt ‘voor akkoord’ getekend door de
                            leidinggevende. De medewerker is verplicht het formulier of het
                            functioneringsverslag ‘voor akkoord’ te tekenen. </al><al>b Het volledig getekende formulier voor het functioneringsgesprek of het
                            functioneringsverslag wordt direct toegezonden aan de medewerker. </al><al>c Opberging van het formulier voor het functioneringsgesprek of het
                            functioneringsverslag vindt plaats conform de Regeling
                            Persoonsdossiers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:14</nr><titel>Dragen van uniform of dienstkleding</titel></kop><al>1 De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de
                            door het college voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden
                            voorgeschreven kleding of uniform, schoeisel en onderscheidingstekenen
                            te dragen.</al><al>2 Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
                            uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of
                            namens het college toestemming is gegeven.</al><al>3 Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes
                            of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te
                            dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt
                            of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college
                            vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien
                            van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger
                            bestuursorgaan verlof is verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:14:1</nr><titel>Verstrekking, onderhoud en reiniging dienstkleding en
                                schoeisel</titel></kop><al>1 De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd als bedoeld in
                            artikel 15:1:14 wordt het daar bedoelde schoeisel van gemeentewege
                            kosteloos beschikbaar gesteld en wordt voor onderhoud en reiniging ten
                            laste van de gemeente zorggedragen.</al><al>2 a In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het college, om
                            redenen ontleend aan de bedrijfsvoering van zijn dienst, overgaan tot
                            het verstrekken van een kostendekkende vergoeding aan de ambtenaar, ter
                            dekking van onderhoud en reiniging van het schoeisel, alsmede voor de
                            aanschaf van het schoeisel als dit niet van gemeentewege beschikbaar
                            wordt gesteld.</al><al> b Het college draagt er zorg voor dat de vergoeding kostendekkend
                            blijft en dat de vergoeding ingetrokken wordt zodra de kosten waarvoor
                            de vergoeding gegeven wordt niet meer gemaakt worden.</al><al>3 a Het college kan voor de extra slijtage aan schoeisel van de
                            ambtenaar die ontstaat door het verrichten van werkzaamheden, een
                            vergoeding vertrekken aan de ambtenaar.</al><al> b Het college draagt er zorg voor dat de vergoeding de kosten van extra
                            slijtage blijft dekken en dat de vergoeding ingetrokken wordt als geen
                            sprake meer is van extra slijtage.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:15</nr><titel>Woonverplichting/Standplaats</titel></kop><al>1 Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting
                            worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.</al><al>2 Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met
                            name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk
                            zijn werkzaamheden verricht.</al><al>3 Ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde is voor de
                            navolgende functies een woonverplichting vastgesteld: uitvoerend en
                            toezichthoudend personeel, dat bij calamiteiten en gladheidsbestrijding
                            kan worden ingezet, alsmede onderhoudstechnici gemeentegebouwen, voor
                            zover deze verplichting door het college wordt vastgesteld en deze
                            ambtenaren daartoe zijn aangewezen: woongebied: 15-km gebied.</al><al>4 Onder 15 km-gebied voor de in lid 3 genoemde functies wordt verstaan
                            het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige cirkel met een
                            straal van 15 km, gemeten vanaf het centraal station in Tilburg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:16</nr><titel>Dienstwoning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                                dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van
                                de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die
                                daaromtrent zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                                plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn,
                                tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:17</nr><titel>Verbod betreden arbeidsterrein</titel></kop><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de
                            kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf
                            aldaar worden ontzegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:18</nr><titel>Infectieziekten</titel></kop><al>1 De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met
                            een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de
                            Infectieziektenwet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag
                            zijn functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen,
                            -lokalen en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur
                            van het staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat
                            hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar
                            dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken
                            acht.</al><al>2 De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie,
                            is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij
                            is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven
                            aanwijzingen, waaronder die met functie tot het ondergaan van een
                            geneeskundig onderzoek.</al><al>3De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                            overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie te
                            vervullen, zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:19</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:20</nr><titel>Vergoeding reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:21</nr><titel>Woon - werkverkeer (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:22</nr><titel>Vergoeding van schade</titel></kop><al>1 Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en
                            uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
                            Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij
                            buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling
                            van zijn functie, voor zover die schade niet bestaat uit de normale
                            slijtage dier goederen.</al><al>2 Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                            motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
                            motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn
                            functie, tenzij:</al><al> a die schade bestaat uit de normale slijtage of</al><al> b er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende
                            verwijtbaarheid of</al><al> c de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten
                            behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk
                            aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:23</nr><titel>Gebruik motorrijtuig en rijwiel</titel></kop><al>1 Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend
                            motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                            motorrijtuigen bij de vervulling van zijn functie te gebruiken, indien
                            en voor zover hem daartoe door of namens het college toestemming is
                            verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden
                            verbonden.</al><al>2 a Indien het Bedrijfsvervoerplan daarin niet voorziet, kan het college
                            ter uitvoering van werkzaamheden een rijwiel ter beschikking stellen, of
                            een rijwielvergoeding toekennen aan de ambtenaar die zijn eigen rijwiel
                            ter beschikking stelt.</al><al> b Ten aanzien van de vergoeding is het bepaalde in lid 15:1:14:1,
                            tweede lid sub b, van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:24</nr></kop><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                            schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:25</nr><titel>Volgen van een opleiding</titel></kop><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                            volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig
                            ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan
                            het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten
                            komen ten laste van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:26</nr></kop><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet
                            kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
                            voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:27</nr><titel>Borstvoeding</titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende
                            ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven
                            haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:28</nr><titel>Spaarloonregeling (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:29</nr><titel>Klachtenregeling seksuele intimidatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar die geconfronteerd wordt met directe of
                                indirecte seksueel getinte uitingen in woord, gebaar of afbeelding
                                of anderszins welke ongewenst of ongewild zijn, dan wel
                                redelijkerwijs als zodanig worden ervaren, is een klachtenregeling
                                ingesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van de in het eerste lid genoemde regeling kunnen tevens gebruik
                                maken diegenen met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, dan wel
                                als stagiaire, uitzendkracht of anderszins tijdelijk werkzaam zijn
                                bij de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:30</nr><titel>Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg</titel></kop><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                            plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de
                            commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten
                            vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan
                            genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt
                            benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:2</nr><titel>Klokkenluiders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens
                                van misstanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld
                                worden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>16</nr><titel>DISCIPLINAIRE STRAFFEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:1</nr><titel>Plichtsverzuim</titel></kop><al>1 De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
                            overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling
                            aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van
                            inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de
                            Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.</al><al>2 Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het
                            doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
                            omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:2</nr><titel>Disciplinaire straffen</titel></kop><al>1 Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                            disciplinaire straffen worden toegepast:</al><al> a schriftelijke berisping;</al><al> b arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar vastgestelde
                            werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale
                            vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per
                            dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op
                            zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;</al><al> c vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren
                            waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak
                            heeft;</al><al> d geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per
                            jaar;</al><al> e niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag
                            overeenkomende met het salaris over een halve maand;</al><al> f stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhogingen
                            als gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de
                            functie daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaren;</al><al> g vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste
                            twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede
                            functie geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten
                            hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee
                            jaren;</al><al> h plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander onderdeel
                            van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder
                            vermindering van salaris en de toegekende salaristoelage(n);</al><al> i schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van
                            salaris en de toegekende salaristoelage(n) .</al><al>2 De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden opgelegd
                            door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf
                            genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat
                            bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde
                            functie.</al><al>3 Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
                            uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende
                            de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt
                            aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt,
                            noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het
                            opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:3</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>1 De straf wordt niet opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid
                            is gesteld zich mondeling of schriftelijk te verantwoorden. De
                            verantwoording door de ambtenaar geschiedt indien deze niet schriftelijk
                            plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door
                            het college aangewezen vertegenwoor¬diger. De ambtenaar kan zich bij
                            deze verantwoording door een raadsman doen bijstaan.</al><al> De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan
                            12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn
                            worden afgeweken.</al><al>2 Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur
                            proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te
                            wiens overstaan de verantwoor¬ding plaats heeft en door de ambtenaar.
                            Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het
                            proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding
                            gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar
                            uitgereikt.</al><al>3 Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de
                            gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of
                            andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking
                            hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:4</nr></kop><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                            schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:5</nr></kop><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
                            uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                            strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al><al>Hoofdstuk 17 OPLEIDING EN ONTWIKKELING</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1</nr><titel>Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn
                                duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens
                                positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar
                                zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk
                                loopbaanbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren
                                en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en
                                onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                                organisatieverandering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het
                                gemeentelijk loopbaanbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:3</nr><titel>Individueel loopbaanbudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van €
                                500.-.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een
                                opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan
                                loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over
                                loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit
                                opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde
                                in het eerste lid. Dit na instemming van de ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van
                                loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training,
                                scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op de
                                vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten
                                behoeve van een andere functie binnen of buiten de organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op
                                een reëel loopbaanperspectief.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden
                                vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de
                                aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het
                                loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee
                                eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt
                                vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop
                                van de overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is
                                benut komt het resterende budget te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4</nr><titel>Persoonlijk ontwikkelingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het
                                college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de
                                afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en
                                vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te
                                volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie
                                jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in
                                de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het
                                gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het
                                college vastgestelde opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk
                                ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door
                                het college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                                betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van
                                de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen
                                de gemaakte afspraken uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                                betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs
                                te maken kosten;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden
                                onderbroken of gestopt;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding
                                bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding
                                bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen
                                periode na afronding van de studie;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4:1</nr><titel>Studietermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Studiekosten worden vergoed en/of studieverlof wordt verleend voor
                                een door het college bij de verlening te bepalen termijn, die wordt
                                afgeleid van de normaal te achten duur van de studie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de in het vorige lid bedoelde termijn met maximaal
                                een jaar verlengen, met dien verstande dat in bijzondere gevallen
                                nogmaals met maximaal een jaar kan worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in de voorgaande leden bedoelde termijnen worden geacht in elk
                                geval te zijn verstreken op de datum, waarop het dienstverband van
                                de ambtenaar met de gemeente eindigt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4;2</nr><titel>Studiekosten</titel></kop><al>1 De gemaakte studiekosten worden de ambtenaar volledig vergoed. Dit
                            geldt voor:</al><al> a cursus-, les- of collegegelden, examen- en diplomagelden, alsmede
                            studiemateriaal met uitzondering van schrijfbehoeften, verzendkosten,
                            duurzame gebruiksartikelen zoals personal computers, niet verplicht
                            voorgeschreven met de studie verband houdende boeken en voor de studie
                            gemaakte kosten in de privésfeer;</al><al> b de noodzakelijke reis- en verblijfskosten, die in verband met het
                            volgen van de studie of het afleggen van een examen moeten worden
                            gemaakt.</al><al> De reiskosten worden vergoed op de wijze als is geregeld in de gangbare
                            vergoedingsregeling. </al><al>2 Aanvragen om een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, kunnen
                            worden gehonoreerd voor zover deze het bedrag van het opleidingsbudget
                            niet te boven gaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4:3</nr><titel>Studieverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het volgen van lessen in diensttijd en voor het afleggen van
                                examens die in diensttijd worden afgenomen, wordt met inachtneming
                                van het gestelde in lid 2, verlof met behoud van het salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) toegekend voor zover dat noodzakelijk
                                geacht wordt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Compensatie van vrije tijd wordt verleend voor zover betrekking
                                hebbend op het daadwerkelijk bijwonen van lessen in vrije tijd en
                                wel voor het gedeelte dat de grens van 60 dagdelen per studiejaar
                                overstijgt. Voor deeltijders wordt deze grens naar rato
                                bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4:4</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht de inlichtingen te geven, die het college voor
                            de toepassing van dit hoofdstuk nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4:5</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Indien het college op grond van door hen ingewonnen inlichtingen van
                            oordeel is, dat de ambtenaar niet regelmatig of niet voldoende studeert,
                            waardoor hij niet in staat kan worden geacht zijn studie binnen de
                            termijn als bedoeld in artikel 17:4:1 te volbrengen, zijn zij bevoegd de
                            verleende studiekostenvergoeding of het toegestane studieverlof voor de
                            gehele of voor een deel van de resterende studieduur in te trekken. Deze
                            intrekking vindt echter niet plaats, indien de ambtenaar aannemelijk
                            maakt, dat het onregelmatige verloop van de studie of de onvoldoende
                            studieresultaten het gevolg is van feiten of omstandigheden, die niet
                            aan hem zijn te wijten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4:6</nr><titel>Studieresultaten</titel></kop><al>De ambtenaar, aan wie een studiekostenvergoeding of studieverlof is
                            toegekend, is verplicht zich na het verstrijken van de in artikel 17:4:1
                            bedoelde termijn aan het voor zijn studie vastgestelde examen en de
                            uitslag daarvan aan het college mede te delen, tenzij zulks op grond van
                            persoonlijke omstandigheden niet kan worden verlangd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4:7</nr><titel>Terugbetaling</titel></kop><al>1 Vergoeding van studiekosten wordt eerst gegeven, nadat de ambtenaar
                            schriftelijk heeft verklaard, dat hij de uit dien hoofde genoten
                            vergoeding zal terugbetalen, indien:</al><al> a hij de hem ingevolge artikel 17:4:6 opgelegde verplichting niet
                            nakomt;</al><al> b hij de studie, waarvoor de vergoeding is verleend, beëindigt voordat
                            de in artikel 17:4:1 bedoelde termijn is verstreken zonder dat de studie
                            tot het behalen van een diploma heeft geleid;</al><al> c de vergoeding voor de gehele studieduur op grond van artikel 17:4:5
                            wordt ingetrokken;</al><al> d hij op eigen verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten
                            of omstandigheden wordt ontslagen voor het einde van de studie waarvoor
                            vergoeding is toegekend of binnen twee jaren na het behalen van het voor
                            deze studie geldende diploma;</al><al> e hij op eigen verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten
                            of omstandigheden wordt ontslagen binnen twee jaren na het beëindigen
                            van de studie zonder dat het door hem - na het verstrijken van de
                            termijn bedoeld in artikel 17:4:1 - afgelegde examen tot het behalen van
                            een diploma heeft geleid.</al><al>2 De terugbetalingsverplichting op grond van het gestelde in het eerste
                            lid onder b van dit artikel is niet van toepassing, indien voortzetting
                            van de studie redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Indien op
                            de datum van ingang van het ontslag van de in het eerste lid, onder d en
                            e, bedoelde termijn van twee jaren ten minste een jaar is verstreken
                            blijft de verplichting tot terugbetaling beperkt tot 1/24 gedeelte van
                            de genoten bedragen voor iedere volle maand, die aan de termijn van twee
                            jaren ontbreekt.</al><al>3 Het college kan de ambtenaar, geheel of gedeeltelijk en al dan niet
                            tijdelijk, ontheffen van de op hem rustende verplichting tot
                            terugbetaling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4:9</nr></kop><al>Het college kan ter uitvoering van artikel 17:4 nadere regelen
                            stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4:10</nr></kop><al>Het college is bevoegd in gevallen waarin artikel 17:4 niet of niet in
                            redelijkheid voorziet een voorziening te treffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:5</nr><titel>Loopbaanadvies</titel></kop><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies
                            bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:6</nr></kop><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek
                            met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting
                            en belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan
                            afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:7</nr><titel>Flankerend beleid</titel></kop><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                            beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                            Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>18</nr><titel>Verplaatsingskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><al> a betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de
                            CAR;</al><al> b woongebied: de gebieden zoals door het college zijn aangewezen
                            ingevolge artikel 15:1:15;</al><al> c standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel daarvan, waar
                            de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht;</al><al> d gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerd partner van de betrokkene
                            en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de betrokkene en/of van de
                            echtgenoot, geregistreerd partner , voor zover zij samenwonen;</al><al> e eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen rekening
                            bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering, een
                            en ander ter beoordeling van het bevoegde gezag;</al><al> f berekeningsbasis: het twaalfvoud van het salaris per maand inclusief
                            eventuele salaristoelage(n), dan wel hetgeen daarmede overeenkomt
                            ingeval dat artikel niet op hem van toepassing is – die betrokkene
                            geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd met 8% en in voorkomende
                            gevallen vermeerderd met:</al><al> 1 genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een
                            genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel hoofdstuk
                            10a;</al><al> 2 genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het
                            pensioenreglement; </al><al> g berekeningstijdstip:</al><al> 1e datum waarop de betrokkene verhuist;</al><al> 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie feitelijk
                            wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling;</al><al> 3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum waarop de
                            laatste salarisbetaling heeft plaatsgevonden;</al><al> h verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk verandering
                            van de standplaats van de betrokkene in opdracht van het
                            bestuursorgaan;</al><al> i verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de kosten van een
                            verplaatsing, dan wel van een verhuizing voortvloeiende uit
                            indiensttreding of ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en
                            pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet heeft
                            plaatsgevonden;</al><al> j dienstwoning: de door het bevoegde gezag aan de betrokkene in verband
                            met de uitoefening van zijn functie aangewezen woning;</al><al>2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                            genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:2</nr><titel>Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><al>1 a De betrokkene, die vanwege het dienstbelang op functionele gronden
                            de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan
                            wonen, als bedoeld in artikel 15:1:15, tweede lid, wordt een
                            tegemoetkoming in verhuiskosten verleend;</al><al> b de medewerker die in verband met een indiensttreding zich uit eigener
                            beweging en geheel vrijwillig verplicht heeft tot verhuizing naar het
                            grondgebied van de gemeente Tilburg, komt eveneens in aanmerking voor
                            een tegemoetkoming in verhuiskosten. </al><al>2 De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en
                            aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend
                            of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen
                            twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende
                            tegemoetkoming in verhuiskosten terug te betalen.</al><al> Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst van
                            dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen wordt
                            niet als ontslag op verzoek beschouwd.</al><al>3 De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in
                            verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend,
                            indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot
                            terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem bekend is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:3</nr></kop><al>1 De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan in
                            verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning
                            betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
                            verleend.</al><al>2 Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op
                            verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor
                            vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te
                            wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee
                            jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke
                            tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.</al><al>3 Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
                            overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
                            verleend aan de nagelaten gezinsleden.</al><al>4 Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de
                            verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien
                            verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop
                            aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:4</nr></kop><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en
                            18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden
                            binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel
                            na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:5</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:</al></li><li nr="a."><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de
                                    inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe
                                    woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken
                                    van breekbare zaken;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk
                                    te maken kosten, met een maximum van € 310,51 per maand met dien
                                    verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden
                                    wordt verleend;</al></li><li nr="c."><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
                                    voortvloeiende kosten, met een maximum van € 6209,70.</al></li><li nr="2."><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
                                    huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders
                                    is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de
                                    berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een
                                    maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten
                                    woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in
                                    het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</al></li></lijst><al>3 Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten
                            of geregistreerd partners beiden betrokkene zijn in de zin van dit
                            hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn
                            verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis
                            vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben en
                            niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die
                            aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de
                            berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een
                            voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de
                            hoogste berekeningsbasis.</al><al>4 Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                            tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien
                            bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten
                            niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van de
                            berekeningsbasis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:5:1</nr></kop><al>1 Het overeenkomstig het ingevolge artikel 18:1:5 lid 2 berekende bedrag
                            wordt vermeerderd met een nader vast te stellen bedrag voor elk tot het
                            gezin behorend meeverhuizend en ten laste van de belanghebbende of
                            zijn/haar echtgeno(o)t(e) komend kind.</al><al>2 Indien beide echtgenoten belanghebbende zijn, wordt het bedrag voor
                            elk tot het gezin behorende en medeverhuizende kind slechts éénmaal
                            uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:6</nr><titel>Tegemoetkoming woon-werkverkeer</titel></kop><al>1De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd
                            om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in
                            artikel 15:1:15, óf vrijwillig bij indiensttreding kiest voor vestiging
                            in de gemeente Tilburg, en daarin, ondanks alle pogingen daartoe niet
                            slaagt, heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het
                            dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling,
                            zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een
                            tegemoetkoming in de verhuiskosten.</al><al>2 Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van
                            het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij
                            van gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt
                            voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor
                            verblijf in een pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel
                            15:1:15, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week
                            in de reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd
                            is.</al><al>3 Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar
                            het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs van
                            hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te
                            verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als
                            bedoeld in het eerste en tweede lid.</al><al>4 Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt
                            of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg
                            daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de
                            reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel een
                            tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de betrokkene naar
                            het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan
                            reizen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:7</nr><titel>Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
                                vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar
                                vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor
                                dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het
                                bedrag van € 3.984 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension
                                met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst
                                mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen
                                gebruik maakt en in plaats daarvan met eigen vervoer naar dat
                                station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 103,78 op
                                jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
                                vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van
                                een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling
                                die niet per openbaar vervoer is te bereiken, of indien de
                                betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van
                                tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar
                                vervoer is te bereiken, € 0,17 per kilometer met een maximum van 20
                                kilometer enkele reis.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van
                                tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan
                                geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25%
                                van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:7a</nr><titel>(vervallen m.i.v. 1 januari 2010)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:8</nr><titel>Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                                woon-werkverkeer</titel></kop><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een
                            betrokkene die niet conform artikel 15:1:15 verhuisplichtig is, heeft
                            aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar
                            vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een
                            aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de
                            opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, wordt
                            aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband een
                            vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze
                            vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:9</nr><titel>Pensionkosten</titel></kop><al>1 De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6,
                            tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met gezinsleden
                            samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde
                            pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de door het
                            bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.</al><al>2 De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het
                            bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan
                            de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het
                            tarief van de laagste klasse.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:10</nr><titel>Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten</titel></kop><al>1 De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en
                            18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden
                            verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene
                            telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.</al><al>2 Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfskosten
                            bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten
                            conform artikel 18:1:7 eerste lid en artikel 18:1:14, ingeval wordt
                            gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004,
                            niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is
                            ingediend.</al><al>3 Het bevoegde gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
                            vastgesteld op basis van artikel 18:1:7 eerste lid en artikel 18:1:14
                            maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een
                            korting op de bedragen van 6%.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:11</nr><titel>Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><al>1 De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de
                            datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn ingediend.</al><al>2 Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes
                            maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van de
                            kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:12</nr><titel>Voorschot</titel></kop><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                            tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:13</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens
                            dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin
                            deze regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar
                            redelijkheid voorzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:14</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming
                            woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat
                            luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode van
                            maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning, recht op
                            een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek
                            zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals
                            die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel voordeliger is voor deze
                            betrokkene, dan heeft hij recht op een tegemoetkoming conform de
                            laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien de medewerker gehoor heeft
                            gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de tegemoetkoming
                            woon-werkverkeer.</al><al>Hoofdstuk 21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan:
                            een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en - met het
                            oogmerk duurzaam samen te leven - een gemeenschappelijke huishouding
                            voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht
                            volgens door het college nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan
                            slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:2</nr><titel>Gelijkstelling levenspartner met echtgen(o)ot(e)</titel></kop><al>1 De in het tweede tot en met zevende lid opgenomen bepalingen, die
                            gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige wijze van
                            toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze
                            bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen
                            "levenspartner". Voor wat betreft het gezinslidmaatschap in de zin van
                            de IZA-regeling wordt de levenspartner gelijkgesteld aan de
                            echtgenoot.</al><al>2 De vastgestelde regelingen met betrekking tot:</al><al> a het verlof met behoud van bezoldiging wegens persoonlijke of
                            familie-omstandigheden;</al><al> b de uitkering bij overlijden van de ambtenaar.</al><al> Voor de toepassing van artikel 8:16:3 wordt de levenspartner als
                            gezinslid aangemerkt.</al><al>3 De bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de wachtgelder.</al><al>4 De bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:</al><al> a het recht op een uitkering;</al><al> b de uitkering bij overlijden van betrokkene.</al><al>5 De bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de verhuiskosten-,
                            de reiskosten- en de pensionkostenvergoeding.</al><al>6 De bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de gewezen ambtenaar.</al><al>7 De bepalingen van de door het college vastgestelde
                            bedrijfsspaarregelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:3</nr><titel>(Vervallen per 1 juli 2001)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:4</nr></kop><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid
                            voorziet, treft het college een passende voorziening.</al><al>Hoofdstuk 22 Overgangs- en slotbepalingen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na die van haar
                                afkondiging en werkt terug tot 1 januari 1996.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van die datum vervallen:</al><lijst><li nr="o"><al>Algemeen Ambtenarenreglement van de gemeente Tilburg.</al></li><li nr="o"><al>Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke
                                        brandweer.</al></li><li nr="o"><al>Arbeidsovereenkomstenverordening.</al></li><li nr="o"><al>Algemene bezoldigingsverordening.</al></li><li nr="o"><al>Bijlage A: salaristabellen.</al></li><li nr="o"><al>Bijlage B: garantiesalarissen.</al></li><li nr="o"><al>Leeftijdsanciënniteitstoelagen</al></li><li nr="o"><al>Bedragen inconveniëntentoelage.</al></li><li nr="o"><al>Bijlage D: overgangsregeling verlaging jeugdsalarissen.</al></li><li nr="o"><al>Toelageregeling.</al></li><li nr="o"><al>Bijlage toelagebedragen.</al></li><li nr="o"><al>Overlegverordening.</al></li><li nr="o"><al>Verordening medezeggenschap 1985.</al></li><li nr="o"><al>Verkiezingsreglement.</al></li><li nr="o"><al>Vervangingsvergoeding.</al></li><li nr="o"><al>Uitvoeringsregeling voor compensatie/vergoeding van
                                        overwerk/onregelmatig werk.</al></li><li nr="o"><al>Regeling consignatiedienstvergoeding.</al></li><li nr="o"><al>Regeling afbouw genoten toelagen of vergoedingen.</al></li><li nr="o"><al>Gratificaties ambtsjubilea.</al></li><li nr="o"><al>Regeling functiebeschrijving en -waardering.</al></li><li nr="o"><al>Vergoeding reiskosten woon-werkverkeer in het kader van
                                        overwerk.</al></li><li nr="o"><al>Regeling variabele werktijden.</al></li><li nr="o"><al>Regeling beëindiging werktijd op 5, 24 en 31 december.</al></li><li nr="o"><al>Regeling arbeidstijdverkorting ambtenaren van 60 jaar en
                                        ouder.</al></li><li nr="o"><al>Vakantietoelageregeling.</al></li><li nr="o"><al>Vakantieverlofregeling.</al></li><li nr="o"><al>Vakantieverlofregeling Brandweer.</al></li><li nr="o"><al>Verlofregeling bij overlijden van bloed- en
                                        aanverwanten.</al></li><li nr="o"><al>Buitengewoon verlofregeling voor jeugd- en
                                        jongerenwerk.</al></li><li nr="o"><al>Buitengewoon verlofregeling voor begeleiden
                                        zieken/gehandicapten.</al></li><li nr="o"><al>Buitengewoon verlofregeling bij adoptie.</al></li><li nr="o"><al>Buitengewoon verlofregeling wegens huiselijke
                                        omstandigheden.</al></li><li nr="o"><al>Buitengewoon verlofregeling bij bekleding politieke
                                        ambten.</al></li><li nr="o"><al>Regeling kermisverlof.</al></li><li nr="o"><al>Regeling niet-opgenomen vakantiedagen.</al></li><li nr="o"><al>Regeling arbeidstijdverkorting.</al></li><li nr="o"><al>Verlofregeling i.v.m. de viering van niet-christelijke
                                        feestdagen.</al></li><li nr="o"><al>Regeling m.b.t. het toekennen van verlof bij
                                        verhuizing.</al></li><li nr="o"><al>Regeling verloffaciliteiten voor vakbondswerk.</al></li><li nr="o"><al>Verordening Ouderschapsverlof.</al></li><li nr="o"><al>Regeling ziektecontrole.</al></li><li nr="o"><al>1%-regeling ziektekosten.</al></li><li nr="o"><al>Normbedragen 1%-regeling.</al></li><li nr="o"><al>1%-regeling ziektekosten voor gepensioneerden.</al></li><li nr="o"><al>2%-regeling kosten verband houdende met ziekte.</al></li><li nr="o"><al>Berekening ziektegeld in verband met
                                        overwerkvergoeding.</al></li><li nr="o"><al>Regeling flexibel zwangerschapsverlof.</al></li><li nr="o"><al>Regeling kastekorten.</al></li><li nr="o"><al>Beoordelingsreglement 1985.</al></li><li nr="o"><al>Regeling dienstkleding.</al></li><li nr="o"><al>Verplaatsingskostenverordening.</al></li><li nr="o"><al>Lijst met functies met woonverplichting.</al></li><li nr="o"><al>Regeling verhuistermijn/pensionkostenvergoeding.</al></li><li nr="o"><al>Regeling reiskostenvergoeding ongehuwden.</al></li><li nr="o"><al>Autokostenvergoedingsregeling 1984.</al></li><li nr="o"><al>Regeling bromfiets- en rijwielvergoeding.</al></li><li nr="o"><al>Regeling schadevergoeding.</al></li><li nr="o"><al>Verordening studiekosten en studieverlof.</al></li><li nr="o"><al>Regeling dankbetuiging bij ontslag.</al></li><li nr="o"><al>Uitkeringsverordening F.L.O.</al></li><li nr="o"><al>Wachtgeldverordening.</al></li><li nr="o"><al>Uitkeringsverordening.</al></li><li nr="o"><al>Verordening wachtgeld en uitkering bij privatisering.</al></li><li nr="o"><al>Procedureregeling inspraak bij reorganisaties.</al></li><li nr="o"><al>Vergoedingsregeling dienstreizen 1992</al></li><li nr="o"><al>Regeling zoogverlof (uitleg art. F 31)</al></li><li nr="o"><al>Regeling schoon-vervoer-premie</al></li><li nr="o"><al>Regeling bedrijfsongevallen-registratie</al></li><li nr="o"><al>Regeling koffie- en theeverstrekking</al></li><li nr="o"><al>Regeling toelage bedrijfszelfbescherming</al></li><li nr="o"><al>Regeling doelgroepenbeleid/positieve aktie</al></li><li nr="o"><al>Regeling flexibele beloning</al></li><li nr="o"><al>Regeling functioneringsgesprekken</al></li><li nr="o"><al>Gewetensbezwaarden</al></li><li nr="o"><al>Beleidsregels inz. kinderopvang</al></li><li nr="o"><al>Regeling overplaatsingen (mobiliteitsbeleid)</al></li><li nr="o"><al>Besluit personeelsvoorzieningsbeleid</al></li><li nr="o"><al>Besluit maaltijdvergoeding</al></li><li nr="o"><al>Regeling 9-urige werkdag</al></li><li nr="o"><al>Diverse circulaires van het college:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>rechtspositieregelingen ten behoeve van
                                niet-huwelijksrelatievormen.</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>verlof bij verhuizing ongehuwde ambtenaar zonder eigen
                                huishouding.</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>bevordering V.U.T.</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>verlof voor vakbondsaktiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>regeling persoonsdossiers.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen,
                                waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
                                opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de
                                gevolgen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                                artikelen 10:1, 10:6, 10:15, eerste en tweede lid, 10:19, 10:23,
                                tweede lid, 11:1, 11:6, zevende en achtste lid, 11:13, eerste en
                                tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27, tweede lid, terugwerkende
                                kracht tot en met 1 augustus 1993.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:1:1</nr></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als "Arbeidsvoorwaardenregeling
                            gemeente Tilburg".</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Tilburg/i284711.pdf">Bijlage en toelichting</extref></al><al><vet>Bijlage en toelichting</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>