<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>435817_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-04</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.officielebekendmakingen.nl">officiële bekendmakingen.nl, 30 december 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân</dcterms:alternative><dcterms:alternative></dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.3, art. 2.1.4 lid 1,2,3 en 7, art. 2.1.5 lid 1, art. 2.1.6, art.2.1.7, art. 2.3.6 lid 4 en art. 2.6.6 lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15-12-2016/ 9B</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 Dienst SoZaWe Nw. Fryslan is
                    per 1 januari 2017 ingetrokken</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                        Noardwest Fryslân;</al><al></al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid,
                        2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid,
                        van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al>overwegende:</al><lijst><li nr="-"><al> dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                                waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk
                                leven;</al></li><li nr="-"><al> dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar
                                vermogen bijstaan;</al></li><li nr="-"><al> dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                                onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot
                                participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de
                                gemeente i.c. door de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                Noardwest Fryslân, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leef
                                omgeving kunnen blijven wonen;</al></li><li nr="-"><al> dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering
                                van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning 2015 met betrekking tot de
                                ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en
                                participatie van personen met een beperking of met chronische
                                psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en
                                opvang;</al></li><li nr="-"><al> dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en
                                daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                                samenleving;</al></li></lijst><al></al><al>besluit vast te stellen de:</al><al></al><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017 Dienst SoZaWe Nw.
                            Fryslân.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning 2015 en in de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen bestuur: algemeen bestuur van de Dienst Sociale
                                        Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="-"><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet
                                        speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die
                                        algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan
                                        vergelijkbare producten;</al></li><li nr="-"><al>alleenstaande: de ongehuwde en niet als partner
                                        geregistreerde die geen tot zijn laste komende kinderen
                                        heeft;</al></li><li nr="-"><al>alleenstaande ouder: de ongehuwde en niet als partner
                                        geregistreerde die de volledige zorg heeft voor een of meer
                                        tot zijn laste komende kinderen, waarbij onder een ten laste
                                        komend kind wordt verstaan een kind jonger dan 18 jaar;</al></li><li nr="-"><al>beleidsregels: Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning
                                        2017 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage in de kosten: bijdrage in de kosten als bedoeld in
                                        artikel 2.1.4, eerste lid van de wet;</al></li><li nr="-"><al>dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van de Dienst Sociale
                                        Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="-"><al>dienst SoZaWe: Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                        Noardwest Fryslân</al></li><li nr="-"><al>de wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al>gekwalificeerde ondersteuners: Ondersteuning door
                                        professionals die werken voor een bij de Kamer van
                                        Koophandel ingeschreven organisatie. Die organisatie voldoet
                                        aan onze kwaliteitseisen en is gecontracteerd als
                                        ZIN-aanbieder of kan door middel van plannen (over relevante
                                        wet- en regelgeving, aansprakelijkheid, administratie en
                                        continuïteit) of visitatie door onze gebiedsteams en
                                        toezichthouder aantonen dat de organisatorische bekwaamheid
                                        voldoet aan het niveau van onze inkoopvoorwaarden.</al></li><li nr="-"><al>gezin: de gehuwde of als partner geregistreerde die tezamen
                                        een gezamenlijke huishouding voeren;</al></li><li nr="-"><al>hoofdverblijf: de woonruimte waar de aanvrager zijn vaste
                                        woon- en </al><al>verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke
                                        basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven of
                                        het feitelijke woonadres;</al></li><li nr="-"><al>huishoudelijke hulp als algemene voorziening: licht en zwaar
                                        huishoudelijk werk. </al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning
                                        als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in één van de aan
                                        de dienst SoZaWe deelnemende gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>kwetsbaar gekwalificeerde ondersteuners: Ondersteuning door
                                        professionals die werken voor een organisatie die voldoet
                                        aan onze kwaliteitseisen;</al></li><li nr="-"><al>noodzakelijke huishoudelijke hulp als algemene voorziening:
                                        hulp voor hen die in het kader van hun zelfredzaamheid zijn
                                        aangewezen op hulp bij licht en zwaar huishoudelijk werk en
                                        geen beroep kunnen doen op voorliggende wetgeving;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>onverwijld: zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen
                                        drie werkdagen;</al></li><li nr="-"><al> persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden
                                        bedoeld in artikel 2.3.2. vierde lid onderdelen a tot en met
                                        g van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke
                                        ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;</al></li><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1
                                        van de wet;</al></li><li nr="-"><al>Sociaal betrokken ondersteuners: Ondersteuning door
                                        niet-professionals die voldoen aan de kwaliteitseisen. Het
                                        betreft het sociaal netwerk.</al></li><li nr="-"><al>verslag: het geaccordeerde of voor gezien getekende document
                                        dat een weergave bevat van het onderzoek in het kader van de
                                        Wmo 2015;</al></li><li nr="-"><al>ZIN: Zorg in natura tarief.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Procedureregels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1
                            tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in
                            samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een
                            maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen
                            of opvang in aanmerking komt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur neemt het verslag als uitgangspunt voor de
                                    beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid
                                            of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de
                                            cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het
                                            dagelijks bestuur niet kan verminderen:</al><al>• op eigen kracht;</al><al>• met gebruikelijke hulp;</al><al>• met mantelzorg;</al><al>• met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                            netwerk;</al><al>• met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke
                                            voorzieningen;</al><al>• met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                            uitkomsten van het in artikel 2 en de nadere regelgeving
                                            op basis van artikel 2 bedoelde onderzoek, een passende
                                            bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de
                                            cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of
                                            participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                                            leefomgeving kan blijven.</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven
                                            in de samenleving van de cliënt met psychische of
                                            psychosociale problemen en de cliënt die de
                                            thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met
                                            risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk
                                            geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het
                                            oordeel van hetdagelijks bestuur niet kan verminderen of
                                            wegnemen:</al><al>• op eigen kracht;</al><al>• met gebruikelijke hulp;</al><al>• met mantelzorg;</al><al>• met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                            netwerk;</al><al>• met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                            uitkomsten van het in artikel 2 en de nadere regelgeving
                                            op basis van artikel 2 bedoelde onderzoek, een passende
                                            bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt
                                            aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van
                                            een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld
                                            zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven
                                            in de samenleving.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                                    zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor
                                    een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot
                                    ondersteuning:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet
                                            verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die
                                            de hulpvraag overbodig had gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van
                                    een eerder door het dagelijks bestuur verstrekte voorziening,
                                    wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte
                                    voorziening technisch is afgeschreven tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                            gevolg vanomstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe
                                            te rekenen;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                            veroorzaakte kosten;</al></li><li nr="c."><al>de eerder verstrekte voorziening niet langer een
                                            oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                            maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, wordt de goedkoopst
                                    compenserende maatwerkvoorziening verstrekt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er wordt in ieder geval geen maatwerkvoorziening verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover met betrekking tot de problematiek die in het
                                            gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot
                                            ondersteuning, een voorziening op grond van een andere
                                            wettelijke bepaling bestaat;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                                            hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit
                                            zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de cliënt met gebruikmaking van een algemene
                                            voorziening de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="d."><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt
                                            algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="e."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt na de
                                            melding aan het dagelijks bestuur als bedoeld in artikel
                                            2.3.2. lid 1 van de wet maar vóór de datum van het
                                            besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het
                                            dagelijks bestuur daarvoor schriftelijk toestemming
                                            heeft verleend of de noodzaak achteraf kan worden
                                            vastgesteld;</al></li><li nr="f."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op een
                                            voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het
                                            kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de
                                            normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet
                                            is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                            voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                            omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te
                                            rekenen, tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk
                                            tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten of tenzij de
                                            eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing
                                            biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                            maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="g."><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu
                                            is gericht;</al></li><li nr="h."><al>indien de cliënt tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid heeft betoond.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en
                                    participatie wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij een
                                            kortdurende maatwerkvoorziening leidt tot het te
                                            bereiken resultaat;</al></li><li nr="b."><al>indien de cliënt geen ingezetene is van één van de aan
                                            de dienst SoZaWe deelnemende gemeenten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Geen woonvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van
                                            de in de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>indien de belanghebbende zijn/haar hoofdverblijf niet
                                            heeft in één van de aan de Dienst deelnemende
                                            gemeenten;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke
                                            ruimten betreft;</al></li><li nr="d."><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing naar
                                            een voor debelanghebbende ongeschikte woning op grond
                                            van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie
                                            en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig
                                            is;</al></li><li nr="e."><al>indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of
                                            haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning,
                                            tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is
                                            verleend door het dagelijks bestuur.</al></li><li nr="f."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het primaat van
                                            verhuizen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Een cliënt kan voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in
                                    natura of in de vorm van een pgb in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of
                                    psychosociale problemen het gebruik van het collectief systeem
                                    onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur verstrekt een pgb in overeenstemming met
                                    artikel 2.3.6 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid van de wet
                                    verstrekt het dagelijks bestuur geen pgb voor zover de aanvraag
                                    betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan
                                    de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te
                                    gaan of die ingekochte voorziening noodzakelijk was.</al></li><li nr="3."><al>Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten,
                                    hulpmiddelen, woning-aanpassingen en andere maatregelen onder de
                                    volgende voorwaarden betrekken van sociaal betrokken
                                    ondersteuners:</al><lijst><li nr="a."><al>het die situaties betreft waarin het de gebruikelijke
                                            hulp overstijgt en dit aan toonbaar tot betere en
                                            effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar
                                            doelmatiger is.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te
                                    worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is
                                    verstrekt. </al></li><li nr="5."><al>Het dagelijks bestuur stelt nadere regels met betrekking tot de
                                    voorwaarden van een pgb. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Regels voor hoogte PGB</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het tarief voor een pgb:</al><al>a. is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
                                    zorg in te kopen.</al></li><li nr="2."><al><cursief>De hoogte van een PGB voor
                                    dienstverlening</cursief></al><al>De hoogte van een PGB voor dienstverlening is een all-in
                                    uurtarief. Dit all-in uurtarief is opgebouwd uit verschillende
                                    kostencomponenten, zoals reiskosten en salaris.</al></li><li nr="3."><al><cursief>Begeleiding</cursief></al><al>Het PGB-tarief voor begeleiding voor gekwalificeerde
                                    ondersteuners bedraagt maximaal 95% van het ZIN-tarief,
                                    uitgaande van de goedkoopst adequate ZIN-voorziening.</al><al>Bij de inzet van sociaal betrokken ondersteuners, rekening
                                    houdend met de voorwaarden zoals deze zijn gesteld in artikel 5
                                    lid 3, of bij de inzet van kwetsbaar gekwalificeerde
                                    ondersteuners bedraagt het PGB-tarief maximaal 75% van het
                                    ZIN-tarief, uitgaande van de goedkoopst adequate
                                    ZIN-voorziening.</al></li><li nr="4."><al><cursief>Huishoudelijke hulp</cursief></al><al>Het bedrag voor een PGB bedraagt, indien als maatwerkvoorziening
                                    verstrekt, € 16,64 per uur voor huishoudelijke hulp en € 23,29
                                    per uur voor huishoudelijke hulp met begeleidingstaken.</al></li><li nr="5."><al><cursief>Wonen, rolstoelen en
                                    vervoersvoorzieningen</cursief></al><al>Het bedrag voor een PGB voor een voorziening voor wonen,
                                    rolstoelen of vervoer wordt bepaald als tegenwaarde van die
                                    voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen
                                    als die in natura zou zijn verstrekt. Als die naturaverstrekking
                                    geen nieuwe voorziening zou zijn geweest, dan wordt de
                                    tegenwaarde daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de
                                    verkorte afschrijvingstermijn en rekening houdend met onderhoud
                                    en verzekering. Als die naturaverstrekking een nieuwe
                                    voorziening zou zijn geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop
                                    gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de Dienst te
                                    ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en
                                    verzekering.</al></li><li nr="6."><al><cursief>Woningaanpassingen </cursief></al><al>Voor kleine woningaanpassingen wordt gewerkt met de actuele
                                    versie van de limitatieve lijst waar standaardbedragen in staan.
                                    Voor grote woningaanpassingen wordt gewerkt op basis van
                                    aangevraagde offertes.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Informatieplicht, herziening en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of
                                de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve
                                van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het dagelijks bestuur kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                de controle op het gebruik of de besteding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de uitvoering van dit artikel wordt de privacywetgeving in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                dagelijks bestuur op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                                mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn
                                tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of
                                2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet herziet dan wel trekt het
                                dagelijks bestuur een beslissing in als bedoeld in artikel 2.3.5 of
                                2.3.6 van de wet als het dagelijks bestuur vaststelt dat:</al></lid><lid><lidnr>a. </lidnr><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                beslissing zou hebben geleid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                aangewezen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                achten;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb
                                verbonden voorwaarden, of</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander
                                doel gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb wordt ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het dagelijks bestuur een beslissing op grond van het tweede
                                lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste
                                of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft
                                plaatsgevonden, vordert het dagelijks bestuur van de cliënt en
                                degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend
                                geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terug van de ten onrechte
                                genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, wordt deze voorziening teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, wordt deze voorziening teruggevorderd. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van
                                de geleverde zorg al dan niet steekproefsgewijs de bestedingen van
                                pgb’s.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerk-voorzieningen en
                                algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het
                                gebruik van een maatwerkvoorziening in natura dan wel als pgb,
                                zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruikmaakt of gedurende de
                                periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. De bijdrage in de kosten
                                is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn
                                echtgenoot.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bedragen per vier weken, de inkomensbedragen en de percentages
                                die gelden voor de berekening van de bijdrage zijn gelijk aan die
                                genoemd in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Daarbij geldt dat de ontvanger van een maatwerkvoorziening als
                                bijdrage de maximale bijdrage per vier weken zoals genoemd in het
                                Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 betaalt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de
                                maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>door een aanbesteding; </al></li><li nr="b."><al>na een consultatie in de markt, of</al></li><li nr="c."><al>in overleg met de aanbieder. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de wet,
                                worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening door het CAK
                                vastgesteld en geïnd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een
                                minderjarige cliënt, is de bijdrage in de kosten verschuldigd
                                door:</al><lijst><li nr="a."><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                        tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                        Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en</al></li><li nr="b."><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                        uitoefent over een cliënt, zoals geregeld in artikel 2.1.5,
                                        lid 1, sub b van de wet.</al></li><li nr="c."><al>In afwijking van dit lid is in ieder geval geen bijdrage
                                        verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt
                                        zijn ontheven of ontzet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor taken die de gemeente Leeuwarden als centrumgemeente vervult,
                                zal de gemeente Leeuwarden met betrekking tot de bijdragen in de
                                kosten de hoogte en op welke wijze en door welke organisatie(s) deze
                                bijdragen worden geïnd, bepalen.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>a. Voor huishoudelijke hulp als algemene voorziening is een bijdrage
                                verschuldigd van €22,80 per uur.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Voor noodzakelijke huishoudelijke hulp als algemene voorziening is
                                een bijdrage verschuldigd van €8,50 per uur indien iemand ingezetene
                                is van de gemeente Harlingen. Voor noodzakelijke huishoudelijke hulp
                                als algemene voorziening is een bijdrage verschuldigd van €10,50 per
                                uur indien iemand ingezetene is van de gemeenten Franekeradeel,
                                Menameradiel, Het Bildt, Leeuwarderadeel, Vlieland en
                                Terschelling.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Degenen onder b. krijgen onder de volgende voorwaarden, de volgende
                                korting op de bijdrage:</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>Indien iemand een inkomen heeft tot en met 120% van de van
                                toepassing zijnde inkomensnorm en niet meer vermogen heeft dan €
                                10.000,- voor een alleenstaande of €15.000,- voor een alleenstaande
                                ouder of gezin, krijgt diegene een korting van 100%.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>Indien iemand een inkomen heeft vanaf 120% tot en met 125% van de
                                van toepassing zijnde inkomensnorm en niet meer vermogen heeft dan €
                                10.000,- voor een alleenstaande of €15.000,- voor een alleenstaande
                                ouder of gezin, krijgt diegene een korting van 60%.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>Indien iemand een inkomen heeft vanaf 125% tot en met 130% van de
                                van toepassing zijnde inkomensnorm en niet meer vermogen heeft dan €
                                10.000,- voor een alleenstaande of €15.000,- voor een alleenstaande
                                ouder of gezin, krijgt diegene een korting van 30%.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>De inkomensnormen worden als bijlage bij deze verordening
                                gevoegd.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels stellen in het kader van dit
                                artikel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>Kwaliteit en veiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen
                                met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door</al></lid><lid><lidnr>a. </lidnr><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de
                                cliënt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in
                                het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                overeenstemming met de professionele standaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels stellen over verdere eisen
                                aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                                deskundigheid van beroepskrachten </al><al> daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het dagelijks
                                bestuur toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen
                                met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo
                                nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de
                                geleverde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur treft een regeling voor het melden van
                                calamiteiten en gewelds-incidenten bij de verstrekking van een
                                voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend
                                ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet,
                                doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                adviseert het dagelijks bestuur over het voorkomen van verdere
                                calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder
                                    geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie
                                            tot de zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van
                                            het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                            werkoverleg;</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren overige
                                    voorzieningen, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de
                                            voorziening van de leverancier worden gevraagd,
                                            zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de
                                                  voorziening;</al></li><li nr="-"><al>instructie over het gebruik van de
                                                  voorziening;</al></li><li nr="-"><al>onderhoud van de voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>verplichte deelname in bepaalde
                                                  samenwerkingsverbanden (bijv. sociale
                                                  wijkteams).</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Reële prijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur stelt een reële prijs vast voor het
                                    leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel
                                    2.6.4. van de wet, die geldt als ondergrens voor een
                                    inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en voor het
                                    aangaan van een overeenkomst met de derde.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur baseert de reële prijs voor een dienst in
                                    ieder geval op de volgende kostprijselementen:</al><lijst><li nr="a. "><al>de kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten
                                            en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke
                                            collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten vanwettelijke
                                            verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige
                                            kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het
                                            leveren van een dienst;</al></li><li nr="b."><al>redelijke overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al>kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten
                                            als gevolg van verlof,ziekte, scholing,
                                            werkoverleg;</al></li><li nr="d."><al>reis en opleidingskosten;</al></li><li nr="e."><al>indexatie van de reële prijs voor het leveren van een
                                            dienst;</al></li><li nr="f."><al>overige kosten als gevolg van gemeentelijke
                                            verplichtingen voor aanbieders waaronder
                                            rapportageverplichtingen en administratieve
                                            verplichtingen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Waardering en ondersteuning mantelzorgers en vrijwilligers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Waardering mantelzorgers en ondersteuning mantelzorgers en
                                vrijwilligers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur werkt in nadere regelgeving uit hoe de
                                jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten
                                wordt vormgegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur werkt in nadere regelgeving uit hoe de
                                ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers wordt
                                vormgegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Klachten, medezeggenschap en inspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt een regeling vast voor afhandeling van
                                klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van
                                afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze
                                verordening. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
                                daarbij in acht genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                klachten van cliënten ten aanzien van voorzieningen die in het kader
                                van deze verordening worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden, ziet het dagelijks
                                bestuur toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders
                                door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                                cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                                gebruikers van belang zijn ten aanzien van de voorzieningen die in
                                het kader van deze verordening door de aanbieder worden
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden, ziet het dagelijks
                                bestuur toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van
                                aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een
                                jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval
                                cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen
                                voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen,
                                vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de
                                besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om
                                hun rol effectief te kunnen vervullen. Daarvoor wordt de adviesraad
                                met betrekking tot het sociaal domein van de gemeenten Harlingen,
                                Franekeradeel, Het Bildt, Menameradiel, Leeuwarderadeel, Vlieland en
                                Terschelling ingevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in
                                ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan dat overleg benodigde informatie. Daarvoor wordt de
                                adviesraad met betrekking tot het sociaal domein van de gemeenten
                                Harlingen, Franekeradeel, Het Bildt, Menameradiel, Leeuwarderadeel,
                                Vlieland en Terschelling ingevoerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt nadere regels vast ter uitvoering van
                                het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Pilot</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kan met het oog op het onderzoeken en het
                                toepassen van mogelijkheden om maatschappelijke ondersteuning te
                                bevorderen, middels een pilot afwijken van de bepalingen in deze
                                verordening en in de beleidsregels die die pilot verhinderen. De
                                overige bepalingen blijven van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een pilot is gebaseerd op een plan van aanpak dat door het algemeen
                                bestuur als zodanig is goedgekeurd en kenmerkt zich door zowel een
                                beperkte omvang in kosten als een beperkte omvang in duur. In het
                                plan van aanpak wordt naast de pilot aandacht besteed aan de
                                bepalingen in deze verordening en/of in de beleidsregels waarvan
                                tijdelijk wordt afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de pilot noodzaakt tot bijstelling van de verordening en/of de
                                beleidsregels kande periode zoals bedoeld in het tweede lid worden
                                verlengd tot aan het moment van </al><al> inwerkingtreding van die bijstelling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het algemeen bestuur gebruik wil maken van de bevoegdheid als
                                bedoeld in het eerste lid worden de betreffende adviesraden
                                geïnformeerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een belangenafweging dit uitwijst, kan de cliënt worden
                                uitgezonderd van deelname aan de pilot.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen - de uitvoering van deze verordening betreffende -
                                waarin deze verordening niet voorziet, beslist het dagelijks
                                bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels stellen over de uitvoering
                                van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan ten gunste van de cliënt afwijken van de
                                bepalingen van deze verordening indien toepassing daarvan tot
                                onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 Dienst SoZaWe
                                    Nw. Fryslânwordt ingetrokken. </al></li><li nr="2."><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op
                                    grond van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 Dienst
                                    SoZaWe Nw. Fryslân en de daarop berustende bepalingen, totdat
                                    het dagelijks bestuur een nieuw besluit heeft genomen waarbij
                                    het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt
                                    ingetrokken.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning 2015 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân en
                                    waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze
                                    verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
                                    Indien dit leidt tot een nadelige situatie voor de aanvrager,
                                    wordt de aanvraag afgehandeld krachtens de Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning 2015 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân.
                                </al></li><li nr="4."><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de
                                    Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 Dienst SoZaWe
                                    Nw. Fryslân, wordt beslist met inachtneming van die
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning 2017 Dienst SoZaWe Nw.
                                    Fryslân.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van de
                        Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân,</al><al>Het bestuur voornoemd</al><al></al><al>Mevr. J. Hoekstra-Sikkema,</al><al>voorzitter</al><al></al><al>Dhr. M.J. Jellema,</al><al>secretaris/directeur</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1. </nr><titel>Inkomensnormen</titel></kop><al>Norm 1 januari 2017 exclusief vakantietoeslag</al><table><tgroup cols="5"><tbody><row><entry><al> .................................................</al></entry><entry><al><vet>100% korting</vet></al><al>als het maandelijks inkomen gelijk of lager is dan:</al><al></al></entry><entry><al><vet>60% korting</vet></al><al>als het maand inkomen ligt tussen:</al><al></al></entry><entry><al><vet>30% korting</vet></al><al>als het maand inkomen ligt tussen:</al><al></al></entry><entry><al><vet>Geen korting</vet></al><al>als het maand inkomen hoger is dan: </al><al></al></entry></row><row><entry><al><vet>Leeftijdscategorie: 21 jaar of ouder, maar jonger dan
                                            de pensioengerechtigde leeftijd</vet></al></entry></row><row><entry><al>* Alleenstaande </al><al>* Alleeenstaande ouder</al></entry><entry><al>€1.120,38</al></entry><entry><al>€ 1.120,38 en</al><al>€ 1.167,06</al></entry><entry><al>€1.167,06</al><al>€1.213,75</al></entry><entry><al>€1.213,75</al></entry></row><row><entry><al>* Gehuwden, ( beiden tussen 21 jaar en pensioengerechtigde
                                        leeftijd)</al></entry><entry><al>€1.600,54</al></entry><entry><al>€1.600,54</al><al>en </al><al>€1.667,23</al></entry><entry><al>€1.667,23</al><al>en </al><al>€1.733,91</al></entry><entry><al>€1.733,91</al></entry></row><row><entry><al><vet>Leeftijdscategorie: Pensioengerechtigden</vet></al></entry></row><row><entry><al>* Alleenstaande </al><al>* Alleeenstaande ouder</al></entry><entry><al>€1.258,72</al></entry><entry><al>€1.258,72</al><al>en </al><al>€1.311,16</al></entry><entry><al>€1.311,16 </al><al>en </al><al>€1.363,61</al></entry><entry><al>€1.363,61</al><al></al><al></al></entry></row><row><entry><al>* Gehuwden (waarvan een of beiden pensioengerechtigd
                                        is)</al></entry><entry><al>€1.719,19 </al></entry><entry><al>€ 1719,19</al><al> en </al><al>€1.790,83</al></entry><entry><al>€1.790,83</al><al>en</al><al>€1.862,46</al></entry><entry><al>€ 1.8462,46</al></entry></row><row><entry><al><vet>Leeftijdscategorie</vet>: <vet>Jongeren 18 tot 21
                                            jaar</vet></al></entry></row><row><entry><al>* Alleenstaande </al><al>* Alleenstaande ouder</al></entry><entry><al>€ 276,56</al></entry><entry><al>€ 276,56 en</al><al> €288,09</al></entry><entry><al>€ 288,09 en</al><al> € 299,61</al></entry><entry><al>€299,61</al><al></al></entry></row><row><entry><al>* Gehuwden <onderstreept>zonder kinderen</onderstreept></al><al>(beiden 18 tot 21 jaar)</al></entry><entry><al>€ 533,13</al></entry><entry><al>€ 533,13 en </al><al>€ 576,18</al></entry><entry><al>€ 576,18 en </al><al>€ 599,22</al></entry><entry><al>€599,22</al></entry></row><row><entry><al>*Gehuwden <onderstreept>zonder kinderen</onderstreept></al><al>(één 18 tot 21, ander 21 jaar of ouder)</al></entry><entry><al>€1.076,83</al></entry><entry><al>€ 1.076,83</al></entry><entry><al>€ 1.121,70 en </al><al>€ 1.166,57</al></entry><entry><al>€1.166,57</al></entry></row><row><entry><al>*Gehuwden <onderstreept>met kinderen</onderstreept></al><al>(beiden 18 tot 21 jaar)</al></entry><entry><al>€ 873,24</al></entry><entry><al>€ 873,24</al><al>en </al><al>€909,63</al></entry><entry><al>€ 909,63</al><al>en </al><al>€ 946,01</al></entry><entry><al>€ 946,01</al><al></al></entry></row><row><entry><al>*Gehuwden <onderstreept>met kinderen </onderstreept></al><al>(één 18 tot 21, ander 21 jaar of ouder)</al></entry><entry><al>€1.396,94</al></entry><entry><al>€ 1.396,94</al><al>en</al><al>€ 1.455,15</al></entry><entry><al>€1.455,15</al><al>en </al><al>€ 1.513,36</al></entry><entry><al>€1.523,36</al></entry></row><row><entry><al></al></entry><entry><al><vet>Bij 100% korting </vet></al><al><vet></vet>betaalt cliënt per uur zelf: </al></entry><entry><al><vet>Bij 60% korting </vet></al><al>betaalt cliënt per uur zelf: </al><al></al></entry><entry><al><vet>Bij 30% korting </vet></al><al>betaalt cliënt per uur zelf: </al><al></al></entry><entry><al><vet>Bij geen korting </vet></al><al>betaalt cliënt per uur zelf: </al><al></al></entry></row><row><entry><al>6 gemeenten NWF</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 4,20</al></entry><entry><al>€ 7,35</al></entry><entry><al>€ 10,50</al></entry></row><row><entry><al>Gemeente Harlingen</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 3,40</al></entry><entry><al>€ 5,95</al></entry><entry><al>€ 8,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning Dienst SoZaWe Nw.
                        Fryslân</titel></kop><tussenkop><cursief>Algemeen</cursief></tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: de Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en –
                    met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten
                    van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
                    Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de Wmo 2007. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al
                    was ingezet. De uitvoering van de Wmo 2015 is belegd bij de dienst. Er wordt
                    bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt zelf en zijn
                    sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente i.c. de dienst in
                    aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene
                    voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een
                    bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het
                    maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.</al><al></al><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden:</al><lijst><li nr="-"><al>om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten
                            helder te krijgen,</al></li><li nr="-"><al>om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                            mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het
                            verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                            zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren,</al></li><li nr="-"><al>om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening
                            kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is en of
                            sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de
                            reikwijdte van de Wmo 2015 valt. </al><al></al></li></lijst><al>De Wmo 2015 en voornamelijk de nadere regeling op basis van deze verordening
                    leggen de toegangsprocedure in hoofdlijnen vast. </al><al></al><al>Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de Wmo 2007 is vervallen,
                    wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure onder de Wmo 2015
                    gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal
                    telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar
                    ondersteuning nodig is. Indien de cliënt van mening is dat het dagelijks bestuur
                    hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de
                    maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of
                    participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden,
                    kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in
                    beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de
                    dienst zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar
                    de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de
                    ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie
                    waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en
                    zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.</al><al></al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het dagelijks
                    bestuur. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het dagelijks
                    bestuur gedaan worden (in mandaat) door deskundige medewerkers in de
                    gebiedsteams of door specialisten. </al><al></al><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid voor dat de gemeente, i.c. de
                    dienst SoZaWe, bij verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk
                    zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijke beleidsplan met
                    betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient
                    overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en
                    zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                            cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief
                            eisen metbetrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                            klachten van cliënten vereist is;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                            gebruikers van belang zijn vereist is;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers,
                            worden betrokken bij uitvoering van de Wmo 2015, voorstellen voor beleid
                            kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning
                            en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;
                            en</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze het dagelijks bestuur zorg draagt voor een jaarlijkse
                            blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de aan de
                            dienst SoZaWe deelnemende gemeenten.</al><al></al></li></lijst><al>Ook dient de gemeente i.c. de dienst SoZaWe overeenkomstig de artikelen 2.1.3,
                    vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 bij verordening regels te
                    stellen: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                            maatwerkvoorziening of een</al><al> persoonsgebonden budget en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                            wet;</al></li><li nr="-"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                            voorziening, waar het dagelijks bestuur ten aanzien daarvan de
                            uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient
                            rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten
                            en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</al><al></al></li></lijst><al>Daarnaast kan de gemeente i.c. de Dienst SoZaWe op grond van de artikelen 2.1.4,
                    eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo
                    2015:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                            cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd
                            zullen zijn;</al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                            voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met
                            een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.
                            Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage</al><al> een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te
                            wijzen groepen endat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het
                            vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere
                            instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd; </al></li><li nr="-"><al>bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de
                            eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens
                            onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met
                            de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of
                            psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een </al><al> tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid
                            en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn
                            met betrekking tot de financiële draagkracht; </al></li><li nr="-"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan
                            wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan
                            inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al><al></al></li></lijst><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de
                    gemeenteraad i.c. het algemeen bestuur op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo
                    2015 eveneens dient vast te stellen. In het beleidsplan wordt het door het
                    gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke
                    ondersteuning vastgelegd. In het beleidsplan worden afwegingen en keuzes gemaakt
                    over de inrichting en uitvoering van nieuwe taken. </al><al></al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning
                        Dienst SoZaWe Nw. Fryslân 2015 </vet></al><al></al><tussenkop><onderstreept><cursief>Hoofdstuk 1.
                    Begrippen</cursief></onderstreept></tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al></al><tussenkop>algemeen gebruikelijke voorziening:</tussenkop><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt
                    waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt aannemelijk is te achten dat
                    deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                    beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr.
                    06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr.
                    AWB 11/5564).</al><lijst><li nr="-"><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen
                            gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO).
                            De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening
                            voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over
                            de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen
                            zou hebben gehad. Bij die beoordeling spelen, zo blijkt uit de
                            jurisprudentie, de volgende criteria een rol: </al><al>• Is de voorziening gewoon te koop?</al><al>• Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke
                            producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al><al>• Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al><al></al></li></lijst><tussenkop>Bijdrage in de kosten:</tussenkop><al>Uit artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van
                    een bijdrage in de kosten. Cliënten zullen voor hun ondersteuning, als de
                    gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als het
                    een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden gesteld van het inkomen en
                    het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de Wmo 2015 zijn bij Algemene
                    Maatregel van Bestuur, bij Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, nadere regels gesteld.
                    Daarin is bepaald wat de ruimte is voor het bepalen van de omvang van de
                    bijdrage. Ook voor een algemene voorziening, m.u.v. cliëntondersteuning, kan een
                    bijdrage van de cliënt in de kosten worden gevraagd.</al><al></al><tussenkop>Hulpvraag:</tussenkop><al>De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                    artikel 1.1.1. van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke
                    ondersteuning zich tot het dagelijks bestuur wendt, is het van belang dat
                    allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de
                    betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand
                    duidelijk of en in welke vorm het dagelijks bestuur in actie moet komen. Een
                    zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is
                    noodzakelijk.</al><al></al><tussenkop>Ingezetene:</tussenkop><al>De cliënt kan als hij ingezetene is van i.c. één van de aan de Dienst SoZaWe
                    deelnemende gemeenten in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht
                    op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een
                    maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen
                    moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van
                    één van de aan de Dienst SoZaWe deelnemende gemeenten. Uit de Memorie van
                    Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet
                    wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet
                    verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr.
                    09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een
                    inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend is.</al><al></al><tussenkop>Onverwijld:</tussenkop><al>De wet en deze verordening spreken op verschillende momenten van ‘onverwijld’.
                    Het ligt altijd aan de concrete omstandigheden van een zaak wat daaronder moet
                    worden verstaan. Het is echter van belang voor de cliënt dat hij een indruk
                    heeft waar hij vanuit kan gaan. Dit tweede perspectief zou men zodanig van
                    belang kunnen vinden, dat deze passage in de verordening wordt opgenomen. Het
                    komt de rechtszekerheid ten goede en laat binnen de drie werkdagen voldoende
                    ruimte voor maatwerk. </al><al></al><tussenkop>Persoonlijk plan:</tussenkop><al>In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk -
                    de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, lid 4 onderdelen a tot en met e van
                    de Wmo 2015, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst,
                    beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, lid 4 onderdelen a tot
                    en met e van de Wmo 2015, worden onderzocht door het dagelijks bestuur. Doordat
                    de cliënt voorafgaand aan het onderzoek een persoonlijk plan kan overleggen, is
                    het dagelijks bestuur direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil
                    geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen
                    zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen,
                    wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in
                    de Wmo versterkt.</al><al></al><al>In de wettekst zelf, Wmo 2015, in artikel 1.1.1, zijn een flink aantal
                    definities opgenomen. </al><al>Deze zijn ook bindend voor deze verordening.</al><al></al><al>Ook de Awb kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van
                    belang zijn, zoals: ‘belanghebbende’ (artikel 1:2, eerste lid), ‘besluit’
                    (artikel 1:3, eerste lid), ‘beschikking’ (artikel 1:3, tweede lid) en ‘aanvraag’
                    (artikel 1:3, derde lid). Volledigheidshalve worden hieronder de definities
                    weergegeven:</al><al><onderstreept>belanghebbende:</onderstreept> degene wiens belang rechtstreeks
                    bij een besluit is betrokken;</al><al><onderstreept>besluit:</onderstreept> een schriftelijke beslissing van een
                    bestuursorgaan, inhoudende een </al><al> publiekrechtelijke rechtshandeling<onderstreept>;</onderstreept></al><al><onderstreept>beschikking:</onderstreept> een besluit dat niet van algemene
                    strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan;</al><al><onderstreept>aanvraag:</onderstreept> een verzoek van een belanghebbende een
                    besluit te nemen.</al><al></al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 2. Procedureregels aanvraag maatschappelijke
                        ondersteuning.</vet></tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 2. Procedureregels</tussenkop><al></al><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze
                    een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang. Deze bepaling legt de uitwerking van
                    die procedureregels neer bij het dagelijks bestuur.</al><al></al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorziening</tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 3. Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al></al><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in de Wmo 2015 centraal staat,
                    nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de
                    eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het
                    sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Het dagelijks bestuur neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van
                    een aanvraag om een maatwerkvoorziening. Indien het verslag niet is
                    geaccordeerd, maar slecht is getekend voor gezien, neemt het dagelijks bestuur
                    de reden daarvoor mee in de beoordeling.</al><al></al><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 is bepaald dat bij
                    verordening moet worden aangegeven op basis van welke criteria het dagelijks
                    bestuur kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor
                    zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In
                    de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een
                    maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat
                    de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en
                    fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene
                    voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of
                    wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke
                    maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente i.c. de dienst SoZaWe
                    moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en
                    concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan
                    krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.</al><al></al><al>Het tweede lid is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde en vierde lid, van de wet.
                    Het gebruik van ‘of’ tussen de twee onderdelen van het tweede lid maakt
                    duidelijk dat deze onderdelen niet cumulatief zijn bedoeld.</al><al></al><al>In lid 5 van dit artikel is bepaald dat kan worden volstaan met de goedkoopst
                    compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening
                    worden verstrekt, dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend
                    als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat
                    met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog
                    toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                    voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een
                    voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt.
                    Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar
                    product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het
                    kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij
                    een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.
                    Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die
                    duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende
                    bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het kan er
                    bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing
                    wordt verstrekt maar een verhuisverkostengoeding. De woningaanpassing kan
                    dermate kostbaar zijn dat het dagelijks bestuur het primaat van verhuizing
                    hanteert. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het dagelijks bestuur dus
                    mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al><al></al><tussenkop><vet>Artikel 4. Voorwaarden en weigeringsgronden</vet></tussenkop><al></al><al>In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat
                    afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in
                    de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013,
                    nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te
                    zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime
                    afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te
                    bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de
                    verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a. van de wet, omdat is
                    aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in
                    aanmerking kan komen. </al><al></al><al>Eerste lid</al><lijst><li nr="(a)"><al>: De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2
                            van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke
                            afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de
                            verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de
                            problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak
                            tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke
                            bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.</al><al> Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt
                            dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen
                            spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583
                            WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil dus niet zeggen dat
                            cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop
                            aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening
                            indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is
                            afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat
                            cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082
                            WMO).</al><al></al><al> Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke
                            regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er
                            sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782
                            WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een
                            beroep doen op de Wmo. </al></li><li nr="(b)"><al>: Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in
                            de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als
                            afwijzingsgrond. </al></li><li nr="(c)"><al>: Een algemene voorziening gaat voor op de verstrekking van een
                            maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene
                            toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als
                            afwijzingsgrond. </al></li><li nr="(d)"><al>:Het is niet de bedoeling dat op grond van de Wmo 2015 voorzieningen
                            worden verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt,
                            aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen
                            beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB
                            03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB
                            14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB
                            11/5564).</al><al> Het dagelijks bestuur moet steeds onderzoeken of een voorziening ook
                            algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr.
                            08/3352 WMO).</al></li><li nr="(e)"><al>: Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening
                            aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt na de melding aan het
                            dagelijks bestuur als bedoeld in artikel 2.3.2. lid 1 van de wet
                            gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het dagelijks bestuur dan geen
                            mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid
                            te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken
                            voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door
                            deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee
                            is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het dagelijks
                            bestuur als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. </al></li><li nr="(f)"><al>: In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                            als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                            plaatsgehad, terwijl het de </al><al> cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld
                            door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de
                            cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van
                            een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een
                            verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft
                            ditgevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient
                            in de opstal-</al><al>verzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de
                            woningonvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op
                            deze verordeningworden gedaan.</al></li><li nr="(g)"><al>: De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past
                            hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de
                            algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte
                            instrumenten.</al></li><li nr="(h)"><al>: De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een prominente rol
                            in de Wmo, getuige bijvoorbeeld CRvB 21-5-2012, nr. 11/5321 WMO. Dit
                            onderdeel is opgenomen om de eigen verantwoordelijkheid daadwerkelijk
                            weer te geven in de verordening zodat het kan dienen als beoordelings-
                            en afwijzingsgrond. De CRvB heeft echter herhaaldelijk (zo ook in de
                            hierboven genoemde uitspraak) geoordeeld dat de eigen
                            verantwoordelijkheid binnen de Wmo een grote rol speelt, zodat een
                            grondslag niet expliciet nodig lijkt te zijn.</al><al></al></li></lijst><al>De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn specifiek van toepassing
                    op maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en
                    participatie. Het is op basis van het tweede lid onder a van belang dat de
                    uitgaven in proportie staan tot de duur van de beperking. Deze weigeringsgrond
                    geldt echter niet als een kortdurende maatwerkvoorziening leidt tot het te
                    bereiken resultaat. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om kortdurende hulp bij
                    het huishouden en kortdurend verblijf indien de cliënt is aangewezen op
                    permanent toezicht en ondersteuning indien de mantelzorger overbelast dreigt te
                    worden. Er kan daarbij niet over langdurig noodzakelijk gesproken worden.</al><al></al><al>In het derde lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op
                    een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de
                    term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan
                    worden.</al><al></al><al>In het vierde lid heeft het primaat van collectief vervoer een grondslag
                    gekregen.</al><al></al><tussenkop>Artikel 5. Regels voor pgb </tussenkop><al></al><al>Het dagelijks bestuur kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 een pgb
                    verstrekken. Van belang is (bijvoorbeeld) dat een pgb alleen wordt verstrekt
                    indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b
                    van de Wmo 2015). Daardoor wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing
                    van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op
                    amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).</al><al></al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf een
                    pgb aan te vragen.</al><al></al><al>Ten aanzien van het derde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                    aangegeven dat onder sociaal betrokken ondersteuners ook mantelzorgers kunnen
                    vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van sociaal betrokken
                    ondersteuners in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de
                    gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere
                    ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige
                    Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval
                    gedacht aan diensten. Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                    andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt
                    aangevraagd, is voor de dienst SoZaWe van belang dat slechts een pgb wordt
                    verstrekt indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur is gewaarborgd dat
                    de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                    lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                    artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het dagelijks bestuur mee
                    of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in
                    redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget
                    wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</al><al></al><tussenkop>Artikel 6: Regels voor hoogte pgb</tussenkop><al></al><al>Artikel 6 berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat
                    dat in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt
                    vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van
                    toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat kan
                    worden bepaald dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten
                    die voor de dienst SoZaWe verbonden zijn aan het verlenen van compenserende
                    ondersteuning in natura. De dienst SoZaWe heeft daarmee ook de mogelijkheid
                    differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. De Dienst kan
                    verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en
                    voor verschillende typen hulpverleners. </al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het </al><al>dagelijks bestuur betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel
                    geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de
                    door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het dagelijks bestuur
                    voorgestelde aanbod. Een pgb kan slechts worden geweigerd voor dat gedeelte dat
                    duurder is dan het door het dagelijks bestuur voorgestelde aanbod. Dit kan zich
                    bijvoorbeeld voordoen doordat de dienst SoZaWe vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen.</al><al></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst compenserende door het dagelijks bestuur ingekochte
                    maatwerkvoorziening in natura.</al><al></al><al>Bij het bepalen van de omvang van het pgb bij begeleiding geldt ‘T-1’. Het
                    Zin-tarief dat gehanteerd wordt bij het bepalen van de omvang van dat pgb is het
                    Zin-tarief van het jaar daarvoor. 2017 geldt daarbij als overgangsjaar voor de
                    bestaande cliënten</al><al></al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Informatieplicht, herziening en terugvordering</tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 7. Controle</tussenkop><al></al><al>Op grond van artikel 2.1.3., vierde lid van de wet dienen in de verordening
                    regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van
                    maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het dagelijks bestuur
                    periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de</al><al>besteding van voorzieningen op grond van deze wet.</al><al></al><tussenkop>Artikel 8. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of </tussenkop><tussenkop> terugvordering</tussenkop><al></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al></al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten grotendeels een herhaling van hetgeen
                    al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Het
                    tweede lid is strenger ingestoken dan de wettekst. Het is in tegenstelling tot
                    de wettekst geen ‘kan’-bepaling. Met opname van de wettekst in de verordening
                    wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van
                    het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van
                    misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015.</al><al></al><al>Ook het derde lid is in tegenstelling tot de Wmo 2015 geen ‘kan’-bepaling. Een
                    pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als
                    binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen
                    voorziening is getroffen, heeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om de
                    beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.</al><al></al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal
                    van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het dagelijks bestuur gegeven tot
                    het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte
                    maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het dagelijks bestuur
                    het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van
                    toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157)
                    wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om
                    maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen
                    mogelijk is een al genoten maatwerk-voorziening terug te vorderen, kan het
                    college de waarde van de genoten maatwerk-voorziening uitdrukken in een bedrag
                    dat voor terugvordering in aanmerking komt.’</al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het dagelijks
                    bestuur de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen
                    verstrekte voorzieningen.</al><al></al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Bijdrage in de kosten</tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 9. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                    voorzieningen </tussenkop><al></al><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde
                    en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de Wmo 2015. Van cliënten mag een
                    bijdrage worden gevraagd in de kosten voor maatwerkvoorzieningen in natura en in
                    de vorm van een pgb alsmede voor algemene voorzieningen.</al><al></al><al>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen mag de dienst SoZaWe zelf bepalen en die mogen kostendekkend zijn. </al><al></al><al>In het tweede lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van
                    de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente i.c. de dienst SoZaWe mag geen
                    winst maken op de bijdragen. In het vierde lid is uiteengezet hoe de kostprijs
                    tot stand komt.</al><al></al><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s zijn
                    gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel
                    2.1.4, derde lid, eerste zin, Wmo 2015) en in het landelijk besluit zijn regels
                    vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid van de
                    wet). De bijdrageregels moeten passen binnen de kaders die het
                    Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt. De wet verplicht tot het vaststellen van de
                    kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde lid, tweede zin).
                    Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in de drie onderdelen van het
                    vijfde lid. </al><al></al><al>In lid 6 is gevolg gegeven aan artikel 2.1.4, zevende lid, waar is bepaald dat
                    in de verordening wordt bepaald welke instantie de bijdrage voor een
                    maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget voor
                    opvang vaststelt en int.</al><al>In lid 7 is de mogelijkheid van artikel 2.1.5, om de bijdrage ook aan de ouders
                    van minderjarige cliënten op te leggen, benut. Indien de minderjarige de
                    leeftijd van 18 jaar bereikt, wordt de bijdrage middels een
                    wijzigingsbeschikking aan de minderjarige opgelegd.</al><al></al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Kwaliteit en veiligheid</tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 10. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen.</al><al></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente i.c. de Dienst SoZaWe en de aanbieder. Die eisen zullen ook
                    betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel.
                    De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede
                    lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de
                    kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich
                    rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een
                    voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de Dienst
                    om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan
                    kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.</al><al></al><al>In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek
                    is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015.</al><al></al><tussenkop>Artikel 11. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al></al><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het dagelijks bestuur personen aanwijst die zijn
                    belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens de wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande wordt door het dagelijks bestuur een
                    regelingopgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het dagelijks bestuur adviseert over het
                    voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al><al></al><tussenkop>Artikel 12. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de
                    vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten
                    verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen
                    waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening
                    regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs
                    voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de
                    kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in
                    ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de
                    beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken
                    wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal
                    andere aspecten genoemd waarmee het dagelijks bestuur bij het vaststellen van
                    tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat
                    een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door
                    aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig
                    personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste
                    vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste
                    activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg
                    voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al></al><tussenkop>Artikel 13.</tussenkop><al></al><al>Dit artikel regelt de kostprijselementen van een reële prijs en de plaats van
                    die reële prijs in de aanbestedingsprocedure.</al><al></al><al>Er zijn handreikingen over de kwantitatieve normering van kostprijselementen
                    beschikbaar. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de handreiking
                    Aanbesteding Wmo en het hulpmiddel onderbouwing bepaling tarief en de Code
                    verantwoord marktgedrag thuisondersteuning. </al><al></al><al>Het komen tot een reële prijs vraagt om een zorgvuldig proces van de zijde van
                    de gemeente en openheid van aanbieders over de kosten die zij maken bij het
                    leveren van een dienst. Het college kan daarvoor verschillende instrumenten
                    benutten of procedures inrichten.</al><al>Ondanks de waarborgen in dit artikel, blijft de verantwoordelijkheid voor een
                    gezonde bedrijfsvoering bij de aanbieder liggen en
                        <onderstreept>niet</onderstreept> bij de gemeente!</al><al></al><al>Lid 1.</al><al>Het doel is dat wordt gekomen tot een reële prijs voor diensten die in opdracht
                    van het dagelijks bestuur door derden worden verleend. Daarmee worden de
                    kwaliteit en de continuïteit van deze diensten gewaarborgd door het bestuur van
                    de dienst SoZaWe en door de gecontracteerde aanbieders. In het kader van de
                    continuïteit is het volgende van belang: continuïteit betekent niet dat het
                    dagelijks bestuur gehouden is altijd dezelfde aanbieder te contracteren. Indien
                    de opdracht wordt gegund aan een ‘nieuwe’ aanbieder, is die aanbieder verplicht
                    te overleggen met de vorige aanbieder over de overname van het betrokken
                    personeel. Dat geldt ook in het geval de vorige aannemer failliet is
                    gegaan.</al><al></al><al>De vaststelling van een reële prijs is een besluit door het dagelijks bestuur
                    ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling
                    (gunningsbeschikking). Dat besluit moet goed en objectief onderbouwd worden. Er
                    kan geen beroep tegen worden ingesteld. Zie daarvoor artikel 8.3. van de Awb. De
                    reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat wel open. </al><al></al><al>In dit lid wordt het begrip dienst aangehaald. Het kan gaan om diensten als
                    onderdeel van een algemene voorzieningen en als onderdeel van een
                    maatwerkvoorzieningen. Diensten in het kader van de Wmo 2015 zijn de begeleiding
                    en de huishoudelijke hulp. Het lid ziet niet toe op subsidies. Het lid ziet
                    eveneens niet toe op hulpmiddelen, inclusief trapliften.</al><al></al><al>Lid 2.</al><al>De kostprijselementen die in dit lid zijn opgenomen, zijn niet limitatief
                    bedoeld.</al><al></al><al>Het toepassen van innovatie om nieuwe ondersteuningsvormen voor cliënten
                    mogelijk te maken is een opdracht voor het dagelijks bestuur. Die vloeit voort
                    uit de Wmo 2015. Het kostprijselement loon wordt gebaseerd op de geldende
                    arbeidsvoorwaarden, zoals een algemeen verbindend verklaarde cao. Met de overige
                    kostprijselementen kan het dagelijks bestuur diens beleidsruimte benutten. Door
                    het benutten van die beleidsruimte kan tot innovatie worden gekomen. De keuzes
                    in dat kader verschillen per gemeente. Die differentiatie is met de Wmo 2015
                    beoogd, maar leidt tot verschillende prijzen voor verschillende voorzieningen.
                    Dat is mogelijk. Er wordt niet voorgeschreven dat het dagelijks bestuur een
                    overeenkomst op basis van een uurtarief met de aanbieder moet sluiten. Op basis
                    van een reële prijs kan ook worden gekozen voor bijvoorbeeld
                    resultaatfinanciering of populatiebekostiging. </al><al></al><al>In het kader van kostenbeheersing kan het dagelijks bestuur met derden afspreken
                    om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe
                    dienstverlening zijn gerelateerd niet meer te doen of de administratieve lasten
                    terug te dringen. Dergelijke afspraken kunnen een reële prijs verlagen.</al><al></al><al>Het dagelijks bestuur beslist met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Het
                    begrip aanbieder is breed te interpreteren. Het bestuur van de dienst SoZaWe kan
                    bijvoorbeeld zelfstandigen zonder personeel direct contracteren als aanbieder.
                    Het bestuur van de dienst SoZaWe kan bijvoorbeeld ook organisaties contracteren
                    die werken met zelfstandigen zonder personeel.</al><al></al><tussenkop>Hoofdstuk 7. Waardering mantelzorgers </tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 14. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al></al><al>De bepaling in het eerste lid betreft een uitwerking van de verordeningsplicht
                    in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt
                    bepaald op welke wijze het dagelijks bestuur zorg draagt voor een jaarlijkse
                    blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de aan de dienst
                    SoZaWe deelnemende gemeenten.</al><al></al><al>Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten
                    in de aan de dienst SoZaWe deelnemende gemeenten. Artikel 1.1.1 van de wet
                    definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene
                    voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding aan
                    het dagelijks bestuur als bedoeld in artikel 2.3.2. lid 1 van de wet is gedaan.
                    Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die zich met een hulpvraag hebben
                    aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van de wet uitgekomen.
                    Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers
                    kan betreffen die in andere gemeenten wonen. </al><al></al><al>De bepaling in het tweede lid betreft een uitwerking van artikel 2.2.2. van de
                    Wmo 2015. Het dagelijks bestuur werkt in nadere regelgeving uit hoe de
                    ondersteuning van mantelzorgers wordt vormgegeven om mantelzorgers en
                    vrijwilligers zoveel mogelijk in staat te stellen hun taken als mantelzorger en
                    vrijwilliger uit te voeren. </al><al></al><tussenkop>Hoofdstuk 8. Klachten, medezeggenschap en inspraak</tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 15. Klachtregeling</tussenkop><al></al><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al></al><al>In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het klachtrecht. Deze bepaling
                    is niet verplicht op grond van de Wmo 2015 en is hier opgenomen in het belang om
                    in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te
                    geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een
                    uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven en ook het recht is
                    neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken
                    een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met de eenvoudige bepaling
                    van het eerste lid worden volstaan.</al><al></al><al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder d, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor
                    de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van alle in de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                    klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de
                    wet).</al><al></al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een medewerker van de Dienst, bijvoorbeeld
                    over de wijze waarop een gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in
                    artikel 2.3.2. eerste lid van de wet is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek
                    aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de
                    aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder).</al><al></al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    Dienst voor het indienen van de klacht open.</al><al></al><al>In het derde lid is bepaald dat het dagelijks bestuur toeziet op de naleving van
                    de klachtenregeling door de aanbieders.</al><al></al><tussenkop>Artikel 16. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke </tussenkop><tussenkop> ondersteuning</tussenkop><al></al><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo
                    2015, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van
                    welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over
                    voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn,
                    vereist is.</al><al></al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder verwezenlijkt via de
                    cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten
                    overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders
                    een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. </al><al></al><al>De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen
                    verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid,
                    onder b, van de Wmo 2015).</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het dagelijks bestuur
                    aangegeven om te zorgen dat die verplichting door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><al></al><tussenkop>Artikel 17. Betrekken van ingezetenen bij het beleid </tussenkop><al></al><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo
                    2015.</al><al>Met het derde lid wordt het aan het dagelijks bestuur overgelaten de exacte
                    invulling van de medezeggenschap vorm te geven.</al><al></al><tussenkop>Hoofdstuk 9. Slotbepalingen</tussenkop><al></al><tussenkop>Artikel 18. Pilot</tussenkop><al></al><al>Dit artikel maakt het mogelijk om bij wijze van experiment en niet gehinderd
                    door de op dat moment geldende plaatselijke regelgeving de mogelijkheden van de
                    Wmo 2015 zo maximaal mogelijk te benutten. Aan de Wmo 2015 moet dus wel worden
                    voldaan.</al><al></al><al>De verordening wordt vastgesteld door het algemeen bestuur. Omdat het buiten
                    spel zetten van enkele bepalingen uit deze verordening de rechtszekerheid van de
                    burger kan aantasten, moet met een pilot eveneens worden ingestemd door dat
                    algemeen bestuur.</al><al></al><tussenkop>Artikel 19. Nadere regels en hardheidsclausule</tussenkop><al></al><al>Juist omdat het in de Wmo 2015 om maatwerk gaat, zal het dagelijks bestuur er
                    niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt,
                    uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden
                    van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale
                    omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afweging gaat het al om een zeer
                    persoonlijke beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog
                    sprake is van een niet billijke situatie, kan de hardheidsclausule worden
                    toegepast. De aanvrager kan ook een beroep doen op de hardheidsclausule. </al><al></al><tussenkop>Artikel 20. Overgangsbepalingen</tussenkop><al></al><al>In het eerste lid is bepaald dat de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                    2015 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân wordt ingetrokken.</al><al>In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat
                    een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.</al><al>In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van de
                    Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân zijn
                    ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden
                    afgedaan op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017 Dienst
                    SoZaWe Nw. Fryslân. Indien er een situatie ontstaat die voor de aanvrager
                    nadelige gevolgen heeft, wordt de aanvraag echter afgehandeld krachtens de
                    Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân.</al><al>In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de
                    Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân worden
                    afgedaan. </al><al></al><al><cursief>Artikel 21. Inwerkingtreding en citeertitel</cursief></al><al></al><al>Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de
                    verordening dient te worden aangehaald. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>