<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR435816_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Appingedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Appingedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-4423.html">Gemeenteblad, 2017, 4423</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=8&amp;g=2017-01-01">Participatiewet, artikel 8 lid 1 aanhef, onder a en d</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Appingedam;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 aanhef onder a en d van de Participatiewet, artikel
                        35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers (Ioaw) en artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);</al><al>overwegende de gewenstheid van het bij verordening vast stellen van regels
                        om uitvoering te geven aan het doel van de Participatiewet, bekendstaand als
                        de kansen op arbeidsparticipatie van mensen met een afstand tot de
                        arbeidsmarkt of een arbeidsbeperking op de lange termijn te verbeteren (zie
                        TK 2013-2014, 33 161, nr. 107, p. 45-46). Alsmede de gewenstheid van het bij
                        verordening vaststellen van regels met betrekking tot de aan de uitkering
                        verbonden verplichtingen en mogelijke maatregel en van de uitkering;</al><al>b e s l u i t :</al><al>Vast te stellen de</al><al>"AFSTEMMINGSVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ"</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                            worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet,
                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de
                            Algemene wet college van burgemeester en wethoudersrecht (Awb).</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18
                                    lid 2 van de wet, artikel 20 lid 2 IOAW en artikel 20 lid 1 IOAZ
                                    alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van
                                    een uitkering op grond van artikel 20 lid 1 IOAW en artikel 20
                                    lid 2 IOAZ; </al></li><li nr="c."><al>benadelingsbedrag: de hoogte van de netto-uitkering waarop
                                    eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is
                                    gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm: </al><lijst><li nr="1."><al>de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5
                                            onderdeel c Participatiewet, of;</al></li><li nr="2."><al>grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover
                                            sprake is van een uitkering op grond van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al></li></lijst></li><li nr="e."><al>uitkering: de algemene bijstand op grond van de Participatiewet
                                    of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                    en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders legt een maatregel op als
                                een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                toont met betrekking tot de voorziening in het bestaan, dan wel de
                                verplichtingen die voortvloeien uit de Participatiewet, de
                                IOAW/IOAZ, met uitzondering van de inlichtingenverplichting o.g.v.
                                artikel 17 eerste lid van de wet, artikel 13 eerste lid IOAW/IOAZ en
                                artikel 30 c tweede en derde lid Wet Suwi, dan wel de verplichtingen
                                die in de beschikking tot toekenning, wijziging of voortzetting van
                                de bijstand zijn opgenomen niet of onvoldoende nakomt, alsmede
                                wanneer een belanghebbende zich jegens het college van burgemeester
                                en wethouders (zeer ernstig) misdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel van de uitkering
                                als bedoeld in de artikelen 9a twaalfde lid en artikel 18 lid 2, 5
                                en 6 van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38 lid 12 van de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38 lid 12 van de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen, worden in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="-"><al>de reden van de maatregel; </al></li><li nr="-"><al>de duur van de maatregel; </al></li><li nr="-"><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt
                                        verlaagd, en; </al></li><li nr="-"><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                        standaardmaatregel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel die voor een periode van langer dan drie maanden wordt
                                opgelegd, wordt telkens heroverwogen tegen het einde van het tijdvak
                                van drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en er zich sindsdien
                                        geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college van burgemeester en wethouders het horen niet
                                        nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de
                                        gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende heeft aangegeven hiervan geen gebruik te
                                        willen maken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders ziet af van het opleggen
                                van een maatregel als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar, voor constatering van die
                                        gedraging door het college van burgemeester en wethouders,
                                        plaatsvond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan afzien van het
                                opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen
                                aanwezig acht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het college van burgemeester en wethouders afziet van het
                                opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, krijgt de
                                belanghebbende daarover een brief.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><al>Bij een eerste maatregelwaardige gedraging, zoals bedoeld in artikel 8 a
                            en 9a van deze verordening, kan het college van burgemeester en
                            wethouders besluiten een waarschuwing te geven. Deze waarschuwing telt
                            mee bij de vaststelling van recidive (herhaling).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt in beginsel toegepast op de uitkering of
                                bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12
                                van de Participatiewet over de kalendermaand, volgend op de maand
                                waarin het besluit tot het opleggen van een maatregel aan een
                                belanghebbende is bekend gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op
                                dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een maatregel niet of niet helemaal uitgevoerd kan worden als
                                gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de
                                maatregel of dat deel van de maatregel dat nog niet is uitgevoerd,
                                alsnog toegepast, als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in
                                artikel 4 lid 1 onder b, opnieuw een uitkering ontvangt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De herziening kan niet worden toegepast over een ander tijdvak dan
                                waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan een maatregel worden toegepast op de
                                bijzondere bijstand als: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Wet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daar aanleiding toe geeft.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van lid 2 onder sub a, moet in de hoofdstukken 2, 3
                                en 4 ‘bijstandsnorm’ als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van
                                artikel 12 van de Wet verleende bijzondere bijstand’ worden gelezen.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van lid 2 onder sub b, moet in de hoofdstukken 2, 3
                                en 4 ‘bijstandsnorm’ als ‘de verleende bijzondere bijstand’ worden
                                gelezen. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE NIET GEÜNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING
                            TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    Werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie: 1. het niet of onvoldoende meewerken aan het
                                    opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                    bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2. het
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikel
                                    9 lid 1 of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                    belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een
                                    melding als bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 van de
                                    Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden
                                    genoemd in artikel 18 lid 4 van de Wet; 3. het niet of
                                    onvoldoende verrichten van een door het college van burgemeester
                                    en wethouders opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                    bedoeld in artikel 9 lid 1 onder c van de Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning,
                                    voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                    artikel 18 lid 4 van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8a.</nr><titel>Niet meewerken aan taaltoets</titel></kop><al>Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de taaltoets
                            als bedoeld in artikel 18b tweede lid van de Participatiewet, wordt een
                            maatregel opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand;</al></li><li nr="b."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als
                                    belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een
                                    besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege het niet
                                    meewerken aan het afleggen van een taaltoets opnieuw schuldig
                                    maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als
                                    belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een
                                    besluit in de zin van artikel 8a, onderdeel b, van deze
                                    verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare
                                    gedraging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende, waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37
                            en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    Werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie; </al></li><li nr="b."><al>tweede categorie: 1. het niet of in onvoldoende mate meewerken
                                    aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
                                    2. het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door
                                    het college van burgemeester en wethouders aangeboden
                                    voorziening als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1
                                    onder e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36 lid 1
                                    en 37 lid 1 onder e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor
                                    zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                    voortijdige beëindiging van die voorziening; 3. het uit houding
                                    of gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichting als
                                    bedoeld in artikel 37 lid 1 onder e van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers of artikel 37 lid 1 onder e van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid
                                    tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor
                                    een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38 lid 1 van de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38 lid 1 van
                                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4. het niet of
                                    onvoldoende verrichten van een door het college van burgemeester
                                    en wethouders opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                    bedoeld in artikel 37 lid 1 onder f van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers of artikel 37 lid 1 onder f van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>derde categorie: 1. het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2. het niet aanvaarden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid; 3. het door eigen toedoen niet
                                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, als bedoeld in
                                    artikel 20, eerste lid, onder a of b, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, onder a of b ,
                                    van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4. het niet of
                                    onvoldoende gebruik maken van een door het college van
                                    burgemeester en wethouders aangeboden voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling, als bedoeld in de artikel 36 lid 1 en 37
                                    lid 1 onder e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de
                                    artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 van de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
                                    voor zover dit heeft geleid tot het niet doorgaan of tot
                                    voortijdige beëindiging van die voorziening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van
                            deze verordening, wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE GEÜNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT
                            DE ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Duur maatregel bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4
                            van de Wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de maatregel 100 procent
                            van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al>een maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18 vierde lid,
                                    onderdeel b, f, en g, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a, c, d, e, en h, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verrekening verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 11, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11, onderdeel a, kan de
                                verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de
                                verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11, onderdeel b, kan de
                                verlaging worden toegepast over drie maanden, waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden, een
                                derde van de verlaging wordt toebedeeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18 lid 2
                                van de Wet wordt afgestemd op het benadelings-bedrag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het op een onverantwoorde wijze besteden van vermogen of
                                        vermogensbestanddelen voor zover de noodzaak tot
                                        bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien;</al></li><li nr="b."><al>het verwijtbaar geen beroep (kunnen) doen op een
                                        voorliggende voorziening, door deze niet te gelde te maken
                                        dan wel weigeren er een beroep op te doen, daaronder tevens
                                        begrepen het doen van een beroep op bijstand omdat een
                                        voorliggende voorziening volledig verrekend wordt met een
                                        bestuurlijke boete en betrokkene om die reden niet kan
                                        voorzien in de kosten van het bestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij een
                                        benadelingsbedrag tot € 500;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 500 tot € 2.000;</al></li><li nr="c."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4.000;</al></li><li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden, bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf 4000 tot € 10.000;</al></li><li nr="e."><al>als het benadelingsbedrag meer dan € 10.000 bedraagt, wordt
                                        een individueel besluit genomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Misdragingen tegenover personen, instanties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich misdraagt tegenover personen en
                                instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet
                                als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen
                                en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g,
                                van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met
                                de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, als bedoeld in artikel 37,
                                eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van
                                50 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een misdraging in de zin artikel 9 lid 6 van de Participatiewet,
                                of als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers, of Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, kan alleen
                                sprake zijn als de verwijtbaarheid is vastgesteld en dit gedrag in
                                het normale maatschappelijk verkeer onbetamelijk wordt geacht te
                                zijn. Van het opleggen van de maatregel kan, als alleen sprake is
                                van verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven
                                van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld
                                plaatsvindt binnen een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de
                                datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                                waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college van burgemeester en
                            wethouders opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de
                            Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel
                            opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband
                                    houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                    bijstand;</al></li><li nr="c."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstandsbehoeftigheid;</al></li><li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstandsbehoeftigheid. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SAMENLOOP EN RECIDIVE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als er sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in deze verordening of in artikel 18 lid 4 van de Wet
                                genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het
                                bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van
                                de gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in deze verordening of in artikel 18 lid 4 van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging afzonderlijk een maatregel opgelegd. Deze maatregelen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende, niet verantwoord is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als er sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel
                                een in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de Participatiewet
                                genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 van de
                                Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen maatregel
                                opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt
                                opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als er sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de
                                Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke
                                boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een
                                afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van
                                de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van
                                de belanghebbende, niet verantwoord is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 8 onder b of c, 9 onder b of
                                c, 13 lid 1 of 15, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare
                                gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke maatregel
                                verdubbeld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 8, onder a, 9, onder a, of 14
                                opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                telkens de hoogte van de oorspronkelijke maatregel verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in
                                artikel 18 lid 4 van de Participatiewet, bedraagt de maatregel
                                honderd procent van de bijstandsnorm, gedurende 2 maanden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>BLIJVENDE OF TIJDELIJKE WEIGERING IOAW / IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Samenloop bij weigering uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college van burgemeester en wethouders de uitkering op grond van
                            artikel 20 lid 1 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20 lid 2 Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen, blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot
                            deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            maatregel zou kunnen leiden, blijft een maatregel voor die gedraging
                            achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de uitkering
                                tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen,
                                als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de ioaw of de ioaz zou
                                hebben kunnen verwerven, als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een
                                        verwijt kan worden gemaakt, of;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een
                                        persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voorzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de uitkering blijvend
                                weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen, als bedoeld
                                in of op grond van artikel 8 van de ioaw of van de ioaz zou hebben
                                kunnen verwerven, als een persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of</al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                        krijgt.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Afwijkingsbevoegdheid college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan ten gunste van
                                belanghebbenden afwijken van de bepalingen van deze verordening, als
                                toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan ten behoeve van de
                                uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels
                                vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>De inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Afstemmingsverordening
                                Participatiewet, Ioaw en Ioaz".</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Appingedam</ondertekening><ondertekening>gehouden op 15 december 2016, nr. 11e.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>H.K. Pot, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>T.G.C. Kramer-Klein, griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen </tussenkop><al>Artikel 1. Begripsomschrijving </al><al>Lid 1.</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. De begrippen die in de
                    verordening worden gebruikt zullen een gelijkluidende betekenis hebben. </al><al>Lid 2.</al><al>Bijstandsnorm: Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan, de
                    in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de
                    toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen en verminderd met verlagingen,
                    alles inclusief vakantietoeslag, Voor zover sprake is van een uitkering op grond
                    van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan, de toepasselijke
                    grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ. </al><al>Benadelingsbedrag: Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder,
                    langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan als gevolg van
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het
                    nettobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag
                    in het kader van de bestuurlijke boete.</al><al>Belanghebbende: Dit begrip wordt in artikel 1:2 Awb omschreven als ‘degene wiens
                    belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al><al>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een maatregel</al><al>Lid 2.</al><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen op grond van artikel 8:1 jo. 7:1 Awb. De eisen die in dit
                    artikel vermeld staan, vloeien rechtstreeks voort uit de Awb. Het
                    motiveringsvereiste speelt hierbij een belangrijke rol, waardoor een besluit
                    kenbaar dient te zijn en van een deugdelijke motivering moet zijn voorzien. </al><al>Lid 3.</al><al>De mogelijkheid bestaat om een maatregel op te leggen over een langere periode.
                    Bij toepassing van deze mogelijkheid, aansluitend op eerdere maatregel, dient
                    een dergelijke maatregel ten hoogste na drie maanden heroverwogen worden. </al><al>Artikel 3. Horen van belanghebbende </al><al>Afdeling 4.1.2. van de Awb stelt in een aantal gevallen het horen van de
                    belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht
                    geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben
                    op een financiële aanspraak op grond van artikel 4:12 Awb. Hierdoor is het
                    college van burgemeester en wethouders niet verplicht om in het kader van het
                    onderzoek te horen, voordat een maatregel ten opzichte van de belanghebbende
                    opgelegd wordt. </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven nu dit de zorgvuldigheid van het besluit ten
                    goede zal komen.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 Awb. </al><al>Artikel 4. Afzien van het opleggen van een maatregel</al><al>Afzien van verlagen</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18 lid 9 Participatiewet
                    jo. artikel 20 lid 3 IOAW jo. artikel 20 lid 3 IOAZ. Hiervan is uitsluitend
                    sprake bij evidente afwezigheid van de verwijtbaarheid. Het is aan het college
                    van burgemeester en wethouders te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm
                    van verwijtbaarheid afgezien van een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij
                    toepassing van herhaling deze gedraging mee te tellen (zie artikel 17
                    Afstemmingsverordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1
                    Participatiewet van een maatregel afgezien, dan is daarin geen reden gelegen om
                    de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    herhaling.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden wordt in lid 1, onder b geregeld dat het college van burgemeester
                    en wethouders geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of het college van burgemeester en wethouders overgaat tot het opleggen van een
                    maatregel.</al><al>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</al><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een maatregel voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn, als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. </al><al>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen</al><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, een
                    afstemming voor van 100 procent van de bijstand, gedurende één tot drie maanden.
                    Op grond van artikel 18 lid 10 Participatiewet moet het college van burgemeester
                    en wethouders een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op
                    de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Op grond van bijzondere omstandigheden kan het college van
                    burgemeester en wethouders besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een
                    kortere duur of op nul vast te stellen. </al><al>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college van
                    burgemeester en wethouders afziet van het opleggen van een maatregel wegens
                    dringende redenen is van belang in verband met eventuele herhaling(artikel 4 lid
                    3 Afstemmingsverordening). Het opleggen van een maatregel bij herhaling, is
                    geregeld in artikel 17 Afstemmingsverordening.</al><al>Artikel 5. Waarschuwing</al><al>Als bij een eerste maatregelwaardige gedraging wordt besloten slechts een
                    waarschuwing te geven, telt deze wel mee voor de mate van sanctioneren bij
                    herhaling.</al><al>Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Een maatregel van de uitkering kan in beginsel op drie manieren plaatsvinden. </al><lijst><li nr="1."><al>Door middel van een verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                            eerstvolgende maande(n)</al></li><li nr="2."><al>Met terugwerkende kracht, door middel van herziening van de uitkering,
                            of</al></li><li nr="3."><al>Naar de toekomst toe, door verlaging uit te voeren op de nieuwe
                            uitkering.</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een maatregel. Hierbij is geen
                    herziening van de uitkering evenals een terugvordering van het te veel betaalde
                    bedrag, noodzakelijk. In de praktijk houdt dit normaal gesproken in dat een
                    maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die
                    volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de
                    berekening van de hoogte van de maatregel, moet worden uitgegaan van de voor die
                    maand geldende bijstandsnorm.</al><al>Artikel 7. Berekeningsgrondslag</al><al>Bijstandsnorm</al><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder bijstandsnorm wordt verstaan, de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of maatregel en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de Ioaw respectievelijk van de
                    Ioaz. </al><al>Bijzondere bijstand</al><al>In het tweede lid is bepaald dat een maatregel ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel12 Participatiewet. Personen tussen de 18 en
                    21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld
                    door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een maatregel uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in lid 3 onder a geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval
                    bestaat uit de bijstandsnorm, inclusief de verleende bijzondere bijstand op
                    grond van artikel 12 Participatiewet.</al><al>Op grond van lid 2 onder b, is het mogelijk dat het college van burgemeester en
                    wethouders in incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere
                    bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                    belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een maatregel kan
                    uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al>De Afstemmingsverordening biedt geen ruimte om een maatregel toe te passen op
                    een individuele inkomenstoeslag.</al><al>Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                    betrekking tot de arbeidsinschakeling</al><al>Artikel 8. Gedragingen Participatiewet</al><al>De artikelen 8 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. </al><al>In artikel 8 Afstemmingsverordening worden schendingen van verplichtingen uit de
                    Participatiewet geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in
                    artikel 8 Afstemmingsverordening, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die
                    categorieën wordt in artikel 10 Afstemmingsverordening een gewicht toegekend in
                    de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid.</al><al>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</al><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. </al><al>Artikel 18 lid 2 WWB zoals dat luidde vóór 1 januari 2015, bepaalt dat het
                    college van burgemeester en wethouders moest afstemmen als een belanghebbende de
                    verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18 lid 2
                    Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de verplichtingen".
                    Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee
                    echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen
                    als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid
                    hierover te voorkomen is daarom in artikel 8 neergelegd dat sprake is van een
                    verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al><al>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                    (onderdeel c)</al><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18 lid 4
                    Participatiewet. In artikel 18 lid 4Participatiewet staan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    geldt een apart afstemmingsregime: maatregel van de bijstand met 100 procent
                    gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van tenminste een
                    maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18 lid 5 Participatiewet), zie
                    artikel 11 Afstemmingsverordening.</al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 8
                    lid 3 Afstemmingsverordening, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen
                    van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in
                    artikel 18 lid 4 Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><al>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9 lid 1
                    Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar, geldt dat zij
                    worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding
                    (artikel 43 lid jo. lid 5 Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht,
                    dan bestaat op grond van artikel 13 lid 2 onder d Participatiewet, geen recht op
                    bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het
                    college van burgemeester en wethouders onvoldoende, dan verlaagt het college van
                    burgemeester en wethouders de uitkering. De maatregel kan in principe al worden
                    toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 7
                    Afstemmingsverordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet
                    noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het
                    bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de
                    melding de fout in gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten
                    van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd
                    opgenomen in de afstemmingsverordening (zie artikel 8 lid 2 onder b
                    Afstemmingsverordening).</al><al>Artikel 8a. Niet meewerken aan taaltoets</al><al>Het kan voorkomen dat een belanghebbende een taaltoets moet afleggen, maar dat
                    hij niet wilt meewerken. In sommige gevallen kan er een redelijke verklaring
                    voor zijn. Hierbij kan worden gedacht aan ziekte of overmacht. Het is ook
                    aannemelijk dat een belanghebbende zich verzet tegen het afleggen van de
                    taaltoets. Artikel 18b, van de Participatiewet voorziet niet in deze gevallen.
                    In het geval dat een belanghebbende weigert medewerking te verlenen aan de
                    taaltoets(bijvoorbeeld door het niet verschijnen, dan kiest het College van
                    burgemeester en wethouders ervoor om dit te zien als een schending van de
                    medewerkingsverplichting.</al><al>Hoogte verlaging</al><al>Het percentage van de verlaging en het aantal maanden waarover de verlaging
                    wordt opgelegd is ter bepaling aan het College van burgemeester en
                    wethouders.</al><al>Bij het invullen van artikel 8a is gekozen voor een verlagingsystematiek die
                    aansluit bij het verlagingsregime op grond van artikel 18b, van de
                    Participatiewet. Als voor het (stelselmatig) niet meewerken aan de taaltoets een
                    gunstiger afstemmingsregime wordt gehanteerd dan voor het niet voldoen aan de
                    taaleis en de daaraan verbonden inspanningsverplichting, kan dit onbedoeld een
                    stimulans vormen om het objectief vaststellen van de taalvaardigheid en daarmee
                    de toepassing van de taaleis te frustreren. Artikel 17 van deze verordening is
                    niet van toepassing.</al><al>Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ</al><al>De artikelen 9 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 9
                    Afstemmingsverordening worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ
                    geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 9
                    Afstemmingsverordening zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën
                    wordt in artikel 10 Afstemmingsverordening een gewicht toegekend in de vorm van
                    een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende
                    zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer
                    concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid.</al><al>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</al><al>Zie voor de maatregelwaardige gedragingen, de toelichting bij de artikelen 8 en
                    9 Afstemmingsverordening.</al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de drie categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al>Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen, zoals bedoeld in de
                    artikelen 8 en 9, dat afwijkt van de maatregel bij schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen, als bedoeld in artikel 18 lid 4
                    Participatiewet. Dit, ondanks dat enkele van de in de artikelen 8 en 9 genoemde
                    gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. De
                    percentages van artikel 10 Afstemmingsverordening sluiten aan bij de percentages
                    die de oude verordening bevatte. </al><al>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                    tot de arbeidsinschakeling</al><al>Artikel 11. Duur maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting</al><al>De eerste keer dat het college van burgemeester en wethouders een verwijtbaar
                    niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de
                    maatregel honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze
                    verordening vastgestelde periode (artikel 18 lid 5 Participatiewet). </al><al>Bij het bepalen van de duur moet verder rekening worden gehouden met art 18 lid
                    6 Participatiewet. Hierin is bepaald dat in geval van recidive, de periode van
                    de maatregel in ieder geval langer moet zijn dan de op grond van art 18 lid 5
                    Participatiewet vastgestelde periode van de maatregel en ten hoogste 3
                    maanden.</al><al>Artikel 12. Verrekenen verlaging</al><al>Het college van burgemeester en wethouders heeft de mogelijkheid bij verlaging
                    van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de
                    verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten
                    hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een
                    derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid,
                    tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer de belanghebbende tot inkeer
                    komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt de belanghebbende weer de
                    volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat
                    hier om een facultatieve bepaling. </al><al>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden</al><al>Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van
                    het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht
                    aan:</al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li></lijst><al>De maand van oplegging</al><al>In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van
                    oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld:
                    de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt. </al><al>Toedeling over twee maanden bij lichte overtredingen</al><al>Is sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting,
                    dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een lichte overtreding is sprake
                    bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                    onderdelen b, f en g, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding
                    wordt de bijstand verlaagd met 100 procent gedurende een maand. Aan de maand van
                    oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag van de
                    verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de
                    maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel 50 procent
                    bedraagt (artikel 12, tweede lid, van deze verordening). </al><al>Toedeling over drie maanden bij zware overtredingen</al><al>Is sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting,
                    dan kan worden verrekend over drie maanden. Van een zware overtreding is sprake
                    bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                    onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet. Bij een dergelijke
                    overtreding wordt de bijstand verlaagd met 100 procent gedurende twee maanden.
                    Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde
                    van het bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van
                    oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel
                    66,67 procent bedraagt (artikel 12, derde lid, van deze verordening).</al><al>Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde
                    arbeid</al><al>In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van
                    artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening
                    plaatsvindt, zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid. Het betreft het niet
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is
                    gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</al><al>Geen verrekening bij herhaling</al><al>Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen de herhalingstermijn, dan is verrekenen van de
                    maatregel niet mogelijk. Artikel 12 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend
                    mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 11 van deze verordening
                    én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Herhaling (recidive) is niet
                    geregeld in artikel 11, maar in artikel 17, derde lid, van deze verordening en
                    artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is
                    verrekenen bij herhaling niet mogelijk. </al><al>Verrekening en maatregel wegens schending inspanningsverplichting Wet
                    taaleis</al><al>Ingeval een maatregel is opgelegd wegens schending van artikel 18b, van de
                    Participatiewet en tegelijkertijd aan andere maatregel loopt, dan kan het
                    voorkomen dat beide maatregelen samen meer dan 100% van de bijstandsnorm
                    bedragen. Als sprake is van een maatregel wegens schending van een van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen, dan kan door gebruik van artikel 18,
                    vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet beide maatregelen worden
                    geeffectueerd. Dit geldt alleen als sprake is van een maatregel op grond van
                    artikel 18b, negende lid, of artikel 18b, tiende lid, van de Participatiewet.
                    Artikel 6, tweede lid, van deze verordening is namelijk niet van toepassing op
                    maatregelen op grond van artikel 18b, van de Participatiewet.</al><al>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</al><al>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </al><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaans(kosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Leidt een gedraging ertoe dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Deze verplichting om
                    voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het
                    bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. </al><al>Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe
                    leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen
                    op bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen</al></li><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de
                    regels van artikel 18 van de Participatiewet en de artikelen 11 en 17, derde
                    lid, van deze verordening.</al><al>Op grond van artikel 13 van deze verordening, kan een maatregel worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al><al>Bijstand in de vorm van een geldlening</al><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, kan het
                    college van burgemeester en wethouders tevens besluiten de bijstand in de vorm
                    van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid,
                    onderdeel b, van de Participatiewet. Als het college van burgemeester en
                    wethouders besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én maatregel),
                    moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                    bijstandsgerechtigde.</al><al>Artikel 14. Misdragingen tegenover het college van burgemeester en wethouders en
                    zijn ambtenaren </al><al>In artikel 9, lid 6 van de Participatiewet en artikel 37, eerste lid, onder 9,
                    van de Ioaw/z wordt gesproken over het zich ernstig misdragen. Alleen (zeer)
                    agressief gedrag kan aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Wij
                    accepteren geen enkele vorm van misdraging tegenover personeel, instanties,
                    leden van het college van burgemeester en wethouders en hun ambtenaren bij de
                    uitvoering van de Participatiewet. Als zodanig kan er een maatregel worden
                    opgelegd. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief
                    heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is
                    met de uitvoering van de Participatiewet (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een
                    maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruik maken van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden)</al></li><li nr="b."><al>discriminatie</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk)</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen)</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging, zal gekeken moeten
                    worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging plaatsvond. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college van burgemeester en wethouders legt een maatregel op,
                    terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij
                    de politie. </al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’, kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan. Hier moet echter wel sprake zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. Van ‘zeer ernstige misdragingen’ is in elk geval sprake
                    bij elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm, wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte, zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college van
                    burgemeester en wethouders, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het
                    verrichten van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de
                    werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het
                    kader van de uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen
                    elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van
                    toepassing.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting, die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet en artikel 37, eerste lid, onder g van de
                    Ioaw/z. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een
                    onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer
                    ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer
                    ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die
                    voortvloeien uit de toenmalige Wwb, Ioaw of Ioaz.</al><al>Artikel 15. Niet nakomen van overige verplichtingen</al><al>Artikel 55 Participatiewet geeft het college van burgemeester en wethouders de
                    bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel
                    bepaald zijn, beperkt tot een viertal categorieën, te weten verplichtingen
                    die:</al><lijst><li nr="1."><al>strekken tot arbeidsinschakeling</al></li><li nr="2."><al>verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                            bijstand</al></li><li nr="3."><al>strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="4."><al>strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de maatregel verschilt per categorie. Het kan voorkomen dat de in
                    de verordening vastgestelde maatregel niet is afgestemd op de individuele
                    omstandigheden van een belanghebbende, omdat de verplichtingen die het college
                    van burgemeester en wethouders op grond van artikel 55 Participatiewet kan
                    opleggen een zeer individueel karakter hebben. Het college van burgemeester en
                    wethouders moet daarom altijd rekening houden met de individualiseringsbepaling
                    van artikel 18 lid 1 Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college van
                    burgemeester en wethouders de bijstand af te stemmen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen biedt
                    artikel 18 lid 1 Participatiewet dus een afwijkingsgrond voor de in dit artikel
                    vastgestelde maatregel.</al><al>Hoofdstuk 5. Samenloop en recidive </al><al>Artikel 16. Samenloop van gedragingen </al><al>Lid 1 Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                    geschonden</al><al>Samenloop bij één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen,
                    zoals genoemd in de Afstemmingsverordening en artikel 18 lid 4 Participatiewet,
                    wordt in lid 1 geregeld. Bij een dergelijke samenloop wordt slechts één
                    maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de maatregel
                    wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld.</al><al>Lid 2 Meerdaadse samenloop (oud artikel 7 Afstemmingsverordening)</al><al>Lid 2 regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in de
                    Afstemmingsverordening en artikel 18 lid 4 Participatiewet. Dit wordt
                    'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een
                    afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden in principe
                    gelijktijdig opgelegd (in tegenstelling tot het oude artikel 7), tenzij dit
                    onverantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de
                    mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol.
                    Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De
                    maatregel wordt dan over meerdere maanden uitgespreid. </al><al>Lid 3/4 Samenloop met een bestuurlijke boete</al><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een maatregel kan worden opgelegd
                    als sprake is van een maatregelwaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een verplichting in de
                    Afstemmingsverordening als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan. Schending
                    van de inlichtingenplicht (wettelijk) is immers geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. Het college van burgemeester en wethouders dient bij
                    dergelijke samenloop in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt
                    opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te
                    leggen. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt of al dan niet een
                    boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen maatregel meer opgelegd
                    (lid 3).</al><al>Bij meerdaadse samenloop, ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren
                    door het opleggen van een bestuurlijke boete, voor zover sprake is van een
                    gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college van
                    burgemeester en wethouders in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen,
                    waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden
                    met de boete en de eventuele andere maatregelen (lid 4).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een verplichting uit
                    artikel 18 lid 4 Participatiewet als schending van de inlichtingenplicht
                    oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><al>Artikel 17. Recidive</al><al>De eerste verwijtbare gedraging is de eerste gedraging die aanleiding heeft
                    gegeven tot een maatregel, ook als wegens dringende redenen is afgezien van het
                    opleggen van een maatregel op grond van artikel 4 lid 2 Afstemmingsverordening
                    en artikel 18 lid 10 Participatiewet. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                    van artikel 18 lid 1 Participatiewet is afgezien van het opleggen van een
                    maatregel. Als vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid, is
                    afgezien van een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    herhaling deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    maatregel is opgelegd, is verzonden.</al><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een van de dezelfde verplichting door een verwijtbare gedraging, komt de
                    grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking in een verdubbeling van de
                    hoogte of duur van de maatregel. Een maatregel kan nooit hoger zijn dan 100
                    procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware maatregelen voor gelden,
                    gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de
                    hoogte (lid 1). Voor lichte maatregelen is gekozen voor een verdubbeling van de
                    hoogte van de maatregel (lid 2). </al><al>Herhaling op herhaling bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen</al><al>Ook als een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    17 lid 1 of lid 2 Afstemmingsverordening van toepassing, herkenbaar aan het
                    woord "telkens" in de herhalings(recidive)bepaling (in tegenstelling tot de oude
                    verordening). Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw
                    schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na
                    bekendmaking van het vorige besluit waarmee een maatregel is toegepast. </al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt dat ofwel de hoogte
                    ofwel de duur van de oorspronkelijke maatregel wordt verdubbeld. Bij lichte
                    gedragingen geldt een verdubbeling van de hoogte van de maatregel. Bij zware
                    gedragingen geldt een verdubbeling van de duur van de maatregel.</al><al>Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke
                    maatregel. Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke maatregel
                    verdubbeld. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige
                    maatregel te verdubbelen. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    maatregel voorkomen. </al><al>Eenzelfde gedraging vereist voor herhaling</al><al>Voor herhaling (recidive) als bedoeld in lid 1 en lid 2 is vereist dat sprake
                    moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de
                    eerste maatregel is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. </al><al>Herhaaldelijke schending geüniformeerde arbeidsverplichting</al><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de maatregel 100 procent gedurende drie
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de maatregel 100 procent gedurende drie maanden (artikel 18,
                    zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><al>Hoofdstuk 6. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</al><al>Artikel 18. Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw / Ioaz</al><al>Het college van burgemeester en wethouders heeft op grond van artikel 20 Ioaw en
                    artikel 20 Ioaz de discretionaire bevoegdheid om de uitkering blijvend of
                    tijdelijk te weigeren als een belanghebbende inkomen uit arbeid had kunnen
                    verwerven, maar dit heeft nagelaten. Het college van burgemeester en wethouders
                    dient in beginsel eerst een oordeel te vormen over de eventuele weigering van de
                    uitkering, alvorens de vraag of een maatregel moet worden opgelegd te
                    beantwoorden. Nadat het college van burgemeester en wethouders tot de conclusie
                    is gekomen dat er geen sprake is van een weigering, kan op grond van deze
                    verordening een maatregel worden opgelegd. Artikel 18 van deze verordening is
                    derhalve bedoeld om samenloop tussen een weigering en het opleggen van een
                    maatregel te voorkomen.</al><al>Artikel 19. Blijvend en tijdelijk weigeren Ioaw - of Ioaz - uitkering</al><al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft
                    het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de uitkering
                    tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen
                    als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben
                    kunnen verwerven, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                            gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                            belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
                            waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
                            kunnen worden gevergd.</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
                            of</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                            verkrijgt.</al></li></lijst><al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het college van
                    burgemeester en wethouders de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties
                    spelen zich af voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van
                    een situatie die valt onder c of d dan kan het college van burgemeester en
                    wethouders de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich af
                    tijdens de uitkering.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders zal altijd rekening dienen te houden
                    met de individualiseringsbepaling van artikel 18 lid 1 Participatiewet. Deze
                    bepaling verplicht het college van burgemeester en wethouders de bijstand af te
                    stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende.
                    De afwijkingsgrond voor het college van burgemeester en wethouders van artikel
                    18 lid 1 Participatiewet wordt nogmaals in lid 1 genoemd. </al><al>Lid 1 bepaalt dat afwijking enkel ten gunste van de belanghebbende mogelijkheid
                    is. Afwijking ten nadele van de belanghebbende is niet toegestaan en zal ten
                    allen tijde vermeden dienen te worden. In casu gaat het wederom om een
                    discretionaire bevoegdheid. Het college van burgemeester en wethouders kan per
                    geval beslissen of een afwijking van de verordening in het specifieke geval
                    noodzakelijk wordt geacht. </al></bijlage></regeling></body></cvdr>