<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR435713_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">het Bildt</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Franekeradeel</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Leeuwarderadeel</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Menameradiel</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terschelling</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlieland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2016-674.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dBladGemeenschappelijkeRegeling%26dpr%3dAnderePeriode%26spd%3d20161222%26epd%3d20170105%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dDienst%2bSociale%2bZaken%2ben%2bWerkgelegenheid%2bNoardwest%2bFrysl%25c3%25a2n%26orgt%3dregionaal%2bsamenwerkingsorgaan%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=8&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">www. Officiele bekendmakingen.nl, 29 december 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017 Dienst SoZaWe Nw. Fryslân.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet,art. 8a lid 1 en lid 2, 10a lid 6, 10b lid 4, IOAW, art. 34 lid 1, 35 en 36 lid 1 en IOAZ, art. 34 lid 1, 35 en 36 lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 houdt per 1 januari 2017 op te bestaan</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017 Dienst SoZaWe Nw.
                Fryslân</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                        Noardwest Fryslân;</al><al/><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, 10a, zesde lid en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en de
                        artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder a en 36, eerste
                        lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werknemers en de artikelen 34, eerste lid, onderdeel a, 35, aanhef en onder
                        a en 36, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen werknemers</al><al/><al>besluit vast te stellen de </al><al/><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017</vet></al><al><vet>Dienst SoZaWe Nw. Fryslân</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), en de Algemene
                                    wet bestuursrecht (Awb).</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Dienst
                                            Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;</al></li><li nr="b."><al>dienst: de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                                            Noardwest</al><al> Fryslân;</al></li><li nr="c."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk </al><al> arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste
                                            lid, onder a, van deParticipatiewet alsmede de personen
                                            zoals bedoeld in artikel 34,eerste lid, onderdeel a van
                                            de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van
                                            een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                            hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving,
                                            waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                                            sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten
                                            voor elkaar overstijgt.</al></li><li nr="g."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                            jaar;</al></li><li nr="h."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijsmogelijk binnen één
                                            jaar.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze
                                verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden
                                en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben
                                in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>noodzakelijk te verrichten mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zal bij het bepalen van het aanbod van
                                voorzieningen prioriteiten stellen in verband met zijn financiële
                                mogelijkheden en met de maatschappelijke, economische en
                                conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze
                                verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke
                                voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het dagelijks
                                bestuur in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij
                                gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere
                                bepalingen zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de
                                        artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                                        niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                        de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer een voorziening is beëindigd en niet het beoogde doel heeft
                                gehad, kan het dagelijks bestuur besluiten geen nieuwe voorziening
                                aan de belanghebbende aan te bieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een eigen bijdrage wordt in rekening gebracht voor de
                                niet-uitkeringsgerechtigde of ingeval de niet-uitkeringsgerechtigde
                                deel uitmaakt van een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in
                                artikel 3 van de Participatiewet, met een gezamenlijk inkomen hoger
                                dan 150% van het van toepassing zijnde wettelijk minimum loon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigen bijdrage die in rekening wordt gebracht is gelijk aan de
                                gemaakte kosten van het door het dagelijks bestuur aangeboden
                                voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan besluiten tot het instellen van één of
                                meer budgetplafonds voor de verschillende voorzieningen en/of
                                doelgroepen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een door het dagelijks bestuur in het eerste lid genoemde
                                budgetplatform vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                een scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>zonder inzet van de scholing is het verwerven of behouden
                                        van arbeid naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet
                                        haalbaar;</al></li><li nr="b."><al>de scholing moet aansluiten bij de krachten of bekwaamheden
                                        van de persoon; en</al></li><li nr="c."><al>de scholing die ingezet wordt beslaat maximaal een periode
                                        van twee jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht
                                op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de
                                Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten
                                verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het dagelijks bestuur, de werkgever en de
                                persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                100,00 per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan
                                een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van
                                een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat
                                hij deze persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemers
                                verzekeringen advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in
                                een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden
                                tot arbeidsparticipatie hebben. Het dagelijks bestuur selecteert
                                voor deze beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot
                                de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het dagelijks bestuur de
                                volgende ondersteunende voorzieningen in:</al><lijst><li nr="-"><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                        werkomgeving,</al></li><li nr="-"><al>uitsplitsing van taken of</al></li><li nr="-"><al>aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                        arbeidsduur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk
                                en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk beschikbaar worden
                                gesteld. In verband hiermee overlegt het dagelijks bestuur met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente of
                                dienst gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het dagelijks bestuur
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>Werkgevers kunnen bij ziekte van de werknemer gebruik maken van de
                            no-risk polis die het UWV aanbiedt voor de doelgroep van de
                            banenafspraak in het kader van de Participatiewet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verhouding met eerder vastgestelde verordening</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening houdt met ingang van 1
                            januari 2017 de op 29 januari 2015 door het algemeen bestuur
                            vastgestelde verordening op te bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017 Dienst SoZaWe Nw.
                            Fryslân<vet>.</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van de
                        Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân,</ondertekening><ondertekening>het bestuur voornoemd</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Drs. M.J. Jellema, J. Hoekstra-Sikkema,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>secretaris/directeur, voorzitter.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Evenals de Re integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 is
                    opnieuw gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met
                    de aard van de gekregen opdracht, te weten het bij verordening regels stellen
                    waarin het beleid van de gemeente i.c. de dienst ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het dagelijks bestuur de bevoegdheid gegeven om op een aantal
                    punten eigen afwegingen te maken. Er is voor gekozen in de verordening de
                    voorzieningen vast te leggen die het dagelijks bestuur in ieder geval kan
                    aanbieden. </al><al>Sinds 1 januari 2016 is de no-risk polis als voorziening vervallen omdat in
                    verband met de harmonisatie van instrumenten ter bevordering van arbeidsdeelname
                    van arbeid beperkten een uniforme no-risk polis via het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV) voor gemeenten en werkgevers beschikbaar is. De
                    Dienst hoeft deze no-risk polis niet meer als voorziening aan te bieden.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering</tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet in
                    de verordening ten aanzien van de aangeboden voorzieningen worden vast gelegd
                    hoe rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen
                    van personen. Hierin ligt besloten dat ook rekening wordt gehouden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is
                    in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                    handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en
                    waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                    mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen
                    van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                    voorgaande uitvoering gegeven.</al><al/><al>Het is aan het dagelijks bestuur om te zorgen voor een voldoende en passend
                    aanbod van voorzieningen. Het dagelijks bestuur heeft daarbij te maken met
                    beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een
                    veelheid aan sociaal economische factoren. Dat maakt dat het dagelijks bestuur
                    bepaalt voor welke inwoners die tot de doelgroep van de Participatiewet behoren,
                    zij bepaalde voorzieningen gaan inzetten.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    i.c. het dagelijks bestuur aan moet bieden. Het enige criterium is dat de
                    voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan
                    het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar
                    gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening
                    gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een
                    isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het
                    leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld
                    via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat in een individuele situatie een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking wordt gesteld.</al><al/><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan
                    beëindigen en in welke gevallen dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                    verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al/><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                    opgenomen in artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt
                    bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt.
                    Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van
                    de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid,
                    onderdeel b en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het
                    inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                    minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                    geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is
                    verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het dagelijks bestuur ondersteuning bij
                    de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
                    dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                    bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is
                    verstrekt.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Eigen bijdrage</tussenkop><al>Niet-uitkeringsgerechtigden behoren tot de doelgroep die een voorziening moet
                    worden aangeboden. Zij kunnen niet worden uitgesloten op basis van hun inkomen.
                    Om die reden wordt de niet-uitkeringsgerechtigde een eigen bijdrage in rekening
                    gebracht.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Budgetplafonds</tussenkop><al>In het verlengde van artikel 2, tweede lid, kan het dagelijks bestuur
                    budgetplafonds instellen. Met het instellen van dergelijke plafonds wordt
                    voorkomen dat bepaalde groepen onevenredig veel aanspraak maken op voorzieningen
                    en daaraan gekoppelde middelen.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Scholing</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat het dagelijks bestuur een scholingstraject kan aanbieden
                    aan een persoon die behoort tot de doelgroep.</al><al>Bij de inzet van scholing wordt gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie en de
                    duur ervan. Het dagelijks bestuur hoeft aan een persoon geen scholing aan te
                    bieden als dergelijke scholing naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van
                    de persoon te boven gaan. Gekozen wordt voor die scholing die het snelst leidt
                    tot het beoogde doel. In beginsel zal er geen scholing ingezet worden die langer
                    dan 24 maanden in beslag neemt.</al><al/><tussenkop>Jongeren</tussenkop><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a,
                    van de Participatiewet).</al><al/><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Jongeren worden geacht minimaal te beschikken over een startkwalificatie.
                    Hierdoor beschikken zij over een betere startpositie op de arbeidsmarkt.</al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo- of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee.</al><al>Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                    startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing
                    noodzakelijk zijn voor de re-integratie.</al><al/><tussenkop>Scholing in combinatie met participatieplaats</tussenkop><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats
                    niet over een startkwalificatie beschikt, dient het dagelijks bestuur aan deze
                    persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na
                    aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding
                    moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het
                    dagelijks bestuur hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te
                    bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of
                    bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of
                    opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                    arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de
                    Participatiewet.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Het dagelijks bestuur kan daarom ook enkel aan personen van 27
                    jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats
                    aanbieden.</al><al/><al>Additionele werkzaamheden</al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het dagelijks
                    bestuur of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot
                    (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de
                    participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de
                    participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt
                    voorgezet. Als de dienst concludeert dat voortzetting van de participatieplaats
                    met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de
                    arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden.
                    Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel
                    10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een
                    dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het
                    dagelijks bestuur voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen
                    op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd
                    worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet).</al><al>De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j,
                    van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd
                    door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het
                    bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden
                    betrokken. Er is gekozen voor een premie van telkens € 100,- per zes
                    maanden.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                    uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                    beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek
                    nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                    verwacht dat hij deze in dienst neemt.</al><al/><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de dienst een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het dagelijks bestuur welke
                    mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de
                    verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom
                    is in het tweede lid bepaald dat het dagelijks bestuur uitsluitend personen met
                    een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij
                    uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot
                    de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden
                    tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken.</al><al/><al>Het dagelijks bestuur kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in
                    een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het dagelijks bestuur maakt
                    uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het dagelijks bestuur moet
                    bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de
                    beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving
                    onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    hebben.</al><al/><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het dagelijks bestuur
                    met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk
                    behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van
                    landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><tussenkop>Stap 3: besluit dagelijks bestuur</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituutwerknemersverzekeringen
                    beslist het dagelijks bestuur of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort.
                    Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen, kan het dagelijks bestuur
                    besluiten het advies niet te volgen.</al><al/><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    het dagelijks bestuur ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                    beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten i.c. de dienst. Een dienstbetrekking kan
                    bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of
                    stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij
                    reguliere werkgevers werken.</al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze het dagelijks bestuur de omvang van het
                    aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. De Dienst
                    kan het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente of dienst
                    gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere
                    reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.</al><al/><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                    hoeveel plekken voor beschut werk de dienst beschikbaar stelt. Het aanbod is
                    mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij
                    werkgevers. Daarom moet het dagelijks bestuur overleg voeren met partners om de
                    omvang van het aanbod te kunnen bepalen (vierde lid).</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 8a wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. No-riskpolis</tussenkop><al>Met de no-riskpolis zijn werkgevers die iemand uit de doelgroep banenafspraak in
                    dienst nemen verzekerd voor de verplichting om loon door te betalen bij
                    ziekte.</al><al>Met de wetswijziging ( 34194) Bevordering van arbeidsdeelname van
                    arbeidsbeperkten wordt via het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    (UWV) voorzien in een uniforme no-riskpolis voor gemeenten en werkgevers.</al><al/><tussenkop>Artikel 11. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Verhouding met eerder vastgestelde verordening</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening houdt met ingang van 1 januari 2017
                    de eerder door het algemeen bestuur vastgestelde verordening op te bestaan.</al><al/><tussenkop>Artikel 13. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>