<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR435661_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gmb 2016-184657</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit nr. 123/2016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de Gemeente Nijmegen, bijeen in zijn openbare vergadering van 21
                        december 2016;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 15
                        november 2016, FA20, Nr: 15 november 2016;</al><al>Gelet op </al><al>de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; </al><al>Besluit </al><al>vast te stellen de navolgende verordening: </al><al/><al>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen
                        2017 (Verordening onroerende-zaakbelastingen 2017). </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" worden ter zake van
                                binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                                geheven: </al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                        kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                        woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                        recht of persoonlijk recht gebruikt (verder te noemen:
                                        gebruikersbelasting);</al></li><li nr="b."><al>een belasting van degene die bij het begin van het
                                        kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft
                                        krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (verder te
                                        noemen: eigenarenbelasting). </al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Bij de gebruikersbelasting wordt: </al><al>a.gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel
                                in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft
                                gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                                aan wie dat deel in gebruik is gegeven; </al></li><li nr=""><al>b.het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de
                                onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                beschikking is gesteld. </al></li><li nr="3."><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij
                                het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale
                                registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
                                genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                            op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt
                            de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van: </al><lijst><li nr="a."><al> ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                                    geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open
                                    grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
                                    bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                    gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                                    gebruiken. </al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                    of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat
                                    uit de in onderdeel a bedoelde grond; </al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                    eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten
                                    van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                    voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet
                                    aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet
                                    bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende
                                    gebouwde eigendommen; </al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                    heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                    rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                    uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon
                                    ten doel stellen, beheerd worden; </al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                    rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; </al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning; </al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                    afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                    van de delen van zodanige werken die dienen als woning; </al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                    afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                    werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                    gebouwde eigendommen zijn aan te merken; </al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt
                                    voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden
                                    gebruikt voor het geven van onderwijs; </al></li><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                    eigendommen -niet zijnde gebouwen- welke zijn geplaatst ten
                                    gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het
                                    verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                    verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                    banken, abri's, hekken en palen; </al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                    beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van de delen
                                    van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning of
                                    kantoorruimte. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>1.Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                        heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: </al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1228%;</al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting </al></li></lijst><al>I voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,2669%; </al><al>II voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                        0,7282%.</al><al>2.Indien het totaal van de aanslag(en) onroerende-zaakbelastingen of andere
                        heffingen verenigd op één aanslagbiljet minder dan € 10,- bedraagt, wordt
                        geen aanslag opgelegd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>Deze belastingen worden bij wege van aanslag geheven </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Een verzoek om kwijtschelding wordt getoetst aan de Uitvoeringsregeling
                        Invorderingswet 1990, met dien verstande dat het in artikel 16, lid 1, van
                        die regeling genoemde percentage voor de kosten van bestaan wordt vervangen
                        door 100.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in geval dat: </al><lijst><li nr="a."><al>het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
                                    onroerende-zaakbelasting of andere heffingen € 100,- of minder
                                    is, uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand
                                    die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld; </al></li><li nr="b."><al>het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
                                    onroerende-zaakbelasting of andere heffingen meer dan € 100,-
                                    is, maar minder dan € 5.000,- in twee gelijke termijnen waarvan
                                    de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de
                                    maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en
                                    de volgende termijn een maand later. </al></li><li nr="c."><al>het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
                                    onroerende-zaakbelasting of andere heffingen € 5.000,- of meer
                                    is, in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt
                                    op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                                    dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de volgende
                                    termijn een maand later. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen bedoeld in het eerste lid onder b geldt in afwijking van het
                            aldaar bepaalde, zolang de verschuldigde bedragen door middel van
                            automatische incasso van de betaalrekening van de belastingplichtige
                            kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in
                            tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de 26e dag
                            van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het
                            aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens op de
                            26e dag van elke volgende maand. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>De ‘Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2016’ zoals vastgesteld bij
                        raadsbesluit van 16 december 2015 en gepubliceerd onder nr. Gmb-2015-124608,
                        wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid van artikel 11
                        genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                        belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding en ingang van de heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening
                        onroerende-zaakbelastingen 2017’. </al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 december 2016. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De plaatsvervangend raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>S.E.M. Bruins MA Msc</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>Drs. H.M.F. Bruls </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>TOELICHTING VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN </al><al/><al>A.ALGEMENE TOELICHTING</al><al>1 Wettelijke grondslag </al><al>De verordening onroerende-zaakbelastingen is gebaseerd op de Gemeentewet. Voor
                    de waardebepaling zijn ook de bepalingen van de Wet waardering onroerende zaken
                    van toepassing. </al><al>2 Wet WOZ </al><al>De Wet WOZ regelt de bepaling en vaststelling van de waarde van onroerende zaken
                    ten behoeve van de belastingheffing door rijk, gemeenten en waterschappen,
                    waaronder ook de onroerende-zaakbelastingen. De waarde wordt door een voor
                    bezwaar vatbare beschikking aan de eigenaar en aan de gebruiker (de
                    belanghebbenden) bekend gemaakt. Vanaf 2007 wordt de waarde jaarlijks
                    vastgesteld. Met ingang van 2008 ligt de waardepeildatum één jaar voor aanvang
                    van het kalenderjaar waarvoor de waarde geldt. </al><al>2.1. Objectafbakening </al><al>In artikel 16 van de Wet WOZ worden de voorschriften gegeven voor de
                    objectafbakening. De Wet WOZ merkt als onroerende zaak aan: </al><al>a een gebouwd eigendom; </al><al>b een ongebouwd eigendom; </al><al>c een zelfstandig gedeelte van een gebouwd eigendom of ongebouwd eigendom; </al><al>d een samenstel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een
                    zelfstandig deel daarvan. </al><al>e het binnen de gemeente gelegen deel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd
                    eigendom, een zelfstandig deel of samenstel. </al><al>Gedeelten </al><al>Een gedeelte van een gebouwd of ongebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is
                    bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt vormt in beginsel een
                    afzonderlijk belastingobject. Het gaat daarbij om gedeelten die elk nog als
                    zelfstandige en onafhankelijke eenheid kunnen worden gebruikt (bijv. de woning
                    in een flatgebouw). </al><al>Samenstel (complex) </al><al>Kenmerkend voor dergelijke samenstellen is dat de daartoe behorende eigendommen
                    naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren en door een en dezelfde
                    (rechts)persoon worden gebruikt. Er zijn drie voorwaarden. Ten eerste moet het
                    gaan om objecten van één en dezelfde eigenaar. Vervolgens moeten de objecten
                    naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren. Daarbij kan bijvoorbeeld
                    de afstand tussen de objecten een rol spelen. Vaak zal het ene object een
                    hulpfunctie vervullen voor het andere (bijvoorbeeld een garage die naast een
                    woning staat). De laatste voorwaarde is dat de objecten in gebruik zijn bij
                    dezelfde persoon. Wanneer bijv. de bij een woonhuis behorende garage wordt
                    gebruikt door een ander dan de bewoner van het huis, dan zijn woonhuis en garage
                    niet één, maar twee belastingobjecten. </al><al>Met ingang van 2005 wordt de objectafbakening voor recreatieterreinen
                    eenvoudiger doordat alle grond en opstallen die naar omstandigheden beoordeeld
                    één terrein vormen als één WOZ-object kunnen worden afgebakend en getaxeerd.
                    Voorwaarde is een bestemming voor en exploitatie als verblijfsrecreatie. </al><al>Eigendomsgrens is grens van het object </al><al>Alleen als van de samenstellende delen van een onroerende zaak de genothebbende
                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht dezelfde is, is sprake van één
                    belastingobject. Dit betekent dat de eigendomsgrens de uiterste grens van het
                    object vormt. </al><al>2.2. Waardering </al><al>Waarde in het economische verkeer </al><al>Artikel 17 van de Wet WOZ geeft de regels voor de waardering. Uitgangspunt
                    daarbij is de waarde in het economische verkeer. Dat is de waarde die aan de
                    onroerende zaak kan worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom van
                    de onroerende zaak zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de
                    staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou
                    kunnen nemen. </al><al>Voor woningen en rijksmonumenten is de waarde in het economische verkeer altijd
                    van toepassing. Voor niet-woningen wordt de zgn. gecorrigeerde vervangingswaarde
                    genomen als deze hoger is dan de waarde in het economische verkeer. </al><al>Wijzigingen na waardepeildatum </al><al>De waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld naar de waarde die de zaak
                    heeft op de waardepeildatum en naar de staat waarin de zaak verkeert op het
                    tijdstip van de waardepeildatum. Met wijzigingen tussen deze waardepeildatum en
                    het begin van het kalenderjaar wordt alleen onder voorwaarden rekening gehouden.
                    Deze voorwaarden zijn: </al><lijst><li nr="a."><al>een onroerende zaak gaat op in een andere onroerende zaak dan wel in
                            meer onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>een onroerende zaak wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing,
                            verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van
                            bestemming;</al></li><li nr="c."><al>een onroerende zaak ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voor
                            de onroerende zaak geldende, omstandigheid een waardeverandering.</al></li></lijst><al>Wijzigingen onder a betreffen de objectafbakening. Onder b gaat het om
                    wijzigingen van het object zelf. De wijzigingen onder c betreffen wijzigingen
                    aan het object zelf, maar ook omgevingsfactoren. De waardeverandering wordt
                    meegenomen vanaf het begin van het kalenderjaar wanneer de bedoelde feiten of
                    omstandigheden geheel of gedeeltelijk hun beslag hebben gekregen. </al><al>Objecten in aanbouw </al><al>Met ingang van 1 januari 2005 geldt een nieuwe waarderingsmethodiek voor
                    objecten in aanbouw. Objecten die op 1 januari van enig belastingjaar (nog) in
                    aanbouw zijn, worden niet meer op basis van de waarde in het economische verkeer
                    getaxeerd, maar op basis van de vervangingswaarde. De vervangingswaarde wordt
                    gedefinieerd als de grondwaarde plus de geobjectiveerde stichtingskosten. Deze
                    stichtingskosten worden gecorrigeerd met een percentage, dat afhankelijk is van
                    de voortgang van de bouw. Bij een object in aanbouw dat voor de helft gereed is,
                    bedraagt dit percentage bijvoorbeeld 50%. </al><al/><al>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </al><al>Artikel 1 Belastingplicht </al><al>Eerste lid </al><al>De onroerende-zaakbelastingen zijn tijdstipbelastingen. Het begin van het
                    kalenderjaar bepaalt de belastingplicht. Indien het gebruik dan wel het genot
                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht in de loop van het jaar aanvangt of
                    eindigt, heeft dat geen invloed op de belastingplicht. </al><al>Gebruikersbelasting </al><al>De gebruikersbelasting wordt geheven van degene die -naar de omstandigheden
                    beoordeeld- bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak al dan niet
                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. Niet
                    van belang is dus op welke grond van het object gebruikt wordt gemaakt. Ook bij
                    wederrechtelijk gebruik (krakers) is sprake van gebruik. Met ingang van 2006
                    wordt geen OZB meer geheven van de gebruikers van woningen. </al><al>Tweede lid </al><al>Overeenkomstig artikel 220b, eerste lid, van de Gemeentewet zijn in artikel 1,
                    tweede lid, van de verordening enkele aanvullende bepalingen inzake de
                    gebruikersbelasting opgenomen. De Gemeentewet gaat voor de gebruikersbelasting
                    niet uit van "feitelijk gebruik", maar van "gebruik". Daardoor kan de
                    gebruikersbelasting in bepaalde situaties worden opgelegd aan
                    belastingplichtigen die niet feitelijk gebruik maken van een onroerende zaak. Zo
                    regelt artikel 1, tweede lid, onderdeel a van de verordening dat gebruik door
                    degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, wordt
                    aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Door
                    deze bepaling is de verhuurder ook belastingplichtig voor de gebruikersbelasting
                    als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de onroerende zaak is. Dit
                    betekent dat bij verzamelkantoorgebouwen met meer dan één gebruiker (die voor de
                    wet WOZ en de OZB als één object kunnen gelden), de verhuurder in de heffing van
                    de gebruikersbelasting moet worden betrokken. Voor alle duidelijkheid: de
                    bepaling ziet alleen op situaties waarin delen van de onroerende zaak worden
                    gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet gezamenlijk het geheel
                    gebruiken. </al><al>Dit artikellid (onderdeel b) bepaalt dat het ter beschikking stellen van een
                    onroerende zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door degene
                    die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. De verhuurder is dan
                    belastingplichtig voor de gebruikersbelasting. </al><al>In beide bovenstaande gevallen bestaat voor degene die de onroerende zaak ter
                    beschikking stelt de mogelijkheid om de belasting te verhalen op degene aan wie
                    de zaak ter beschikking is gesteld. </al><al>Derde lid </al><al>De vaststelling van de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht,
                    geschiedt in het algemeen op grond van de kadastrale registers. Ook
                    appartementsrechten, recht van opstal, erfpachtrechten, recht van vruchtgebruik,
                    recht van beklemming, recht van gebruik en bewoning of een beperkt recht in de
                    zin van artikel 5, derde lid, onderdeel b van de Belemmeringenwet privaatrecht
                    kan leiden tot deze belastingplicht. </al><al>De gemeente heeft ten aanzien van de belastingplichtige een keuzemogelijkheid
                    indien er naast eigendom ook sprake is van een afgeleid recht (bijvoorbeeld
                    recht van vruchtgebruik). </al><al>Artikel 2 Belastingobject </al><al>Voor de afbakening van het belastingobject, de onroerende zaak, wordt in de
                    tekst van de verordening verwezen naar hoofdstuk III van de Wet WOZ. </al><al>Artikel 3 Maatstaf van heffing </al><al>Niet alleen voltooide bouwwerken, maar ook de waarde van in aanbouw zijnde
                    onroerende zaken moet op grond van de Wet WOZ worden bepaald en in de heffing
                    worden betrokken. </al><al>De heffingsmaatstaf is de waarde van de onroerende zaak zoals deze is
                    vastgesteld op basis van de Wet WOZ. </al><al>Artikel 4 Vrijstellingen </al><al>De verplichte vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 220d van de Gemeentewet.
                    Op grond van de wettekst wordt niet een object als zodanig vrijgesteld, maar
                    wordt de waarde van (een gedeelte) van een object buiten aanmerking gelaten. Dit
                    maakt het mogelijk dat een onroerende zaak gedeeltelijk wordt belast en
                    gedeeltelijk wordt vrijgesteld. </al><al>Derde lid: Als de waarde van de woondelen van een onroerende zaak minder dan 70%
                    uitmaakt van de totale waarde van die onroerende zaak, is er sprake van een
                    niet-woning voor de OZB. Deze onroerende zaken, zoals bijvoorbeeld boerderijen
                    en verzorgingstehuizen, worden dus naar het tarief voor niet-woningen
                    aangeslagen en zouden zonder nadere regeling niet profiteren van de afschaffing
                    van de gebruikersbelasting op woningen. Door aanvaarding van het amendement De
                    Pater is een regeling getroffen voor deze niet-woningen: het woongedeelte wordt
                    vrijgesteld voor de gebruikersbelasting niet-woningen. </al><al>Artikel 5 Belastingtarieven </al><al>Eerste lid </al><al>Ingevolge artikel 220f van de Gemeentewet moet het tarief worden gesteld op een
                    percentage van de waarde in het economisch verkeer. </al><al>Tweede lid </al><al>Uit het oogpunt van kostenbesparing is bepaald dat, indien het totaalbedrag van
                    de aanslagen verenigd op een aanslagbiljet minder bedraagt dan € 10,00 (het
                    wettelijk maximum conform artikel 220 h van de Gemeentewet), deze aanslagen niet
                    worden opgelegd. </al><al>Artikel 6 Wijze van heffing </al><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. In deze verordening is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. </al><al>Artikel 7 Kwijtschelding</al><al>Er is gekozen voor een kwijtscheldingsnorm van 100% van de normuitkering als
                    bedoeld in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990</al><al>Artikel 8 Termijnen van betaling </al><al>In dit artikel is een afwijking van de wettelijke betalingstermijn opgenomen.
                    Afhankelijk van de hoogte van het totaal bedrag op het aanslagbiljet gelden
                    verschillende betalingstermijnen. Automatische incasso is mogelijk voor alle
                    bedragen ongeacht de hoogte van de aanslag. Betaling in tien gelijke termijnen
                    is alleen mogelijk in geval van automatische incasso voor bedragen hoger dan €
                    100,- en lager dan € 5000,-. </al><al>Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders </al><al>Het college van burgemeester en wethouders heeft in een regeling gemeentelijke
                    belastingen de formele bepalingen over de heffing en invordering vermeld. </al><al>Artikel 10</al><al>Artikel 10 regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de
                    datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van toepassing op
                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die belastbare
                    feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude verordening, ook al is
                    die verordening ingetrokken. </al><al>Artikel 11</al><al>Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moet de gemeente het besluit tot het
                    vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend maken.
                    Bekendmaking geschiedt door middel van publicatie in het Gemeenteblad. In het
                    huis aan huisblad "De Brug" wordt medegedeeld welk besluit is vastgesteld dan
                    wel gewijzigd. De dag van bekendmaking is overigens de dag waarop de uitgave
                    feitelijk verkrijgbaar is. Dit is de datum waarop de tekst van de verordening
                    daadwerkelijk beschikbaar is voor de burger. De datum van ingang van de heffing
                    is vastgelegd in het tweede lid van artikel 11.</al><al>Artikel 12</al><al>In artikel 12 is in de citeertitel een jaartal genoemd </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>