<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR435053_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-183419.html">23-12-2016 Gemeenteblad, 2016, 183419</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet, artikel 8 lid 1 aanhef onder a en d </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044">Wet inkomens­voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelf­standigen, artikel 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>"AFSTEMMINGSVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ"</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Loppersum;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en
                        wethouders;</al><al/><al>gelet op artikel 8 lid 1 aanhef onder a en d van de Participatiewet,
                        artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en artikel 35 Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen (Ioaz);</al><al/><al>overwegende de gewenstheid van het bij verordening vast stellen van
                        regels om uitvoering te geven aan het doel van de Participatiewet,
                        bekendstaand als de kansen op arbeidsparticipatie van mensen met een
                        afstand tot de arbeidsmarkt of een arbeidsbeperking op de lange termijn
                        te verbeteren (zie TK 2013-2014, 33 161, nr. 107, p. 45-46). Alsmede de
                        gewenstheid van het bij verordening vaststellen van regels met
                        betrekking tot de aan de uitkering verbonden verplichtingen en mogelijke
                        maatregel en van de uitkering;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>Vast te stellen de</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet college van
                                burgemeester en wethouderssrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><lijst><li nr="a."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel
                                        18 lid 2 van de wet, artikel 20 lid 2 IOAW en artikel 20 lid
                                        1 IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                                        weigeren van een uitkering op grond van artikel 20 lid 1
                                        IOAW en artikel 20 lid 2 IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>benadelingsbedrag: de hoogte van de netto-uitkering waarop
                                        eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of
                                        is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan;</al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm:</al><lijst><li nr="1."><al>de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c
                                Participatiewet, of;</al></li><li nr="2."><al>grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers of artikel 5 Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover
                                sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>uitkering: de algemene bijstand op grond van de
                                        Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders legt een maatregel op als
                                een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                toont met betrekking tot de voorziening in het bestaan, dan wel de
                                verplichtingen die voortvloeien uit de Participatiewet, de
                                IOAW/IOAZ, met uitzondering van de inlichtingenverplichting o.g.v.
                                artikel 17 eerste lid van de wet, artikel 13 eerste lid IOAW/IOAZ en
                                artikel 30 c tweede en derde lid Wet Suwi, dan wel de verplichtingen
                                die in de beschikking tot toekenning, wijziging of voortzetting van
                                de bijstand zijn opgenomen niet of onvoldoende nakomt, alsmede
                                wanneer een belanghebbende zich jegens het college van burgemeester
                                en wethouders (zeer ernstig) misdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel van de uitkering
                                als bedoeld in de artikelen 9a twaalfde lid en artikel 18 lid 2, 5
                                en 6 van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38 lid 12 van de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38 lid 12 van de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen, worden in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="·"><al>de reden van de maatregel; </al></li><li nr="·"><al>de duur van de maatregel; </al></li><li nr="·"><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt
                                        verlaagd, en; </al></li><li nr="·"><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                        standaardmaatregel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel die voor een periode van langer dan drie maanden wordt
                                opgelegd, wordt telkens heroverwogen tegen het einde van het tijdvak
                                van drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en er zich sindsdien
                                        geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college van burgemeester en wethouders het horen niet
                                        nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de
                                        gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende heeft aangegeven hiervan geen gebruik te
                                        willen maken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders ziet af van het opleggen
                                van een maatregel als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar, voor constatering van die
                                        gedraging door het college van burgemeester en wethouders,
                                        plaatsvond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan afzien van het
                                opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen
                                aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het college van burgemeester en wethouders afziet van het
                                opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, krijgt de
                                belanghebbende daarover een brief.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><al>Bij een eerste maatregelwaardige gedraging, zoals bedoeld in artikel 8 a
                            en 9a van deze verordening, kan het college van burgemeester en
                            wethouders besluiten een waarschuwing te geven. Deze waarschuwing telt
                            mee bij de vaststelling van recidive (herhaling).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt in beginsel toegepast op de uitkering of
                                bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12
                                van de Participatiewet over de kalendermaand, volgend op de maand
                                waarin het besluit tot het opleggen van een maatregel aan een
                                belanghebbende is bekend gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op
                                dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een maatregel niet of niet helemaal uitgevoerd kan worden als
                                gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de
                                maatregel of dat deel van de maatregel dat nog niet is uitgevoerd,
                                alsnog toegepast, als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in
                                artikel 4 lid 1 onder b, opnieuw een uitkering ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De herziening kan niet worden toegepast over een ander tijdvak dan
                                waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan een maatregel worden toegepast op de
                                bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Wet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daar aanleiding toe
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van lid 2 onder sub a, moet in de hoofdstukken 2, 3
                                en 4 ‘bijstandsnorm’ als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van
                                artikel 12 van de Wet verleende bijzondere bijstand’ worden
                                gelezen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van lid 2 onder sub b, moet in de hoofdstukken 2, 3
                                en 4 ‘bijstandsnorm’ als ‘de verleende bijzondere bijstand’ worden
                                gelezen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE NIET GEÜNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING
                            TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    Werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet</al></li><li nr="2."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikel 9 lid 1 of 55 van de Participatiewet, voor
                                            zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                            gedurende vier weken na een melding als bedoeld in
                                            artikel 43 lid 4 en 5 van de Participatiewet, voor zover
                                            deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18
                                            lid 4 van de Wet</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college van burgemeester en wethouders opgedragen
                                            tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9
                                            lid 1 onder c van de Participatiewet</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie:</al><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen in de gemeente van inwoning, voor zover dit niet voortvloeit
                            uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de
                            Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8a.</nr><titel>Niet meewerken aan taaltoets</titel></kop><al>Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de taaltoets
                            als bedoeld in artikel 18b tweede lid van de Participatiewet, wordt een
                            maatregel opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand;</al></li><li nr="b."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als
                                    belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een
                                    besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege het niet
                                    meewerken aan het afleggen van een taaltoets opnieuw schuldig
                                    maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als
                                    belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een
                                    besluit in de zin van artikel 8a, onderdeel b, van deze
                                    verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare
                                    gedraging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende, waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37
                            en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    Werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een
                                            door het college van burgemeester en wethouders
                                            aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36
                                            lid 1 en 37 lid 1 onder e van de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                                            werknemers of de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onder e
                                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit
                                            niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3."><al>het uit houding of gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichting als bedoeld in artikel 37 lid 1 onder e
                                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37 lid
                                            1 onder e van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                            niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                                            intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor
                                            een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38 lid 1
                                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38 lid
                                            1 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college van burgemeester en wethouders opgedragen
                                            tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37
                                            lid 1 onder f van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                            artikel 37 lid 1 onder f van de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid, als bedoeld in artikel 20, eerste
                                            lid, onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                            of artikel 20, tweede lid, onder a of b , van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college van burgemeester en wethouders aangeboden
                                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling, als bedoeld
                                            in de artikel 36 lid 1 en 37 lid 1 onder e van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen
                                            36 lid 1 en 37 lid 1 van de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het niet
                                            doorgaan of tot voortijdige beëindiging van die
                                            voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van
                            deze verordening, wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE GEÜNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Duur maatregel bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4
                            van de Wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de maatregel 100 procent
                            van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al>een maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18 vierde lid,
                                    onderdeel b, f, en g, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a, c, d, e, en h, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verrekening verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 11, wordt
                                toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de
                                volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit
                                rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11, onderdeel a, kan de
                                verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de
                                verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11, onderdeel b, kan de
                                verlaging worden toegepast over drie maanden, waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden, een
                                derde van de verlaging wordt toebedeeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18 lid 2
                                van de Wet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval verstaan:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het op een onverantwoorde wijze besteden van vermogen of
                                vermogensbestanddelen voor zover de noodzaak tot bijstandsverlening
                                redelijkerwijs was te voorzien;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het verwijtbaar geen beroep (kunnen) doen op een voorliggende
                                voorziening, door deze niet te gelde te maken dan wel weigeren er
                                een beroep op te doen, daaronder tevens begrepen het doen van een
                                beroep op bijstand omdat een voorliggende voorziening volledig
                                verrekend wordt met een bestuurlijke boete en betrokkene om die
                                reden niet kan voorzien in de kosten van het bestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij een
                                        benadelingsbedrag tot € 500;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 500 tot € 2.000;</al></li><li nr="c."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4.000;</al></li><li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden, bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf 4000 tot € 10.000;</al></li><li nr="e."><al>als het benadelingsbedrag meer dan € 10.000 bedraagt, wordt
                                        een individueel besluit genomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Misdragingen tegenover personen, instanties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich misdraagt tegenover personen en
                                instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet
                                als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen
                                en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g,
                                van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met
                                de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, als bedoeld in artikel 37,
                                eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van
                                50 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een misdraging in de zin artikel 9 lid 6 van de Participatiewet,
                                of als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers, of Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, kan alleen
                                sprake zijn als de verwijtbaarheid is vastgesteld en dit gedrag in
                                het normale maatschappelijk verkeer onbetamelijk wordt geacht te
                                zijn.</al><al> Van het opleggen van de maatregel kan, als alleen sprake is van
                                verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van
                                een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld
                                plaatsvindt binnen een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de
                                datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                                waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college van burgemeester en
                            wethouders opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de
                            Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel
                            opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband
                                    houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                    bijstand;</al></li><li nr="c."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstandsbehoeftigheid;</al></li><li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstandsbehoeftigheid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SAMENLOOP EN RECIDIVE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als er sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in deze verordening of in artikel 18 lid 4 van de Wet
                                genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het
                                bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van
                                de gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in deze verordening of in artikel 18 lid 4 van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging afzonderlijk een maatregel opgelegd. Deze maatregelen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende, niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als er sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel
                                een in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de Participatiewet
                                genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 van de
                                Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen maatregel
                                opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als er sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de
                                Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke
                                boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een
                                afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van
                                de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van
                                de belanghebbende, niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 8 onder b of c, 9 onder b of
                                c, 13 lid 1 of 15, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare
                                gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke maatregel
                                verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 8, onder a, 9, onder a, of 14
                                opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                telkens de hoogte van de oorspronkelijke maatregel verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in
                                artikel 18 lid 4 van de Participatiewet, bedraagt de maatregel
                                honderd procent van de bijstandsnorm, gedurende 2 maanden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>BLIJVENDE OF TIJDELIJKE WEIGERING IOAW / IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Samenloop bij weigering uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college van burgemeester en wethouders de uitkering op grond van
                            artikel 20 lid 1 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20 lid 2 Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen, blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot
                            deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            maatregel zou kunnen leiden, blijft een maatregel voor die gedraging
                            achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de uitkering
                                    tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende
                                    inkomen, als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de ioaw of
                                    de ioaz zou hebben kunnen verwerven, als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een
                                            dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel
                                            678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon
                                            ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van
                                            een persoon zonder dat aan de voortzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voorzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
                                            gevergd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de uitkering
                                    blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen,
                                    als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de ioaw of van de
                                    ioaz zou hebben kunnen verwerven, als een persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden,
                                            of</al></li><li nr="b ."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid krijgt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Afwijkingsbevoegdheid college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan ten gunste van
                                belanghebbenden afwijken van de bepalingen van deze verordening, als
                                toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan ten behoeve van de
                                uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels
                                vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>De inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als
                                        <vet>"</vet><vet>Afstemmingsverordening</vet><vet>Participatiewet,
                                        </vet><vet>Ioaw</vet><vet> en
                                        </vet><vet>Ioaz</vet><vet>Werkplein
                                        Fivelingo</vet><vet>"</vet>.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Loppersum</ondertekening><ondertekening>gehouden op 19 december 2016, nr. 12.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>A.Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>R.S. Bosma, griffier.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de
                            IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet
                            worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. De begrippen
                            die in de verordening worden gebruikt zullen een gelijkluidende
                            betekenis hebben. </al><al>Lid 2.</al><al>Bijstandsnorm: Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening
                            verstaan, de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm.
                            Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen en verminderd
                            met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag, Voor zover sprake is
                            van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder
                            bijstandsnorm verstaan, de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in
                            artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ. </al><al>Benadelingsbedrag: Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop
                            eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan als
                            gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag
                            wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering, zoals ook het
                            geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke
                            boete.</al><al>Belanghebbende: Dit begrip wordt in artikel 1:2 Awb omschreven als
                            ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Lid 2.</al><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt
                            plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een
                            belanghebbende bezwaar en beroep indienen op grond van artikel 8:1 jo.
                            7:1 Awb. De eisen die in dit artikel vermeld staan, vloeien rechtstreeks
                            voort uit de Awb. Het motiveringsvereiste speelt hierbij een belangrijke
                            rol, waardoor een besluit kenbaar dient te zijn en van een deugdelijke
                            motivering moet zijn voorzien. </al><al>Lid 3.</al><al>De mogelijkheid bestaat om een maatregel op te leggen over een langere
                            periode. Bij toepassing van deze mogelijkheid, aansluitend op eerdere
                            maatregel, dient een dergelijke maatregel ten hoogste na drie maanden
                            heroverwogen worden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Afdeling 4.1.2. van de Awb stelt in een aantal gevallen het horen van de
                            belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                            hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                            betrekking hebben op een financiële aanspraak op grond van artikel 4:12
                            Awb. Hierdoor is het college van burgemeester en wethouders niet
                            verplicht om in het kader van het onderzoek te horen, voordat een
                            maatregel ten opzichte van de belanghebbende opgelegd wordt. </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven nu dit de
                            zorgvuldigheid van het besluit ten goede zal komen.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 Awb. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><cursief>Afzien van verlagen</cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18 lid 9
                            Participatiewet jo. artikel 20 lid 3 IOAW jo. artikel 20 lid 3 IOAZ.
                            Hiervan is uitsluitend sprake bij evidente afwezigheid van de
                            verwijtbaarheid. Het is aan het college van burgemeester en wethouders
                            te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het
                            betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                            verwijtbaarheid afgezien van een maatregel, dan is het niet mogelijk om
                            bij toepassing van herhaling deze gedraging mee te tellen (zie artikel
                            17 Afstemmingsverordening). Is vanwege de afstemming op grond van
                            artikel 18 lid 1 Participatiewet van een maatregel afgezien, dan is
                            daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing
                            te laten in geval van herhaling.</al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel
                            spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden wordt in lid 1, onder b geregeld dat het college van
                            burgemeester en wethouders geen maatregelen oplegt voor gedragingen die
                            langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als
                            voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt
                            gehouden over de vraag of het college van burgemeester en wethouders
                            overgaat tot het opleggen van een maatregel.</al><al/><al><cursief>Afzien van verlagen in verband met dringende
                            redenen</cursief></al><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen
                            van een maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De
                            verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                            maatregel voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn, als voor
                            de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het
                            woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en
                            uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                            principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                            afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                            vastgelegd. </al><al/><al><cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                                arbeidsverplichtingen</cursief> De wet schrijft bij overtreding van
                            een geüniformeerde arbeidsverplichting, een afstemming voor van 100
                            procent van de bijstand, gedurende één tot drie maanden. Op grond van
                            artikel 18 lid 10 Participatiewet moet het college van burgemeester en
                            wethouders een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel
                            afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens
                            mogelijkheden om middelen te verwerven. Op grond van bijzondere
                            omstandigheden kan het college van burgemeester en wethouders besluiten
                            de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast
                            te stellen. </al><al/><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het
                            college van burgemeester en wethouders afziet van het opleggen van een
                            maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                            eventuele herhaling(artikel 4 lid 3 Afstemmingsverordening). Het
                            opleggen van een maatregel bij herhaling, is geregeld in artikel 17
                            Afstemmingsverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><al>Als bij een eerste maatregelwaardige gedraging wordt besloten slechts
                            een waarschuwing te geven, telt deze wel mee voor de mate van
                            sanctioneren bij herhaling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Een maatregel van de uitkering kan in beginsel op drie
                            manieren plaatsvinden. </al><lijst><li nr="1."><al>Door middel van een verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                    eerstvolgende maande(n)</al></li><li nr="2."><al>Met terugwerkende kracht, door middel van herziening van de
                                    uitkering, of</al></li><li nr="3."><al>Naar de toekomst toe, door verlaging uit te voeren op de nieuwe
                                    uitkering.</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een maatregel. Hierbij
                            is geen herziening van de uitkering evenals een terugvordering van het
                            te veel betaalde bedrag, noodzakelijk. In de praktijk houdt dit normaal
                            gesproken in dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste
                            dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het
                            besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de
                            maatregel, moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief></al><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            berekend over de bijstandsnorm. Onder bijstandsnorm wordt verstaan, de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of maatregel en
                            inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de Ioaw of de
                            Ioaz wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de
                            Ioaw respectievelijk van de Ioaz. </al><al/><al><cursief> Bijzondere bijstand</cursief></al><al>In het tweede lid is bepaald dat een maatregel ook kan worden toegepast
                            op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand
                            wordt verleend met toepassing van artikel12 Participatiewet. Personen
                            tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                            noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                            bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een maatregel uitsluitend
                            op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                            rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in lid 3
                            onder a geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de
                            bijstandsnorm, inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond van
                            artikel 12 Participatiewet.</al><al>Op grond van lid 2 onder b, is het mogelijk dat het college van
                            burgemeester en wethouders in incidentele gevallen een maatregel oplegt
                            over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen
                            de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere
                            bijstand. Een maatregel kan uitsluitend worden opgelegd als
                            daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al>De Afstemmingsverordening biedt geen ruimte om een maatregel toe te
                            passen op een individuele inkomenstoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>De artikelen 8 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. </al><al/><al>In artikel 8 Afstemmingsverordening worden schendingen van
                            verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De verwijtbare
                            gedragingen die zijn genoemd in artikel 8 Afstemmingsverordening, zijn
                            ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10
                            Afstemmingsverordening een gewicht toegekend in de vorm van een
                            verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende
                            zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer
                            concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                            betaalde arbeid.</al><al/><al><cursief>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</cursief></al><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende
                            nakomen van diverse verplichtingen. </al><al>Artikel 18 lid 2 WWB zoals dat luidde vóór 1 januari 2015, bepaalt dat
                            het college van burgemeester en wethouders moest afstemmen als een
                            belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het
                            huidige artikel 18 lid 2 Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het
                            niet nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt
                            hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen
                            inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als
                            het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid
                            hierover te voorkomen is daarom in artikel 8 neergelegd dat sprake is
                            van een verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de
                            verplichtingen. </al><al/><al><cursief>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid
                                te verkrijgen (onderdeel c)</cursief></al><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om
                            het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                            arbeid, als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel
                            18 lid 4 Participatiewet. In artikel 18 lid 4Participatiewet staan de
                            geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een
                            geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime:
                            maatregel van de bijstand met 100 procent gedurende een in de
                            afstemmingsverordening vastgelegde duur van tenminste een maand en ten
                            hoogste drie maanden (artikel 18 lid 5 Participatiewet), zie artikel 11
                            Afstemmingsverordening. </al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in
                            artikel 8 lid 3 Afstemmingsverordening, als het niet naar vermogen
                            proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit
                            een gedraging zoals bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden
                                    die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid, en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en
                                    gedrag.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</cursief></al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel
                            9 lid 1 Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar,
                            geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier
                            weken na de melding (artikel 43 lid jo. lid 5 Participatiewet). Is geen
                            enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13 lid 2
                            onder d Participatiewet, geen recht op bijstand. Zijn er wel
                            inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college van
                            burgemeester en wethouders onvoldoende, dan verlaagt het college van
                            burgemeester en wethouders de uitkering. De maatregel kan in principe al
                            worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 7
                            Afstemmingsverordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet
                            noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als
                            het bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die in de vijfde of zesde
                            week na de melding de fout in gaat. Desalniettemin is het niet of
                            onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch
                            als aparte gedraging genoemd opgenomen in de afstemmingsverordening (zie
                            artikel 8 lid 2 onder b Afstemmingsverordening).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8a.</nr><titel>Niet meewerken aan taaltoets</titel></kop><al>Het kan voorkomen dat een belanghebbende een taaltoets moet afleggen,
                            maar dat hij niet wilt meewerken. In sommige gevallen kan er een
                            redelijke verklaring voor zijn. Hierbij kan worden gedacht aan ziekte of
                            overmacht. Het is ook aannemelijk dat een belanghebbende zich verzet
                            tegen het afleggen van de taaltoets. Artikel 18b, van de Participatiewet
                            voorziet niet in deze gevallen. In het geval dat een belanghebbende
                            weigert medewerking te verlenen aan de taaltoets(bijvoorbeeld door het
                            niet verschijnen, dan kiest het College van burgemeester en wethouders
                            ervoor om dit te zien als een schending van de
                            medewerkingsverplichting.</al><al/><al>Hoogte verlaging</al><al>Het percentage van de verlaging en het aantal maanden waarover de
                            verlaging wordt opgelegd is ter bepaling aan het College van
                            burgemeester en wethouders.</al><al/><al>Bij het invullen van artikel 8a is gekozen voor een verlagingsystematiek
                            die aansluit bij het verlagingsregime op grond van artikel 18b, van de
                            Participatiewet. Als voor het (stelselmatig) niet meewerken aan de
                            taaltoets een gunstiger afstemmingsregime wordt gehanteerd dan voor het
                            niet voldoen aan de taaleis en de daaraan verbonden
                            inspanningsverplichting, kan dit onbedoeld een stimulans vormen om het
                            objectief vaststellen van de taalvaardigheid en daarmee de toepassing
                            van de taaleis te frustreren. Artikel 17 van deze verordening is niet
                            van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>De artikelen 9 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                            artikel 9 Afstemmingsverordening worden schendingen van verplichtingen
                            uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn
                            genoemd in artikel 9 Afstemmingsverordening zijn ondergebracht in
                            categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10
                            Afstemmingsverordening een gewicht toegekend in de vorm van een
                            verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende
                            zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer
                            concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                            van betaalde arbeid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Zie voor de maatregelwaardige gedragingen, de toelichting bij de
                            artikelen 8 en 9 Afstemmingsverordening.</al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de drie categorieën van
                            gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. </al><al>Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen, zoals bedoeld
                            in de artikelen 8 en 9, dat afwijkt van de maatregel bij schending van
                            de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, als bedoeld in artikel 18 lid 4
                            Participatiewet. Dit, ondanks dat enkele van de in de artikelen 8 en 9
                            genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen. De percentages van artikel 10
                            Afstemmingsverordening sluiten aan bij de percentages die de oude
                            verordening bevatte. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Duur maatregel bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>De eerste keer dat het college van burgemeester en wethouders een
                            verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                            vaststelt, bedraagt de maatregel honderd procent van de bijstandsnorm
                            gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode (artikel 18 lid
                            5 Participatiewet). </al><al>Bij het bepalen van de duur moet verder rekening worden gehouden met art
                            18 lid 6 Participatiewet. Hierin is bepaald dat in geval van recidive,
                            de periode van de maatregel in ieder geval langer moet zijn dan de op
                            grond van art 18 lid 5 Participatiewet vastgestelde periode van de
                            maatregel en ten hoogste 3 maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders heeft de mogelijkheid bij
                            verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van
                            oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden.
                            Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                            verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van
                            de Participatiewet). Wanneer de belanghebbende tot inkeer komt, wordt de
                            verlaging stopgezet en ontvangt de belanghebbende weer de volledige
                            uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier
                            om een facultatieve bepaling. </al><al/><al><cursief>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden</cursief> Er is voor
                            gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het
                            bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de
                            recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
                            Hierbij kan worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li></lijst><al/><al><cursief>De maand van oplegging</cursief></al><al>In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van
                            oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de
                            Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening
                            bedoeld: de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend
                            gemaakt. </al><al/><al><cursief>Toedeling over twee maanden bij lichte overtredingen</cursief>
                            Is sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een
                            lichte overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals
                            bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen b, f en g, van de
                            Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand
                            verlaagd met 100 procent gedurende een maand. Aan de maand van oplegging
                            en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag van de
                            verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de
                            maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel 50 procent
                            bedraagt (artikel 12, tweede lid, van deze verordening). </al><al/><al><cursief>Toedeling over drie maanden bij zware overtredingen</cursief>
                            Is sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over drie maanden. Van een
                            zware overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals
                            bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de
                            Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand
                            verlaagd met 100 procent gedurende twee maanden. Aan de maand van
                            oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het
                            bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van
                            oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in
                            beginsel 66,67 procent bedraagt (artikel 12, derde lid, van deze
                            verordening). </al><al/><al><cursief>Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen
                                geaccepteerde arbeid</cursief></al><al>In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op
                            grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet,
                            geen verrekening plaatsvindt, zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid.
                            Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</al><al/><al><cursief>Geen verrekening bij </cursief><cursief>herhaling</cursief> Is
                            sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting binnen de herhalingstermijn, dan is verrekenen van
                            de maatregel niet mogelijk. Artikel 12 bepaalt immers dat verrekenen
                            uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 11
                            van deze verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden.
                            Herhaling (recidive) is niet geregeld in artikel 11, maar in artikel 17,
                            derde lid, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste
                            lid, van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij herhaling niet
                            mogelijk. </al><al/><al><cursief>Verrekening en maatregel wegens schending
                                inspanningsverplichting Wet taaleis</cursief></al><al>Ingeval een maatregel is opgelegd wegens schending van artikel 18b, van
                            de Participatiewet en tegelijkertijd aan andere maatregel loopt, dan kan
                            het voorkomen dat beide maatregelen samen meer dan 100% van de
                            bijstandsnorm bedragen. Als sprake is van een maatregel wegens schending
                            van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, dan kan door
                            gebruik van artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                            Participatiewet beide maatregelen worden geeffectueerd. Dit geldt alleen
                            als sprake is van een maatregel op grond van artikel 18b, negende lid,
                            of artikel 18b, tiende lid, van de Participatiewet. Artikel 6, tweede
                            lid, van deze verordening is namelijk niet van toepassing op maatregelen
                            op grond van artikel 18b, van de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in
                            eerste instantie in zijn eigen bestaans(kosten) dient te voorzien. Pas
                            wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Leidt
                            een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger
                            bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan. Deze verplichting om voldoende besef van
                            verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt
                            al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. </al><al>Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er
                            toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                            aangewezen op bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen</al></li><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                    voorziening</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                    uitkering</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                                    voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            moet worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie
                            de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g,
                            van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming
                            plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en
                            de artikelen 11 en 17, derde lid, van deze verordening.</al><al>Op grond van artikel 13 van deze verordening, kan een maatregel worden
                            opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de
                            gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag.
                            Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer
                            of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan.</al><al/><al><cursief>Bijstand in de vorm van een geldlening</cursief></al><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, kan
                            het college van burgemeester en wethouders tevens besluiten de bijstand
                            in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48,
                            tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het college van
                            burgemeester en wethouders besluit beide instrumenten te gebruiken
                            (leenbijstand én maatregel), moet het wel voldoende acht slaan op het
                            totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Misdragingen tegenover het college van burgemeester en wethouders
                                en zijn ambtenaren</titel></kop><al>In artikel 9, lid 6 van de Participatiewet en artikel 37, eerste lid,
                            onder 9, van de Ioaw/z wordt gesproken over het zich ernstig misdragen.
                            Alleen (zeer) agressief gedrag kan aanleiding zijn voor het opleggen van
                            een maatregel. Wij accepteren geen enkele vorm van misdraging tegenover
                            personeel, instanties, leden van het college van burgemeester en
                            wethouders en hun ambtenaren bij de uitvoering van de Participatiewet.
                            Als zodanig kan er een maatregel worden opgelegd. Er kan dus geen
                            maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen
                            tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de
                            uitvoering van de Participatiewet (bijvoorbeeld een
                            re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een
                            maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruik maken van
                            een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al><al/><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                            ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden)</al></li><li nr="b."><al>discriminatie</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk)</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen)</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging, zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging plaatsvond. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                            instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is
                            sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat los van het doen van aangifte bij
                            de politie. Het college van burgemeester en wethouders legt een
                            maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte
                            aangifte kan doen bij de politie. </al><al/><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’, kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan. Hier moet echter wel sprake zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Van ‘zeer ernstige
                            misdragingen’ is in elk geval sprake bij elke vorm van ongewenst en
                            agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen
                            daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen
                            met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                            schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                            pogingen daartoe in enige vorm, wordt als zeer ernstige misdraging
                            gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op
                            de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het
                            opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen
                            van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een
                            ruimte, zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook
                            verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.</al><al/><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de
                            met de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties
                            (college van burgemeester en wethouders, SVB en re-integratiebedrijven)
                            tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens
                            het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging
                            dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                            Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd
                            tegen komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden
                            van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting, die is
                            opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet en artikel 37,
                            eerste lid, onder g van de Ioaw/z. Deze verplichting staat dus op
                            zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting.
                            Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen,
                            moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen
                            met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit
                            de toenmalige Wwb, Ioaw of Ioaz.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Artikel 55 Participatiewet geeft het college van burgemeester en
                            wethouders de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die
                            volledig individueel bepaald zijn, beperkt tot een viertal categorieën,
                            te weten verplichtingen die:</al><lijst><li nr="1."><al>strekken tot arbeidsinschakeling</al></li><li nr="2."><al>verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                    bijstand</al></li><li nr="3."><al>strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="4."><al>strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de maatregel verschilt per categorie. Het kan voorkomen
                            dat de in de verordening vastgestelde maatregel niet is afgestemd op de
                            individuele omstandigheden van een belanghebbende, omdat de
                            verplichtingen die het college van burgemeester en wethouders op grond
                            van artikel 55 Participatiewet kan opleggen een zeer individueel
                            karakter hebben. Het college van burgemeester en wethouders moet daarom
                            altijd rekening houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18
                            lid 1 Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college van
                            burgemeester en wethouders de bijstand af te stemmen op de
                            omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In
                            individuele gevallen biedt artikel 18 lid 1 Participatiewet dus een
                            afwijkingsgrond voor de in dit artikel vastgestelde maatregel.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al><cursief>Lid 1 Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere
                                verplichtingen worden geschonden</cursief> Samenloop bij één
                            gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, zoals
                            genoemd in de Afstemmingsverordening en artikel 18 lid 4
                            Participatiewet, wordt in lid 1 geregeld. Bij een dergelijke samenloop
                            wordt slechts één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en
                            de duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de
                            hoogste maatregel is gesteld.</al><al/><al><cursief>Lid 2 Meerdaadse samenloop </cursief>(oud artikel 7
                            Afstemmingsverordening)</al><al>Lid 2 regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die
                            schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd
                            in de Afstemmingsverordening en artikel 18 lid 4 Participatiewet. Dit
                            wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere
                            gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden
                            in principe gelijktijdig opgelegd (in tegenstelling tot het oude artikel
                            7), tenzij dit onverantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst
                            van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van
                            een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de
                            individuele omstandigheden. De maatregel wordt dan over meerdere maanden
                            uitgespreid. </al><al/><al><cursief>Lid 3/4 Samenloop met een
                                </cursief><cursief>bestuur</cursief><cursief>lijke
                            boete</cursief></al><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een maatregel kan worden
                            opgelegd als sprake is van een maatregelwaardige gedraging die tevens
                            een boetewaardige gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een verplichting
                            in de Afstemmingsverordening als schending van de inlichtingenplicht
                            oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk
                            worden afgedaan. Schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is
                            immers geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. Het college van
                            burgemeester en wethouders dient bij dergelijke samenloop in het
                            individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij
                            eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het
                            college van burgemeester en wethouders bepaalt of al dan niet een boete
                            wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen maatregel meer opgelegd
                            (lid 3).</al><al>Bij meerdaadse samenloop, ligt het voor de hand de gedraging te
                            sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete, voor zover
                            sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit.
                            Daarnaast kan het college van burgemeester en wethouders in dit geval
                            nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de
                            afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de
                            eventuele andere maatregelen (lid 4).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een verplichting
                            uit artikel 18 lid 4 Participatiewet als schending van de
                            inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>De eerste verwijtbare gedraging is de eerste gedraging die aanleiding
                            heeft gegeven tot een maatregel, ook als wegens dringende redenen is
                            afgezien van het opleggen van een maatregel op grond van artikel 4 lid 2
                            Afstemmingsverordening en artikel 18 lid 10 Participatiewet. Dit geldt
                            ook als van afstemming op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet is
                            afgezien van het opleggen van een maatregel. Als vanwege de afwezigheid
                            van elke vorm van verwijtbaarheid, is afgezien van een maatregel, dan is
                            het niet mogelijk om bij toepassing van herhaling deze gedraging mee te
                            tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                            maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is
                            opgelegd, is verzonden.</al><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                            sprake is van een van de dezelfde verplichting door een verwijtbare
                            gedraging, komt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking in
                            een verdubbeling van de hoogte of duur van de maatregel. Een maatregel
                            kan nooit hoger zijn dan 100 procent. Daarom is bij gedragingen waar
                            relatief zware maatregelen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling
                            van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte (lid 1). Voor
                            lichte maatregelen is gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de
                            maatregel (lid 2). </al><al/><al><cursief>Herhaling</cursief><cursief> op
                                </cursief><cursief>herhaling</cursief><cursief> bij niet
                                geüniformeerde arbeidsverplichtingen</cursief></al><al>Ook als een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                            geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van
                            artikel 17 lid 1 of lid 2 Afstemmingsverordening van toepassing,
                            herkenbaar aan het woord "telkens" in de herhalings(recidive)bepaling
                            (in tegenstelling tot de oude verordening). Voor toepassing van de
                            recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde
                            verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                            vorige besluit waarmee een maatregel is toegepast. </al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt dat ofwel de
                            hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke maatregel wordt verdubbeld.
                            Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de hoogte van de
                            maatregel. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de duur van
                            de maatregel.</al><al>Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                            oorspronkelijke maatregel. Telkens wordt de hoogte of de duur van de
                            oorspronkelijke maatregel verdubbeld. Er is expliciet niet voor gekozen
                            de hoogte of de duur van de vorige maatregel te verdubbelen. Hiermee
                            wordt stapeling van verdubbeling van de maatregel voorkomen. </al><al/><al><cursief>Eenzelfde gedraging vereist voor
                                </cursief><cursief>herhaling</cursief></al><al>Voor herhaling (recidive) als bedoeld in lid 1 en lid 2 is vereist dat
                            sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging
                            waarvoor de eerste maatregel is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde
                            verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de
                            verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een
                            verplichting. </al><al/><al><cursief>Herhaalde</cursief><cursief>l</cursief><cursief>ijke</cursief><cursief>
                                schending geüniformeerde arbeidsverplichting</cursief></al><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende
                            een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, dan bedraagt de maatregel 100 procent gedurende
                            drie maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de
                            Participatiewet gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de
                            vorige maatregel, bedraagt de maatregel 100 procent gedurende drie
                            maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de
                            Participatiewet).</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw / Ioaz</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders heeft op grond van artikel 20
                            Ioaw en artikel 20 Ioaz de discretionaire bevoegdheid om de uitkering
                            blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende inkomen uit
                            arbeid had kunnen verwerven, maar dit heeft nagelaten. Het college van
                            burgemeester en wethouders dient in beginsel eerst een oordeel te vormen
                            over de eventuele weigering van de uitkering, alvorens de vraag of een
                            maatregel moet worden opgelegd te beantwoorden. Nadat het college van
                            burgemeester en wethouders tot de conclusie is gekomen dat er geen
                            sprake is van een weigering, kan op grond van deze verordening een
                            maatregel worden opgelegd. Artikel 18 van deze verordening is derhalve
                            bedoeld om samenloop tussen een weigering en het opleggen van een
                            maatregel te voorkomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren Ioaw - of Ioaz - uitkering</titel></kop><al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de
                            IOAZ geeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om
                            de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de
                            belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de
                            IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden
                                    ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
                                    Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan
                                    worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                    belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                    bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs
                                    niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    aanvaarden; of</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde
                                    arbeid verkrijgt.</al></li></lijst><al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het college
                            van burgemeester en wethouders de uitkering tijdelijk weigeren. Beide
                            situaties spelen zich af voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering.
                            Als sprake is van een situatie die valt onder c of d dan kan het college
                            van burgemeester en wethouders de uitkering blijvend weigeren. Beide
                            situaties spelen zich af tijdens de uitkering.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders zal altijd rekening dienen te
                            houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18 lid 1
                            Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college van burgemeester en
                            wethouders de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden
                            en middelen van een belanghebbende. De afwijkingsgrond voor het college
                            van burgemeester en wethouders van artikel 18 lid 1 Participatiewet
                            wordt nogmaals in lid 1 genoemd. </al><al>Lid 1 bepaalt dat afwijking enkel ten gunste van de belanghebbende
                            mogelijkheid is. Afwijking ten nadele van de belanghebbende is niet
                            toegestaan en zal ten allen tijde vermeden dienen te worden. In casu
                            gaat het wederom om een discretionaire bevoegdheid. Het college van
                            burgemeester en wethouders kan per geval beslissen of een afwijking van
                            de verordening in het specifieke geval noodzakelijk wordt geacht. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>