<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR434986_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Maatschappelijke Bijdrage</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-183656.html">23-12-2016 gemeenteblad, 2016, 183656</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Maatschappelijke Bijdrage</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a">Participatiewet, art. 8a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Maatschappelijke Bijdrage</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Loppersum;</al><al>gelezen het voorstel van de college van burgemeester en wethouders; </al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet; </al><al>overwegende dat het van belang is dat bijstandsgerechtigden inspanningen
                        leveren om zo snel mogelijk aan het werk te gaan en anders
                        maatschappelijke activiteiten verrichten die leiden tot activering en
                        stijging op de participatieladder;</al><al><vet>b</vet><vet>e</vet><vet>s</vet><vet>l</vet><vet>u</vet><vet>i</vet><vet>t</vet><vet>
                        :</vet></al><al>Vast te stellen de</al><al><vet>"</vet><vet>VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE
                        BIJDRAGE</vet><vet>"</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Participatiewet, IOAW, IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="c."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="d."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                        hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                        door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                                        zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                        overstijgt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep en doel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de doelgroep behoren alle belanghebbenden van 18 jaar tot 27
                                jaar die een uitkering ontvangen op grond van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verrichten van een onbeloonde maatschappelijke bijdrage is
                                bedoeld als tegenprestatie van mensen die een beroep doen op de
                                solidariteit van de samenleving, waardoor zij ook invulling geven
                                aan hun maatschappelijke betrokkenheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Bevoegdheid</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een plicht tot het
                            verrichten van een maatschappelijke bijdrage naar vermogen opleggen aan
                            een belanghebbende die behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 2
                            eerste lid en die niet is vrijgesteld of ontheven van het verrichten van
                            een maatschappelijke bijdrage.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>EEN MAATSCHAPPELIJKE BIJDRAGE NAAR VERMOGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Inhoud van een maatschappelijke bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een maatschappelijke
                                bijdrage, die additioneel van aard is, inzetten in zoverre dat:</al><lijst><li nr="a."><al>Het maatschappelijke activiteiten zijn.</al></li><li nr="b."><al>De gemeente geen vergoeding verstrekt voor deze
                                        werkzaamheden. De organisatie waarvoor de belanghebbende
                                        werkt mag wel een vergoeding geven.</al></li><li nr="c."><al>De werkzaamheden geen belemmering vormen voor het accepteren
                                        van regulier werk.</al></li><li nr="d."><al>De werkzaamheden beperkt zijn in omvang en duur.</al></li><li nr="e."><al>De werkzaamheden in de betreffende organisatie door
                                        belanghebbende worden verricht naast, of in aanvulling op
                                        reguliere arbeid.</al></li><li nr="f."><al>De werkzaamheden niet leiden tot verdringing op de
                                        arbeidsmarkt.</al></li><li nr="g."><al>De werkzaamheden naar hun aard niet direct gericht zijn op
                                        toeleiding naar de arbeidsmarkt en niet zijn bedoeld als
                                        re-integratie-instrument.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan ter nadere uitvoering
                                van deze verordening beleidsregels vaststellen waarin wordt
                                vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college van
                                burgemeester en wethouders in ieder geval kan aanbieden en de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het opdragen van een maatschappelijke bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een belanghebbende
                                met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een maatschappelijk
                                bijdrage opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een belanghebbende
                                met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een
                                maatschappelijke bijdrage opdragen indien bijzondere omstandigheden
                                dat rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opdragen van een maatschappelijke bijdrage houdt het college
                                van burgemeester en wethouders rekening met de volgende
                                factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>De maatschappelijke bijdrage moet naar vermogen kunnen
                                        worden verricht door een belanghebbende.</al></li><li nr="b."><al>De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen.</al></li><li nr="c."><al>De persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                        moeten in overweging worden genomen.</al></li><li nr="d."><al>Als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
                                        vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden
                                        gehouden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Duur, indicering en omvang van Maatschappelijke bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatschappelijke bijdrage wordt opgedragen voor zestien uur per
                                week gedurende vijftien weken per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatschappelijke bijdrage wordt voor alleenstaande ouders met
                                kinderen onder de vijf jaar opgedragen voor acht uur per week
                                gedurende vijftien weken per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Uren naar vermogen wordt vastgesteld op grond van een UWV SMZ
                                indicering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De maatschappelijke bijdrage moet elk jaar worden geleverd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders draagt geen maatschappelijke
                            bijdrage op als een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het
                            verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college van
                            burgemeester en wethouders redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders draagt geen
                                maatschappelijke bijdrage op als er geen werkzaamheden voorhanden
                                zijn die hiervoor kunnen worden ingezet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het college van burgemeester en wethouders geen maatschappelijke
                                bijdrage opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn,
                                beoordeelt het college van burgemeester en wethouders binnen zes
                                maanden, of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die
                                kunnen worden ingezet als maatschappelijke bijdrage.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als
                                <vet>"</vet><vet>Verordenin</vet><vet>g Maatschappelijke
                                bijdrage</vet><vet>"</vet>.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Loppersum</ondertekening><ondertekening>gehouden op 19 december 2016, nr. 12.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>A.Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>R.S. Bosma, griffier.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Het College van burgemeester en wethouders is bevoegd een klant te
                            verplichten een maatschappelijke bijdrage te laten verrichten naar
                            vermogen. Ook als dit niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling. </al><al/><al>Een klant is vanaf de dag van melding, gehouden naar vermogen een
                            maatschappelijke bijdrage te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                            eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. Het betreft hier de
                            plicht om naar vermogen door het College van burgemeester en wethouders
                            opgedragen onbeloonde maatschappelijke werkzaamheden te verrichten,
                            naast of in aanvulling op reguliere arbeid. Het betreft maatschappelijke
                            werkzaamheden die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al/><al><cursief>Individuele </cursief><cursief>omstandigheden </cursief></al><al>Het College van burgemeester en wethouders bepaalt aan de hand van de
                            individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde
                            maatschappelijk werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan
                            een persoon op te leggen prestatie. Hierbij moet het College van
                            burgemeester en wethouders de in deze verordening neergelegde criteria
                            in acht nemen. Als het College van burgemeester en wethouders een
                            maatschappelijke bijdrage vraagt van een klant, moet het een duidelijke
                            omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voorde
                            klant immers duidelijk zijn welke prestatie van hem verwacht wordt.</al><al/><al><cursief>Geen </cursief><cursief>bijdrage
                                maatschappelijk</cursief><cursief>e bijdrage</cursief></al><al>Als daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan
                            het College van burgemeester en wethouders in individuele gevallen
                            tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een
                            maatschappelijke bijdrage (artikel 9, tweede lid, van de
                            Participatiewet). </al><al/><al>De plicht tot het verrichten van een maatschappelijke bijdrage is niet
                            van toepassing op een klant die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
                            is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar
                            arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De
                            plicht tot een maatschappelijke bijdrage is ook niet van toepassing op
                            een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                            bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9,
                            zevende lid, van de Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en
                            re-integratieverplichting, geldt voor het niet nakomen van een
                            maatschappelijke bijdrage, dat de bijstandsuitkering kan worden
                            afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al/><al><cursief>Bev</cursief><cursief>oegdheid opdrage</cursief><cursief>n
                                maatschappelijke
                            bijdrage</cursief><cursief>.</cursief></al><al>De bevoegdheid van het College van burgemeester en wethouders om een
                            klant te verplichten naar vermogen maatschappelijk nuttige arbeid te
                            verrichten, geldt al sinds 1 januari 2012. De regering meent dat de
                            bijdrage maatschappelijk nuttige arbeid voor uitkeringsgerechtigden, een
                            gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving. Het is
                            volgens de regering ook een manier om een sociaal netwerk, arbeidsritme
                            en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering noodzakelijke
                            voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014,
                            33 801, nr. 3, p. 29).</al><al/><al><cursief>Verrichten van</cursief><cursief> een</cursief><cursief>
                                maatschappelijk</cursief><cursief>e bijdrage</cursief><cursief> is
                                geen re-</cursief><cursief>integratie
                            instrument</cursief></al><al>De plicht om een bijdrage te leveren, heeft tot doel om maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden te doen in de samenleving, voor het ontvangen van
                            een uitkering. Het opdragen van het verrichten van een maatschappelijke
                            bijdrage, heeft niet primair tot doel de re-integratie van een klant te
                            bevorderen. Het moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de
                            samenleving </al><al>(TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). Het verrichten van een
                            maatschappelijke bijdrage is daarom naar zijn aard niet gericht op
                            toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als
                            re-integratie-instrument. Verder mag het verrichten van een
                            maatschappelijke bijdrage, het accepteren van passende arbeid of van
                            re-integratie-inspanningen, niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt
                            geldt: Werk boven uitkering.</al><al/><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Wet maatregelen Wwb legt de verplichting op om bij verordening regels
                            vast te stellen over het opdragen van een maatschappelijke bijdrage
                            (tegenprestatie) aan mensen met een bijstandsuitkering. Deze
                            verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel
                            b Participatiewet. Het is aan het College van burgemeester en wethouders
                            om de duur, omvang en inhoud van een maatschappelijke bijdrage
                            (tegenprestatie) te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p.
                            6).</al><al/><al><cursief>Ontwikkelen beleid door het </cursief><cursief>College van
                                burgemeester en wethouders</cursief></al><al>Het College van burgemeester en wethouders heeft de opdracht om beleid
                            te ontwikkelen ten behoeve van het verrichten van maatschappelijk
                            nuttige arbeid en het uitvoeren er van, overeenkomstig de verordening.
                            Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet.</al><al/><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet algemene
                            bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet, worden niet afzonderlijk
                            gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                            toepassing op deze verordening. </al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het
                            begrip 'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot
                            de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één
                            jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van
                            belang, in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een
                            maatschappelijke bijdrage. </al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het
                            begrip 'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot
                            de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet
                            binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit
                            begrip is van belang, in verband met de mogelijkheid tot het opdragen
                            van een maatschappelijke bijdrage. </al><al/><al><cursief>Mantelzorg </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                            'mantelzorg'. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat
                            wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel
                            1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning).
                            Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg aan een hulpbehoevende,
                            door personen uit diens directe omgeving, die niet wordt geboden in het
                            kader van een hulpverlenend beroep. Daarbij dient er sprake van te zijn
                            dat de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. En
                            de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar wordt overstegen. Het
                            begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 7 van deze verordening
                            bepaalt dat het College van burgemeester en wethouders geen bijdrage
                            maatschappelijk nuttige bijdrage opdraagt, als een klant mantelzorg
                            verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van
                            het College van burgemeester en wethouders redelijkerwijs noodzakelijk
                            is. </al><al/><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg', zoals
                            neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning, volgt dat de vier
                            belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn: </al><lijst><li nr="a."><al>Er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                    zorgverlener;</al></li><li nr="b."><al>Mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd
                                    verband;</al></li><li nr="c."><al>Het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al></li><li nr="d."><al>Het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al/><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK
                            2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK
                            2005-2006, 30 131, nr. C. </al><al/><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg
                            van huisgenoten voor elkaar overstijgt; het gaat hierbij om de term
                            Gebruikelijke Zorg, zoals die ook gehanteerd wordt door het Centrum
                            Indicatiestelling Zorg.</al><al/><al>Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke zorg verstaan wordt, kan
                            worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het
                            protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat Protocol
                            als volgt omschreven: De normale, dagelijkse zorg die partners of ouders
                            en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze
                            als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                            gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep en doel</titel></kop><al>Onder de Participatiewet zijn de gemeenten verplicht een doelgroep te
                            benoemen aan wie de verplichte maatschappelijke bijdrage naar vermogen
                            wordt opgelegd. Klanten die niet vanuit eigen motivatie een bijdrage
                            willen leveren, worden verplicht deel te nemen aan een door de gemeente
                            georganiseerde maatschappelijke bijdrage. </al><al/><al>Voor het ontwikkelen en de uitvoering van verplichte maatschappelijke
                            activiteiten, komen geen extra middelen beschikbaar. Toch is het een
                            extra wettelijke taak die kosten met zich meebrengt. Om de uitvoering-
                            en ontwikkelkosten in toom te houden, is er voor gekozen om een
                            afgebakende groep, namelijk personen van 18 tot 27 jaar, te verplichten
                            tot het verrichten van een maatschappelijke bijdrage. Het primaire doel
                            van de maatschappelijke bijdrage is dan het verbeteren van de
                            participatiepositie van de jongere.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheid</titel></kop><al>Dit artikel hoeft geen toelichting</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Inhoud van een maatschappelijke bijdrage</titel></kop><al>Het College van burgemeester en wethouders bepaalt aan de hand van de
                            individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde
                            maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, duur en omvang van de
                            aan een persoon op te leggen bijdrage. Hierbij moet het College van
                            burgemeester en wethouders de in deze verordening neergelegde criteria
                            in acht nemen. Artikel 4 van deze verordening stelt voorwaarden ten
                            aanzien van de inhoud van maatschappelijk nuttige arbeid. Het College
                            van burgemeester en wethouders dient maatwerk toe te passen bij het
                            opdragen van een bijdrage. Rekening moet worden gehouden met de
                            individuele omstandigheden van de klant, waaronder leeftijd, opleiding,
                            werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De
                            werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van
                            belang dat de klant ook in staat is de werkzaamheden te verrichten. </al><al/><al>Als het College van burgemeester en wethouders een bijdrage vraagt van
                            een klant, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te
                            verrichten werkzaamheden. Het moet voor de klant immers duidelijk zijn
                            welke prestatie van hem wordt verwacht. </al><al/><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                werkzaamheden</cursief><cursief>.</cursief></al><al>In artikel 4, eerste lid, van deze verordening is bepaald, dat de
                            maatschappelijke bijdrage werkzaamheden zijn die additioneel van aard
                            zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden dienen zich te
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt
                            verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                            werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                            keuzes, die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                            overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al/><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties: </cursief></al><al>Het College van burgemeester en wethouders kan voor het werven van
                            maatschappelijk nuttige werkzaamheden, samenwerken met maatschappelijke
                            organisaties zoals: welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties,
                            buurthuizen en/of sportvoorzieningen. </al><al/><al>Om ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            voorhanden zijn, is het van belang dat contacten worden onderhouden met
                            maatschappelijke organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een
                            vrijwilligerscentrale, kan een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod
                            van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te bepalen. Ook kan er voor
                            worden gekozen uitsluitend werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als
                            maatschappelijk nuttige arbeid in te zetten of werkzaamheden zowel
                            binnen als buiten de gemeentegrenzen in te zetten. </al><al/><al><cursief>Maatschappelijk nuttige arbeid</cursief><cursief> mag niet
                                leiden tot verdringing</cursief></al><al>De maatschappelijke bijdrage mag niet worden ingezet in het kader van de
                            re-integratie. De maatschappelijke bijdrage mag bovendien niet direct
                            gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt. Het is dan ook niet
                            bedoeld als re-integratie-instrument. Het betreft werkzaamheden die
                            worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid. Ze mogen ook
                            niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al/><al>Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als maatschappelijke bijdrage
                            worden ingezet. </al><al/><al>De maatschappelijke bijdrage mag het accepteren van passende arbeid of
                            van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt 'werk
                            boven uitkering', staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis
                            (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het opdragen van een maatschappelijke bijdrage</titel></kop><al>Het College van burgemeester en wethouders heeft beleidsvrijheid om een
                            maatschappelijke bijdrage op te leggen. Het College van burgemeester en
                            wethouders bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke werkzaamheden worden
                            opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van maatschappelijk
                            nuttige arbeid kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014,
                            33 801, nr. 7, p. 49).</al><al/><al>In deze verordening is er voor gekozen dat het College van burgemeester
                            en wethouders een maatschappelijke bijdrage in beginsel uitsluitend kan
                            opdragen aan een klant die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft.
                            Dit veronderstelt dat aan klanten die een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt hebben, geen tegenprestatie wordt opgedragen. Tenzij er
                            sprake is van bijzondere omstandigheden.</al><al/><al>Personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kunnen zich volledig
                            richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het naar
                            vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met een
                            korte afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat
                            hun inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt in
                            beginsel aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, geen
                            bijdrage maatschappelijk nuttige arbeid opgedragen. De bijdrage mag
                            immers het accepteren van passende arbeid of de
                            re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, werk boven uitkering
                            is het uitgangspunt. Aan personen met een lange afstand tot de
                            arbeidsmarkt, kan het College van burgemeester en wethouders wel een
                            maatschappelijke bijdrage opdragen. </al><al/><al><cursief>Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                            </cursief></al><al>Artikel 5, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het College van
                            burgemeester en wethouders een klant met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt, een maatschappelijke bijdrage kan opdragen, als bijzondere
                            omstandigheden dat rechtvaardigen. Bijvoorbeeld als geen
                            re-integratieactiviteiten worden verricht door de klant en het
                            verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs
                            niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte om een
                            maatschappelijke bijdrage op te leggen. </al><al/><al><cursief>Geen </cursief><cursief>maatschappelijke
                            bijdrage</cursief></al><al>Als daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan
                            het College van burgemeester en wethouders in individuele gevallen
                            tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een
                            maatschappelijke bijdrage (artikel 9, tweede lid, van de
                            Participatiewet). </al><al>De verplichting tot het verrichten van een maatschappelijke bijdrage is
                            niet van toepassing op een klant die volledig en duurzaam
                            arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en
                            inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                            Participatiewet) De verplichting tot een maatschappelijke bijdrage is
                            niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van
                            een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                            Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Weigering maatschappelijke bijdrage</cursief></al><al>Het College van burgemeester en wethouders dient bij weigering van de
                            klant om een maatschappelijke bijdrage te verrichten, op basis van het
                            individuele, geval de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel te
                            bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). </al><al/><al><cursief>Factoren opdragen
                                </cursief><cursief>maatschappelijke</cursief><cursief>
                                bijdrage</cursief></al><al>In artikel 5, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                            factoren het College van burgemeester en wethouders rekening moet houden
                            bij het opdragen van een maatschappelijke bijdrage. Deze factoren worden
                            hierna toegelicht:</al><al/><al><cursief>Maatschappelijke bijdrage</cursief><cursief> 'naar vermogen'
                            </cursief></al><al>De werkzaamheden die als maatschappelijke bijdrage worden ingezet,
                            moeten naar vermogen door een klant verricht kunnen worden. De term
                            'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een klant
                            beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle
                            onbeloonde maatschappelijke werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan
                            elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al/><al><cursief>Persoonlijke situati</cursief><cursief>e en individuele
                                omstandigheden</cursief></al><al>Bij het opdragen van een maatschappelijke bijdrage, houdt het College
                            van burgemeester en wethouders rekening met de persoonlijke situatie en
                            individuele omstandigheden van een klant. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                            leeftijd, opleiding en werkervaring. Hierbij wordt rekening gehouden met
                            diens fysieke en psychische vermogen. Bij het opdragen van een
                            maatschappelijke bijdrage dient het College van burgemeester en
                            wethouders maatwerk te leveren. Voorts wordt bij het opdragen van een
                            maatschappelijke bijdrage, rekening gehouden met praktische
                            omstandigheden. Dan gaat het om reistijd, beschikbaarheid van
                            kinderopvang en/of de klant al maatschappelijke activiteiten
                            verricht.</al><al/><al><cursief>P</cursief><cursief>ersoonlijke wensen en kwaliteiten
                                belanghebbende</cursief><cursief>.</cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot een maatschappelijke bijdrage,
                            houdt het College van burgemeester en wethouders rekening met de
                            persoonlijke wensen en kwaliteiten van een klant. De regering vindt het
                            immers belangrijk dat een klant invloed heeft op de keuze van de
                            activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). De klant kan zelf
                            ideeën aandragen voor de als maatschappelijke bijdrage te verrichten
                            werkzaamheden. Het College van burgemeester en wethouders beoordeelt
                            deze zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van de
                            klant over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                            maatschappelijke bijdrage. Uiteraard moeten die werkzaamheid voldoen aan
                            het bepaalde bij of krachtens artikel 4 van deze verordening en moeten
                            die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het College van burgemeester en
                            wethouders is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een klant, maar
                            moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt de klant geen ideeën
                            aan, dan maakt het College van burgemeester en wethouders zelf een keuze
                            uit de maatschappelijk nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als de
                            klant geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt
                            het College van burgemeester en wethouders in samenspraak met de klant,
                            een geschikte werkzaamheid op. Het is immers aan het College van
                            burgemeester en wethouders, en niet aan een klant, een maatschappelijke
                            bijdrage op te dragen aan de klant.</al><al/><al><cursief>M</cursief><cursief>aatschappelijke activiteiten en
                                vrijwilligerswerk door belanghebbende</cursief></al><al>Het College van burgemeester en wethouders houdt er bij het opdragen van
                            de plicht tot een maatschappelijke bijdrage rekening met het eventuele
                            gegeven dat een klant al maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33
                            801, nr. 24, p. 6). Als een klant al met toestemming van het College van
                            burgemeester en wethouders een maatschappelijke activiteit verricht, kan
                            het College van burgemeester en wethouders deze maatschappelijke
                            activiteit ook aanmerken als maatschappelijke bijdrage. Ook kan de
                            omstandigheid dat een klant maatschappelijke activiteiten verricht,
                            ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van
                            de maatschappelijke bijdrage. Met name bij de duur en de omvang van de
                            bijdrage. Een voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: De zorg
                            voor een ouder of een gehandicapt kind. Het College van burgemeester en
                            wethouders beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij
                            rekening met de duur en omvang. </al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het College van
                            burgemeester en wethouders zal ook vrijwilligerswerk van een aantal uren
                            per week aanmerken als een maatschappelijke bijdrage. Hierbij moet wel
                            rekening worden gehouden met de minimale en maximale duur van de
                            maatschappelijke bijdrage, zoals neergelegd in artikel 6 van deze
                            verordening. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol
                            spelen. </al><al/><al>Artikel 6. Duur en omvang van een tegenprestatie </al><al>Het College van burgemeester en wethouders bepaalt aan de hand van de
                            individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde maatschappelijke
                            werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op
                            te leggen maatschappelijke bijdrage. Hierbij moet het College van
                            burgemeester en wethouders de in deze verordening neergelegde criteria
                            in acht nemen. Artikel 6 van deze verordening stelt voorwaarden ten
                            aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie. </al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het College van burgemeester en wethouders beoordeelt op basis van de
                            individuele omstandigheden van een klant, de omvang en de duur van de
                            maatschappelijke bijdrage. De omvang van de werkzaamheden en de duur in
                            de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat het College
                            van burgemeester en wethouders steeds een afweging maakt op basis van de
                            situatie in welke mate een maatschappelijke bijdrage verlangd kan worden
                            (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30).</al><al/><al><cursief>Duur en omvang maatschappelijke
                            bijdrage</cursief></al><al>Artikel 6, eerste lid, regelt dat de maatschappelijke bijdrage wordt
                            ingezet voor een maximale duur. </al><al>Artikel 6, tweede lid, regelt maatschappelijke bijdrage die wordt
                            ingezet voor alleenstaande ouders met kinderen onder de 5 jaar. </al><al/><al><cursief>Uvw-smz</cursief></al><al>De bepaling van het aantal uren naar vermogen, wordt vastgesteld op
                            grond van een indicering van Uwv-smz</al><al>Artikel 7. Mantelzorg</al><al>Artikel 7 van de verordening bepaalt dat geen maatschappelijke bijdrage
                            wordt opgedragen als een klant mantelzorg verricht en het College van
                            burgemeester en wethouders het verrichten hiervan redelijkerwijs
                            noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk
                            benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen
                            WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). </al><al>Of sprake is van mantelzorg, wordt getoetst aan de criteria van het
                            begrip mantelzorg, zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening.
                            Verricht een klant mantelzorg in de zin van deze verordening en is het
                            verrichten van mantelzorg volgens het College van burgemeester en
                            wethouders redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het College van
                            burgemeester en wethouders een klant geen maatschappelijke bijdrage op
                            (artikel 7 van deze verordening).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Artikel 8, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen
                            maatschappelijke bijdrage wordt opgedragen als er geen maatschappelijke
                            werkzaamheden voorhanden zijn binnen de eigen gemeentegrenzen. De
                            Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen
                            gemeentegrens een maatschappelijke bijdrage te laten verrichten (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51). Besluit het College van burgemeester
                            en wethouders geen maatschappelijke bijdrage op te leggen, omdat binnen
                            de eigen gemeentegrenzen geen maatschappelijke werkzaamheden voorhanden
                            zijn, dan wordt binnen zes maanden een heronderzoek uitgevoerd. Dan
                            wordt beoordeeld of op dat moment wel maatschappelijke werkzaamheden
                            binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. Dit is geregeld in
                            artikel 8, tweede lid, van deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2017. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>