<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR434196_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening gemeente Rucphen 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rucphen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Rucphen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Rucphen 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-09-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële verordening gemeente Rucphen 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Rucphen;</vet></al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15
                        november 2016; </al><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;</al><al>gezien het advies van de commissie Algemeen Bestuur en Middelen van 1
                        december 2016;</al><al>besluit vast te stellen de Financiële verordening gemeente Rucphen 2017. </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepaling</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>administratie:</onderstreept> het systematisch
                                verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten
                                behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de
                                gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet
                                worden afgelegd;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>rechtmatigheid:</onderstreept> het in overeenstemming
                                zijn met de geldende wet- en regelgeving, waaronder verordeningen en
                                raadsbesluiten;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>afdeling:</onderstreept> iedere organisatorische
                                eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen
                                rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>inkomsten:</onderstreept> totaal van de baten voor
                                toevoegingen en onttrekkingen van reserves; </al></li><li nr="e."><al><onderstreept>netto schuld per inwoner:</onderstreept> bruto schuld
                                minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het
                                aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto
                                schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen,
                                kortlopende schulden, crediteurenvorderingen en overlopende passiva.
                                Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan het totaal van leningen
                                aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen
                                aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen,
                                debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>onbenutte belastingcapaciteit onroerende
                                    zaakbelasting:</onderstreept> verschil tussen de opbrengst
                                onroerende zaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn
                                voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de
                                Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerende
                                zaakbelasting;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>overheidsbedrijf:</onderstreept> onderneming met
                                privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een
                                personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente,
                                al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming
                                in de vorm van een personenvennootschap, waarin een
                                publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording</vet></al><al><vet>Artikel 2. Programma-indeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt de programma-indeling voor begroting vast.</al></li><li nr="2."><al>De raad stelt op voorstel van het college de taakvelden per
                                programma vast.</al></li><li nr="3."><al>De raad stelt op voorstel van het college per programma de
                                beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten
                                minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25,
                                tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording
                                provincies en gemeenten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de
                                programma’s, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het
                                overzicht van de overhead de baten en lasten per taakveld
                                weergegeven. </al></li><li nr="2."><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                                investeringskrediet weergegeven. </al></li><li nr="3."><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in
                                aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het
                                Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht
                                gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de
                                begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de
                                grondexploitatie. </al></li><li nr="4."><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de
                                geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de
                                totale uitgaven en inkomsten weergegeven.</al></li><li nr="5."><al>De begroting bevat naast de verplichte paragrafen een overzicht van
                                subsidieplafonds waarbinnen het college subsidies kan verlenen.</al></li><li nr="6."><al>Indien het college het noodzakelijk acht voor de
                                informatievoorziening aan de raad, kunnen aanvullende paragrafen
                                worden opgenomen.</al></li><li nr="7."><al>De raad kan bepalen dat hij, naast de verplichte paragrafen van de
                                begroting en de jaarstukken voor bepaalde onderwerpen kaders wil
                                stellen en daarover geïnformeerd wil worden in extra paragrafen.
                                Evenzo kan de raad bepalen dat aan paragrafen aanvullende
                                onderwerpen ten opzichte van hetgeen in het Besluit Begroting en
                                Verantwoording is vermeld, dienen te worden toegevoegd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4. Kaders begroting</vet></al><al>Het college biedt jaarlijks aan de raad een nota aan met een voorstel voor
                        het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende
                        begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 15 juli
                        vast.</al><al><vet>Artikel 5. Autorisatie begroting en
                        investeringskredieten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en
                                de lasten per programma, het overzicht algemene dekkingsmiddelen en
                                het overzicht overhead.</al></li><li nr="2."><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting tevens de
                                investeringskredieten. De raad kan daarbij, al dan niet op voorstel
                                van het college, bepalen dat voor een of meer investeringen op een
                                later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie zal worden
                                aangeboden. </al></li><li nr="3."><al>Het college informeert de raad als ze verwacht, dat de lasten van
                                een programma het geautoriseerde bedrag dreigen te overschrijden, de
                                investeringsuitgaven het geautoriseerde investeringskrediet dreigen
                                te overschrijden, of de baten van een programma het geautoriseerde
                                bedrag dreigen te onderschrijden. Daarbij doet het college een
                                voorstel voor wat betreft het moment en de wijze waarop de raad een
                                voorstel tot bijstelling van de raming wordt aangeboden.</al></li><li nr="4."><al>Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in
                                artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van
                                de geautoriseerde baten en lasten en investeringskredieten en het
                                bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een
                                meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere
                                begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het
                                wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.</al></li><li nr="5."><al>Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het
                                vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college
                                voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een
                                investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een
                                investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan €
                                500.000,00 informeert het college de raad in het voorstel over het
                                effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 6. Tussentijdse rapportage</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de raad door middel van tenminste twee
                                tussentijdse rapportages</al><al> over de</al><lijst><li nr="-"><al>(verwachte) afwijkingen met betrekking tot de realisatie van
                                        de begroting;</al></li><li nr="-"><al>ontwikkelingen die voor de raad van belang zijn.</al></li></lijst></li></lijst><al>Rapportage vindt in elk geval plaats over de eerste drie en de eerste acht
                        maanden van het begrotingsjaar.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien ontwikkelingen daartoe aanleiding geven kan het college in de
                                tussentijdse rapportages, aanvullend op hetgeen is genoemd in het
                                eerste lid, een voorstel doen tot bijstelling van ramingen van:</al><lijst><li nr="-"><al>de baten en lasten per programma, gespecificeerd per
                                        taakveld;</al></li><li nr="-"><al>de investeringskredieten;</al></li><li nr="-"><al>de algemene dekkingsmiddelen; - overhead;</al></li><li nr="-"><al>de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per
                                        programma</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de tussentijdse rapportages worden verwachte afwijkingen op de
                                oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten per programma en
                                investeringskredieten in de begroting groter dan 10% toegelicht, met
                                dien verstande dat afwijkingen groter dan € 10.000,00 te allen tijde
                                worden toegelicht.</al></li><li nr="4."><al>Bij de rapportage die over de eerste acht maanden wordt opgesteld,
                                wordt de realisatie en raming van de investeringskredieten vermeld,
                                tevens worden alle reserves en voorzieningen op de noodzaak van
                                instandhouding en op de toereikendheid beoordeeld. Indien nodig doet
                                het college de raad voorstellen tot het vormen van, storten in en
                                aanwenden van reserves en voorzieningen.</al></li></lijst><al><vet> Artikel 7. Informatieplicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college besluit niet over:</al><lijst><li nr="-"><al>de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter
                                        dan € 200.000,00;</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties;
                                        en</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van kapitaal aan instellingen en
                                        ondernemingen, </al><al> dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en
                                        hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en
                                        bedenkingen ter kennis van het college te brengen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien aan het college door
                                middel van mandaat, vaststelling van de baten en lasten in de
                                programmabegroting, de autorisatie van investeringskredieten of
                                anderszins toestemming is verleend tot het uitvoeren van de genoemde
                                rechtshandelingen </al></li></lijst><al><vet>Artikel 8. EMU-saldo</vet></al><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                        collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3,
                        zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden,
                        informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is.
                        Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel
                        voor het wijzigen van de begroting.</al><al><vet>Hoofdstuk 3. Financieel beleid</vet></al><al><vet>Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald
                                actief en het saldo van koersverschillen bij het aangaan van
                                geldleningen, worden lineair in 5 jaar afgeschreven.</al></li><li nr="2."><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste
                                van de exploitatie gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Activa met een verkrijgingprijs van minder dan € 5.000,00 worden
                                niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen.</al></li><li nr="4."><al>Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig
                                maatschappelijk of economisch nut worden onder aftrek van bijdragen
                                van derden geactiveerd en afgeschreven volgens de methodiek en de
                                termijnen zoals vermeld in de bijlage 1 (afschrijvingsbeleid) bij
                                deze verordening.</al></li><li nr="5."><al>De raad kan bij afzonderlijk raadsbesluit afwijken van de methode en
                                termijnen zoals vermeld in bijlage 1 bij deze verordening.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt nadere regels op ten aanzien van waardering en
                                afschrijving van vaste activa en brengt deze ter kennis van de
                                raad.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 10. Reserves en voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Vorming van reserves en voorzieningen, stortingen in of bestedingen
                                ten laste van de reserves en voorzieningen vinden plaats volgens de
                                regels welke daarvoor in bijlage 2 van deze verordening zijn
                                opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels op ter uitvoering van de in lid 1
                                van dit artikel genoemde regels en brengt deze ter kennis van de
                                raad.</al></li></lijst><al><vet> Artikel 11. Kostprijsberekening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen
                                waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken
                                en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden,
                                wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd.
                                Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de
                                overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen,
                                reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik
                                zijnde activa betrokken.</al></li><li nr="2."><al>Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en
                                onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van
                                de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik
                                zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in
                                rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele
                                belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten
                                van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toerekening van de overheadkosten wordt het deel van die
                                kosten dat kan worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of
                                deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie,
                                binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de
                                desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan
                                die activiteiten. </al></li><li nr="4."><al>Voor de toerekening van de overheadkosten wordt het deel van die
                                kosten dat kan worden die kunnen worden betrokken in de aangifte
                                vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart
                                geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de
                                vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.</al></li><li nr="5."><al>Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van
                                rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en
                                van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan
                                overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als
                                bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van
                                een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde
                                directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en
                                sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan
                                de desbetreffende goederen, werken, diensten, rechten en heffingen,
                                gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische
                                categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend
                                personeel.</al></li><li nr="6."><al>Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor
                                de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het
                                eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het
                                percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen
                                gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de
                                rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende
                                leningen en kredieten en het rentepercentage van de rentevergoeding
                                over de reserves en de voorzieningen zoals bepaald overeenkomstig
                                het achtste en negende lid. De uitkomst van dit percentage van de
                                omslagrente wordt op een half procent afgerond.</al></li><li nr="7."><al>In afwijking van het zevende lid wordt bij een verstrekte lening
                                voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen
                                in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de
                                financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente
                                wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.</al></li><li nr="8."><al>In afwijking van het eerste lid worden bij
                                vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties
                                alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de
                                kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de
                                werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt
                                uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de
                                portefeuille leningen.</al></li></lijst><al><vet> Artikel 12. Prijzen economische activiteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente
                                aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie
                                met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale
                                kostprijs in rekening gebracht</al></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale
                                kosten in rekening gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding
                                van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte
                                middelen. </al></li><li nr="4."><al>Bij afwijking van het bepaalde in lid 1 t/m 3 van dit artikel doet
                                het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het
                                publiek belang wordt gemotiveerd. Deze raadsbesluiten zijn niet
                                nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt
                                gebracht en sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>leveringen van goederen, diensten of werken en het
                                        verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere
                                        overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn
                                        bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die
                                        andere overheid;</al></li><li nr="b."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij
                                        wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li><li nr="c."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                        toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                        prijsvoorschriften gelden;</al></li><li nr="d."><al>een bevoordeling van sociale werkplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>een bevoordeling van onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="f."><al>een bevoordeling van publieke media-instellingen; en</al></li><li nr="g."><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                        staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese
                                        Unie en daarmee verenigbaar is.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 13. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                            prijzen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van
                                de tarieven voor de onroerende zaak-belastingen, de rioolheffingen
                                en de afvalstoffenheffing. Voor overige belastingen, rechten en
                                heffingen wordt per geval beoordeeld of een voorstel met betrekking
                                tot tarieven wordt gedaan. Indien het college besluit dat dit
                                laatste niet het geval is, wordt dit in het voorstel aan de raad
                                toegelicht. </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de prijzen voor leveringen gemeentelijke goederen,
                                werken en diensten, voor zover ze niet vallen onder de definitie van
                                lid 1 van dit artikel, vast.</al></li><li nr="3."><al>De besluiten tot het vaststellen van grondprijzen worden ter
                                kennisneming aan de raad aangeboden</al></li></lijst><al><vet>Artikel 14. Financieringsfunctie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen
                                de volgende kaders in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het aantrekken van financieringen met een looptijd
                                        langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij
                                        verschillende financiële instellingen gevraagd; en</al></li><li nr="b."><al>er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als
                                        bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering
                                        decentrale overheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en
                                het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college
                                indien mogelijk zekerheden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de gemeente met het verstrekken van een garantie risico
                                loopt, wordt een voorziening ten laste van de begroting gevormd ter
                                grootte van dat risico.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt regels op ter uitvoering van het gestelde in dit
                                artikel alsmede voor taken en bevoegdheden en de bijbehorende
                                informatievoorziening.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 4. Paragrafen</vet></al><al><vet>Artikel 15. Lokale heffingen</vet></al><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale
                        heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het
                        Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval
                        op:</al><lijst><li nr="a."><al>de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het
                                bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 11, zesde lid;</al></li><li nr="b."><al>de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde
                                overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in
                                rekening worden gebracht; </al></li></lijst><al><vet>Artikel 16. Weerstandsvermogen en risicobeheersing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de
                                begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte
                                onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en
                                verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: </al><lijst><li nr="a."><al>de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;</al></li><li nr="b."><al>het saldo van de baten en lasten voor toevoegingen en
                                        onttrekkingen van reserves als percentage van de
                                        inkomsten;</al></li><li nr="c."><al>de onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting
                                        als percentage van de inkomsten; </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De toereikendheid van het weerstandsvermogen wordt berekend op de
                                wijze zoals die door de raad bij separaat besluit is of wordt
                                vastgesteld. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 17. Onderhoud kapitaalgoederen</vet></al><al>Het college biedt aan de raad voor tenminste de op grond van artikel 12 van
                        het Besluit Begroting en Verantwoording verplichte onderdelen een
                        (onderhouds)plan ter vaststelling aan. Het plan omvat tenminste het beoogde
                        onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten daarvan en de
                        looptijd van het plan. Indien van toepassing worden ook uitbreidingen en de
                        daaruit voortvloeiende onderhoudskosten in het plan opgenomen. </al><al><vet>Artikel 18. Verbonden partijen</vet></al><al>In de begroting neemt het college in de paragraaf verbonden partijen naast
                        de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting
                        en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:</al><al>-De richtlijnen waarmee de gemeenschappelijke regelingen rekening moeten
                        houden bij het opstellen van de kaderbrief en de begroting van het jaar
                        volgend op dat waarop de begroting van de gemeente betrekking heeft.</al><al><vet>Artikel 19. Grondbeleid</vet></al><al>Het college biedt de raad een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota
                        vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                gemeente;</al></li><li nr="b."><al>te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;</al></li><li nr="c."><al>het verloop van de grondvoorraad;</al></li><li nr="d."><al>de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden; en</al></li><li nr="e."><al>de looptijd van de nota.</al></li></lijst><al><vet> Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer</vet></al><al><vet>Artikel 20. Administratie</vet></al><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval
                        dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                gemeente als geheel en in de afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van
                                de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                budgetten en investeringskredieten en voor het maken van
                                kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot
                                de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                maatschappelijke effecten van het gemeentelijk beleid; </al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                wet- en regelgeving; en</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de
                                daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                begroting en relevante wet- en regelgeving.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 21. Financiële organisatie</vet></al><al>Het college draagt zorgt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;
                            </al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                verantwoordelijkheden; </al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                investeringskredieten; </al></li><li nr="d."><al>de interne regels voor taken en bevoegdheden, de
                                verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van
                                de financieringsfunctie; </al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren
                                prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en
                                uitputting van middelen; </al></li><li nr="f."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en
                                lasten aan de taakvelden;</al></li><li nr="g."><al>het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding
                                van goederen, werken en diensten en brengt deze ter kennis van de
                                raad; </al></li><li nr="h."><al>het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en
                                oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen,
                                opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording
                                wordt voldaan.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 22. Interne controle</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de
                                Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de
                                Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid
                                van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen
                                tot herstel.</al></li><li nr="2."><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie
                                en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van
                                de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden,
                                de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten,
                                de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van
                                crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en
                                bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 5 jaar. Bij afwijkingen in
                                de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de
                                tekortkomingen.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 6. Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</vet></al><al>De Financiële verordening gemeente Rucphen 2014, vastgesteld op 24 september
                        2014 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                        de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het
                        begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking
                        treedt en op de begroting, en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar
                        dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.</al><al><vet> Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening
                                gemeente Rucphen 2017</al></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Rucphen</ondertekening><ondertekening>in zijn openbare vergadering van 14 december 2016</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>J.C.W.M. Rosiers-Goorden MSc.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. M. van der Meer Mohr.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al>Tabel afschrijvingstermijnen volgens verordening art. 212 </al><al><vet>Immateriele vaste activa</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Kosten van onderzoek en ontwikkeling 5 jaar</al></li><li nr="·"><al>Overige immateriële vaste activa 5 jaar</al></li></lijst><al><vet>Materiële vaste activa</vet></al><al>·Gronden en terreinen geen afschrijving, tenzij (*)</al><al><cursief>(*) Gronden die deel uitmaken van een ander activum, worden over een
                        gelijke periode als dat activum afgeschreven</cursief><cursief> indien na
                        het einde van de levendsduur van dat activum de grond geen waarde meer
                        heeft.</cursief></al><al>·Weg- en waterbouwkundige werken</al><lijst><li nr="o"><al>Onderzoek 5 jaar (*)</al></li><li nr="o"><al>Reconstructie/aanleg 25 jaar</al></li><li nr="o"><al>Openbare verlichting 25 jaar </al></li><li nr="o"><al>Straatmeubilair 10 jaar</al></li></lijst><al><cursief>(*) wanneer na onderzoek reconstructie volgt: het onderzoek meenemen in
                        afschrijvingstermijn reconstructie.</cursief></al><lijst><li nr="·"><al>Riolering, volgens het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vastgesteld
                            27 maart 2013) </al><al>oRiolen, putten en kolken</al><al>o
                                <onderstreept>Aanlegjaar</onderstreept><onderstreept>Afmeting</onderstreept><onderstreept>Vorm</onderstreept></al></li><li nr="§"><al>0 – 1965 0 – 400 rond 40 jaar</al></li><li nr="§"><al>0 – 1965 401 – 9999 rond 50 jaar</al></li><li nr="§"><al>0 – 1965 0 – 9999 ei 40 jaar</al></li><li nr="§"><al>1966 – 1974 0 – 400 rond 50 jaar </al></li><li nr="§"><al>1966 – 1974 401 – 9999 rond 60 jaar</al></li><li nr="§"><al>1966 – 1974 0 – 9999 ei 50 jaar</al></li><li nr="§"><al>1975 -&gt; 0 – 9999 diverse 60 jaar</al></li><li nr="§"><al>Overige vormen en materialen 60 jaar </al><al>oGemalen</al></li><li nr="§"><al>Mechanisch/electrisch 20 jaar</al></li><li nr="§"><al>Bouwkundig 40 jaar</al><al>oDrukriolering</al></li><li nr="§"><al>Mechanisch/electrisch 20 jaar</al></li><li nr="§"><al>Bouwkundig 40 jaar</al><al>oMilieumaatregelen (BBV’en) </al></li><li nr="§"><al>Mechanisch/electrisch 20 jaar</al></li><li nr="§"><al>Bouwkundig 60 jaar</al><al>oGrondwatermaatregelen</al></li><li nr="§"><al>Mechanisch/electrisch 20 jaar</al></li><li nr="§"><al>Bouwkundig 60 jaar</al><al>oIBA</al></li><li nr="§"><al>Mechanisch/electrisch 20 jaar</al></li><li nr="§"><al>Bouwkundig 30 jaar</al></li><li nr="·"><al>Gebouwen</al><lijst><li nr="o"><al>Onderhoud/verbouw 20 jaar</al></li><li nr="o"><al>Nieuwbouw 40 jaar </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>Inventaris en meubelen 10 jaar </al></li><li nr="·"><al>Automatisering 5 jaar </al></li><li nr="·"><al>Vervoermiddelen 10 jaar</al></li><li nr="·"><al>Overige machines 10 jaar </al></li><li nr="·"><al>Vaste installaties 15 jaar </al></li><li nr="·"><al>Sportvoorzieningen</al><lijst><li nr="o"><al>Onderhoud 20 jaar</al></li><li nr="o"><al>Vernieuwen/vervangen max. 25 jaar</al></li><li nr="o"><al>Overig 5 jaar</al></li><li nr="o"><al>Toplaagrenovatie 15 jaar </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>Groen</al><al>oRenovatie 15 jaar </al></li><li nr="·"><al>Archief 10 jaar </al></li></lijst><al><vet>Bijlage 2</vet></al><al>Regels voor het vormen van reserves en voorzieningen, stortingen in of
                    bestedingen ten laste van de reserves en voorzieningen:</al><al><vet>Bestemmingsreserves</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bestemmingsreserves worden ingesteld en opgeheven bij raadsbesluit.</al></li><li nr="2."><al>Stortingen in - en onttrekkingen aan bestemmingsreserves kunnen slechts
                            plaatsvinden indien daaraan een raadsbesluit ten grondslag ligt.</al></li><li nr="3."><al>Stortingen of onttrekkingen aan bestemmingsreserves worden altijd in de
                            programmabegroting en de jaarrekening vermeld.</al></li><li nr="4."><al>Indien een in de begroting vastgelegde besteding ten laste van een
                            bestemmingsreserve vertraagt over de jaargrens, wordt dit in de
                            jaarrekening via budgetoverheveling expliciet zichtbaar gemaakt.</al></li><li nr="5."><al>Stortingen of onttrekkingen aan reserves ter egalisatie van niet begrote
                            tekorten of overschotten zijn (zonder expliciet raadsbesluit) niet
                            toegestaan.</al></li><li nr="6."><al>Jaarlijks wordt, bij de tussentijdse rapportage over de eerste 8 maanden
                            van het jaar, aan raad een actueel overzicht van bestemmingsreserves
                            aangeboden. Daarbij worden ook de onttrekkingen en stortingen die zijn
                            geraamd in de meerjarenbegroting, opgenomen. Indien een reserve of een
                            restant daarvan niet meer benodigd is, valt het saldo vrij ten gunste
                            van de algemene reserve.</al></li></lijst><al><vet>Voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Aangezien egalisatievoorzieningen, zoals bedoeld in artikel 44 lid 1c
                            van het BBV, geen verplichtend karakter hebben, en toevoegingen en
                            onttrekkingen meerjarig kunnen worden geraamd, zijn de regels die
                            hiervoor zijn beschreven voor bestemmingsreserves ook op deze categorie
                            voorzieningen van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Stortingen in voorzieningen en bestedingen ten laste van een
                            voorziening, worden in de programmabegroting/jaarrekening vermeld.</al></li><li nr="3."><al>Jaarlijks wordt, bij de tussentijdse rapportage over de eerste 8 maanden
                            van het jaar, aan de raad een overzicht van voorzieningen aangeboden.
                            Daarbij worden ook de dotaties en aanwendingen die zijn geraamd in de
                            meerjarenbegroting, opgenomen. </al></li></lijst><al><vet>Rentegrondslag en -toevoeging</vet></al><al>Er vindt geen rentetoevoeging plaats op de reserves en voorzieningen </al></bijlage></regeling></body></cvdr>