<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR43382_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Terneuzen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zeeuws Vlaams Advertentieblad, 6 oktober 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Terneuzen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet veiligheidsregio's, art. 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Terneuzen;</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 18 augustus
                        2010</al><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop
                        (Stb 2010, 145 en 146);</al><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al>Besluit vast te stellen de navolgende verordening:</al><al>Brandbeveiligingsverordening Terneuzen 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></li><li nr="c."><al>kampeerterrein: een terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht, en
                                blijkens die inrichting bestemd tot het plaatsen of geplaatst houden
                                van kampeermiddelen en kampeerhuisjes ten behoeve van recreatief
                                nachtverblijf.</al></li><li nr="d."><al>jachthaventerrein: een terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht,
                                voor het tegen betaling afmeren van pleziervaartuigen aan steigers
                                of kade of op het terrein gestald kunnen worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                            verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te
                            houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                    verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                                    lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal
                                    worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                            inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden
                            en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang
                            waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een
                            verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen
                            buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                            gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking op het gestelde in lid 1 is geen gebruiksvergunning vereist
                            en kan worden volstaan met een melding voor zover het in lid 1 onder a.
                            evenementen betreft waarbij niet meer dan 100 personen gelijktijdig
                            aanwezig zullen zijn of een evenementenvergunning op grond van de
                            “Algemeen Plaatselijke Verordening gemeente Terneuzen 2009” is verleend.
                            Uit oogpunt van brandveiligheid dient het evenement te voldoen aan de
                            gebruikseisen zoals beschreven in de paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 van het
                            Besluit brandveilig gebruik bouwwerken alsmede de Handreiking
                            brandveiligheid evenementen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen
                        2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,
                        327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet
                        vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen
                        2.4, 2.5 2.6, 2.7 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken
                        (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige
                        en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                        onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                        verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Kampeerterreinen</titel></kop><al> Kampeerterreinen moeten voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals
                        opgenomen in bijlage 1.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Jachthaventerreinen</titel></kop><al> Jachthaventerreinen moeten voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften
                        zoals opgenomen in bijlage 2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                        bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                        Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder
                        1<cursief>°</cursief>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                            brandbeveiligingsverordening van de Brandbeveiligingsverordening
                            Terneuzen, zoals deze is vastgesteld op 16 december 2004 en in werking
                            is getreden op 1 januari 2005 en die van kracht zijn op het moment van
                            inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als vergunning
                            krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om vergunning op grond van de Brandbeveiligingsverordening
                            Terneuzen is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze
                            verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                            vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening Terneuzen wordt
                            beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening Terneuzen
                        2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> Deze verordening treedt in werking op het moment van inwerkingtreding van
                        de Wet veiligheidsregio’s.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad d.d. 30 september
                        2010.</ondertekening><ondertekening>griffier, drs T.A.M. Leeraert,</ondertekening><ondertekening>voorzitter, J.A.H. Lonink</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>behorende bij brandbeveiligingsverordening Terneuzen 2010</titel></kop><tussenkop>BIJLAGE 1 BEHORENDE BIJ BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING TERNEUZEN
                    2010</tussenkop><al/><tussenkop>Brandveiligheidsvoorschriften kampeerterreinen uit de Zeeuwse handreiking
                    Brandveiligheid Kampeerterreinen 2007</tussenkop><tussenkop>Paragraaf I Bereikbaarheid</tussenkop><al>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten ten behoeve van hulpverlening</al><lijst><li nr="1."><al>1 De bij de inrichting behorende brandkranen en andere
                            bluswaterwinplaatsen moeten worden vrijgehouden en bereikbaar zijn voor
                            blusvoertuigen, en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan
                            worden gemaakt.</al></li><li nr="1.2."><al>Op het bij de inrichting behorende terrein moeten de beplanting, de
                            parkeerplaatsen, de laad- en losplaatsen en de plaatsen waar goederen en
                            afval worden opgeslagen of gedeponeerd, zodanig zijn gesitueerd, dat bij
                            brand het oprijden en opstellen van de voertuigen en andere hulpmiddelen
                            van de brandweer niet worden bemoeilijkt of belemmerd.</al></li><li nr="1.3."><al>Ten behoeve van het verkeer van de hulpverlenende diensten moet een
                            doorgaande route met een breedte van tenminste 3,5 meter en een hoogte
                            van tenminste 4,2 meter vrijgehouden worden. De doorgaande route moet
                            verhard zijn op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een
                            asbelasting van 10 ton (100kN) en een totaalgewicht van 15 ton
                            (150kN).</al></li><li nr="1.4."><al>Hekwerken en slagbomen die de route als bedoeld in 1.3 blokkeren moeten
                            snel en gemakkelijk geopend kunnen worden. Indien deze zijn voorzien van
                            een slot moeten passende voorzieningen worden aangebracht.</al></li></lijst><tussenkop>Paragraaf II Inrichting terrein</tussenkop><al>Artikel 2 Indeling en constructie terrein</al><al>2.1.De afstand van enig kampeervak tot de perceelsgrens is tenminste 5
                    meter.</al><al>2.2.1 Permanente standplaatsen, op nieuw aan te leggen terreinen of een gedeelte
                    van een terrein waar sprake is van vernieuwing, dienen zodanig te zijn
                    gesitueerd dat brand niet eenvoudig van het ene kampeervak naar een ander
                    kampeervak kan overslaan. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
                    (WBDBO) tussen kampeervakken op permanente standplaatsen is tenminste 30
                    minuten. Hieraan wordt voldaan indien:</al><lijst><li nr="-"><al>tussen de kampeervakken een vrije ruimte is van tenminste 5 meter;</al></li><li nr="-"><al>een bouwkundige voorziening wordt getroffen, waardoor de WBDBO van 30
                            minuten conform de NEN 6068 en de NPR 6091 wordt bereikt.</al></li></lijst><al>2.2.2 Permanente standplaatsen, op bestaande terreinen, dienen zodanig te zijn
                    gesitueerd dat brand niet eenvoudig van het ene kampeervak naar een ander
                    kampeervak kan overslaan. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
                    (WBDBO) tussen kampeervakken op permanente standplaatsen is tenminste 20
                    minuten. Hieraan wordt voldaan indien:</al><lijst><li nr="-"><al>tussen de kampeervakken een vrije ruimte is van tenminste 3 meter;</al></li><li nr="-"><al>een bouwkundige voorziening wordt getroffen, waardoor de WBDBO van 20
                            minuten conform de NEN 6068 en de NPR 6091 wordt bereikt.</al><lijst><li nr="2."><al>3 Niet permanente standplaatsen, op bestaande en nieuw aan te
                                    leggen terreinen of een gedeelte van een terrein waar sprake is
                                    van vernieuwing, dienen zodanig te zijn gesitueerd dat
                                    brandoverslag niet eenvoudig kan plaatsvinden. Hieraan wordt
                                    voldaan indien: de standplaatsen zijn gesitueerd in een
                                    (brand)compartiment (BC) van maximaal 1000 m2. De WBDBO tussen
                                    de brandcompartimenten is tenminste 30 minuten of een vrije
                                    tussenruimte van tenminste 5 meter. Een BC strekt zich niet uit
                                    over meer dan een perceel.</al><al>2.4.Kampeervakken voor niet permanente standplaatsen, niet
                                    gelegen in een brandcompartiment zoals genoemd in artikel 2.3,
                                    is de WBDBO tussen deze kampeervakken tenminste 20 minuten.
                                    Hieraan wordt voldaan indien:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>tussen de kampeervakken een vrije ruimte is van tenminste 3 meter;</al></li><li nr="-"><al>een bouwkundige voorziening wordt getroffen, waardoor de WBDBO van 20
                            minuten conform de NEN 6068 en de NPR 6091 wordt bereikt.</al><lijst><li nr="2.5."><al>De terreingedeelten tussen de kampeervakken dient over de in
                                    2.2, 2.3 en 2.4 genoemde afstanden vrij te worden gehouden van
                                    aanbouwsels, opbergruimten, opslag en voertuigen.</al></li><li nr="2.6."><al>De opstelling van de kampeermiddelen dient zodanig te
                                    geschieden, dat de blusvoertuigen van de brandweer en andere
                                    hulpverlenende diensten te allen tijde enig kampeermiddel tot 40
                                    meter kunnen benaderen.</al></li><li nr="2.7."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk en/of kampeervak dat voor het
                                    verblijf van mensen is bestemd, meer dan 40 meter is verwijderd
                                    van een doorgaande (openbare) weg, moet een verbindingsweg
                                    tussen die toegang of dat vak en het openbare wegennet aanwezig
                                    zijn die geschikt is voor brandweervoertuigen conform de
                                    voorwaarde 1.3.</al></li><li nr="2.8."><al>Afhankelijk van de aard en omvang van het kampeerterrein moet
                                    ten behoeve van de hulpverlenende diensten, naast de reguliere
                                    toegang, één of meerdere toe- of (nood)uitgangen aanwezig zijn.
                                    Dit ter beoordeling en goedkeuring door de commandant
                                    brandweer.</al><al> Artikel 3 Bluswatervoorziening</al><al> Afhankelijk van de omvang van het kampeerterrein moet ten
                                    behoeve van de brandweer tenminste één primaire aanwezig zijn.
                                    Naast een primaire bluswatervoorziening moet een secundaire
                                    bluswatervoorziening aanwezig zijn. Beide ter beoordeling en
                                    goedkeuring door de commandant brandweer.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 4 Gasflessendepots en propaantanks</al><al>4.1 Gasflessendepots en propaantanks zullen aan de rand van het kampeerterrein
                    moeten worden gesitueerd.</al><tussenkop>Paragraaf III Installaties</tussenkop><al>Artikel 5 Elektrische installatie(s)</al><lijst><li nr="5.1."><al>De elektrische installatie van het kampeerterrein, inclusief de
                            bouwwerken, moet tenminste voldoen aan het gestelde in het normblad NEN
                            1010, voorschriften van het betreffende energiebedrijf waar het
                            kampeerterrein bij is aangesloten en aan het Bouwbesluit.</al></li><li nr="5.2."><al>Alleen elektrische installaties van kampeermiddelen die aan de gestelde
                            in het normblad NEN 1010, de voorschriften van het betreffende
                            energiebedrijf, de keuringsvoorschriften K57 van de KEMA en/of
                            bouwbesluit voldoen, mogen aangesloten worden op de elektrische
                            installatie van het kampeerterrein.</al></li></lijst><al>Artikel 6 Gasinstallatie(s)</al><lijst><li nr="6.1."><al>Gasinstallaties, waaronder leidingen en toebehoren voor propaan of
                            butaan, moeten voldoen aan het gestelde in de normbladen NEN 1078 en/of
                            NEN 2920 en NPR 2921; 1997.</al></li><li nr="6.2."><al>Gasslangen voor butaangas en propaangas moeten voldoen aan het bepaalde
                            in het normblad NEN-EN 1763-1.</al><lijst><li nr="6.3."><al>Gasflessen die zijn gevuld met autogas (LPG) mogen niet worden
                                    gebruikt en/of aanwezig zijn anders dan voor de aandrijving van
                                    hef- of transportvoertuigen.</al></li><li nr="6.4."><al>De plaats van de gasflessen bij permanente standplaatsen moet
                                    zijn gemarkeerd met een daarvoor bedoelde sticker.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 7 Brandmeldings- en alarmeringsmiddelen</al><al>7.1.Afhankelijk van de indeling, compartimentering, grootte en ligging van het
                    kampeerterrein dient op het terrein een alarmeringsvoorziening (b.v.
                    omroepinstallatie, bel, sirene) aanwezig te zijn om de gasten te kunnen
                    waarschuwen voor eventueel dreigend gevaar.</al><al>Artikel 8 Blusmiddelen</al><lijst><li nr="8.1."><al>Op het kampeerterrein dienen voldoende brandblusmiddelen aanwezig te
                            zijn. De brandblusmiddelen moeten worden aangebracht op de plaatsen
                            zoals voorgeschreven of op de bij de gebruiksvergunning of -melding
                            behorende plattegrondtekening(en) is aangegeven.</al></li><li nr="8.2."><al>Draagbare blustoestellen moeten zijn voorzien van een rijkskeurmerk met
                            rangnummer en conform de NEN 2559 worden onderhouden</al></li><li nr="8.3."><al>Brandslanghaspels moeten voldoen aan normblad NEN-EN 671-1.</al></li><li nr="8.4."><al>Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en beveiligingssystemen
                            moeten steeds:</al></li><li nr="-"><al>voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;</al></li><li nr="-"><al>in goede staat van onderhoud verkeren; </al></li><li nr="-"><al>goed bereikbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>als zodanig herkenbaar en zichtbaar zijn.</al></li><li nr="8.5."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid
                            en goede werking van de in de artikelen 7.2 en 7.3 beschreven
                            voorzieningen.</al></li></lijst><tussenkop>Paragraaf IV Gebruiksvoorschriften</tussenkop><al>Artikel 9 Verbod voor roken/ open vuur en vuurwerk</al><lijst><li nr="9.1."><al>Het is verboden op gedeelten van het terrein te roken, waarvoor dit op
                            de gewaarmerkte plattegrondtekeningen is aangegeven.</al></li><li nr="9.2."><al>Het rookverbod als bedoeld in artikel 7.1 moet, daar waar nodig, op
                            opvallende plaatsen duidelijk staan aangegeven door middel van het
                            opschrift “VERBODEN TE ROKEN” of door een gestandaardiseerd symbool
                            overeenkomstig het gestelde in de norm NEN 3011.</al></li><li nr="9.3."><al>Het verbod van open vuur als bedoeld in artikel 5.5.1 van de Algemene
                            plaatselijke verordening moet, daar waar nodig, op opvallende plaatsen
                            duidelijk staan aangegeven door middel van het opschrift “VERBODEN VOOR
                            OPEN VUUR”; of door een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het
                            gestelde in de norm NEN 3011.</al></li></lijst><al> 9.4. Indien het kampeerreglement het branden in een vuurkorf of vuurton
                    toestaat, dient aan de volgende voorwaarden voldaan te worden:</al><al>a.er moet voortdurend toezicht zijn van een meerderjarig persoon;</al><al>b de vuurkorf of -ton moet op een open plaats staan zodanig dat deze geen gevaar
                    oplevert voor de omgeving;</al><al>c onder de vuurkorf, of -ton dient een niet brandbare onderplaat geplaatst te
                    worden;</al><al>d een vuurkorf of -ton moet zodanig zijn opgesteld of uitgevoerd dat deze niet
                    eenvoudig kan omvallen of kan worden omgestoten;</al><al>e de maximale hoeveelheid brandstof (niet anders zijnde dan schoon hout) in de
                    vuurkorf of -ton bedraagt een ¼ m³;</al><al>f de vuurkorf of -ton wordt niet verlaten alvorens het vuur gedoofd is;</al><al>g in de directe nabijheid van de vuurkorf of -ton staan voldoende blusmiddelen,
                    één poeder- of sproeischuimblusser met een inhoud van tenminste 6 kilogram/liter
                    of (een) emmer(s) gevuld met water (minimaal 10 liter) of zand, voor
                    onmiddellijk gebruik gereed.</al><al>9.5.Indien het kampeerreglement barbecuen toestaat, dient aan de volgende
                    voorwaarden te worden voldaan:</al><al>a er moet voortdurend toezicht zijn van een meerderjarig persoon;</al><al>b de barbecue moet op een open plaats staan die tenminste 2 meter rondom vrij is
                    van opstallen, bomen en struiken;</al><al>c een barbecue moet zodanig zijn opgesteld of uitgevoerd dat deze niet eenvoudig
                    kan omvallen of kan worden omgestoten;</al><al>d vaste brandstof (niet anders zijnde dan briketten of houtskool) in een
                    barbecue mag alléén ontstoken worden met aanmaakblokjes, aanmaakvloeistof en/of
                    aanmaakgel;</al><al>e de barbecue mag niet worden verlaten alvorens het vuur gedoofd is;</al><al>f in de directe nabijheid van de barbecue moet een blusmiddel in de hoedanigheid
                    van (een) emmer(s) water of zand (minimaal 10 liter) voor onmiddellijk gebruik
                    gereed staan.</al><al>Artikel 10 Afval</al><lijst><li nr="10.1."><al>Afval moet worden verzameld in veilig opgestelde containers.</al></li><li nr="10.2."><al>De afstand tussen afvalcontainers met een inhoud groter dan 5 m3 c.q.
                            containerverzamelplaatsen en een gebouw moet ten minste 5 meter
                            bedragen, tenzij er tussen deze opslag en het gebouw een weerstand tegen
                            branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van tenminste 30 minuten is.</al></li></lijst><al>Artikel 11 Opslag van materialen</al><al>11.1.Het is verboden om voorwerpen of stoffen in de inrichting of in de omgeving
                    daarvan zodanig op te slaan of neer te zetten, dat daardoor het gebruik van
                    telefoons, blusmiddelen, vluchtwegen en toegangswegen bemoeilijkt en/of
                    geblokkeerd worden.</al><al>Artikel 12 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsoefening</al><al>12.1.Bij het verrichten of doen verrichten van werkzaamheden, waarbij
                    brandgevaarlijke stoffen of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik
                    aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen
                    zijn getroffen tegen het ontstaan van brand.</al><al> Artikel 13 Doorlopend toezicht</al><lijst><li nr="13.1."><al>Gedurende de tijd dat personen in de inrichting aanwezig zijn, moet voor
                            de naleving van de eisen van de gebruiksvergunning of gebruiksmelding
                            een verantwoordelijk persoon oproepbaar zijn die de aanwijzingen van de
                            met de controle belaste ambtenaren op eerste aanzegging uitvoert of doet
                            uitvoeren.</al></li><li nr="13.2."><al>Door of namens de vergunninghouder moet er doorlopend worden toegezien
                            dat voor zover van toepassing:</al></li><li nr="·"><al>vlucht- en toegangswegen, en aanduidingen daarvan, goed zichtbaar
                            zijn;</al></li><li nr="·"><al>vlucht- en toegangswegen goed bereikbaar zijn;</al></li><li nr="·"><al>blusmiddelen, en aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn;</al></li><li nr="·"><al>blusmiddelen goed bereikbaar en bedrijfsgereed zijn;</al></li><li nr="·"><al>de vastgestelde gedragsregels worden nageleefd.</al></li></lijst><al>Artikel 14 Periodieke controle</al><lijst><li nr="14.1."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid
                            en goede werking van, voor zover van toepassing zijnde, onderstaande
                            voorzieningen:</al></li><li nr="·"><al>ontruimingsinstallatie(s);</al></li><li nr="·"><al>brandkranen;</al></li><li nr="·"><al>overige brandbestrijdings- en brandbeveiligingsmiddelen.</al></li><li nr="14.2."><al>De met de controle belaste functionarissen van de gemeente kunnen
                            tijdstippen bepalen en de wijze aangeven waarop één en ander moet worden
                            beproefd.</al></li></lijst><al>Artikel 15 Brandveiligheidsinstructie</al><lijst><li nr="15.1."><al>De eigenaar van het kampeerterrein moet in overleg met de commandant van
                            de brandweer een brandveiligheidsinstructie samenstellen ten behoeve van
                            het personeel.</al></li><li nr="15.2."><al>De instructie "Hoe te handelen bij brand" moet:</al></li></lijst><al>a op de door de met controle belaste functionarissen van de gemeente aan te
                    wijzen plaatsen worden opgehangen;</al><al>b aan alle niet- en permanente standplaatshouders kenbaar worden gemaakt;</al><al>c aan nieuw personeel bij indiensttreding te worden uitgereikt.</al><al>15.3.Het personeel dient te worden geïnstrueerd in de voor hun functie geldende
                    brandveiligheidsinstructie.</al><al> Artikel 16 Gedragsregels</al><lijst><li nr="16.1."><al>In de overeenkomst voor niet- en permanente standplaatshouders dienen
                            gedragsregels opgenomen te worden c.q dient verwezen te worden naar een
                            huishoudelijk reglement waar die gedragsregels onderdeel van
                            uitmaken.</al></li><li nr="16.2."><al>In deze gedragsregels, die vooraf ter goedkeuring moeten worden
                            voorgelegd aan de commandant brandweer, dienen in elk geval de volgende
                            voorwaarden, regels en verwijzingen te worden opgenomen:</al></li></lijst><al>a instructie “Hoe te handelen bij brand”;</al><al>b elektriciteit-, gas-, en waterinstallaties moeten voldoen aan de wettelijke
                    bepalingen;</al><lijst><li nr="c."><al>het verbod tot het gebruik van LPG-tanks, anders dan bestemd voor de
                            aandrijving van motorvoertuigen en speciaal daartoe ingerichte
                            wisseltanks voor de aandrijving van hef- en transportvoertuigen;</al></li><li nr="d."><al>het gebruik van flessengas (propaan of butaan) in flessen van maximaal
                            45 liter waterinhoud tot een maximum van twee flessen; leeg of vol;</al></li><li nr="e."><al>propaan- en butaanflessen mogen niet worden gevuld met LPG;</al></li><li nr="f."><al>Indien olieverwarming wordt toegestaan, dient de opslag van olie,
                            maximaal 200 liter, in een vloeistofdichte bak geplaatst te zijn;</al></li><li nr="g."><al>het verbod tot het maken of gebruiken van open vuur, behalve voor koken,
                            braden op kooktoestellen en verwarmingstoestellen met tevens verwijzing
                            naar de regels ten aanzien van vuurkorven en barbecues;</al></li><li nr="h."><al>het verbod op parkeren op wegen, anders dan de daartoe ingerichte
                            parkeerplaatsen;</al></li><li nr="i."><al>het advies om in kampeermiddelen op permanente standplaatsen goed
                            werkende en op een adequate plaats gemonteerde rookmelders aan te
                            brengen;</al></li><li nr="16.3."><al>De beheerder van de inrichting dient er op toe te zien dat de voornoemde
                            gedragsregels stipt worden nagekomen.</al><al> Artikel 17 Ontruimingsplan</al></li><li nr="17.1."><al>De exploitant van een kampeerterrein zal een door de commandant van de
                            gemeentelijk brandweer geaccordeerd ontruimingsplan moeten
                            bezitten.</al></li></lijst><al>Dit plan moet aanwezig zijn op een nader door de commandant van de gemeentelijke
                    brandweer aangegeven plaats.</al><lijst><li nr="17.2."><al>Op onregelmatige tijden moet een oefening van het ontruimingsplan
                            plaatsvinden.</al></li><li nr="17.3."><al>De met de controle belaste functionarissen van de gemeentelijke
                            brandweer kunnen tijdstippen bepalen waarop de ontruimingsoefeningen
                            moeten plaatsvinden.</al></li></lijst><al>Artikel 18 Bewaking/controle</al><al>18.1.De met de controle belaste functionarissen van de gemeente moeten in acute
                    situatie worden toegelaten. De bevelen of aanwijzingen door of namens de
                    commandant van de gemeentelijke brandweer, gegeven in verband met de
                    brandveiligheid, moeten onmiddellijk worden opgevolgd.</al><al> Artikel 19 Gelijkwaardigheid</al><lijst><li nr="19.1."><al>Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de
                            artikelen genoemd in de artikelen 1 t/m 18, moet de inrichting een mate
                            van veiligheid bieden die tenminste gelijk is aan de mate van veiligheid
                            die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens de artikelen
                            genoemd in de artikelen 1 t/m 18 gegeven voorschriften. De commandant
                            brandweer zal moeten beoordelen of een toereikende veiligheid wordt
                            bewerkstelligd.</al></li><li nr="19.2."><al>Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het betreffende
                            voorschrift tevens valt te herleiden tot overwegingen van welstand,
                            gezondheid, bruikbaarheid of energiezuinigheid, moeten die overwegingen
                            daarbij in tenminste dezelfde mate in acht zijn genomen.</al></li></lijst><tussenkop>Toelichtingen op brandveiligheidsvoorschriften
                    kampeerterreinen</tussenkop><tussenkop>Paragraaf I Bereikbaarheid</tussenkop><al>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten ten behoeve van hulpverlening</al><lijst><li nr="1.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="1.2."><al>Geen toelichting</al><lijst><li nr="1.3."><al>De maten zijn afkomstig uit de ‘Handleiding Bluswatervoorziening
                                    en bereikbaarheid’ 2003.</al></li><li nr="1.4."><al>Voorkomen moet worden dat bij een calamiteit de brandweer in
                                    haar opkomst gehinderd wordt door afgesloten hekwerken en/of
                                    slagbomen. Om dit te voorkomen zullen passende voorzieningen
                                    moeten worden getroffen. Een passende voorziening die op een
                                    centrale plaats aangebracht kan worden is een
                                    brandweersleutelkluis/buis. </al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Paragraaf II Inrichting</tussenkop><al>Artikel 2 Indeling en constructie terrein</al><lijst><li nr="2.1."><al>Geen toelichting</al><al>2.2.1Om tegemoet te kunnen komen aan de vrije indeelbaarheid van
                            kampeerterreinen, op nieuw aan te leggen terreinen of een gedeelte van
                            een terrein waar sprake is van vernieuwing, is het begrip kampeervak
                            opgenomen. Een kampeervak is een cluster van bijgebouwen, auto(‘s) en
                            kampeermiddel(en). De WBDBO tussen de kampeervakken moet tenminste 30
                            minuten bedragen. Het kampeervak blijft een theoretisch begrip. Het is
                            moeilijk om deze fysiek op het kampeerterrein aan te geven. Afhankelijk
                            van de plaatsing van bijgebouwen en auto’s zal per situatie de
                            kampeervakken moeten worden vastgelegd. De motivering van de WBDBO eis
                            van minimaal 30 minuten voor permanente standplaatsen is:</al></li><li nr="·"><al>Aansluiting bij het Bouwbesluit voor woonwagens.</al></li><li nr="·"><al>Aanwezigheid van hogere vuurbelasting.</al></li><li nr="·"><al>Er wordt geen eis gesteld aan het materiaal gebruik van de uitwendige
                            scheidingsconstructie.</al></li><li nr="·"><al>Kampeermiddelen zijn niet danwel moeilijk te verplaatsen.</al><al>2.2.2Om tegemoet te kunnen komen aan de vrije indeelbaarheid van
                            kampeerterreinen, op bestaande terreinen, is het begrip kampeervak
                            opgenomen. Een kampeervak is een cluster van bijgebouwen, auto(‘s) en
                            kampeermiddel(en). De WBDBO tussen kampeervakken moet tenminste 20
                            minuten bedragen. Het kampeervak blijft een theoretisch begrip. Het is
                            moeilijk om deze fysiek op het kampeerterrein aan te geven. Afhankelijk
                            van de plaatsing van bijgebouwen en auto’s zal per situatie de
                            kampeervakken moeten worden vastgelegd. De motivering van de WBDBO eis
                            van minimaal 20 minuten voor permanente standplaatsen is:</al></li><li nr="·"><al>Aansluiting bij het Bouwbesluit voor woonwagens.</al></li><li nr="·"><al>Aanwezigheid van hogere vuurbelasting.</al></li><li nr="·"><al>Er wordt geen eis gesteld aan het materiaal gebruik van de uitwendige
                            scheidingsconstructie.</al></li><li nr="·"><al>Kampeermiddelen zijn niet dan wel moeilijk te verplaatsen.</al></li></lijst><al> Ter verduidelijking van het begrip kampeervakken gelden onderstaande
                    figuren:</al><al>Figuur 1: 4 kampeervakken; onderlinge afstand groter dan 5 meter (3 meter voor
                    bestaande situaties)</al><al>Figuur 2: kampeervak en plaatsing van auto/bijgebouw</al><lijst><li nr=""><al>2.3.Niet permanente standplaatsen, op bestaande en nieuw aan te leggen
                            terreinen of een gedeelte van een terrein waar sprake is van
                            vernieuwing, dienen zodanig te zijn gesitueerd dat overslag van brand
                            niet onbeperkt kan plaatsvinden. Dit kan worden gerealiseerd door niet
                            permanente standplaatsen te situeren in een (brand)compartiment (BC) van
                            maximaal 1000 m². De WBDBO tussen de BC is tenminste 30 minuten, te
                            realiseren door een vrije ruimte van minimaal 5 meter tussen de BC. Zo
                            is het mogelijk om op een “overloop terrein”, jeugd in tentjes te laten
                            kamperen binnen een BC van 1000 m².</al></li><li nr="2."><al>4 Ook kan een snelle brandoverslag voor niet permanente standplaatsen,
                            niet gelegen in een brandcompartiment, worden voorkomen, door een WBDBO
                            tussen de kampeervakken van tenminste 20 minuten. Dit betekent dat in
                            een dergelijk kampeervak de kleine tentjes bij een hoofdtent worden
                            geschaard en er tussen deze kampeermiddelen geen afstand in acht genomen
                            dient te worden. Het is aan de exploitant om een keuze te maken. Op het
                            kampeerterreinen kunnen beide varianten worden gebruikt. De motivatie
                            voor de gelijkwaardigheid van brandcompartimenten van max. 1000 m²
                            luidt: Met de indeling in (brand)compartimenten van maximaal 1000 m² die
                            onderling gescheiden zijn met een WBDBO van tenminste 30 minuten, wordt
                            beoogd de ongehinderde uitbreiding van een brand te beperken tot een
                            gedeelte van het kampeerterrein. Daardoor hebben de campinggasten die
                            zich niet in het gedeelte met de brand bevinden de gelegenheid veilig te
                            ontkomen. Tegelijkertijd wordt voorkomen dat de brand in korte tijd een
                            zodanige omvang aanneemt dat hij niet meer te beheersen is en kan maken
                            dat er onacceptabel veel slachtoffers vallen.</al></li><li nr="2.5."><al>Dit artikel is opgenomen om te voorkomen dat de vrije ruimten tussen
                            kampeervakken worden volgebouwd.</al></li><li nr="2.6."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="2.7."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="2.8."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="2.9."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 3 Bluswatervoorziening</al><al>Het voorzien van bluswater is in beginsel een gemeentelijke taak. De gemeente is
                    echter niet in alle situaties verplicht te voorzien in een
                    bluswatervoorziening.</al><al>In artikel 2.5.3, lid 5 en artikel 5.1.2, lid 5 van de gemeentelijke
                    Bouwverordening is daarom het volgende bepaald:</al><tussenkop>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                    worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                    bluswatervoorziening.</tussenkop><tussenkop>Basiseis:</tussenkop><al>Op of nabij (max. 40 meter) de ingang (toegang) van het kampeerterrein dient een
                    primaire bluswatervoorziening aanwezig te zijn in de vorm van een (ondergrondse)
                    brandkraan aangesloten op het (openbare) drinkwaterleidingnet met een capaciteit
                    van tenminste 60 m³/uur.</al><al>Tevens dient een secundaire bluswatervoorziening aanwezig te zijn tot enig
                    kampeermiddel of gebouw op het kampeerterrein op een afstand van maximaal 225
                    meter hemelsbreed, of 320 meter over de weg. De capaciteit van 60 m³/uur moet
                    gedurende 4 uur geleverd kunnen worden (middelbrand situatie).</al><al>Als de afstand tussen de secundaire bluswatervoorziening en het eind van het
                    kampeerterrein meer dan 225 m hemelsbreed of 320 meter over (verharde) wegen
                    bedraagt kan niet worden voldaan aan de basiseis.</al><al><vet><cursief> Indien niet aan deze basiseisen kan worden
                        voldaan</cursief></vet> moet een plan van aanpak worden gemaakt, waarin de
                    primaire en secundaire bluswatervoorziening worden geregeld c.q. zijn
                    omschreven. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: </al><al>-Voor elke opstelplaats voor de brandweer, waarvan de kampeermiddelen, gebouwen
                    en brandcompartimenten tot op 40 meter kunnen worden benaderd, moet binnen 80
                    meter een primaire bluswatervoorziening aanwezig zijn. De capaciteit van deze
                    primaire bluswatervoorziening moet tenminste 30 m³/uur bedragen. </al><al>Deze kan en mag worden uitgevoerd als (horizontale) droge blusleiding met
                    afnamepunten (buisdiameter tenminste 75 mm en uitgevoerd conform NEN 1594). </al><lijst><li nr="-"><al>Brandkranen en afnamepunten moeten tot op een afstand van maximaal 15
                            meter door blusvoertuigen kunnen worden benaderd via rijlopers, welke
                            voldoen aan het gestelde in artikel 1 “Vrijhouden van terreingedeelten
                            ten behoeve van de hulpverlening”</al></li><li nr="-"><al>Bluswaterwinplaatsen en afnamepunten die aan het oog onttrokken kunnen
                            worden moeten in de directe omgeving gemarkeerd worden met een markering
                            (met afstandsindicatie of vermelding op bereikbaarheidskaart).</al></li><li nr="-"><al>Voor elke opstelplaats voor de brandweer, waarvan de kampeermiddelen,
                            gebouwen en brandcompartimenten tot op 40 meter kunnen worden benaderd,
                            moet binnen 225 meter hemelsbreed of 320 meter over (verharde) wegen een
                            secundaire bluswatervoorziening aanwezig zijn. De capaciteit van deze
                            secundaire bluswatervoorziening moet tenminste 30 m³/uur zijn en
                            gedurende tenminste 4 uur kunnen worden geleverd.</al></li><li nr="-"><al>De horizontale afstand tussen de opstelplaats van een blusvoertuig en
                            een (secundaire) bluswatervoorziening, mag niet meer bedragen dan 5
                            meter.</al></li></lijst><al>Artikel 4 Gasflessendepots en propaantanks</al><al>4.1 Door gasflessendepots en propaantanks aan de rand van het kampeerterrein te
                    situeren wordt voorkomen dat op het kampeerterrein, te midden van de gasten
                    gevaarlijke handelingen worden uitgevoerd. De opslag als zodanig heeft een
                    bepaald risico in zich, maar vooral de logistieke handelingen zijn risicovol. Om
                    deze reden zullen de centrale gasflessendepots en de propaantanks zoveel als
                    mogelijk aan de zijkant van het kampeerterrein moeten worden gesitueerd.</al><tussenkop>Paragraaf III Installaties</tussenkop><al>Artikel 5 Elektrische installatie</al><lijst><li nr="5.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="5.2."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 6 Gasinstallaties</al><lijst><li nr="6.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="6.2."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="6.3."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 7 Brandmeldings- en alarmeringsmiddelen</al><al>7.1.Het is wenselijk dat gasten op een kampeerterrein worden gealarmeerd indien
                    zich een dreigende situatie zich voordoet. Deze alarmering is mede afhankelijk
                    van de grootte en situering van het kampeerterrein. Een klein kampeerterrein is
                    overzichtelijk en het zal relatief gezien niet lang duren voordat alle gasten
                    zijn gewaarschuwd. Dit anders voor een kampeerterrein met 500 standplaatsen. Het
                    alarmeren van (grote) groepen personen, om deze te waarschuwen voor een
                    eventueel dreigend gevaar is deels een verantwoordelijkheid van de overheid.
                    Voor het waarschuwen van de bevolking bij een dreigend gevaar heeft de overheid
                    een aantal criteria opgesteld, die kunnen worden toegepast. Vervolgens is het de
                    taak van de ondernemer om zorg te dragen dat de onder zijn verantwoordelijkheid
                    aanwezige klanten verder worden voorzien van informatie.</al><al> Artikel 8 Blusmiddelen</al><lijst><li nr="8.1."><al>Om een beginnende brand op een juiste manier te kunnen bestrijden,
                            moeten een aantal voorzieningen aanwezig zijn. Het gaat hierbij om
                            brandbestrijdingsmiddelen die in de vorm van draagbare brandblusmiddelen
                            die op aanvaardbare loopafstand van de plaats van een kampeereenheid
                            bereikbaar en beschikbaar moeten zijn. Als een aanvaardbare loopafstand
                            wordt een afstand van maximaal 100 meter gezien. Uiteraard is een
                            centrale plaats waar dergelijke middelen aanwezig zijn ideaal. Gedacht
                            kan dan worden aan toilet- en sanitairgebouwen, receptie en andere
                            gebouwen met een speciale- of centrale functie op het kampeerterrein. Op
                            een kampeerterrein wordt met voorkeur een poederblusser met een minimaal
                            gewicht van 6 kg opgehangen.</al></li><li nr="8.2."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="8.3."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="8.4."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><tussenkop>Paragraaf IV Gebruiksvoorschriften</tussenkop><al>Artikel 9</al><lijst><li nr="9.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="9.2."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="9.3."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="9.4."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="9.5."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 10 Afval</al><lijst><li nr="10.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="10.2."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 11 Opslag van materialen</al><al>11.1.Geen toelichting</al><al>Artikel 12 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsoefening</al><al>12.1.Geen toelichting</al><al>Artikel 13 Doorlopend toezicht</al><lijst><li nr="13.1."><al>In dit artikel is het toezicht oproepbaar. In eerdere instanties was het
                            toezicht aanwezig. Naar huidige maatstaven kan worden volstaan met
                            oproepbaar. Het is dan wel redelijk om te eisen dat degene die
                            oproepbaar is binnen een bepaald tijdsbestek op het kampeerterrein
                            aanwezig zal zijn. Een opkomsttijd van 5 minuten is reëel.</al></li><li nr="13.2."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 14 Periodieke controle</al><lijst><li nr="14.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="14.2."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 15 Brandveiligheidsinstructie</al><lijst><li nr="15.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="15.2."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="15.3."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 16 Gedragsregels</al><lijst><li nr="16.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="16.2."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="16.3."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 17 Ontruimingsplan</al><lijst><li nr="17.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="17.2."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="17.3."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><al>Artikel 18 Bewaking/controle</al><al>18.1.Geen toelichting</al><al>Artikel 19 Gelijkwaardigheid</al><lijst><li nr="19.1."><al>Geen toelichting</al></li><li nr="19.2."><al>Geen toelichting</al></li></lijst><tussenkop>Definities en termen</tussenkop><al>In deze handreiking wordt verstaan onder:</al><al><vet>Aan- of uitbouw:</vet> Een op de standplaats en met het kampeermiddel
                    verbonden bouwwerk of uitspringend deel, dat ten dienste staat van het
                    kampeermiddel en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is
                    aan dat kampeermiddel.</al><al><vet>Bijgebouw:</vet> Een op de standplaats en van het kampeermiddel vrijstaand
                    bouwwerk, dat ten dienste staat van het kampeermiddel en door zijn ligging,
                    constructie of afmetingen ondergeschikt is aan dat kampeermiddel.</al><al><vet>Bouwen:</vet> Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten,
                    vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel
                    of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een
                    standplaats;</al><al><vet>Compartiment:</vet> Dit is een cluster van niet permanente standplaatsen
                    met een maximale oppervlakte van 1000 m2. Binnen een compartiment gelden geen
                    afstandcriteria ten aanzien van de overslag van brand. Tussen
                    brandcompartimenten geldt wel een afstandscriterium van 5 meter.</al><al><vet>CPR:</vet> Een uitgegeven richtlijn van de Commissie Preventie van Rampen
                    door Gevaarlijke Stoffen.</al><al><vet>Gasfles:</vet> Een voor meervoudig gebruik bestemde, cilindrische metalen
                    drukhouder die voorzien is van een aansluiting met klep- of naaldafsluiter en
                    een waterinhoud heeft van ten hoogste 150 liter.</al><al><vet>Gebouw:</vet> Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte
                    geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; </al><al><vet>Inrichting:</vet> Een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                    plaats.</al><tussenkop>(Brandbeveiligings-</tussenkop><tussenkop>verordening)</tussenkop><tussenkop>Inrichting: </tussenkop><al><vet>(Wet milieubeheer)</vet>Elke door de mens bedrijfsmatig of in een
                    omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een
                    zekere begrenzing pleegt te worden verricht.</al><al><vet>Kampeerterrein:</vet> Terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht,
                    en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het
                    plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief
                    nachtverblijf;</al><al><vet>Kampeermiddel:</vet> Tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig
                    ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan,
                    voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet
                    een bouwvergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of
                    voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden
                    of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;</al><al><vet>Kampeerovereenkomst:</vet> Overeenkomst tussen de houder van een
                    kampeerterrein en degene die een kampeermiddel plaatst of geplaatst houdt
                    betreffende het plaatsen of geplaatst houden daarvan;</al><al><vet>Kleinschalig</vet>Een kampeerterrein voor ten hoogste 10
                    kampeermiddelen.</al><al><vet>kampeerterrein:</vet>Gedurende een bepaalde periode mogen dit ten
                    hoogste 15 kampeermiddelen zijn.</al><al><vet>Kampeervak:</vet> Cluster van kampeermiddel(en), aan- en bijbouwsels en
                    voertuig(en) op een standplaats.</al><al><vet>NEN:</vet> Een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven
                    norm.</al><al><vet>Niet permanente </vet> Een standplaats waarop een kampeermiddel gedurende
                    een</al><al><vet>standplaats:</vet> bepaalde periode aanwezig mag zijn. De maximale periode
                    geldt vanaf 15 maart tot en met 31 oktober van elk kalenderjaar of een andere
                    periode, welke is vastgelegd in het gemeentelijk kampeerbeleid</al><al><vet>Permanente standplaats:</vet>Een standplaats waarop een kampeermiddel
                    gedurende het gehele jaar aanwezig mag zijn.</al><al><vet>Primaire bluswater-</vet> Mogelijkheid om middels een verbinding met de
                    bluswatervoorziening</al><al><vet>Voorziening:</vet> binnen drie minuten na aankomst, een tankautospuit
                    direct en onaf-</al><al> gebroken van bluswater te voorzien. (Dit is normaliter een onder druk staande
                    voorziening, zoals een ondergrondse brandkraan) en ligt in</al><al> beginsel op maximaal 40 meter van de brandweeringang van een object.</al><al><vet>Secundaire bluswater-</vet> Mogelijkheid om binnen 15 minuten na aankomst
                    met een lage druk</al><al><vet>Voorziening:</vet> watertransport water op de brandhaard te hebben welke
                    ligt op maximaal 2 x 160 meter = 320 meter van het object. (Dit is vaak open
                    water met transport via één haler en één brenger, het zogenaamd “aanjaagverband”
                    met 2 tankautospuiten, maar kan ook een bluswaterriool zijn (&lt; 5 meter
                    opstelplaats 2<sup>e</sup> TAS)</al><al><vet>Recreatief nachtverblijf:</vet> Het zich bevinden in een kampeermiddel
                    tussen 22.00 en 06.00 uur.</al><al><vet>Reglement:</vet> Het reglement waarin de voorwaarden met betrekking tot het
                    gebruik kampeerterrein en het verblijf daarop. </al><al><vet>Stacaravan:</vet> Een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede
                    gelet op de afmetingen en constructie, kennelijk niet bestemd is om regelmatig
                    en op normale wijze op de verkeerswegen en over grotere afstanden als aanhangsel
                    van een auto te worden voortbewogen.</al><al><vet>Standplaats:</vet> Het gedeelte van het kampeerterrein dat bestemd is voor
                    het plaatsen of geplaatst houden van een kampeermiddel.</al><al/><al/><tussenkop>T</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 1 </tussenkop><al>In artikel 8 wordt verwezen naar de Brandveiligheidsvoorschriften
                    kampeerterreinen waaraan kampeerterreinen moeten voldoen. Deze voorschriften
                    verschillen op bepaalde onderdelen per gemeente. De Brandweer Zeeland adviseert
                    om hier de voorschriften in te voegen die in uw gemeente zijn vastgesteld. </al><al/></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 2</tussenkop><al>In artikel 9 wordt verwezen naar de Brandveiligheidsvoorschriften
                    jachthaventerreinen. Deze voorschriften worden naar verwachting eind 2010
                    aangeboden aan de gemeenten. </al><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label></kop><al/><tussenkop>Toelichting </tussenkop><tussenkop>op de Brandbeveiligingsverordening Terneuzen 2010</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze amvb pas medio 2011 werking. Tot die tijd zal op de
                    grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn. </al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s, het niet
                    beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde amvb en het ontbreken van relevant
                    overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio’s zal de raad een nieuwe
                    brandbeveiligingsverordening moeten vaststellen.</al><al>De bestaande brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van rechtswege bij de
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.</al><al>De voorliggende modelregeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de amvb) terughoudend van aard. </al><al>De regeling is aangepast aan de Wet veiligheidsregio’s en de Dienstenrichtlijn.
                    Toegevoegd zijn regels voor de bestuurlijke boete.</al><tussenkop>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><tussenkop>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn:
                        '<cursief>niet-bouwwerken</cursief>'. Het kan gaan om bijvoorbeeld een los
                    met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende discotheek of een tijdelijke
                    tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen. </al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van doel,
                    n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele
                    omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. </al><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval
                    het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de Woningwet van
                    toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en
                    de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit is een constructie
                    die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en
                    afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is de Woningwet
                    het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is de
                    brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de brandveiligheid). Een
                    ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een
                    bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een
                    kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting</al><tussenkop>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeteen bevinden. De beperking die de
                    Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                    terrein.</al><tussenkop>Bouwwerk</tussenkop><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>-<cursief>bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige
                    omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                    bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                    functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><al>1) constructie, </al><al>2) van enige omvang, </al><al>3) met de grond verbonden, </al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. </al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een
                    uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de
                    modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv,
                    Den Haag).</al><tussenkop>Open erf en terrein</tussenkop><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in
                    de bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen
                    en gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening. </al><tussenkop>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit
                    omgevingsrecht (Bor) dat op 1 juli 2010 in werking is getreden. Die omschrijving
                    is afgeleid uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB
                    1998, 5). </tussenkop><tussenkop>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel
                    als erf kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan
                    of beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw
                    af gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal
                    in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</tussenkop><tussenkop>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is. </tussenkop><tussenkop>Gebruiksvergunning voor een inrichting</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is (met
                    uitzondering voor kleinere evenementen en evenementen waarvoor een
                    evenementenvergunning wordt verleend) niet gekozen voor een meldingsplicht
                    i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die situaties dan bij voorbaat
                    onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één begrip: inrichting. </al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij. </al><al>Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden. </al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde
                    brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden drijvende
                    hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de Woningwet).</al><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de modelbrandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De modelbrandbeveiligingsverordening 2010 is aangepast aan de
                    Dienstenrichtlijn.</al><tussenkop>Toezicht op de naleving </tussenkop><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met de
                    opsporing van strafbare feiten.</al><tussenkop>Bestuurlijke boete</tussenkop><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maartregel van
                    bestuur, deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete
                    mag niet hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet
                    artikel 34, vierde lid onder 1<cursief>°</cursief>. Het bedrag dat daar is
                    genoemd, bedraagt in 2009 € 9.000. </al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te houden.</al><al>Een alternatief artikel is aan het model van de verordening toegevoegd.</al><tussenkop>Strafbepaling </tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Het kan zijn dat het nodig is om vergunningen op grond van een eerdere
                    brandbeveiligingsverordening nog van kracht te laten zijn. </al><tussenkop>Intrekken regeling</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening vervalt op het moment van inwerkingtreding van
                    de Wet veiligheidsregio’s van rechtswege door ontbreken van de rechtsgrond: de
                    Brandweerwet 1985. De intrekking moet worden bekendgemaakt volgens de in artikel
                    144 Gemeentewet genoemde wijze.</al><tussenkop>Bekendmaking</tussenkop><al>De bekendmaking dient op een zodanig tijdstip plaats te vinden dat de
                    verordening op het moment van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s in
                    werking kan treden. Dit kan:</al><al>a.door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven
                    gemeenteblad;b. bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de
                    tijd van twaalf weken op de gemeentesecretarie of op een andere door het college
                    te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk
                    verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. Voor de wijze van elektronische
                    bekendmaking zie: http://www.vng.nl/eCache/DEF/88/626.html.</al><tussenkop>Intrekken vergunning</tussenkop><al>De model brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>