<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR433793_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cromstrijen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Cromstrijen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP 18 januari 2017</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads en commissieleden 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z05045/adv-benw-16-00157</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente<vet> Cromstrijen</vet>;</al><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        25 oktober 2016 en nummer Z.05045/ADV-B&amp;W-16-00157; gelet op
                        de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid en 97,
                        99 en 147 van de Gemeentewet, de artikelen 22, eerste lid, 23, eerste
                        lid, 27a, vijfde lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders, en de
                        artikelen 4, 7a, vierde lid, 13, tweede lid, 14, eerste lid, en 15, van
                        het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden;</al><al>gezien het advies van <vet>commissie Algemene bestuurlijke zaken</vet>; </al><al>besluit vast te stellen de <vet>v</vet><vet>ero</vet><vet>rdening
                        rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                    </vet><vet>Gemeente Cromstrijen 201</vet><vet>6</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen.</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>commissie: commissie ingesteld op grond van de artikelen 82, 83
                                    of 84 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>commissielid: lid van een commissie, bedoeld in artikel 1,
                                    onderdeel e, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="d."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994 , Stb. 244;</al></li><li nr="e."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2004, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="f."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="g."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="h."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raads- en commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor de werkzaamheden voor raadsleden bedoeld in
                                artikel 2, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden, is gelijk aan het voor de van toepassing zijnde
                                inwonersklasse vastgestelde bedrag in tabel I van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan beslissen dat 20% van de vergoeding, zoals bedoeld in
                                het eerste lid, wordt uitgekeerd op basis van het aantal bijgewoonde
                                raadsvergaderingen afgezet tegen het aantal gehouden
                                vergaderingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan commissieleden wordt een vergoeding voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van een commissie en haar subcommissies toegekend die
                                gelijk is aan het voor de van toepassing zijnde inwonersklasse
                                vastgestelde bedrag in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads-
                                en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid ontvangt geen vergoeding degene die
                                zitting heeft in een commissie uit hoofde van dan wel als
                                rechtstreeks uitvloeisel van een functie bij een instelling die
                                grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid bij
                                verordening een hogere vergoeding vaststellen overeenkomstig het
                                bepaalde in artikel 15 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan raadsleden worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte reis-
                                en verblijfkosten in verband met reizen buiten het grondgebied van
                                de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                                gemeentebestuur vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan commissieleden worden de reis- en verblijfkosten voor het
                                bijwonen van de vergaderingen van de commissie vergoed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding als bedoeld in het eerste en tweede lid is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor wat betreft de verblijfkosten gelijk aan het
                                        overeenkomstig in artikel 4, onderdeel c, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders bepaalde; </al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft de reiskostengelijk aan het
                                        overeenkomstig in artikel 4, onderdeel a en b, van de
                                        Regeling rechtspositie wethouders bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De reiskosten worden voor ten hoogste één vergadering per dag
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De reis- en verblijfkosten worden alleen vergoed als deze
                                gedeclareerd worden overeenkomstig de bepalingen in deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raads- of commissieleden die willen deelnemen aan
                                niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de
                                vervulling van de functie van raads- of commissielid, dienen daartoe
                                vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Kosten van scholing die wordt georganiseerd door de
                                beroepsvereniging van raadsleden of door de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten komt altijd voor vergoeding door de gemeente
                                in aanmerking als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het
                                eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanvragen die niet overeenkomstig de bepalingen in deze verordening
                                worden ingediend komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De griffier beslist op de aanvraag op basis van bewijsstukken,
                                overeenkomstig het tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In voorkomende gevallen beslist de vergadering van
                                fractievoorzitters van alle in de raad vertegenwoordigde politieke
                                groeperingen op basis van meerderheid van stemmen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>I-Pad en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan raads- of commissieleden wordt een I-pad in bruikleen ter
                                beschikking gesteld. Zij ondertekenen hiervoor een
                                bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding voor de aanleg- en abonnementskosten voor een
                                internetverbinding voor de I-pad bedoeld in dit artikel bedraagt ten
                                hoogste € 10 per maand, waarbij alleen in aanmerking komen de extra
                                abonnementskosten die gemaakt worden voor een goede vervulling van
                                het raads- of commissielidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergoeding als bedoeld in dit artikel wordt
                                gedaan bij de griffier en gaat vergezeld van de benodigde
                                bewijsstukken. De griffier beslist over de aanvraag op basis van
                                bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen
                                de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in
                                artikel 13a van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder
                                aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen,
                                genoemd in paragraaf 2 van deze verordening, voor zover deze worden
                                gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als
                                bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van
                                de Wet op de Loonbelasting 1964.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Zakelijke reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wethouders hebben aanspraak op een vergoeding van de reis- en
                                verblijfkosten voor reizen gemaakt voor de uitoefening van het ambt,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders binnen en buiten het grondgebied van
                                de gemeente, overeenkomstig artikel 4 van de Regeling rechtspositie
                                wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden alleen vergoed
                                als deze gedeclareerd worden overeenkomstig de bepalingen in deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de
                                gemeentesecretaris.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de uitoefening
                                van het ambt van de wethouder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college van burgemeesters en wethouders kan over de in het
                                tweede lid bedoelde scholing nadere regels stellen met betrekking
                                tot de maximale vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aanvragen die niet overeenkomstig de bepalingen in deze verordening
                                worden ingediend komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>I-pad en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan wethouders wordt een I-Pad in bruikleen ter beschikking gesteld.
                                Zij tekenen hiervoor een bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding voor de aanleg- en abonnementskosten voor een
                                internetverbinding voor de I-pad bedoeld in dit artikel bedraagt ten
                                hoogste € 10 per maand, waarbij alleen in aanmerking komen de extra
                                abonnementskosten die gemaakt worden voor een goede vervulling van
                                het wethouderschap.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergoeding als bedoeld in dit artikel wordt
                                gedaan bij de gemeentesecretaris en gaat vergezeld van de benodigde
                                bewijsstukken. De gemeentesecretaris beslist over de aanvraag op
                                basis van bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Communicatieapparatuur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De wethouders aan wie communicatieapparatuur in bruikleen ter
                                    beschikking wordt gesteld</al><al> tekenen hiervoor een bruikleenovereenkomst met de
                                    gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Een aanvraag als bedoeld in dit artikel wordt gedaan bij de
                                    gemeentesecretaris. De gemeentesecretaris beslist over de aanvraag, overeenkomstig het eerste
                            lid, op basis van bewijsstukken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verhuis-, reis-en pensionkosten en tegemoetkoming dubbele
                                woonlasten bij benoeming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                                beschikken hebben aanspraak op een vergoeding van reis- en
                                pensionkosten, dubbele woonlasten en verhuiskosten, bedoeld in
                                artikel 22, eerste lid, onderdeel a en b, van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders, overeenkomstig de artikelen 1 en 2
                                en 4a van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                                beschikken hebben aanspraak op een vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten, bedoeld in artikel 22, eerste lid,
                                        onderdeel a, van het Rechtspositiebesluit wethouders,
                                        overeenkomstig artikel 1 en 4a van de Regeling rechtspositie
                                        wethouders, en</al></li><li nr="b."><al>dubbele woonlasten en verhuiskosten, bedoeld in artikel 22,
                                        eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit
                                        wethouders, overeenkomstig artikel 2 en 4a van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen
                                de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen genoemd in
                                artikel 28a van het Rechtspositiebesluit wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder
                                aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen,
                                genoemd in paragraaf 3 van deze verordening, voor zover deze worden
                                gerekend tot een vergoeding of verstrekking als bedoeld in artikel
                                31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de
                                Loonbelasting 1964.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Betaling vaste vergoedingen</titel></kop><al>De betaling van de vergoeding voor werkzaamheden, de bezoldiging voor de
                            wethouders op grond van het Rechtspositiebesluit wethouders, de
                            onkostenvergoedingen en declaraties geschiedt maandelijks of in
                            maandelijkse termijnen als er sprake is van een vergoeding op jaarbasis,
                            tenzij het Rechtspositiebesluit wethouders, het Rechtspositiebesluit
                            raads- en commissieleden of de Regeling rechtspositie wethouders anders
                            bepalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Betaling en declaratie van onkosten.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betaling van kosten die op grond van deze verordening voor
                                vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen vindt plaats
                                door:</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een
                                        rechtstreekse aan de gemeente toegezonden factuur, of</al></li><li nr="b."><al>betaling vooruit uit eigen middelen, of</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit
                                artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en
                                bewijsstukken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen 2 maanden
                                na factuurdatum of betaling door:</al><lijst><li nr="a."><al>raads- en commissieleden ingediend bij de griffier, of een
                                        daartoe aangewezen ambtenaar.</al></li><li nr="b."><al>wethouders ingediend bij de gemeentesecretaris, of een
                                        daartoe aangewezen ambtenaar.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De <vet>v</vet><vet>erordening rechtspositie wethouders, raads- en
                                commissieleden</vet><vet> 201</vet><vet>5</vet> wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op de dag na de op de voorgeschreven
                            wijze van publicatie. Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet
                            naar redelijkheid voorziet, beslist het college in de geest van deze
                            afdeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>Verordening rechtspositie
                                wethouders, raads- en commissieleden </vet><vet>Cromstrijen
                                201</vet><vet>6</vet>.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente
                        Cromstrijen, 20 december 2016,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Wettelijke regelingen</tussenkop><al>In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld
                    betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de
                    Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van
                    wethouders, raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet
                    worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze
                    nader regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit wethouders en het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. In de Regeling rechtspositie
                    wethouders zijn de (onkosten)vergoedingen voor wethouders nog nader uitgewerkt. </al><al>De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden en wethouders die
                    bij of krachtens de wet (lees Gemeentewet, Rechtspositiebesluit of Regeling)
                    dwingendrechtelijk geregeld zijn, zijn niet opgenomen in deze verordening. Dit
                    betreft de vergoedingen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>de raadsvergoeding voor raadsleden, de commissievergoeding voor
                            commissieleden en de bezoldiging van wethouders</al></li><li nr="2."><al>de vaste maandelijkse netto onkostenvergoedingen voor raadsleden en
                            wethouders;</al></li><li nr="3."><al>de toelage voor fractievoorzitters, leden van de vertrouwenscommissie
                            als bedoeld in artikel 61 Gemeentewet, leden van de rekenkamerfunctie
                            bedoeld in artikel 81oa Gemeentewet, dan wel van onderzoekscommissie
                            zoals bedoeld in artikel 115a, derde lid Gemeentewet;</al></li><li nr="4."><al>de toelage van het fractievoorzitterschap;</al></li><li nr="5."><al>de compensatiemaatregelen voor raads- en commissieleden als zij een WW,
                            BWOO of arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA / WAO) hebben;</al></li><li nr="6."><al>de gevolgen bij overgang naar een lagere klasse in verband met
                            vermindering van aantal inwoners;</al></li><li nr="7."><al>de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval;</al></li><li nr="8."><al>de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de
                            gemeenteraad;</al></li><li nr="9."><al>de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                            of ziekte;</al></li><li nr="10."><al>de tegemoetkoming in de ziektekosten;</al></li><li nr="11."><al>de voorzieningen voor raads- en commissieleden en wethouders met een
                            fysieke beperking;</al></li><li nr="12."><al>de bezoldiging van de wethouders;</al></li><li nr="13."><al>de fiscale gevolgen inkomstenbelasting voortvloeiend uit het gebruik van
                            de dienstauto;</al></li><li nr="14."><al>de voorzieningen in verband met bewaken en beveiligen;</al></li><li nr="15."><al>de contributie voor beroepsverenigingen.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</tussenkop><al>In de verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet
                    dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is
                    te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten. </al><al>Bij de laatste harmoniseringsoperatie, zie de circulaire van het Ministerie van
                    BZK d.d. 27 juni 2014, betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale
                    politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in
                    hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het
                    bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen,
                    tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale
                    politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te
                    leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten
                    minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te
                    wijken. </al><al>Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke
                    ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 44
                    Gemeentewet is bepaald dat buiten hetgeen bij of krachtens de wet is toegekend
                    wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de
                    gemeente mogen ontvangen. Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor
                    zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de
                    Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling rechtspositie
                    wethouders en deze verordening. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op een
                    ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers.</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 Gemeentewet is voor raads- en
                    commissieleden opgenomen in artikel 99 Gemeentewet. In artikel 99 Gemeentewet is
                    bepaald dat bij of krachtens de wet is toegekend, ontvangen de leden van de
                    raad, van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie
                    als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de
                    gemeente. Het tweede lid van dat artikel voegt daaraan toe dat bij of krachtens
                    de wet dan wel bij verordening van de raad aan raads- en commissieleden
                    voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen
                    worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten
                    vereist. </al><tussenkop>De arbeidsverhoudingen</tussenkop><al>Raadsleden en commissieleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De
                    gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover
                    het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen
                    zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar
                    Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen
                    raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden
                    hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en
                    commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door te kiezen voor
                    het fictief werknemerschap. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                    (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden.</al><al>Wethouders zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare
                    dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen
                    over het materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing
                    op wethouders. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van de
                    fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting 1964 vallen. Toch vallen wethouders niet
                    onder de werking van werknemersverzekeringen, zoals de Werkloosheidswet (WW),
                    Ziektewet (ZW) en Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). In plaats
                    daarvan voorziet de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). De
                    werkloosheidsuitkering na aftreden, invaliditeitsuitkering, pensioenopbouw en
                    het (aanvullende) ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor wethouders
                    geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). </al><tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting</tussenkop><tussenkop>Opting-in-regeling</tussenkop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de
                    ‘opting-in-regeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                    ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een
                    gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                    Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt
                    gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de gemeente de ingehouden
                    loonheffing van de raadsvergoeding af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid
                    geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege
                    het raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden
                    worden over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden.
                    Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. De
                    Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de toepassing van de
                    opting-in-regeling. </al><tussenkop>Fiscale standaardpositie</tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het raads- of
                    commissielid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                    werkzaamheid geniet (standaardregeling). In dat geval is het (gedeeltelijke)
                    winstregime van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden
                    als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die
                    gekozen hebben voor de standaardregeling dienen de netto-onkostenvergoeding wel
                    te verantwoorden in de inkomstenbelasting, tenzij zij aan de hand van
                    bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten
                    voortvloeiend uit het raadslidmaatschap. Raadsleden die gekozen hebben voor de
                    standaardregeling kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). Het bruteren van vergoedingen is niet langer van toepassing op
                    raads- en commissieleden die hebben gekozen voor de standaardregeling. Voor
                    raadsleden die hebben gekozen voor de standaardregeling is de werkkostenregeling
                    immers niet van toepassing. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                    verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden
                    middels een opgave IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel
                    worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft
                    dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de
                    gemeente. </al><tussenkop>Eenmalige keuze per zittingsperiode</tussenkop><al>De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het raadslid
                    financieel ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting
                    te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel
                    voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant
                    terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de
                    loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren, maar
                    kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode.</al><tussenkop>De vergoedingensystematiek</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt hoeven bestuurders niet het eigen
                    inkomen aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze functionele
                    uitgaven uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente deze uitgaven
                    vervolgens terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zo veel
                    mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur
                    de functionele uitgaven direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                    mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven
                    bestaan. De mogelijkheden voor declaratie worden nader geregeld in de
                    verordening.</al><tussenkop>Controle en verantwoording</tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen – transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven. In hoofdstuk IV van deze
                    verordening is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruitbetaalde kosten. Daarnaast moeten in de bruikleenovereenkomsten
                    heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van computer-, rand- en
                    communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening van de
                    politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode ontwikkeld waarin
                    nadere gedragsregels zijn vastgelegd. </al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel van deze verordening wordt verwezen naar een aantal
                    begripsbepalingen uit de Rechtspositiebesluiten<vet>. </vet>Speciale aandacht
                    verdient een lid van de commissie, die niet tevens lid is van de gemeenteraad of
                    een ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd
                    overeenkomstig artikel 1 onder e Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.
                    Wat betreft de genoemde ambtenaren in deze bepaling lijkt de wetgever te doelen
                    op de situatie dat ambtenaren van de griffie of gemeente raadscommissies
                    organiseren, bijwonen en/of ondersteunen. Zij maken geen aanspraak op een
                    vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen. Deze werkzaamheden
                    maken voor hen immers deel uit van hun ‘gewone’ werkzaamheden uit hoofde van hun
                    aanstelling op grond van de Ambtenarenwet, waarvoor zij reeds loon
                    ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden</tussenkop><al>De hoogte van de raadsvergoeding is imperatief bepaald op een vast bedrag per
                    inwonersklasse overeenkomstig het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    (zie tabel I van het Rechtspositiebesluit Raads- en commissieleden). Een deel
                    van de raadsvergoeding kan worden uitbetaald als presentiegeld op grond van
                    artikel 4 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Het gaat om
                    maximaal 20% van de raadsvergoeding. Indien de raad besluit dat een
                    (procentueel) deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld,
                    mag geen onderscheid worden gemaakt tussen raadsleden. Een presentievergoeding
                    geldt dan voor alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan
                    de hand van het indexcijfer Cao lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen
                    nadere besluitvorming nodig.</al><al>Raadsleden die een WAO of WIA-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun
                    raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een lagere
                    arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze mogelijkheid is opgenomen in
                    artikel 12, derde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.
                    Raadsleden die een WW- of een BWOO uitkering ontvangen en als gevolg van het
                    ontvangen van een raadsvergoeding worden gekort op hun WW- of BWOO uitkering
                    kunnen voor het bedrag van de korting door de gemeente worden gecompenseerd. Dit
                    is geregeld in artikel 12, eerste en tweede lid van het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden.</al><tussenkop>Artikel 3 Vergoeding voor het bijwonen van
                    commissievergaderingen</tussenkop><al>De hoogte van het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies die zijn
                    ingesteld op basis van artikel 82 t/m 84 Gemeentewet zijn imperatief bepaald op
                    een vast bedrag per inwonersklasse (zie tabel IV van het Rechtspositiebesluit
                    Raads- en commissieleden). In bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere
                    deskundigheid en zwaarte van de commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag
                    aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde bedrag. Deze
                    mogelijkheid is geregeld in het vierde lid. Er kan gekozen worden voor een
                    procentuele verhoging, maar het is ook mogelijk om het bedrag uit een hogere
                    inwonersklasse te kiezen. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden
                    wordt geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                    indexcijfer Cao lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig.</al><al>Raadsleden die een WAO of WIA-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun
                    commissievergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                    lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze mogelijkheid is
                    opgenomen in artikel 14, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Raadsleden die een WW- of een BWOO uitkering ontvangen en als
                    gevolg van het ontvangen van een raadsvergoeding worden gekort op hun WW- of
                    BWOO uitkering kunnen voor het bedrag van de korting door de gemeente worden
                    gecompenseerd. Dit is geregeld in artikel 14, eerste lid van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al><tussenkop>Artikel 4 Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</tussenkop><al>Artikel 96, eerste lid van de Gemeentewet voorziet alleen voor commissieleden,
                    voor zover ze geen raadslid zijn in een vergoeding van reis- en verblijfkosten
                    voor reizen <cursief>binnen</cursief> het grondgebied van de gemeente. Artikel
                    96 van de Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’
                    voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente</al><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel in een
                    vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen <cursief>buiten</cursief>
                    het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                    gemeentebestuur. Onder reizen “buiten de gemeentegrenzen” kunnen ook de
                    buitenlandse dienstreizen worden geschaard. De naar redelijkheid gemaakte reis-
                    en verblijfkosten voor dienstreizen in het buitenland, die door of vanwege de
                    gemeente zijn georganiseerd komen ook voor vergoeding in aanmerking.</al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is
                    niet nader ingevuld en is een lokale aangelegenheid per gemeente. Omdat in het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden verder geen eigen
                    vergoedingsregeling is opgenomen, kan aansluiting worden gezocht bij de
                    vergoedingsregelingen voor wethouders. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 5 Scholing</tussenkop><al>Op grond van artikel 13 lid 1 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden komt niet partij-politiek georiënteerde scholing in verband met
                    de vervulling van de functie van raads- of commissielidmaatschap ten laste van
                    de gemeente. Scholing door partijpolitieke instellingen of groeperingen kunnen
                    overigens <onderstreept>niet</onderstreept> ten laste van de gemeente worden
                    gebracht. In dit artikel is de procedure verder uitgewerkt.</al><al>Gezien de aard en duur van het ambt kunnen raads- en commissieleden opleidingen
                    die gericht zijn op het persoonlijk functioneren in het ambt of gericht zijn op
                    de (verdere) loopbaan ten laste van de gemeente worden gebracht. Scholing kan op
                    meerdere wijze plaatsvinden. De scholing is functiegericht als zij beoogt de
                    voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel
                    te houden. Bij loopbaangerichte opleidingen staan reflecteren op persoonlijke
                    kwaliteiten en motieven voorop. Onder deze scholingskosten worden verstaan de
                    cursus- en lesgelden, de kosten van het studiemateriaal, examen- en
                    diplomakosten en de aanschafkosten van verplicht gesteld studiemateriaal,
                    alsmede reis- en verblijfkosten in het kader van de opleiding.</al><al>Artikel 13 lid 1 Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt de
                    mogelijkheid aan de raad om lokaal nadere regels voor scholing te stellen. De
                    raad kan bij verordening nadere regels stellen voor scholingskosten en/of een
                    maximumvergoeding per scholingsaanvraag/per persoon. De griffier beoordeelt de
                    aanvraag op basis van de aangeleverde bewijsstukken. Hieronder kunnen o.a.
                    kostenspecificaties en facturen onder worden verstaan. In voorkomende gevallen
                    van disputen of tegenstrijdigheden beslissen de fractievoorzitters bij
                    meerderheid van stemmen. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 6 en 10 I-pad en internetverbinding</tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en het Rechtspositiebesluit
                    wethouders is geregeld dat het raads- of commissielid, respectievelijk de
                    wethouder van de gemeente een computer (lees: I-pad) in bruikleen krijgt
                    verstrekt of een tegemoetkoming ontvangt voor de aanschaf of het gebruik van
                    zijn eigen computer en bijbehorende randapparatuur. De tegemoetkoming is daarom
                    niet in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet. Deze aanspraken kunnen echter
                    alleen worden verstrekt wanneer dat is vastgelegd in een verordening.</al><al>De verordening gaat ervan uit dat een computer (lees: I-pad) (en randapparatuur)
                    in bruikleen wordt verstrekt. In lid 1 is derhalve als eerste optie opgenomen
                    dat de verstrekking van een computer (lees: I-pad) (en randapparatuur) in
                    bruikleen zal plaatsvinden. De leden 2 en 3 zijn opgenomen indien door de
                    gemeente wordt gekozen voor een tegemoetkoming voor de aanschaf of gebruik van
                    een computer. Een computer is een laptop, tablet, I-pad of minicomputer. Een
                    smartphone kwalificeert niet als computer en verstrekking of vergoeding van
                    meerdere computers (laptop, tablet, I-pad of minicomputers) is niet toegestaan.
                    Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is bestemd om aan de computer te
                    worden gekoppeld om informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een
                    printer, scanner of een docking station. De randapparatuur moet voor het werk
                    noodzakelijk zijn. Er wordt geadviseerd om in de bruikleenovereenkomst te
                    bepalen dat de bruikleen van de computer en randapparatuur eindigt bij (eerdere)
                    beëindiging van het wethouderschap of het raads- of commissielidmaatschap. </al><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen tot een lokaal
                    vast te stellen bedrag per maand ten laste van de gemeente. Hierbij is ervoor
                    gekozen om het richtbedrag van €10,- per maand los te laten. De raad dient wel
                    hiervoor een voor ieder gelijk maximaal vergoedingsbedrag vast te stellen.</al><al>De griffier beoordeelt de aanvraag op basis van de aangeleverde bewijsstukken.
                    Hieronder kunnen o.a. kostenspecificaties en facturen worden verstaan. Voor
                    raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 7 en 13 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</tussenkop><al>In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31a Wet
                    Loonbelasting 1964 zijn een aantal netto-vergoedingen en verstrekkingen in de
                    rechtspositiebesluiten en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel.
                    De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting. Anders worden deze door de
                    Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers
                    loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in
                    de financiële administratie worden aangegeven of verstrekkingen of vergoedingen
                    onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil
                    waarderingen vallen. Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in
                    de vrije ruimte- tot 1,2% fiscale loonsom- onderbrengen zonder fiscale
                    consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeenten 80%
                    eindheffing moeten betalen. </al><tussenkop>Artikel 8 Zakelijke reis- en verblijfkosten</tussenkop><al>Voor wat betreft de zakelijke reis- en verblijfkosten bestaat aanspraak op een
                    vergoeding overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens artikel 22 eerste lid
                    sub b Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 4 Regeling rechtspositie
                    wethouders. Voor wat betreft gebruik van een eigen personenauto voor
                    dienstreizen ontvangen wethouders een bedrag van € 0,28 per kilometer (zie
                    artikel 4, onderdeel b, en artikel 5a, onder 1, van de Regeling rechtspositie
                    wethouders). </al><al>Voor wat betreft dienstreizen gemaakt met het openbaar vervoer (OV) bestaat
                    aanspraak op volledige vergoeding. Op grond van artikel 1, vierde lid, van de
                    Regeling rechtspositie wethouders wordt onder openbaar vervoer (OV) verstaan de
                    kosten van voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling
                    met een auto, bus, trein, metro, tram of via een geleidesysteem voortbewogen
                    voertuig dan wel met een veerpont of een veerboot. Gemaakte tol- en
                    parkeerkosten worden niet genoemd in de regeling en mogen daarom op grond van
                    artikel 44 lid 3 Gemeentewet niet vergoed worden. Verblijfkosten zijn zakelijk
                    gebruikte maaltijden en kosten voor overnachting.</al><al>De voor wethouders geregelde vergoeding van reis- en verblijfkosten voor
                    dienstreizen zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voor zover de
                    kilometervergoedingen voor reis en verblijfkosten fiscaal bovenmatig zijn,
                    bestaat de mogelijkheid om het meerdere ten laste van de vrije ruimte te
                    brengen.</al><tussenkop>Artikel 11 Communicatieapparatuur </tussenkop><al>Als communicatieapparatuur zal in veel gevallen een mobiele telefoon verstrekt
                    worden. Nadere voorwaarden betreffende de bruikleen worden in de
                    bruikleenovereenkomst tussen de gemeente en de wethouder vastgelegd. Het model
                    van die overeenkomst wordt door het college vastgesteld. Hierin kunnen afspraken
                    gemaakt worden over het privé gebruik en het verhalen van de kosten daarvan op
                    de wethouder.Hierbij ligt het voor de hand om in de bruikleenovereenkomst
                    ook te bepalen dat bij beëindiging van het wethouderschap ook het gebruik van de
                    communicatieapparatuur eindigt. Voor het gebruik van de privé mobiele telefoon
                    waarmee de zakelijke belkosten in het abonnement gedeclareerd kunnen worden, is
                        <onderstreept>geen</onderstreept> grondslag opgenomen in het
                    Rechtspositiebesluit wethouders.</al><tussenkop>Artikel 12 Verhuis-, dubbele woonlasten, reis- en pensionkosten bij
                    benoeming</tussenkop><al>Voor wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de ambtsgemeente
                    beschikken kunnen een vergoeding van reis- en pensionkosten, een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel een tegemoetkoming dubbele woonlasten
                    ontvangen overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens artikel 22 eerste lid
                    sub b Rechtspositiebesluit wethouders en de artikelen 1, 2 en 4a van de Regeling
                    Rechtspositie wethouders. Voor wat betreft de pensionkostenvergoeding bestaat
                    aanspraak op een maximale vergoeding van 18% van de maandelijkse bezoldiging tot
                    maximaal drie jaar na benoemingsdatum. Voor wat betreft de reiskosten van het
                    pension naar het werk gaat het om een volledige vergoeding van het openbaar
                    vervoer (OV) of een netto bedrag van € 0,15 per kilometer, indien gebruik wordt
                    gemaakt van de eigen personenauto. Bovendien mag de wethouder eenmaal per week
                    een (gezins)bezoek aan de oude woning ten laste van de gemeente brengen. </al><al>Op grond van artikel 1, vierde lid, van de Regeling rechtspositie wethouders
                    wordt onder openbaar vervoer (OV) verstaan de kosten van voor een ieder
                    openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein,
                    metro, tram of via een geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel met een
                    veerpont of een veerboot.</al><al>Voor wat betreft de verhuiskostenvergoeding bestaat binnen drie jaar na
                    benoeming aanspraak op een volledige vergoeding van de kosten voor het transport
                    van de bagage en de inboedel. Andere direct uit de verhuizing voortvloeiende
                    kosten, waaronder begrepen de kosten van inrichting van de woning en tijdelijke
                    opslag worden vergoed tot een maximum van € 5.818,46. De vergoedingen zijn tot
                    maximaal € 7.750 onbelast, omdat zij in het deze verordening
                    Rechtspositiebesluit zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel in de
                    werkkostenregeling. Voor wat betreft een tegemoetkoming dubbele woonlasten
                    bestaat aanspraak op een tegemoetkoming met een maximale vergoeding van 18% van
                    de maandelijkse bezoldiging tot maximaal drie jaar na benoemingsdatum.</al><al>De voor wethouders geregelde kilometervergoeding van reiskosten voor verblijf
                    naar werk zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voor zover de
                    kilometervergoedingen voor reis en verblijfkosten fiscaal bovenmatig zijn (meer
                    dan € 0,19/km), bestaat de mogelijkheid om het meerdere ten laste van de vrije
                    ruimte te brengen.</al><tussenkop>Artikel 15 Betaling en declaratie van onkosten</tussenkop><al>De betaling van kosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen en later
                    gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd,
                    waarna de betaling rechtstreeks uit gemeentelijke middelen geschiedt. Hierbij
                    gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient
                    aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads- en
                    commissieleden en wethouders gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Wethouders
                    declareren hun kosten bij de gemeentesecretaris. Raads- en commissieleden
                    declareren hun kosten bij de griffier.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>