<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR43354_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening houdende regels omtrent de Maatschappelijke Ondersteuning</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad voor Ouder-Amstel 2/12/2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2010.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-02-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009/05</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Nadere regels voor het verstrekken van individuele voorzieningen in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2010</al><al>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2010</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening houdende regels omtrent de Maatschappelijke Ondersteuning</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel,</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 september
                        2009, nummer 2009/50,</al><al><vet>s t e l t v a s t:</vet></al><al>de verordening, houdende regels omtrent de Maatschappelijke
                        Ondersteuning.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning; </al></li><li nr="b."><al>Compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het
                                    gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond
                                    van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een
                                    gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij
                                    zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie;
                                </al></li><li nr="c."><al>Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                    uitvoeren van activiteiten; </al></li><li nr="d."><al>Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte
                                    of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale
                                    problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren
                                    van activiteiten op het gebied van het voeren van het
                                    huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden; </al></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld
                                    in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet; </al></li><li nr="f."><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en
                                    financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan
                                    het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken; </al></li><li nr="g."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten: het voeren van een
                                    huishouden, het normale gebruik van de woning, het zich in en om
                                    de woning verplaatsen, het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;
                                </al></li><li nr="h."><al>Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op
                                    basis van directe beschikbaarheid, een beperkte
                                    toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate
                                    oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt;
                                </al></li><li nr="i."><al>Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt
                                    aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate
                                    oplossing biedt of niet aanwezig is; </al></li><li nr="j."><al>Eigen bijdrage: een door het college vast te stellen bijdrage,
                                    die bij respectievelijk de verstrekking van een voorziening in
                                    natura of een persoonsgebonden budget betaald moet worden en
                                    waarop de regels van het Financieel besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning Ouder-Amstel van toepassing zijn; </al></li><li nr="k."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                    bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt; </al></li><li nr="l."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag, zoals bedoeld in
                                    artikel 6 en 6 a van de wet, waarmee de aanvrager een of meer
                                    aan hem of haar te verlenen voorzieningen kan verwerven en
                                    waarop de in deze verordening en het Financieel besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel te stellen regels
                                    van toepassing zijn; </al></li><li nr="m."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager; </al></li><li nr="n."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot
                                    het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon
                                    als de aanvrager behorend; </al></li><li nr="o."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                    voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor
                                    die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van
                                    een dergelijke voorziening; </al></li><li nr="p."><al>Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                    gemeenschappelijk een woning bewoont; </al></li><li nr="q."><al>Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                    persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                                    verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                                    verschuldigd is; </al></li><li nr="r."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    Ouder-Amstel; </al></li><li nr="s."><al>Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een
                                    standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
                                    verplaatst; </al></li><li nr="t."><al>Standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een
                                    woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het
                                    leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of
                                    van gemeenten kunnen worden aangesloten; </al></li><li nr="u."><al>Woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt
                                    gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting
                                    uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot dag- of nachtverblijf
                                    van een of meer personen; </al></li><li nr="v."><al>Ligplaats: een door de gemeente aangewezen ligplaats welke door
                                    een woonschip wordt ingenomen; </al></li><li nr="w."><al>Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                    permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste
                                    woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke
                                    basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan
                                    ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres indien de persoon
                                    met beperkingen met een briefadres is ingeschreven; </al></li><li nr="x."><al>Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet
                                    behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk
                                    om de woning van de persoon met beperkingen vanaf de toegang tot
                                    de woning te bereiken en ruimten die onder het woongebouw vallen
                                    en/of waarvan de persoon met beperkingen gebruik moet kunnen
                                    maken; </al></li><li nr="y."><al>Leefeenheid: een eenheid die duurzaam een gezamenlijke
                                    huishouden voert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toekenning en weigering van voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een voorziening kan worden toegekend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                            gebied van het voeren van het huishouden, het
                                            verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal
                                            verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van
                                            medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan
                                            op te heffen of te verminderen; </al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de
                                            goedkoopst-adequate voorziening kan worden aangemerkt;
                                        </al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht;
                                        </al></li><li nr="d."><al>in afwijking van het onder a. bepaalde kan bij hulp bij
                                            het huishouden een voorziening ook worden toegekend
                                            indien er sprake is van noodzakelijkheid van korte
                                            duur.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een voorziening wordt niet toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                            algemeen gebruikelijk is; </al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                            Ouder-Amstel; </al></li><li nr="c."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking
                                            hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau
                                            voor sociale woningbouw; </al></li><li nr="d."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                            aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken
                                            heeft gemaakt; </al></li><li nr="e."><al>indien de voorziening waarop de aanvraag betrekking
                                            heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de
                                            aan deze verordening voorafgaande Verordening
                                            voorzieningen gehandicapten Ouder-Amstel 2003 en de
                                            verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                            Ouder-Amstel 2006 is verstrekt en de normale
                                            afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                            verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte
                                            voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                            omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                            rekenen; </al></li><li nr="f."><al>indien op grond van enige andere wettelijke regeling
                                            aanspraak op de voorziening bestaat; </al></li><li nr="g."><al>indien de noodzaak tot het treffen van een
                                            woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing
                                            waartoe, op grond van belemmeringen bij het normale
                                            gebruik van de woning, ten gevolge van ziekte of gebrek,
                                            geen aanleiding bestond en er geen andere zwaarwegende
                                            reden aanwezig was; </al></li><li nr="h."><al>indien de aanvrager is verhuisd naar de, gelet op zijn
                                            of haar beperkingen, niet meest geschikte beschikbare
                                            woning, tenzij het college op basis van de wet
                                            schriftelijk heeft ingestemd met de verhuizing; </al></li><li nr="i."><al>indien deze betrekking heeft op voorzieningen in
                                            gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen, tenzij
                                            zonder deze woningaanpassing de woonruimte voor de
                                            persoon met beperkingen ontoegankelijk blijft. In dat
                                            geval kunnen de volgende voorzieningen worden toegekend: </al><lijst><li nr="1."><al>het verbreden van toegangsdeuren; </al></li><li nr="2."><al>het aanbrengen van elektrische deuropeners;
                                                </al></li><li nr="3."><al>aanleg van een hellingbaan van de openbare weg
                                                  naar de toegang van het gebouw (mits de woningen
                                                  in het woongebouw te bereiken zijn met een
                                                  rolstoel); </al></li><li nr="4."><al>drempelhulpen of vlonders; </al></li><li nr="5."><al>het aanbrengen van een extra trapleuning bij een
                                                  portiekwoning; </al></li><li nr="6."><al>een opstelplaats voor een rolstoel bij de
                                                  toegangsdeur van het woongebouw.</al></li></lijst></li><li nr="j."><al>indien de aanvraag betrekking heeft op vervoer waarvoor
                                            op grond van een ander wettelijk domein recht op
                                            bestaat; </al></li><li nr="k."><al>indien de problematiek waarvoor de voorziening wordt
                                            gevraagd kan worden opgelost door gebruikmaking van
                                            beschikbare mantelzorg; </al></li><li nr="l."><al>indien de gevraagde voorziening niet als "adequaat" kan
                                            worden aangemerkt voor het opheffen van de ergonomische
                                            beperkingen; </al></li><li nr="m."><al>indien de aanvrager weigert de voor eigen rekening
                                            komende kosten te voldoen. </al></li><li nr="n."><al>indien de woonvoorziening aangevraagd wordt op een
                                            moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of
                                            woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening
                                            noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een
                                            onverwacht optredende noodzaak.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Frequentie van woningaanpassingen:</al><lijst><li nr="a."><al>Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de
                                            kosten van een woonvoorziening als bedoeld in artikel 15
                                            onder b. en c. van deze verordening maximaal éénmaal in
                                            de 7 jaar indien de noodzaak van het treffen van deze
                                            woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waar op
                                            grond van ergonomische beperkingen geen aanleiding voor
                                            bestond; </al></li><li nr="b."><al>Het gestelde onder a. is niet van toepassing indien de
                                            verhuizing plaatsvindt als gevolg van het aanvaarden van
                                            een werkkring in een andere gemeente.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, een hiermee
                            vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget of als een
                            financiële tegemoetkoming. Het college stelt vast in welke situaties de
                            bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en hiermee
                            vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget niet wordt geboden
                            aan de hand van de in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning
                            Ouder-Amstel neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is een
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming zijn de voorwaarden
                            uit het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel
                            van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikelen 6 lid
                                    1 en 6 a van de wet, zijn de volgende voorwaarden van
                                    toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien
                                    van individu ele voorzieningen; </al></li><li nr="c."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is gelijk aan de
                                    tegenwaarde van de in de betreffende situatie
                                    goedkoopst-adequate te verstrekken voorziening in natura; </al></li><li nr="d."><al>het persoonsgebonden budget wordt, indien noodzakelijk,
                                    aangevuld met een vergoeding voor aanvullende kosten, zoals
                                    vastgelegd in de Financieel besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning Ouder-Amstel; </al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld is
                                    vastgelegd in het Financieel besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning Ouder-Amstel; </al></li><li nr="f."><al>op het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden is
                                    het zorgcontract persoonsgebonden budget Ouder-Amstel van
                                    toepassing.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De toekenning, de omvang en de looptijd van het te verstrekken
                                    persoonsgebonden budget worden in de beschikking opgenomen.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt
                                    waarin is aangegeven aan welke vereisten de voorziening moet
                                    voldoen waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt.
                                    Tevens wordt in de beschikking aangegeven welke bewijsstukken de
                                    aanvrager na aanschaf van de voorziening dient te
                                    overleggen.</al></li><li nr="4."><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden
                                    budget ter beschikking gesteld door storting op de rekening van
                                    de aanvrager.</al></li><li nr="5."><al>Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden
                                    budget verstrekt is, dan wel na afloop van de periode waarop het
                                    persoonsgebonden budget van toepassing is, wordt aan het college
                                    door de budgethouder verantwoording afgelegd volgens de
                                    voorschriften zoals in het Financieel besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning Ouder-Amstel zijn opgenomen.</al></li><li nr="6."><al>Na ontvangst van de in het Financieel besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning Ouder-Amstel genoemde bescheiden wordt door het
                                    college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                    budget geheel of ten dele terug te vorderen of te
                                    verrekenen.</al></li><li nr="7."><al>Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats
                                    indien op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek
                                    duidelijk zijn geworden, het ernstig vermoeden bestaat dat de
                                    aanvrager niet aan de voorwaarden kan voldoen die gelden voor
                                    het omgaan met een persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Eigen bijdragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De persoon met beperkingen van 18 jaar of ouder die in aanmerking
                                wordt gebracht voor een individuele voorziening in natura of in de
                                vorm van een persoonsgebonden budget is een eigen bijdrage
                                verschuldigd, tenzij anders in deze verordening wordt bepaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De omvang en duur van het opleggen van de eigen bijdrage wordt
                                berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 en 5 van het
                                Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bedrag dat in totaal aan eigen bijdrage wordt gevraagd is nooit
                                hoger dan de kostprijs van de voorziening. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                wordt verleend wordt de eigen bijdrage opgelegd nadat het
                                persoonsgebonden budget is verleend. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Geen eigen bijdrage is verschuldigd: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een (sport) rolstoelvoorziening zoals bedoeld in
                                        artikel 37 van deze verordening; </al></li><li nr="b."><al>voor een collectieve vervoersvoorziening zoals bedoeld in
                                        artikel 32 onder a. van deze verordening; </al></li><li nr="c."><al>voor een vergoeding in de kosten van onderhoud en reparatie,
                                        voor zover niet inbegrepen in het persoonsgebonden budget;
                                    </al></li><li nr="d."><al>voor vergoeding voor tijdelijke huisvesting en huurderving;
                                    </al></li><li nr="e."><al>voor verhuis- en inrichtingskosten. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit: </al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden; </al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura; </al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel/></kop><al>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8
                                            onder a. van deze verordening vermelde voorziening in
                                            aanmerking komen indien het voor deze persoon niet
                                            mogelijk is om zelf één of meer huishoudelijke taken uit
                                            te voeren en de algemene hulp bij het huishouden dit
                                            snel en adequaat kan oplossen.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g., onderdeel 5 en 6 van de wet voor de in artikel 8
                                            onder b. en c. van deze verordening vermelde
                                            voorzieningen in aanmerking komen als de in artikel 8
                                            onder a. van deze verordening genoemde voorziening een
                                            onvoldoende tot een oplossing leidt of niet beschikbaar
                                            is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel/></kop><al>Gebruikelijke zorg</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 9 van deze verordening
                                    komt een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet niet in aanmerking voor hulp bij het
                                    huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van
                                    uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn
                                    het huishoudelijk werk te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden wordt
                                    uitgedrukt in uren, afgerond naar decimalen, per week. Aan het
                                    aantal geïndiceerde uren wordt een klasse gekoppeld. </al><al>Klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al>Klasse 2: 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al>Klasse 3: 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al>Klasse 4: 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al>Klasse 5: 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al>Klasse 6: 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>De bedragen die in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                    worden verstrekt zijn gelijk aan 100% van de tarieven zoals die
                                    gehanteerd wordt door de goedkoopste gecontracteerde aanbieder.
                                    Bij de berekening van het persoonsgebonden budget wordt
                                    uitgegaan van de geïndiceerde uren hulp.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het
                                    voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan
                                    bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                            woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                            woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                        woonvoorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13
                                            onder a. van deze verordening vermelde voorziening in
                                            aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen op grond
                                            van ziekte of gebrek een aanpassing aan de woning
                                            noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit
                                            snel en adequaat kan oplossen. </al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13
                                            onder b., c. en d. van deze verordening vermelde
                                            voorziening in aanmerking komen indien aantoonbare
                                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing
                                            aan de woning noodzakelijk maken en indien de in het
                                            vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet
                                            tot een snelle en adequate oplossing leidt. </al></li><li nr="3."><al>De in lid 1 en 2 genoemde beperkingen moeten in een
                                            direct oorzakelijk verband staan met de bouwkundige of
                                            woontechnische staat van de woning zelf, waaronder
                                            begrepen de toegankelijkheid van de woning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Soorten individuele woon voorzieningen</titel></kop><al>De in artikel 13 onder b., c. en d. van deze verordening
                                    genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit: </al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en
                                            herinrichtingskosten; </al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; </al></li><li nr="c."><al>een niet-bouwkundige of niet-woontechnische
                                            woonvoorziening; </al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte; </al></li><li nr="e."><al>onderhoud, keuring en reparatie; </al></li><li nr="f."><al>tijdelijke huisvesting; </al></li><li nr="g."><al>huurderving; </al></li><li nr="h."><al>de kosten die de verhuurder moet maken in verband met
                                            het verwijderen van die voorzieningen, die -indien de
                                            huurwoning niet meer door een persoon met beperkingen
                                            wordt bewoond en de woning niet meer voor een volgende
                                            persoon met beperkingen is gereserveerd- het gebruik van
                                            de woning door een persoon zonder beperkingen
                                            belemmeren; </al></li><li nr="i."><al>een eenmalige afkoopsom voor de kosten van de
                                            opstalverzekering voor de extra kosten van de onroerende
                                            woningaanpassingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Primaat van de verhuizing en de uitraasruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening
                                            als bedoeld in artikel 15 onder a. van deze verordening
                                            in aanmerking komen wanneer aantoonbare beperkingen als
                                            gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de
                                            woning belemmeren. </al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening
                                            als bedoeld in artikel 15 onder b. en c. van deze
                                            verordening in aanmerking komen wanneer de in het eerste
                                            lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de
                                            goedkoopst-adequate voorziening is. </al></li><li nr="3."><al>Indien verhuizing een adequate oplossing is mede gelet
                                            op de kosten van aanpassing van de huidige woning, kan
                                            het college besluiten dat de aanvrager medewerking dient
                                            te verlenen aan verhuizing naar een aangepaste of
                                            goedkoper aan te passen woning, tenzij is te verwachten
                                            dat binnen een periode van 6 maanden geen woning
                                            beschikbaar is. Een aangeboden adequate woning mag
                                            eenmaal worden geweigerd. Indien een aangeboden adequate
                                            woning binnen bovengenoemde termijn tweemaal wordt
                                            geweigerd, wordt de aanvraag afgewezen. </al></li><li nr="4."><al>Indien er naar het oordeel van het college zwaarwegende
                                            redenen zijn, gelet op de persoonlijke en/of
                                            gezinssituatie van de aanvrager, zal de voorwaarde tot
                                            verhuizing niet worden gesteld. </al></li><li nr="5."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening
                                            als bedoeld in artikel 15, onder d. van deze verordening
                                            in aanmerking komen wanneer sprake is van een op basis
                                            van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                            gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd
                                            gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen
                                            afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze
                                            persoon tot rust kan komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw
                                    aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning, waarvan de
                                    verhuurder niet bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                                    beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                                    beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan
                                    een dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse
                                    woonunit verstrekken indien daartegen geen bezwaren van
                                    overwegende aard bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                            trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                            vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur; </al></li><li nr="b."><al>het treffen van voorzieningen in specifiek op mensen met
                                            een beperking gerichte woongebouwen voor wat betreft
                                            voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel
                                            voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder
                                            noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen
                                            worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de
                                            aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de
                                            woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                            woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar
                                            maken van één woonruimte, waar de aanvrager regelmatig
                                            verblijft, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft
                                            in een AWBZ-instelling. In deze situatie hoeft de
                                            aanvrager geen hoofdverblijf te hebben in
                                            Ouder-Amstel.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in
                                            de gemeente waar de aan te passen woning staat.</al></li><li nr="4."><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken
                                            van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde
                                            woonruimte.</al></li><li nr="5."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het
                                            middels een woonvoorziening bewerkstelligen dat de
                                            aanvrager de toegang tot de woning, de woonkamer en een
                                            toilet kan bereiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Aanvang werkzaamheden en feitelijke beoordeling
                                        woonsituatie</titel></kop><al>Het college verstrekt slechts een voorziening indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot
                                            de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht;
                                        </al></li><li nr="b."><al>aan de onder a. genoemde personen inzicht wordt geboden
                                            in bescheiden en tekeningen welke betrekking hebben op
                                            de woningaanpassing; </al></li><li nr="c."><al>de onder a. genoemde personen de gelegenheid wordt
                                            geboden tot het controleren van de woningaanpassing;
                                        </al></li><li nr="d."><al>een kostenraming, al dan niet op basis van een offerte,
                                            door hen tevoren akkoord is bevonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Duidelijkheid over financiering van niet door de financiële
                                        tegemoetkoming gedekte deel van de kosten</titel></kop><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    kosten als bedoeld in artikel 15 onder b. en c. van deze
                                    verordening indien in de financiering van het niet door de
                                    financiële tegemoetkoming gedekte deel van de voorziening is
                                    voorzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel/></kop><al>Het verwerven van grond</al><al>Voorzover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in artikel
                                    15 onder b. betreft, zoals het uitbreiden van bestaande
                                    woningen, dan wel het groter bouwen van een nieuw te bouwen
                                    woning dan zonder de voorzieningen nodig zou zijn, kan het
                                    college een bijdrage verlenen voor de extra te verwerven grond
                                    die ten hoogste overeenkomt met de bijdrage voor het aantal
                                    vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de buitenruimte
                                    bij de woning, zoals vermeld in de Beleidsregels
                                    maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Aanpassingen van woonwagens</titel></kop><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten van een woonwagen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal
                                            vijf jaar is; </al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt; </al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag
                                            voor een woonvoorziening bij de gemeente op de
                                            standplaats stond; en </al></li><li nr="d."><al>de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van
                                            een bewoningsvergunning als bedoeld in de
                                            Woningwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Aanpassingen van woonschepen</titel></kop><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten van een woonschip indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van het woonschip nog minimaal
                                            vijf jaar is;</al></li><li nr="b."><al>het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag
                                            blijven liggen;</al></li><li nr="c."><al>het woonschip ten tijde van de indiening van de aanvraag
                                            voor een woonvoorziening bij de gemeente op een
                                            ligplaats ligt die niet in strijd is met het
                                            bestemmingsplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanpassingen van binnenschepen</titel></kop><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten van een binnenschip indien de aanpassing
                                    betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun
                                    gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in
                                    artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit
                                    (Staatsblad 1987, nummer 466), van een binnenschip, dat:</al><lijst><li nr="a."><al>in het register, als bedoeld in artikel 85 van de
                                            Kadasterwet als zodanig te boek is gesteld; en</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer
                                            van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in
                                            het metingbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen
                                            van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van
                                            meer dan 12 personen buiten de in de aanhef
                                            bedoelde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Verhuis- en (her)inrichtingskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming in de
                                            verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in artikel 15
                                            onder a. van deze verordening verstrekken aan: </al><lijst><li nr="a."><al>een persoon met beperkingen; </al></li><li nr="b."><al>een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten
                                                  behoeve van een persoon met beperkingen de
                                                  woonruimte heeft ontruimd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen verhuiskostenvergoeding wordt toegekend indien de
                                            aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen,
                                            verhuisd is vanuit of naar een woonruimte, die niet
                                            geschikt is het hele jaar door bewoond te worden,
                                            verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                                            instelling gericht op het verstrekken van zorg of
                                            verhuisd is uit woonruimte waarbij geen problemen met
                                            betrekking tot het normale gebruik van de woonruimte
                                            zijn ondervonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel/></kop><al>Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie</al><lijst><li nr="1."><al>Het college verleent slechts een financiële
                                            tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en
                                            reparatie als bedoeld in artikel 15 onder e. van deze
                                            verordening indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening in het kader van de
                                                  Verordening voorzieningen maatschappelijke
                                                  ondersteuning Ouder-Amstel 2006, de Verordening
                                                  voorzieningen gehandicapten Ouder-Amstel 2003, het
                                                  Besluit Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten
                                                  of de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting
                                                  Gehandicapten is verleend; </al></li><li nr="b."><al>de woonvoorziening is opgenomen in het overzicht
                                                  van voorzieningen in de bijlage bij het Financieel
                                                  besluit maatschappelijke ondersteuning
                                                  Ouder-Amstel en de personen met beperkingen ten
                                                  tijde van het onderhoud, de keuring of reparatie
                                                  de woonruimte als hoofdverblijf bewoont; </al></li><li nr="c."><al>een leegstaande woning is gereserveerd op
                                                  verzoek van de gemeente, voor toewijzing aan een
                                                  andere persoon met beperkingen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten
                                            van onderhoud, keuring, reparatie is vastgelegd in het
                                            Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning
                                            Ouder-Amstel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel/></kop><al>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming in de
                                            kosten van tijdelijke huisvesting verlenen die door de
                                            persoon met beperkingen moeten worden gemaakt in verband
                                            met het aanpassen van: </al><lijst><li nr="a."><al>de huidige woonruimte; </al></li><li nr="b."><al>de door de persoon met beperkingen nog te
                                                  betrekken woonruimte;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld onder lid a. en
                                            b. wordt verleend uitsluitend voor de periode, dat de
                                            aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren
                                            van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de
                                            persoon met beperkingen als gevolg daarvan voor dubbele
                                            woonlasten heeft.</al></li><li nr="3."><al>Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de
                                            kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het
                                            eerste lid, zolang deze kosten naar hun oordeel
                                            noodzakelijk zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel/></kop><al>Huurderving</al><lijst><li nr="1."><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste
                                            woonruimte, die voor meer dan het in het Financieel
                                            besluit maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel
                                            genoemde grensbedrag is aangepast, dan wel waarin een
                                            traplift is aangebracht, kan het college een financiële
                                            tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in
                                            verband met derving van huurinkomsten, waarbij de eerste
                                            maand huurderving niet voor een financiële
                                            tegemoetkoming in aanmerking komt.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld
                                            onder a. is afhankelijk van de kale huur van de
                                            woonruimte, doch zal niet meer bedragen dan de
                                            werkelijke kosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Aanvullende begrenzing recht op
                                    woonvoorzieningen</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                            gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                            belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                            gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en
                                            er geen andere belangrijke reden aanwezig was; </al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                            beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
                                            woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming
                                            is verleend door het college; </al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in
                                            gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische
                                            deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen; </al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat
                                            op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                            voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn
                                            en er geen sprake is van een onverwacht optredende
                                            noodzaak; </al></li><li nr="e."><al>verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
                                            geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;
                                        </al></li><li nr="f."><al>verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                                            instelling gericht op het verstrekken van zorg; </al></li><li nr="g."><al>er in de verlaten woonruimte geen problemen met het
                                            normale gebruik van de woning zijn ondervonden; </al></li><li nr="h."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de
                                            woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                            gebruikte materialen; </al></li><li nr="i."><al>De ondervonden problemen bij het normale gebruik van de
                                            woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                            gebruikte materialen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een
                                    woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van
                                    de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen 10 jaar na
                                    gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de woning
                                    onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de
                                    woning als gevolg van de getroffen woonvoorziening dient volgens
                                    het, in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    Ouder-Amstel, door het college vastgelegde afschrijvingsschema
                                    te worden terugbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het
                                    zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan
                                    uit: </al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                            vervoersvoorziening; </al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura; </al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                            vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 32 onder a.
                                    van deze verordening vermelde voorziening in aanmerking komen
                                    indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    onmogelijk maken om: </al><lijst><li nr="a."><al>gebruik te maken van het openbaar vervoer; </al></li><li nr="b."><al>het openbaar vervoer te kunnen bereiken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 32, onder b.
                                    en c. van deze verordening vermelde voorziening in aanmerking
                                    komen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                            het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in
                                            artikel 32, onder a. van deze verordening, onmogelijk
                                            maken; </al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 32, onder
                                            a. van deze verordening, niet aanwezig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel/></kop><al>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen </al><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk
                                    inkomen van gehuwde dan wel duurzaam samenlevende personen meer
                                    bedraagt dan de in het Financieel besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning Ouder-Amstel voor de diverse categorieën genoemde
                                    inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen
                                    gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto
                                    vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks-
                                    en onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking
                                    of vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten
                                            aanzien van de individuele vervoersbehoefte ten behoeve
                                            van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening
                                            gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en
                                            leefomgeving in het kader van het leven van alledag.
                                        </al></li><li nr="2."><al>In afwijking op het gestelde in het eerste lid wordt
                                            rekening gehouden met de vervoersbehoefte buiten de
                                            directe woon- of leefomgeving in een situatie waarin een
                                            bovenregionaal contact alleen door de aanvrager zelf
                                            bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager
                                            noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.
                                        </al></li><li nr="3."><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal
                                            maatschappelijke participatie door middel van lokale
                                            verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van
                                            1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000 kilometer
                                            moge lijk maken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het
                                    verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te
                                    verstrekken voorziening kan bestaan uit: </al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening; </al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura, behalve wanneer het
                                            gaat om een sportrolstoel; </al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                            rolstoelvoorziening; </al></li><li nr="d."><al>een forfaitaire vergoeding te besteden aan een
                                            sportrolstoel; </al></li><li nr="e."><al>een vergoeding van de kosten van onderhoud, gebruik en
                                            reparatie; </al></li><li nr="f."><al>een vergoeding van de kosten van noodzakelijke
                                            accessoires die, gelet op de aard van de ergonomische
                                            belemmeringen, samenhangen met een gangbaar gebruik van
                                            de rolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel/></kop><al>Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                                    rolstoelgebruik en sportrolstoel</al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel
                                            37, onder a. van deze verordening vermelde voorziening
                                            in aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen op
                                            grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend
                                            verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en
                                            hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de
                                            Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere
                                            wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.
                                        </al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel
                                            37, onder b. en c. van deze verordening vermelde
                                            voorziening in aanmerking komen indien aantoonbare
                                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks
                                            zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk
                                            maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van
                                            de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere
                                            wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.
                                        </al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel
                                            37, onder d. van deze verordening vermelde voorziening
                                            in aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen op
                                            grond van ziekte of gebrek sportbeoefening zonder
                                            sportrolstoel onmogelijk maken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor bewoners van een AWBZ-instelling</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 38, lid 1 en lid 2
                                    van deze verordening komt een persoon die verblijft in een op
                                    grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen
                                    erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in aanmerking
                                    indien hij geen recht heeft op een rolstoel op grond van de
                                    AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en het
                                        motiveren van besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Aanvraag en gebruik aanvraagformulier</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door
                                    het college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                                    Ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het Wmo-loket
                                    Ouder-Amstel. In dit loket kunnen zowel aanvragen voor
                                    voorzieningen inzake de wet als ook aanvragen inzake de Algemene
                                    Wet Bijzondere Ziektekosten worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan
                                            zijn voor de beoordeling van het recht op een
                                            voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend:
                                        </al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                            college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                            ondervragen; </al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip
                                            door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                            ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Het college kan een door hem daartoe aangewezen
                                            adviesinstantie om advies vragen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag een persoon betreffend, die
                                            nog niet eerder een aanvraag in kader van deze
                                            verordening heeft ingediend en het een voorziening
                                            betreft waarvan de kosten naar verwachting het bedrag
                                            als genoemd in het Financieel besluit maatschappelijke
                                            ondersteuning Ouder-Amstel te boven zal gaan; </al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                            afgewezen; </al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door
                                            hem aangewezen adviesinstantie die gegevens te
                                            verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn
                                            voor de beoordeling van de aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>Bij de advisering wordt door de adviseur gebruikgemaakt
                                            van de systematiek zoals neergelegd in de International
                                            Classification of Functions, Disabilities and
                                            Impairments, de zogenaamde ICF-classificatie.</al></li><li nr="5."><al>De beschikking vermeldt: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze het genomen besluit bijdraagt aan het
                                            behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de
                                            normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                            beperking of een chronisch psychisch probleem en van
                                            mensen met een psychosociaal probleem. </al></li><li nr="b."><al>in geval van een financiële tegemoetkoming, op welke
                                            kosten de tegemoetkoming betrekking heeft; </al></li><li nr="c."><al>ingeval van een periodieke tegemoetkoming, tevens: de
                                            geldingsduur, de hoogte, alsmede de voorschriften
                                            waaraan de rechthebbende dient te voldoen alvorens tot
                                            uitbetaling van de tegemoetkoming kan worden
                                            overgegaan.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Het college legt in het Financieel besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning Ouder-Amstel regels vast omtrent de wijze waarop
                                    de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt
                                    afgestemd op de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                    verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                    feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet
                                    zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                    voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze
                                            verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij
                                                  of krachtens deze verordening; </al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is
                                                  dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren
                                                  de juiste gegevens bekend geweest, een andere
                                                  beslissing zou zijn genomen; </al></li><li nr="c."><al>de persoon op wie het besluit betrekking heeft,
                                                  niet de door het college op gevraagde al dan niet
                                                  schriftelijke gegevens en informatie compleet en
                                                  tijdig heeft verstrekt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een besluit tot verlening van een financiële
                                            tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget kan worden
                                            ingetrokken indien blijkt dat de financiële
                                            tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget binnen zes
                                            maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de
                                            bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening
                                            heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>Een besluit tot verlening van een voorziening kan worden
                                            ingetrokken indien op grond van enige andere wettelijke
                                            regeling of enige privaat-rechtelijke overeenkomst of
                                            verbintenis achteraf blijkt dat gelden met het oog op
                                            die voorziening door de rechthebbende zijn
                                            ontvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In geval het recht op een voorziening is ingetrokken kan
                                            op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële
                                            tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden
                                            teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte
                                            voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden
                                            teruggevorderd indien de voorziening is verleend op
                                            basis van valselijk verstrekte gegevens.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Voor personen die voor of op 1 januari 2010 geen eigen bijdrage
                                    verschuldigd waren voor de voorziening die zij verstrekt hebben
                                    gekregen, zijn voor deze voorziening met de inwerkingtreding van
                                    deze verordening geen eigen bijdrage verschuldigd voor de
                                    voorziening die zij reeds in bezit hebben.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                    aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening,
                                    indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                                    overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                                    verordening en het op deze verordening berustende Financieel
                                    besluit maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel geldende
                                    bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van het
                                    prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie volgens het Centraal
                                    Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt een maal per
                                    vier jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding
                                    geeft wordt deze verordening aangepast. Het college zendt
                                    hiertoe telkens vier jaar na de inwerkingtreding van de
                                    verordening aan de gemeenteraad een verslag over de
                                    doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de
                                    praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2010. Met ingang
                                    van 1 januari 2010 wordt de Verordening voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2006
                                    ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ouder-Amstel, 5 november 2009</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.J. Heijlman</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.T.J. Blankers-Kasbergen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting op de Verordening voorzieningen
                                        maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel 2010</vet></al><al><vet><onderstreept>Inleiding</onderstreept></vet></al><al>Vanaf 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning
                                    (hierna: de wet) van kracht. In artikel 5 van de wet is bepaald
                                    dat de gemeente bij verordening regels dient te stellen over de
                                    uitvoering van de wet. </al><al>In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en
                                    voorzieningen uit de AWBZ en de Wvg bij elkaar. Voorzieningen
                                    uit de Welzijnswet worden als voorliggende voorzieningen
                                    aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen.
                                    In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de
                                    artikelen 4, 5, 6, 15, 19 en 26 van de wet.</al><al>Op grond van de compensatieplicht, zoals vastgelegd in artikel
                                    4, lid 1 van de Wmo, treft het college voorzieningen die de door
                                    de belanghebbende ondervonden beperkingen op een aantal gebieden
                                    compenseert. Dit wordt geregeld in deze Wmo-verordening. In de
                                    Wmo staat niet voorgeschreven over welke precieze voorzieningen
                                    de gemeente regels moet opnemen in de Wmo-verordening. De
                                    gemeente heeft de ruimte om de uitwerking van de verlening van
                                    voorzieningen naar eigen inzicht vorm te geven. In deze
                                    Wmo-verordening is gekozen voor een onderverdeling tussen vier
                                    soorten voorzieningen: </al><lijst><li nr="1."><al>Hulp bij het huishouden </al></li><li nr="2."><al>Woonvoorzieningen </al></li><li nr="3."><al>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel </al></li><li nr="4."><al>Verplaatsen in en rond de woning. </al></li><li nr="5."><al>Alle bedragen en bijbehorende regelgeving zijn opgenomen
                                            in Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning
                                            Ouder-Amstel. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Algemeen</onderstreept></vet></al><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd
                                    door het begrip “compensatiebeginsel”. Dit begrip is bij
                                    amendement in de Wmo opgenomen. Het is met name de toelichting
                                    op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                                    wetgever met het begrip compensatieplicht. Deze toelichting
                                    stelt:</al><al>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te
                                    voorzien in met name genoemde producten en diensten strekt het
                                    nieuw geformuleerde artikel ertoe de algemene verplichting aan
                                    gemeenten op te leggen om beperkingen in de zelfredzaamheid op
                                    het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per
                                    vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder
                                    zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke,
                                    verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale
                                    maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname
                                    aan het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan
                                    het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik van
                                    een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het
                                    zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden
                                    gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke
                                    vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het
                                    aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te
                                    kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven.
                                    Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International
                                    Classification of Functions, Disabilities and Impairments
                                    (ICF-classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag
                                    kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                                    gevallen vast te stellen.</al><al>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met
                                    dit artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt
                                    overeenkomstig de bestuurlijke structuur van de wet op het
                                    lokale niveau bepaald met inachtneming van alle bepalingen over
                                    de totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van
                                    burgers en cliënten daarbij.”</al><al>Omdat er geen omschrijving van het begrip compensatiebeginsel in
                                    het amendement is opgenomen, is in de verordening een
                                    omschrijving opgenomen, in artikel 1. onder b. Het
                                    compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid
                                    1 van de wet aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren, </al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning, </al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en </al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                                            verbanden aan te gaan. </al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen
                                    woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de
                                    functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ naar de Wmo worden
                                    de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze verordening als
                                    volgt uitgewerkt: </al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan:
                                            zowel het wonen, met name de woonvoorzieningen, als de
                                            eerdere functie huishoudelijke verzorging, in deze
                                            verordening hulp bij het huishouden genoemd; </al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel
                                            inclusief de sportrolstoel; </al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de
                                            vervoersvoorzieningen uit de Wvg; </al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende
                                            aangaan van sociale verbanden wordt beschouwd als
                                            doelstelling voor de eerste drie
                                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                                    hoofdstukindeling.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve
                                    van de compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus
                                    niet dat het steeds om individuele voorzieningen moet gaan. Om
                                    te voorzien in het snel en regelarm treffen van veel voorkomende
                                    eenvoudige voorzieningen is in deze verordening het begrip
                                    "algemene voorzieningen" opgenomen. Dit type voorziening komt in
                                    de Wvg voor onder de noemer “collectief vervoer”. </al><al>In deze verordening wordt het begrip algemene voorziening
                                    geïntroduceerd voor alle onderdelen van het compensatiebeginsel.
                                    De mogelijkheid wordt geschapen voor algemene woonvoorzieningen,
                                    algemene hulp bij het huishouden, algemene vervoersvoorzieningen
                                    en algemene rolstoelvoorzieningen. </al><al>Wat houden deze algemene voorzieningen concreet in? Het kan gaan
                                    om scootmobielpools, rolstoelen voor incidenteel gebruik
                                    (rolstoelpools), collectief vervoer, klussen- en
                                    boodschappendiensten, etcetera. Deze opsomming is uitdrukkelijk
                                    niet limitatief, aangezien het een nieuw type voorziening
                                    betreft, waarvoor de komende jaren nieuwe invullingen zullen
                                    ontstaan. Met name op het terrein van hulp bij het huishouden is
                                    het een nieuw begrip.</al><al>Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente deze
                                    voorzieningen organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, los
                                    van of vooruitlopend op individuele aanvragen terzake. Het zal
                                    in de regel gaan om steunpunten, depots, pools, waar de
                                    betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of
                                    niet op wijkniveau. </al><al>Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan
                                    procedures kunnen worden aangeboden: met geen of slechts een
                                    lichte toegangstoets en zonder eigen bijdragen. De voordelen van
                                    deze algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele oplossing
                                    van de problemen, zonder bureaucratie en zonder eigen bijdragen.
                                    In plaats van de soms complexe advisering wordt in dit kader van
                                    het veel lichtere begrip toegangsbeoordeling gebruik gemaakt. </al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende
                                    hoofdstukken behandeld. De laatste hoofdstukken zijn
                                    gereserveerd voor procedurele aspecten.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al><al>Ad a.</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de
                                    Wet maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de
                                    wet.</al><al>Ad b.</al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg aan het
                                    wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen omschrijving
                                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                                    begripsomschrijving van het compensatiebeginsel ontbreekt.
                                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel
                                    in de verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik
                                    gemaakt van het briefadvies van de Raad voor de Volksgezondheid
                                    en de Zorg.</al><al>Ad c.</al><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de International
                                    Classification of Functioning, Disability, and Health (ICF),
                                    opgesteld door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health
                                    Organisation, onderdeel van de Verenigde Naties).</al><al>De toelichting op het amendement-Miltenburg stelt over de ICF:
                                    “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                                    International Classification of Functions, Disabilities and
                                    Impairments (ICF-classificatie) een uniform begrippenkader dat
                                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                                    individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Daarnaast is vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het
                                    onderdeel “aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of
                                    gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing van de
                                    doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn.
                                    Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen
                                    gehandicapten ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van
                                    toepassing.</al><al>Aan deze formulering is de doelgroep “personen met een chronisch
                                    psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep
                                    is afkomstig uit de AWBZ-regelgeving (Besluit
                                    zorgaanspraken).</al><al>Ad d.</al><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><al>Ad e.</al><al>De omschrijving van het begrip “mantelzorger” wordt in artikel
                                    1, lid 1 onder b van de wet weergegeven. In dit artikel is
                                    bepaald dat onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die
                                    niet in het kader van hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                    hulpbehoevend persoon uit diens directe omgeving, waarbij
                                    zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en
                                    de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar, overstijgt. </al><al>Ad f.</al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op het reeds
                                    eerder genoemde amendement-Miltenburg, dat het
                                    compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad g.</al><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder e. genoemde,
                                    ontleend aan de toelichting op het amendement, dat het
                                    compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad h.</al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare
                                    voorzieningen, die met een minimum aan toegangbescheiden kunnen
                                    worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een scala van reeds
                                    bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                                    vervoer, scootmobielpools, algemene woonvoorzieningen als
                                    klussendiensten en voorzieningendepots, rolstoelpools en
                                    vrijwilligersdiensten. De verstrekkingsprocedure is eenvoudiger
                                    dan bij individuele voorzieningen: een beperkte
                                    toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en
                                    geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel
                                    voorkomende voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of
                                    kortdurend gebruik. Kenmerk van algemene voorzieningen is
                                    tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als
                                    financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. </al><al>Ad i.</al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening
                                    voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst
                                    een algemene voorziening worden aangeboden, waar nodig zal een
                                    individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal
                                    worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de
                                    aanvrager. </al><al>Door het college vast te stellen beleidsregels zullen
                                    afwegingscriteria geven. Verder zal een op de individuele
                                    situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang zijn. </al><al>Ad j.</al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage vloeit
                                    voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze kan op het inkomen
                                    worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel 15
                                    lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere
                                    regels kunnen worden gesteld. In de Algemene Maatregel van
                                    Bestuur wordt bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor
                                    het vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen
                                    overgaan.</al><al>Ad k.</al><al>Natura voorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van
                                    enigerlei financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij
                                    kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in bruikleen, in
                                    eigendom of in de vorm van dienstverlening zoals bijvoorbeeld
                                    bij hulp bij het huishouden.</al><al>Ad l.</al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder
                                    door het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een
                                    compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking
                                    omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en
                                    daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het
                                    Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    Ouder-Amstel.</al><al>Ad m.</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld
                                    om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet persé een
                                    kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als
                                    tegemoetkoming in de kosten. </al><al>Ad n.</al><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was,
                                    is het ook onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de
                                    bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                                    waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook
                                    zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                                    voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in
                                    een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen
                                    is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het
                                    moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is
                                    geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                                    Beroep. </al><al>Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit
                                    begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de
                                    verordening opgenomen. </al><al>Het gaat daarbij om voorzieningen:</al><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al><al>die niet speciaal voor personen met een beperking bedoeld
                                    zijn;</al><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten
                                    met hetzelfde doel.</al><al>Ad o.</al><al>De meerkosten zijn de kosten, die in een direct noodzakelijk
                                    verband staan met het compenseren van de ondervonden beperking
                                    of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel
                                    1, lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon
                                    als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking of
                                    dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie
                                    niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op
                                    de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor een
                                    persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de
                                    wet gericht.</al><al>Ad p.</al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het
                                    Protocol Gebruikelijke zorg, zoals tot aan de invoering van de
                                    wet door het Centrum Indicatiestelling Zorg werd toegepast als
                                    verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling voor
                                    huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten aangepast om te
                                    voorkomen dat problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden
                                    ook naar de wet overgaan. Zo is in plaats van “volwassenen” de
                                    term “meerderjarigen” opgenomen en is het begrip
                                    “gemeenschappelijke huishouding voeren” vervangen door het
                                    begrip “gemeenschappelijk een woning bewonen".</al><al>Ad q.</al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen
                                    van het begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is
                                    de persoon die de beschikking krijgt over het budget en over de
                                    besteding daarvan ook verantwoording af dient te leggen.</al><al>Ad r. tot en met v. </al><al>Deze begrippen spreken voor zich en worden niet nader
                                    toegelicht.</al><al>Ad w. </al><al>De aanvraag van de aan te passen woning moet worden ingediend in
                                    de gemeente waar de aan te passen woning staat. De gemeente
                                    heeft de zorgplicht voor de in de gemeente woonachtige personen
                                    met beperking. In eerste instantie geeft de gemeentelijke
                                    basisadministratie (GBA) hierover uitsluitsel. Het is mogelijk
                                    een aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men nog niet
                                    woonachtig is maar dat wel op korte termijn zal zijn. </al><al>Ad x. </al><al>Het begrip gemeenschappelijke ruimte wordt hier omschreven en
                                    beperkt tot ruimten die niet tot de onderscheiden woning
                                    behoren, maar toegang daartoe verschaffen zoals een gang, een
                                    portaal en andere gemeenschappelijke ruimten die de persoon met
                                    beperking moet kunnen gebruiken. </al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al><vet>Toekenning en weigering van voorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 2. lid 1.</vet></al><al>Ad a.</al><al>Deze bepaling is in zijn kern ontleend aan de Verordening Wet
                                    voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat
                                    langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete
                                    situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden,
                                    bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium
                                    verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin
                                    de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. </al><al>Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden
                                    beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het
                                    moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus
                                    redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van
                                    de aanvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang
                                    zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de
                                    benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren,
                                    dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend
                                    beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval
                                    opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige
                                    noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de
                                    vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak
                                    voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor
                                    langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke
                                    beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl
                                    vaststaat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor
                                    een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking
                                    komt. Betrokkene kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots
                                    van de thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van
                                    de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een
                                    hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij
                                    het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt
                                    tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot
                                    situatie verschillen. </al><al>Ad b.</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden
                                    verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel
                                    adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. </al><al>Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat
                                    bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend.
                                    Hoewel datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal
                                    moeten wegen in de beoordeling van het adequaat zijn van de
                                    voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn, de
                                    kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke
                                    beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een
                                    voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen
                                    die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de
                                    bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en
                                    functionele aspecten bepaald wordt. Ook de duurzaamheid zal
                                    worden beoordeeld. Tevens is het denkbaar dat een product dat
                                    duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus
                                    uiteindelijk goedkoper is. Het is uiteraard wel mogelijk een
                                    adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                                    goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het
                                    prijsverschil uit eigen middelen te betalen. </al><al>Ad c. </al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te
                                    worden gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook
                                    centraal bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorziening
                                    op grond van de wet. </al><al>Ad d.</al><al>Een uitzondering op de eis dat de aangevraagde voorziening
                                    langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties
                                    waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig
                                    is. Bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of
                                    bij een tijdelijk ontregeld huishouden. </al><al><vet>Artikel 2. lid 2.</vet></al><al>Ad a. </al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover
                                    een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de
                                    beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet
                                    te worden verstrekt. Dit beginsel wordt al tientallen jaren tijd
                                    gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea,
                                    Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is
                                    vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is
                                    opgenomen in artikel 1, onder n. van deze verordening. </al><al>Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in
                                    beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast
                                    speelt de –economische situatie van de aanvrager een rol, bezien
                                    in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de
                                    aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan
                                    leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen
                                    gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de
                                    bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke
                                    uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager –
                                    mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn
                                    beperking - onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau
                                    dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge
                                    van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van
                                    zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die
                                    handicap immers ook niet gebeuren.</al><al>De verhoogde toiletpot (+6 cm.) wordt op grond van bovengenoemde
                                    criteria als algemeen gebruikelijk aangemerkt (dit wordt ook zo
                                    door de VNG aangegeven) evenals de (standaard) beugels.</al><al>Ad b.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet
                                    voorzieningen gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen
                                    waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de
                                    gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet
                                    spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen worden om
                                    te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de
                                    aanvrager niet woonachtig is</al><al>Ad c.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in
                                    het Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat
                                    uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van
                                    voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven
                                    niet te worden verstrekt. Garages bijvoorbeeld vallen daarom
                                    niet onder dit niveau. Ook bij hulp bij het huishouden speelt
                                    deze bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp
                                    wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere of
                                    meer luxe woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke grens
                                    aan.</al><al>Ad d. Onder d. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager
                                    gerealiseerd of aangekocht is. </al><al>Hiermee wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee
                                    is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het
                                    college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het
                                    college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten
                                    de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders,
                                    of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht
                                    niet noodzakelijk is.</al><al>Indien deze beoordeling ondanks reeds gemaakte kosten toch kan
                                    plaatsvinden, mag de aanvraag niet op grond van deze bepaling
                                    worden afgewezen. Uit jurisprudentie is op te maken dat
                                    afwijzing op grond van het feit dat de kosten al zijn gemaakt,
                                    voordat het college een beslissing heeft genomen, slechts
                                    houdbaar is wanneer de gemeente niet meer kan achterhalen of een
                                    voorziening adequaat en passend is. </al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een
                                    verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een aanvrager
                                    hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de
                                    gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                                    adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen overgaan. Met deze
                                    voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf,
                                    nadat de aanvrager reeds is verhuisd, met een claim voor een
                                    verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde
                                    gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet
                                    beslissen omdat de woning anders aan een andere woningzoekende
                                    wordt toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het
                                    verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. </al><al>Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de
                                    verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben
                                    verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet te gaan om de
                                    feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde
                                    onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan
                                    een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of
                                    erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. </al><al>Ad e.</al><al>Onder e. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag
                                    geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of
                                    verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de
                                    aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan,
                                    bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid,
                                    dus niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander
                                    aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden
                                    of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor
                                    aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een
                                    andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor
                                    de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de
                                    opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij
                                    brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al>Ad f.</al><al>Op basis van deze afwijzingsgrond wordt een aanvraag om een
                                    voorziening afgewezen indien op grond van enige andere
                                    wettelijke regeling al aanspraak op de voorziening bestaat.</al><al>Ad g.</al><al>Op basis van deze afwijzingsgrond wordt een aanvraag om een
                                    woonvoorziening in verband met een verhuizing afgewezen indien
                                    geen noodzaak of andere zwaarwegende reden voor verhuizing
                                    aanwezig was.</al><al>Ad. h.</al><al>Op basis van deze afwijzingsgrond wordt een aanvraag om een
                                    woonvoorziening afgewezen indien de aanvrager niet is verhuisd
                                    naar de, gelet op zijn of haar beperkingen, meest geschikte
                                    woning. Voorwaarde is wel dat de woning ook beschikbaar is of op
                                    korte termijn beschikbaar komt. De aanvraag wordt niet afgewezen
                                    indien het college op basis van de wet schriftelijk heeft
                                    ingestemd met de verhuizing.</al><al>Ad i.</al><al>Op basis van de wet worden in principe geen voorzieningen
                                    verstrek voor gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen. Voor
                                    zes voorzieningen wordt een uitzondering gemaakt. Dit betreft
                                    een limitatieve opsomming.</al><al>Ad j.</al><al>Er is geen recht op een Wmo-vervoersvoorziening als er sprake is
                                    van een voorliggende vervoersvoorziening. Van een voorliggende
                                    vervoersvoorziening is in ieder geval sprake bij:</al><al>Medisch vervoer:</al><al>Het gaat hierbij enerzijds om liggend vervoer en anderzijds om
                                    vervoer in verband met onderzoek, consultatie en therapie van en
                                    naar een arts, een ziekenhuis, een revalidatiecentrum en
                                    dergelijke. Op grond van de Zorgverkeringswet (Zvw) bestaat
                                    hiervoor recht op een voorziening. </al><al>Woon/werkvervoer:</al><al>Dit betreft vervoer van en naar het werk, waarvoor het UWV een
                                    financiële tegemoetkoming kan toekennen aan een
                                    arbeidsgehandicapte. Bij samenloop van het recht op een
                                    vervoersvergoeding voor woon/werkverkeer en het recht op een
                                    vervoersvergoeding in de “leefsfeer”, is de toekenning voor het
                                    vervoer in de “leefsfeer” een verantwoordelijkheid van de
                                    UWV;</al><al>Leerlingenvervoer:</al><al>Dit betreft het vervoer van leerlingen met een beperking naar en
                                    van onderwijsinstellingen. Dit valt onder het leerlingenvervoer.
                                    Voor vervoer naar en van voortgezet- en hoger onderwijs gelden
                                    aparte regelingen vanuit de Wet studiefinanciering en de Wet
                                    Tegemoetkoming Studiekosten. Daarnaast kan onder bepaalde
                                    omstandigheden een beroep worden gedaan op de Wet
                                    Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.</al><al>Ad k.</al><al>Deze beperking doet recht aan het uitgangspunt van de wet dat
                                    eerst moet worden onderzocht of op basis van beschikbare
                                    mantelzorg toereikende hulp kan worden geboden. Pas als dat niet
                                    of onvoldoende mogelijk blijkt te zijn kan een voorziening
                                    worden toegekend.</al><al>Ad l. tot en met n.</al><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader
                                    toegelicht.</al><al><vet>Artikel 2. lid 3.</vet></al><al>In dit lid is bepaald dat na verhuizing waarvoor geen
                                    ergonomische noodzaak bestond, een woningaanpassing éénmaal per
                                    7 jaar kan plaatsvinden.</al><al><vet>HOOFDSTUK 2Vorm van te verstrekken individuele
                                        voorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al><vet>Keuzevrijheid</vet></al><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een
                                    aanspraak op een individuele voorziening de keuze te bieden
                                    tussen een persoonsgebonden budget en een naturaverstrekking, is
                                    niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan om niet
                                    over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget.
                                    Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen
                                    er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden zijn
                                    om geen persoonsgebonden budget te verstrekken. Naast deze
                                    keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                                    namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen
                                    uit meerdere aanbieders die hulp bij de huishouding aanbieden.
                                    Deze keuzevrijheid valt niet onder de reikwijdte van deze
                                    verordening.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al><vet>Voorziening in </vet><vet>natura</vet></al><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en
                                    plichten van het college en de aanvrager. Deze bepaling ziet toe
                                    op de situatie waarin het college eigenaar blijft van de in
                                    natura verstrekte voorziening of het college de zorg in natura
                                    zelf geregeld heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar dat
                                    het verlenen van maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk
                                    aan derden moet worden overgelaten, maar als dat redelijkerwijs
                                    niet mogelijk is kan gekozen worden voor het door de gemeente
                                    zelf verlenen van de maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is er uiteraard
                                    niet een dergelijke overeenkomst nodig.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al><vet>Financiële tegemoetkoming</vet></al><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming
                                    wordt besteed aan een noodzakelijke voorziening, en niet aan
                                    zaken die los staan van de doelen die met de wet worden beoogd,
                                    kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden aan de
                                    verstrekking van een financiële tegemoetkoming op grond van de
                                    wet. </al><al>Deze bepaling, die moet worden bezien in relatie tot de
                                    bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze verordening, biedt daartoe
                                    de mogelijkheid. </al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al><vet>Persoonsgebonden budget</vet></al><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een
                                    manier waarop een toegekende voorziening wordt verstrekt. De
                                    onder lid 1, onder a., van dit artikel genoemde bepaling spreekt
                                    dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling in artikel 6 van
                                    de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van
                                    individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een
                                    persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene
                                    voorzieningen vallen niet onder deze eis. Onder sub b. van dit
                                    artikel is bepaald dat de verstrekking van een persoonsgebonden
                                    budget alleen op verzoek van de aanvrager plaats vindt. </al><al>Onder c. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden
                                    budget is gekoppeld aan de tegenwaarde van de te verstrekken
                                    goedkoopst adequate voorziening. Er moet immers een
                                    referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                                    worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief
                                    vaststelbaar referentiepunt. Onder d. is bepaald dat een
                                    aanvullend bedrag kan worden vastgesteld voor de
                                    instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de diverse
                                    soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden
                                    gegeven in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    Ouder-Amstel.</al><al>Onder e. is bepaald dat het college de omvang van een
                                    persoonsgebonden budget vaststelt. Het zal immers gaan om een
                                    veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor
                                    verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van
                                    de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn.
                                    Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Financieel
                                    besluit maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel en de
                                    Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel. </al><al>Verder is onder f. bepaald dat er een overeenkomst wordt
                                    getekend omtrent de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden
                                    budget wordt verstrekt.</al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden
                                    vastgelegd. Het gaat om de omvang ervan (de hoogte van het
                                    budget), maar het kan ook gaan om de periode waarover het wordt
                                    toegekend.</al><al>In lid 3 is neergelegd dat er een programma van eisen wordt
                                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het
                                    persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet voldoen.
                                    Het programma van eisen is dus een belangrijk document. Als niet
                                    aan het programma van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen
                                    hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al><al>Lid 4 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                                    persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling
                                    plaatsvindt kunnen door het college nadere regels worden
                                    gesteld. Gedacht kan worden aan betaling in termijnen,
                                    bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in situaties waarin
                                    er twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële
                                    risico’s voor de gemeente worden beperkt en worden aanvragers
                                    minder snel geconfronteerd met hoge terugvorderingbedragen.</al><al>Het college is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en
                                    doelmatige besteding van gelden op grond van de wet en heeft ook
                                    zelf de bevoegdheid om vast te stellen in hoeverre er wordt
                                    gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden budget besteden
                                    conform de toekenningsvoorwaarden. </al><al>Artikel 5 heeft betrekking op de verantwoording van het
                                    persoonsgebonden budget.</al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het
                                    toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te
                                    vorderen, dan dient de in hoofdstuk 7 van deze verordening
                                    genoemde procedure te worden gevolgd. </al><al>Lid 7 geeft aan wanneer er geen persoonsgebonden budget wordt
                                    toegekend. </al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al><vet>Eigen bijdragen</vet></al><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van
                                    voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen
                                    bijdragen te vragen aan personen van 18 jaar of ouder. In dit
                                    artikel is vastgelegd dat de gemeente Ouder-Amstel eigen
                                    bijdrage vraagt voor alle voorzieningen die zij verstrekt. In
                                    lid 2 wordt een opsomming gegeven van voorzieningen waarvoor
                                    geen eigen bijdrage wordt gevraagd. </al><al><vet>HOOFDSTUK 3. Hulp bij het huishouden</vet></al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al><vet>Vormen van hulp bij het huishouden</vet></al><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om
                                    voorzieningen aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van
                                    een huishouden. In deze verordening wordt dit onderdeel
                                    opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3 van deze
                                    verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”
                                    en in hoofdstuk 4 van deze verordening om “woonvoorzieningen” .
                                    Bij het interpreteren van het begrip “voeren van een huishouden”
                                    is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan hebben aan
                                    hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de - onder de Wet
                                    voorzieningen gehandicapten en de Verordening Wet voorzieningen
                                    gehandicapten - bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip
                                    zijn gebracht. </al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke
                                    verzorging. Om aan te geven dat onder de Wmo sprake is van een
                                    eigen begrip wordt in deze verordening het begrip ‘hulp bij het
                                    huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening
                                    worden aangeboden. Onder a. wordt genoemd de algemene
                                    voorziening; een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing
                                    zonder veel administratieve lasten voor gemeente en aanvrager. </al><al>Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook
                                    hier gaat het om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net
                                    als bij de onder a. genoemde vorm. Het verschil zit echter in de
                                    toekenningsprocedure, die meer op de persoon is afgestemd, en in
                                    de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en
                                    langduriger behoefte aan hulp. </al><al>Onder c. is de mogelijkheid genoemd van het persoonsgebonden
                                    budget. Hiermee dient de aanvrager zelf hulp in te kopen.
                                    Hieronder valt de financiële vergoeding voor het inhuren van een
                                    alfahulp.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al><vet>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</vet></al><al>In artikel 9 wordt geregeld dat men gebruik kan maken van een
                                    algemene voorziening voor hulp bij het huishouden indien deze in
                                    de gemeente voorhanden is en deze een adequate oplossing biedt.
                                    In de praktijk is deze hulp vooral bedoeld voor eenvoudige
                                    werkzaamheden, meestal vanwege een kortdurende
                                    hulpbehoefte.</al><al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van
                                    een primaat in deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in
                                    eerste instantie wordt bezien of deze vorm van hulp bij het
                                    huishouden het probleem op adequate wijze kan oplossen. </al><al>Als de algemene voorziening onvoldoende adequaat is of niet
                                    aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                                    huishouden aan de orde. </al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al><vet>Gebruikelijke zorg</vet></al><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden
                                    wordt allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere
                                    personen binnen de leefeenheid zelf de problemen kunnen
                                    oplossen. Voorzover de ondervonden problemen door middel van
                                    dergelijke gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen
                                    aanspraak op hulp bij het huishouden. Voor wat betreft de te
                                    hanteren indicatiecriteria wordt zo veel mogelijk aangesloten op
                                    de criteria zoals die door het Centrum Indicatiestelling Zorg
                                    (CIZ) wordt gehanteerd. Het CIZ hanteert het protocol
                                    gebruikelijke zorg (richtlijnen opgesteld door de Landelijke
                                    Vereniging van Indicatie Organen). Op basis van dit protocol
                                    wordt bij de indicatiestelling rekening gehouden met de
                                    onbetaalde zorg die de partner of huisgenoot op zich kan nemen
                                    voordat een beroep kan worden gedaan op hulp bij het huishouden.
                                    Daarnaast wordt beoordeeld in hoeverre er voorliggende
                                    voorzieningen zijn die kunnen worden ingezet zoals bijvoorbeeld
                                    een boodschappenservice, maaltijdservice of kinderopvang. De
                                    gebruikelijke zorg vormt dus een voorliggende voorziening voor
                                    huishoudelijke verzorging en past in de filosofie van de Wmo van
                                    zelfredzaamheid, eigen verantwoordelijkheid en
                                    solidariteit.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al><vet>Omvang van de hulp bij het huishouden</vet></al><al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in
                                    klassen. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en een maximaal
                                    aantal uren per week (bandbreedte). Indien men bijvoorbeeld een
                                    indicatie heeft voor 2,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in klasse
                                    2 met een bandbreedte van minimaal 2 en maximaal 3,9 uur per
                                    week. Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins
                                    stijgen of dalen binnen de bandbreedte van de toegekende klasse,
                                    dan hoeft daarvoor niet opnieuw geïndiceerd en beschikt te
                                    worden, tenzij het een structurele wijzigingen van het aantal
                                    uren hulp betreft. Indien het een structurele wijziging van het
                                    aantal uren hulp betreft dient er wel een nieuwe indicatie te
                                    worden gesteld. Voor zover hulp bij het huishouden nodig is die
                                    klasse 6 overstijgt, is het mogelijk additionele uren aan deze
                                    hoogste klasse toe te voegen.</al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al><vet>Omvang van het persoonsgebonden budget</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al><vet>HOOFDSTUK 4 Woonvoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al><vet>Vormen van woonvoorzieningen</vet></al><al>Ad a. </al><al>Hierbij moet worden gedacht aan een mogelijkheid om snel
                                    oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te krijgen.
                                    Te denken valt aan klussendiensten, snel beschikbare
                                    voorzieningen uit depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen,
                                    voorzieningen.</al><al>Ad b. </al><al>Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in de vorm van
                                    financiële tegemoetkoming -op individuele basis- verstrekt,
                                    bijvoorbeeld de losse tillift of een douchestoel;</al><al>Ad c. </al><al>Het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld voor een
                                    douchestoel.</al><al>Ad d. </al><al>De financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf
                                    huren en soms ook rechtspersoon zijn. Deze financiële
                                    tegemoetkoming wordt genoemd in artikel 7 lid 2 van de wet.</al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al><vet>Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op
                                        individuele woonvoorzieningen</vet></al><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan
                                    worden opgelost met een algemene voorziening. Als een algemene
                                    voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                                    in de gemeente, moet het probleem middels een individuele
                                    voorziening worden opgelost. Dat kan zijn een woonvoorziening in
                                    natura of een persoonsgebonden budget.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al><vet>Soorten individuele woonvoorzieningen</vet></al><al>Ad a.</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken
                                    in de verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar
                                    een aangepaste of een goedkoper aan te passen woning dan de
                                    reeds bewoonde woning. </al><al>Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is,
                                    volgens de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep,
                                    alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in
                                    direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of
                                    woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                                    Omgevingsfactoren zoals bijvoorbeeld lawaai, stank,
                                    onveiligheidsgevoelens en overlast zijn dus niet van belang.
                                    Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk
                                    gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                                    gemeente.</al><al>Ad b. en c.</al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een
                                    aanpassing van de woning zelf, ter compensatie van de problemen
                                    die in de woning spelen ten aanzien van de bewoner met een
                                    beperking. Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van
                                    een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk
                                    met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m.
                                    CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden
                                    begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet
                                    nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele
                                    patiëntenliften. Deze laatste twee categorieën roerende
                                    woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening in
                                    natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur,
                                    zodat hergebruik mogelijk is.</al><al>Ad d.</al><al>Omdat met de wet niet wordt beoogd om het inhoudelijke
                                    beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen
                                    te verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als
                                    woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die
                                    op basis van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten kan
                                    worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon
                                    die tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige
                                    gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan
                                    afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke
                                    voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke
                                    noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden
                                    verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en
                                    prikkelarme ruimte.</al><al>Ad e.</al><al>De kosten van onderhoud, keuring en reparatie worden vergoed
                                    vanuit het belang om de woonvoorziening zo lang mogelijk goed te
                                    laten functioneren. Het gaat hierbij vooral om voorzieningen die
                                    (elektrisch) beweegbaar zijn en waar om die reden slijtage kan
                                    optreden waardoor de veiligheid van het gebruik van de
                                    voorziening niet langer kan worden gegarandeerd. Er wordt
                                    hierbij voornamelijk gedacht aan liften, automatische
                                    deuropeners en (elektrische) beweegbare keukens.</al><al>Ad f. tot en met i.</al><al>In die gevallen waarin de persoon met een beperking tijdens het
                                    aanbrengen van de voorzieningen niet in de woonruimte kan
                                    blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere
                                    woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit
                                    noodzakelijk is een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten
                                    worden verstrekt. Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs
                                    buiten de mogelijkheden van de aanvrager ligt om te voorkomen
                                    dat er dubbele woonlasten zijn, kan tot vergoeding van extra
                                    woonlasten in verband met tijdelijke huisvesting worden
                                    overgegaan. </al><al>De kosten van het verwijderen van voorzieningen in een
                                    huurwoning komen slechts in aanmerking voor vergoeding indien de
                                    woning met subsidie is aangepast voor meer dan€ 15.000,00 of met
                                    een traplift. </al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al><vet>Primaat van de verhuizing en de uitraasruimte</vet></al><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat
                                    bij een aanvraag voor een woningaanpassing eerst werd bezien of
                                    verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden. Dit
                                    is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het
                                    om een toepassing van de regel dat in beginsel wordt gekozen
                                    voor de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het
                                    hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de Wet
                                    voorzieningen gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het
                                    dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld. In de eerste
                                    plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing voor de
                                    woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een
                                    eis die ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet
                                    duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing
                                    kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende
                                    medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college
                                    zicht moet hebben op de woningvoorraad om een indicatie te
                                    kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch
                                    verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte
                                    aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere
                                    relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke
                                    beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol
                                    spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat van
                                    de verhuizing in een concreet geval. </al><al>In het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    Ouder-Amstel is bepaald bij welk grensbedrag het primaat van
                                    verhuizing geldt. Blijven de kosten van de woonvoorziening
                                    beneden deze grens dan geldt het primaat verhuizen niet. </al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al><vet>Primaat van de losse woonunit</vet></al><al>Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw
                                    kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met
                                    beperkingen, kan de investering over een langere periode
                                    afgeschreven worden. In gevallen van een huurwoning waarbij dit
                                    niet van toepassing is, wordt in principe uitgegaan van het
                                    primaat van losse woonunits. Een uitbouw wordt immers eigendom
                                    van de corporatie, die hem ook moet onderhouden. De uitbouw kan
                                    hogere huurlasten voor de aanvrager betekenen, die mogelijk weer
                                    (deels) worden gecompenseerd met hogere huurtoeslag. Waar
                                    mogelijk wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang
                                    gegeven middels deze bepaling. </al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al><vet>Uitsluitingen</vet></al><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming
                                    voor het treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als
                                    het een woonruimte betreft die als zelfstandige woonruimte in
                                    het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aange
                                    merkt worden en bestemd is voor permanente huisvesting. </al><al>Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en
                                    binnenschepen. Deze komen weinig voor en worden apart geregeld
                                    in het verstrekkingenbeleid. </al><al>Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in
                                    gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of voor
                                    personen met een beperking of voorzieningen die in dergelijke
                                    gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie
                                    zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. </al><al><vet>Artikel 19</vet></al><al><vet>Hoofdverblijf</vet></al><al>Voor toelichting op dit artikel wordt verwezen naar artikel 1
                                    lid 1 sub w en artikel 2 lid 2 sub b en i van deze
                                    verordening.</al><al><vet>Artikel 20</vet></al><al><vet>Aanvang werkzaamheden en feitelijke beoordeling
                                        woonsituatie</vet></al><al>In dit artikel zijn een aantal zaken geregeld met het oog op de
                                    mogelijkheid de feitelijke woonsituatie te kunnen
                                    beoordelen.</al><al><vet>Artikel 21</vet></al><al><vet>Duidelijkheid over financiering van niet door de financiële
                                        tegemoetkoming gedekte deel van de kosten</vet></al><al>Indien er geen duidelijkheid bestaat over de wijze van
                                    financiering van het niet door de tegemoetkoming gedekte deel
                                    van de voorziening staat het niet vast dat de voorziening
                                    daadwerkelijk getroffen kan worden. Het mag duidelijk zijn dat
                                    er in dat geval geen tegemoetkoming wordt verleend. Personen met
                                    een beperking die een huurwoning bewonen, dient overeenstemming
                                    te bestaan tussen huurder en verhuurder over de financiering van
                                    het niet gedekte deel van de investering. Deze overeenstemming
                                    kan bestaan uit een doorberekening in de huur of afspraken over
                                    rente en aflossing van een door de verhuurder aan de huurder
                                    verstrekte lening of een andere wijze van financieren door de
                                    persoon met beperking zelf.</al><al>Voor personen met een beperking die een eigen woning laten
                                    aanpassen dient duidelijk te zijn dat voorzien is in de
                                    financiering van het niet door de tegemoetkoming gedekte
                                    deel.</al><al><vet>Artikel 22</vet></al><al><vet>Het verwerven van grond</vet></al><al>Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning
                                    of het groter bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft kan
                                    de gemeente een financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten
                                    van het verwerven van extra grond die noodzakelijk is om de
                                    woningaanpassing te realiseren. Alleen de grond die noodzakelijk
                                    is voor de woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor
                                    een financiële tegemoetkoming, waarbij een maximum aantal
                                    vierkantenmeter wordt gehanteerd voor de verschillende
                                    vertrekken. Er wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt
                                    indien de extra te verwerven grond als tuin of iets
                                    vergelijkbaars wordt benut. </al><al><vet>Artikel 23. t/m 25</vet></al><al><vet>Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en
                                        binnenschepen</vet></al><al>De uitgangspunten en de gevallen waarin een voorziening aan een
                                    woonwagen, woonschip of het verblijf van een binnenschip kan
                                    worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen.
                                    Toch zijn er voor de gemeente redenen om, gezien de kenmerken
                                    van deze woonruimten, nadere voorwaarden te stellen. </al><al><vet>Artikel 26</vet></al><al><vet>Verhuis-</vet><vet> en (her)inrichtingskosten</vet></al><al>In geval wordt verhuisd van de ene naar de andere gemeente dan
                                    moet een verhuiskostenvergoeding worden aangevraagd bij de te
                                    verlaten gemeente.</al><al>Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk
                                    gebruik gemaakt wordt van de voorraad aangepaste woningen in de
                                    gemeente. Om zo doelmatig mogelijk met de voorraad aangepaste
                                    woningen om te gaan kan het wenselijk zijn dat indien de
                                    koppeling tussen de persoon met beperking en de aangepaste
                                    woning wordt verbroken (bijvoorbeeld door overlijden van een
                                    persoon met een beperking) deze woning opnieuw aan een andere
                                    persoon met beperking wordt toegewezen. In dat geval zullen de
                                    achterblijvende huurders naar een andere woonruimte moeten
                                    verhuizen. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de belangen
                                    van de achterblijver.</al><al>Het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding kan hiertoe als
                                    stimuleringsmaatregel gezien worden. Het college kan besluiten
                                    om een financiële tegemoetkoming te verstrekken ten behoeve van
                                    het vrijmaken van een aangepaste woning. Als college de
                                    achterblijvende gezinsleden verzoekt om de woning vrij te maken
                                    kunnen zij in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de
                                    verhuiskosten.</al><al>In lid 2 van dit artikel wordt aangegeven wanneer geen
                                    verhuiskostenvergoeding wordt toegekend. </al><al><vet>Artikel 27</vet></al><al><vet>Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                                    reparatie</vet></al><al>Alleen van bepaalde voorzieningen komen de kosten van onderhoud,
                                    keuring en reparatie in aanmerking voor een financiële
                                    tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is
                                    gelijk aan de daadwerkelijke kosten van de keuring of reparatie.
                                    Het maximaal aantal keurings- en onderhoudskosten per
                                    voorziening staan vermeld in het Financieel besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel. </al><al>Op grond van de wet is de gemeente niet verplicht om
                                    onderhouds-, keurings- en reparatiekosten te vergoeden. Alleen
                                    het treffen van een voorziening is expliciet in de wet geregeld.
                                    Als deze kosten niet vergoed worden zal de verhuurder deze
                                    kosten waarschijnlijk meenemen in de exploitatie van het niet
                                    door de financiële tegemoetkoming gedekte deel van de
                                    investering. Om een aantal redenen kan de gemeente er toch toe
                                    besluiten om de kosten van een aantal specifieke voorzieningen
                                    te vergoeden, omdat deze kosten regelmatig moeten worden gemaakt
                                    dan wel relatief hoog zijn.</al><al>Het gaat hierbij vooral om voorzieningen die (elektrisch)
                                    beweegbaar zijn en waar om die reden slijtage kan optreden
                                    waardoor de veiligheid van het gebruik van de voorziening niet
                                    langer kan worden gegarandeerd. Er wordt hierbij voornamelijk
                                    gedacht aan liften, automatische deuropeners en (elektrische)
                                    beweegbare keukens.</al><al><vet>Artikel 28</vet></al><al><vet>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</vet></al><al>Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de
                                    mogelijkheden van de persoon met beperking ligt om te voorkomen
                                    dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten worden, kan tot
                                    vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke
                                    huisvesting worden overgegaan.</al><al><vet>Artikel 29</vet></al><al><vet>Huurderving</vet></al><al>Het vinden van een geschikte huurder voor een aangepaste woning
                                    zal in veel gevallen langer duren wanneer het gaat om een
                                    persoon met beperking. Om deze reden kan een grens worden
                                    getrokken bij een investeringsbedrag die is vastgelegd in het
                                    Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel
                                    of woningen die zijn aangepast met een traplift. </al><al>Woningen die voor een lager bedrag zijn aangepast zullen in veel
                                    gevallen niet zo specifiek zijn aangepast dat het vinden van een
                                    geschikte kandidaat door de woningaanpassingen belemmerd wordt.
                                    Door de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in
                                    de gederfde huurinkomsten te verlenen kan bevorderd worden dat
                                    de aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor de persoon met
                                    beperking.</al><al>In de exploitatie van een woning wordt rekening gehouden met een
                                    bepaald percentage huurderving. Om deze reden is het te
                                    verantwoorden dat de verhuurder het normale risico van leegstand
                                    loopt. De eerste maand dat de woning leeg staat mag als no rmaal
                                    beschouwd worden. Het is daarentegen niet onredelijk dat de
                                    gemeente enigszins tegemoet komt in de extra risico's die een
                                    verhuurder loopt als gevolg van het feit dat er sprake van een
                                    aangepaste woning is.</al><al>Door het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de
                                    kosten van huurderving deelt de gemeente in de risico's van de
                                    verhuurder. Het zou niet redelijk zijn als het risico volledig
                                    bij één van de partijen zou worden gelegd. Beide partijen hebben
                                    er belang bij dat de woning op zo'n kort mogelijk termijn weer
                                    verhuurd kan worden.</al><al>De in dit artikel genoemde mogelijkheid tot financiële
                                    tegemoetkoming is bedoeld als stimulans om de bereidheid van de
                                    woningeigenaar te vergroten zijn medewerking aan het aanpassen
                                    van de woonruimte te verlenen.</al><al><vet>Artikel 30</vet></al><al><vet>Aanvullende begrenzing recht op
                                    woonvoorzieningen</vet></al><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een
                                    duidelijke samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en
                                    de beperkingen die men heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen
                                    die hun oorzaak vinden in anderen factoren dan die beperkingen,
                                    kunnen worden geweigerd op grond dit artikel.</al><al>Ad a.</al><al>De verhuizing naar een ongeschikte woning wordt genoemd als
                                    weigeringgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden
                                    beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is
                                    dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen.
                                    Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke
                                    reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege
                                    samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders en het
                                    niet mogelijk bleek om te verhuizen naar een adequate
                                    woning.</al><al>Ad b.</al><al>Als een persoon met beperking verhuist, zal deze in relatie tot
                                    die beperking, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke
                                    woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning
                                    kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de
                                    gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet
                                    alleen gedoeld op feitelijke verhuizing, maar ook op
                                    onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan
                                    een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur of
                                    erfpachtcontract. </al><al>Ad c.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in
                                    hoofdzaak zijn gericht op het individu, worden in beginsel geen
                                    voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen
                                    verstrekt. Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                                    gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor voorzieningen in
                                    gemeenschappelijke ruimten. </al><al>Ad d. en e. </al><al>Veel verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen,
                                    onafhankelijk van de beperkingen die men heeft. Te denken valt
                                    aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een zelfstandige
                                    woonruimte of de verhuizing van een seniorenwoning naar een
                                    kleinere woning of aanleunwoning, omdat een eengezinswoning te
                                    bewerkelijk is geworden en de kinderen zelfstandig zijn gaan
                                    wonen. </al><al>Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen
                                    kunnen niet als hoofdverblijf adequaat gemaakt worden. Daarvoor
                                    zal dus geen woonvoorziening worden verstrekt. Immers,
                                    aanpassing leidt niet tot een adequate situatie en verhuizen
                                    vanuit een dergelijke woning naar een woning die wel geschikt is
                                    om het hele jaar te bewonen kan als algemeen gebruikelijk worden
                                    beschouwd. Ook zonder beperking zou men immers moeten verhuizen
                                    naar een woning die wel het hele jaar bewoonbaar is. </al><al>Ad f.</al><al>Verhuizing naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden er toe
                                    dat de aanvrager buiten de doelgroep van de wet valt. Deze
                                    mensen kunnen immers niet meer zelfstandig participeren en
                                    hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen. Als er in de
                                    verlaten woning geen problemen bij het normale gebruik van de
                                    woning werden ervaren, is verhuizing naar de nieuwe woning
                                    kennelijk de oorzaak van de problemen en is men ve rhuisd naar
                                    een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals
                                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak om een
                                    woonvoorziening, hetgeen al meerdere malen door de Centrale Raad
                                    van Beroep is bevestigd. </al><al>Ad g. en h.</al><al>Deze artikelen behoeven geen verdere toelichting</al><al><cursief>Ad i.</cursief></al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet
                                    voorzieningen gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin
                                    gebruikte materialen voor problemen zorgen.Het is daarbij
                                    zaak onderscheid te maken tussen de constructie, waarbij een
                                    bepaald materiaal is toegepast, en de aard van het gebruikte
                                    materiaal zelf.</al><al><vet>Artikel 31</vet></al><al><vet>Terugbetaling bij verkoop</vet></al><al>De Verordening Wet voorzieningen gehandicapten bevatte een
                                    zogenaamde anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze
                                    verordening terug en heeft als doel het door de eigenaar laten
                                    terugbetalen van een deel van de waardestijging, die het gevolg
                                    is van de aanpassing van de eigen woning op grond van de wet. De
                                    datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum
                                    reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de
                                    meerwaarde ten gevolge van de aanpassing is. Het is aan het
                                    college om te bepalen of en in hoeverre in een concrete situatie
                                    gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een
                                    afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het
                                    effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten)
                                    in relatie tot de te verwachten baten.</al><al><vet>HOOFDSTUK 5 Het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel</vet></al><al><vet>Artikel 32</vet></al><al><vet>Vormen van vervoersvoorzieningen</vet></al><al>Ad a.</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van
                                    het collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf
                                    1994 onder de Wet voorzieningen gehandicapten heeft ontwikkeld.
                                    Naast het collectief vervoer kan ook worden gedacht aan de
                                    mogelijkheden voor het opzetten van scootmobielpools.</al><al>Ad b.</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een
                                    diversiteit van vervoermiddelen. In de Beleidsregels
                                    maatschappelijke ondersteuning en het Financieel besluit
                                    maatschappelijke voorzieningen Ouder-Amstel wordt uitgewerkt
                                    onder welke voorwaarden men voor een bepaald soort
                                    vervoersvoorziening in aanmerking komt.</al><al>Ad c.</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen
                                    gehandicapten is het persoonsgebonden budget. De vaststelling
                                    van de hoogte van het persoonsgebonden budget door het college
                                    wordt in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    Ouder-Amstel uitgewerkt.</al><al><vet>Artikel 33</vet></al><al><vet>Het recht op een algemene voorziening</vet></al><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare
                                    beperkingen van de persoon in relatie tot de beperkingen van de
                                    bestaande vervoerssystemen bepalend zijn voor de vraag of, en zo
                                    ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een
                                    voorziening.</al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een
                                    vervoermiddel is het ten gevolge van een beperking niet kunnen
                                    gebruiken van het openbaar vervoer. Die regel stamt uit de aan
                                    de Wet voorzieningen gehandicapten voorafgaande Algemene
                                    arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en wordt in de praktijk
                                    beoordeeld door te kijken naar de loopafstand van een aanvrager
                                    (800-metergrens).</al><al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een
                                    functionele beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op
                                    een vervoersvoorziening. Psychische problemen van tijdelijke
                                    aard (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de
                                    trein) zijn daardoor in principe geen indicatie voor een
                                    vervoersvoorziening. Hier moet een adequate voorziening
                                    getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden buiten
                                    de wet, door middel van hulpverlening waardoor de blokkade
                                    opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te
                                    lossen, dan was de problematiek tijdelijk en viel deze derhalve
                                    terecht niet onder de wet, vanwege het ontbreken van een
                                    langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het
                                    probleem niet met hulpverlening opgelost kan worden. Dan is wel
                                    een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een
                                    vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><al><vet>Artikel 34</vet></al><al><vet>Het primaat van het collectief vervoer</vet></al><al>Dit artikel geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan
                                    boven de individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c.
                                    van artikel 32. Dit betekent dat eerst wordt bekeken of het
                                    collectief vervoer de beperkingen voldoende compenseert. Pas als
                                    dat niet het geval is, heeft de aanvrager recht op een
                                    individuele vervoersvoorziening zoals een scootmobiel of een
                                    (aangepaste) auto.</al><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het
                                    gebruik van een collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit
                                    is het geval wanneer het collectief systeem de vervoersbehoefte
                                    van de aanvrager die een aanspraak heeft niet volledig dekt. Dit
                                    is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang
                                    bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een
                                    loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen collectief
                                    vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate
                                    voorziening.</al><al><vet>Artikel 35</vet></al><al><vet>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</vet></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak
                                    van de Centrale Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een
                                    inkomensgrens voor een forfaitaire tegemoetkoming in
                                    vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 maal de bijstandsnorm
                                    niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met een
                                    dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer
                                    of bezit en gebruik van een auto zelf t e kunnen dragen. </al><al><vet>Artikel 36</vet></al><al><vet>Omvang in gebied en in kilometers</vet></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor
                                    vervoer beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven
                                    van alledag in de directe woon- of leefomgeving. De wet spreekt
                                    nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich lokaal
                                    verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan
                                    de zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar
                                    aangezien met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet is
                                    beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen gehandicapten te
                                    beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat
                                    alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen
                                    vallen. Vandaar dat conform de onder de Wet voorzieningen
                                    gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de
                                    eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de
                                    bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de
                                    Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale
                                    Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat
                                    een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de
                                    mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis minimaal 1.500 tot
                                    2.000 kilometer af te leggen. De strekking van deze
                                    jurisprudentie wordt hier aangehouden, aangezien met de wet niet
                                    wordt beoogd de werkingssfeer van de Wet voorzieningen
                                    gehandicapten uit te breiden.</al><al><vet>HOOFDSTUK 6 Verplaatsen in en rond de woning</vet></al><al><vet>Artikel 37</vet></al><al><vet>Vormen van rolstoelvoorzieningen</vet> In de Wet
                                    voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen als aparte
                                    categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke
                                    ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet
                                    niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de
                                    voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te
                                    versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige
                                    voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond
                                    de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden.
                                    Een (elektrische) trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd
                                    en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel
                                    valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken
                                    voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een
                                    verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel
                                    van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend
                                    verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te
                                    verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators,
                                    wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten
                                    van onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder
                                    de wet.</al><al>Onder a. is geregeld dat incidenteel noodzakelijke rolstoelen
                                    worden verstrekt via een algemene rolstoelvoorziening. Het
                                    betreft dan situaties waarbij incidenteel een rolstoel nodig is,
                                    terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder
                                    rolstoel plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan
                                    in die situaties ingevuld worden via een rolstoelpool waarop de
                                    betrokkene een beroep op kan doen. Hierdoor wordt voorkomen dat
                                    een individueel verstrekte rolstoel slechts incidenteel wordt
                                    gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een
                                    rolstoel uit de pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende
                                    geschikte rolstoelen op voorraad hebben. Onder b. en c. betreft
                                    het de individuele rolstoel voor dagelijks zittend gebruik,
                                    terwijl onder d. de sportrolstoel wordt genoemd.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, maar nodig zijn in verband
                                    met therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet
                                    verstrekt. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder
                                    het begrip rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                                    was de sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm van een
                                    forfaitaire financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke
                                    voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                                    verstrekt.</al><al><vet>Artikel 38</vet></al><al><vet>Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                                        rolstoel gebruik en sportrolstoel</vet></al><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel
                                    uit een rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om
                                    incidenteel gebruik van de rolstoel, terwijl een rolstoel in
                                    natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt
                                    zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend
                                    verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk
                                    is. Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken,
                                    een rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing
                                    bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit
                                    noodzakelijk is, een rolstoel ver strekt worden in aanvulling op
                                    dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks
                                    noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden
                                    vastgelegd in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning
                                    Ouder-Amstel.</al><al>Indien de rolstoel nodig is voor dagelijks zittend verplaatsen
                                    in en om de woning kan de rolstoel verstrekt worden als
                                    voorziening in natura of als persoonsgebonden budget. Een
                                    rolstoel uit de rolstoelpool is dan immers geen adequate
                                    voorziening. </al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een
                                    forfaitaire vergoeding, zal verstrekt worden als zonder de
                                    sportrolstoel sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn.
                                    Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel uitsluitend een
                                    sportrolstoel verstaan te worden. De vastframe handbike ofwel
                                    marathonrolstoel dient als sportrolstoel ge zien te worden.
                                    Andere sportvoorzieningen worden niet verstrekt.</al><al><vet>Artikel 39</vet></al><al><vet>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor bewoners van een
                                        </vet><vet>AWBZ-instelling</vet></al><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan
                                    bewoners van een AWBZ-instelling bestaat alleen indien de
                                    betreffende persoon zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de
                                    functie “behandeling” geniet in één en dezelfde AWBZ-instelling
                                    en deze instelling voor beide AWBZ-functies een erkenning heeft.
                                    Als een AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook
                                    geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een
                                    rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning. </al><al><vet>HOOFDSTUK 7 Het verkrijgen van voorzieningen en het
                                        motiveren van besluiten</vet></al><al><vet>Artikel 40</vet></al><al><vet>Aanvraag en gebruik aanvraagformulier</vet></al><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat
                                    een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk
                                    wordt ingediend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
                                    bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling van de
                                    kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een
                                    aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze
                                    wet kan dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen
                                    initiatief iets in zijn of haar richting wordt ondernomen. In
                                    dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op
                                    een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag
                                    in het kader van de wet die niet op het beschikbaar gestelde
                                    aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet zonder meer
                                    buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht
                                    bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van
                                    de aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd
                                    wordt, dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn.
                                    Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat
                                    overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de
                                    overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor
                                    de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling
                                    van de gegevens.</al><al><vet>Artikel 41. Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                                        Ziektekosten</vet></al><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30
                                    131-54) is in artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen
                                    dat de gemeenteraad bij verordening regels moet vaststellen
                                    omtrent de wijze waarop de toegang tot individuele voorzieningen
                                    in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen en zorg
                                    als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                                    geregeld. </al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat
                                    lid 2, onder a. ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter
                                    één loket de samenhang van toegang tot voorzieningen krachtens
                                    deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of
                                    toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is geregeld”,
                                    wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling
                                    en toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de
                                    wetsbepaling “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als
                                    bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten” gebundeld
                                    (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd, terwijl in de
                                    toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is
                                    gebaseerd onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot
                                    zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ en toegang tot voorzieningen
                                    op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals hierboven al
                                    geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt
                                    tussen raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd.
                                    Praktisch gezien zal de concrete uitvoering van activiteiten in
                                    het zorgloket en de werking ervan een typische
                                    uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de
                                    verantwoordelijkheid van het college. </al><al><vet>Artikel 42</vet></al><al><vet>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</vet></al><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel bepaalt dat het college
                                    bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen
                                    en te ondervragen op een door het college te bepalen plaats en
                                    tijdstip en te laten onderzoeken en/of ondervragen door een of
                                    meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking
                                    dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een
                                    vijftal artikelen enige algemene bepalingen over (externe)
                                    advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft
                                    aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een
                                    persoon of </al><al>college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en
                                    niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.
                                    In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wet
                                    voorzieningen gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er
                                    een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de
                                    uitvoering van de wet echter onontbeerlijk zijn. De gemeente
                                    dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de
                                    wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet
                                    opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in
                                    verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een
                                    eenduidige vermelding onmogelijk maakt. </al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste
                                    aanvraag door de betrokkene betreft én een voorziening word
                                    aangevraagd die een in het in het Financieel besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Ouder-Amstel genoemde bedrag te
                                    boven gaat. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het
                                    wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij
                                    vooruitlopend op dit proces reeds eerder ingrijpender
                                    maatregelen getroffen dienen te worden dan op het moment van de
                                    aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het
                                    begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien
                                    speelt bij de betrokken aanvrager. </al><al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder b., kan
                                    uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies. Met name
                                    wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is
                                    advies onontbeerlijk. Soms kan een op het oog eenvoudige
                                    aanvraag leiden tot een stroom van verdere aanvragen, zonder dat
                                    duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van
                                    voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de aanvrager
                                    en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt
                                    in het bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk
                                    objectiveerbare aandoeningen: (m)moa’s.</al><al>Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst
                                    wordt geacht. Door deze bepaling is het echter te allen tijde
                                    mogelijk om advies te vragen. Het is verstandig hierbij te (ku
                                    nnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het oog op een
                                    eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen
                                    spelen. </al><al>De bepaling in lid 3 spreekt voor zich; het is duidelijk dat
                                    gegevens inzake de medische toestand, het inkomen, de
                                    woonsituatie en allerlei andere gegevens noodzakelijk kunnen
                                    zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een duidelijke
                                    praktische samenhang met artikel 40 van deze verordening, inzake
                                    het gebruik van een door het college te verstrekken formulier.
                                    Door middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures
                                    inzake de gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk
                                    is voor het nemen van een besluit op de aanvraag, zie
                                    hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet bestuursrecht. Weigert
                                    de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                                    noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college
                                    niets anders dan de aanvraag volgens de procedure van artikel
                                    4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling te laten. </al><al>Ten aanzien van het omgaan met de vaak privacygevoelige gegevens
                                    moet de gemeente rekening houden met de verplichtingen die
                                    voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet
                                    worden van de zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld
                                    Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling is in de verordening
                                    opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement 65,
                                    waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                                    International Classification of Functions, Disabilities and
                                    Impairments (ICF-classificatie) een uniform begrippenkader dat
                                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                                    individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in
                                    de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze
                                    classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de
                                    ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet Bijzondere
                                    Ziektekosten en de Wmo vergemakkelijken.</al><al>Lid 5 bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke
                                    wijze het genomen besluit bijdraagt aan het behouden en
                                    bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke
                                    participatie van mensen met een beperking of een chronisch
                                    psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal
                                    probleem.</al><al><vet>Artikel 43</vet></al><al><vet>Samenhangende afstemming</vet></al><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de
                                    raad in de verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van
                                    individuele voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de
                                    situatie van de aanvrager. Deze bepaling is bedoeld om, naast de
                                    toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf,
                                    vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien. </al><al><vet>Artikel 44</vet></al><al><vet>Wijziging in de situatie</vet></al><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld
                                    dienen te worden in al die gevallen dat zij van invloed zijn op
                                    de verstrekte of te verstrekken voorzieningen.</al><al><vet>Artikel 45</vet></al><al><vet>Intrekking van een voorziening</vet></al><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan
                                    voorwaarden, zoals in deze verordening vermeld. Het is daarom
                                    raadzaam om een belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die
                                    het recht op de voorziening met zich meebrengen. </al><al>Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te
                                    wijzen op de verplichting om wijzigingen in de situatie aan het
                                    college door te geven. Mocht er sprake zijn van een, om wat voor
                                    reden dan ook, ten onrechte toegekende voorziening, dan
                                    vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking een
                                    eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een
                                    voorziening, omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op
                                    onbekendheid met de feiten.</al><al><vet>Artikel 46</vet></al><al><vet>Terugvordering</vet></al><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van
                                    voorzieningen, wat reden is om deze mogelijkheid op te nemen in
                                    de Verordening, omdat er anders geen juridische basis is om
                                    voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later blijkt,
                                    ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura)
                                    is, kan het college de voorziening geheel of gedeeltelijk
                                    terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op de
                                    voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter
                                    geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de Wet werk en
                                    bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van
                                    een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde
                                    betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203
                                    e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure
                                    zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de vordering
                                    hoger is dan </al><al>€ 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij de
                                    rechtbank noodzakelijk is.Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden,
                                    zonder verplichte procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in
                                    ieder geval gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de
                                    aanvrager sprake is van verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust
                                    verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn
                                    inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura
                                    aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn
                                    eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te
                                    voldoen. Het is raadzaam vooraf een inschatting te maken van de
                                    kosten en te verwachten baten, gezien de mogelijke kosten van
                                    een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen
                                    gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een
                                    procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten, zoals de
                                    kosten van inschakeling van een deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming binnen zes
                                    maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging
                                    van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling
                                    ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen
                                    waarbij de betaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan
                                    de aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij
                                    woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de
                                    uitbetaling pas plaatsvindt nadat de woningaanpassing is
                                    uitgevoerd. </al><al><vet>HOOFDSTUK 8 Overgangsrecht</vet></al><al><vet>Artikel 47</vet></al><al><vet>Overgangsrecht</vet></al><al>Personen die voor inwerkingtreding van deze verordening geen
                                    eigen bijdrage betalen voor de voorziening die zij van de
                                    gemeente Ouder-Amstel hebben ontvangen (in eigendom of in
                                    bruikleen) zullen bij invoering van deze verordening geen eigen
                                    bijdrage verschuldigd zijn voor de voorziening die zij reeds in
                                    eigendom of in bruikleen hebben. Indien een persoon een nieuwe
                                    voorziening aanvraagt is hij daar wel een eigen bijdrage voor
                                    verschuldigd evenals bij vervanging van de voorziening. </al><al><vet>HOOFDSTUK 9 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 48</vet></al><al><vet>Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten
                                    gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze
                                    verordening, maar niet van de in de wet zelf genoemde
                                    bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen. Dit
                                    afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de
                                    betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de
                                    woonruimte. </al><al>Gedacht kan worden aan het verstrekken van een financiële
                                    tegemoetkoming aan een woningeigenaar, bijvoorbeeld een
                                    woningbouwvereniging, voor een langere periode dan op grond van
                                    de Verordening recht op bestaat in een situatie waarin een
                                    persoon met beperkingen voor wie de aangepaste woning uitermate
                                    geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om
                                    een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te
                                    verstrekken. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet
                                    beschouwd worden als een uitzondering bij bijzondere gevallen en
                                    niet als een regel. Het college moet in verband met
                                    precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een
                                    bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.</al><al><vet>Artikel 49</vet></al><al><vet>Indexering</vet></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het
                                    op de verordening gebaseerde Financieel besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning Ouder-Amstel, te indexeren. Indexering vindt
                                    plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de
                                    gezinsconsumptie. </al><al><vet>Artikel 50</vet></al><al><vet>Evaluatie</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt niet nader
                                    toegelicht.</al><al><vet>Artikel 51</vet></al><al><vet>Inwerkingtreding </vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt niet nader
                                    toegelicht.</al><al><vet>Artikel 52. Citeertitel</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt niet nader
                                    toegelicht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>