<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR433508_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad jaargang 2016, Nr. 10204</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">-</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta><body><intitule/><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit tot vaststelling van de ‘Verordening verontreinigingsheffing
                            </vet><vet>W</vet><vet>aterschap Vallei en Veluwe
                            201</vet><vet>7</vet><vet>’</vet><vet>.</vet></al><al>Het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe;</al><al>op voordracht van het college van dijkgraaf en heemraden van 10 oktober
                        2016,</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet en hoofdstuk 7 van de
                        Waterwet en hoofdstuk 6, § 2, van het Waterschapsbesluit;</al><al><vet>B e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen:</al><al>De ‘Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2017’
                    </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het
                                aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen,
                                alsmede de bijbehorende bodem en oevers, flora en fauna ten aanzien
                                waarvan het waterschap ingevolge artikel 3.2 van de Waterwet is
                                aangewezen als beheerder<vet>, </vet>met uitzondering van de gronden
                                die ingevolge artikel 3.1 of 3.2 van de Waterwet zijn aangewezen als
                                drogere oevergebieden;</al></li><li nr="b."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 9 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in
                                beheer bij het waterschap;</al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd
                                zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een
                                woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar
                                vuilwaterriool;</al></li><li nr="f."><al>openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en het
                                transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of
                                een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is
                                belast;</al></li><li nr="g."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk
                                afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel
                                een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de
                                zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het
                                bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk
                                afvalwater;</al></li><li nr="h."><al>stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel
                                daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of
                                ander afvalwater;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur
                                van GBLT aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                onderdeel a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="j."><al>watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, tweede
                                lid, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="k."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drinkwaterwet;</al></li><li nr="l."><al>ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, warm tapwater,
                                onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al></li><li nr="m."><al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="n."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                van de Drinkwaterwet.</al></li><li nr="o."><al>GBLT: het openbaar lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor
                                Lococensus – Tricijn te Zwolle, handelend onder de naam ‘GBLT’.</al><al>Artikel 2 Bijlagen</al><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al>– Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                berekening;</al><al>– Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in
                                artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting
                            geheven ter zake van lozen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                    bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                    ruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van een
                                    zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat
                                    zuiveringtechnisch werk in beheer is;</al></li><li nr="c."><al>ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b: degene
                                    die loost.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden
                                    aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar belast met de
                                    heffing aangewezen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in
                                    gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die het
                                    deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik
                                    heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op
                                    degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte
                                    voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die
                                    die ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte
                                    ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de heffing als zodanig
                                    te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is
                                    gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de
                            bekostiging van het beheer van het watersysteem door het
                            waterschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>het lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool;</al></li><li nr="b."><al>het lozen door het waterschap zelf;</al></li><li nr="c."><al>het lozen van stoffen afkomstig vanuit een zuiveringtechnisch werk
                                anders dan door het waterschap zelf, mits de hoeveelheid stoffen
                                niet is toegenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld
                            in artikel 18 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo
                            dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                            eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                            verschuldigd voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de
                            voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na de aanvang
                            van de heffingsplicht, nog volle etmalen resteren. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het eerste
                            lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op
                            ontheffing voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor
                            dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de
                            heffingsplicht, nog volle etmalen resteren. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de dagtekening
                            van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing
                            indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de
                            heffingsplichtige in de loop van het heffingsjaar het gebruik van een
                            woonruimte beëindigt en direct aansluitend het gebruik krijgt van een
                            woonruimte die eveneens in het gebied van waterschap Vallei en Veluwe
                            ligt en er vanuit de nieuwe woonruimte eveneens wordt geloosd als
                            bedoeld in artikel 1 onder c. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aangifte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de verontreinigingsheffing geheven van gebruikers van
                            bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt
                                    verzocht</al><al> om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in het derde lid,
                                    onderdeel b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek van degene die op de wijze, bedoeld in het eerste lid,
                            onderdeel b, is uitgenodigd tot het doen van aangifte, wordt door de
                            ambtenaar belast met de heffing een aangiftebiljet als bedoeld in het
                            eerste lid, onderdeel a, toegezonden of uitgereikt indien van de
                            desbetreffende aangifteplichtige redelijkerwijs niet kan worden verwacht
                            dat deze aangifte kan doen op de wijze, bedoeld in lid 3, onderdeel
                            b.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet
                                    met de eventueel daarbij gevraagde bescheiden;</al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende
                                    programmatuur gevraagde gegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het derde lid, onderdeel b, toepassing vindt, worden de eventueel
                            gevraagde bescheiden afzonderlijk ingeleverd of toegezonden. De via de
                            programmatuur, bedoeld in laatstgenoemd onderdeel b, toe te zenden dan
                            wel in te leveren gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan die welke
                            toegezonden dan wel ingeleverd hadden moeten worden als voor de aangifte
                            als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>(ongebruikt)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Heffingsjaar</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                            en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                            geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                            stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde
                            wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                            stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                            zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                            stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                            verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                            zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                            kilogram zuurstof.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>&lt;Vervallen&gt; </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>&lt;Vervallen&gt; </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                            wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse
                            verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening
                            geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen
                            voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden
                            ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel
                            11.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van
                                    de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                    hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit
                                    het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt geloosd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                            beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor aanvang van
                            het heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.
                            Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar
                            aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging
                            ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                                    afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A,
                                    opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit
                                    noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde
                                    lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en
                                    bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van
                                    de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan
                                    aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden
                                    afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                    analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk
                                    maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse
                                    hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en
                                    c nadere voorschriften geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
                            Deze beschikking bevat in elk geval:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt
                            afgeweken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het
                            vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde
                            bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te
                            verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                            beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                            lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                            berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                            gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een
                            beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met
                            de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het
                            bepaalde in artikel 10, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt
                            genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat
                            in elk geval:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het onderzoek
                            dienen te worden betrokken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder
                            etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen
                            daarvan;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden
                            herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld
                            tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                            beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel
                            C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die
                            beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd beschikkingen als bedoeld
                            in lid 1 van dit artikel op één geschrift samen te voegen met
                            beschikkingen die hij neemt op grond van artikel 10, lid 5, mits die
                            beschikkingen betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde
                            bedrijfsonderdeel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                            zuurstofverbruik bedoeld in artikel 9 in belangrijke mate is beïnvloed
                            door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op
                            aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie
                            toegepast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van het
                            voorschrift, opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in
                            het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking
                            bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie;</al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                    correctie van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                    meting, bemonstering en analyse;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven.</al><al>Artikel 13 Tabel afvalwatercoëfficiënten</al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 10, eerste lid,
                                            kan het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot
                                            het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                                            bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden
                                            vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze
                                            verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten,
                                            indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt
                                            dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot
                                            het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of minder
                                            bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                                            ingenomen water kan worden bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste
                                            lid wordt berekend volgens de formule A x B,
                                            waarbij:</al><al> A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van
                                            de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte
                                            ingenomen water;</al></li></lijst><al>B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                    Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                    vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                                    ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                    bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al><lijst><li nr="3."><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid
                                            water niet kan worden vastgesteld aan de hand van
                                            watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van
                                            het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar
                                            belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door
                                            hem nader vast te stellen wijze.</al></li><li nr="4."><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het
                                            zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het tweede lid
                                            wordt ingevolge artikel 7.3 van de Waterwet bepaald met
                                            toepassing van de algemene maatregel van bestuur als
                                            bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van de
                                            Waterschapswet.</al></li><li nr="5."><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot
                                            het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                                            bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000
                                            bedraagt en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                                            de berekening van het aantal vervuilingseenheden met
                                            toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde
                                            tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt
                                            verkregen bij berekening op de voet van artikel 10,
                                            eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de heffing
                                            bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van
                                            heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden
                                            wordt berekend met toepassing van de tabel.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 14 Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</vet></al><lijst><li nr="1"><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de
                                            vervuilingswaarde van de stoffen die worden geloosd
                                            vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een
                                            bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                                            uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een
                                            permanente opstand van glas of kunststof gewassen te
                                            telen, bepaald op basis van het tweede lid.</al></li><li nr="2"><al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden
                                            per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of
                                            kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare
                                            vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                                            vervuilingseenheden.</al></li><li nr="3"><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van
                                            een in het eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of
                                            onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van een deel
                                            daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt
                                            hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor
                                            dat onderdeel of voor dat deel voor een evenredig
                                            gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                                            aantal vervuilingseenheden aan een heffing
                                            onderworpen.</al></li><li nr="4"><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het
                                            onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op basis van
                                            het tweede of derde lid, van minder dan vijf
                                            vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden,
                                            en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één
                                            vervuilingseenheid gesteld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 15 </vet></al><al>&lt;&lt;vervallen&gt;&gt;</al><al><vet>Artikel 16 </vet></al><al>&lt;&lt;vervallen&gt;&gt;</al><al><vet>Artikel 17 Totale vervuilingswaarde van een
                                        bedrijfsruimte</vet></al><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de
                                    som van de aantallen vervuilingseenheden als berekend
                                    overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14, voorzover deze van
                                    toepassing zijn.</al><al>Artikel 18 Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de
                                            vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                                            bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk
                                            voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld
                                            op drie vervuilingseenheden indien door de
                                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die
                                            vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden
                                            bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de
                                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één
                                            vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanslag is opgelegd voor drie
                                            vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk
                                            maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of
                                            minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De
                                            heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het
                                            heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht,
                                            in de loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen
                                            bij de ambtenaar belast met de heffing. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 19 Vervuilingswaarde van woonruimten</vet></al><lijst><li nr="1"><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de
                                            vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                                            woonruimte worden geloosd, gesteld op drie
                                            vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen
                                            die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte
                                            worden geloosd, wordt gesteld op één
                                            vervuilingseenheid.</al></li><li nr="2"><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor
                                            recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich
                                            bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein
                                            dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige
                                            volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt
                                            als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een
                                            bedrijfsruimte.</al></li><li nr="3"><al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een
                                            woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in
                                            de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde
                                            op één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de
                                            eerste dag die volgt op de dag waarop die situatie is
                                            ontstaan.</al></li><li nr="4"><al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat ná
                                            de dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op
                                            vermindering. De heffingsplichtige moet daartoe een
                                            aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                                            heffing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 20 Schatting</vet></al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal
                                    vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk
                                    door middel van schatting vaststellen, indien door de
                                    heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                            geschied in overeenstemming met de in Bijlage I
                                            opgenomen voorschriften;</al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met
                                            behulp van meting, bemonstering en analyse en bepaling
                                            van de vervuilingswaarde op basis van artikel 13, eerste
                                            of vijfde lid, 14, eerste lid, 18, eerste lid, of 19,
                                            eerste lid, niet mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met
                                            behulp van meting, bemonstering en analyse, bepaling van
                                            de vervuilingswaarde op basis van artikel 13, vijfde
                                            lid, wel mogelijk is, maar door de heffingsplichtige
                                            gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in
                                            dat artikel is gedaan;</al></li><li nr="d."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden,
                                            verbonden aan de in artikel 10, 11 of 12 bedoelde
                                            toestemming.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 21 Tarief</vet></al><al>Het tarief bedraagt € 50,88 per vervuilingseenheid.</al><al><vet>Artikel 22 Wijze van heffing en termijnen van
                                        betaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De heffing wordt geheven bij wege van aanslag.</al></li><li nr="2."><al>Belastingaanslagen en beschikkingen inzake een
                                            bestuurlijke boete dienen, met in achtneming van het
                                            overigens in dit artikel bepaalde, te worden betaald in
                                            één termijn die vervalt twee maanden na de dagtekening
                                            van de aanslag. </al></li><li nr="3."><al>Belastingaanslagen geheven ter zake van het lozen vanuit
                                            een woonruimten en waarvoor de heffingschuldige een
                                            machtiging heeft afgegeven om deze af te schrijven door
                                            middel van automatische incasso, dienen te worden
                                            betaald in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er
                                            na de dagtekening van de aanslag nog in het
                                            desbetreffende kalenderjaar volle dan wel gedeeltelijke
                                            kalendermaanden resteren, met dien verstande dat het
                                            aantal maandelijkse termijnen niet minder dan zes
                                            bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Belastingaanslagen geheven terzake van het lozen anders
                                            dan vanuit een woonruimte waarvan de dagtekening in het
                                            desbetreffende heffingsjaar ligt en waarvoor de
                                            heffingschuldige een machtiging heeft afgegeven om deze
                                            af te schrijven door middel van automatische incasso,
                                            dienen te worden betaald in zoveel gelijke maandelijkse
                                            termijnen als er na de dagtekening van de aanslag nog in
                                            het desbetreffende heffingsjaar volle dan wel
                                            gedeeltelijke kalendermaanden resteren, met dien
                                            verstande dat het aantal maandelijkse termijnen niet
                                            minder dan zes bedraagt. Voor de overige aanslagen geldt
                                            onverkort de in lid 2 neergelegde hoofdregel.</al></li><li nr="5."><al>Op het bepaalde in lid 3 en 4 van dit artikel geldt als
                                            restrictie dat het bedrag per afschrijving op het
                                            totaalbedrag van het desbetreffende aanslagbiljet niet
                                            minder dan € 5,00 bedraagt.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van GBLT kan nadere regels geven met betrekking tot de
                        heffing en de invordering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de verontreinigingsheffing wordt geen kwijtschelding
                        verleend met uitzondering van aanslagen voor woonruimten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Niet opleggen van aanslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanslag van minder dan € 5,00 wordt niet opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één
                            aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe
                                2016’, vastgesteld bij besluit van 25 november 2015 wordt
                                ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van
                                ingang van de heffing. Zij blijft van toepassing op belastbare
                                feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan, met uitzondering
                                van het bepaalde in artikel 22 van die verordening. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.</al></li><li nr="4."><al>De in bijlage I genoemde normbladen worden bekendgemaakt door
                                terinzagelegging op het kantoor van het waterschap aan de
                                Steenbokstraat 10 te Apeldoorn.</al></li><li nr="5."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening
                                verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2017’.</al></li></lijst><al>Aldus besloten in de openbare vergadering op 23 november 2016.</al><al>drs. ing. K.A. Blokland drs. T. Klip-Martin </al><al>wnd. secretaris dijkgraaf </al></artikel></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage I bij de Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en
                        Veluwe 2017: Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                        berekening</titel></kop><tussenkop>Definitiebepalingen</tussenkop><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><al>a etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een verzamelmonster
                    wordt samengesteld;</al><al>b debiet: de hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende het etmaal;</al><al>c debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische inductie)
                    het debiet gemeten wordt;</al><al>d momentaan debiet: de hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende een moment van
                    meting;</al><al>e kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een van
                    toepassing zijnde standaard;</al><al>f droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming van
                    een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;</al><al>g nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                    nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt geleid;</al><al>h gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten leiding
                    of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in contact staat met
                    de buitenlucht;</al><al>i open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                    afvalwater in contact staat met de buitenlucht;</al><al>j moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar de
                    nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al><al>k bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin van de
                    voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de analyse;</al><al>l aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het monster
                    waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden
                    vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van
                    binnenlaboratoriumreproduceerbaarheid.</al><tussenkop>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop><al>De meet- en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                    regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet- en
                    bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen
                    respectievelijk NEN 6600-1 (Water-Monsterneming-Deel 1: 2009) geïnstalleerd en
                    onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open als in een gesloten
                    meetsysteem worden gemeten en bemonsterd.</al><al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                    bemonstering.</al><al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                    etmaalverzamelmonster.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Meting</tussenkop><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                    gemeten.</al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden bepaald
                    op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het
                    bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het laatstbedoelde geval mag de per
                    etmaal geloosde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde
                    periode toegevoerde hoeveelheid water.</al><tussenkop>2.1 Open meetsystemen</tussenkop><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al><al>1 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder
                    dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet;</al><al>2 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder
                    dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal,
                    van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd,
                    minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                    overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In het
                    kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt
                    tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het
                    kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
                    afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de
                    periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil
                    wordt hierbij aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de
                    temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                    afwijking.</al><tussenkop>2.2 Gesloten meetsystemen</tussenkop><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                    mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                    debiet.</al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare mechanische
                    pulsteller.</al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer
                    of datalogger of andere vorm van geautomatiseerd registratiesysteem.</al><tussenkop>Inbouw</tussenkop><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt een
                    ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de meterspecifieke
                    kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante staat aangegeven.
                    Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling
                    van de debietmeter.</al><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij het inbouwen wordt rekening gehouden met de mogelijkheid tot het uitvoeren
                    van een natte kalibratie in–situ.</al><al>b De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf maal
                    de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>c De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee maal de
                    diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>d De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is exact gelijk aan
                    de diameter van de meetbuis.</al><al>e Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al><al>f De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                    water.</al><al>g De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een aardelektrode
                    die is ingebouwd in de meter.</al><tussenkop>Natte kalibratie</tussenkop><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde toestand
                    nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet tevens een droge
                    kalibratie te worden uitgevoerd.</al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie jaarlijks
                    plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%,
                    25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik op een ijkbevoegde- of
                    NKO-geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                    de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut.</al><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in ingebouwde
                    toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt verstaan dat een vooraf
                    nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te kalibreren meter wordt geleid
                    (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b genoemde instelling),
                    dan wel dat tijdelijk een tweede, bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe
                    gebaseerd meetsysteem in serie wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan
                    wel op een andere, door de ambtenaar belast met de heffing goedgekeurde
                    methode.</al><al>b Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een moedermeter,
                    wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij minimaal de volgende vijf
                    meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik. De natte
                    kalibratie vindt plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde- of
                    NKO-geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                    de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer
                    de moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde
                    installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen waarin
                    deze in de praktijk zal worden ingezet.</al><al>c Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde moet
                    blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport wordt bij die
                    van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al><al>d Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                    meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen worden bereikt. Bij gebruik
                    van een moedermeter vindt de natte kalibratie plaats in het meetbereik waarin de
                    te kalibreren meter onder normale bedrijfsomstandigheden functioneert.</al><al>e Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de te
                    kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake is) door
                    middel van printers of dataloggers met een frequentie van minimaal éénmaal per
                    uur geregistreerd. In geval van het toepassen van dataloggers worden ook de
                    ruwe, onbewerkte data bij het kalibratierapport gevoegd.</al><al>f Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die betrokken
                    is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                    gecontroleerd.</al><tussenkop>Droge kalibratie</tussenkop><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                    gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen de
                    elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat de meetbuis
                    (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al><al>b Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of de
                    geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis is
                    gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                    kalibratierapport vermeld.</al><al>c Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor zover
                    die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                    gecontroleerd.</al><al>d Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan 5%,
                    wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand nat
                    gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij een natte
                    kalibratie.</al><tussenkop>Kalibratierapport</tussenkop><al>Van een debietmeter moet het meest recente kalibratierapport bij de aangifte
                    overgelegd worden.</al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op
                    het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een ijkbank van een daartoe
                    bevoegde instantie), worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op
                    het kalibratierapport:</al><al>– de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking);</al><al>– eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al><al>– de justering (softwarematige aanpassing van de
                    correctiefactor/meterconstante);</al><al>– de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                    aanpassing/justering;</al><al>– de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Bemonstering</tussenkop><tussenkop>3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</tussenkop><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                    monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                    6600-1 (Water–Monsterneming Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                    bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders is bepaald
                    door de ambtenaar belast met de heffing.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Monsterbehandeling</tussenkop><tussenkop>4.1 Algemeen</tussenkop><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600-1
                    (Water-Monsterneming Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                    6600-1 (2009) wordt na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3
                    (2012). De monsters worden gekoeld en in het donker bewaard tussen 1° en 5° C.
                    Van elk verzameld monster wordt een representatief deel van drie liter gedurende
                    24 uur in een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het donker bewaard ten
                    behoeve van contra-analyse door de ambtenaar belast met de heffing. De
                    monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor
                    contra-analyse vanwege de ambtenaar belast met de heffing worden om en om
                    gevuld. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op
                    een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de desbetreffende
                    contra-analyse vanwege de ambtenaar belast met de heffing zoveel mogelijk
                    identiek zijn.</al><tussenkop>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</tussenkop><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                    bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een
                    monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                    geconserveerd, geschiedt dit binnen twaalf uur na afloop van het etmaal. De
                    eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in
                    aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur
                    gedurende de bewaartermijn.</al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor de
                    onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een
                    analyse vangt na het einde van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn
                    die bij de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van
                    het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het
                    ontdooien van bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een
                    zodanige termijn dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt
                    verstoord. Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch
                    is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen
                    van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het
                    vlak van de chemische conservering gelden.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="26*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Tabel A </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Voor analyse op</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Omgevingstemperatuur </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Methode conservering</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Maximale bewaartijd</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>tijdens transport</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>tot einde bewaartermijn</vet></al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Biochemisch zuurstofverbruik </al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry colname="col3"><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Koelen onder uitsluiting van licht.</al></entry><entry colname="col5"><al>1 dag</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry colname="col5"><al>1 mnd (indien BZV &lt; =50 mg/l) 6 mnd (indien BZV &gt;50
                                        mg/l)</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry colname="col3"><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH &lt; 2</al></entry><entry colname="col5"><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry colname="col5"><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry colname="col3"><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH &lt; 2</al></entry><entry colname="col5"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry colname="col5"><al>6 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                    verontreinigingsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                    berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                    berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                    toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de
                    biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al><tussenkop>B Analysevoorschriften</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen
                    op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het
                    water als zodanig </al><al>uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn
                    verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door de
                    Stichting Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen
                    wordt aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Bij wijziging in/van een
                    normblad gedurende het kalenderjaar wordt voor de toepassing van deze
                    verordening deze wijziging eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende
                    op de wijziging.</al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                    desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen
                    worden.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Analyse</tussenkop><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                    tabel B.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="27*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Tabel B</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Parameter/stof</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Ontsluiting volgens normblad</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Meting volgens normblad</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Aantoonbaar- heidsgrens </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6633 of</al><al>NEN-ISO 15705 <sup>1</sup>)</al></entry><entry colname="col4"><al>5 mg/l <sup>2</sup>)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>biochemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>NEN-EN 1899-1</al></entry><entry colname="col4"><al>volgens norm</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="7"><al>som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry colname="col2" morerows="2"><al>NEN 6645</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN ISO 15923</al></entry><entry colname="col4" morerows="7"><al>0,5 mg/l</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN 6646+C1:2015</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN-EN-ISO 11732</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>NEN-EN 12260</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN-EN 12260 en voor correctie </al><al>nitriet/nitraat:</al><al>NEN-EN-ISO 13395, of NEN ISO 15923-1</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN ISO 15923-1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN-ISO 5663</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>NEN 6646+C1:2015</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6646+C1:2015</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN ISO 15923-1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><sup>1 </sup>) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor
                    onverdunde monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en
                    chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar belast met de
                    heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren indien naar zijn oordeel
                    andere omstandigheden daartoe aanleiding geven. </al><al><sup>2 </sup>) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een
                    aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600nm en 15
                    mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige meting van één
                    laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een bereik van maximaal 1.000
                    mg/l. </al><al><vet>C</vet><vet><onderstreept>Berekeningsvoorschriften</onderstreept></vet></al><al> I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al><al> (artikel 9, derde lid)</al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik wordt
                    berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de in het
                    kalenderjaar geloosde zuurstofbindende stoffen te delen door 54,8 kilogram.</al><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal geloosde
                    zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de formule:</al><tussenkop> Q x (CZV + 4,57 x N–Kj)</tussenkop><al> 1000</al><al> In deze formule wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ geloosd afvalwater per etmaal;</al><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel B van deze
                    bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l;</al><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens de in
                    onderdeel B van de in deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l.</al><al> II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of
                    nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een
                    correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk <onderstreept>100
                        – T</onderstreept></al><al> 75 </al><al> waarbij</al><al> T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet
                    afbreekbare stoffen.</al><al> De procedure die bij deze berekening wordt toegepast is door het dagelijks
                    bestuur van GBLT vastgelegd in een beleidsbesluit onder de naam ‘Protocol
                    T-correctie’. </al><al> III Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 11, wordt gebruik gemaakt
                    van de volgende formule:</al><al> x N</al><al> n =  , waarbij</al><al> + N</al><al> n = het berekende aantal meetdagen;</al><al> N = het aantal dagen per jaar waar op wordt geloosd;</al><al> n = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van de
                    gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten gedurende
                    het heffingsjaar;</al><al> tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO </al><al> VeO = vervuilingswaarde van de geloosde zuurstofbindende stoffen.</al><al>IV Indien door een bedrijf water wordt onttrokken aan oppervlaktewater en dit
                    vervolgens weer wordt geloosd in oppervlaktewater, worden voor de berekening van
                    de vervuilingswaarde de hoeveelheden verontreinigende stoffen, aanwezig in het
                    ingenomen en vervolgens weer geloosde oppervlaktewater, in mindering gebracht op
                    de hoeveelheden van die stoffen in het geloosde water, met dien verstande dat
                    deze vermindering niet mag leiden tot een negatieve waarde.</al><al>Bijlage II bij de ‘Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei en
                    Veluwe 2017’</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II. Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 7.3 Waterwet, juncto
                        artikel 122k, derde lid, Waterschapswet)</titel></kop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="12*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Klasse</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met
                                        betrekking tot het zuurstofverbruik per ³ ingenomen water</al></entry><entry colname="col4"><al>Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal
                                        vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in het
                                        heffingsjaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>ondergrens</al></entry><entry colname="col3"><al>bovengrens</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0013</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0010</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0020</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0016</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0031</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0025</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0048</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0039</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0075</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0060</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry colname="col3"><al>0,012</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0094</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,012</al></entry><entry colname="col3"><al>0,018</al></entry><entry colname="col4"><al>0,015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,018</al></entry><entry colname="col3"><al>0,029</al></entry><entry colname="col4"><al>0,023</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,029</al></entry><entry colname="col3"><al>0,045</al></entry><entry colname="col4"><al>0,036</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,045</al></entry><entry colname="col3"><al>0,070</al></entry><entry colname="col4"><al>0,056</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,070</al></entry><entry colname="col3"><al>0,11</al></entry><entry colname="col4"><al>0,088</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,11</al></entry><entry colname="col3"><al>0,17</al></entry><entry colname="col4"><al>0,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,17</al></entry><entry colname="col3"><al>0,27</al></entry><entry colname="col4"><al>0,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,27</al></entry><entry colname="col3"><al>0,42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,42</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de ‘Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Vallei
                        en Veluwe 2017’</titel></kop><tussenkop>A ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing</tussenkop><al>De verontreinigingsheffing vindt haar wettelijke basis in artikel 7.2, tweede
                    lid, van de Waterwet (Wet van 29 januari 2009, Stb. 107). Zij is daarmee de
                    opvolger van de verontreinigingsheffing zoals die tot en met 2009 werd geheven
                    op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van 13 november
                    1969, Stb. 536). Die verontreinigingsheffing “oude stijl” diende ter
                    financiering van alle activiteiten in het kader van het waterkwaliteitsbeheer.
                    Zowel de kosten voor het actieve beheer (transporteren en zuiveren van
                    afvalwater, verbranden van zuiveringsslib en baggeren uit
                    waterkwaliteitsoogpunt) als voor het passieve beheer (vergunningverlening,
                    toezicht en controle, handhaving, waterkwaliteitsbeheersplannen) werden hiermee
                    bekostigd. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21
                    mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen. Met ingang van 2009 worden
                    de kosten ter bestrijding van de zorg voor het zuiveren van afvalwater, waar ook
                    het transporteren van afvalwater en het verbranden van zuiveringsslib toe worden
                    gerekend, gedekt uit de opbrengst van de zuiveringsheffing.</al><al>Het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt
                    horen sinds 2009 tot de zorg voor het watersysteem, waar ook de zorg voor de
                    waterkering en de waterbeheersing toe worden gerekend. De zorg voor het
                    watersysteem wordt bekostigd uit de opbrengst van de watersysteemheffing. Voor
                    directe lozingen op oppervlaktewater bleef de verontreinigingsheffing wel
                    bestaan. De opbrengst kwam ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                    watersysteem. Die praktijk vindt ook na 2009 toepassing, zij het dat de
                    wettelijke basis voor de belasting zoals gezegd met ingang van 2010 in de
                    Waterwet is geregeld. De essentialia van de belasting zijn niet veranderd en zij
                    vertonen grote overeenkomst met de zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil
                    tussen de beide belastingen is dat de zuiveringsheffing wordt geheven voor het
                    afvoeren van stoffen op de riolering of een zuiveringtechnisch werk, terwijl de
                    verontreinigingsheffing is verschuldigd voor het lozen van stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam.</al><al>Het vaststellen van de vervuilingswaarde van de afgevoerde of geloosde stoffen
                    gebeurt op dezelfde wijze als bij de zuiveringsheffing. In dat kader verklaart
                    de Waterwet zelfs een aantal bepalingen ter zake van de zuiveringsheffing in de
                    Waterschapswet van overeenkomstige toepassing voor de verontreinigingsheffing.
                    Daarom wordt in deze toelichting ook op een aantal plaatsen verwezen naar
                    bepalingen in de Waterschapswet in plaats van de Waterwet. </al><al>Bij de verontreinigingsheffing wordt de vervuilingswaarde voor woonruimten
                    alleen op forfaitaire wijze vastgesteld. De keuze om dit net zoals bij de
                    zuiveringsheffing als alternatief op basis van het drinkwatergebruik te doen,
                    heeft de wetgever bij de verontreinigingsheffing niet gegeven.</al><al>Omdat er geen directe relatie is tussen het lozen van stoffen en de kosten van
                    het beheer van het watersysteem, heeft de verontreinigingsheffing het karakter
                    van een bestemmingsheffing behouden. </al><al>Een aantal artikelen in deze verordening is letterlijk uit de wet overgenomen.
                    Hoewel die bepalingen vanwege het imperatieve karakter ook achterwege hadden
                    kunnen blijven, zijn ze toch in de verordening opgenomen. Een heffingsplichtige
                    moet immers uit de belastingwet kunnen opmaken onder welke voorwaarden zijn
                    materiële belastingschuld ontstaat. Omdat de belastingverordening voor het
                    waterschap in feite de functie van belastingwet heeft, is er een aantal jaren
                    geleden al voor gekozen om van verordeningen steeds een “aangeklede” versie
                    maken.</al><tussenkop>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Considerans</tussenkop><tussenkop>Bevoegdheid algemeen bestuur</tussenkop><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet.
                    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><tussenkop>Bevoegdheid instellen verontreinigingsheffing</tussenkop><al>De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te stellen,
                    ligt in artikel 7.2 van de Waterwet, juncto artikel 113 van de Waterschapswet.
                    In het laatstgenoemde artikel geeft de wetgever aan het waterschap de
                    bevoegdheid om krachtens een bijzondere wet belasting te heffen. De Waterwet is
                    een dergelijke bijzondere wet. </al><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is zo veel mogelijk
                    aangesloten bij de begripsbepalingen in de artikelen 1 en 7.1 van de
                    Waterwet.</al><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam. Dit is meer
                    omvattend dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie nader inhoud heeft
                    gekregen. In artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet wordt ten aanzien van de
                    verontreinigingsheffing een tweetal zaken uitgezonderd, te weten als zodanig
                    aangewezen drogere oevergebieden en de exclusieve economische zone. Er is voor
                    gekozen om van die uitzonderingen alleen de drogere oevergebieden als
                    uitzondering op te nemen. De exclusieve economische zone is het water in de
                    Noordzee buiten de territoriale wateren boven het Nederlandse deel van het
                    continentaal plat en zal daarom in geen enkel geval binnen het beheersgebied van
                    een waterschap vallen. De uitzondering van de exclusieve economische zone heeft
                    dus alleen effect voor zover het de verontreinigingsheffing door het rijk
                    betreft.</al><al>Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam, doet
                    zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane
                    definiëring van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op
                    oppervlaktewaterlichaam. </al><al>De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel (Kamerstuk 2006-2007, 30 818, nr.
                    3) geeft daarover uitsluitsel. Op pagina 88 staat: “Onder de begripsomschrijving
                    vallen aldus de watereenheden waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake
                    het begrip oppervlaktewater uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren – dat
                    in die wet overigens niet is gedefinieerd – betrekking heeft”. Vervolgens wordt
                    ook aangegeven dat de definitie van oppervlaktewater uit de kaderrichtlijn water
                    niet geschikt is om in de Waterwet over te nemen.</al><al>Zoals bekend mag worden verondersteld, is er destijds bij de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren bewust voor gekozen om, vanwege de grote verscheidenheid in
                    verschijningsvormen, het begrip oppervlaktewateren niet in de wet te
                    omschrijven. Nadere definiëring zou moeten plaatsvinden door middel van
                    jurisprudentie. In de Memorie van Toelichting is wel aangegeven welke eisen aan
                    oppervlaktewater zouden kunnen worden gesteld.</al><al>Zo zou het: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="3*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="97*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor
                                        drinkwater voor de mens dat tegen een redelijke prijs is te
                                        distribueren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor
                                        vee;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn als sproei- en gietwater in de
                                        agrarische sector;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen; of</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>vormen van aquatisch leven kunnen bevatten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip zich niet beperkt
                    tot openbare wateren. </al><al>Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip oppervlaktewater de nodige
                    invulling gegeven. De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in zijn
                    arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/89):</al><al> ‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een – anders dan
                    louter incidenteel aanwezige – aan het oppervlak en aan de open lucht grenzende
                    watermassa (met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet
                    bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten
                    behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende
                    organismen en een niet–levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het
                    een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een
                    overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft
                    ontwikkeld.’</al><al>Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad dat bij een
                    zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als oppervlaktewater
                    aangemerkt kunnen worden.</al><al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is gevuld en ‘s
                    zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat, moet onder andere
                    vanwege het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden, worden
                    aangemerkt als oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na
                    verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55, Belastingblad 1987, blz.
                    249).</al><al>Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per jaar
                    – gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan als
                    oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89,
                    Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB 1983/241,
                    Belastingblad 1983, blz. 465).</al><al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad 25 mei
                    1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462).</al><al>Een open beekvak dat deel uitmaakt van een (ondergrondse) verbinding tussen twee
                    oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt, ook als de klep
                    in de duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                    heffingsjaar was gesloten (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167, Belastingblad
                    1985, blz. 464).</al><al>Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed, die aan weerszijden van
                    het lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat en niet
                    in verbinding staat met enig oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater
                    worden aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123, Belastingblad 1988,
                    blz. 223).</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                    artikel 9. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in
                    de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen.</al><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij
                    het waterschap. Welke oppervlaktewaterlichamen dat zijn, valt op te maken uit de
                    gebiedsomschrijving zoals die is opgenomen in het reglement voor het waterschap. </al><tussenkop>Onderdeel d</tussenkop><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke
                    bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt
                    geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                    woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                    ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om
                    een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en daardoor niet meer dan bijkomstig
                    afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de
                    woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het
                    met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid,
                    sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer
                    studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden
                    gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de
                    arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                    blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari
                    1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><tussenkop>Onderdeel e</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                    formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles
                    wat geen woonruimte, een openbaar vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk
                    is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo wordt bijvoorbeeld ook een
                    stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart
                    1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders.
                    Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels weiland- dat niet
                    als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden namelijk geen opstallen op
                    en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die elders, in de
                    schuur achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij meer dan
                    bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie
                    wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad
                    1997, blz. 729). </al><al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                    duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het lozen van met
                    slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22 augustus
                    1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van één of van
                    twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de Hoge Raad van
                    14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee
                    verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte werd
                    aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het feit dat de stortplaats
                    maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een hek staat en er geen
                    deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de stortplaats.</al><tussenkop>Onderdeel f</tussenkop><al>Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk
                    rioolstelsel. Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het
                    zuiveringtechnisch werk van het waterschap begint. Dit begrip betekent een
                    verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren. Nu wordt ook rekening gehouden met de
                    omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente zelf
                    berust. </al><tussenkop>Onderdeel g</tussenkop><al>De definitie van een zuiveringtechnisch werk komt in belangrijke mate overeen
                    met de omschrijving van artikel 15a van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren. Het gebruik van de term stedelijk afvalwater betekent wel
                    een bekorting van de oude omschrijving. Ook is de term beheer vervangen door
                    exploitatie, omdat in het kader van de Waterwet het begrip beheer betrekking
                    heeft op watersystemen. Dit doet overigens niet af aan het vereiste in artikel
                    3.4 van de Waterwet dat het moet gaan om een installatie onder de zorg van een
                    waterschap of eventueel een gemeente. Naast afvalwaterzuiveringsinstallaties
                    vallen ook gemalen, persleidingen, vrijvervalleidingen, open en dichte
                    afvoergoten en pompstations ten behoeve van het afvalwater nog altijd onder de
                    definitie. Hiermee wordt aansluiting gezocht op de jurisprudentie van de Hoge
                    Raad dienaangaande. De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen
                    (zie onderdeel f, waar het begrip openbaar vuilwaterriool is gedefinieerd).</al><tussenkop>Onderdeel h</tussenkop><al>De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1.1, eerste lid,
                    van de Wet milieubeheer.</al><tussenkop>Onderdeel i</tussenkop><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd.
                    Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften
                    komt krachtens deze verordening aan deze functionaris ook de bevoegdheid toe tot
                    het afgeven van een groot aantal andere beschikkingen, zoals bijvoorbeeld
                    beschikkingen op grond van artikel 10 en 11 van deze verordening.</al><al>In artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing
                    heeft op grond van de Gemeenschappelijke Regeling Gemeenschappelijk
                    belastingkantoor Lococensus – Tricijn plaatsgevonden bij een door het dagelijks
                    bestuur van die gemeenschappelijke regeling genomen aanwijzingsbesluit. </al><al>Indien twee of meer waterschappen bij de heffing en invordering samenwerken in
                    een gemeenschappelijke regeling en indien bij die regeling een openbaar lichaam
                    is ingesteld, kan een ambtenaar van dit openbaar lichaam als ambtenaar belast
                    met de heffing worden aangewezen. Dit is in artikel 124, vijfde lid, onder a,
                    van de Waterschapswet geregeld. Aanwijzing tot ambtenaar belast met de heffing
                    gebeurt bij besluit van het openbaar lichaam. Het waterschap heeft met andere
                    waterschappen het openbaar lichaam Gemeentelijk Belastingkantoor
                    Lococensus-Tricijn opgericht, dat de heffing en invordering van zijn belastingen
                    verzorgt. De ambtenaar belast met de heffing wordt dus aangewezen door het
                    dagelijks bestuur van GBLT. In artikel 1, onderdeel i, wordt dit tot uitdrukking
                    gebracht.</al><tussenkop>Onderdeel j</tussenkop><al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft, moet onder het
                    watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering, de waterbeheersing en
                    het passieve waterkwaliteitsbeheer. Hoewel hiervoor in de vorm van de
                    watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het leven is geroepen, is
                    voor directe lozingen op een oppervlaktewaterlichaam de verontreinigingsheffing
                    blijven bestaan. De opbrengst van die belasting komt ten goede aan de
                    bekostiging van het beheer van het watersysteem (artikel 7.2, vijfde lid, van de
                    Waterwet). </al><tussenkop>Onderdeel k</tussenkop><al>De Drinkwaterwet kent ten aanzien van het begrip drinkwater de volgende
                    definitie: </al><al>“Water bestemd of mede bestemd om te drinken, te koken of voedsel te bereiden
                    dan wel voor andere huishoudelijke doeleinden, met uitzondering van warm
                    tapwater, dat door middel van leidingen ter beschikking wordt gesteld aan
                    consumenten of andere afnemers”.</al><al>Deze begripsomschrijving wordt in deze verordening gevolgd. Warm tapwater valt
                    echter niet onder deze begripsomschrijving, terwijl het uitdrukkelijk wél de
                    bedoeling is om warm tapwater, dat immers ook schoon wordt ingenomen en vervuild
                    wordt geloosd, in de verontreinigingsheffing te betrekken. Daarom is warm
                    tapwater wél begrepen in de begripsomschrijving van het begrip
                        <onderstreept>ingenomen water</onderstreept> (zie onderdeel l hieronder). </al><tussenkop>Onderdeel l</tussenkop><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken. Ook warm tapwater dient
                    in deze definitie te worden opgenomen. De Drinkwaterwet sluit warm tapwater
                    namelijk uit van het begrip drinkwater. Toch wordt dit water gebruikt voor
                    huishoudelijke doeleinden en vervuild afgevoerd. Wanneer warm tapwater niet
                    uitdrukkelijk in deze begripsbepaling zou worden opgenomen zou het dus onterecht
                    buiten de heffing moeten worden gehouden.</al><tussenkop>Onderdeel m</tussenkop><al>De Drinkwaterwet kent voor het begrip ‘Drinkwaterbedrijf’ de volgende
                    definitie:</al><lijst><li nr="a."><al>bedrijf uitsluitend of mede bestemd tot openbare drinkwatervoorziening
                            door levering van drinkwater aan consumenten of andere afnemers, of</al></li><li nr="b."><al>bedrijf uitsluitend of mede bestemd tot levering van drinkwater aan een
                            bedrijf of bedrijven als bedoeld onder a;</al></li></lijst><al>Een Drinkwaterbedrijf hoeft dus niet uitsluitend te voorzien in het leveren van
                    water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken van een ruimer aanbod van
                    producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of aardgas. </al><tussenkop>Onderdeel n</tussenkop><al>Onder warm tapwater moet blijkens de definitie in artikel 1 van de Drinkwaterwet
                    worden begrepen: ‘water bestemd of mede bestemd om te drinken, te koken of
                    voedsel te bereiden dan wel voor andere huishoudelijke doeleinden, dat wordt
                    verwarmd voordat het voor die toepassingen ter beschikking wordt gesteld’. </al><tussenkop>Onderdeel o </tussenkop><al>In dit onderdeel is uitgelegd wat GBLT precies is. GBLT is het openbaar lichaam
                    Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus – Tricijn. Dit gemeenschappelijk
                    belastingkantoor is ontstaan uit een fusie tussen Gemeenschappelijk
                    Belastingkantoor Rijn Midden (h.o.d.n. Tricijn belastingen) dat gevestigd was te
                    Harderwijk en Gemeenschappelijk belastingkantoor Oost Nederland (h.o.d.n.
                    Lococensus) dat gevestigd was te Zwolle. Deze beide openbare lichamen waren bij
                    de fusie per 1 januari 2011 nog slechts enkele jaren actief. Om de
                    heffingplichtigen niet lastig te vallen met herhaaldelijke naamswijzigingen is
                    besloten om de (handels)namen ‘Tricijn belastingen’ en ‘Lococensus’ enkele jaren
                    te handhaven in de respectievelijke waterschapsbeheersgebieden waar deze
                    voormalige openbare lichamen actief waren. Met ingang van 1 januari 2013 voert
                    GBLT voor enkele gemeenten ook de Wet WOZ en de heffing en inning van lokale
                    heffingen uit. Met ingang van 1 januari 2014 vervalt het gebruik van de
                    (handels)namen ‘Tricijn belastingen’ en ‘Lococensus’. Vanaf dat moment wordt de
                    (handels)naam GBLT gebruikt. </al><tussenkop>Artikel 2 Bijlagen</tussenkop><al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid
                    en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als heffingsmaatstaf geldt
                    de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 7.5, eerste lid, van
                    de Waterwet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens overeenkomstig bij belastingverordening te stellen regels.
                    Die regels zijn opgenomen in Bijlage I. Zie in dit verband ook de artikelen 10,
                    11, 12, 15 en 16.</al><al>Artikel 7.2, vijfde lid, van de Waterwet verklaart een aantal bepalingen met
                    betrekking tot de zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige
                    toepassing voor de verontreinigingsheffing. Daardoor is er een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel van toepassing. Deze uitzonderingen, in casu
                    voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met
                    een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in
                    deze verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van
                    Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop
                    deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 13.</al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al>Voor woonruimten en glastuinbouwbedrijven gelden afzonderlijke forfaitaire
                    regelingen.</al><tussenkop>Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een
                    oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking
                    gebracht in het eerste lid van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt uit
                    het vierde lid, ten goede aan de bekostiging van het beheer van het
                    watersysteem. De verontreinigingsheffing is dus primair een bestemmingsheffing
                    die overigens wel een regulerende nevenwerking kan hebben. </al><al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het direct brengen
                    van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij het waterschap.
                    De vraag of het afgevoerde water van slechtere kwaliteit is dan dat in het
                    oppervlaktewaterlichaam waar op wordt geloosd, is niet van belang. Dit bleek uit
                    een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd
                    gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB 1991/15, Belastingblad
                    1990, blz. 771). Dit ligt overigens anders als het gaat om ingenomen
                    oppervlaktewater dat wordt gebruikt als koelwater en dat vervolgens weer wordt
                    geloosd op oppervlaktewater. In dat geval wordt voor de berekening van de
                    vervuilingswaarde uitsluitend de toegevoegde vervuiling in aanmerking genomen
                    (zie Bijlage I bij de verordening). Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart
                    1996 (BNB 1996/205, Belastingblad 1996, blz. 335) blijkt overigens dat er geen
                    wettelijke verplichting bestaat voor een dergelijke begunstigende regeling (zie
                    ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 33 186, Belastingblad 1998, blz. 386). </al><al>Ook wordt de verontreinigingsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat
                    is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                    heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen in een oppervlaktewaterlichaam lozen.
                    Dergelijke lozingen kunnen op verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de
                    omschrijving van de heffingsplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het
                    object van waaruit wordt geloosd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de
                    gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de
                    ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur van GBLT beleidsregels
                    opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden
                    aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn
                    voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van dergelijke
                    beleidsregels kan de keuze van GBLT voor één van de gebruikers als willekeurig
                    en onredelijk worden aangemerkt, wat tot vernietiging van de aanslag kan leiden.
                    Zie voor nadere informatie over dit onderwerp en mogelijkheden voor de inhoud
                    van de beleidsregels de brief van de Unie van Waterschappen aan de
                    leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz.
                    326). </al><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan
                    is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een
                    woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één
                    van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    verontreinigingsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke
                    overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft
                    heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van
                    de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                    bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene
                    die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                    bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de
                    landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken
                    voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                    Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    heffingsplichtig.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een zuiveringtechnisch
                    werk, dan is de beheerder van die riolering of van dat zuiveringtechnisch werk
                    heffingsplichtig. Door het gebruik van het begrip riolering vallen alle soorten
                    lozingen, dus ook die via een niet openbare voorziening voor de inzameling en
                    het transport van afvalwater, onder het regime van de heffing.</al><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder één
                    van de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties, dan is degene die
                    feitelijk loost aan de heffing onderworpen. Hierdoor zijn alle denkbare wijzen
                    van lozen anders dan vanuit een woonruimte, een bedrijfsruimte, een riolering of
                    een zuiveringtechnisch werk aan de heffing onderworpen.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als heffingsplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    heffingsplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die het in gebruik
                    heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en
                    dergelijke.</al><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de verontreinigingsheffing verhalen op degenen aan wie
                    hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt op grond van artikel 7.2,
                    vijfde lid, van de Waterwet ten goede aan de financiering van de kosten van het
                    watersysteem.</al><tussenkop>Artikel 4 Vrijstellingen</tussenkop><al>De vrijstellingen zijn ontleend aan artikel 7.8 van de Waterwet. </al><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>In de oorspronkelijke tekst van de Waterwet werden lozingen vanuit een openbaar
                    vuilwaterriool vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Hierbij werd,
                    blijkens de aan deze vrijstelling ten grondslag liggende motie (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2007-2008, 30 818, nr. 33) gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel. Bij de behandeling van de Invoeringswet Waterwet
                    is het aantal vrijstellingen naar aanleiding van een amendement (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2008-2009, 31 858, nr. 16) uitgebreid en is het artikel opnieuw
                    geredigeerd. Daarbij is de toevoeging “openbaar” uit de tekst verdwenen zonder
                    dat daar in het amendement op wordt ingegaan. Wij gaan er daarom vanuit dat met
                    deze vrijstellingsbepaling nog altijd wordt gedoeld op overstorten vanuit het
                    gemeentelijk rioleringsstelsel.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Een lozing door het waterschap zelf op een “eigen” oppervlaktewaterlichaam is
                    vrijgesteld van de heffing. </al><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is
                    onder omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen. Het is
                    daarom denkbaar dat (een deel van) het effluent niet wordt geloosd, maar door
                    een bedrijf wordt ingenomen. Indien dat bedrijf het gebruikte water weer loost
                    en daar zelf geen stoffen aan heeft toegevoegd, dan is die lozing door het
                    bedrijf vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Het is daarbij, anders dan
                    bij onderdeel b, geen voorwaarde dat het oppervlaktewaterlichaam bij hetzelfde
                    waterschap in beheer is. Achtergrond van deze vrijstelling is dat de regionale
                    zoetwatervoorziening daardoor niet wordt belast. </al><tussenkop>Artikel 5 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsevenredigheid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                    woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de
                    regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft
                    als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd
                    (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot
                    het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder
                    meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te
                    leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het
                    heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                    belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                    precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam 15
                    december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331) en Hof
                    Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                    verontreinigingsheffing. </al><al>Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al in
                    het heffingsjaar zelf op te leggen, de heffingsverordening in een aantal zaken
                    moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><al>– een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin
                    van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, eerste lid);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld
                    in artikel 5, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten voorziet
                    artikel 18, tweede lid, daar in);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de
                    heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor woonruimten is
                    dit geregeld in artikel 16, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten
                    in artikel 18, tweede lid). </al><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan GBLT in
                    het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de Algemene
                    wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 19, eerste lid). De verontreinigingsheffing is echter een
                    tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende
                    het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van
                    de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid, van de
                    Waterschapswet bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    aanvangt, de heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een
                    evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In het
                    tweede lid is aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor een
                    evenredig deel verschuldigd. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om
                    daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van
                    de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan
                    maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. Het staat GBLT ook vrij om,
                    op grond van eigen gegevens, uit eigener beweging een dergelijke ontheffing te
                    verlenen zonder een aanvraag van de heffingsplichtige af te wachten.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte in het gebied
                    van het waterschap van waaruit eveneens wordt geloosd, zijn zowel het tweede als
                    het derde lid van toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval
                    sprake is van het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de
                    heffingsplicht. Dit resulteert dan in een vermindering van een al opgelegde, en
                    mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag
                    voor de nieuwe woning. Om pragmatische redenen is in het vierde lid bepaald dat,
                    in een bepaalde situatie, het tweede en het derde lid niet van toepassing zijn.
                    De aanslag verhuist dan als het ware mee. Dit is het geval wanneer de
                    heffingsplichtige verhuist van een woonruimte waarvoor verontreinigingsheffing
                    verschuldigd is, naar een woonruimte waarvoor eveneens verontreinigingsheffing
                    verschuldigd is aan het waterschap. </al><al>De aanslag verhuist niet mee wanneer vanuit de nieuwe woning op het riool of een
                    zuiveringtechnisch werk van het waterschap wordt afgevoerd: dan is men voor die
                    nieuwe woonruimte </al><al>zuiveringsheffing verschuldigd en geen verontreinigingsheffing.</al><tussenkop>Artikel 6 Aangifte</tussenkop><al>In artikel 127 van de Waterschapswet is de procedure voor het uitnodigen tot het
                    doen van aangifte geregeld. In het eerste lid van dat artikel is geregeld dat de
                    uitnodiging wordt gedaan door het uitreiken van een aangiftebiljet en in het
                    tweede lid is geregeld dat het doen van aangifte geschiedt door het in leveren
                    of het toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde
                    bescheiden. Op grond van artikel 127, vijfde lid, van de Waterschapswet kan bij
                    de belastingverordening van de hiervoor beschreven procedure worden afgeweken. </al><al>Voor de meeste bedrijfsruimten moet tenminste eenmaal aangifte worden gedaan.
                    Een aantal bedrijven moet dat jaarlijks doen. Bedrijven dienen in beginsel
                    aangifte te doen via de elektronische weg. In lid 2 is echter een bepaling
                    opgenomen die ertoe strekt dat GBLT bereid is om een aangifteplichtige alsnog
                    een papieren exemplaar van de aangifte toe te zenden of uit te reiken, wanneer
                    van die aangifteplichtige niet in redelijkheid verwacht kan worden dat deze zijn
                    aangifte via de elektronische weg indient. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Dit betreft een artikelnummer dat niet meer in gebruik is.</al><tussenkop>Artikel 8 Heffingsjaar</tussenkop><al>In artikel 8 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit
                    is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet
                    meer mogelijk is.</al><tussenkop>Artikel 9 Grondslag en heffingsmaatstaf algemeen</tussenkop><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden geloosd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die
                        <onderstreept>in een kalenderjaar</onderstreept> worden geloosd. Deze
                    heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen
                    en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het lozen is
                    belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar
                    vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de stoffen die worden genoemd in
                    het vierde lid, gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In
                    het vierde lid zijn alle andere stoffen opgenomen die in de heffing worden
                    betrokken. Het waterschap heeft de keuze om die stoffen niet in de heffing te
                    betrekken. Daartoe dient op grond van artikel 122f, derde lid, onderdeel a, van
                    de Waterschapswet een afzonderlijke bepaling in de belastingverordening te
                    worden opgenomen. Het vijfde lid van artikel 9 voorziet daarin.</al><al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende
                    stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de
                    vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende
                    stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te
                    breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch
                    zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde lozing van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar. </al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één
                    persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                    concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment
                    geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar
                    beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens.
                    Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per
                    etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar.</al><tussenkop>Artikel 10 Meting, bemonstering en analyse</tussenkop><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de verontreinigingsheffing
                    de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet
                    alleen ter zake van het lozen vanuit woonruimten of vanuit bedrijfsruimten, maar
                    ook ter zake van het lozen vanuit zuiveringtechnische werken of op andere
                    wijze.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li><li nr="-"><al>analysevoorschriften;</al></li><li nr="-"><al>berekeningsvoorschriften.</al></li></lijst><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige.</al><al> Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                    vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage
                    oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de
                    verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is
                    sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                    heffing.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 11.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan de ambtenaar belast met de
                    heffing.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><al>– ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te voldoen
                    aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de heffingsplichtige indien deze aannemelijk maakt dat ook dan
                    nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de heffingsplichtige indien deze aannemelijk maakt dat de
                    nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.</al><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                    immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de
                    heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende
                    of geen tegenbewijs leveren. </al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                    geschrift combineren.</al><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                    wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige nodig. </al><tussenkop>Artikel 11 Beperkte meting, bemonstering en analyse</tussenkop><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al><al>In dit kader zijn tevens van belang de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling
                    meetfrequentie ter vaststelling van de vervuilingswaarde van afvalwater’ van de
                    Commissie Integraal Waterbeheer van augustus 1998. </al><tussenkop>Vierde lid </tussenkop><al>De beschikkingen op grond van artikel 10, lid 5 hangen zo nauw samen met de
                    beschikkingen die op grond van dit artikel worden genomen, dat het voor alle
                    partijen efficiënter en logischer is wanneer deze beschikkingen in één geschrift
                    worden samengevoegd. </al><tussenkop>Artikel 12 Hoedanigheidscorrectie</tussenkop><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate” voor ten minste
                    25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie geduid. Het
                    dagelijks bestuur van GBLT heeft een Protocol T-correctie vastgesteld waarin de
                    procedure is vastgelegd die ten aanzien van de berekening van de T-correctie
                    moet worden gevolgd.</al><al>In artikel 12 is bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van de
                    T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                    beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al><al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                    bevatten.</al><tussenkop>Artikel 13 Tabel afvalwatercoëfficiënten </tussenkop><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan artikel 122k, derde
                    lid, van de Waterschapswet. Zij is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien
                    klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><al>1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel
                        <onderstreept>niet</onderstreept> leidt tot een aantal vervuilingseenheden
                    van meer dan 1.000 en</al><al>2 er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                    vervuilingswaarde van de geloosde stoffen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur door het ontbreken van een watermeter. In dergelijke
                    gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het
                    kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurt, liggen vast in beleidsregels van
                    GBLT.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december
                    2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als van de ambtenaar
                    belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in
                    een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                    artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al> De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                    vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al><tussenkop>Artikel 14 Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</tussenkop><al>Op basis van artikel 14 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet
                    opgenomen (artikel 122i, tweede lid, van de Waterschapswet).</al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 14 minder dan vijf
                    vervuilingseenheden bedraagt, is de regeling voor kleine bedrijfsruimten van
                    artikel 18 van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 15 Franchise </tussenkop><al>Dit betreft een artikelnummer dat niet meer in gebruik is.</al><tussenkop>Artikel 16 Meetverplichting</tussenkop><al>Dit betreft een artikelnummer dat niet meer in gebruik is.</al><tussenkop>Artikel 17 Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 10 tot en met
                    14 berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke meting,
                    bemonstering en analyse plaatsvindt;</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                    afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al><al>– voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                    geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                    afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al><al>– naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende stoffen worden
                    geloosd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije grens
                    van niet–zuurstofbindende stoffen).</al><al> De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                    nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld,
                    moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke totale
                    vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                    afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt, afhankelijk van de
                    keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4 of
                    20.</al><tussenkop>Artikel 18 Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i,
                    eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                    dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven
                    met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                    gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                    vervuilingseenheden opgelegd. Dit is mogelijk op grond van de bepaling in
                    artikel 5, eerste lid. Na afloop van het heffingsjaar of, indien dit eerder is
                    bij beëindiging van de heffingplicht, kan echter blijken dat de
                    vervuilingswaarde één of minder dan één vervuilingseenheid bedraagt. Daarom moet
                    de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor ontheffing of
                    vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                    vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                    heffingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het
                    betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                    Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar
                    belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><tussenkop>Artikel 19 Vervuilingswaarde van woonruimten</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die één vervuilingseenheid bedraagt wanneer de woonruimte
                    door één persoon wordt bewoond.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Samen
                    met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte
                    aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingsplichtige.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één.
                    Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. In dat geval wordt de aanslag
                    tijdsevenredig verminderd.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                    heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling
                    waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel
                    van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, Waterschapswet. Deze
                    moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft
                    voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook
                    ambtshalve worden verleend. </al><tussenkop>Artikel 20 Schatting</tussenkop><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder bepaalde,
                    in de onderdelen a tot en met c nader omschreven, omstandigheden de
                    vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld
                    indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering
                    en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in
                    overeenstemming is met de in de verordening of meetbeschikking opgenomen
                    voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen ter zake van stoffen
                    vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn
                    opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 10 (meting, bemonstering en
                    analyse) niet kan worden toegepast. Overigens sluit dit artikel niet uit dat er
                    ook andere omstandigheden kunnen zijn op grond waarvan schatting kan
                    plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 21 Tarief</tussenkop><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><tussenkop>Artikel 22 Wijze van heffing en termijnen van betaling</tussenkop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. Het hangt van de
                    aard en de ingewikkeldheid van de desbetreffende belasting af, welke van deze
                    drie heffingstechnieken het meest doelmatig is. Voorts kunnen overwegingen uit
                    een oogpunt van perceptiekosten of op grond van het beginsel dat de
                    belastingheffing voor de heffingsplichtige met de minste pijn moet plaatsvinden,
                    bepalend zijn voor de keuze van de te hanteren heffingstechniek. In dit
                    artikellid is bepaald dat de heffing bij wege van aanslag wordt geheven. Dit
                    brengt mee dat iedere aanslag zuiverings-heffing die GBLT oplegt, aan de
                    heffingsplichtige wordt bekendgemaakt door middel van een aanslagbiljet.</al><al>In het 2e t/m 4e lid zijn de betalingstermijnen geregeld. Hierover valt het
                    volgende te melden. Op 1 juli 2009 is de 4e tranche van de AWB in werking
                    getreden. Hierin is bepaald dat betalingstermijnen (in beginsel) worden
                    vastgesteld op 6 weken. Waterschappen mogen echter in wettelijke bepalingen
                    (lees: in hun verordeningen) van die termijn afwijken. Er is ervoor gekozen om
                    van die algemene regel af te wijken.</al><al>In lid 2 is als hoofdregel opgenomen dat de aanslag moet worden betaald in één
                    termijn die vervalt twee maanden na de dagtekening van de aanslag. </al><al>In lid 3 is bepaald dat aanslagen waarvoor een machtiging is afgegeven om die
                    bij wijze van automatische incasso af te schrijven, gespreid mogen worden
                    betaald. Het aantal termijnen is dan gelijk aan het aantal in dat jaar nog
                    resterende volle dan wel gedeeltelijke kalendermaanden met een minimum van 6
                    maandelijkse termijnen ongeacht het heffingsjaar waarop de aanslag betrekking
                    heeft.</al><al>In lid 4 is bepaald dat aanslagen die in het desbetreffende heffingsjaar zijn
                    opgelegd en waarvoor een machtiging is afgegeven om die bij wijze van
                    automatische incasso af te schrijven, gespreid mogen worden betaald. Het aantal
                    termijnen is dan gelijk aan het aantal in dat jaar nog resterende volle dan wel
                    gedeeltelijke kalendermaanden met een minimum van 6 maandelijkse termijnen. Ligt
                    de dagtekening van de aanslag niet in het heffingsjaar waarop de aanslag
                    betrekking heeft, dan geldt dat de hoofdregel, te weten een betaling in één
                    termijn die vervalt twee maanden na de dagtekening van de aanslag.</al><al>In het 5e lid is daarop de restrictie opgenomen dat termijnbetalingen via a.i.
                    tenminste € 5,00 moeten bedragen. Dit laatste heeft als reden dat er aan deze
                    afschrijvingen kosten zijn verbonden en die kosten moeten in een redelijke
                    verhouding staan tot het te innen bedrag. Het aantal termijnen kan hierdoor
                    minder worden dan in de artikelleden bepaald.</al><tussenkop>Artikel 23 Nadere regels</tussenkop><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                    Financiën vanaf 1 januari 1998 in beginsel toe aan het dagelijks bestuur van het
                    waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet).
                    Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen
                    bestuur van het waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten
                    aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><al>– de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al><al>– de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>– het berekenen van invorderingsrente.</al><al>Deze bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 in de belastingverordening geregeld.
                    Artikel 23 is thans in de verordening opgenomen om expliciet aan de
                    heffingsplichtige kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan
                    stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                    verontreinigingsheffing. Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft deze
                    bevoegdheden via de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk
                    Belastingkantoor Lococensus - Tricijn neergelegd bij het dagelijks bestuur van
                    GBLT (artikel 124, lid 6 Waterschapswet).</al><tussenkop>Artikel 24 Kwijtschelding</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald dat bij de invordering van de verontreinigingsheffing,
                    met uitzondering van aanslagen woonruimten, geen kwijtschelding wordt
                    verleend.</al><tussenkop>Artikel 25 Niet opleggen van aanslag</tussenkop><al>Artikel 25 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a van de
                    Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een
                    aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven
                    gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de
                    bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden
                    opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting
                    in deze gevallen immers als snel kunnen overstijgen. Indien meerdere aanslagen
                    op één aanslagbiljet worden samengevoegd, zoals bijvoorbeeld een aanslag
                    verontreinigingsheffing en een aanslag watersysteemheffing ingezetenen, geldt
                    het voorgaande voor het totaalbedrag van het aanslagbiljet. Het waterschap heeft
                    besloten om aanslagen niet op te leggen wanneer het totaalbedrag van het
                    aanslagbiljet lager is dan € 5,00.</al><tussenkop>Artikel 26 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van
                    de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter gelden
                    voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die
                    feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de oude
                    verordening. De eerbiedigende werking geldt niet voor de invorderingsbepalingen
                    uit de oude verordening. Vanaf het nieuwe belastingjaar geschiedt de invordering
                    van de aanslagen op grond van de invorderingsbepalingen van de nieuwe
                    verordening.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van
                    het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden
                    dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt derhalve ook voor
                    belastingverordeningen. Met ingang van 2014 dient deze bekendmaking via de
                    elektronische weg plaats te vinden. Bekendmaking door plaatsing in een vanwege
                    het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde
                    publicatie en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk
                    verschijnend dag– of nieuwsblad behoort dan niet meer tot de mogelijkheden. De
                    bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74 van de Waterschapswet in
                    werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze
                    besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                    tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de
                    heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts
                    mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt
                    genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het derde lid van
                    artikel 26.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die
                    in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting op het tweede lid is
                    uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van inwerkingtreding in de
                    verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan die verordening automatisch
                    in werking treedt acht dagen na haar bekendmaking.</al><al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee
                    duidelijk wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan de
                    burgers worden opgelegd, een aanvang nemen.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Als gevolg van het vijfde lid van het onderhavige artikel 26 wordt de
                    verordening voorzien van een citeertitel.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>