<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR43347_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Ouder-Amstel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Ouder-Amstel 30-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Ouder-Amstel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 12 eerste lid, onderdeel 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikel 35 eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-05-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009/53</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Ouder-Amstel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel,</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 10 november
                        2009, nummer 2009/53,</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet, en de artikelen 12,
                        eerste lid, onderdeel e, en 35, eerste lid, van de Wet investeren in
                        jongeren; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger
                        dan 27 jaar bij verordening te regelen; </al><al><vet>s t e l t v a s t:</vet></al><al>de “Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren gemeente
                        Ouder-Amstel”.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid
                                    onderdeel d, van de wet; </al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="d."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld
                                    in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand; </al></li><li nr="e."><al>woonkosten: </al><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
                                            van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="2."><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud; </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens
                                    woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met
                                    één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent van de
                            gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun hoofdverblijf
                            in dezelfde woning hebben. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor de jongere geen woonkosten verbonden zijn; </al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters </titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 33 van de wet bedraagt 20 procent van de
                            gehuwdennorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere
                                            van 21 jaar betreft; </al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere
                                            van 22 jaar betreft. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de
                                    hoogte van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien
                                    deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging waar toepassing
                                    van lid 1 toe zou leiden. </al></li><li nr="3."><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een
                                    jongere op wie artikel 6 van toepassing is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande, </al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder,
                                </al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding </titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van
                            1 oktober 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel </titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als:
                            Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren gemeente
                            Ouder-Amstel</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ouder-Amstel, 17 december 2009</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.J. Heijlman</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.T.J. Blankers-Kasbergen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING MODELTOESLAGENVERANTWOORDING WIJ </tussenkop><tussenkop>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op het
                    uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                    kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor
                    zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel (de
                    norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van
                    gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit gemeentelijk beleid moet door de
                    gemeenteraad in een verordening worden vastgelegd. </al><tussenkop>Relatie met de WWB </tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB afgesloten voor jongeren tot 27
                    jaar. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en zou de
                    Toeslagenverordening WWB een navenante wijziging moeten ondergaan. Op grond van
                    het overgangsrecht blijft de WWB voor jongeren die op 30 september 2009 algemene
                    bijstand ontvingen echter van toepassing totdat de algemene bijstand wordt
                    beëindigd maar uiterlijk tot 1 juli 2010. Om die reden is een aanpassing van de
                    Toeslagenverordening WWB aan de WIJ (nog) niet aan de orde. Dit zal eerst met
                    ingang van 1 juli 2010 zijn beslag krijgen. </al><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening gekozen
                    voor zoveel mogelijk aansluiting met de WWB.</al><tussenkop>Een toeslagenverordening Wet investeren in jongeren </tussenkop><al>Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de WIJ, terwijl de
                    gemeenteraad de opdracht heeft gekregen in een vijftal verordeningen regels vast
                    te stellen, onder meer met betrekking tot het verhogen en verlagen van de normen
                    die voor de inkomensvoorziening gelden. </al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat voor
                    een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                    verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Het is
                    daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                    beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                    verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend
                    vast te stellen. </al><tussenkop>Normen, toeslagen en verlagingen </tussenkop><al>De normensystematiek van de WWB is zoveel mogelijk overgenomen in de WIJ. Dat
                    betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de normen die gelden voor
                    jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en oudere jongeren (21 tot 27
                    jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide leeftijdsgroepen identiek aan de
                    normen die thans in de WWB voor beide groepen gelden. Hetzelfde geldt voor de
                    normen die van toepassing zijn bij het verblijf in een inrichting. De overgang
                    naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot een wijziging van de financiële
                    positie van de jongeren die afhankelijk worden van een inkomensvoorziening. </al><tussenkop>Normen </tussenkop><al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (Recht op inkomensondersteuning) zijn de normen
                    vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties. Voor personen van 21
                    jaar tot en met 27 jaar bestaat een drietal basisnormen, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm) </al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm </al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm </al></li></lijst><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige WWB-normering,
                    die is afgestemd op de kinderbijslag. Deze normen kunnen eventueel worden
                    aangevuld met bijzondere bijstand, voor zover de middelen van de ouders niet
                    toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht van de ouders niet te gelde gemaakt
                    kan worden. Artikel 12 WWB blijft voor deze groep onverkort van toepassing. </al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot 21
                    jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens identieke
                    normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot 65 jaar. </al><tussenkop>Toeslagen en verlagingen </tussenkop><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                    en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als in de WWB is
                    vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting om de norm voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met een toeslag als deze een
                    woning bewonen zonder medebewoner. Omdat de kosten van het bestaan dan niet
                    gedeeld kunnen worden met een ander bedraagt de toeslag het maximale bedrag,
                    zijnde 20% van de norm voor gehuwden in die leeftijdscategorie. Kunnen de
                    bestaanskosten wel met een ander gedeeld worden dan kan de toeslag worden
                    verlaagd. </al><al>De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook voor de
                    norm voor gehuwden. Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de
                    woonsituatie, los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich meebrengt.
                    Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de jongere een
                    schoolverlater is. Ten slotte kan het college bij een 21- of 22-jarige
                    alleenstaande de toeslag verlagen om de uitkering in de pas te laten lopen met
                    het wettelijk minimumjeugdloon. De laatstgenoemde verlagingen kunnen niet in
                    combinatie met elkaar worden toegepast. </al><tussenkop>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met
                    niet-rechthebbende partner </tussenkop><al>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een oudere partner, geldt dat de norm
                    gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of alleenstaande ouder geldt.
                    De norm alleenstaande of alleenstaande ouder geldt ook als de andere partner om
                    andere redenen (bijv. in geval van detentie) geen recht heeft op een
                    inkomensvoorziening. De mogelijkheid om de norm voor een alleenstaande (ouder)
                    te verhogen met een toeslag is in de WIJ beperkt tot de jongere die
                        <cursief>feitelijk </cursief>alleenstaande (ouder) <cursief>is</cursief>. </al><al>Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er geen
                    aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt ook voor de
                    bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers geen een uitkering ontvangen
                    die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor gehuwden. Omdat
                    beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een alleenstaande geldt,
                    betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in verband met medebewoning
                    formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze beperkt is tot de gehuwdennorm.</al><al>Er is een specifieke regeling getroffen voor de situatie dat beide partners ten
                    laste komende kinderen hebben. Dan geldt voor de jongere partner de
                        <cursief>gehuwdennorm </cursief>die bij zijn leeftijd past. Omdat daar
                    expliciet over gehuwdennorm wordt gesproken, is verlaging van die norm wegens
                    medebewoning mogelijk. De algemene bijstand die de bijstandsgerechtigde partner
                    ontvangt, moet daarop in mindering worden gebracht. </al><tussenkop>Berekening toepasselijke uitkering </tussenkop><al>Het bij voorrang toepassen van de verlaging op de toeslag is in de WIJ de
                    aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de combinatie
                    verlaging wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging tot verschillende
                    uitkomsten. De hoogte van de normuitkering voor jongeren kan als volgt worden
                    berekend: </al><al>1.Norm; </al><al>2.a. Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders) </al><al>OF </al><al>2.b. Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen
                    bij gehuwden) </al><al>2.Korten met verlaging wegens woonsituatie; </al><al>4.a. Korten met verlaging schoolverlater </al><al>OF </al><al>4.b. Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het restant
                    van) de toeslag. </al><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden toegepast. De
                    Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt. </al><al>Leidt de uitkomst tot een lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                    artikel 8 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand
                    vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. </al><tussenkop>Zelfstandigen </tussenkop><al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod of inkomensvoorziening. Zij kunnen een beroep doen op de WWB. Dat
                    geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke bijstand voor levensonderhoud
                    en voor bedrijfskapitaal. Aandachtspunt bij de algemene bijstand voor
                    levensonderhoud is wel dat voor die jongeren de normensystematiek uit de WIJ van
                    toepassing is. </al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>Het begrip ‘gehuwdennorm’ is omschreven omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ
                    daaraan is gerelateerd. </al><al>Het begrip ‘woning’ wordt in de WIJ niet omschreven. Aangenomen mag worden dat
                    het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, “een gebouwde
                    onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan
                    wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende
                    aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                    naar artikel 3 WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden gelijkgesteld. </al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. </al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>De gemeenteraad is verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de
                    gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens
                    woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot
                    verlaging van norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Wanneer een ander persoon zijn hoofdverblijf heeft in de woning, wordt
                    verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden
                    (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een
                    gezamenlijke huishouding moet ervan worden uitgegaan dat niet alle kosten
                    gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. </al><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in de uitzonderlijke situatie dat de
                    medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan de niet
                    rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de toeslag
                    vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan immers
                    geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen voordeel is voor de
                    betrokkene.</al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld wordt met
                    één of meer anderen, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in dezelfde
                    situatie. De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten delen met een
                    ander en daarom is een verlaging op zijn plaats. </al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>Als aan een woning geen <cursief>woonkosten </cursief>verbonden zijn, is sprake
                    van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. De norm of toeslag wordt met
                    20% verlaagd als de jongere geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen bij
                    krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de ouders of
                    de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de
                    jongere een eigen woning bezit, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het
                    eigendom verbonden zakelijke lasten, evenals een naar omstandigheden vast te
                    stellen bedrag voor onderhoud. </al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonlasten heeft en is
                    hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd
                    wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de
                    uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele
                    verlaging. Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan
                    beperkt moeten worden. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of
                    toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de
                    uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere bestaanskosten
                    hebben dan jongeren die een woning bewonen. Mochten dak- en thuislozen
                    regelmatig gebruik maken van een opvangadres, dan kan de uitkering afwijkend
                    worden vastgesteld. </al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 33 WIJ is bedoeld om de schoolverlater
                    gedurende het eerste half jaar niet in een veel betere financiële positie te
                    brengen als toen hij nog aangewezen was op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming krachtens de WTOS. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar
                    een (voormalig) uit- of thuiswonende student. Bij gehuwden die beiden
                    schoolverlater zijn wordt de verlaging niet verdubbeld. Deze blijft 20%. Wel is
                    het mogelijk om de periode waarover de verlaging wordt toegepast te verlengen,
                    als beide partners na elkaar schoolverlater worden. </al><al>Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast i.v.m.
                    medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg kan hebben dat de totale verlaging
                    te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het individualiseringsbeginsel. Als
                    de schoolverlater voor beëindiging van de studie studiefinanciering WSF2000
                    ontving naar de norm van uitwonende student, dan moet de inkomensvoorziening
                    minimaal op die norm worden vastgesteld. </al><tussenkop>Artikel 7 </tussenkop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passen
                    indien het van oordeel is, dat de hoogte van het minimum jeugdloon een drempel
                    opwerpt om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon voor een
                    21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een
                    21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. </al><al>In het tweede lid wordt geregeld dat de verlaging voor een 21- of 22-jarige
                    alleen kan plaatsvinden op de toeslag van artikel 33 WIJ. </al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 35 WIJ
                    om in de verordening vast te stellen dat de schoolverlatersverlaging niet
                    gelijktijdig kan worden toegepast met de verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor
                    het met voorrang toepassen van de schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een
                    21- of 22-jarige schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan
                    een 23-jarige schoolverlater op grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening. </al><tussenkop>Artikel 8 </tussenkop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                    aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat het college
                    de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop dermate laag moet vaststellen, dat
                    er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende uitkering. In voorkomende
                    gevallen zou het college op grond van artikel 35 WIJ de inkomensvoorziening
                    hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om in de
                    Toeslagenverordening een <cursief>absoluut </cursief>minimumbedrag vast te
                    leggen, waarop het college de norm (inclusief eventuele toeslag en verlagingen)
                    tenminste moet vaststellen. Het is ook denkbaar is dat de norm hoger moet worden
                    vastgesteld in het kader van het individualiseringsbeginsel. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>