<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR433214_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe            2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-188401.html">Gemeenteblad 2016, 188401</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze beleidsregels vervangen de beleidsregels bijzondere bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2016</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe
            2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en
                        de daarin opgenomen mogelijkheden tot het verstrekken van zowel individuele
                        als categoriale bijzondere bijstand. </al><al>De beleidsregels zijn een uitwerking van het door de gemeenteraad en het
                        college vastgestelde beleid en worden jaarlijks opnieuw vastgesteld. </al><al>Er zijn voor dit jaar geen belangrijke wijzingen opgenomen in de
                        beleidsregels. Een aantal artikelen zijn redactioneel aangepast maar
                        inhoudelijk niet gewijzigd.</al><al>Een belangrijke wijziging is het vervallen van de mogelijkheid om bijzondere
                        bijstand te verstrekken voor huishoudelijke hulp. Door de uitspraak van de
                        Centrale Raad van Beroep mei 2016 is de gemeente gehouden om de
                        huishoudelijke hulp te regelen binnen de WMO. De mogelijkheid om bijzondere
                        bijstand te verstrekken voor de kosten van huishoudelijke hulp is dan ook
                        komen te vervallen.</al><al/><al><vet>Directe benadering </vet></al><al>Sinds 2016 wordt met één aanvraagformulier gewerkt voor meerdere regelingen,
                        te weten: bijzondere bijstand, reductieregeling en individuele
                        inkomenstoeslag. Bij een aanvraag om één van deze in de beleidsregels
                        opgenomen regelingen zal door het team Werk en Inkomen automatisch een check
                        worden gedaan of belanghebbende ook voor een andere regeling in aanmerking
                        komt. Indien mogelijk wordt deze dan ook automatisch toegekend of wordt de
                        klant op de mogelijkheden gewezen.</al><al>Daarnaast worden, bij herhaling, de medewerkers van het team Werk, Inkomen
                        en Zorg gevraagd deze regelingen onder de aandacht te brengen tijdens de
                        gesprekken die ze met onze inwoners voeren.</al><al>In deze nota zijn de beleidsregels bijzondere bijstand, financiële
                        tegemoetkoming in de ziektekosten, individuele inkomenstoeslag en
                        reductieregeling vastgelegd. De beleidsregels zijn een nadere uitwerking van
                        het gemeentelijke armoede- en minimabeleid en van de op 16 december 2013, 10
                        november 2014 en 30 november 2015 door de raad van de gemeente Olst-Wijhe
                        vastgestelde beleidskaders en de van toepassing zijnde verordeningen op het
                        gebied van Werk en Inkomen en het armoede- en minimabeleid. In deze
                        beleidsregels zijn zo weinig mogelijk bedragen genoemd. De maximale
                        vergoedingen, normbedragen en dergelijke, zijn opgenomen in het financieel
                        besluit, dat als bijlage 1 aan de beleidsregels is toegevoegd. Het college
                        zal de bedragen in het financieel besluit jaarlijks aanpassen. Hierdoor
                        wordt voorkomen dat jarenlang verouderde bedragen in de beleidsregels zijn
                        opgenomen.</al><al>Met deze beleidsregels wordt beoogd om zoveel mogelijk duidelijkheid,
                        rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te waarborgen. Toch kunnen er zich
                        situaties voordoen waarin onverkorte handhaving van deze regels onrecht
                        zouden doen aan de doelstelling van bijzondere bijstandsverlening. Daarom
                        moet, zowel individueel (per besluit) als categoriaal (in de beleidsregels
                        neergelegde uitvoeringsbeleid) uitdrukkelijk de mogelijkheid blijven bestaan
                        om af te wijken van de hier neergelegde regels. Uiteraard zal het besluit in
                        die gevallen ook de motivering moeten omvatten waarom in die situatie van de
                        beleidsregels moet worden afgeweken. Daar waar niet in de beleidsregels
                        wordt voorzien wordt het handboek “Grip op Participatiewet” geraadpleegd en
                        neemt het college een besluit.</al></structuurtekst><paragraaf><kop><nr>1.1</nr><titel>Leeswijzer</titel></kop><structuurtekst><al>In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de algemene aspecten die in acht genomen
                        worden bij de verstrekking van bijzondere bijstand. Vervolgens wordt in de
                        hoofdstukken 3 tot en met 8 per kostensoort aangegeven of en hoe er
                        bijzondere bijstand verstrekt kan worden. </al><al>De slotbepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 9. En tot slot is in de
                        bijlage het Financieel besluit 2017 toegevoegd waarin een overzicht wordt
                        gegeven van de (maximale) bedragen die in het kader van de bijzondere
                        bijstand en reductieregeling verstrekt kunnen worden.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Algemeen</titel></kop><paragraaf><kop><nr>2.1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand dient de volgende
                        volgorde te worden aangehouden:</al><lijst><li nr="1."><al>Doen de kosten zich voor? <cursief>Zo ja, beoordeel dan vraag 2. Zo
                                    nee, wijs de aanvraag af.</cursief></al></li><li nr="2."><al>Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? <cursief>Zo
                                    ja, beoordeel dan vraag 3. Zo nee, wijs de aanvraag
                                    af.</cursief></al></li><li nr="3."><al>Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?
                            <cursief>Zo ja, beoordeel dan vraag 4, zo nee wijs de aanvraag
                            af.</cursief></al></li><li nr="4."><al>Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en het
                        inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? <cursief>Zo nee,
                            wijs de aanvraag toe. Zo ja, wijs de aanvraag</cursief></al></li></lijst><al><vet>Ad 1. </vet>Wil een belanghebbende in aanmerking kunnen komen voor
                        bijzondere bijstand voor bepaalde kosten dan zal hij om te beginnen de
                        gestelde kosten ook daadwerkelijk moeten hebben. Indien de kosten niet
                        daadwerkelijk gemaakt worden, is er geen verlening van bijzondere bijstand
                        mogelijk </al><al><vet>Ad 2 </vet>Uitgaande van het maatwerkprincipe past het dat het college
                        slechts bijzondere bijstand verleent aan personen bij wie is vastgesteld dat
                        de betreffende kosten in het voorliggende individuele geval ook
                        daadwerkelijk noodzakelijk zijn. Er dient dus altijd een toetsing aan de
                        omstandigheden van het individuele geval plaats te vinden </al><al><vet>Ad 3 </vet>Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand indien er
                        sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Dit
                        betekent dus, dat niet de eisen van de samenleving in relatie tot de aard
                        van de kosten bepalend zijn, maar de omstandigheden in het individuele
                        geval. Het is daarom niet mogelijk om bijzondere bijstand te weigeren voor
                        kosten die naar de eisen van de samenleving in het algemeen niet als
                        noodzakelijk worden beschouwd. Het is alleen van belang of zich in het
                        concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen die de kosten noodzakelijk
                        maken. Zo ja, dan bestaat er mogelijk recht op bijzondere bijstand </al><al><vet>Ad 4. </vet>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het
                        normbedrag, dat is bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke
                        kosten van het bestaan met inbegrip van de component reservering, in
                        beginsel toereikend is (zie <onderstreept>TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 13
                            en 14</onderstreept>). De algemene bijstand is dus een uitkering voor
                        levensonderhoud die als het ware is opgebouwd uit een aantal
                        deeluitkeringen: een voor woonkosten, een voor kleding, een voor voedsel,
                        etc. Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand wanneer een van de
                        deeluitkeringen van de algemene bijstand niet in de specifieke kosten
                        voorziet. In welke kosten de algemene bijstand nu precies wel en niet
                        voorziet is uiteindelijk ter beoordeling aan de rechter. Hiervan bestaat
                        geen vaste lijst.</al><al>De mate waarin een belanghebbende de kosten kan voldoen uit het vermogen en
                        het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm noemen we in
                        navolging van artikel 39 lid 1 Abw draagkracht.</al><al>Het college heeft in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid
                        in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende ( TK 2002-2003,
                        28 870, nr. 3, p. 64-65). Dit betekent dat het college zelf bepaalt welk
                        deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking
                        wordt genomen. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>2.2</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de
                                    gemeente Olst-Wijhe;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsbepalingen van de wet zijn onverkort op deze beleidsregels van
                            toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met deze beleidsregels wordt beoogd de kaders, waarbinnen toepassing
                            wordt gegeven aan de gemeentelijke bevoegdheid tot de verlening van
                            bijzondere bijstand, te beschrijven en inzichtelijk te maken. Dit laat
                            onverlet dat er, gezien de complexiteit en de veelheid van factoren en
                            omstandigheden die zich bij de beoordeling van het recht op bijzondere
                            bijstand voor kunnen doen, redenen kunnen zijn om gemotiveerd van deze
                            beleidsregels af te kunnen wijken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Recht op bijzondere bijstand</titel></kop><al>De alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin heeft recht op
                        bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te
                        voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke
                        kosten van het bestaan en deze kosten niet kunnen worden voldaan uit de
                        bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bijzondere bijstand wordt verstrekt als er sprake is van bijzondere
                            omstandigheden. De alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin
                            heeft recht op bijzondere bijstand als voldaan is aan de volgende
                            voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al>er is onvoldoende draagkracht om de kosten zelf te dragen; en
                                </al></li><li nr="b."><al>er is geen voorliggende voorziening; en </al></li><li nr="c."><al>de aanvrager valt niet onder de uitsluitingsgronden van artikel
                                    13 Participatiewet; en </al></li><li nr="d."><al>de kosten kunnen niet worden voldaan uit de bijstandsnorm; en
                                </al></li><li nr="e."><al>er is sprake van noodzakelijke kosten; en </al></li><li nr="f."><al>er zijn bijzondere omstandigheden in de individuele situatie.
                                </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag of vervreemding. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorliggende voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand wordt rekening
                            gehouden met voorliggende voorzieningen. Hieronder wordt verstaan: elke
                            voorziening buiten de Participatiewet waarop de persoon of het gezin
                            aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van
                            middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt geen bijstand verstrekt in de volgende gevallen: </al><lijst><li nr="a."><al>er is een voorliggende voorziening die passend en toereikend is;
                                </al></li><li nr="b."><al>de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd door een voorliggende
                                    voorziening als niet noodzakelijk worden beschouwd; </al></li><li nr="c."><al>de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd hebben betrekking op
                                    medische behandelingen en verrichtingen die worden gerekend tot
                                    de ontwikkelingsgeneeskunde. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Afwijking van de in het voorgaande lid benoemde afwijzingsgronden is
                            alleen mogelijk indien zeer dringende redenen aanwezig zijn. Geen
                            afwijking is mogelijk bij de behandelingen of verrichtingen die worden
                            gerekend tot de ontwikkelingsgeneeskunde. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de bijzonder noodzakelijke kosten door een voorliggende
                            voorziening gedeeltelijk worden vergoed, is het recht op bijzondere
                            bijstand voor het niet vergoede deel van de kosten afhankelijk van de
                            reden waarom de voorliggende voorziening tot slechts gedeeltelijke
                            vergoeding is overgegaan. Wanneer de reden van gedeeltelijke vergoeding
                            enkel budgettaire gronden heeft kunnen de niet vergoede kosten voor
                            bijzondere bijstand in aanmerking worden genomen, voor zover de kosten
                            betrekking hebben op de meest goedkope toereikende oplossing. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In deze beleidsregels worden richtlijnen vastgesteld hoe om te gaan met
                            het bepalen van het inkomen en het vermogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Noodzakelijke kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bijzondere bijstand is bedoeld voor de voorziening in de uit bijzondere
                            omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Omdat ze niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden geacht
                            te behoren, kan geen bijstand worden verleend voor:</al><lijst><li nr="a."><al>De voldoening aan alimentatieverplichtingen; </al></li><li nr="b."><al>De betaling van een boete; </al></li><li nr="c."><al>Geleden of toegebrachte schade; </al></li><li nr="d."><al>Vrijwillige premiebetaling in het kader van een
                                    publiekrechtelijke verzekering; </al></li><li nr="e."><al>Aflossing van een schuldenlast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bijstand in de kosten van aflossing van een schuldenlast is onder
                            bijzondere omstandigheden wel mogelijk, met inachtneming van het
                            bepaalde in artikel 13 lid 1 sub f Participatiewet jo artikel 49
                            participatiewet en daarop gebaseerde regelgeving. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tenzij in de beleidsregels anders is bepaald wordt de hoogte van de te
                            verstrekken bijzondere bijstand vastgesteld aan de hand van de
                            Nibud-prijzengids zoals opgenomen in het handboek Grip op
                            Participatiewet. Het college motiveert in dit geval in de beschikking
                            dat uit onderzoek geen noodzaak is gebleken om daar in het individuele
                            geval van af te wijken. Het is in beginsel aan belanghebbende om
                            gemotiveerd en zo nodig onderbouwd aan te geven dat een hoger bedrag
                            noodzakelijk is. Stelt het college de bijstand lager vast dan de
                            richtprijzen dan rust in beginsel de bewijslast dat de belanghebbende in
                            de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten kan voorzien bij
                            het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Beoordeling bijzondere omstandigheden in de individuele
                            situatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het uitgangspunt is dat bij een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt
                            gekeken naar de individuele situatie van de aanvrager. De te
                            beantwoorden vraag is of de aanvrager de bepaalde kosten kan dragen
                            gezien zijn individuele omstandigheden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de beoordeling zijn zowel de individuele omstandigheden relevant
                            alsmede of deze omstandigheden bijzonder zijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de noodzakelijke kosten, waarin bijzondere bijstand wordt
                            gevraagd, ontstaan zijn door een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid van de aanvrager, wordt deze omstandigheid
                            betrokken in de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de
                            noodzakelijke kosten van het bestaan kan, afhankelijk van de ernst van
                            de onverantwoordelijkheid, de individuele omstandigheden van de
                            aanvrager en de urgentie van het aangevraagde, ertoe leiden dat er geen
                            recht op bijzondere bijstand bestaat. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien en voor zover aan het ontstaan of bestaan van de bijzondere
                            noodzakelijke kosten een onvoldoende betoond besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in de noodzakelijke kosten van
                            het bestaan ten grondslag ligt, wordt de eventueel toegekende bijzondere
                            bijstand in beginsel toegekend in de vorm van een geldlening. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><nr>2.3</nr><titel>Inkomen, vermogen en draagkracht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verantwoordelijkheid tot voldoening uit eigen middelen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt geen toepassing
                                gegeven aan de mogelijkheid van artikel 35 lid 2 Participatiewet om
                                op de toe te kennen bijzondere bijstand een drempelbedrag in
                                mindering te brengen. </al></li><li nr="2."><al>Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de
                                algemene bijstand. Belanghebbende dient een vermogen te hebben dat
                                minder is dan de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3
                                Participatiewet.</al></li><li nr="3."><al>Van het saldo op de betaalrekening wordt bij de aanvraag om
                                bijzondere bijstand in verband met lopende uitgaven een bedrag
                                vrijgelaten dat gelijk is aan de voor de belanghebbende(n) geldende
                                bijstandsnorm (norm inclusief vt). Een negatief saldo op de
                                betaalrekening moet als schuld worden aangemerkt en telt dus wel mee
                                bij de vaststelling van het vermogen.</al></li></lijst><al><vet>Let op:</vet> de saldi op spaarrekeningen tellen wel volledig mee als
                        vermogen.</al><lijst><li nr="4."><al>Er geldt een extra vermogensvrijlating indien er sprake is van een
                                reservering voor begrafenis/uitvaart kosten. Deze vrijlating kan
                                alleen worden toegepast als het gereserveerde bedrag
                                    <onderstreept>uitsluitend</onderstreept> beschikbaar komt bij
                                overlijden. Contant geld, een banktegoed, een spaardeposito of
                                spaargeld voor dit doel blijft <onderstreept>niet</onderstreept>
                                buiten beschouwing.</al></li><li nr="5."><al>Van het uitgangspunt dat auto's meetellen voor de
                                vermogensvaststelling kan worden afgeweken indien: </al></li></lijst><al>a.de auto (of motor), gelet op de omstandigheden van persoon en gezin,
                        noodzakelijk is (bijvoorbeeld wanneer een van de gezinsleden ernstig
                        lichamelijk gehandicapt is); </al><al>b.de waarde van de auto (of motor) maximaal € 4.587,72 bedraagt; is de
                        waarde van de auto hoger dan telt alleen het meerdere boven € 4.587,72 mee
                        voor de vermogensvaststelling.</al><al>De vrijlating van € 4.587,72 geldt slechts ten aanzien van één vervoermiddel
                        (auto of motor) per </al><al>gezin. Indien er daarnaast binnen hetzelfde huishouden nog een vervoermiddel
                        (auto of motor) aanwezig is, wordt de waarde daarvan toegerekend aan het
                        vermogen.</al><al>Voor de vaststelling van de waarde van de auto (inclusief btw) kan
                        bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van het prijzenboekje van de ANWB of het
                        Carbase-programma van uitgeverij Uilenstein. Van auto’s die wegens hun
                        leeftijd (doorgaans 7 à 8 jaar of ouder) niet meer in deze uitgaven zijn
                        opgenomen, wordt aangenomen dat hun waarde nihil bedraagt, tenzij er
                        aanwijzingen zijn dat dit niet het geval is (bijvoorbeeld bij oldtimers).
                        Deze auto’s worden bij de vermogensvaststelling dus in het geheel niet
                        meegeteld.</al><lijst><li nr="6."><al>Wanneer het vermogen is gebonden in de vorm van een voor eigen
                                bewoning bestemde eigen woning, wordt het vermogen eerst, volgens de
                                regels van de krediethypotheek, in aanmerking genomen wanneer de aan
                                de aanvrager te verstrekken bijzondere bijstand op
                                draagkrachtjaarbasis meer bedraagt dan de voor de aanvrager geldende
                                bijstandsuitkering op maandbasis. Wanneer de op draagkrachtjaarbasis
                                te verstrekken bijzondere bijstand beneden de voor aanvrager op
                                maandbasis geldende bijstandsuitkering blijft, wordt het in de eigen
                                woning gebonden vermogen niet in aanmerking genomen. </al></li><li nr="7."><al>In afwijking van lid 5 wordt het vermogen gebonden in de vorm van
                                een voor eigen bewoning bestemde woning niet in aanmerking genomen
                                voor zover het gaat om bijzondere bijstand voor kosten die verband
                                houden met de bevordering naar een zelfstandige bestaansvoorziening
                                en met de bevordering van het zelfstandig kunnen blijven
                                functioneren van ouderen en gehandicapten:</al><lijst><li nr="a."><al>huishoudelijke hulp</al></li><li nr="b."><al>personenalarmering</al></li><li nr="c."><al>maaltijdvoorziening</al></li><li nr="d."><al>eigen bijdrage(n) op grond van de WMO</al></li><li nr="e."><al>premie aanvullende ziektekostenverzekering</al></li><li nr="f."><al>eigen risico ziektekostenverzekering</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>Draagkracht is het gedeelte van het inkomen en vermogen dat de
                                aanvrager bij een aanvraag voor bijzondere bijstand zelf moet
                                inzetten. Als het inkomen op bijstandsniveau ligt, is er geen
                                draagkracht aanwezig in het inkomen. Wanneer het inkomen de
                                bijstandsnorm overstijgt, moet dat meerdere inkomen geheel of
                                gedeeltelijk ter delging van de noodzakelijke kosten worden ingezet.
                            </al></li><li nr="9."><al>Onder bruto draagkracht wordt verstaan het absolute bedrag dat door
                                de aanvrager ingevolge deze beleidsregels zou moeten kunnen worden
                                ingezet voor de bekostiging van de noodzakelijke kosten. Onder netto
                                draagkracht wordt verstaan de door de aanvrager te dragen kosten,
                                nadat op de bruto draagkracht het toepasselijke
                                draagkrachtpercentage is toegepast. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Reserveringscapaciteit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer het inkomen minimaal gelijk is aan het van toepassing zijnde
                            bijstandsniveau, wordt de aanvrager geacht te hebben kunnen reserveren
                            voor de bijzonder noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand
                            wordt aangevraagd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De reserveringscapaciteit bedraagt in beginsel 6 % van de van toepassing
                            zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aannemelijk wordt gemaakt dat de aanvrager (een deel van) de
                            aanwezige reserveringscapaciteit reeds heeft ingezet voor bijzonder
                            noodzakelijke kosten waarvoor hij anderszins geen vergoeding heeft
                            ontvangen, wordt de aanwezig te achten reserveringscapaciteit met die
                            kosten verlaagd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor personen die drie jaar of langer aangewezen zijn op een inkomen op
                            of onder bijstandsniveau, wordt de reserveringscapaciteit niet in
                            aanmerking genomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de
                            draagkracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen draagkracht hebben belanghebbenden die, op jaarbasis, een netto
                            inkomen hebben tot 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm (beide
                            inclusief vakantiegeld) en die geen vermogen hebben boven de voor hen
                            geldende vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 lid 3
                            Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het inkomen worden de middelen zoals genoemd in
                            artikel 31 lid 2 en artikel 36 van de Participatiewet buiten beschouwing
                            gelaten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een hoger inkomen heeft dan 110% van de
                            geldende bijstandsnorm, als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 29
                            Participatiewet. Dan wordt de draagkracht vastgesteld op 35% van het
                            meerdere inkomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een hoger vermogen heeft, als bedoeld in
                            artikel 34 lid 3 Participatiewet dan wordt de draagkracht vastgesteld op
                            100% van het meerdere vermogen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de bepaling van de netto draagkracht wordt ten opzichte van de
                            bruto draagkracht met een percentage van 100% gerekend in de toekenning
                            van bijzondere bijstand voor: </al><lijst><li nr="a."><al>woonkostentoeslag; </al></li><li nr="b."><al>toeslagen voor voormalig alleenstaande ouders; </al></li><li nr="c."><al>bijstand voor 18-21 jarigen, voor zover die de landelijke norm
                                    te boven gaat; </al></li><li nr="d."><al>bijstand voor 18-21 jarigen in een inrichting; </al></li><li nr="e."><al>bijstand voor kosten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                    voor zelfstandigen; </al></li><li nr="f."><al>bijstand voor kosten levensonderhoud als aanvulling op (of ter
                                    vervanging van) het kindgebonden budget/ALO-kop.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor de bepaling van de netto draagkracht wordt ten opzichte van de
                            bruto draagkracht met een percentage van 10% gerekend in de toekenning
                            van bijzondere bijstand voor kosten die verband houden met de
                            bevordering naar een zelfstandige bestaansvoorziening en met de
                            bevordering van het zelfstandig kunnen blijven functioneren van ouderen
                            en gehandicapten:</al><lijst><li nr="a."><al>personenalarmering</al></li><li nr="b."><al>maaltijdvoorziening</al></li><li nr="c."><al>eigen bijdrage(n) op grond van de WMO</al></li><li nr="d."><al>premie aanvullende ziektekostenverzekering</al></li><li nr="e."><al>eigen risico ziektekostenverzekering</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Alleen bij toepassing van de hoofdstukken 3, 4 en 7.1 tot en met 7.3
                            wordt rekening gehouden met de kostendelersnorm. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling
                            op grond van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het college enkel de
                            draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende
                            daadwerkelijk de beschikking heeft (zie <onderstreept>CRvB 01-02-2005,
                                nr. 02/93 NABW</onderstreept>). De CRvB neemt hierbij als
                            uitgangspunt dat dit slechts de middelen betreft die op de voet van
                            artikel 295 lid 2 Fw buiten de boedel worden gelaten. Aangezien dit in
                            de praktijk neerkomt op 90% van de bijstandsnorm, betekent dit dat er in
                            het algemeen geen draagkracht zal kunnen bestaan bij een belanghebbende
                            ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling o.g.v. de WSNP van
                            toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een minnelijke schuldregeling
                            is afgesproken, geldt dat het college enkel de draagkracht kan berekenen
                            over de middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking
                            heeft. Als een belanghebbende deelneemt aan een minnelijke
                            schuldregeling dan kan belanghebbende feitelijk niet beschikken over
                            zijn volledige inkomen. Belanghebbende heeft zich immers op grond van de
                            schuldregelingsovereenkomst verplicht om het inkomen boven de
                            beslagvrije voet of boven het VTLB te storten op een aangewezen
                            rekening. Ook dit betekent in de praktijk dat belanghebbende ongeveer
                            90% van de bijstandsnorm overhoudt om van te leven en er dus in feite
                            materieel geen draagkracht is. In deze situatie dient er wel
                            daadwerkelijk een minnelijke schuldregelingsovereenkomst zijn
                            afgesloten. </al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Een zelfstandige is niet uitgesloten van bijzondere bijstand en
                            reductieregeling. Het inkomen van een zelfstandige kan worden geschat
                            aan de hand van het inkomen van vorig jaar, een IB verklaring of de
                            huidige boekhouding. Wanneer de aan de aanvrager te verstrekken
                            bijzondere bijstand op draagkrachtjaarbasis meer bedraagt dan de voor de
                            aanvrager geldende bijstandsuitkering op maandbasis wordt achteraf aan
                            de hand van de jaarstukken vastgesteld wat de definitieve draagkracht
                            over de draagkrachtperiode was. Indien deze hoger is dan de verstrekte
                            bijzondere bijstand wordt deze terug gevorderd. Wanneer de op
                            draagkrachtjaarbasis te verstrekken bijzondere bijstand beneden de voor
                            aanvrager op maandbasis geldende bijstandsuitkering blijft wordt de
                            draagkracht niet achteraf opnieuw berekend. Het vermogen verbonden in
                            het bedrijf wordt meegeteld voor zover dit redelijkerwijs te gelde
                            gemaakt kan worden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Periode draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld,
                            beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt
                            zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening
                            gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht; de vastgestelde ruimte
                            blijft dus gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als bij een aanvraag blijkt dat er vóór de aanvraagdatum noodzakelijke
                            kosten zijn gemaakt, dan wordt het draagkrachtjaar, met inachtneming van
                            hetgeen is bepaald in artikel 12, vastgesteld vanaf de eerste dag van de
                            maand waarin deze kosten zich voor het eerst hebben voorgedaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht
                            verrekend naar rato van het aantal maanden van de periode waarop deze
                            bijstand betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De draagkrachtperiode kan voor een langere periode (tot maximaal de duur
                            van de indicatie) vastgesteld worden indien;</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende een bijstandsuitkering of alleen een AOW
                                    uitkering ontvangt en</al></li><li nr="b."><al>Het gaat om de kosten als bedoelt in artikel 9 lid 7.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij toepassing van het voorgaande lid wordt de bijstand periodiek
                            uitbetaald en wordt er periodiek (1 keer per 18 maanden) een
                            administratief heronderzoek verricht. Hierbij kunnen de betaalbewijzen
                            alsnog worden opgevraagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Toepassing draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het middels bijzondere bijstand toe te kennen bedrag voor de delging van
                            noodzakelijke kosten, wordt berekend door het bedrag van de in
                            aanmerking te nemen kosten te verminderen met de aanwezige netto
                            draagkracht en de eventuele reserveringscapaciteit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de toe te kennen bijzondere bijstand periodiek wordt verstrekt,
                            kan de netto draagkracht eveneens periodiek worden verrekend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de toe te kennen bijstand een incidenteel karakter heeft, wordt
                            de vastgestelde netto draagkracht voor de vastgestelde
                            draagkrachtperiode ineens verrekend met de middels bijzondere bijstand
                            te vergoeden noodzakelijke kosten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij samenloop van incidentele en periodieke kosten, wordt de netto
                            draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor
                            bijzondere bijstand wordt toegekend. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In beginsel wordt de eenmaal vastgestelde draagkracht niet meer herzien
                            wanneer de jaarinkomsten eenmaal zijn vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval van het wegvallen dan wel het ontstaan van inkomstenbronnen of
                            wijziging van de gezinssamenstelling kan tussentijdse herziening
                            plaatsvinden over het resterende deel van de draagkrachtperiode.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>2.4 De aanvraag, vorm van bijstand, uitbetaling en terugvordering</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bijzondere bijstand wordt in principe op aanvraag verstrekt. Aanvragen
                            voor bijzondere bijstand kunnen worden ingediend tot en met 3 maanden na
                            het moment waarop de kosten zijn gemaakt. Het is dus mogelijk om met
                            terugwerkende kracht bijzondere bijstand te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt slechts in behandeling
                            genomen als de gevraagde gegevens compleet zijn en/of de gevraagde
                            bewijsstukken zijn overgelegd. Het na een geboden hersteltermijn niet
                            (tijdig) aanleveren van de gevraagde gegevens en/of bewijsstukken leidt
                            tot buiten behandelingstelling van de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De wijze van verstrekken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijzondere bijstand wordt in beginsel “om niet” (zonder
                            terugbetaalverplichting) verstrekt. Dit sluit echter niet uit dat in
                            bepaalde gevallen de bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht
                            wordt verstrekt of teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of
                            borgtocht indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame
                                    gebruiksgoederen betreft;</al></li><li nr="b."><al>redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op
                                    korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de
                                    betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan
                                    te voorzien. Onder korte termijn wordt verstaan een periode van
                                    maximaal 12 maanden;</al></li><li nr="c."><al>de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom
                                    betreft;</al></li><li nr="e."><al>het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een
                                    schuldenlast betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bijstand die in de vorm van een renteloze geldlening wordt verleend,
                            moet in beginsel worden terugbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aflossingstermijn van een renteloze geldlening wordt in principe
                            vastgesteld op 3 jaar. Indien er na maximaal 36 maanden nog een restant
                            bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet. Belanghebbende moet
                            dan wel aan de voorwaarden voldaan hebben, dat hij de vastgestelde
                            maandelijkse aflossingsbedragen volledig heeft afbetaald.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van het genoemde in lid 4 kan worden afgeweken als blijkt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan
                                    aflossen; of</al></li><li nr="b."><al>indien hij in de eerste drie jaar nalatig is geweest met het
                                    aflossen van de geldlening; of</al></li><li nr="c."><al>wanneer belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan
                                    worden verweten met betrekking tot het ontstaan of voortduren
                                    van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in de
                                    vorm van een geldlening heeft geleid. De looptijd wordt in dit
                                    geval langer aangezien belanghebbende het volledige bedrag moet
                                    aflossen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De hoogte van de aflossing van de renteloze lening bedraagt 6% van de
                            van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij een inkomen boven de bijstandsnorm wordt de aflossing verhoogd met
                            50% van deze meer inkomsten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>De individuele bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor
                        daadwerkelijk gemaakte kosten, waarvoor betalingsbewijzen moeten worden
                        overlegd. Op verzoek van belanghebbende kan de bijzondere bijstand
                        rechtstreeks aan de leverancier worden overgemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>De bepalingen betreffende terugvordering zijn van overeenkomstige toepassing
                        op de bijzondere bijstand (artikel 58 Participatiewet).</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Kosten van algemene aard</titel></kop><paragraaf><kop><nr>3.1</nr><titel>Toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar al dan niet verblijvende in een inrichting</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Jongeren van 18 tot en met 20 jaar kunnen in aanmerking komen voor
                        bijzondere bijstand. Voor hun algemeen noodzakelijke bestaanskosten kunnen
                        ze een beroep doen op de algemene bijstand. De Participatiewet, artikel 20,
                        kent voor jongeren van 18 t/m 20 jaar aparte (lage) normen welke zijn
                        afgeleid van de niveaus van de Algemene Kinderbijslagwet. Ingeval de
                        noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere hoger zijn dan de
                        toepasselijke bijstandsnorm, is aanvulling mogelijk bij wijze van bijzondere
                        bijstand. In geval een jongere van 18 t/m 20 in een inrichting verblijft,
                        heeft hij geen recht op algemene bijstand. De verlening van bijzondere
                        bijstand is wel mogelijk, overeenkomstig als voor jongeren van 18 t/m 20
                        jaar die niet in een inrichting verblijven. In deze gevallen wordt de hoogte
                        afgestemd op de norm van een 21-jarige die in een inrichting verblijft.</al><al>Daarbij geldt, dat het recht op bijzondere bijstand voor een jongere van 18
                        t/m 20 jaar alleen maar bestaat voor zover hij zijn ouders niet kan
                        aanspreken voor deze kosten.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van
                                jongeren van 18 tot 21 jaar wordt verleend indien en voor zover: </al><lijst><li nr="a."><al>de noodzakelijke kosten van bestaan uitgaan boven de
                                        toepasselijke norm;</al></li><li nr="b."><al>voor deze kosten de jongere geen beroep kan doen op zijn
                                        ouders omdat:</al><lijst><li nr="i."><al>de middelen van de ouders daartoe niet toereikend
                                                zijn; of</al></li><li nr="ii."><al>de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht
                                                tegenover zijn ouders niet te gelde kan maken.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>De jongere bedoeld onder lid 1 b wordt in ieder geval geacht zijn
                                onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde
                                te kunnen maken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder of ouders zijn overleden of in het buitenland
                                        wonen;</al></li><li nr="b."><al>de jongere in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening
                                        buiten het gezin is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de
                                        jongere zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe
                                        dient een indicatie te worden gegeven door een
                                        hulpverlenende instantie.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De noodzakelijke kosten van bestaan van de alleenstaande jongere,
                                alleenstaande ouder of gehuwde van 18 tot 21 jaar worden
                                gelijkgesteld aan de toepasselijke bijstandsnorm voor alleenstaande,
                                alleenstaande ouder of gehuwde van 21 jaar of ouder, zoals genoemd
                                in artikel 21 en artikel 22a. De bijzondere bijstand wordt
                                vastgesteld op het verschil tussen het inkomen van de jongere en de
                                toepasselijke bijstandsnorm.</al></li><li nr="4."><al>De bijzondere bestand wordt waar mogelijk, op grond van paragraaf
                                6.5 van de Participatiewet verhaald. Daarmee wordt voorkomen dat de
                                beslissing tot bijstandsverlening afbreuk doet aan de ouderlijke
                                onderhoudsplicht.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>3.2</nr><titel>Aanvulling alleenstaande ouders</titel></kop><structuurtekst><al>Vanaf 1 januari 2015 vervalt de alleenstaande oudernorm en de gemeentelijke
                        toeslag voor mensen die kosten niet kunnen delen. Alleenstaanden en
                        alleenstaande ouders krijgen vanaf 1 januari 2015 hetzelfde bedrag. (70% van
                        het wettelijk minimumloon).</al><al>Voor alleenstaande ouders komt er boven op het kindgebonden budget(KGB) een
                        extra kindgebonden budget, de zogenoemde alleenstaande ouderkop (alo-kop)
                        die de Belastingdienst uitkeert. Deze toeslag is lager dan de toeslag op de
                        norm die voorheen werd verstrekt. De mate van inkomensachteruitgang van
                        alleenstaande ouders in de bijstand is afhankelijk van enkele factoren,
                        zoals het aantal minderjarige kinderen, maar ook de leeftijd van deze
                        kinderen. </al><al/><al><vet>Definitieverschil</vet></al><al>Een deel van de alleenstaande ouders krijgt de alleenstaande ouderkoptoeslag
                        echter niet. Dat komt omdat de partnerdefinitie die de Belastingdienst
                        (Awir) hanteert, afwijkt van de alleenstaande definitie in de
                        Participatiewet. Dat geldt bijvoorbeeld voor alleenstaande ouders van wie de
                        partner in een inrichting zit of van wie de partner met onbekende bestemming
                        is vertrokken. Als een alleenstaande ouder op 31-12-2014 een uitkering
                        ontvangt komt hij onder het overgangsrecht en ontvangt tot 1-1-2016 de
                        aanvulling van 20%. </al><al>Voor alleenstaande ouders die op 31 december 2014 in de bijstand zitten, in
                        2015 een toeslagpartner hebben en in aanmerking komen voor de
                        kostendelersnorm is een overgangsregeling getroffen. Deze groep houdt 90%
                        van de gehuwdennorm tot 1 juli 2015. Daarna valt hij onder de
                        kostendelersnorm met een toeslag van 20% omdat hij alleenstaande ouder is.
                        Deze groep heeft geen recht op de alo-kop van het Kind gebonden budget. Zij
                        behouden tot 1-1-2016 de aanvulling van 20% voor alleenstaande ouders
                        bovenop de uitkering die zij ontvangen.</al><al>In een aantal gevallen is het mogelijk het Awir-partnerschap bij de
                        Belastingdienst/Toeslagen ongedaan te maken. In de hierboven beschreven
                        gevallen gaat het waarschijnlijk om alleenstaande ouders die een partner
                        hebben omdat zij getrouwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben. De
                        toeslaggerechtigde komt alleen in aanmerking voor de alleenstaande ouderkop
                        als er een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed is aangevraagd.
                        De actie ligt bij de toeslaggerechtigde. Vervolgens moet er ook nog voor
                        worden gezorgd dat de ex-partner niet woont op het zelfde adres en ook niet
                        voorkomt in de BRP en dus (eventueel) wordt uitgeschreven van het adres van
                        de alleenstaande ouder.</al><al>Belanghebbende moet worden gewezen op de mogelijkheden die belanghebbende
                        heeft om wel voor de alleenstaande ouderkop in aanmerking te komen. Dit kan
                        met toepassing van artikel 15 Participatiewet (voorliggende voorziening) en
                        artikel 55 Participatiewet (Opleggen van aanvullende voorwaarden).</al><al>Het is niet de bedoeling dat gemeenten (algemene of bijzondere) bijstand
                        verlenen om het inkomensgat te dichten dat kan ontstaan doordat de
                        alleenstaande ouder geen recht heeft op de alleenstaande ouderkop omdat zij
                        een toeslagpartner heeft. Dan zou namelijk sprake zijn van doorkruising van
                        het rijksinkomensbeleid.</al><al>Wel kan de gemeente in voorkomende gevallen bekijken of
                        maatwerkondersteuning mogelijk is via de bijzondere bijstand. Dat kan indien
                        betrokkene als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden wordt
                        geconfronteerd met noodzakelijke bestaanskosten, waarin de algemene bijstand
                        niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan. Daarbij zal dan
                        aansluiting moeten worden gezocht bij de normen die gelden voor
                        alleenstaande ouders met de aanvullende alleenstaande ouderkop.</al><al>Er speelt nog het verschil in begrippen peildatum of een feitelijke datum.
                        De Bijstandsuitkering wijziging met ingang van dezelfde dag als de mutatie.
                        Bij de Toeslagen zoals de belastingdienst die kent gaat het recht in en
                        stopt de maand na de mutatie. Het actuele Awir-partnerschap wordt bij
                        maandrecht toegepast. Voorbeeld: Het kindgebonden budget stopt als een kind
                        18 jaar is geworden. De toeslag loopt nog tot en met de maand waarin het
                        jongste kind 18 wordt. De toeslag gaat ook altijd in op de 1e dag van de
                        maand na de mutatie. Een kind is geboren op 8 april. Het kindgebonden budget
                        gaat in op 1 mei. Alleen een mutatie op de eerste van de maand heeft werking
                        in de maand zelf. Voorbeeld: vader en moeder hebben twee kinderen, zijn niet
                        getrouwd en vader is vanaf 1 juni ingeschreven op een ander adres. Dan zijn
                        vader en moeder vanaf 1 juni alleenstaande. Stel dat de moeder al enkele
                        jaren de kindgebonden budgetaanvrager is, dan heeft zij vanaf 1 juni recht
                        op de alleenstaande-ouderkop.</al><al>Overigens wordt de toeslag vooraf uitbetaald, Op 22 december 2014 wordt de
                        toeslag over januari 2015 uitbetaald. </al><al>In principe is dus geen bijzondere bijstand nodig voor overbrugging van een
                        overgangsperiode. De Belastingdienst heeft overigens toegezegd dat zij
                        aanvragen en mutaties snel verwerken.</al><al>Tot slot komt het voor dat de Belastingdienst bij schulden Toeslagen met
                        elkaar verrekend. Hiervoor is geen bijzondere bijstand mogelijk. Het zou dan
                        immers gaan om bijstand ter voldoening van schulden. </al><al>Bij een terugvordering wordt de toeslaggerechtigde een betalingsregeling
                        voorgelegd. Als de toeslaggerechtigde niet alles in een keer betaalt en
                        verder niet reageert dan wordt er als er voldoende financiële ruimte is
                        binnen hetzelfde middel de betalingsregeling uitgevoerd. Dat betekent dat
                        uitsluitend met hetzelfde middel verrekend wordt. Als de toeslaggerechtigde
                        zich niet houdt aan de regeling, dan komen ook alle andere middelen in
                        aanmerking voor verrekening. Bij het treffen van een persoonlijke
                        betalingsregeling kan de burger de Belastingdienst vragen rekening te houden
                        met de beslagvrije voet.</al><al>Daarnaast kent de Belastingdienst/Toeslagen twee soorten betalingsregelingen
                        voor mensen die toeslagen moeten terugbetalen: een
                        standaardbetalingsregeling en een persoonlijke. Bij de persoonlijke variant
                        wordt de betalingscapaciteit vastgesteld. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van
                                alleenstaande ouder wordt verleend indien en voor zover:</al></li><li nr="a."><al>De alleenstaande ouder geen beroep kan doen op de alleenstaande
                                ouderkop omdat hij voor de Awir een toeslagpartner heeft, én</al></li><li nr="b."><al>Belanghebbende, binnen het redelijke, alle mogelijkheden heeft benut
                                om ook voorde Belastingdienst als alleenstaande ouder te worden
                                aangemerkt en zodoende gebruik te kunnen maken van de voorliggende
                                voorziening, de alleenstaande ouderkop.</al></li><li nr="2."><al>De noodzakelijke kosten van bestaan van de alleenstaande ouder wordt
                                gelijkgesteld met de toepasselijke norm voor een alleenstaande
                                ouder, artikel 21 onder a, aangevuld met de alleenstaande ouderkop
                                die geldt als belanghebbende geen toeslagpartner heeft. De
                                bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen het
                                inkomen van de alleenstaande ouder en de toepasselijke
                                bijstandsnorm.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>3.3</nr><titel>Toeslag voor alleenstaanden met inwonend, niet meer ten laste komend kind</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Indien in een alleenstaand oudergezin, het laatste in de gezinsbijstand
                        begrepen kind niet meer ten laste van de ouder komt, is op deze ouder het
                        normbedrag van een alleenstaande van toepassing. Deze situatie kan ontstaan
                        doordat het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt of doordat het kind
                        studiefinanciering of inkomsten vanuit werk ontvangt. Let op! Er bestaat
                        alleen recht op een garantietoeslag wanneer de betrokkene (de voormalige
                        alleenstaande ouder) al een bijstandsuitkering ontvangt en op dat moment het
                        laatste in de gezinsbijstand begrepen kind 18 jaar wordt. Voor "nieuwe"
                        aanvragen geldt dit niet en dient de betrokkene als alleenstaande aangemerkt
                        te worden zonder dat er recht bestaat op een garantietoeslag. Om de overgang
                        naar de andere norm soepel te laten verlopen, kan de gemeente, indien er
                        hogere kosten dienen te worden gemaakt, de bijstand tijdelijk daarop
                        afstemmen door een aanvulling met bijzondere bijstand.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De toeslag wordt verleend op voorwaarde dat dit kind tot het
                                huishouden van de alleenstaande blijft behoren.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag wordt verleend voor maximaal 6 maanden, waarbij de
                                toeslag na 3 maanden wordt gehalveerd.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de garantietoeslag wordt bepaald op het verschil
                                tussen de gehuwdennorm en het gezamenlijk inkomen van ouder en kind
                                vanaf het moment dat het laatste in de gezinsbijstand begrepen kind
                                18 jaar wordt. De normwijziging en de garantietoeslag gaan dus in
                                vanaf de 18de verjaardag van het kind. </al></li><li nr="4."><al>Alle inkomsten van ouder en kind worden bij de berekening van de
                                garantietoeslag meegenomen met uitzondering van: </al></li><li nr="a."><al>de premie deeltijdwerk;</al></li><li nr="b."><al>de vrijlating van inkomsten uit arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het inkomen van andere inwonende kinderen;</al></li><li nr="d."><al>neveninkomsten van het studerende kind tot een maximum van 10% van
                                het minimumloon per maand.</al></li><li nr="5."><al>Indien het kind <cursief>studiefinanciering </cursief>ontvangt
                                ingevolge de WSF 2000, wordt dat inkomen bepaald op het voor de
                                kosten van levensonderhoud geldende normbedrag als genoemd in
                                artikel 33 lid 2 Participatiewet. Dit normbedrag geldt ongeacht het
                                bedrag dat het daadwerkelijke bedrag aan studiefinanciering dat het
                                kind ontvangt. Indien het kind <cursief>studietoelage
                                </cursief>ontvangt ingevolge de Wtos, wordt het inkomen bepaald op
                                het bedrag dat het studerende kind ontvangt aan basistoelage.</al></li><li nr="6."><al>Aan het verlenen van de garantietoeslag wordt de voorwaarde
                                verbonden dat het inwonend kind een beroep doet op de
                                onderhoudsplicht van zijn ouder, die niet in gezinsverband met hem
                                leeft.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>3.4</nr><titel>Individuele inkomenstoeslag</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                        langdurigheidstoeslag. In de “Verordening individuele inkomenstoeslag
                        gemeente Olst-Wijhe” zijn de regels over het verlenen van een individuele
                        inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet vastgelegd.
                        Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                        inkomen hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast is bij
                        verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag vastgelegd. </al><al>In deze beleidsregels is opgenomen welke groepen niet in aanmerking komen
                        voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht
                        hebben op inkomensverbetering. Bij de beoordeling van het criterium 'geen
                        uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de
                        omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de
                        Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden
                        gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                                inkomensverbetering te komen</al></li></lijst><al>Deze omstandigheden zijn uitgewerkt in lid 5 en 6.</al><al>Personen opgenomen in een inrichting kunnen ook in aanmerking komen voor de
                        individuele inkomenstoeslag. Deze belanghebbende moet om in aanmerking te
                        komen natuurlijk wel aan de overige genoemde voorwaarden voldoen.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de voorwaarden voor het recht op de individuele inkomenstoeslag
                                wordt ook verwezen naar artikel 36 van de Participatiewet en de
                                Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Olst-Wijhe.</al></li><li nr="2."><al>De individuele inkomenstoeslag kan maximaal eenmaal per jaar worden
                                verstrekt en dient elk jaar opnieuw te worden aangevraagd.</al></li><li nr="3."><al>De peildatum is de datum waarop in enig jaar het recht op de
                                individuele inkomenstoeslag ontstaat. De peildatum kan niet voor de
                                aanvraagdatum liggen.</al></li><li nr="4."><al>Het toetsen van de criteria voor langdurig een laag inkomen begint
                                te lopen vanaf het moment dat de aanvrager in Nederland verblijft.
                            </al></li><li nr="5."><al>Als er in de laatste 12 maanden sprake is geweest van het
                                verwijtbaar niet nakomen van arbeids- en/of re-
                                integratieverplichtingen, waarvoor een maatregel van 20% of meer is
                                opgelegd, bestaat er geen recht op de inkomenstoeslag. Er was
                                uitzicht op inkomensverbetering, maar door eigen toedoen is dit
                                teniet gedaan. Gedragingen waarvoor een maatregel is opgelegd van
                                minder dan 20% staan de inkomenstoeslag niet in de weg.</al></li><li nr="6."><al>Personen of diens partner op de peildatum of in de referteperiode
                                een inkomen geniet of heeft genoten op grond van de Wet op de
                                studiefinanciering (WSF) of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage
                                en Schoolkosten (WTOS). zijn uitgesloten, omdat zij geacht worden
                                uitzicht te hebben op een inkomensverbetering</al></li><li nr="7."><al>De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is opgenomen in het
                                financiële besluit en wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op
                                basis van het consumentenprijsindexcijfer.</al></li><li nr="8."><al>De individuele inkomenstoeslag is geen voorliggende voorziening op
                                individuele bijzondere bijstand.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonkosten</titel></kop><paragraaf><kop><nr>4.1</nr><titel>Woonkostentoeslag</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wet op de huurtoeslag heeft er een wijziging
                        plaatsgevonden bij de vaststelling van het inkomen. Voor de inwerkingtreding
                        werd er gekeken naar het inkomen van het voorafgaande jaar. De huidige
                        huurtoeslag wordt gebaseerd op het actuele inkomen. Indien gedurende het
                        jaar inkomensveranderingen optreden, kan de huurtoeslag tussentijds worden
                        aangepast. Ook andere mutaties die van invloed zijn op de huurtoeslag zoals
                        hoogte van de huur en gezinssamenstelling kunnen tussentijds worden
                        aangepast. In veel situaties is het daarom niet meer noodzakelijk om een
                        woonkostentoeslag te verstrekken.</al><al>Er kunnen zich echter 2 situaties voordoen waarbij er wel een
                        woonkostentoeslag bij een huurwoning kan worden verstrekt, namelijk bij een
                        huurder die een nieuwe woning betrekt of als er sprake is van terugval van
                        inkomsten en daardoor geen recht op huurtoeslag bestaat aangezien de huur
                        boven de maximale huurgrens ligt. Woonkostentoeslag kan ook worden verstrekt
                        bij een koopwoning, bijvoorbeeld indien er sprake is van een dusdanige
                        verlaging van het inkomen dat de woonkosten niet meer (volledig) vanuit dit
                        inkomen betaald kunnen worden.</al><al>Voor de berekening moet het berekeningsformulier woonkostentoeslag uit het
                        handboek Grip op Participatiewet worden gebruikt. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>4.2</nr><titel>Woonkostentoeslag bij een huurwoning</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De wet op de huurtoeslag geldt als voorliggende voorziening.</al></li><li nr="2."><al>In gevallen waar de belanghebbende geen aanspraak kan maken op de
                                huurtoeslag, kan bijzondere bijstand worden verstrekt ter hoogte van
                                de huurtoeslag.</al></li><li nr="3."><al>De belanghebbende is verplicht om de aanspraak op huurtoeslag te
                                gelde te maken.</al></li></lijst><tussenkop> 4.2.1 Woonkostentoeslag boven de maximale huurgrens bij een huurwoning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In het geval de woonkosten boven de maximale huurgrens liggen, kan
                                voor de duur van maximaal een jaar een woonkostentoeslag worden
                                toegekend.</al></li><li nr="2."><al>Aan de verlening van woonkosten wordt de verplichting verbonden, dat
                                de belanghebbende alles in het werk stelt om goedkopere woonruimte
                                te verkrijgen.</al></li><li nr="3."><al>De woonkostentoeslag kan met maximaal een jaar worden verlengd, als
                                de belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te
                                verkrijgen, ondanks voldoende inspanningen daartoe.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van artikel 3.3 lid 4 wordt de draagkracht gesteld op
                                al het meerdere inkomen boven de van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm.</al></li><li nr="5."><al>Wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                onvoldoende inspanningen heeft verricht om passende woonruimte te
                                verkrijgen, kan de woonkostentoeslag worden beëindigd dan wel
                                verlenging van de woonkostentoeslag worden geweigerd.</al></li><li nr="6."><al>Van de belanghebbende wordt in ieder geval verwacht dat hij</al></li><li nr="a."><al>Ingeschreven is als woningzoekende;</al></li><li nr="b."><al>Consequent en adequaat reageert op elke aangeboden woning met een
                                huur lager dan de huurgrens, ongeacht de aard of ligging van de
                                woning.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>4.3</nr><titel>Woonkostentoeslag bij een eigen woning</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Woonkostentoeslag aan woningeigenaren kan worden toegekend voor
                                zover de woonkosten lager zijn dan de maximale huurgrens.</al></li><li nr="2."><al>Tot de woonkosten worden gerekend:</al></li><li nr="a."><al>De hypotheekrente;</al></li><li nr="b."><al>Het eigenaarsdeel onroerendzaakbelasting;</al></li><li nr="c."><al>De premie voor de opstalverzekering;</al></li><li nr="d."><al>De erfpachtcanon;</al></li><li nr="e."><al>De omslagheffing voor huiseigenaren (waterschapslasten);</al></li><li nr="f."><al>Vaste bedragen voor de kosten van groot onderhoud.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de belanghebbende aan wie woonkostentoeslag is toegekend
                                naderhand over dezelfde periode een teruggave van de Belastingdienst
                                ontvangt, bepaalt het college welk bedrag moet worden
                                teruggevorderd.</al></li></lijst><tussenkop> 4.3.1 Woonkostentoeslag boven de maximale huurgrens bij een eigen woning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In het geval de woonkosten boven de maximale huurgrens liggen, kan
                                voor de duur van maximaal een jaar een woonkostentoeslag worden
                                toegekend.</al></li><li nr="2."><al>Aan de verlening van woonkosten wordt de verplichting verbonden, dat
                                de belanghebbende alles in het werk stelt om goedkopere woonruimte
                                te verkrijgen.</al></li><li nr="3."><al>De woonkostentoeslag kan met maximaal een jaar worden verlengd, als
                                de belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te
                                verkrijgen, ondanks voldoende inspanningen daartoe.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van artikel 3.3 lid 4 wordt de draagkracht gesteld op
                                al het meerdere inkomen boven de van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm.</al></li><li nr="5."><al>Wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                onvoldoende inspanningen heeft verricht om passende woonruimte te
                                verkrijgen, kan de woonkostentoeslag worden beëindigd dan wel
                                verlenging van de woonkostentoeslag worden geweigerd.</al></li><li nr="6."><al>Van de belanghebbende wordt in ieder geval verwacht dat hij</al></li><li nr="a."><al>Een makelaar heeft ingeschakeld;</al></li><li nr="b."><al>Zijn woning via een advertentie te koop aanbiedt (in krant, op een
                                specifieke, vrij toegankelijke website voor het aanbieden van
                                koopwoningen, e.d.);</al></li><li nr="c."><al>Aantoonbaar actief op zoek is naar nieuwe woonruimte;</al></li><li nr="d."><al>Een reële vraagprijs stelt, waarbij de WOZ-waarde als uitgangspunt
                                geldt;</al></li><li nr="e."><al>De vraagprijs zo nodig naar beneden bijstelt, waarbij 80% van de
                                WOZ-waarde nog acceptabel wordt geacht.</al></li><li nr="7."><al>De inspanning wordt in ieder geval onvoldoende geacht, wanneer de
                                belanghebbende</al></li><li nr="f."><al>Uitsluitend een makelaar heeft ingeschakeld, zonder dat de makelaar
                                verdere marktgerichte activiteiten onderneemt;</al></li><li nr="g."><al>Een feitelijk bod weigert, ook al is dit bond onder zijn
                                vraagprijs;</al></li><li nr="h."><al>Zijn vraagprijs niet naar beneden bijstelt;</al></li><li nr="i."><al>Een goedkopere beschikbare woning weigert.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4 Waarborgsom</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In verschillende situaties kan het voorkomen dat de belanghebbende een
                        waarborgsom moet voldoen ter verkrijging van een bepaalde prestatie zoals
                        bijvoorbeeld bij het betrekken van nieuwe woonruimte. Over het algemeen,
                        krijgt de huurder deze waarborgsom bij beëindiging van het huurcontract weer
                        terug. De waarborgsom blijft in feite toebehoren aan de huurder maar hij kan
                        er niet over beschikken. Er kan een noodzaak bestaan om voor deze kosten
                        bijzondere bijstand te verlenen.</al><al/><al><vet>Voorwaarden</vet></al><al>1.Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor een waarborgsom in de vorm
                        van een (renteloze) geldlening. Belanghebbende ontvangt namelijk de
                        waarborgsom op een later moment weer terug.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5 Kosten van medische aard</label></kop><paragraaf><kop><label>5.1 Inleiding</label></kop><structuurtekst><al>In het algemeen is het zo dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet
                        langdurige zorg (Wlz) alle noodzakelijke medische of paramedische
                        kostensoorten vergoeden. Beide regelingen gelden samen als een aan de
                        Participatiewet voorliggende voorziening die passend en toereikend is.
                        Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten
                        (artikel 15 Participatiewet) In dit verband zij er op gewezen dat in de
                        toelichting bij artikel 15 Participatiewet onder meer is opgemerkt dat de
                        Participatiewet geen functie heeft indien binnen de voorliggende regeling
                        een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van de
                        voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie. Indien op grond
                        van een dergelijk noodzakelijkheidsoordeel de keuze is gemaakt om één of
                        meer kostensoorten niet in de voorziening op te nemen of de voorziening in
                        een bepaalde situatie niet noodzakelijk te achten, dient de Participatiewet
                        zich bij die keuze aan te sluiten en komt men ten aanzien van die kosten
                        niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Voorbeelden hiervan zijn
                        loophulpmiddelen zoals een rollator of krukken. Dit betekent tevens dat
                        medische of paramedische kosten die niet op grond van de Zvw of Wlz worden
                        vergoed in beginsel ook <cursief>niet</cursief> in aanmerking komen voor
                        bijzondere bijstand. Volgens de CRvB moet namelijk worden aangenomen dat in
                        het kader van de Zvw en de Wlz een bewuste beslissing is genomen over de
                        omvang van de genees- en heelkundige hulp. Deze uitspraken hebben weliswaar
                        betrekking op de Zfw en Wlz, maar aangenomen mag worden dat zulks ook geldt
                        voor de Zvw en de Wlz. </al><al>De volgende medische kostensoorten worden niet noodzakelijk geacht:</al><al><cursief>de kostensoorten bedoeld in artikel 14 onderdeel e
                            </cursief><cursief>Participatiewet</cursief> Geen bijstand wordt
                        verleend voor de kosten van medische handelingen en verrichtingen die
                        gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet
                        op bijzondere medische verrichtingen, of wanneer zodanige medische
                        behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden. Het betreft
                        hier een absoluut verbod. </al><al><cursief>de medische of paramedische kosten die bewust buiten het Zvw-pakket
                            zijn gelaten</cursief>Ingeval de voorziening als zodanig in
                        het concrete geval door die instantie niet noodzakelijk wordt geacht en
                        derhalve ook geen vergoeding wordt toegekend, kan geen bijstand worden
                        verleend. In de Zvw gaat het dan bijvoorbeeld om de kosten verbonden aan
                        alternatieve geneeswijzen. Een aanvraag om bijstand ter vergoeding van de
                        hieraan verbonden kosten kan, gelet op het bovenstaande, worden afgewezen
                        met toepassing van artikel 15 Participatiewet. </al><al>Wordt de voorziening in het individuele geval op grond van de Zvw wel
                        noodzakelijk geacht, maar worden de kosten om budgettaire redenen niet of
                        niet volledig vergoed, dan heeft het college de bevoegdheid, alsmede in
                        voorkomende gevallen de plicht, om (aanvullende) bijstand te verlenen voor
                        zover die kosten door de voorliggende voorziening voor belanghebbende
                        noodzakelijk worden geacht.</al><al>Bijstandsverlening is, in afwijking van hetgeen in het bovenstaande is
                        gesteld toch mogelijk indien en zolang, gelet op alle omstandigheden,
                        daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn (artikel 16 lid 1
                        Participatiewet). Het criterium "zeer dringende redenen" mag echter niet al
                        te ruim worden geïnterpreteerd. Het kan alleen worden toegepast bij acute
                        noodsituaties. Daarvan zal, ook bij aanvragen om bijzondere bijstand voor
                        medische kosten niet snel sprake zijn. Op grond van het motiveringsbeginsel
                        zoals dat is neergelegd in artikel 3:46 Awb dient het college de
                        mogelijkheid om wegens dringende redenen in afwijking van artikel 15
                        Participatiewet toch bijstand te verlenen altijd te beoordelen. Het is
                        daarom aan te bevelen om in de beschikking, waarin met toepassing van (een
                        van beide redenen in) dit artikel de aanvraag om bijstand wordt afgewezen,
                        uitdrukkelijk te vermelden dat niet is gebleken van dringende redenen om
                        toch bijstand toe te kennen. Zo mogelijk dient dit nader te worden
                        gemotiveerd.</al><al>Betreft het een aanvraag om bijzondere bijstand voor medische kosten en is
                        er geen sprake van zeer dringende redenen dan heeft het college op grond van
                        de Participatiewet niet de bevoegdheid om bijstand te verlenen voor de
                        betreffende kosten. Indien het college desondanks toch bijstand wil
                        verlenen, dan zal het daarvoor zelf beleid moeten formuleren. Men spreekt in
                        dit verband over buitenwettelijk beleid. De rechter kan buitenwettelijk
                        beleid slechts terughoudend toetsen. Het eventueel van toepassing zijnde
                        buitenwettelijk gemeentelijk beleid inzake bijstandsverlening voor medische
                        kosten is indien van toepassing opgenomen in deze beleidsregels. </al><al>Eigen bijdragen van kostensoorten die slechts ten dele door de Zvw worden
                        vergoed komen in beginsel in aanmerking voor bijzondere bijstand. Medische
                        kosten die zijn uitgesloten van vergoeding op grond van de Zvw (bijvoorbeeld
                        de kosten van alternatieve geneeswijzen zoals acupunctuur en kosten van
                        diverse farmaceutische middelen) worden soms toch vergoed op grond van een
                        aanvullende of collectieve verzekering. Daarbij geldt dan meestal een eigen
                        bijdrage. Of deze eigen bijdrage wordt vergoed is afhankelijk van het wel of
                        niet zijn uitgesloten van die medische kosten op grond van de Zvw. Als de
                        kosten buiten het vergoedingenpakket van de Zvw vallen, komen deze eigen
                        bijdragen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. </al><al>Het is mogelijk dat de verzekerde de zorg van een niet door zijn
                        zorgverzekeraar gecontracteerde zorgaanbieder af wil nemen. In zo'n geval
                        zal de vergoeding veelal niet volledig zijn. Wellicht zal de belanghebbende
                        voor het restant van de kosten bijstand aanvragen. Deze kosten zijn geen
                        noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 lid 1 Participatiewet, voor
                        zover bij gebruik van een wel gecontracteerde zorgaanbieder deze kosten wel
                        vergoed zouden worden. Er kan dan in beginsel geen bijstand worden
                        verleend.</al><al>Een zorgverzekeraar kan polissen aanbieden waarin bepaalde om ethische of
                        levensbeschouwelijke redenen controversiële prestaties buiten de dekking van
                        de zorgverzekering blijven. Indien de verzekerde voor een dergelijke
                        'vermagerde' polis kiest, dan komt hem geen bijstand toe voor de kosten die
                        buiten de dekking zijn gelaten. Analoog aan een vrijwillig gekozen hoger
                        eigen risico, kan het gevolg van voormelde keuze niet worden afgewenteld op
                        de Participatiewet in die zin dat de kosten van dit hogere eigen risico als
                        noodzakelijk zouden moeten worden aangemerkt.</al><al>Voor de bijzondere bijstand geldt de ziektekostenverzekering als
                        voorliggende voorziening. Indien men er zelf voor kiest om zich niet te
                        verzekeren tegen een algemeen aanvaard risicopakket komen deze kosten
                        volgens vaste jurisprudentie niet voor verlening van bijzondere bijstand in
                        aanmerking. Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt er vanuit gegaan
                        dat er een verplichte basisverzekering is afgesloten. Daarnaast heeft de
                        gemeente met Salland Verzekeringen een collectieve ziektekostenverzekering
                        voor minima afgesloten. De polis bestaat uit een Plus aanvullende
                        verzekering en een Tandplus verzekering voor mondzorg. Daarnaast kent de
                        gemeente een tegemoetkoming in de premie van de aanvullende
                        ziektekostenverzekering. </al><al>In het algemeen wordt, voor de vaststelling van de maximale hoogte van de
                        vergoedingen aangesloten bij het Pluspakket van Salland verzekeringen. </al><al>Wanneer de aanvrager zich elders aanvullend verzekerd heeft wordt voor de
                        hoogte van de te verlenen bijstand aansluiting gezocht bij de vergoeding die
                        verleend wordt op basis van die aanvullende verzekering.</al><al>Heeft men nagelaten zich aanvullend te verzekeren dan bepalen de individuele
                        omstandigheden de hoogte van de eventuele bijstand. In dat geval bedraagt de
                        vergoeding maximaal hetgeen voor eigen rekening zou zijn gebleven indien men
                        aanvullend verzekerd zou zijn op grond van de standaard aanvullende
                        verzekering van de zorgverzekeraar waarbij de belanghebbende verzekerd
                        is.</al><al>De belanghebbende heeft namelijk een wettelijk recht om zelf een verzekeraar
                        te kiezen. Hij kan niet gedwongen worden om zich bij een bepaalde
                        zorgverzekeraar te verzekeren. Een en ander volgt uit de beantwoording van
                        diverse Kamervragen door de ministers van SZW en VWS.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.2 Medisch advies</label></kop><structuurtekst><al>Bij het bepalen of er bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor medische
                        kosten is het van belang om de medische noodzakelijkheid vast te stellen
                        omdat alleen dan de kosten (deels) kunnen worden vergoed. Als uitgangspunt
                        wordt genomen dat alle kosten die onder de basisverzekering vallen en
                        volledig of deels worden vergoed als medisch noodzakelijke kosten worden
                        beschouwd. </al><lijst><li nr="-"><al>Daarnaast wordt er bij de onderstaande medisch kosten van uit gegaan
                                dat deze kosten medisch noodzakelijk zijn maar toch om budgettaire
                                redenen niet of niet volledig worden vergoed. Dit conform de
                                bepalingen in de Zvw. Brillen en contactlenzen;</al></li><li nr="-"><al>Tandheelkundigenhulp voor volwassenen;</al></li><li nr="-"><al>Eigen bijdrage voor de uitneembare volledige prothetische
                                voorziening voor de boven en/of onderkaak (“kunstgebit”);</al></li><li nr="-"><al>De kosten van de eerste 5 behandelingen fysiotherapie en
                                oefentherapie;</al></li><li nr="-"><al>Eigen bijdrage voor een pruik;</al></li><li nr="-"><al>Eigen bijdrage in orthopedisch schoeisel;</al></li><li nr="-"><al>Eigen bijdrage in kraamzorg;</al></li><li nr="-"><al>Eigen bijdrage in ziekenvervoer.</al></li></lijst><al>De voorwaarden waaronder bijzondere bijstand kan worden verleend en de
                        hoogte van de (maximale) vergoedingen zijn uitgewerkt in de nadere
                        voorwaarden in dit hoofdstuk.</al><al>Voor de overige medische kosten zal door middel van een aan te vragen
                        medisch advies moeten worden bepaald of de kosten als medisch noodzakelijk
                        kunnen worden beschouwd. Als dit niet het geval is dan komen de kosten niet
                        voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking. </al><al>In voorkomende gevallen kan het college de medische noodzaak laten
                        vaststellen door een hiervoor aangewezen instantie. De bijzondere bijstand
                        moet aangevraagd zijn voor met de (voortgezette) behandeling wordt gestart
                        en de kosten zijn gemaakt, zodat eerst een medisch advies kan worden
                        opgevraagd om de noodzaak en eventueel de goedkoopst adequate voorziening
                        vast te stellen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.3 Collectieve ziektekostenverzekering</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De gemeente Olst-Wijhe heeft een collectieve ziektekostenverzekering
                        afgesloten speciaal voor mensen met een lager inkomen bij Salland
                        Verzekeringen. Deelnemers zijn aanvullend verzekerd voor het Pluspakket en
                        Tandplus pakket (SallandPlus).</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbende met een netto maandinkomen tot en met 110% van de
                                voor hen geldende bijstandsnorm of inkomensvoorziening, inclusief
                                vakantiegeld, kunnen deelnemen aan de collectieve
                                ziektekostenverzekering van de door het college aangewezen
                                zorgverzekeraar.</al></li><li nr="2."><al>De vermogensgrens zoals genoemd in artikel 7 is hier van
                                toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De basisverzekering wordt als voorliggende voorziening gehanteerd
                                voor het verlenen van bijzondere bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De collectieve verzekering eindigt indien; </al></li><li nr="a."><al>Het netto inkomen hoger wordt dan genoemd in lid 1.</al></li><li nr="b."><al>Verzekerde verhuist buiten de gemeente Olst-Wijhe.</al></li><li nr="5."><al>De verzekering eindigt per de eerste januari van het volgend
                                kalenderjaar omdat een aanvullende verzekering niet tussentijds kan
                                worden opgezegd.</al></li><li nr="6."><al>Indien verzekerde komt te overlijden eindigt de collectieve
                                verzekering met ingang van de dag na het overlijden.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.4 Premie aanvullende ziektekostenverzekering</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand voor medische
                        kosten wordt er vanuit gegaan dat iedereen naast de basisverzekering een
                        aanvullende ziektekostenverzekering (inclusief) tandheelkunde) afsluit
                        zonder vrijwillig eigen risico. Dit betekent dat er geen recht op bijzondere
                        bijstand bestaat voor kosten die op grond van de aanvullende verzekering
                        worden vergoed. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor de premie aanvullende
                                ziektekostenverzekering wordt verstrekt voor zover men aanvullend
                                verzekerd is. De maximale hoogte is geregeld in het in bijlage 1
                                opgenomen Financieel besluit.</al></li><li nr="2."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de maximale vergoeding
                                zoals vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen financieel besluit
                                verminderd met de eigen draagkracht zoals deze is vastgesteld op
                                grond van artikel 9 lid 6. </al></li><li nr="3."><al>De mensen die collectief verzekerd zijn bij Salland verzekeringen
                                krijgen het bedrag automatisch op hun rekening bijgeschreven
                                aangezien van hen bekend is dat zij aan de inkomens-en
                                vermogenseisen voldoen en dat zijn aanvullend verzekerd zijn.</al></li><li nr="4."><al>De overige personen moeten de tegemoetkoming zelf aanvragen en
                                hierbij aantonen dat zij aanvullend verzekerd zijn. </al></li><li nr="5."><al>Indien niet het hele jaar recht op bijzondere bijstand bestaat wordt
                                het bedrag na rato van de periode waarover wel het recht bestaat
                                omgerekend.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.5 Eigen risico ziektekostenverzekering</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In de Zorgverzekeringswet (Zvw) is een verplicht eigen risico opgenomen.
                        Hier is sprake van een algemene maatregel, die geldt voor alle verzekerden.
                        Daarnaast is het mogelijk een vrijwillig eigen risico af te sluiten,
                        hierdoor wordt er een lagere premie betaald.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor het verplichte eigen
                                risico. Alleen en voor zover het verplichte eigen risico volledig is
                                opgebruikt. </al></li><li nr="2."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de maximale vergoeding
                                zoals vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit
                                verminderd met de eigen draagkracht zoals deze is vastgesteld op
                                grond van artikel 9 lid 6. </al></li><li nr="3."><al>De bijstand kan worden aangevraagd binnen hetzelfde kalenderjaar
                                waarbinnen het volledig eigen risico is opgebruikt. Indien de
                                bijdrage wordt opgelegd in een later kalenderjaar dient de
                                bijzondere bijstand te worden aangevraagd binnen drie maanden na
                                ontvangst van het bericht dat het volledig eigen risico is
                                opgebruikt. </al></li><li nr="4."><al>Er kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor het vrijwillige
                                eigen risico. Belanghebbende neemt hiervoor zelf de beslissing en
                                daardoor kan dit risico niet worden afgewenteld op de gemeente.
                            </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.6 Brillen/contactlenzen</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering zijn
                        voor de kosten van brillen (montuur en of glazen) of contactlenzen in
                        beginsel aan te merken als aan de bijzondere bijstand voorliggende,
                        toereikende en passende voorziening. Er is door de wetgever een bewuste
                        keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van brillen
                        (montuur en of glazen) of contactlenzen, zodat ( aanvullende ) bijzondere
                        bijstandsverlening in beginsel niet aan de orde is. Slechts indien er sprake
                        is van zeer dringende of medische redenen kan hiervan afgeweken worden.</al><al>Bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor een bril of contactlenzen
                        moet rekening worden gehouden met de vergoeding die de collectieve
                        aanvullende verzekering (SallandPlus) kent. De vergoeding is vastgelegd in
                        het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit. Salland vergoedt in 2017
                        maximaal € 75,00 (inclusief montuur) per 2 kalenderjaren. De klant kan op
                        grond van de voorwaarden van Salland ook kiezen voor een "gratis" bril via
                        Specsavers.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Is er sprake van het ontbreken van een aanvullende zorgverzekering
                                kan men in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De bijstand
                                wordt verstrekt eenmaal per twee kalenderjaren en de hoogte van de
                                vergoeding is vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel
                                besluit.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van vervanging van brillen (montuur en of glazen) of
                                contactlenzen komen pas in aanmerking voor vergoeding indien de
                                aanschaf plaatsvindt na 24 maanden na de vorige aanschaf. Hierbij
                                wordt aangesloten bij het verstrekkingenbeleid van de meeste
                                zorgverzekeraars.</al></li><li nr="3."><al>Indien binnen twee jaar een verzoek om bijstand in de kosten van
                                aanschaf voor een nieuwe bril wordt gedaan, wordt dit verzoek
                                afgewezen, tenzij er sprake is van wijziging van de sterkte van
                                glazen. Indien er sprake is van wijziging van een sterkte van +1 of
                                -1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de aanschaf van
                                nieuwe glazen. Er wordt van uitgegaan dat de glazen gezet kunnen
                                worden in het “oude montuur”.</al></li><li nr="4."><al>Indien een beroep wordt gedaan op bijstand in verband met een
                                duurdere voorziening op grond van medische klachten dan dient er een
                                verklaring van een oogarts verstrekt te worden. Er dient dan sprake
                                te zijn van brillenglazen of contactlenzen van +8 of -8.</al></li><li nr="5."><al>De maximale vergoeding bij toepassing van lid 4 voor een bril
                                (montuur en glazen) is vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen
                                Financieel besluit. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.7 Hoortoestellen</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Zorgverzekeringswet (Zvw) moet beschouwd worden als een aan de
                        bijstandsverlening in de weg staande voorliggende voorziening als bedoeld in
                        artikel 15 Participatiewet. Dat de zorgverzekering geen volledige dekking
                        voor deze kosten biedt en slechts een deel van de kosten vergoedt, doet
                        hieraan niet af. De kosten van een gehoortoestel komen in aanmerking voor
                        vergoeding door de zorgverzekeraar op grond van de Zvw, Besluit
                        zorgverzekering en Regeling zorgverzekering. Het is mogelijk dat de kosten
                        van het gekozen hoortoestel hoger zijn dan de maximale vergoeding die op
                        basis van de Regeling zorgverzekering mogelijk is.</al><al>Voor de hoogte van de aanvullende vergoeding wordt aangesloten bij de
                        vergoeding van de collectieve aanvullende verzekering SallandPlus. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er kan eens in de vijf jaar voor een hoorapparaat bijzondere
                                bijstand worden verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding komt bovenop de vergoeding vanuit de basisverzekering.
                                Vaak krijgen mensen met een aanvullende verzekering nog een extra
                                    vergoeding<vet>. </vet></al></li><li nr="3."><al>Als men dus niet aanvullend (of elders aanvullend-) verzekerd is kan
                                dus eens in de vijf jaar bijzondere bijstand voor een hoortoestel
                                worden toegekend.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.8 Batterijen en serviceabonnementen gehoortoestellen</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Kosten van de batterijen en een serviceabonnement van een gehoortoestel
                        behoren tot de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan en komen
                        daarom in aanmerking voor bijzondere bestand. Hierbij geldt dat wordt
                        aangesloten bij de collectieve ziektekostenverzekering van de gemeente
                        Olst-Wijhe.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de kosten van de batterijen voor een gehoorapparaat kan
                                maximaal eenmaal per jaar bijzondere bijstand worden verleend.</al></li><li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een forfaitair
                                bedrag vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel
                                besluit.</al></li><li nr="3."><al>Voor de kosten van een serviceabonnement kan eens in de vijf jaar
                                bijzondere bijstand worden verstrekt, de hoogte is vastgelegd in het
                                in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit.</al></li><li nr="4."><al>Daarbij dient wel gekeken te worden in hoeverre een eventueel elders
                                afgesloten aanvullende verzekering de batterijen en
                                serviceabonnement vergoedt.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.9 Bewassing- en kleding slijtagekosten</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Kleding- en schoeiselslijtage kunnen het gevolg zijn van het gebruik van
                        prothesen, stoornissen van houding en bewegingsapparaat, het evenwicht, het
                        bewustzijn of het coördinatievermogen. Extra waskosten kunnen voortkomen uit
                        incontinentie, gebruik medicatie zoals zalf, bedlegerigheid, gebruik van een
                        stoma of overmatig transpireren.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In bijzondere omstandigheden kan voor de kosten van bewassing- en/of
                                kleding slijtage maximaal eenmaal per jaar bijzondere bijstand
                                worden verleend.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de voor bijzondere bijstand in aanmerking komende
                                waskosten wordt bepaald aan de hand van de GMD-lijst
                                (Gemeenschappelijk Medische Dienst van het GAK). De GMD lijst
                                bestaat officieel niet meer, maar wordt nog wel jaarlijks door het
                                handboek Grip op Participatiewet (Schulinck) geïndexeerd. De GMD
                                lijst gaat in op kosten in geval van ziekte of handicap.</al></li><li nr="3."><al>De meerkosten van kleding wordt bepaald aan de hand
                                NIBUD-Prijzengids bij een inkomen op bijstandsniveau respectievelijk
                                het voor de andere inkomensklasse gebruikelijke bedrag voor kleding
                                op grond van het NIBUD-Budgethandboek.</al></li><li nr="4."><al>Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt op grond van
                                artikel 55 Participatiewet een bestedingsverplichting verbonden, de
                                bijstand moet worden aangewend voor het doel waarvoor zij wordt
                                verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>De noodzaak kan zo nodig door een medisch advies worden
                                vastgesteld.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.10 Dieetpreparaten en dieetkosten</label></kop><structuurtekst><tussenkop> 5.10.1 Dieetpreparaten</tussenkop><al>Dieetpreparaten zijn voedingsmiddelen die ten opzichte van de normale
                        voeding zowel een gewijzigde chemische samenstelling (voedingskundige
                        samenstelling) als een gewijzigde fysische samenstelling (andere
                        consistentie zoals vloeibaar of poeder) hebben. Voorbeelden van
                        dieetpreparaten zijn de drinkvoedingen zoals Nutridrink, Fortimel en
                        dergelijke.</al><al>De Zvw dient voor de kosten van dieetpreparaten te worden beschouwd als een
                        aan de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorziening.
                        Dit betekent dat artikel 15 Participatiewet in beginsel aan toekenning van
                        bijzondere bijstand in deze kosten in de weg staat. In afwijking hiervan is
                        toch bijstandsverlening mogelijk indien en zolang, gelet op alle
                        omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn (artikel 16 lid
                        1 Participatiewet).</al><tussenkop> 5.10.2 Dieetkosten</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dieetkosten zijn de meerkosten die ten opzichte van de kosten van een
                        normale gezonde voeding, ontstaan door het volgen van een (medisch
                        noodzakelijk) dieet. Met voedingssupplementen worden diverse pillen,
                        tabletten, capsules, druppels en poeders aangeduid die als aanvulling op de
                        dagelijkse voeding bedoeld zijn. Dieetkosten en voedingssupplementen behoren
                        niet tot het zorgpakket van de wettelijke ziektekostenverzekeringen en Zvw.
                        Deze kunnen dan ook niet als voorliggende, toereikende en passende
                        voorzieningen worden aangemerkt. Dit betekent dat verlening van bijzondere
                        bijstand mogelijk is indien wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden. Daarbij
                        is met name van belang: Betreft het (aantoonbare) medisch noodzakelijke
                        kosten van het bestaan?</al><al>Wil een dieet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan horen dan zal een
                        deskundige de (medische) noodzaak van het dieet moeten kunnen vaststellen.
                        Maar het feit dat een dieet door een diëtist is opgesteld maakt niet dat dit
                        per definitie medisch noodzakelijk is. Uit jurisprudentie kan voorts worden
                        afgeleid dat de volgende (alternatieve) diëten en voedingssupplementen
                        medisch <cursief>niet </cursief>noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>een Myalgische Encephalomyelitis (M.E.)-dieet.</al></li><li nr="-"><al>een Candida-dieet, voorgeschreven door een orthomoleculair
                                therapeut</al></li><li nr="-"><al>voedingssupplementen voorgeschreven door een osteopaat.</al></li><li nr="-"><al>diabetesdieet. Dit dieet was weliswaar noodzakelijk, doch hieraan
                                zijn volgens de GGD geen meerkosten verbonden (zie
                                    <onderstreept>CRvB 20-08-2002, nr. 00/376 NABW</onderstreept> en
                                    <onderstreept>CRvB 29-10-2002, nr. 99/3120
                                NABW</onderstreept>).</al></li><li nr="-"><al>een calciumverrijkt dieet (idem, zie <onderstreept>CRvB 13-07-2010,
                                    nr. 08/4159 W</onderstreept>wb).</al></li></lijst><al>De kosten voor normale voeding kan belanghebbende voldoen uit een inkomen
                        ter hoogte van de toepasselijke norm algemene bijstand. Er dient dus sprake
                        te zijn van meerkosten ten opzichte van normale voeding (referentievoeding). </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><al>1.Er moet bij belanghebbende sprake zijn van een (vastgestelde) medische
                        noodzaak.</al><al>Dit moet bij de 1e aanvraag worden vastgesteld aan de hand van een
                        opgevraagd medisch advies. </al><lijst><li nr="2."><al>De meerkosten per jaar van een dieet zijn opgenomen de in
                                prijzengids van het Nibud (te vinden in het handboek Grip op
                                Participatiewet onder 'Meerkosten dieetvoeding'.</al></li><li nr="3."><al>Voor de diëten die niet in de tabel van het Nibud worden genoemd
                                worden geacht geen meerkosten aanwezig te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de meerkosten van een
                                dieet verminderd met de eigen draagkracht.</al></li><li nr="5."><al>Indien de belanghebbende als gevolg van meerdere
                                voedselintoleranties een combinatiedieet dient te volgen dan zijn de
                                kosten hiervan niet per definitie gelijk aan de optelsom van twee of
                                meer normdiëten. De toepasselijke normdiëten zullen volgens de
                                regels van de dieetleer ineengeschoven moeten worden, zodat een voor
                                alle diagnosen verantwoord en een op de persoon toegesneden dieet
                                resulteert. Van dit samengestelde dieet zullen vervolgens de kosten
                                moeten worden berekend en afgezet tegen de kosten van de
                                referentievoeding. Hiertoe zal het college een advies moeten
                                vragen.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.11 Zelfzorggeneesmiddelen</label></kop><structuurtekst><al>Naast de voedingssupplementen zijn er ook de zelfzorggeneesmiddelen. Sinds
                        1999 moet iedereen zijn zelfzorggeneesmiddelen zelf betalen, behalve
                        belanghebbenden die deze medicijnen langdurig gebruiken. Zij krijgen op
                        grond van de Regeling zorgverzekering deze geneesmiddelen wel vergoed door
                        de zorgverzekeraar. De zelfzorggeneesmiddelen die in het
                        zorgverzekeringspakket zijn opgenomen voor mensen die deze chronisch
                        gebruiken, zijn de volgende vijf groepen zelfzorgmiddelen:</al><lijst><li nr="-"><al>middelen bij allergie</al></li><li nr="-"><al>middelen bij maagledigingsstoornissen</al></li><li nr="-"><al>middelen bij diarree</al></li><li nr="-"><al>kalktabletten</al></li><li nr="-"><al>laxeermiddelen</al></li></lijst><al>In de <cursief>overige </cursief>gevallen bestond ook voor 1 januari 2004
                        geen aanspraak op vergoeding van zelfzorgmiddelen. Aangenomen moet worden
                        dat er in het kader van de Zvw een bewuste beslissing is genomen over de
                        noodzakelijkheid van deze geneesmiddelen. Er bestaat in beginsel dan ook
                        geen recht op bijzondere bijstand voor de zelfzorgmiddelen. Tenzij het de
                        kosten van een chronisch gebruiker betreft en deze hiervoor geen beroep kan
                        doen op de Zvw. Onder chronisch gebruik wordt langer dan zes maanden
                        verstaan. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.12 Geneesmiddelen</label></kop><structuurtekst><al>De Zvw dient voor de kosten van geneesmiddelen in beginsel als aan de
                        Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorzieningen te
                        worden beschouwd. De aanspraak op geneesmiddelen is geregeld in de Regeling
                        zorgverzekering. Bijlage 2 bij deze regeling bevat een overzicht van de
                        geneesmiddelen waarop, soms onder bepaalde voorwaarden, aanspraak kan worden
                        gemaakt. Indien de Zvw de voorgeschreven geneesmiddelen niet vergoed,
                        bestaat er in beginsel ook geen recht op bijzondere bijstand. Aangenomen
                        moet worden dat er in het kader van de Zvw een bewuste beslissing is genomen
                        over de noodzakelijkheid van deze geneesmiddelen. Artikel 15 Participatiewet
                        staat dan in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in de weg.</al><al>Alleen als er sprake is van zeer dringende redenen kan bijzondere bijstand
                        worden verstrekt. Dit is denkbaar bij abrupte beëindiging van medicijnen en
                        bij het niet kunnen verdragen van bepaalde geneesmiddelen uit het GVS. De
                        noodzaak moet worden vastgesteld aan de hand van een opgevraagd medisch
                        advies.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.13 Alternatieve geneeswijzen</label></kop><structuurtekst><al><vet>Geen recht op bijzondere bijstand</vet>De Zvw vergoed in
                        het algemeen alle noodzakelijke kosten die verband houden met medische of
                        paramedische behandeling. De Zvw geld in het kader van de Participatiewet
                        als een voorliggende voorziening die passend en toereikend is.
                        Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten
                        (artikel 15 Participatiewet).</al><al>Indien in het kader van de Zvw op grond van een bewuste beslissing over de
                        noodzakelijkheid van een voorziening de keuze is gemaakt om één of meer
                        kostensoorten niet in de voorziening op te nemen of de voorziening in een
                        bepaalde situatie niet noodzakelijk te achten, dient de Participatiewet zich
                        bij die keuze aan te sluiten en komt men ten aanzien van die kosten niet
                        voor bijstandsverlening in aanmerking. Dit betekent in het algemeen dat
                        kostensoorten die niet op grond van de Zvw worden vergoed ook
                            <cursief>niet</cursief> in aanmerking komen voor bijzondere bijstand
                        krachtens artikel 35 lid 1 Participatiewet. Dit is slechts dan anders als de
                        betreffende kosten noodzakelijk zijn, maar de kosten om budgettaire redenen
                        niet of niet langer op grond van een voorliggende voorziening (volledig)
                        worden vergoed. Dan heeft het college wel de mogelijkheid om op grond van
                        artikel 35 lid 1 Participatiewet (aanvullende) bijzondere bijstand te
                        verlenen.</al><al>De kosten van alternatieve geneeswijzen worden niet vergoed in de en Zvw.
                        Met artikel 2.4 lid 1 Besluit zorgverzekeringen is een bewuste beslissing
                        genomen over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van alternatieve
                        geneeskundige behandelingen. De kosten van alternatieve geneeswijzen worden
                        niet vergoed omdat de werking ervan niet wetenschappelijk is bewezen. Voor
                        deze kosten bestaat in beginsel ook geen recht op bijstand. De wettelijke
                        grondslag hiervoor is artikel 15 Participatiewet (zie <onderstreept>CRvB
                            22-03-2011, nr. 08/7181 WWB</onderstreept>).</al><al>Soms wordt een deel van de kosten voor alternatieve geneeswijzen toch op
                        basis van een aanvullende verzekering vergoed. Ondanks dat is er, gelet op
                        het bovenstaande, ook dan in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk voor
                        de kosten van de eigen bijdrage.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.14 Bevalling en Kraamhulp</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Als voorliggende voorziening wordt aangemerkt de Zorgverzekeringswet, en met
                        betrekking tot de draagkracht een eventuele
                        zwangerschaps-/bevallingsuitkering. Als bevalling op medisch of sociaal
                        advies in het ziekenhuis plaatsvindt, vindt vergoeding plaats door de
                        zorgverzekeraar. De kosten van kraamhulp behoren tot de bijzondere
                        noodzakelijke kosten van het bestaan. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verleend. De
                                bijzondere bijstand voor kraamhulp kan worden toegekend na
                                overlegging van het bewijs van voorschotbetaling (het voorschot
                                wordt dan betaalbaar gesteld) en onder de voorwaarde dat de
                                resterende eigen bijdrage wordt betaald na overlegging van de
                                definitieve nota. (Indien belanghebbende aanvullend verzekerd is
                                voor het Pluspakket van Salland, of een andere vergelijkbare
                                aanvullende zorgverzekering heeft, wordt de eigen bijdrage vergoed
                                uit de aanvullende verzekering) (zie Vergoedingenlijst Salland
                                verzekeringen).</al></li><li nr="2."><al>De voor eigen rekening blijvende kosten van een poliklinische
                                bevalling komen slechts voor bijzondere bijstand in aanmerking als
                                sprake is van een medische indicatie. Indien deze indicatie
                                ontbreekt, bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor deze
                                kosten.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.15 Persoonlijke alarmering</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het doel van de alarmeringsapparatuur is het zelfstandig wonen mogelijk
                        maken voor personen die sociaal- en ADL-zelfredzaam zijn, maar als gevolg
                        van ziekte of gebrek een verhoogd risico lopen in een noodsituatie te
                        geraken.</al><al>De apparatuur bestaat uit een draagbare, draadloze noodschakelaar waarmee
                        men in noodsituaties een telefoonkiesautomaat in werking kan stellen. Deze
                        automaat legt contact met een centrale, die een hulpverlener inschakelt voor
                        daadwerkelijke assistentie. De apparatuur kan worden verstrekt aan
                        gehandicapten. Als er sprake is van een medisch noodzaak worden de kosten op
                        grond van de Regeling zorgverzekering vergoed. </al><al>Aanvullend op deze verstrekking, op grond van de Regeling zorgverzekering,
                        verstrekken veel gemeenten op basis van de Welzijnswet (flankerend
                        ouderenbeleid) deze voorziening ook aan ouderen. Er is in sommige gevallen
                        sprake van een voorliggende voorziening, de collectieve aanvullende
                        verzekering SallandPlus vergoedt maximaal € 100,- per jaar. </al><al>Daarnaast kunnen er vanuit de gemeente, Salland Wonen of
                        welzijnsorganisaties subsidies worden verstrekt. Voor het overige is er geen
                        sprake van een voorliggende voorziening</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor vergoeding komt in aanmerking - De kosten van een abonnement op
                                het alarmeringssysteem voor personen die nog over· zelfstandige
                                huisvesting beschikken. - De kosten van een abonnement op het
                                alarmering systeem voor personen woonachtig in een· (aan)leunwoning
                                of een verzorgingstehuis.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op de
                                opgelegde eigen bijdrage. </al></li><li nr="3."><al>Voor mensen die in een zorginstelling wonen, wordt alleen de
                                bijdrage voor de kosten van alarmering vergoed. De overige kosten
                                die de verzorgingshuizen in rekening brengen voor een
                                zorgabonnement, komen niet voor de vergoeding via de bijzondere
                                bijstand in aanmerking</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.16 Extra Stookkosten</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Wanneer de woning in verband met medisch redenen extra verwarmd moet worden,
                        brengt dat vaak extra kosten met zich mee. Voor deze extra kosten kan
                        bijzondere bijstand worden verstrekt.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het
                                individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te
                                verlenen voor deze kosten. </al></li><li nr="2."><al>Hiervan is in ieder geval sprake indien er een medische noodzaak is
                                voor het maken van deze kosten. De medische noodzaak van de
                                meerkosten wordt middels een brief van de huisarts of een medisch
                                advies vastgesteld. In dit advies wordt aangegeven dat het extra
                                stook- of verwarmingskosten betreft en de naam van de behandelend
                                specialist. Is er een medische noodzaak dan wordt vastgesteld of de
                                noodzakelijke verwarming betrekking heeft op: </al><lijst><li nr="-"><al>het woonvertrek in de koude maanden</al></li><li nr="-"><al>het woon- en slaapvertrek in de koude maanden</al></li><li nr="-"><al>het woonvertrek gedurende het hele jaar</al></li><li nr="-"><al>het woon- en slaapvertrek gedurende het hele jaar. </al></li></lijst></li></lijst><al>Daarnaast zal door de medisch adviseur de geldigheidsduur van het advies
                        worden aangegeven</al><lijst><li nr="3."><al>De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de meerkosten. De
                                meerkosten zijn de extra kosten hoger dan het bedrag dat mensen in
                                een vergelijkbare woning volgens het NIBUD uitgeven aan
                                stookkosten.</al></li><li nr="4."><al>Op de voor bijstand in aanmerking komen de kosten wordt de
                                (eventueel) aanwezige draagkracht in mindering gebracht.</al></li><li nr="5."><al>Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt op grond van
                                artikel 55 Participatiewet een bestedingsverplichting verbonden, de
                                bijstand moet worden aangewend voor het doel waarvoor zij wordt
                                verstrekt </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.17 Maaltijdvoorziening</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Als men (tijdelijk) niet in staat is om een warme maaltijd voor zichzelf te
                        bereiden, kan men gebruik maken van warme maaltijdvoorziening waarbij de
                        maaltijden aan huis worden bezorgd of het restaurant in de woonvoorziening.
                        Omdat deze service vaak duurder is dan zelf maaltijden bereiden, komen
                        meerkosten voor bijz. bijstandsvergoeding in aanmerking.</al><al>Maaltijden die gekocht worden bij een supermarkt, traiteur, of een slagerij
                        komen niet voor bijstandsverlening in aanmerking.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbende is redelijkerwijs niet meer in staat om zelf de warme
                                maaltijd te bereiden. De noodzaak wordt vastgesteld door een
                                indicatie van het toegangsteam, de (thuis)zorg organisatie of de
                                bijstandsconsulent. Hierbij wordt aandacht besteed aan de mate van
                                zelfredzaamheid van belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in het in bijlage 1
                                opgenomen Financieel besluit. </al></li></lijst><al>De bijstand wordt uitbetaald na inlevering van de nota’s en/of
                        betaalbewijzen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.18 Tandheelkundige hulp</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Zvw vergoed in het algemeen alle noodzakelijke tandheelkundige kosten.
                        Beide regelingen gelden samen in het kader van de Participatiewet als een
                        voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Bijstandsverlening
                        voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten. Indien in het kader van
                        de Zvw op grond van een bewuste beslissing over de noodzakelijkheid van een
                        voorziening de keuze is gemaakt om één of meer kostensoorten niet in de
                        voorziening op te nemen of de voorziening in een bepaalde situatie niet
                        noodzakelijk te achten, dient de Participatiewet zich bij die keuze aan te
                        sluiten en komt men ten aanzien van die kosten niet voor bijstandsverlening
                        in aanmerking. Dit betekent in het algemeen dat kostensoorten die niet op
                        grond van de Zvw worden vergoed ook <cursief>niet </cursief>in aanmerking
                        komen voor bijzondere bijstand. </al><al>De gemeente Olst-Wijhe maakt een uitzondering voor een maximaal bedrag aan
                        tandheelkundige kosten en sluit hierbij aan bij de collectieve verzekering
                        van Salland Verzekeringen.</al><al>Er wordt niet meer gekeken naar de kostensoort maar de vergoeding wordt
                        vastgesteld op een maximumbedrag. Voor de kosten van orthodontie is geen
                        vergoeding mogelijk, voor personen jonger dan18 jaar is de vergoeding
                        opgenomen in de ziektekostenverzekering. Voor personen ouder dan 18 jaar is
                        er bewust voor gekozen deze kostensoort niet in de voorziening op te nemen. </al><al>Salland verzekeringen heeft er voor gekozen om een eigen bijdrage van 25%
                        voor de tandartskosten in te voeren. Dit niet uit besparingsmotief maar
                        vanuit het oogpunt van kostenbewustwording. Door de eigen bijdrage wordt
                        meer nagedacht over het nut en de noodzaak van de behandeling. Deze
                        vergoeding vanuit de bijzondere bijstand wel op 100% stellen gaat voorbij
                        aan de doelstelling van Salland verzekeringen. Daarom is er voor gekozen ook
                        hier aan te sluiten bij de vergoeding op grond van de aanvullende
                        verzekering.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente Olst-Wijhe heeft met Salland Verzekeringen een
                                collectieve aanvullende ziektekostenverzekering (TandPlus)
                                afgesloten. Hiervoor ontvangt men op jaarbasis een vergoeding van
                                75% tot een maximum bedrag dat is vastgelegd in het financiële
                                besluit.</al></li><li nr="2."><al>Indien iemand ervoor heeft gekozen om een andere aanvullende
                                (tandartskosten) verzekering (al dan niet bij een andere
                                verzekeraar), dan kunnen de kosten eveneens voor 75% worden vergoed
                                tot een maximaal bedrag dat is vastgelegd in het financiële besluit
                                (inclusief de vergoeding van de zorgverzekeraar).</al></li><li nr="3."><al>Indien in het geheel geen gebruik wordt gemaakt van de aanvullende
                                Tandplus verzekering dan kan men hiervoor een aanvraag voor
                                bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage voor de tandheelkundige
                                kosten indienen. Voor het vaststellen van de hoogte van de
                                bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de mogelijke vergoeding
                                van de ziektekostenverzekering. De maximale hoogte van de bijzondere
                                bijstand is vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel
                                besluit.</al></li><li nr="4."><al>Slechts bij zeer bijzondere omstandigheden (denk aan ernstige
                                medische complicaties) kan overwogen worden om een hogere vergoeding
                                te verstrekken in de vorm van leenbijstand. Er moet dan wel een
                                medisch advies aan de toekenning ten grondslag liggen. Denk hierbij
                                aan de mogelijkheid om behandelingen te spreiden over meerdere jaren
                                en overleg met de klant/toestemming voor leenbijstand.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.19 Gebitsprothese</label></kop><structuurtekst><al>De aanschafkosten van een kunstgebit of reparatiekosten van een kunstgebit
                        worden vergoed door de zorgverzekeraar. Na goedkeuring worden de kosten van
                        een kunstgebit (inclusief de techniekkosten) voor 75% vergoed op grond van
                        de basisverzekering tot een bepaald maximum bedrag, afhankelijk of de
                        tandarts of een tandprotheticus de gebitsprothese verzorgt. Daarnaast wordt
                        een vergoeding via de aanvullende verzekering verstrekt. De overgebleven
                        eigen bijdrage komt voor bijstandsverlening in aanmerking.</al><al>Een medisch advies is niet nodig mits het gaat om een prothese die éénmaal
                        per 5 jaar wordt</al><al>vervangen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.20 Fysiotherapie</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Zvw en Wlz vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke kosten van
                        fysiotherapie of oefentherapie voor een aandoening die staat in een door de
                        minister vastgestelde lijst (Bijlage 1 van het Besluit zorgverzekering), de
                        Lijst Chronische aandoeningen fysiotherapie en oefentherapie. Het recht op
                        vergoeding gaat in vanaf de 21e behandeling. In geval een klant een
                        collectieve verzekering bij Salland verzekering heeft afgesloten, vergoedt
                        Salland 15 behandelingen vanuit deze aanvullende verzekering. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er kan voor maximaal5 fysiotherapiebehandelingen bijzondere
                                bijstand worden verstrekt. Dit geldt alleen voor aandoeningen van
                                chronische aard (bijlage 1 van het Besluit Zorgverzekering). </al></li><li nr="2."><al>Als mensen geen aanvullende verzekering hebben, kan vanuit de
                                bijzondere bijstand de eerste 5 behandelingen worden vergoed. De 15
                                behandeling die daar evt. achteraan komen, zijn voor rekening van de
                                klant.</al></li><li nr="3."><al>Voor degenen die elders aanvullend verzekerd zijn, maximaal 20
                                zittingen per jaar vergoeden en hierbij rekening houden met
                                vergoedingen vanuit de afgesloten aanvullende verzekering.</al></li><li nr="4."><al>Als zich dringende redenen voordoen kan bijzondere bijstand verleend
                                worden voor aandoeningen die niet op de betreffende bijlage behorend
                                bij artikel 2.6 lid 2 Besluit zorgverzekering staan.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.21 Eigen bijdrage voor de (medisch) noodzakelijke voorzieningen genoemd in de zorgverzekeringswet</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Voor sommige soorten zorg uit het basispakket moet een eigen bijdrage worden
                        betaald. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdrage
                        voor de medisch noodzakelijke voorzieningen genoemd in de
                        zorgverzekeringswet (Zvw).</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdragen
                                voor de noodzakelijke voorzieningen zoals:</al></li><li nr="a."><al>hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld verbandschoenen, steunzolen,
                                orthopedisch schoeisel;</al></li><li nr="b."><al>medisch noodzakelijke behandeling door een pedicure/manicure;</al></li><li nr="c."><al>zittend ziekenvervoer;</al></li><li nr="d."><al>de wettelijke eigen bijdrage voor eerstelijnspsychologische
                                zorg;</al></li><li nr="2."><al>De bijzondere bijstand is gelijk aan de wettelijke eigen bijdrage.
                                Uitzondering hierop is de vergoeding van orthopedisch schoeisel.
                                Hierop wordt het normbedrag van een normale schoen volgens de
                                prijzengids van het NIBUD in mindering gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Als voorliggende voorziening kan de aanvullende
                                ziektekostenverzekering worden aangemerkt. </al></li><li nr="4."><al>Heeft men nagelaten zich aanvullend te verzekeren dan bepalen de
                                individuele omstandigheden de hoogte van de eventuele bijstand. In
                                dat geval bedraagt de vergoeding maximaal hetgeen voor eigen
                                rekening zou zijn gebleven indien men aanvullend verzekerd zou zijn
                                via de collectieve aanvullende Plusverzekering van Salland.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.22 Mobiliteitshulpmiddelen</label></kop><structuurtekst><al>De rollator en overige eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen worden met ingang
                        van 2013 niet meer vergoed uit de basisverzekering. Hiervoor wordt als reden
                        aangevoerd dat de kosten van deze zorg te overzien zijn en bij het dagelijks
                        leven horen. Vanuit bijzondere bijstandsperspectief betekent dit dat de
                        kosten niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt en dus niet voor
                        vergoeding in aanmerking komen. (Voor de beeldvorming: een nieuwe rollator
                        kost tussen de € 65,- en € 300,-, terwijl tweedehands exemplaren vanaf €
                        20,- worden aangeboden).</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.23 Eigen bijdrage Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo)</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Voor een aantal individuele Wmo-verstrekkingen, zoals Woon- en
                        vervoersvoorzieningen geldt een eigen bijdrage. Dit is tevens van toepassing
                        voor zorg zonder verblijf in het kader van de Zvw, Wmo, Wlz of jeugdhulp De
                        eigen bijdrage wordt inkomensafhankelijk berekend. Ook voor inkomens op
                        sociaal minimum wordt een eigen bijdrage gerekend. Deze eigen bijdrage komt
                        voor bijzondere bijstand in aanmerking. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdragen
                                voor de individuele Wmo- verstrekkingen en zorg zonder verblijf in
                                het kader van de Zvw, Wmo, Wlz of jeugdhulp. </al></li><li nr="2."><al>De bijzondere bijstand is gelijk aan de inkomensafhankelijke
                                (periodieke) eigen bijdrage.</al></li><li nr="3."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de eigen bijdrage
                                verminderd met de eigen draagkracht zoals deze is vastgesteld op
                                grond van artikel 9 lid 6.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6 Kosten van maatschappelijke aard</label></kop><paragraaf><kop><label>6.1 Bewindvoeringskosten</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Voor bewindvoering, curatele en mentorschap geldt dat de noodzaak van de
                        eventuele kosten daarvan als vaststaand moet worden beschouwd, als de
                        rechter belanghebbende onder bewind c.q. curatele geplaatst heeft dan wel
                        een mentor heeft benoemd. Het college kan in deze geen eigen afweging meer
                        maken. Voor zover belanghebbende de kosten niet uit eigen middelen kan
                        betalen, kan bijzondere bijstand worden verleend. </al><al>Als de rechtbank een bewindvoerder benoemt in het kader van de WSNP moet het
                        salaris van de WSNP-bewindvoerder uit de boedel worden betaald. Hiervoor is
                        dus geen bijzondere bijstand mogelijk. </al><al>In de 'Aanbevelingen meerderjarigenbewind' is vastgelegd dat het regelen van
                        zeer problematische schulden niet behoort tot de gewone intake werkzaamheden
                        van de bewindvoerder en dat een problematische schuldsanering niet behoort
                        tot de gewone werkzaamheden. (Gerechtshof Leeuwarden 12-02-2012, nr.
                        200.080.206/01).</al><al>Indien de kantonrechter beschermingsbewind heeft ingesteld en de kosten
                        daarvan heeft vastgesteld, moet het college de noodzaak van de kosten in
                        beginsel aannemen. Het college kan bij twijfel wel een onderzoek instellen
                        om te verifiëren of de met de bewindvoering betrokken werkzaamheden
                        daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand
                        wordt aangevraagd daadwerkelijk zijn gemaakt (zie CRvB 09-11-2010, nr.
                        08/6936 WWB en CRvB 02-08-2011, nr. 09/4327 WWB).</al><al>De gemeente voorziet in kostenloze schuldhulpverlening door het Budget
                        Advies Bureau Deventer (BAD). Voor schuldhulpverlening of budgetbeheer dient
                        belanghebbende zich dan ook tot deze instelling te wenden. </al><al>Doet belanghebbende toch een beroep op een andere, niet kostenloze
                        hulpverlener dan kan het verzoek in beginsel worden afgewezen, met dien
                        verstande dat steeds moet worden onderzocht of het beroep van belanghebbende
                        op een andere hulpverlenende instelling toch noodzakelijk is. Ook voor dit
                        onderzoek zal belanghebbende zich tot het BAD moeten melden, dit geldt als
                        een voorliggende voorziening.</al><al>Een voorbeeld waarbij er overgegaan kan worden tot het verstrekken van
                        bijzondere bijstand is dat de betrokkene de maximale termijn in budgetbeheer
                        bij het BAD heeft doorlopen en waarbij betrokkene feitelijk nog steeds niet
                        zelf zijn of haar eigen budgetbeheer kan regelen. Om te voorkomen dat deze
                        persoon binnen een afzienbare periode weer in de schulden zit en zich weer
                        gaat aanmelden bij het BAD wordt in dergelijke gevallen deze persoon
                        doorverwezen naar een (commerciële) budgetbeheerder om dit te voorkomen - in
                        die gevallen heeft de belanghebbende recht op bijzondere bijstand voor de
                        kosten van het budgetbeheer.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien er sprake is van verplichte onderbewindstelling, curatele of
                                mentorschap, door de kantonrechter ingesteld, kan bijzondere
                                bijstand worden verleend. Als bewijs dient een beschikking van de
                                kantonrechter te worden overgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt volgens de richtlijnen
                                van het Landelijke Overleg Kantonsectorvoorzitters (LOK)
                                vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Voor de intake kan niet zonder meer bijzondere bijstand worden
                                verstrekt. Als sprake is van extra werkzaamheden in verband met het
                                regelen van zeer problematische schulden of een problematische
                                schuldsanering, kan de bewindvoerder de kantonrechter verzoeken een
                                machtiging te verlenen voor het eenmalig in rekening mogen brengen
                                van de kosten voor die werkzaamheden bij de schuldenaar(s).</al></li><li nr="4."><al>Bij een combinatie van bewindvoering en mentorschap door één
                                rechtspersoon is artikel 5 van de Regeling Beloning curatoren,
                                bewindvoerders en mentoren van toepassing. Hieruit blijkt dat in
                                zulk geval de rechtspersoon wordt beloond als zijnde een curator
                                volgens artikel 1 of 2 van voornoemde Regeling. In dit geval is er
                                dus sprake van combinatiekosten.</al></li><li nr="5."><al>Bij een combinatie van bewindvoering en mentorschap door twee
                                rechtspersonen geldt in principe lid 4, tenzij er sprake is van een
                                zeer uitzonderlijke bijzondere situatie waardoor het niet mogelijk
                                is de werkzaamheden door één rechtspersoon te laten uitvoeren.</al></li><li nr="6."><al>Bij vrijwillig budgetbeheer wordt de hoogte van de bijzondere
                                bijstand maximaal vastgesteld conform lid 2. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>6.2 Schulden</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Participatiewet kan geen belangrijke rol spelen in het kader van de
                        schuldsanering. De schuldsanering is een taak die vooral door het Budget
                        Adviesbureau Deventer (BAD) wordt vervuld. Indien het inkomen van
                        belanghebbende te weinig zekerheid biedt dat aan de aflossing kan worden
                        voldaan, kan het BAD overgaan tot het niet verstrekken van een
                        saneringskrediet. Wanneer om deze reden het BAD tot de afwijzing van een
                        aanvraag voor saneringskrediet heeft besloten, kan het wenselijk zijn dat
                        borgstelling op grond van de Participatiewet plaatsvindt. Aan de hand van
                        deze borgstelling kan het BAD alsnog besluiten om een saneringskrediet te
                        verstrekken.</al><al>Voor de toepassing van dit onderdeel is vooral de noodzaak en urgentie van
                        de schuldsanering doorslaggevend en niet de aard van de kosten die tot de
                        schuld hebben geleid (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 73-74). </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor schulden is op grond van artikel 13 lid 1
                                sub f van de Participatiewet, in combinatie met artikel 49 van de
                                Participatiewet mogelijk, voor zover het bepaalde in dit artikel dit
                                toestaat.</al></li><li nr="2."><al>Bijzondere bijstand voor schulden, in de vorm van een borgstelling,
                                wordt slechts verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>deze gericht is op kredietverstrekking door het BAD ter
                                        sanering van de gehele schuldsituatie; én</al></li><li nr="b."><al>er perspectief bestaat op een schuldvrije situatie, waarbij
                                        zo nodig aandacht wordt besteed aan (maatschappelijke)
                                        begeleiding; én</al></li><li nr="c."><al>de weigering van de bijstand een directe bedreiging voor de
                                        bestaansvoorziening van de belanghebbende zou
                                        opleveren.</al></li><li nr="d."><al>In afwijking van de hoofdregel dat bijstandsverlening voor
                                        schulden niet mogelijk is, kan het college op grond van
                                        artikel 49 onderdeel b Participatiewet hiervoor toch
                                        bijzondere bijstand verlenen indien daartoe zeer dringende
                                        redenen bestaan en een borgstelling voor een
                                        saneringskrediet geen uitkomst biedt. Een belanghebbende
                                        dient voldoende aannemelijk te maken dat de mogelijkheden om
                                        - hetzij via een saneringskrediet, hetzij via een aanvraag
                                        op grond van de WSNP - tot een saneringsregeling te komen
                                        uitputtend onderzocht zijn, wil het niet kunnen voldoen van
                                        een schuld als zeer dringende reden als bedoeld in artikel
                                        49 Participatiewet kunnen worden aangemerkt. Sanering dient
                                        op geen enkel andere wijze dan door het verstrekken van
                                        bijzondere bijstand mogelijk te zijn (zie Rechtbank
                                        Dordrecht 23-04-2009, nr. AWB 09/406). </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Of zich zeer dringende redenen voordoen die een afwijking van de
                                gegeven hoofdregel rechtvaardigen, is ter beoordeling aan het
                                college. </al></li><li nr="4."><al>Aan de bijstandverlening wordt zo nodig de voorwaarde verbonden, om
                                mee te werken aan een budgetteringsmaatregel.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>6.3 Eigen bijdrage rechtsbijstand</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Indien op grond van een toevoeging, van de Raad voor de rechtsbijstand,
                        rechtsbijstand wordt verleend, dient het college in beginsel de noodzaak
                        voor het verlenen van rechtshulp aan te nemen. Een toevoeging (van een
                        advocaat) vindt slechts plaats als de Raad voor de Rechtsbijstand de
                        procedure noodzakelijk acht. Of een toevoeging wordt toegewezen hangt af van
                        een aantal criteria. </al><al>In het geval van een toevoeging worden de kosten (exclusief de eigen
                        bijdrage) van de (toegevoegde) advocaat vergoed op grond van de Wet op de
                        rechtsbijstand (Wrb).</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van
                                rechtsbijstand indien op grond van een toevoeging krachtens de Wrb
                                rechtsbijstand wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Indien wordt voldaan aan lid 1 kan bijzondere bijstand worden
                                verleend voor de eigen bijdrage en de eventueel noodzakelijke
                                bijkomende kosten zoals griffierecht en reiskosten mits er een
                                noodzaak is tot het bijwonen van de rechtszaak.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk
                                gemaakte kosten, belanghebbende dient hiervan bewijsstukken te
                                overleggen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>6.4 Reiskosten</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten welke uit de
                        bijstandsnorm kunnen worden voldaan. In een aantal situaties is het mogelijk
                        om, indien men aan de voorwaarden voldoet, bijzondere bijstand te
                        verstrekken. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor alle reiskosten geldt dat deze alleen worden vergoed als de
                                bestemming is gelegen buiten de gemeente Olst-Wijhe, maar binnen
                                Nederland en deze bestemming niet te vinden is binnen de
                                gemeentegrenzen. </al></li><li nr="2."><al>Voor alle reiskosten geldt dat de vergoedingen worden vastgesteld op
                                basis van de tarieven van het openbaar vervoer, van halte naar
                                halte. Tenzij vervoer met eigen auto goedkoper is, dan geldt de
                                vergoeding op basis lid 3.</al></li><li nr="3."><al>Er wordt alleen een uitzondering gemaakt op lid 2 indien er sprake
                                is van bijzonder vervoer vanwege gezondheidsredenen. In dit geval
                                kan er een vergoeding op basis van gebruik van de eigen auto worden
                                vastgesteld. Deze vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijk te
                                rijden kilometers op basis van de snelste route op basis van de
                                ANWB-routeplanner. Het uitkeringsbedrag is in alle gevallen
                                vastgesteld op een gelijk bedrag dat is vastgelegd in het in bijlage
                                1 opgenomen Financieel besluit. </al></li><li nr="4."><al>Bijzondere bijstand voor de reiskosten dienen te worden aangevraagd
                                binnen drie maanden nadat de kosten zich voordoen. Wel kunnen de
                                declaraties achteraf in één keer worden ingediend. </al></li></lijst><tussenkop> 6.4.1 Psychische/medische behandeling</tussenkop><al>Voor reiskosten in verband met regelmatige geneeskundige behandelingen
                        (bijvoorbeeld afspraken ziekenhuis) of bezoeken aan hulpverlenende
                        instanties zoals GGZ buiten de gemeentegrenzen kan bijzondere bijstand
                        worden verstrekt. </al><al>Zittend ziekenvervoer wordt door de zorgverzekeraar vergoed voor
                        nierdialysepatiënten, patiënten die een chemokuur of radiotherapie krijgen,
                        blinden en slechtzienden en rolstoelgebruikers. Voor deze groepen is een
                        uitzondering gemaakt omdat er voor hen nauwelijks alternatieve wijzen van
                        vervoer zijn. Er is per verzekerde per kalenderjaar een wettelijke eigen
                        bijdrage verschuldigd. Deze eigen bijdrage komt voor bijzondere bijstand in
                        aanmerking. Incidenteel ziekenvervoer valt buiten deze regeling. Omdat in
                        eerste instantie gebruik kan worden gemaakt van de omgeving (mantelzorg) of
                        de kosten voor eigen verantwoording zijn.</al><al>De kosten van incidenteel ziekenvervoer behoren in principe niet tot de
                        bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Er wordt op grond van
                        bovenwettelijk begunstigend beleid bijzondere bijstand verleend. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend als er sprake is van een
                                medisch noodzakelijke behandeling op basis van een indicatie. </al></li><li nr="2."><al>De bijstand wordt vastgesteld aan de hand van afsprakenkaarten (of
                                anderszins aantoonbaar) en bedraagt maximaal € 200,- per jaar. </al></li><li nr="3."><al>Als de reiskosten meer bedragen dan het in lid 2 genoemde bedrag dan
                                wordt een medisch advies opgevraagd over de benodigde frequentie van
                                de behandelingen/bezoeken.</al></li><li nr="4."><al>Als voorliggende voorziening geldt de eventuele vergoeding die
                                mensen ontvangen van de zorgverzekeraar. Het gaat dan om de regeling
                                zittend ziekenvervoer. Voor de verplichte eigen bijdrage kan
                                bijzondere bijstand worden verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop> 6.4.2 Bezoek aan gedetineerde</tussenkop><al>De reiskosten in verband met bezoek aan een gedetineerde kunnen in
                        aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De gedetineerde moet tot het
                        gezin behoren. Met gezin wordt bedoeld gehuwd of daaraan gelijkgesteld en de
                        inwonende kinderen tot 18 jaar.</al><al><vet>Aanvullende voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien:</al></li><li nr="a."><al>de gedetineerde behoort tot het gezin (partner en (pleeg)kinderen)
                                en;</al></li><li nr="b."><al>de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting en geen recht
                                heeft op verlof;</al></li><li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van
                                maximaal 1 keer per twee weken per gezinslid. </al></li><li nr="3."><al>Er wordt alleen bijzondere bijstand verleend voor de reiskosten tot
                                aan de Nederlandse grens, dus geen reiskosten in buitenland. </al></li></lijst><tussenkop> 6.4.3 Bezoek aan elders verpleegden/verzorgden</tussenkop><al>De reiskosten die gemaakt worden voor bezoek aan een elders
                        verpleegde/verzorgde (bijvoorbeeld ziekenhuis of verzorgingstehuis) kunnen
                        in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. </al><al><vet>Aanvullende voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder gezins- en familieleden worden verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>degenen die tot het gezin behoren (partner en
                                        (pleeg)kinderen);</al></li><li nr="b."><al>verdere familieleden in de eerste graad (ouders,
                                        kinderen);</al></li><li nr="c."><al>in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld ernstige ziekte, ook
                                        overige directe familieleden (2<sup>de</sup> graad,
                                        broers/zussen, grootouders, kleinkinderen).</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Daarbij wordt uitgegaan van de volgende bezoekfrequentie:</al><al> bij ernstige ziekte</al><lijst><li nr="a."><al>voor gezinsleden: 2 x per week;</al></li><li nr="b."><al>voor andere eerstegraads familieleden: 1 x per week;</al></li><li nr="c."><al>voor tweedegraads familieleden: 1 x per 2 weken.</al><al> bij langdurige verpleging of verzorging</al></li><li nr="d."><al>voor gezinsleden: 1 x per 2 weken;</al></li><li nr="e."><al>voor andere eerstegraads familieleden: 1 x per 4 weken;</al></li><li nr="f."><al>voor tweedegraads familieleden: 1 x per 6 weken.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor bezoek aan personen die op verpleging of verzorging zijn
                                aangewezen wordt de restrictie gemaakt dat deze personen zelf niet
                                meer in staat zijn te reizen en dus ook geen vervoersvergoeding
                                ontvangen.</al></li><li nr="4."><al>In bijzondere situatie zoals een terminale verpleegde/verzorgde kan
                                op individuele basis worden afgeweken van de bezoekfrequentie zoals
                                genoemd in lid 2. Dit ter beoordeling aan het college.</al></li></lijst><tussenkop> 6.4.4 Bezoek aan uit huis geplaatste kinderen</tussenkop><al>De reiskosten voor bezoek aan een uit huis geplaatst kind door ouder(s)
                        komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. De reiskosten die gemaakt
                        worden in verband met een omgangsregeling omdat beide ouders niet dichtbij
                        elkaar wonen, komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien er een bewijs van
                                uithuisplaatsing is.</al></li><li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de
                                bezoekregeling die opgesteld is door de instelling zoals
                                bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg.</al></li><li nr="3."><al>Indien er geen bezoekregeling is opgesteld wordt de bijzondere
                                bijstand vastgesteld op een bezoekfrequentie van 1 keer per 2 weken
                                per gezinslid. </al></li></lijst><tussenkop> 6.4.5 Scholing en opleiding van (ten laste komende) kinderen</tussenkop><al>De reiskosten in verband met scholing en opleiding van (minderjarige ten
                        laste komende) kinderen horen tot de directe schoolkosten waarvoor de WTOS
                        in beginsel een passende en toereikende voorliggende voorziening is. Uit de
                        wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de WTOS blijkt dat de toelage op
                        grond van deze wet geen aparte component voor reiskosten bevat, vanuit
                        budgettaire overwegingen. In aanvulling op de WTOS kan bijzondere bijstand
                        worden verstrekt indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. De OV
                        kaart voor minderjarige MBO studenten wordt als voorliggende voorziening
                        aangemerkt.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand voor reiskosten worden verleend
                                indien:</al></li><li nr="-"><al>de voorliggende voorziening niet toereikend is; en</al></li><li nr="-"><al>de soort opleiding niet aantoonbaar binnen een straal van 20
                                kilometer enkele reisafstand gevolgd kan worden.</al></li><li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt op basis van het tarief openbaar
                                vervoer vastgesteld voor maximaal 10 maanden per schooljaar.</al></li></lijst><tussenkop> 6.4.6 Inburgeringscursus</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Met de komst van de nieuwe wet Inburgering (per 1 januari 2013) zijn mensen
                        zelf verantwoordelijk voor hun inburgering. Zij kunnen zelf kiezen voor
                        welke vorm van scholing en bij welke aanbieder ze dit willen volgen. Voor de
                        kosten kunnen ze een lening afsluiten bij DUO. </al><al>DUO verstrekt echter alleen een lening voor de schoolkosten en niet voor de
                        bijbehorende reiskosten. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager behoort tot de doelgroep huisvesting vergunninghouders
                                (uitgenodigd of regulier)</al></li><li nr="2."><al>De aanvrager een uitkering op grond van de Participatiewet ten
                                behoeve van het levensonderhoud ontvangt.</al></li><li nr="3."><al>Aan deze uitkering de voorwaarde is verbonden dat aanvrager een
                                inburgeringscursus volgt.</al></li><li nr="4."><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan
                                van het inburgeringstraject bij Vluchtelingenwerk Oost Nederland
                                (Deventer) De aanvrager is vrij een andere cursus te kiezen,
                                eventuele meerkosten komen dan voor eigen rekening.</al></li><li nr="5."><al>Als er sprake is van een echtpaar die tegelijkertijd de
                                inburgeringscursus volgen en waarvoor kinderopvang moet worden
                                geregeld kan voor één van de echtgenoten worden afgeweken van lid 4
                                en 7 en wordt het tarief bepaald op een inburgeringstraject in
                                Zwolle. </al></li><li nr="6."><al>De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor maximaal 64 weken.</al></li><li nr="7."><al>De maximum vergoeding wordt gebaseerd op reizen met de NS naar
                                Deventer. Indien de daadwerkelijke reiskosten lager uitvallen dan
                                wordt de vergoeding vastgesteld op de daadwerkelijke kosten.</al></li><li nr="8."><al>De reiskosten worden maandelijks vooraf door middel van periodiek
                                toekenning uitbetaald.</al></li><li nr="9."><al>Indien een traject eerder stopt (om welke reden dan ook) wordt
                                beoordeeld of de bijzondere bijstand moet worden terugbetaald.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>6.5 Computerregeling</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor de aanschaf voor een
                        computer, laptop of tablet, beeldscherm, toetsenbord, muis en printer
                        inclusief geïnstalleerde software, office pakket, eventuele
                        installatiekosten en meegeleverde extra cartridges. Overige (meer)kosten
                        komen niet voor vergoeding in aanmerking. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze bijzondere bijstand wordt verleend indien belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende een periode van drie jaar, voorafgaand aan de
                                        aanvraag, een netto maandinkomen tot en met 110% van de
                                        geldende bijstandsnorm of inkomensvoorziening (inclusief
                                        vakantiegeld) heeft en </al></li><li nr="b."><al>gedurende een periode van drie jaar, voorafgaand aan de
                                        aanvraag, geen vermogen heeft gehad boven de vermogensgrens
                                        zoals genoemd in artikel 34 lid 3 Participatiewet;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De computer wordt in bruikleen verstrekt. Na drie jaar wordt de
                                computer eigendom van de belanghebbende zelf. </al></li><li nr="3."><al>Er wordt voor de goederen (met uitzondering van de cartridges)
                                uitgegaan van een levensduur van in ieder geval vijf jaar.</al></li><li nr="4."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand is opgenomen in het in bijlage
                                1 opgenomen Financieel besluit. </al></li><li nr="5."><al>De hoogte van de bijstand wordt vastgesteld na het inleveren van een
                                pro forma nota in te leveren bij het team Werk, Inkomen en Zorg.
                            </al></li><li nr="6."><al>Belanghebbende dient een gebruikersovereenkomst te tekenen en bij
                                het Team Werk, Inkomen en Zorg in te leveren. </al></li><li nr="7."><al>De bijstand wordt uitbetaald na het inleveren van het
                                betalingsbewijs. Indien gewenst kan de bijstand rechtstreeks op
                                rekening van de leverancier worden overgemaakt.</al></li><li nr="8."><al>Reparatiekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>6.6 Begrafenis- of crematiekosten</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In zijn algemeenheid is het uitgangspunt dat een ieder zelf kan voorzien in
                        de noodzakelijke kosten van lijkbezorging. De middelen om een
                        begrafenis/crematie te bekostigen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>verzekeringen op het leven, zoals begrafenis- en levensverzekeringen
                                en ongevallenverzekering;</al></li><li nr="-"><al>lidmaatschap van een speciale vereniging, bijv.
                                crematievereniging;</al></li><li nr="-"><al>overlijdensuitkering, indien de overledene een uitkering ontving
                                krachtens de Ziektewet (Z.W.), Wet werk en arbeidsondersteuning
                                jonggehandicapten (Wet Wajong), Wet Inkomensondersteuning
                                Arbeidsongeschikten (WIA), Algemene Ouderdomswet (A.O.W.) e.d.;</al></li><li nr="-"><al>spaargelden, waaronder ook het "vrij te laten bescheiden
                                vermogen";</al></li><li nr="-"><al>nalatenschap;</al></li><li nr="-"><al>een in een depositofonds gestort bedrag met als enige bestemming de
                                betaling van de kosten van begraven van de storter en eventuele
                                partner.</al></li></lijst><al>Voor zover de eigen middelen daartoe niet toereikend zijn en de nabestaanden
                        de kosten van lijkbezorging niet of niet geheel voor hun rekening nemen,
                        bestaat de mogelijkheid om bijzondere bijstand voor deze kosten te
                        verstrekken (natuurlijk met in achtneming van alle voorwaarden die aan de
                        verstrekking van bijzondere bijstand zijn verbonden). Er dient rekening te
                        worden gehouden met het eigen vermogen van de overledene, de draagkracht van
                        de aanvrager, evenals met de noodzakelijke kosten van lijkbezorging.</al><al><cursief>Niemand geeft opdracht voor de begrafenis.</cursief></al><al>De gemeente heeft de plicht te zorgen voor de lijkbezorging, geeft hiertoe
                        opdracht en neemt de kosten op zich. Een en ander op grond van de Wet op de
                        Lijkbezorging. In deze situatie is er dus geen sprake van
                        bijstandsverlening. Achteraf zal altijd moeten worden bezien of er verhaal
                        mogelijk is op de eventuele nalatenschap en op de nagelaten
                        betrekkingen.</al><al><cursief>Begrafeniskosten in het buitenland</cursief></al><al>Bijstandsverlening voor begrafenis- of crematiekosten in het buitenland van
                        een (in Nederland of in het buitenland) overleden vreemdeling is niet
                        mogelijk. Ditzelfde geldt voor de overleden Nederlander die buiten Nederland
                        begraven wordt.</al><al><cursief>Reiskosten naar een begrafenis/crematie</cursief></al><al>Voor de reiskosten om een begrafenis of crematie bij te wonen, wordt geen
                        bijzondere bijstand verleend.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er wordt alleen bijzondere bijstand verleend voor de volgende
                                noodzakelijke kosten;</al></li><li nr="-"><al>akte van overlijden;</al></li><li nr="-"><al>basistarief uitvaartverzorger;</al></li><li nr="-"><al>rouwkaarten (maximaal 100)</al></li><li nr="-"><al>werkzaamheden uitvaartverzorger;</al></li><li nr="-"><al>eenvoudige kist;</al></li><li nr="-"><al>opbaren in het rouwcentrum of thuis</al></li><li nr="-"><al>rouwauto met maximaal 1 volgauto;</al></li><li nr="-"><al>dragers;</al></li><li nr="-"><al>begraafkosten begraafplaats</al></li><li nr="-"><al>eenvoudige grafzerk.</al></li><li nr="-"><al>grafrechten (voor een algemeen graf, niet voor een graf in
                                eigendom);</al></li></lijst><al>Of als er sprake is van crematie</al><lijst><li nr="-"><al>kosten crematie (crematie, aula, bijzetting asbus)</al></li><li nr="-"><al>as verstrooien bij crematorium</al></li><li nr="-"><al>as bewaren in nis in crematorium.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand
                                van de Prijzengids van het Nibud.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk 7 Kosten van inrichting en verhuizing</label></kop><paragraaf><kop><label>7.1 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten</label></kop><structuurtekst><al>Bij inrichtingskosten moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kosten
                        voor duurzame gebruiksgoederen en de overige inrichtingskosten. Duurzame
                        gebruiksgoederen zijn bijvoorbeeld een koelkast, wasmachine of gasfornuis.
                        Met overige inrichtingskosten worden de kosten bedoeld zoals verf en behang.
                        Dit onderscheid is van belang voor de vorm waarin de bijzondere bijstand kan
                        worden verstrekt.</al><tussenkop> 7.1.1 Kosten aanschaf duurzame gebruiksgoederen</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De kosten van inrichting, aanschaf en vervanging van normale duurzame
                        gebruiksgoederen behoren tot de algemene kosten van bestaan en moeten in
                        beginsel uit het inkomen worden betaald. Ook indien men een inkomen op het
                        niveau van het sociaal minimum ontvangt wordt in principe voldoende ruimte
                        in het inkomen aanwezig geacht om hiervoor te reserveren dan wel gespreide
                        betaling achteraf. In eerste instantie geldt dan een krediet via het Budget
                        Adviesbureau Deventer (BAD). Pas als dat niet lukt (ook niet met
                        borgstelling) kan bijzondere bijstand in de vorm van een lening worden
                        verstrekt. Hierbij moet de noodzaak worden vastgesteld. Een uitzondering
                        wordt gemaakt indien belanghebbende gedurende een periode van 3 jaar een
                        inkomen om minimumniveau heeft dan kan bijzondere bijstand om niet worden
                        verstrekt. </al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbende met een inkomen tot 110% van de geldende
                                bijstandsnorm die langer dan 3 jaar een inkomen op dit niveau hebben
                                gehad en gedurende deze periode een zelfstandige huishouding hebben
                                gevoerd kunnen voor de kosten van reparatie of vervanging van
                                duurzame gebruiksgoederen, waaronder inbegrepen inrichtingskosten,
                                in aanmerking komen voor bijzondere bijstand om niet. </al></li><li nr="2."><al>gedurende een periode van drie jaar, voorafgaand aan de aanvraag,
                                geen vermogen heeft gehad boven de vermogensgrens zoals genoemd in
                                artikel 34 lid 3 Participatiewet;</al></li><li nr="4."><al>In bijzondere gevallen kan en zal van de norm van drie jaar worden
                                afgeweken.</al></li><li nr="5."><al>Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt
                                vastgesteld aan de hand van de prijzengids van het Nibud.</al></li><li nr="6."><al>Bij de aanvraag voor vervanging dient een redelijke
                                afschrijvingstermijn in acht te worden genomen. Het Nibud gaat uit
                                van een gemiddelde afschrijvingsduur van 10 jaar. Per duurzaam
                                gebruiksgoed kan dus pas na 10 jaar opnieuw bijzondere bijstand
                                worden aangevraagd.</al></li><li nr="7."><al>Belanghebbende dient aan te tonen dat het oude gebruiksgoed aan
                                vervanging toe is en niet meer te repareren is en levert hiertoe een
                                rapport/bon in van een servicemonteur. </al></li><li nr="8."><al>De kosten (zoals voorrijkosten) zijn voor rekening van de klant
                                indien blijkt dat het duurzaam gebruiksgoed niet aan vervanging toe
                                is. Indien blijkt dat het duurzaam gebruiksgoed aan vervanging toe
                                is, dan wordt bijzondere bijstand verleend voor de voorrijkosten van
                                de servicemonteur tot een maximaal bedrag dat is opgenomen in het
                                financiële besluit. </al></li><li nr="9."><al>Als blijkt dat het gebruiksgoed te repareren is kan voor deze kosten
                                (inclusief de voorrijkosten) bijzondere bijstand om niet worden
                                verstrekt.</al></li><li nr="10."><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van vervanging van de duurzaam
                                gebruiksgoed waaronder inrichtingskosten kan een huisbezoek worden
                                afgelegd.</al></li></lijst><tussenkop> 7.1.2 Overige inrichtingskosten</tussenkop><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Volgens jurisprudentie stelt de Centrale Raad van Beroep dat kosten zoals
                        verf en behang naar hun aard niet als duurzame gebruiksgoederen kunnen
                        worden aangemerkt.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de kosten van overige inrichting wordt in principe bijzondere
                                bijstand verleend om niet.</al></li><li nr="2."><al>Van lid 1 kan worden afgeweken indien zich ten aanzien van
                                belanghebbende omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 48 lid
                                2 Participatiewet.</al></li><li nr="3."><al>Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt
                                vastgesteld aan de hand van de Prijzengids van het NIBUD.</al></li><li nr="4."><al>De gevraagde voorziening is niet noodzakelijk indien de kosten hoger
                                zijn dan de bedragen van de Prijzengids van het Nibud.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>7.2 Woninginrichtingskosten</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Bij een eerste huisvesting na het verlaten van een AZC wordt de asielzoeker
                        geconfronteerd met de kosten van een ‘eerste inrichting’ in Nederland. Gelet
                        op het eerder genoten inkomen was er geen ruimte om te kunnen reserveren
                        voor de kosten van een complete woninginrichting. Deze kosten komen, voor
                        zover deze niet voldaan kunnen worden uit eigen middelen of via een lening,
                        voor bijzondere bijstand in aanmerking. Als voorliggende voorziening wordt
                        een lening bij het BAD aangemerkt waarvoor door de gemeente borg kan worden
                        gestaan. </al><al>Ook in andere situaties kan er sprake zijn van inrichtingskosten. In deze
                        situaties zal het in principe niet om een volledige woninginrichting gaan.
                        De kosten van woninginrichting worden tot de periodiek dan wel incidenteel
                        voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Deze
                        kosten dienen dan ook in beginsel te worden bestreden uit het inkomen,
                        hetzij door middel van reservering vooraf, hetzij door middel van gespreide
                        betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij
                        de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het
                        individuele geval, die ertoe leiden dat de kosten niet uit de algemene
                        bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbende met een inkomen tot 110% van de geldende
                                bijstandsnorm kunnen voor de kosten van een (volledige)
                                woninginrichting in aanmerking komen voor borgstelling dan wel
                                leenbijstand. </al></li><li nr="2."><al>Er wordt vanuit gegaan dat bij een (volledige) inrichting een deel
                                tweedehands kan worden aangeschaft via overname van derden of
                                kringloopwinkel.</al></li><li nr="3."><al>Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt is
                                vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit. </al></li></lijst><tussenkop> 7.2.1 Suppletie</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Suppletie kan worden gegeven voor een lening voor de aanschaf van duurzame
                        gebruiksgoederen als de aflossingscapaciteit in de norm niet toereikend is.
                        Bijvoorbeeld als iemand vanuit een AZC, zelfstandig gaat wonen en een woning
                        compleet moet inrichten. De beoordeling vindt plaats conform de regels van
                        bijzondere bijstand, artikel 35 lid 1.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De suppletie en borgstelling wordt in principe toegekend voor de
                                duur van de lening, in principe dus maximaal drie jaar. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de bijstand kan wel worden aangepast. </al></li><li nr="3."><al>De suppletie vult de maximale aflossingscapaciteit aan tot de
                                aflossingscapaciteit die nodig is voor de betreffende lening. De
                                hoogte van de suppletie wordt als volgt per maand vastgesteld;</al></li></lijst><al>Het bedrag dat aan de bank moet worden betaald € (bedrag lening)</al><al>Het bedrag voor eigen rekening 6% van de bijstandsnorm € (eigen bijdrage)
                        -/-</al><al>De financiële draagkracht <onderstreept>€ (bedrag draagkracht)
                            -/-</onderstreept></al><al>Het bedrag waarvoor bijzondere bijstand wordt verstrekt € (bedrag
                        bijstand)</al><lijst><li nr="4."><al>Bij de beoordeling van de hoogte van de suppletie wordt rekening
                                gehouden met de financiële draagkrachtregels zoals die gelden voor
                                Olst-Wijhe.</al></li><li nr="5."><al>Een eenmaal vastgestelde suppletie wijzigt alleen als de
                                leefomstandigheden zich wijzigen, waardoor de belanghebbende gaat
                                behoren tot een andere categorie zoals bedoeld in de artikelen 20
                                tot en met 24 van de Participatiewet. Daarnaast kan de hoogte van de
                                suppletie worden aangepast bij wijziging van het inkomen van
                                betrokkene of zijn gezinsleden. </al></li><li nr="6."><al>In geval van een verhuizing buiten de gemeente wordt de suppletie
                                ongewijzigd voortgezet. </al></li><li nr="7."><al>De draagkracht wordt telkens vastgesteld voor één jaar.
                                Belanghebbende moet blijven voldoen aan de inlichtingenplicht op
                                grond van artikel 17 Participatiewet en dus wijzigingen in zijn
                                situatie en inkomen aan ons doorgeven.</al></li><li nr="8."><al>Indien belanghebbende niet meer voldoet aan zijn
                                terugbetalingsverplichting bij het BAD zal het BAD de gemeente als
                                borg aanspreken. Het volledige openstaand bedrag van de lening,
                                inclusief rente en incassokosten, wordt aan het BAD voldaan. Dit
                                bedrag wordt dan door ons op grond van artikel 58, eerste lid onder
                                c, van de Participatiewet van belanghebbende teruggevorderd. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>7.3 Overbruggingsuitkering</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het college verstrekt in beginsel geen overbruggingsuitkeringen voor
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De voor belanghebbende van
                        toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geacht toereikend te zijn. In
                        overbrugging tijdens de bijstandsaanvraag is voorzien door het verplichte
                        voorschot, artikel 52 Participatiewet.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende gesteld wordt voor noodzakelijke kosten
                                die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, waardoor
                                liquiditeitsproblemen kunnen ontstaan omdat hij deze niet uit de
                                eigen middelen kan voldoen kan voor deze kosten bijzondere bijstand
                                worden verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Bij toepassing van lid 1, wordt de bijstand verstrekt als algemene
                                bijstand om niet. </al></li><li nr="3."><al>Het college maakt, gezien de bijzondere situatie ten gevolge waarvan
                                de noodzaak van een overbruggingsuitkering is ontstaan, geen gebruik
                                van de bevoegdheid tot terugvordering ervan na beëindiging van de
                                bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De wijze van berekenen is opgenomen in het in bijlage 1 opgenomen
                                Financieel besluit.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>7.4 Baby-uitzet</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De kosten van een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen
                        noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een
                        inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door
                        middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat
                        er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen
                        indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval
                        kan er van deze regel worden afgeweken.</al><al>In hoeverre de belanghebbende voor de kosten van een babyuitzet heeft kunnen
                        reserveren zal individueel beoordeeld moeten worden. In het algemeen geldt
                        dat de belanghebbende in ieder geval vanaf de vierde maand van de
                        zwangerschap voor deze kosten heeft kunnen reserveren.</al><al>Zie voor een overzicht van de goederen waaruit een complete babyuitzet dient
                        te bestaan bijvoorbeeld de Prijzengids van het Nibud of gegevens van de
                        Landelijke Vereniging voor Thuiszorg (LVT) of informeer bij het plaatselijke
                        kraamcentrum. Uit de rapportage zal duidelijk moeten blijken over welke van
                        deze goederen de belanghebbende nog niet beschikt.</al><al>Kosten van aangepaste kleding voor de moeder behoren tot de algemeen
                        noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten kunnen worden voldaan uit
                        een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm en komen derhalve
                        niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien iemand 3 jaar of langer van een minimuminkomen leeft en geen
                                vermogen heeft, zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet, zit kan
                                deze voor de geboorte van het eerste kind het bedrag genoemd in het
                                in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit om niet verstrekt
                                krijgen.</al></li><li nr="2."><al>Indien iemand korter dan drie jaar van een minimum inkomen leeft kan
                                deze vanaf de vierde maand van de zwangerschap reserveren, 6% van de
                                geldende bijstandsnorm. Het restant tot een maximaal bedrag genoemd
                                in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit (inclusief
                                reservering) kan worden verstrekt in de vorm van een geldlening via
                                het BAD.</al></li><li nr="3."><al>Er kan een borgstelling worden afgeven onder toepassing van lid 2.
                            </al></li><li nr="4."><al>De bijstand wordt verstrekt in de vorm van een geldlening indien
                                borgtocht op grond van lid 2 en 3 niet mogelijk is. </al></li><li nr="5."><al>Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is
                                het mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken. Dit
                                is bijvoorbeeld het geval indien reserveringsmogelijkheden in het
                                verleden hebben ontbroken en er vanwege noodzakelijke leningen geen
                                aflossingscapaciteit meer resteert</al></li><li nr="6."><al>De bijzondere bijstand wordt gesplitst uitbetaald. Het eerste
                                gedeelte wordt in de 6<sup>de</sup> maand van de zwangerschap
                                uitbetaald. Het tweede gedeelte van wordt na de geboorte van het
                                kind uitbetaald, de verdeling is opgenomen in het in bijlage 1
                                opgenomen Financieel besluit. In het geval van een meerling wordt
                                het toe te kennen bedrag vermenigvuldigd met het aantal verwachte
                                kinderen.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 8 Reductieregeling </label></kop><structuurtekst><al>De beleidsregels voor de Reductieregeling zijn opgenomen in deze nota zodat
                        alle beleidsregels in één document bij elkaar staan. De algemene voorwaarden
                        die gelden voor de bijzondere bijstand zijn niet van toepassing op deze
                        regeling. De reductieregeling kan worden verleend aan personen van 18 jaar
                        en ouder voor de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer en de
                        schoolkosten voor minderjarige kinderen.</al><al>De reductieregeling kan als tegemoetkoming worden gezien in de kosten van
                        sport, cultuur, educatieve en recreatieve activiteiten. Hieronder vallen ook
                        giften/donaties voor zover deze bijdragen aan deelname aan het
                        maatschappelijk verkeer, zo ontvangen donateurs gratis toegang tot
                        activiteiten, hieronder valt ook de bijdrage aan de kerken. </al><al>Hieronder vallen niet de aanschaf ID bewijs en/of rijbewijs.</al><al>Voorwaarden</al><lijst><li nr="1."><al>Er kan een bijdrage in de kosten van sport, cultuur,
                                internet/telefoon/televisie, recreatieve, en educatieve activiteiten
                                worden verstrekt, die in de onderstaande lijst worden genoemd: deze
                                lijst is niet limitatief;</al></li><li nr="-"><al>lidmaatschap van sportvereniging of sportschool;</al></li><li nr="-"><al>entree, 10-badenkaart of abonnement van het zwembad;</al></li><li nr="-"><al>danslessen;</al></li><li nr="-"><al>schoolkosten</al></li><li nr="-"><al>muzieklessen;</al></li><li nr="-"><al>lidmaatschap en/of activiteiten van (sociaal) cultureel werk, zoals
                                een zangvereniging, een muziekvereniging, een vereniging op het
                                gebied van amateuristische kunstbeoefening, hobbyactiviteiten;</al></li><li nr="-"><al>abonnement op de schouwburg/theater (of entreekaartje);</al></li><li nr="-"><al>abonnement op krant en/of tijdschrift;</al></li><li nr="-"><al>entreekaartje bioscoop;</al></li><li nr="-"><al>lidmaatschap Openbare bibliotheek;</al></li><li nr="-"><al>lidmaatschap ouderenbond;</al></li><li nr="-"><al>museumjaarkaart;</al></li><li nr="-"><al>patiëntenvereniging;</al></li><li nr="-"><al>computercursussen;</al></li><li nr="-"><al>cursussen van de Volksuniversiteit;</al></li><li nr="-"><al>cursussen van club-en buurthuizen;</al></li><li nr="-"><al>cursussen volwassenen educatie en vorming van ROC Aventus;</al></li><li nr="-"><al>kosten peuterspeelzaal;</al></li><li nr="-"><al>kosten van (kerk)telefoon, internet en televisie.</al></li><li nr="-"><al>dagtrips (b.v. bioscoop, concert, schouwburg, musea en
                                pretpark)</al></li><li nr="-"><al>deelname aan cursussen in groeps- of klassenverband, die niet
                                behoren tot het van rijkswege op grond van wettelijke regelingen
                                bekostigde (reguliere) onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>vakantiekamp voor kinderen;</al></li><li nr="2."><al>Om voor de reductieregeling in aanmerking te komen moet de
                                aanvrager;</al></li><li nr="a."><al>tenminste 18 jaar oud zijn en;</al></li><li nr="b."><al>in het bevolkingsregister van de gemeente Olst-Wijhe staan
                                ingeschreven en;</al></li><li nr="c."><al>rechtmatig in Nederland verblijven en;</al></li><li nr="d."><al>zijn of haar inkomen mag het bedrag van 110% van de voor
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm niet overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>inwoners die geen zelfstandig huishouden voeren maar zijn opgenomen
                                in een inrichting komen ook in aanmerking voor de reductieregeling,
                                mits zij voldoen aan de overige voorwaarden.</al></li><li nr="3."><al>Als peildatum geldt de datum van aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>De aanvraag wordt toegekend voor een heel kalenderjaar. Kosten
                                gemaakt voor de peildatum komen voor vergoeding in aanmerking, mits
                                de persoon op het moment van de gemaakte kosten voldoet aan de
                                voorwaarden genoemd onder 2 a, b en c.</al></li><li nr="5."><al>De hoogte van de reductieregeling is vastgelegd in het in bijlage 1
                                opgenomen Financieel besluit. De bijdrage moet in ieder geval zijn
                                aangevraagd voor 1 februari volgend op het jaar waarin de kosten
                                zijn gemaakt.</al></li><li nr="6."><al>Het college verstrekt de subsidie op declaratiebasis. Belanghebbende
                                dient bewijsstukken bij te voegen om aan te tonen dat hij de kosten
                                ook daadwerkelijk gemaakt heeft.</al></li><li nr="7."><al>Er is geen sprake van een vermogenstoets.</al></li><li nr="8."><al>Op een aanvraag wordt een beschikking afgeven voor één jaar, kosten
                                die in de loop van dit jaar worden gemaakt kunnen worden uitbetaald
                                na inlevering van een declaratieformulier met de bewijsstukken tot
                                de in lid 2 genoemde maximum bedragen. Belanghebbende ontvangt een
                                brief met daarop vermeld het restant recht op reductieregeling<vet>.
                                </vet></al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 9 Kosten van kinderopvang</label></kop><paragraaf><kop><label>9.1 Kinderopvang met sociaal medische indicatie</label></kop><structuurtekst><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Voor de kosten van kinderopvang blijven de Beleidsregels inzake
                        tegemoetkoming kosten kinderopvang op grond van een sociaal medische
                        indicatie gemeente Olst-Wijhe van toepassing. </al><al>Deze beleidsregels zijn ingegaan op 1 april 2011.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>9.2 Reguliere kinderopvang</label></kop><structuurtekst><al>Voor de kosten van reguliere kinderopvang blijven de beleidsregels
                        Kinderopvang gemeente Olst-Wijhe van toepassing. </al><al>Deze beleidsregels zijn ingegaan op 1 januari 2013.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 10 Slotbepalingen</label></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het college kan ter nadere uitvoering van deze beleidsregels
                                uitvoeringsregels opstellen.</al></li><li nr="2."><al>De bedragen, zoals genoemd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel
                                besluit kunnen jaarlijks worden aangepast.</al></li><li nr="3."><al>In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of
                                toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze
                                regels, beslist het college.</al></li><li nr="4."><al>Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari 2017 en vervangen
                                de daarvoor geldende beleidsregels bijzondere bijstand en
                                Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2016.</al></li><li nr="5."><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels
                                Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2017.</al><al/></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Olst-Wijhe op 20 december 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de secretaris,</ondertekening><ondertekening>D.L.W. (Dries) Zielhuis.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>A.G.J. (Ton) Strien.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage 1: Financieel besluit 2017 </label></kop><al>Onderstaande bedragen zijn de bedragen per 1-1-2017 en worden waar nodig
                        jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijs index van het CBS.
                        Voor 2017 bedraagt deze 1,1%.</al><al/><al><vet>3.4.Individuele inkomenstoeslag </vet></al><al>De hoogte van de Individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande € 295,-;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder € 380,-;</al></li><li nr="c."><al>voor gehuwden € 423,-.</al><al/></li></lijst><al><vet>5.4 Premie aanvullende ziektekostenverzekering</vet></al><al>De hoogte bedraagt de te betalen premie aanvullende ziektekostenverzekering
                        tot een maximum bedrag van € 400,- per jaar per betalende verzekerde van 18
                        jaar en ouder.</al><al/><al><vet>5.5 Eigen risico ziektekostenverzekering</vet></al><al>De hoogte bedraagt € 200,- per jaar per betalende verzekerde van 18 jaar en
                        ouder. </al><al/><al><vet>5.6 Brillen/contactlenzen</vet></al><al>Ad 1. SallandPlus vergoedt in 2016 maximaal € 75,- (inclusief montuur). De
                        klant kan op grond van de voorwaarden van Salland ook kiezen voor een bril
                        via gecontracteerde partijen. In de meeste gevallen is hier een korting aan
                        verbonden. </al><al>Ad 2.Indien geen aanvullende zorgverzekering bedraagt de hoogte maximaal €
                        75,- per twee jaar.</al><al>Ad 5. De maximale vergoeding bedraagt bij toepassing van lid 4 voor een bril
                        (montuur en glazen) € 355,-.</al><al/><al><vet>5.7 Hoortoestellen</vet></al><al>Ad 1. Eén keer per vijf jaar € 200,-.</al><al>Ad 2. Vergoeding basisverzekering één keer per vijf jaar € 515,- per
                        hoorapparaat. </al><al>Ad 3. Maximaal€ 200,-.</al><al/><al><vet>5.8 Batterijen en serviceabonnementen gehoortoestellen</vet></al><al>Ad 2. Forfaitair bedrag € 61,- per jaar.</al><al>Ad 3. € 25,- bij één en € 45,- bij twee hoortoestellen</al><al/><al><vet>5.17 Maaltijdvoorziening</vet></al><al>Ad 2. De eigen bijdrage warme maaltijd voor een alleenstaande bedraagt € 2,-
                        en voor een echtpaar € 4,. De maximale vergoeding voor een warme maaltijd
                        wordt vastgesteld op € 6,60.</al><al/><al><vet>5.18 Tandheelkundige hulp</vet></al><al>Ad 1. De vergoeding bedraagt 75% tot een maximum bedrag van € 500,- per
                        jaar.</al><al>Ad 2. De vergoeding bedraagt 75% tot een maximum bedrag van € 500,- per
                        jaar.</al><al>Ad 3. De vergoeding bedraagt 75% tot een maximum bedrag van € 250,- per
                        jaar.</al><al/><al><vet>6.4 Reiskosten</vet></al><al>Ad 3. € 0,20 per kilometer.</al><al/><al><vet>6.5 Reductieregeling</vet></al><al>Ad 3. De reductieregeling bedraagt per jaar;</al><al> Voor een echtpaar €250,-</al><al> Voor een alleenstaande € 200,-</al><al> Voor elk inwonend kind onder de 18 jaar € 300,-</al><al/><al><vet>6.6 Computerregeling</vet></al><al>Ad 5. De bijstand voor een computer met toebehoren bedraagt maximaal €
                        750,-. In geval er voor een tablet wordt gekozen bedraagt de bijstand
                        maximaal € 350,-.</al><al/><al><vet>7.1.1 Kosten aanschaf duurzame gebruiksgoederen</vet></al><al>Ad 6. De vergoeding voor voorrijdkosten bedraagt maximaal € 45,-.</al><al/><al><vet>7.2 Woninginrichtingskosten</vet></al><al>Voor woninginrichting kan maximaal worden vergoed voor een;</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande (kamerbewoner) € 1.642,-</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande (zelfstandig gehuisvest) € 3.145,-</al></li><li nr="c."><al>gezin van 2 personen € 4.658,-</al></li><li nr="d."><al>Voor elke persoon meer € 837,-</al><al/></li></lijst><al><vet>7.3 Overbruggingsuitkering</vet></al><al>Ad 4. De overbruggingsuitkering moet op de volgende wijze worden
                        berekend.</al><al>Datum ingang uitkering ..-..-….</al><al>Maand waarin de eerste keer volledige bijstandsuitkering wordt ontvangen
                        …………….</al><al>Welke maand dient volledig te worden overbrugd …………….</al><al>Van toepassing zijnde norm + toeslag exclusief VT €……..,..</al><al>Eigen bijdrage in de woonkosten over deze volledige maand €……..,..</al><al>Eigen bijdrage in de woonkosten van de niet volledige maand minus
                        huurtoeslag €……..,..</al><al>De te betalen huurnota inclusief kosten van Salland wonen €……..,..</al><al>Overbruggingsuitkering voor betrokkene is €………,..</al><al>Betaling aan Salland wonen €………,..</al><al/><al><vet>7.4 Baby-uitzet</vet></al><al>Ad 1. Voor het eerste kind maximaal € 530,-.</al><al>Ad 2. Maximaal € 530,- (inclusief reservering) wordt verstrekt in de vorm
                        van een geldlening via het BAD.</al><al>Ad 6. Het eerste gedeelte van € 310,- wordt in de 6<sup>de</sup> maand van
                        de zwangerschap uitbetaald. Het tweede gedeelte van € 220,- wordt na de
                        geboorte van het kind uitbetaald.</al><al/><al/><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Olst-Wijhe op 20 december 2016</al><al>Burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colwidth="67*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>de secretaris,</al></entry><entry colname="col2"><al>de burgemeester,</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.L.W. (Dries) Zielhuis</al></entry><entry colname="col2"><al>A.G.J. (Ton) Strien.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>