<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR432869_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onroerendezaakbelastingen 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, nr. 185127</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerendezaakbelastingen 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 220 t/m 220h en 255 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-04-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>INT/16/751016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening onroerendezaakbelastingen 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zevenaar;</al><al> gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 november 2016, nr.
                        INT/16/751016;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h en 255 van de Gemeentewet;</al><al><vet>besluit: </vet></al><al>vast te stellen de: </al><al/><al><vet>Verordening op de heffing en de invordering van
                        onroerendezaakbelastingen </vet><vet>2017</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam “onroerendezaakbelastingen” worden ter zake van binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die, naar de omstandigheden
                                    beoordeeld, bij het begin van het kalenderjaar een onroerende
                                    zaakdie niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet
                                    krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht
                                    gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat
                                    deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik
                                    heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op
                                    degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                            vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde op
                            grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                            op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt
                            de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                    cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                    ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt
                                    voor de kweek of de teelt van gewassen, zonder daarbij de
                                    ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                    of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat
                                    uit de in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                    eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten
                                    van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                    voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet
                                    aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet
                                    bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende
                                    gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                    heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                    rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                    uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon
                                    ten doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                    rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                    afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                    van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                    afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                    werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                    gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                    eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten
                                    gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het
                                    verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                    verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                    banken, abri's, hekken en palen;</al></li><li nr="k."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                    beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van
                                    zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="l."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning,
                                    alsmede de overige gebouwde eigendommen (niet zijnde graftombes)
                                    en de daaraan dienstbare grond.</al><al>2.In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling
                                    van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten
                                    aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende
                                    zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak
                                    dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5 -</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van
                                            de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de
                                            gebruikersbelasting 0,2103 % b. de eigenarenbelasting 1.
                                            voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                            0,1731 %; 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak
                                            tot woning dienen 0,2899 %.</al></li><li nr="2."><al>Indien de heffingsmaatstaf beneden € 2.500,- blijft,
                                            wordt geen belasting geheven.</al></li><li nr="3."><al>Belastingaanslagen van minder dan € 10,- worden niet
                                            opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt
                                            het totaal van op één aanslagbiljet verenigde
                                            verschuldigde bedragen onroerendezaakbelastingen of
                                            andere heffingen aangemerkt als één
                                            belastingaanslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6 -</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7 -</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de
                                                  Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden
                                                  betaald uiterlijk twee maanden na de dagtekening
                                                  van het aanslagbiljet.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid geldt ingeval
                                                  het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet
                                                  verenigde</al><al> aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één
                                                  aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan €
                                                  50,- </al><al> de verschuldigde belasting door middel van
                                                  automatisch incasso in twee termijnen van de
                                                  betaalrekening van de belastingschuldige kan
                                                  worden afgeschreven. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking in zoverre van het eerste en tweede
                                                  lid geldt ingeval het totaalbedrag van de op
                                                  één</al><al> aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
                                                  aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag
                                                  daarvan, meer is dan € 50,- doch minder dan €
                                                  10.000,- en de verschuldigde bedragen door middel
                                                  van automatische incasso van de betaalrekening van
                                                  de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven,
                                                  dat:</al><lijst><li nr="a."><al>aanslagen, waarvan de dagtekening ligt tussen 1
                                                  januari en 1 juli van het belastingjaar waarop
                                                  ze</al><al> betrekking hebben, moeten worden betaald in
                                                  zoveel gelijke termijnen als er na de maand van
                                                  dagtekening van het aanslagbiljet tot en met
                                                  september nog maanden in het belastingjaar
                                                  overblijven;</al></li><li nr="b."><al>aanslagen, waarvan de dagtekening ligt na 1 juli
                                                  van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben,
                                                  moeten worden betaald in drie gelijke
                                                  termijnen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien een machtiging wordt afgegeven na
                                                  dagtekening van de aanslag wordt het aantal
                                                  termijnen gelijkgesteld aan het resterend aantal
                                                  termijnen wat van toepassing zou zijn indien de
                                                  machtiging vóór het opmaken van het aanslagbiljet
                                                  zou zijn verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Bij het van toepassing zijn van de voorgaande
                                                  leden vervallen de incassotermijnen op of rond de
                                                  laatste werkdag van de maand, waarbij de eerste
                                                  termijn ten minste veertien dagen na de
                                                  dagtekening van de aanslag valt.</al></li><li nr="6."><al>Het termijnbedrag wordt berekend naar
                                                  evenredigheid van het aantal nog te vervallen
                                                  incassotermijnen van het aanslagbiljet.</al></li><li nr="7."><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing
                                                  op de in de voorgaande leden gestelde
                                                  termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 -</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van onroerendezaakbelastingen wordt
                                            in afwijking van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet
                                            1990 a. het percentage voor de kosten van bestaan
                                            gesteld op 100%; b. de kwijtscheldingsnorm voor personen
                                            van 65 jaar of ouder gesteld op 100 % van de
                                            toepasselijke netto AOW-bedragen; c. bij het bepalen van
                                            het netto-besteedbare inkomen rekening gehouden met de
                                            netto-kosten van kinderopvang; d. aan personen die een
                                            bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen (kleine
                                            ondernemers) kwijtschelding verleend voor
                                            privé-belastingschulden, onder de voorwaarden die voor
                                            natuurlijke personen/niet-ondernemers gelden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9 -</nr><titel>Nadere regels door het college van
                                                burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere
                                            regels geven met betrekking tot de heffing en
                                            invordering van de onroerendezaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10 -</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>De “Verordening onroerendezaakbelastingen 2016”,
                                            vastgesteld bij raadsbesluit van 21 december 2015, wordt
                                            ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid
                                            genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                                            verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare
                                            feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11 -</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang
                                                  van de eerste dag na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari
                                                  2017.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12 -</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening
                                            onroerendezaakbelastingen 2017”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad
                        van de gemeente Zevenaar, </ondertekening><ondertekening>gehouden op 21 december 2016.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>