<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR432841_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Parkeerverordening Doesburg 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-181840.html">gmb-2016-181840</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Parkeerverordening Doesburg 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=225">Gemeentewet, art. 225</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0006622&amp;artikel=2a">Wegenverkeerswet 1994, art. 2a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt per 1 januari 2017 de <extref doc="1.1:CVDR359274_1">Parkeerverordening Doesburg 2015</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Parkeerverordening Doesburg 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doesburg,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 november
                        2016,</al><al>gehoord de commissie Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu van 7
                        december 2016;</al><al>gelet op <extref doc="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149" struct="BWB">artikel 149</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=225" struct="BWB">225 van de
                            Gemeentewet</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0006622&amp;artikel=2a" struct="BWB">artikel 2a van
                            de Wegenverkeerswet 1994</extref>;</al><al>Besluit:</al><al>vast te stellen de ‘Parkeerverordening Doesburg 2017’.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>I.</nr><titel>DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a. "><al><cursief>belanghebbenden- en dagkaartplaats: </cursief></al><al>een parkeerplaats die: </al><lijst><li nr="1."><al>is aangeduid met bord E9 conform model E9 uit bijlage 1
                                            van het <extref doc="1.0:v:BWBR0004825" struct="BWB">RVV 1990</extref>), onder de toevoeging
                                            (op het bord of op een onderbord) van de tekst ‘dagkaart
                                            toegestaan’; </al></li><li nr="2."><al>is gelegen binnen een zone aangeduid met het bord
                                            conform model E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het
                                            opschrift zone, onder de toevoeging (op het bord of op
                                            een onderbord) van de tekst ‘dagkaart toegestaan’, voor
                                            zover deze plaats niet is uitgezonderd;</al></li></lijst></li><li nr="b. "><al><cursief>belparkeren:</cursief></al><al>het in werking stellen van de parkeerapparatuur via een
                                    verbinding met de centrale computer;</al></li><li nr="c. "><al><cursief>dagkaart: </cursief></al><al>een schriftelijk bewijs waarmee het is toegestaan te parkeren op
                                    belanghebbenden- en dagkaartplaatsen gedurende een
                                    aaneengesloten periode van maximaal een kalenderdag;</al></li><li nr="d. "><al><cursief>gehandicaptenvoertuig:</cursief></al><al>hetgeen hieronder wordt verstaan in <extref doc="1.0:v:BWBR0004825&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1 onder r van het RVV 1990</extref>;</al></li><li nr="e. "><al><cursief>houder:</cursief></al><al>degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven
                                    kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het
                                    krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0006622" struct="BWB">Wegenverkeerswet 1994</extref> aangehouden register van
                                    opgegeven kentekens;</al></li><li nr="f. "><al><cursief>motorvoertuigen: </cursief></al><al>hetgeen daaronder wordt verstaan in het <extref doc="1.0:v:BWBR0004825" struct="BWB">RVV 1990</extref>
                                    met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder
                                    ia van het <extref doc="1.0:v:BWBR0004825" struct="BWB">RVV 1990</extref>;</al></li><li nr="g. "><al><cursief>oplaadpunt elektrisch rijden:</cursief></al><al>parkeerplaats met infrastructuur voor het opladen van een
                                    elektrisch voertuig;</al></li><li nr="h. "><al><cursief>parkeerapparatuur:</cursief></al><al>parkeerautomaten op straat en betaalautomaten in de
                                    parkeergarages, met inbegrip van verzamelparkeermeters en
                                    hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder
                                    parkeerapparatuur wordt verstaan, alsmede belparkeren;</al></li><li nr="i."><al><cursief>parkeerapparatuurplaats:</cursief></al><al>een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door
                                    middel van parkeerapparatuur;</al></li><li nr="j. "><al><cursief>parkeren:</cursief></al><al>het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van
                                    een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is
                                    voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen
                                    van personendan wel het onmiddellijk laden of lossen van
                                    goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar
                                    verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen
                                    of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is
                                    verboden;</al></li><li nr="k. "><al><cursief>RVV 1990:</cursief></al><al>het <extref doc="1.0:v:BWBR0004825" struct="BWB">Reglement
                                        verkeersregels en verkeerstekens 1990</extref>;</al><al/></li><li nr="l."><al>v<cursief>ergunning: </cursief></al><al>een door het college verleende vergunning, waarmee het is
                                    toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen
                                    parkeerapparatuur- of belanghebbenden parkeerplaatsen;</al></li><li nr="m. "><al><cursief>vergunninghouder:</cursief></al><al>de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning
                                    is verleend;</al></li><li nr="n. "><al><cursief>vergunningjaar: </cursief></al><al>periode van 1 februari tot en met 31 januari het opvolgende
                                    jaar.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>II.</nr><titel>PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN
                            VERGUNNINGBEWIJZEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten
                                aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunning- en
                                dagkaarthouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de
                                categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen
                                vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunning- en
                                dagkaarthouders is toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning
                                verlenen voor het parkeren op belanghebbenden- en dagkaartplaatsen
                                en/of parkeerapparatuurplaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van
                                een vergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning kan worden verleend aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in
                                        een gebied waar belanghebbenden- en dagkaartplaatsen of mede
                                        door vergunninghouders te gebruiken
                                        parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie I);</al></li><li nr="b."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een bedrijf
                                        heeft in een gebied waar belanghebbenden- en
                                        dagkaartplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken
                                        parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die dit kan
                                        aantonen met een inschrijving in de Kamer van Koophandel
                                        (categorie II);</al></li><li nr="c."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep
                                        uitoefent in een gebied waar belanghebbenden- en
                                        dagkaartplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken
                                        parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat
                                        het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening
                                        noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren
                                        (categorie III);</al></li><li nr="d."><al>een eigenaar of houder van een motorvoertuig die
                                        professionele zorg verleent in een gebied waar
                                        belanghebbenden- en dagkaartplaatsen of mede door
                                        vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen
                                        aanwezig zijn en die aantoont dat het noodzakelijk is in dat
                                        gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie IV);</al></li><li nr="e."><al>een bewoner die mantelzorg behoeft, indien de noodzaak tot
                                        mantelzorg op objectieve wijze is aangetoond (categorie
                                        V).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen
                                aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet
                                aan één van de in het derde lid genoemde vereisten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal
                                uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen
                                verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede
                                verdeling van de beschikbare parkeerruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag
                                voor een vergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten
                                hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn
                                wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning wordt voor ten hoogste één vergunningjaar
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunningkaart bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de periode waarvoor de vergunning geldt;</al></li><li nr="b."><al>het gebied waarvoor de vergunning geldt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij verlies of diefstal van de in artikel 3 bedoelde vergunning
                                binnen de termijn van de vergunning kan op een daartoe strekkend
                                verzoek een duplicaat worden verstrekt mits een proces-verbaal van
                                de gemeente wordt overlegd waaruit blijkt dat sprake is van verlies
                                of diefstal. Voor het verstrekken van een duplicaat worden kosten in
                                rekening gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen
                                        beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de
                                        vergunning is verleend;</al></li><li nr="c."><al>wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de
                                        omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de
                                        vergunning;</al></li><li nr="d."><al>wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van
                                        vergunningen komt te vervallen;</al></li><li nr="e."><al>wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn
                                        betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft
                                        voldaan;</al></li><li nr="f."><al>wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de
                                        vergunning verbonden voorschriften;</al></li><li nr="g."><al>wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning
                                        onjuiste gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="h."><al>om redenen van openbaar belang.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om de vergunningkaart of dagkaart al dan niet tegen
                                betaling oneigenlijk te (laten) gebruiken, te (foto)kopiëren, na te
                                tekenen dan wel op enige andere wijze te (laten) reproduceren of om
                                eigenmachtig wijzigingen op de vergunning aan te brengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de vergunning wordt ingetrokken op grond van artikel 6 lid f
                                of g dan wordt de vergunninghouder het eerstvolgende kalenderjaar
                                uitgesloten van het verkrijgen van een vergunning. Na dit jaar kan
                                opnieuw een aanvraag ingediend worden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>III.</nr><titel>VERBODSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een
                                belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan
                                aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:</al><lijst><li nr="a."><al>zonder vergunning of dagkaart;</al></li><li nr="b."><al>zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar achter de
                                        voorruit is voorzien van de voor dat motorvoertuig afgegeven
                                        vergunning of dagkaart, tenzij de vergunning of dagkaart
                                        elektronisch op kenteken is verleend;</al></li><li nr="c."><al>in strijd met de aan de vergunning of dagkaart verbonden
                                        voorschriften.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                                lid van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere
                            middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op
                            de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te
                                plaatsen of te laten staan:</al><lijst><li nr="a."><al>op een parkeerapparatuurplaats;</al></li><li nr="b."><al>op een belanghebbenden- en dagkaartplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het onder het eerste lid vervatte verbod geldt niet wanneer het een
                                erkend gehandicaptenvoertuig betreft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op
                                zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te
                                laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt
                                belemmerd of verhinderd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                                lid onder a en b van dit artikel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>IV.</nr><titel>STRAFBEPALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening
                                wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete
                                van de eerste categorie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>V.</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Met opsporing van overtredingen van deze verordening zijn, behalve de in
                                <extref doc="1.0:v:BWBR0001903&amp;artikel=141" struct="BWB">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</extref> genoemde
                            opsporingsambtenaren, de door de burgemeester en wethouders aangewezen
                            ambtenaren of functionarissen belast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Parkeerverordening Doesburg
                            2017’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                ‘Parkeerverordening Doesburg 2015’.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Besluiten van het college, gebaseerd op de ‘Parkeerverordening
                                Doesburg 2004’ of ‘Parkeerverordening Doesburg 2015’ blijven, indien
                                en voor zover de bepalingen krachtens deze besluiten zijn genomen
                                ook zijn vervat in deze verordening, van kracht tot de termijn
                                waarvoor zij zijn genomen is verstreken of totdat zij zijn
                                ingetrokken of vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om
                                een vergunning of ontheffing – hoe ook genaamd - op grond van de
                                ‘Parkeerverordening Doesburg 2004’ of ‘Parkeerverordening Doesburg
                                2015’ is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van
                                deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop
                                de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                                toegepast.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Doesburg in zijn openbare
                        vergadering van </al><al/><al> 22 december 2016. </al></slotformulering><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>J.B. Voorhof</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>drs. L.W.C.M. van der Meijs</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel> TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>Parkeerbeleid is vanouds een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk verkeer-
                    en vervoerbeleid. Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van
                    de bereikbaarheid en leefbaarheid op lokaal en regionaal niveau. Via
                    parkeerbeleid kunnen gemeenten de verdeling van de vaak schaarse parkeerruimte
                    reguleren en overlast voorkomen. Een goed instrument dat gemeenten kunnen
                    gebruiken voor de parkeerregulering is het invoeren van betaald parkeren en
                    parkeren door vergunninghouders (ook wel belanghebbendenparkeren) en autodate.
                    Veel grote en middelgrote gemeenten passen dit instrument reeds vele jaren
                    toe.</al><al>In het verleden heeft de VNG drie varianten voor een model-Parkeerverordeningen
                    en drie varianten voor een model-Verordeningen Parkeerbelastingen
                    opgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>model voor fiscale afhandeling;</al></li><li nr="2."><al>model voor strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’</al></li><li nr="3."><al>model voor een gecombineerde fiscale en strafrechtelijke afhandeling via
                            de ‘Wet Mulder’.</al></li></lijst><al>Bij het model voor de fiscale afhandeling wordt de handhaving door de gemeenten
                    zelf gedaan door middel van het opleggen van een fiscale naheffingsaanslag,
                    wanneer iemand niet, niet geheel of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting
                    via de aangewezen parkeerapparatuur heeft voldaan.</al><al>Bij de strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’ wordt de handhaving door
                    de politie, bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s) en het openbaar ministerie
                    gedaan. Bij de gecombineerde variant wordt de handhaving via beide wegen
                    uitgevoerd.</al><al>Voor zover wij weten hebben (nagenoeg) alle gemeenten die betaald parkeren
                    hebben ingevoerd gekozen voor de fiscale afhandeling (variant 1). Op zich niet
                    vreemd, omdat gemeenten op deze manier de handhaving van het betaald parkeren
                    zelf in de hand hebben. De kosten die gemeenten hiervoor moeten maken kunnen
                    voor een groot deel worden gedekt door de opbrengsten van de naheffingsaanslag
                    (anno 2016 max. € 60 per naheffingsaanslag). De andere varianten worden niet (of
                    nauwelijks) toegepast.</al><al>Dit is voor de VNG aanleiding geweest om nog slechts één
                    model-Parkeerverordening en één modelVerordening Parkeerbelastingen op te
                    stellen. Deze beide model-verordeningen sluiten naadloos op elkaar aan.</al><al>In de model-Parkeerverordening wordt vooral aandacht besteed aan het verlenen
                    van parkeervergunningen en is een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het
                    zonder vergunning parkeren op een belanghebbendenplaats en het plaatsen van
                    andere voorwerpen op parkeerplaatsen die bestemd zijn voor betaald parkeren of
                    belanghebbendenparkeren.</al><al>De model-Verordening Parkeerbelastingen gaat vooral over (het ontstaan van) de
                    belastingplicht, de maatstaf en de wijze van de heffing, de betaling en de
                    naheffingsaanslag.</al><tussenkop>FISCALISERING EN BELANGHEBBENDENPARKEREN</tussenkop><al>Alleen het parkeren bij parkeerapparatuur (parkeermeters, parkeerautomaten en
                    verder alles wat hieronder kan worden verstaan) kan worden gefiscaliseerd. Bij
                    deze apparatuur wordt een parkeerbelasting geheven. Het college van burgemeester
                    en wethouders wijst de gebieden aan waar het betaald parkeren wordt ingevoerd.
                    Bij niet-, niet geheel of niet tijdige betaling van de parkeerbelasting wordt
                    het verschuldigde parkeergeld nageheven en worden ook de kosten van de
                    naheffingsaanslag doorgerekend. Bij belanghebbendenparkeren wordt ook een
                    parkeerbelasting betaald voor het verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee
                    in een bepaald gebied mag worden geparkeerd. Het college van burgemeester en
                    wethouders wijst de gebieden aan waar belanghebbendenparkeren wordt ingevoerd.
                    Wanneer iemand zijn auto zonder vergunning parkeert in een belanghebbendengebied
                    (aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen
                    naheffingsaanslag worden opgelegd. Het zonder vergunning parkeren is strafbaar
                    gesteld in de model-Parkeerverordening (art. 9) en komt in principe alleen voor
                    strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking.</al><al>Gemeenten hebben de mogelijkheid om de handhaving binnen belanghebbendengebieden
                    toch te fiscaliseren. Zij kunnen dit doen door in het belanghebbendengebied ook
                    parkeren met een dagkaart toe te staan, nadat dit gebied door het college ook
                    als betaald parkeergebied is aangewezen. In feite is dan sprake van een
                    gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbendenparkeren. Wanneer
                    iemand in zo’n gebied parkeert zonder vergunning én zonder betaling van de
                    parkeerbelasting (dagkaart), kan alsnog een naheffingsaanslag worden opgelegd.
                    Dit betekent wel dat op de parkeerplaatsen, die voor belanghebbendenparkeren
                    bestemd waren, ook andere parkeerders geduld moeten worden. Om te voorkomen dat
                    het belanghebbendengebied geheel door de losse parkeerders wordt bezet, kan een
                    hoog dagtarief worden gehanteerd waardoor het parkeren door anderen dan
                    vergunninghouders wordt ontmoedigd.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Aanhef</tussenkop><al>In de aanhef van de Parkeerverordening dienen de artikelen 149 Gemeentewet en 2a
                    Wegenverkeerswet 1994 opgenomen te worden. Op grond van het eerste artikel mogen
                    autonome verordeningen worden opgesteld en op grond van het tweede artikel
                    behouden gemeenten hun autonome regelgevende bevoegdheid ten aanzien van het
                    onderwerp waarin de Wegenverkeerswet voorziet, voorzover die regels niet in
                    strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorzover
                    verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.</al><tussenkop>AFDELING I DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>Houder</tussenkop><al>In de definitie van het begrip houder komt het begrip ‘motorrijtuig’ voor. Dit
                    is gedaan, omdat in de WVW 1994 bepaald is dat motorrijtuigen over een kenteken
                    moeten beschikken. Het RVV 1990, waarin onder andere bepalingen over parkeren
                    zijn opgenomen, spreekt daarentegen over motorvoertuigen. Dit is op zich
                    verwarrend, maar materieel gezien komen de definities van beide begrippen
                    goeddeels overeen.</al><tussenkop>Motorvoertuigen</tussenkop><al>Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerbelastingen worden
                    geheven voor het parkeren met voertuigen. In de model-Parkeerverordening is
                    ervoor gekozen om de werking van deze verordening te beperken tot
                    motorvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1 onder z van het RVV 1990 met
                    inbegrip van brommobielen. In dit artikel wordt onder motorvoertuigen verstaan:
                    ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met
                    trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails
                    te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia)
                    gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een
                    carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van
                    motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels
                    voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders
                    en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het
                    verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het
                    parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en
                    de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op
                    brommobielen.</al><tussenkop>Parkeren</tussenkop><al>In de Parkeerverordening is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip
                    parkeren in artikel 225 van de Gemeentewet en dus niet bij de definitie uit
                    artikel 1 onder ac. van het RVV 1990. Er is gekozen voor deze definitie, omdat
                    het invoeren van betaald parkeren en vergunninghoudersparkeren ook gebaseerd is
                    op artikel 225 van de Gemeentewet.</al><tussenkop>AFDELING II PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN
                    EN VERGUNNINGBEWIJZEN </tussenkop><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Het aanwijzen van de gebieden en plaatsen waar en de tijden waarop met een
                    vergunning op belanghebbendenplaatsen geparkeerd kan worden, dient bij of
                    krachtens deze verordening te worden geregeld. Het aanwijzen van de gebieden,
                    plaatsen en tijden voor het parkeren bij parkeerapparatuur gebeurt op basis van
                    de Verordening Parkeerbelastingen. Uit praktische overwegingen is de
                    aanwijzingsbevoegdheid bij het college neergelegd. De aanwijzing van
                    belanghebbendengebieden is in principe alleen mogelijk voor gebieden waar een
                    redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Het college kan parkeervergunningen afgeven voor het parkeren op plaatsen voor
                    belanghebbenden of met parkeerapparatuur. Het college kan tevens nadere regels
                    stellen voor het indienen van aanvragen en het verlenen van de
                    parkeervergunning. Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van
                    indieningsvereisten voor het aanvragen van een parkeervergunning. In het kader
                    van het voorkomen van onnodige administratieve lasten voor burgers en bedrijven
                    adviseren wij u geen gegevens te vragen die reeds binnen uw organisatie bekend
                    zijn of die u eenvoudig en vaak goedkoper zelf kunt opvragen. Wij denken hierbij
                    dan aan het opvragen van bedrijfsgegevens bij de Kamers van Koophandel voor het
                    afgeven van een parkeervergunning aan een bedrijf.</al><al>Ook kan het college regels stellen voor personen of bedrijven die nog niet in
                    het vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen
                    afzienbare tijd gaan doen. Zij zouden alvast op een eventuele wachtlijst voor
                    een parkeervergunning kunnen worden gezet. Wel zullen zij voldoende hard moeten
                    kunnen maken dat zij ook daadwerkelijk in het betreffende gebied gaan wonen of
                    zich daar gaan vestigen met een bedrijf. Denk hierbij een koopcontract of
                    huurcontract.</al><al>In het derde lid worden verschillende categorieën belanghebbenden genoemd die in
                    aanmerking kunnen komen voor een parkeervergunning. In de verordening zijn vier
                    categorieën opgenomen: bewoners, bedrijven hulpverleners en mantelzorgers. U
                    kunt het aantal categorieën eventueel uitbreiden met bijvoorbeeld: bezoekers,
                    huisartsen, incidentele vergunningen e.d.</al><al>Door in de parkeerverordening te verwijzen naar categorieën en deze middels een
                    onderbord ook bij de parkeerplaats zelf te vermelden, is het de betrokken
                    vergunninghouders ook bekend waar zij kunnen parkeren. Voor een uitgebreider
                    behandeling van de parkeerbebording verwijzen wij naar de CROWuitgave 'Richtlijn
                    parkeerbebording' (publicatie 134, 1999).</al><al>In het vierde lid is een soort hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere
                    gevallen kan het college ook een (tijdelijke) parkeervergunning verlenen aan de
                    eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de
                    vereisten die in het derde lid zijn opgenomen. Hierbij kan onder andere worden
                    gedacht aan de eerder genoemde personen of bedrijven die nog niet in het
                    vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen
                    afzienbare tijd gaan doen.</al><al>Om te voorkomen dat er voor een bepaald gebied teveel parkeervergunningen worden
                    uitgegeven, is het verstandig om direct bij de invoering van een
                    belanghebbendengebied het maximum aantal uit te geven vergunningen te bepalen.
                    Hierbij kan ook onderscheid worden gemaakt naar de verschillende categorieën
                    parkeervergunningen, waarbij het in de praktijk vooral zal gaan om het aantal
                    bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen. Hoewel een parkeervergunning geen
                    absoluut recht geeft op een parkeerplaats in een aangewezen
                    belanghebbendengebied, moet de vergunninghouder er wel op kunnen vertrouwen dat
                    hij zijn auto doorgaans kwijt kan in dat gebied. Wanneer het maximum aantal uit
                    te geven parkeervergunningen is bereikt, kan het college de parkeervergunning
                    weigeren en de betreffende persoon of het betreffende bedrijf op een wachtlijst
                    plaatsen</al><al>Op grond van het zesde lid kunnen met het oog op een goede verdeling van de
                    beschikbare parkeerruimte aan de vergunning zowel beperkingen worden verbonden
                    met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de
                    tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. Vergunningen kunnen ook worden
                    verleend voor bepaalde zones, om te voorkomen dat vergunninghouders overal
                    elders in de gemeente gratis kunnen parkeren.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een
                    beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om voor de
                    aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de verordening zelf
                    opgenomen. In de verordening is een beslistermijn van vier weken opgenomen, die
                    eenmaal met ten hoogste vier weken kan worden verlengd. Normaal gesproken moet
                    een parkeervergunning binnen vier weken kunnen worden verstrekt. Mocht dit in
                    een enkel geval onverhoopt niet lukken, dan kan deze termijn worden verlengd met
                    vier weken.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De termijnen waarvoor de parkeervergunningen worden verleend, verschillen sterk
                    van gemeente tot gemeente. Het varieert van vergunningen voor onbepaalde tijd
                    tot vergunningen voor een periode van 1 jaar. De tekst moet op dit punt worden
                    aangepast aan de in de gemeente gangbare praktijk.</al><al>Het is mogelijk om een parkeervergunning voor onbepaalde tijd ofwel tot
                    wederopzegging te verlenen. Het voordeel hiervan is dat er minder
                    administratieve lasten bij de burger en het bedrijfsleven komen te liggen, omdat
                    zij niet steeds opnieuw een nieuwe vergunning behoeven aan te vragen. Ook de
                    administratieve lasten van het gemeentelijke apparaat komen hierdoor lager te
                    liggen dan bij tussentijdse verlenging. Een mogelijk nadeel is dat eenmaal
                    uitgegeven vergunningen alleen ingetrokken of gewijzigd kunnen worden op grond
                    van de in de verordening genoemde criteria. De intrekkings- en wijzigingsgronden
                    in artikel 6 zijn echter zodanig ruim geformuleerd, dat inspelen op gewijzigde
                    omstandigheden ook dan mogelijk is.</al><al>Wanneer gekozen wordt voor een parkeervergunning voor onbepaalde tijd is het
                    verstandig om wél jaarlijks – na betaling van de parkeerbelasting – een nieuw
                    vergunningbewijs te verstrekken. Dit vergunningbewijs moet achter de voorruit
                    worden bevestigd, zodat de parkeercontroleurs eenvoudig kunnen zien dat er nog
                    steeds sprake is van een geldige parkeervergunning.</al><al>Om de controle op de naleving van het belanghebbendenparkeren efficiënt te laten
                    verlopen, moet zo min mogelijk informatie op de vergunning worden vermeld. Een
                    overmaat aan informatie bemoeilijkt de waarneming voor de controleurs (veel
                    lezen, kleine letters etcetera). Wanneer er toch behoefte bestaat aan meer
                    informatie, zou deze op de achterzijde van de vergunning vermeld kunnen worden.
                    Ook is het denkbaar de vergunning vouwbaar uit te voeren of een bijlage te
                    verstrekken. Om fraude te bemoeilijken (het maken van bij voorbeeld een
                    fotokopie) is het denkbaar de vergunning in meer kleuren uit te voeren. In dat
                    geval moet gelet worden op de kleurechtheid van de inkt en/of het papier.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het college een
                    parkeervergunning 'kan’ intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven
                    dat het ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders staat of
                    een vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een
                    van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief
                    bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Zoals in de algemene toelichting aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag
                    worden opgelegd bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied
                    ‘sec’. De fiscale aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet
                    op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij
                    parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling
                    worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet
                    Mulder’ in aanmerking komt.</al><al>Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én
                    belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer
                    iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder dagkaart.</al><al>Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige)
                    vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het
                    fiscale regime gehanteerd worden.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet
                    gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot
                    fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.</al><al>Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het
                    fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald,
                    is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die
                    verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een
                    naheffingsaanslag opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder
                    een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een
                    bijvulverbod is derhalve onder een fiscaal regime niet mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen,
                    op parkeerapparatuuren belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke
                    voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en
                    doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering. Het gaat hier om gedragingen
                    die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook,
                    ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden
                    opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun
                    verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de
                    tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak
                    kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld.</al><al>Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de
                    zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van
                    maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie. Het openbaar maken
                    van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan bij
                    parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de
                    Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zo
                    volgt uit artikel 5:11 Awb. Deze personen kunnen (deels) categoraal en (deels)
                    individueel worden aangewezen. Voor een uitgebreide toelichting op deze
                    bepalingen verwijzen wij naar de toelichting op in de model Algemene
                    Plaatselijke Verordening (APV) van de VNG.</al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Gezien de nauwe samenhang die er bestaat tussen de Parkeerverordening en de
                    Verordening Parkeerbelastingen, dienen deze gelijktijdig in werking te treden.
                    Bovendien moeten op dat ogenblik de oude verordeningen worden ingetrokken.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>