<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR432706_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Taxiverordening Amsterdam 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, afd. 3B, nr. 85</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Taxiverordening Amsterdam 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet, art. 87, 216 en 229 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994">Wegenverkeerswet 1994, art. 2, eerste en tweede lid, en 2A </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-10-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-02-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Besluit inwerkingtreding artikel 2.3</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad 2013, afd. 3B, nr. 85</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Infrastructuur, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De negen uitvoeringsbesluiten die onder deze verordening vallen staan onder Besluit nadere regels Taxiverordening 2012.</al><al>Artikel 2.3. treedt in werking met ingang van 1 juni 2013 om 07.00 uur 's ochtends.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 21-5-2013</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Gemeenteblad 2013, afd. 3B, nr. 85</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-5863</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-5864</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Taxiverordening Amsterdam 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt
                                verstaan onder:</al><al><vet>Aanbieden van taxivervoer</vet>: het zich met de auto waarmee
                                taxivervoer wordt verricht, op de door de gemeenteraad aangewezen
                                delen van de openbare weg bevinden met het kennelijke doel van
                                vervoerder of bestuurder consumenten te werven ten behoeve van
                                taxivervoer, daaronder mede begrepen de situatie dat naar oordeel
                                van het college niet aannemelijk kan worden gemaakt dat sprake is
                                van taxivervoer op de bel- of contractmarkt (ook wel genoemd de
                                opstapmarkt);</al><al><vet>Aangeslotene</vet>: vervoerder of chauffeur welke
                                overeenkomstig de bij of krachtens deze verordening gestelde regels
                                bij een TTO is aangesloten;</al><al><vet>Auditorganisatie</vet>:een organisatie die auditactiviteiten
                                uitvoert op basis van de verordening en die door het college is
                                geaccepteerd voor het uitvoeren van audits en waarvoor de acceptatie
                                geldig is ten tijde van het uitbrengen van het auditrapport;</al><al><vet>Chauffeur</vet>: bestuurder van een auto waarmee taxivervoer
                                wordt verricht;</al><al><vet>College</vet>: het college van burgemeester en wethouders van
                                Amsterdam;</al><al><vet>Keycard</vet>: een door het college afgegeven toegangspas voor
                                een door het college met slagbomen of andere middelen omheinde
                                taxistandplaats;</al><al><vet>Klacht</vet>: een geschreven of ongeschreven uiting van
                                ongenoegen of ontevredenheid van een consument of een derde over de
                                kwaliteit van taxivervoer van een chauffeur, vervoerder en/of
                                TTO;</al><al><vet>Taxxxiraamkaart</vet>: bewijs van de verleende
                                Taxxxivergunning;</al><al><vet>Taxxxivergunning</vet>: vergunning voor een chauffeur als
                                bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van deze verordening;</al><al><vet>TTO (Toegelaten Taxi Organisatie)</vet>: een organisatorisch
                                verband als bedoeld in artikel 82b van de wet;</al><al><vet>TTO-vergunning</vet>: vergunning voor een TTO als bedoeld in
                                artikel 2.3, tweede lid, van deze verordening;</al><al><vet>Wet</vet>: Wet personenvervoer 2000.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Algemene bepalingen over vergunningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Behandeling van een aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_2_1_"> Voor het indienen van een aanvraag
                                    wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                    aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_2_2_"> Voor het in behandeling nemen van
                                    een aanvraag en het wijzigen van een vergunning zijn leges
                                    verschuldigd als bedoeld in de vigerende Legesverordening van de
                                    gemeente Amsterdam.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_2_3_"> Een beschikking op een aanvraag
                                    wordt gegeven binnen acht weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_2_4_"> Het college kan de termijn als
                                    genoemd in het derde lid, met acht weken verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 Algemene weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college kan een vergunning weigeren als naar zijn oordeel de
                                feitelijke toestand niet in overeenstemming is of zal zijn met
                                hetgeen in de aanvraag is vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_4_5_"> Het college kan aan een vergunning
                                    voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van de
                                    kwaliteit van het op de gemeentelijke openbare weg aangeboden
                                    taxivervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_4_6_"> Het is de houder van de vergunning
                                    verboden te handelen in strijd met de daaraan verbonden
                                    voorschriften of beperkingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.5 Algemene gronden voor wijziging, schorsing of
                                    intrekking</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het college kan een vergunning geheel of gedeeltelijk wijzigen,
                                    schorsen of intrekken indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_5_7_"> ter verkrijging van de vergunning
                                    onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_5_8_"> dit naar het oordeel van het college
                                    in het belang van de kwaliteit van taxivervoer noodzakelijk is,
                                    onder andere vanwege veranderde wetgeving of gewijzigde
                                    omstandigheden of inzichten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_5_9_"> de houder geen gebruik maakt van de
                                    vergunning binnen de daarin genoemde termijn of bij ontbreken
                                    daarvan binnen een redelijke termijn;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_5_10_"> de vergunning is verleend in strijd
                                    met een wettelijk voorschrift, of indien;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H91966_0_2_5_11_"> de aan de vergunning verbonden
                                    voorschriften of beperkingen niet worden nagekomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.6 Overdraagbaarheid</titel></kop><al>De vergunning is niet overdraagbaar.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Algemene bepalingen over vergunningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1 Nadere regels met betrekking tot
                                    verkeersveiligheid, bruikbaarheid van de weg of openbare
                                    orde</titel></kop><al>Het college kan gebieden aanwijzen waar nadere regels kunnen worden
                                gesteld als dit vanuit het belang van verkeersveiligheid,
                                bruikbaarheid van de weg of openbare orde noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2 Minimum aantal TTO's met een
                                    TTO-vergunning</titel></kop><al>Het aantal TTO's met een TTO-vergunning van het college bedraagt ten
                                minste twee.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.3 Taxxxivergunning en TTO-vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91967_0_2_3_1_"> Het is een chauffeur verboden om
                                    zonder geldige vergunning van het college (Taxxxivergunning) op
                                    de in bijlage I bij deze verordening aangegeven delen van de
                                    openbare weg taxivervoer aan te bieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91967_0_2_3_2_"> Het is een TTO verboden
                                    aangeslotenen van het organisatorisch verband op de in bijlage I
                                    bij deze verordening aangegeven delen van de openbare weg
                                    taxivervoer aan te laten bieden, zonder een geldige vergunning
                                    van het college (TTO-vergunning).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4 Verbodsbepaling Taxxxilogo</titel></kop><al>Het is verboden zonder toestemming van het college het Amsterdamse
                                Taxxxilogo, zoals weergegeven in bijlage II bij deze verordening,
                                in, op of aan het voertuig te gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>TTO-vergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.5 Toelatingseisen TTO</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91967_0_3_5_3_"> Een TTO:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H91967_0_3_5_3_1_"> is een rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H91967_0_3_5_3_2_"> heeft een postadres;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H91967_0_3_5_3_3_"> heeft minimaal 100
                                            aangesloten chauffeurs werkzaam op de opstapmarkt in
                                            Amsterdam en kan dit aantonen door het overleggen van
                                            afschriften van overeenkomsten die met de aangesloten
                                            chauffeurs zijn aangegaan. De aangesloten chauffeurs
                                            zijn niet eveneens aangesloten bij een andere TTO die
                                            voorziet in het aanbieden van taxivervoer binnen de
                                            gemeente Amsterdam;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H91967_0_3_5_3_4_"> heeft overeenkomsten met
                                            de vervoerders waar aangesloten chauffeurs als genoemd
                                            in onderdeel c deel van uitmaken en kan dit aantonen
                                            door het overleggen van afschriften van deze
                                            overeenkomsten. De aangesloten vervoerders zijn niet
                                            eveneens aangesloten bij een andere TTO die voorziet in
                                            het aanbieden van taxivervoer binnen de gemeente
                                            Amsterdam;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H91967_0_3_5_3_5_"> kan aantonen dat de
                                            aangeslotenen minimaal 50 rijklare auto's waarmee
                                            taxivervoer wordt verricht duurzaam ter beschikking
                                            hebben;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H91967_0_3_5_3_6_"> is ingeschreven bij de
                                            Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H91967_0_3_5_3_7_"> legt een Verklaring
                                            Omtrent het Gedrag voor Rechtspersonen over, afgegeven
                                            volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens,
                                            die niet ouder is dan vier maanden;</al></li><li nr="h."><al id="anker-H91967_0_3_5_3_8_"> heeft geen bestuursleden
                                            in het bestuur van de TTO welke in een periode van vijf
                                            jaar voorafgaand aan de vergunningaanvraag lid van het
                                            bestuur van een TTO waren, waaraan een TTO-vergunning
                                            werd geweigerd of ingetrokken dan wel waarvan een
                                            intrekkingsprocedure is gestart, met uitzondering van de
                                            situatie dat door vergunninghouder om intrekking was
                                            verzocht;</al></li><li nr="i."><al id="anker-H91967_0_3_5_3_9_"> heeft een naam, dan wel
                                            een afkorting die naar het oordeel van het college
                                            voldoende onderscheidend is van de naam, dan wel de
                                            afkorting van bestaande TTO's.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91967_0_3_5_4_"> Een TTO heeft een reglement waarin
                                    in ieder geval ter bevordering van de kwaliteit van taxivervoer
                                    zijn opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H91967_0_3_5_4_10_"> de visie van de TTO ten
                                            aanzien van de kwaliteit van taxivervoer en de
                                            belangrijkste doelstellingen die de TTO nastreeft;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H91967_0_3_5_4_11_"> een normen- en
                                            waardenprotocol, een klachtenprotocol, een
                                            internecontroleprotocol en een maatregelenprotocol
                                            waaraan het college met inachtneming van het bepaalde in
                                            de het 3e, 4e, 5e en 6e lid minimale eisen kan
                                            stellen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H91967_0_3_5_4_12_"> een beschrijving van de
                                            wijze waarop de TTO gaat voldoen aan de eisen gesteld
                                            bij of krachtens artikel 2.7.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91967_0_3_5_5_"> Het normen- en waardenprotocol heeft
                                    tot doel het gewenste gedrag en de verplichtingen van de
                                    aangeslotenen te regelen. In verband hiermee worden in ieder
                                    geval bepalingen opgenomen die waarborgen dat de aangesloten
                                    chauffeur:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H91967_0_3_5_5_13_"> door gedrag en handelen
                                            laat zien dat deze professioneel is en dat deze oog
                                            heeft voor de herkenbaarheid ten behoeve van de
                                            klant;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H91967_0_3_5_5_14_"> zich op of in de omgeving
                                            van de standplaats houdt aan de met betrekking tot de
                                            standplaats en de omgeving van de standplaats opgestelde
                                            regels;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H91967_0_3_5_5_15_"> ritten accepteert en de
                                            keuzevrijheid van de consument in acht neemt;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H91967_0_3_5_5_16_"> de veiligheid van de
                                            consument en overige personen in acht neemt;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H91967_0_3_5_5_17_"> de juiste ritprijs in
                                            rekening brengt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H91967_0_3_5_6_"> Het klachtenprotocol beschrijft in
                                    hoofdlijnen wat het belang is van klachten voor de TTO en hoe de
                                    TTO met klachten omgaat. In verband hiermee worden in ieder
                                    geval bepalingen opgenomen die waarborgen dat:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H91967_0_3_5_6_18_"> de klacht wordt
                                            geregistreerd en afgehandeld door de TTO of een
                                            organisatie die namens de TTO de binnengekomen klachten
                                            afhandelt;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H91967_0_3_5_6_19_"> de TTO en aangeslotenen
                                            meewerken aan de afhandeling van klachten die via het
                                            Landelijk Klachtenmeldpunt Taxi of bij het college zijn
                                            binnengekomen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H91967_0_3_5_6_20_"> bepaalde termijnen in
                                            acht worden genomen;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H91967_0_3_5_6_21_"> de wijze waarop binnen de
                                            auto waarmee taxivervoer wordt verricht de inhoud van
                                            het klachtenprotocol kenbaar wordt gemaakt;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H91967_0_3_5_6_22_"> de uitzonderingen op het
                                            in behandeling nemen van een klacht worden genoemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H91967_0_3_5_7_"> Het internecontroleprotocol regelt
                                    de wijze waarop de TTO de aangeslotenen controleert op naleving
                                    van de in het reglement gestelde regels. In verband hiermee
                                    wordt in ieder geval opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H91967_0_3_5_7_23_"> de wijze waarop de TTO
                                            inzichtelijk maakt op welke wijze informatie verzameld
                                            wordt om naleving van de in het reglement vastgelegde
                                            verplichtingen zoals deze zijn opgenomen in het normen-
                                            en waardenprotocol, het klachtenprotocol en het
                                            maatregelenprotocol, en de verordening te
                                            controleren;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H91967_0_3_5_7_24_"> een onderverdeling van de
                                            interne controles naar de in het maatregelenprotocol
                                            opgenomen prioriteiten en de overige verplichtingen uit
                                            het reglement;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H91967_0_3_5_7_25_"> de frequentie waarmee de
                                            interne controles plaatsvinden;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H91967_0_3_5_7_26_"> op welke wijze de in de
                                            risicoanalyse geconstateerde risico's kunnen worden
                                            verkleind middels het uitvoeren van interne
                                            controles;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H91967_0_3_5_7_27_"> een onderbouwing van de
                                            keuze als genoemd onder b, c en d;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H91967_0_3_5_7_28_"> onverminderd het bepaalde
                                            in lid b benoemt de TTO in ieder geval de wijze waarop
                                            controles plaatsvinden in de gebieden C, D, E, F en G
                                            als zodanig aangewezen in bijlage I bij deze
                                            verordening;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H91967_0_3_5_7_29_"> de wijze waarop de
                                            bevindingen van de interne controle worden vastgelegd en
                                            gedeeld met de aangeslotenen, de auditorganisatie en met
                                            het college.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H91967_0_3_5_8_"> Het maatregelenprotocol beschrijft
                                    gewenste gedragingen van aangeslotenen met de door de TTO op te
                                    leggen maatregelen in het geval deze norm wordt geschonden. Het
                                    maatregelenprotocol bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H91967_0_3_5_8_30_"> een overzicht van alle
                                            normen en waarden als genoemd in het normen- en
                                            waardenprotocol en de door de TTO aan aangeslotenen op
                                            te leggen maatregelen in het geval een van die normen of
                                            waarden wordt geschonden, waarbij de maatregelen in
                                            ieder geval voortkomen uit de risicoanalyse als bedoeld
                                            in het zevende lid, en waarbij deze maatregelen de
                                            daarin geconstateerde risico's verkleinen;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H91967_0_3_5_8_31_"> een redelijke termijn
                                            waarbinnen door de TTO beslist wordt over de naar
                                            aanleiding van de geconstateerde overtreding toe te
                                            passen maatregel en de periode waarbinnen deze maatregel
                                            wordt opgelegd;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H91967_0_3_5_8_32_"> een beschrijving van de
                                            manier waarop een beslissing wordt genomen over de op te
                                            leggen maatregel, waarbij in ieder geval rekening wordt
                                            gehouden met het aantal overtredingen dat een chauffeur
                                            eerder heeft gepleegd;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H91967_0_3_5_8_33_"> de handelswijze van de
                                            TTO ten aanzien van de controle op de uitvoering van de
                                            opgelegde maatregel.</al><lijst><li nr="•"><al>7. De TTO legt ten behoeve van het
                                                  internecontroleprotocol en het maatregelenprotocol
                                                  een risicoanalyse over. De risicoanalyse
                                                  beschrijft in ieder geval:</al></li></lijst><al>•a. de specifieke risicofactoren die voor de TTO en
                                            aangeslotenen gelden met betrekking tot het mogelijk
                                            overtreden van de gestelde gedragingen en
                                            verplichtingen; </al><lijst><li nr="•"><al>b. van alle gedragingen en verplichtingen
                                                  opgenomen in het normen- en waardenprotocol of er
                                                  al dan niet sprake is van een verhoogd risico dat
                                                  aangeslotenen de opgenomen waarden en normen
                                                  zullen overtreden met de daarbij behorende
                                                  onderbouwing;</al></li></lijst><al>•c. de specifieke risicotijden waarop het aannemelijk is
                                            dat er meer overtredingen door aangeslotenen
                                            plaatsvinden;</al><al>•d. de specifieke risicolocaties waarop het aannemelijk
                                            is dat er meer overtredingen door aangeslotenen plaats
                                            vinden;</al><lijst><li nr="•"><al>e. op welke wijze, buiten de genoemde
                                                  risicobeperkingen onder het maatregelenprotocol en
                                                  het internecontroleprotocol, de risico's nog meer
                                                  verkleind worden. </al></li><li nr="•"><al>8. Het college kan nadere eisen stellen aan het
                                                  in het tweede lid genoemde reglement en de in het
                                                  zevende lid genoemde risicoanalyse; </al></li><li nr="•"><al>9. Het college kan in afwijking van lid 1 onder
                                                  c een andere eis vaststellen met betrekking tot
                                                  het aantal aangesloten chauffeurs dat werkzaam
                                                  moet zijn op de opstapmarkt, indien de TTO voor
                                                  het aanbieden van taxivervoer slechts gebruik
                                                  maakt van voertuigen zonder directe uitstoot van
                                                  schadelijke stoffen; </al></li><li nr="•"><al>10. Het college kan in afwijking van lid 1 onder
                                                  e een andere eis vaststellen met betrekking tot
                                                  het minimumaantal rijklare auto's waarmee
                                                  taxivervoer wordt verricht, indien de TTO voor het
                                                  aanbieden van taxivervoer slechts gebruik maakt
                                                  van voertuigen zonder directe uitstoot van
                                                  schadelijke stoffen.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6 Bijzondere weigeringsgronden
                                    TTO-vergunning</titel></kop><al>Het college kan een vergunning voor een TTO weigeren indien naar
                                zijn oordeel:</al><lijst><li nr="•"><al>a. niet wordt of kan worden voldaan aan de eisen gesteld bij
                                        of krachtens artikel 2.5; </al></li><li nr="•"><al>b. het reglement als bedoeld in artikel 2.5 naar oordeel van
                                        het college onvoldoende garanties geeft voor het waarborgen
                                        van de kwaliteit van taxivervoer, of indien; </al></li><li nr="•"><al>c. niet voldaan wordt of kan worden voldaan aan de bij of
                                        krachtens artikel 2.7 gestelde eisen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7 Verplichtingen voor een TTO met
                                    vergunning</titel></kop><lijst><li nr="•"><al>1. De TTO: </al></li><li nr="•"><al>a. heeft een telefoonnummer waar zij 24 uur per dag, 7 dagen
                                        per week bereikbaar is om informatie te verstrekken over de
                                        aangeslotenen; </al></li><li nr="•"><al>b. draagt er zorg voor dat aangeslotenen daklichten en een
                                        informatiekaart gebruiken, welke voldoen aan de door het
                                        college te stellen eisen en zorgt voor inname van het
                                        daklicht indien de Taxxxivergunning van de aangesloten
                                        chauffeur is geschorst, vervallen of ingetrokken; </al></li><li nr="•"><al>c. legt onder andere in het geval van klachten, calamiteiten
                                        of op verzoek van het college relevante gegevens van de
                                        betrokken chauffeur of chauffeurs over aan het college.
                                    </al></li><li nr="•"><al>d. is aangesloten bij een geschillencommissie welke minimaal
                                        voldoet aan de bepalingen als bedoeld in artikel 77 van de
                                        wet; </al></li><li nr="•"><al>e. heeft natuurlijke personen in het bestuur en maakt
                                        inzichtelijk welke persoon daarvan aanspreekpunt is en welke
                                        persoon daarvan woordvoerder is; </al></li><li nr="•"><al>f. heeft een actuele registratie van gegevens van de TTO,
                                        aangeslotenen, auto's en ritten welke voldoet aan de nader
                                        door het college te stellen eisen; </al></li><li nr="•"><al>g. heeft een reglement welke in ieder geval voldoet aan de
                                        in artikel 2.5, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid,
                                        genoemde uitgangspunten en zorgt voor naleving hiervan;
                                    </al></li><li nr="•"><al>h. draagt zorg voor het continu optimaliseren van straten-
                                        en talenkennis van de aangesloten chauffeurs; </al></li><li nr="•"><al>i. geeft wijziging van de gegevens zoals deze bij de
                                        aanvraag zijn ingediend onverwijld door aan het college;
                                    </al></li><li nr="•"><al>j. draagt er zorg voor dat aangeslotenen een ritbewijs
                                        verstrekken voorzien van naam en contactgegevens van de TTO;
                                    </al></li><li nr="•"><al>k. verantwoordt periodiek haar prestaties aan het college
                                        door middel van het verstrekken van rapportages. Het college
                                        kan nadere eisen stellen aan de inhoud en de frequentie van
                                        deze rapportages; </al></li><li nr="•"><al>l. laat binnen haar organisatie audits uitvoeren met het
                                        doel zekerheid te geven over de mate waarin de TTO het
                                        reglement naleeft en over de betrouwbaarheid van de te
                                        rapporteren data. Het college kan nadere eisen stellen aan
                                        de auditorganisatie, de inhoud van de uit te voeren audits,
                                        de wijze waarop en de frequentie waarmee de audits
                                        plaatsvinden en de wijze waarop de uitkomsten aan het
                                        college worden gerapporteerd.</al></li><li nr="•"><al>2. De bestuursleden en vertegenwoordigers van de TTO
                                        gedragen zich naar het oordeel van het college op een wijze
                                        die de kwaliteit van taxivervoer niet aantast. </al></li><li nr="•"><al>3. De TTO heeft ondubbelzinnige verklaringen van alle
                                        aangeslotenen waaruit blijkt dat aangeslotenen zich
                                        conformeren aan het in artikel 2.5, tweede lid, bedoelde
                                        reglement en legt op verzoek van het college een afschrift
                                        hiervan over. </al></li><li nr="•"><al>4. De TTO verstrekt op verzoek van het college onverwijld
                                        informatie met betrekking tot de ingevolge het eerste lid,
                                        onder f, door de TTO geregistreerde gegevens. </al></li><li nr="•"><al>5. De TTO verstrekt onverwijld actuele informatie aan het
                                        college aangaande: </al></li><li nr="•"><al>a. veranderingen aan de voorgeschreven kenmerken van de
                                        daklichten; </al></li><li nr="•"><al>b. wijzigingen in het bestand van aangeslotenen; </al></li><li nr="•"><al>c. wijzigingen die betrekking hebben op de natuurlijke
                                        persoon die aanspreekpunt is voor de TTO of in de
                                        rechtspersoon van de TTO; </al></li><li nr="•"><al>d. wijzigingen in het reglement van de TTO; </al></li><li nr="•"><al>6. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van
                                        opleidingseisen ter bevordering van de kwaliteit van
                                        taxivervoer. De TTO ziet erop toe dat aangesloten chauffeurs
                                        voldoen aan deze opleidingseisen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.8 Overige verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan bepalen dat het aanbieden van taxivervoer door
                                aangeslotenen in de gebieden A, B, C, D, E, F en G als zodanig
                                aangewezen in bijlage I bij deze verordening, uitsluitend is
                                toegestaan voor zover de TTO waarbij zij zijn aangesloten een
                                overeenkomst met het college heeft gesloten. In deze overeenkomst
                                wordt in ieder geval opgenomen:</al><lijst><li nr="•"><al>a. de wijze waarop de TTO in de gebieden C en D een bijdrage
                                        levert door toe te zien op de aangeslotenen; </al></li><li nr="•"><al>b. een inspanningsverplichting van de TTO om ervoor te
                                        zorgen dat het maximale aantal toegestane taxi's op de
                                        standplaats in de gebieden C en D niet wordt overschreden;
                                    </al></li><li nr="•"><al>c. een inspanningsverplichting van de TTO om ervoor te
                                        zorgen dat haar chauffeurs die het beste de kwaliteit van
                                        taxivervoer waarborgen, taxivervoer aanbieden in de gebieden
                                        C en D.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.9 Looptijd TTO-vergunning</titel></kop><al>Een vergunning voor een TTO vervalt drie jaar na de datum van
                                inwerkingtreding van de vergunning tenzij door het college een
                                andere looptijd is vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.10 Bijzondere gronden voor wijziging, schorsing of
                                    intrekking TTO-vergunning</titel></kop><lijst><li nr="•"><al>1. Het college kan een vergunning voor een TTO wijzigen,
                                        schorsen of intrekken indien naar het oordeel van het
                                        college: </al></li><li nr="•"><al>a. niet of niet meer voldaan wordt of kan worden voldaan aan
                                        de eisen gesteld in artikel 2.5; </al></li><li nr="•"><al>b. niet of niet meer voldaan wordt of kan worden voldaan aan
                                        de eisen gesteld in artikel 2.7, of indien; </al></li><li nr="•"><al>c. het reglement als bedoeld in artikel 2.5 na wijziging
                                        naar oordeel van het college onvoldoende garanties geeft
                                        voor het waarborgen van de kwaliteit van taxivervoer. </al></li><li nr="•"><al>2. Bij de wijziging, schorsing of intrekking van een
                                        TTO-vergunning op de in het eerste lid genoemde gronden, kan
                                        het college onder meer rekening houden met een periode
                                        waarbinnen de TTO in de gelegenheid wordt gesteld alsnog te
                                        voldoen aan de in artikel 2.5, eerste lid, onder c, en e of
                                        op grond van artikel 2.5, negende en tiende lid gestelde
                                        eisen inzake het aantal aangesloten chauffeurs en de
                                        beschikbare auto's waarmee taxivervoer wordt verricht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.11 Maatregelen</titel></kop><lijst><li nr="•"><al>1. Het college kan, in het belang van het waarborgen van de
                                        kwaliteit van het taxivervoer,de TTO verplichten tot: </al></li><li nr="•"><al>a. het laten uitvoeren van een uitgebreidere audit op nader
                                        te bepalen onderwerpen; </al></li><li nr="•"><al>b. het opstellen van een verbeterplan. </al></li><li nr="•"><al>2. Het college kan, in het belang van het waarborgen van de
                                        kwaliteit van het taxivervoer, de TTO uitsluiten van toegang
                                        tot één of meer gebieden, als bedoeld in de in bijlage I bij
                                        deze verordening aangegeven delen van de openbare weg. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Taxxxivergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.12 Toelatingseisen chauffeur</titel></kop><lijst><li nr="•"><al>1. Voor een Taxxxivergunning: </al></li><li nr="•"><al>a. beschikt de chauffeur over een geldig rijbewijs; </al></li><li nr="•"><al>b. beschikt de chauffeur over een geldige chauffeurskaart;
                                    </al></li><li nr="•"><al>c. beschikt de chauffeur over het CCV certificaat ontheffing
                                        medegebruik lijnbusbaan/-strook gemeente Amsterdam of SVON
                                        certificaat; </al></li><li nr="•"><al>d. kan de chauffeur aantonen dat deze voor een vervoerder
                                        rijdt welke in het bezit is van een geldige
                                        ondernemersvergunning; </al></li><li nr="•"><al>e. is de chauffeur aangesloten bij een TTO welke in het
                                        bezit is van een geldige TTO-vergunning; </al></li><li nr="•"><al>f. heeft de chauffeur een vaste woon- of verblijfplaats;
                                    </al></li><li nr="•"><al>g. heeft de chauffeur zich in ieder geval in een periode van
                                        2 jaar voorafgaand aan het indienen van een aanvraag voor
                                        een Taxxxivergunning zodanig gedragen, dat naar het oordeel
                                        van het college de kwaliteit van taxivervoer niet
                                        onevenredig is of wordt aangetast. </al></li><li nr="•"><al>2. Bij de aanvraag voor een Taxxxivergunning wordt bij het
                                        aanvraagformulier eveneens een goed gelijkende pasfoto
                                        overgelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13 Bijzondere weigeringsgronden
                                    Taxxxivergunning</titel></kop><lijst><li nr="•"><al>1. Het college weigert een Taxxxivergunning indien niet
                                        voldaan wordt of kan worden voldaan aan de eisen gesteld in
                                        artikel 2.12, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e en f.
                                    </al></li><li nr="•"><al>2. Het college kan een Taxxxivergunning weigeren indien:
                                    </al></li><li nr="•"><al>a. naar het oordeel van het college niet voldaan wordt of
                                        kan worden voldaan aan de eisen gesteld bij of krachtens
                                        artikel 2.12, eerste lid, onderdeel g; </al></li><li nr="•"><al>b. naar het oordeel van het college aannemelijk is dat de
                                        vervoerder waar aanvrager voor rijdt niet voldoet aan de bij
                                        of krachtens de wet voor haar geldende bepalingen, of
                                        indien; </al></li><li nr="•"><al>c. aanvrager door het bevoegde gezag is verzocht een nieuwe
                                        Verklaring Omtrent het Gedrag, afgegeven volgens de Wet
                                        justitiële en strafvorderlijke gegevens, over te leggen en
                                        deze nog niet is afgegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.14 Verplichtingen voor een chauffeur met een
                                    Taxxxivergunning</titel></kop><lijst><li nr="•"><al>1. De chauffeur in het bezit van een Taxxxivergunning: </al></li><li nr="•"><al>a. laat door gedrag en handelen zien dat deze professioneel
                                        is en dat deze oog heeft voor de herkenbaarheid ten behoeve
                                        van de klant; </al></li><li nr="•"><al>b. houdt zich op of in de omgeving van de standplaats aan de
                                        met betrekking tot de standplaats en de omgeving van de
                                        standplaats opgestelde regels; </al></li><li nr="•"><al>c. accepteert ritten en neemt de keuzevrijheid van de
                                        consument in acht; </al></li><li nr="•"><al>d. neemt de veiligheid van de consument en overige personen
                                        in acht; </al></li><li nr="•"><al>e. brengt de juiste ritprijs in rekening. </al></li><li nr="•"><al>2. Het college bepaalt in nadere regels welke gedragingen en
                                        verplichtingen in ieder geval onder de in het eerste lid
                                        gestelde eisen vallen.</al></li><li nr="•"><al>3. Het college kan in aanvulling op het bepaalde in het
                                        eerste lid, nadere eisen stellen aan gedragingen of
                                        verplichtingen van een chauffeur in het bezit van een
                                        Taxxxivergunning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.15 Toonplicht</titel></kop><al>De houder van een Taxxxivergunning geeft het bewijs van deze
                                vergunning (Taxxxiraamkaart) en de bijbehorende keycard op eerste
                                vordering van een ambtenaar in functie of een andere door het
                                college aangewezen persoon, die in opdracht van het college
                                werkzaamheden verricht met het doel de kwaliteit van taxivervoer te
                                bevorderen, ter inzage af.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.16 Looptijd Taxxxivergunning</titel></kop><al>Een Taxxxivergunning vervalt drie jaar na de datum van
                                inwerkingtreding van de vergunning, tenzij door het college een
                                andere looptijd is vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.17 Bijzondere gronden voor schorsing of intrekking
                                    Taxxxivergunning</titel></kop><lijst><li nr="•"><al>1. Een Taxxxivergunning wordt voor een gelijke periode
                                        geschorst indien: </al></li><li nr="•"><al>a. het rijbewijs van vergunninghouder is geschorst,
                                        ingevorderd, ingehouden of ingenomen; </al></li><li nr="•"><al>b. de chauffeurskaart van vergunninghouder is geschorst;
                                    </al></li><li nr="•"><al>c. de ontheffing medegebruik lijnbusbaan/-strook gemeente
                                        Amsterdam van vergunninghouder tijdelijk is ingetrokken;
                                    </al></li><li nr="•"><al>d. de TTO waarbij vergunninghouder is aangesloten de
                                        aansluiting van vergunninghouder heeft geschorst; </al></li><li nr="•"><al>e. de TTO-vergunning van de TTO waar de vergunninghouder bij
                                        is aangesloten, is geschorst, of indien; </al></li><li nr="•"><al>f. een Ontzegging Besturen Motorrijtuigen (OBM) is opgelegd.
                                    </al></li><li nr="•"><al>2. Een Taxxxivergunning wordt ingetrokken indien: </al></li><li nr="•"><al>a. het rijbewijs van vergunninghouder ongeldig is verklaard;
                                    </al></li><li nr="•"><al>b. de chauffeurspas of chauffeurskaart van vergunninghouder
                                        is ingetrokken; </al></li><li nr="•"><al>c. de ontheffing medegebruik lijnbusbaan/-strook gemeente
                                        Amsterdam is ingetrokken; </al></li><li nr="•"><al>d. de aansluiting van vergunninghouder bij de TTO is
                                        beëindigd; </al></li><li nr="•"><al>e. de TTO-vergunning van de TTO waar de vergunninghouder bij
                                        is aangesloten niet meer geldig is, of indien; </al></li><li nr="•"><al>f. vergunninghouder niet kan aantonen een vaste woon- of
                                        verblijfplaats te hebben. </al></li><li nr="•"><al>3. Een Taxxxivergunning kan worden geschorst of ingetrokken
                                        indien naar het oordeel van het college aannemelijk is dat
                                        de vervoerder waar vergunninghouder voor werkt niet voldoet
                                        aan de bij of krachtens de wet voor haar geldende
                                        bepalingen. </al></li><li nr="•"><al>4. Een Taxxxivergunning kan worden geschorst of ingetrokken
                                        indien de chauffeur zich gedraagt op een wijze dat naar
                                        oordeel van het college de kwaliteit van taxivervoer wordt
                                        aangetast. </al></li><li nr="•"><al>5. Van de afloop van de schorsingstermijn als bedoeld in het
                                        eerste, derde en vierde lid wordt vergunninghouder
                                        onverwijld door het college in kennis gesteld.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 Strafbepalingen</titel></kop><al>Overtreding van elk van de voorschriften gesteld bij of krachtens de
                            artikelen 2.3, lid 1, 2.4 en 2.15 van deze verordening, vormt een
                            strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, onder 4º, van de Wet op de
                            economische delicten, voor zover de overtreding niet al ingevolge andere
                            wettelijke regelingen als strafbare gedraging gesanctioneerd wordt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 Bestuursrechtelijke maatregelen en sancties aan
                                TTO</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_1_"> Het college kan overtreding van het
                                bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.5 en 2.7 sanctioneren
                                met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_2_"> een waarschuwing;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_3_"> het uitvoeren van een uitgebreidere
                                audit als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, onderdeel a;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_4_"> de verplichting tot het opstellen van
                                een verbeterplan als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, onderdeel
                                b;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_5_"> uitsluiting van toegang tot één of meer
                                gebieden als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_6_"> schorsing van de TTO-vergunning;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_7_"> intrekking van de TTO-vergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_8_"> Bij toepassing van de in het eerste lid
                                genoemde sancties kan het college onder meer rekening houden
                                met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_9_"> het soort en aantal overtredingen begaan
                                door de TTO;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_10_"> het soort en aantal overtredingen
                                begaan door aangeslotenen en de maatregelen en sancties welke door
                                de TTO en het college als gevolg daarvan zijn opgelegd;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_11_"> de mate van herhaling van overtredingen
                                van aangeslotenen binnen een periode van één jaar;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_12_"> de gelijkwaardigheid van de door de TTO
                                aan aangeslotenen opgelegde maatregelen in verhouding tot de zwaarte
                                van de geconstateerde overtredingen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_2_13_"> de voortvarendheid van het optreden van
                                de TTO naar aanleiding van geconstateerde overtredingen van
                                aangeslotenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3 Bestuursrechtelijke maatregelen en sancties aan
                                chauffeurs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_3_14_"> Het college kan overtreding van het
                                bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.12 en 2.14 sanctioneren
                                met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_3_15_"> schorsing van de Taxxxivergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_3_16_"> intrekking van de
                                Taxxxivergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_3_17_"> Bij de in het eerste lid, onder a,
                                genoemde schorsing kan het college onder meer de verplichting
                                opleggen dat de chauffeur op eigen kosten een nader te bepalen
                                opleiding volgt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_3_18_"> Bij toepassing van de in het eerste lid
                                genoemde sancties kan het college onder meer rekening houden
                                met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_3_19_"> het soort en totaal aantal
                                overtredingen door de chauffeur;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H91968_0_0_3_20_"> de mate van herhaling van het aantal
                                overtredingen binnen een periode van één jaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4 Inleveren Taxxxiraamkaart </titel></kop><al>In het geval er sprake is van schorsing, intrekking of het van
                            rechtswege vervallen van de Taxxxivergunning dienen de Taxxxiraamkaart
                            en de keycard onverwijld bij het college te worden ingeleverd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.5 Overige bepalingen</titel></kop><al>Het is verboden taxivervoer aan te bieden in strijd met de in dit
                            hoofdstuk bedoelde opgelegde maatregelen en sancties.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Taxiverordening Amsterdam
                            2012</al><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemene inleiding</titel></kop><al>Op 1 oktober 2011 is de Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wp 2000)
                                gewijzigd. Het doel van deze wetswijziging is de bevordering van de
                                kwaliteit in het taxivervoer en de versterking van de gemeentelijke
                                bevoegdheden in het belang daarvan. Met deze wijziging heeft een
                                aantal gemeenten, waaronder Amsterdam, de mogelijkheid gekregen om
                                bij of krachtens gemeentelijke verordening regels te stellen die in
                                het belang zijn van de kwaliteit van het op de gemeentelijke
                                openbare weg aangeboden taxivervoer.</al><al>Deze mogelijkheid voor gemeenten is voortgekomen uit jarenlange
                                problemen op de taximarkten van met name de vier grote steden. In
                                2008 analyseerde de landelijke ‘Taskforce Toekomstvisie Taxi' de
                                problemen op de taximarkt. Geconstateerd werd dat er een aantal
                                marktimperfecties aanwezig was op de taximarkt, waardoor de
                                basiskwaliteit van taxivervoer niet gehaald werd. In het advies van
                                de landelijke taskforce is opgenomen dat gemeenten een aantal
                                aanvullende bevoegdheden moeten krijgen om de kwaliteit van
                                taxivervoer te verbeteren. Deze aanvullende bevoegdheden zijn
                                expliciet bedoeld voor de opstapmarkt: het vervoer vanaf de
                                standplaats en het aanhouden op straat. De landelijke taskforce
                                concludeerde dat de belmarkt (telefonisch bestelde taxiritten) en
                                contractmarkt (taxivervoer dat wordt verricht op basis van
                                structurele contracten) goed functioneerden en dat daar geen
                                aanvullende maatregelen voor nodig waren.</al><al>Het advies van de landelijke taskforce is overgenomen door de
                                minister en vervolgens verwerkt in de Wp 2000. Deze wet stelt regels
                                voor het taxivervoer in Nederland. Doel van de wet is onder meer de
                                bevordering van concurrentie en marktwerking, waarmee het
                                taxivervoer als onderdeel van het totale verkeer- en vervoersbeleid
                                versterkt wordt. Toetreding voor aanbieders tot de markt is in
                                principe vrij, zolang aan bepaalde basisregels wordt voldaan op het
                                gebied van onder andere tarifering, voertuig, chauffeur en
                                vervoerder. </al><al>Met de wijziging van de Wp 2000 veranderen deze landelijke
                                bevoegdheden niet. Zij blijven van kracht, ook als een gemeente
                                ervoor kiest aanvullende regels te stellen met betrekking tot de
                                kwaliteit van taxivervoer. Gedachte van de wetgever achter deze
                                aanvullende regels is dat gemeenten maatwerk kunnen bieden op hun
                                eigen grondgebied, gericht op de specifieke problemen die een
                                gemeente heeft met de lokale taximarkt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Indeling en systematiek van de Taxiverordening Amsterdam
                                2012</titel></kop><al>Gekozen is voor een indeling waarin samenhangende onderwerpen zo
                                veel mogelijk bij elkaar zijn gebracht.</al><al>De verordening begint met een hoofdstuk met algemene bepalingen,
                                gevolgd door een hoofdstuk over het aanbieden van taxivervoer op de
                                opstapmarkt. De verordening besluit met een hoofdstuk over
                                handhaving en met een hoofdstuk over slotbepalingen.</al><al>De verordening heeft een gelaagde opbouw. Het eerste hoofdstuk bevat
                                bepalingen van algemene strekking die gelden voor de hele
                                verordening. Zo zijn in paragraaf 1 de begrippen gedefinieerd en
                                zijn in paragraaf 2 algemene bepalingen over vergunningen opgenomen.
                                In hoofdstuk 2, paragraaf 1 is een bepaling opgenomen ten aanzien
                                van de mogelijkheid voor het college om nadere regels te kunnen
                                stellen indien dit vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid,
                                bruikbaarheid van de weg of openbare orde noodzakelijk is. Tevens is
                                in deze paragraaf het minimum aantal Toegelaten Taxi Organisaties
                                (TTO's) met vergunning geregeld. In paragraaf 2 zijn vervolgens de
                                verbodsbepalingen - die gelden voor chauffeurs en TTO's zonder
                                vergunning - geregeld en tevens de bevoegdheid van de gemeenteraad
                                om delen van de openbare weg aan te kunnen wijzen waar het verboden
                                is zonder vergunning taxivervoer aan te bieden. Paragraaf 3 regelt
                                vervolgens de voorwaarden en voorschriften waar een TTO zich aan
                                dient te houden. Verder zijn hier de bijzondere weigerings-,
                                wijzigings-, schorsings- en intrekkingsgronden alsmede de looptijd
                                van de vergunning opgenomen. Daarnaast is in deze paragraaf geregeld
                                dat het college maatregelen aan de TTO kan opleggen. Paragraaf 4
                                regelt de voorwaarden en voorschriften ten aanzien van chauffeurs en
                                de daarmee samenhangende bijzondere weigerings-, wijzigings-,
                                schorsings- en intrekkingsgronden, de looptijd van de vergunning en
                                de toonplicht van de Taxxxiraamkaart. </al><al>Bij het toepassen van de verordening is het dus van belang om naast
                                de toepassing van een bepaald artikel ook de bepalingen bij de
                                betreffende paragraaf én de algemene bepalingen van hoofdstuk 1 er
                                op na te slaan omdat algemene en bijzondere bepalingen elkaar
                                aanvullen.</al><al>De artikelen worden numeriek aangeduid: artikel 2.5, eerste lid
                                bijvoorbeeld betekent hoofdstuk 2, artikel 5, eerste lid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Reikwijdte en inhoud</titel></kop><al>De wettelijke grondslag voor de Taxiverordening vloeit voort uit de
                                volgende wetsartikelen:</al><al>Artikel 149 van de Gemeentewet bevat de bevoegdheid van de
                                gemeenteraad om verordeningen vast te stellen.</al><al>De artikelen 82a en 82b van de Wet personenvervoer 2000 geven de
                                gemeenteraad de bevoegdheid een verordening vast te stellen voor het
                                stellen van aanvullende kwaliteitseisen aan het taxivervoer.</al><al>De artikelen 2 en 2a van de Wegenverkeerswet beschrijven de
                                strekking van de Wegenverkeerswet en de bevoegdheden van de
                                gemeente.</al><al>Artikel 3 van de Uitvoeringsregeling kwaliteit taxivervoer 2011
                                regelt de aanwijzing van onder andere Amsterdam als gemeente waar
                                groepsvorming op basis van artikel 82b Wet personenvervoer 2000 mag
                                worden ingevoerd.</al><al>Met de Taxiverordening Amsterdam 2012 stelt de gemeente aanvullende
                                kwaliteitseisen aan taxivervoer. De wetgever geeft gemeenten
                                hiervoor twee mogelijkheden. Een gemeente kan algemene regels ten
                                behoeve van de kwaliteit van taxivervoer stellen. Deze kunnen
                                betrekking hebben op de herkenbaarheid van taxi's, de bestuurders
                                van taxi's en de indiening en verwerking van klachten over
                                taxivervoer. Deze opsomming is limitatief opgenomen in artikel 82a
                                van de Wp 2000.</al><al>Daarnaast biedt de Wp 2000 gemeenten de mogelijkheid toegang tot
                                (delen van) de opstapmarkt alleen te verlenen aan vervoerders en
                                taxichauffeurs die voldoen aan bepaalde kwaliteits- en
                                herkenbaarheidseisen. Door deze te koppelen aan een verplichte
                                groepsvorming is de kans dat deze kwaliteitseisen geborgd zijn het
                                grootst. Gemeenten kunnen aan groepen, vervoerders en chauffeurs
                                kwaliteitseisen stellen die de gemeente nodig acht in het kader van
                                de kwaliteit van het taxivervoer. Expliciet heeft de wetgever bij
                                dit model van groepsvorming aangegeven dat de mogelijkheid bestaat
                                een vergunningstelsel in te voeren voor de toegelaten groepen en de
                                individueel aangesloten chauffeurs. Deze mogelijkheden voor
                                gemeenten zijn niet-limitatief vastgelegd in artikel 82b van de Wp
                                2000. Wel stelt de wetgever heel duidelijk dat alle maatregelen
                                    <cursief>aanvullend</cursief> moeten zijn op de landelijke
                                maatregelen en dat ze gericht moeten zijn op de kwaliteit van het
                                taxivervoer.</al><al>De wetgever geeft aan dat de keuze voor 82a of 82b afhangt van de
                                omvang van de problematiek binnen een gemeente. Het ligt in de lijn
                                der verwachting dat (voor zover gemeenten een keuze hebben tussen
                                beide instrumenten) gemeenten met een beperkte problematiek kiezen
                                voor het lichtere regime van 82a Wp 2000 en dat gemeenten met een
                                grote problematiek kiezen voor het zwaardere regime van 82b Wp
                                2000.</al><al>Wezenlijk ordeningselement van artikel 82b Wp 2000 is dat onverkort
                                wordt voortgebouwd op de eigen verantwoordelijkheid en het
                                zelfregulerend vermogen van betrokkenen, maar niet meer in een
                                vrijblijvende sfeer. Indien een gemeente constateert dat ofwel op
                                groepsniveau ofwel op individueel niveau, niet of niet langer aan de
                                eisen wordt voldaan, kan de gemeente de toestemming (vergunning) om
                                van de opstapmarkt gebruik te maken, weigeren of intrekken.</al><al>De taxiondernemer behoudt de vrijheid om af te zien van deelname in
                                het proces voor groepsvorming. Deze ondernemers mogen dan weliswaar
                                niet op de opstapmarkt actief zijn, maar voor hen blijft er een
                                aanzienlijke taximarkt bestaan zoals het contractvervoer, de
                                beltaximarkt en het vervoer vanaf standplaatsen en locaties waar
                                geen groepsvorming geldt, ofwel in de eigen gemeente ofwel in andere
                                gemeenten.</al><al>Voor de handhaving van de publiekrechtelijk gestelde regels kunnen
                                gemeenten, naast toepassing van het strafrechtelijke instrumentarium
                                (zoals de Wet op de Economische Delicten, hierna: WED), gebruik
                                maken van het bestuursrechtelijke instrumentarium van artikel 125
                                van de Gemeentwet. Gemeenten kunnen, met andere woorden, gebruik
                                maken van de last onder dwangsom en de last onder bestuursdwang.
                                Deze sancties zijn verder geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht
                                (hierna: Awb). Op basis van de verordening is verder de schorsing,
                                wijziging en intrekking van vergunningen mogelijk. De Wp 2000 biedt
                                geen mogelijkheid voor het opleggen van een bestuurlijke boete.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Hoofdstuk 1 van de Taxiverordening bevat naast begripsbepalingen een
                                aantal procedurevoorschriften en een aantal overige algemene
                                bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden
                                hiervoor is dat de Awb algemene regels geeft betreffende de
                                aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of
                                ontheffing. De Taxiverordening bevat slechts formele regels
                                indien:</al><al>- de Awb ruimte laat voor aanpassing van regels die afwijkend zijn
                                van de hoofdregels en deze afwijking noodzakelijk wordt geacht;</al><al>- de regels een aanvulling vormen op de hoofdregels in de Algemene
                                wet bestuursrecht.</al><al>Met de Taxiverordening als basis worden verschillende soorten
                                besluiten genomen, te weten: </al><al>- (aanvullende) algemeen verbindende voorschriften, namelijk daar
                                waar het college op grond van de verordening de bevoegdheid heeft om
                                nadere regels te stellen bij in de verordening opgenomen regels
                                (bijvoorbeeld artikel 2.5, tweede lid, onderdeel b en het achtste
                                lid), hetgeen gebeurt in een uitvoeringsbesluit;</al><al>- beleidsregels, ter invulling van op de verordening gebaseerde
                                beleidsvrijheid (bijvoorbeeld handhavingsbeleid gebaseerd op artikel
                                3.2 en 3.3);</al><al>- (andere) besluiten van algemene strekking, bijvoorbeeld
                                gebiedsaanwijzingen op basis van een bepaling in de verordening
                                (bijvoorbeeld de gebiedsaanwijzing bedoeld in artikel 2.3, eerste en
                                tweede lid);</al><al>- beschikkingen, zoals het verlenen of weigeren van vergunningen die
                                op basis van de Taxiverordening verplicht zijn voordat een bepaalde
                                activiteit kan worden ondernomen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 1 Begripsbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening
                                wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen,
                                dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze
                                verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende
                                uitvoeringsbesluiten definities opgenomen.</al><al><cursief>aanbieden van taxivervoer</cursief>: met het begrip
                                ‘aanbieden van taxivervoer' wordt beoogd te verduidelijken dat het
                                enkel taxivervoer op de opstapmarkt betreft. Hieronder valt het
                                aanbieden van taxivervoer op de standplaatsen (standplaatstaxi) en
                                de taxi die door de klant wordt aangehouden op straat (aanhoudtaxi).
                                Hieronder valt dus niet de taxi die door de klant telefonisch wordt
                                besteld (beltaxi), tenzij deze bestelling voortvloeit uit het
                                zojuist op straat tot elkaar komen van vraag en aanbod. Ook het
                                taxivervoer dat wordt verricht op basis van structurele contracten
                                (contractvervoer) valt niet onder deze definitie. Met ‘taxivervoer'
                                wordt gedoeld op de definitie genoemd in artikel 1, onderdeel j van
                                de Wp 2000. In die situaties waar het onduidelijk is of sprake is
                                van het aanbieden van taxivervoer in de opstapmarkt of in de bel- of
                                contractmarkt, is het aan de chauffeur om aannemelijk te maken van
                                welk vervoer sprake is. Zo zal een chauffeur zonder geldige
                                Taxxxivergunning moeten kunnen aantonen of de consumenten die worden
                                vervoerd een telefonische reservering hebben gedaan of dat sprake is
                                van contractvervoer. Kan hij dit niet aannemelijk maken dan wordt
                                deze chauffeur geacht in overtreding te zijn met het bepaalde in
                                artikel 2.3, eerste lid.</al><al><cursief>aangeslotene</cursief>: iedere individuele chauffeur die
                                werkzaam wil zijn op de opstapmarkt dient zich aan te sluiten bij
                                een Toegelaten Taxi Organisatie (TTO). Daarnaast moeten vervoerders
                                zich ook aansluiten. Zij conformeren zich daarmee eveneens aan het
                                TTO reglement.</al><al><cursief>auditorganisatie:</cursief> een auditorganisatie is een
                                organisatie die door het college moet zijn goedgekeurd om de data en
                                processen van een TTO te onderzoeken. De gemeente kan de
                                auditorganisatie inspecteren of aan alle eisen en verplichtingen op
                                basis van de verordening is voldaan.</al><al><cursief>chauffeur</cursief>: deze omschrijving beperkt het begrip
                                chauffeur tot diegenen die taxivervoer aanbieden.</al><al><cursief>college</cursief>: het college van burgemeester en
                                wethouders van Amsterdam.</al><al><cursief>Keycard</cursief>: een keycard is een pasje dat kan worden
                                gebruikt om toegang te verkrijgen tot een afgesloten standplaats.
                                Een keycard wordt alleen verleend aan bezitters van een
                                Taxxxivergunning en alleen als de TTO gerechtigd is op die
                                specifieke standplaats te rijden. Een keycard is geen formele
                                vergunning maar slechts een elektronisch hulpmiddel om een
                                standplaats te betreden.</al><al><cursief>klacht</cursief>: deze definitie is opgenomen om buiten
                                twijfel te stellen wat een klacht is. </al><al><cursief>Taxxxiraamkaart</cursief>: van de verleende
                                Taxxxivergunning wordt een bewijs afgegeven. Dit is tevens het
                                bewijs dat de chauffeur beschikt over een ontheffing medegebruik
                                lijn-/busbaan. Deze hoeft dus niet apart aangevraagd te worden. Aan
                                de hand van de Taxxxiraamkaart kan de chauffeur aantonen dat deze
                                beschikt over een Taxxxivergunning en daarom taxivervoer mag
                                aanbieden op de door de gemeenteraad aangewezen delen van de
                                openbare weg. Ook toont hij hiermee aan dat hij gebruik mag maken
                                van de vrije tram- en busbanen. Intrekking of schorsing van de
                                Taxxxivergunning heeft tot gevolg dat de Taxxxiraamkaart onverwijld
                                bij het college moet worden ingeleverd. Zolang de intrekking niet
                                het gevolg was van een voorschrift ten aanzien van de ontheffing
                                medegebruik lijn-/busbaan kan de chauffeur deze ontheffing nog apart
                                aanvragen ten behoeve van de bel- en/of contractmarkt.</al><al><cursief>Taxxxivergunning</cursief>: voor het aanbieden van
                                taxivervoer op de gemeentelijke openbare weg is een vergunning van
                                het college van burgemeester en wethouders nodig. Deze vergunning
                                wordt onder voorwaarden verstrekt aan de individuele chauffeur.</al><al><cursief>TTO (Toegelaten Taxi Organisatie)</cursief>: in het eerste
                                lid van artikel 82b van de Wp 2000 is het volgende bepaald: ‘Bij
                                gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat het gebruik van de
                                gemeentelijke openbare weg of delen daarvan, voor wat betreft het
                                aanbieden van taxivervoer, uitsluitend is voorbehouden aan
                                vervoerders en bestuurders van auto's die taxivervoer verrichten en
                                die overeenkomstig de bij en krachtens artikel 82b gestelde regels
                                deel uitmaken van een organisatorisch verband.' Met de omschrijving
                                van het organisatorisch verband in de begrippenlijst wordt
                                aansluiting gezocht bij het bepaalde in het tweede lid van artikel
                                82b van de Wp 2000, waarin staat dat het organisatorische verband
                                een verbetering van de kwaliteit van taxivervoer ten doel heeft. Om
                                als TTO in de verordening te worden aangemerkt dient deze te
                                beschikken over een vergunning van het college. In deze verordening
                                wordt het organisatorisch verband verder aangeduid als Toegelaten
                                Taxi Organisatie (TTO), omdat deze term binnen Amsterdam algemeen
                                geaccepteerd is en de term organisatorisch verband mogelijk tot
                                verwarring zal leiden. </al><al><cursief>TTO-vergunning</cursief>: deze vergunning is nodig om
                                aangeslotenen taxivervoer aan te kunnen laten bieden, op de door de
                                gemeenteraad aangewezen delen van de openbare weg. Een TTO zonder
                                vergunning is hiertoe niet gerechtigd.</al><al><cursief>wet</cursief>: daar waar in de verordening verwezen wordt
                                naar de ‘wet' wordt de Wet personenvervoer 2000 bedoeld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 2 Algemene bepalingen over vergunningen</titel></kop><al>Op grond van de Taxiverordening Amsterdam 2012 kan het college een
                                tweetal vergunningen verlenen: de TTO-vergunning en de
                                Taxxxivergunning. De bevoegdheid daartoe en de precieze uitwerking
                                daarvan zijn niet terug te vinden in hoofdstuk 1 maar in hoofdstuk
                                2. Paragraaf 2 van hoofdstuk 1 bevat de regels die standaard gelden
                                bij het aanvragen van en beslissen over beide vergunningen. Het
                                bepaalde in de Awb en de Wp 2000 is eveneens van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.2 Behandeling van een aanvraag</titel></kop><al/><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.2 eerste lid</titel></kop><al>Een bestuursorgaan dat bevoegd is op een aanvraag te beslissen kan
                                een formulier vaststellen voor het indienen van een aanvraag en het
                                verstrekken van gegevens. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 4:4 van
                                de Algemene wet bestuursrecht. Het eerste lid van artikel 1.2 van de
                                Taxiverordening regelt vervolgens dat de aanvrager van een
                                vergunning verplicht is om het aanvraagformulier, wanneer dit is
                                vastgesteld, te gebruiken. Als een aanvrager geen gebruik maakt van
                                het vastgestelde aanvraagformulier, kan het bevoegde bestuursorgaan
                                besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten (artikel 4:5 Awb).
                                Dat betekent dat de aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.2 tweede lid</titel></kop><al>In het tweede lid wordt volledigheidshalve aangegeven dat voor het
                                in behandeling nemen van een aanvraag van de Taxxxivergunning en de
                                TTO-vergunning leges verschuldigd zijn. De basis hiervoor is terug
                                te vinden in artikel 82a, eerste lid onderdeel e. Zo worden onder
                                meer de hoogte en de verplichting leges te moeten betalen vastgelegd
                                in de legesverordening gemeente Amsterdam.</al><al>Als een aanvrager geen gebruik maakt van het vastgestelde
                                aanvraagformulier, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten om de
                                aanvraag buiten behandeling te laten (artikel 4:5 Awb). Dat betekent
                                dat de aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.2 derde lid</titel></kop><al>Het derde lid geeft de termijn aan waarbinnen op de aanvraag zal
                                moeten worden beslist.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.2 vierde lid</titel></kop><al>In die situaties dat het beoordelen van de aanvraag meer tijd vergt,
                                is in het vierde lid bepaald dat het college de termijn met acht
                                weken kan verlengen. Dit zou het geval kunnen zijn bij een aanvraag
                                die complexer is en er om die reden meer tijd nodig is voor de
                                beoordeling.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.3 Algemene weigeringsgronden</titel></kop><al>Dit artikel bevat een algemene grond om de vergunning te weigeren.
                                Naast deze algemene grond tot weigering zijn in hoofdstuk 2
                                specifieke gronden opgenomen voor zowel de TTO-vergunning als de
                                Taxxxivergunning. Beide soorten gronden, algemeen en specifiek,
                                kunnen leiden tot het weigeren van een vergunning. </al><al>In het artikel wordt de term "kan" gebruikt en daarmee is sprake van
                                een zogenaamde discretionaire bevoegdheid. Hiermee is aangegeven dat
                                het college de bevoegdheid maar niet de verplichting heeft om te
                                weigeren. Als van de bevoegdheid van het college gebruik gemaakt
                                wordt dan moet het college zijn keuze motiveren in het besluit dat
                                het neemt.</al><al>Artikel 1.3 ziet toe op die gevallen waarin een discrepantie bestaat
                                tussen de gegevens op de aanvraag en de feitelijke situatie. Er
                                kunnen verschillende redenen zijn op grond waarvan het college het
                                niet waarschijnlijk acht dat de aanvraag in overeenstemming is met
                                de feitelijke toestand. Bijvoorbeeld als er schijnconstructies
                                worden opgezet en degene die de aanvraag voor een TTO-vergunning
                                indient niet de werkelijke exploitant is. In een dergelijk geval
                                moet het college de bevoegdheid hebben om het gevraagde te weigeren.
                                Of aan de aanvrager een verwijt te maken valt is niet van
                                doorslaggevend belang. De weigering is in zo'n geval ook niet als
                                bestraffing bedoeld maar hij is bedoeld om te voorkomen dat er een
                                ongewenste situatie ontstaat.</al><al>Als niet al bij het indienen van de aanvraag maar pas later blijkt
                                dat de feitelijke situatie niet is zoals de aanvraag vermeldt, dan
                                kan de vergunning worden ingetrokken (artikel 1.5).</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al/><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.4 eerste lid</titel></kop><al>Bij de bevoegdheid een vergunning te verlenen, hoort tegelijk de
                                bevoegdheid om hieraan voorschriften (verplichtingen die de houder
                                moet naleven) of beperkingen (begrenzingen in tijd, plaats of
                                anderszins) te verbinden. Het eerste lid van dit artikel maakt deze
                                bevoegdheid expliciet. De bevoegdheid is niet ongelimiteerd.
                                Voorschriften en beperkingen moeten dienen ter waarborging van de
                                verbetering van de kwaliteit van taxivervoer.</al><al>Voorschriften en beperkingen worden doorgaans in de vergunning
                                opgenomen. De verordening formuleert in artikel 2.7 en 2.14 ook al
                                voorschriften en beperkingen. Het college kan op grond van artikel
                                1.4 in aanvulling hierop nadere voorschriften en beperkingen
                                stellen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.4 tweede lid</titel></kop><al>Handelen zonder vergunning is verboden. Handelen in strijd met de
                                aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen is eveneens
                                verboden. Het tweede lid van artikel 1.4 regelt dat het niet-naleven
                                van een voorschrift of een beperking een zelfstandige overtreding
                                van de verordening oplevert. Als reactie op deze overtreding zijn
                                verschillende bestuursrechtelijke handhavinginstrumenten beschikbaar
                                zoals het intrekken van de vergunning. Strafrechtelijke handhaving
                                is - via de strafbepaling van hoofdstuk 3 - eveneens mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.5 Algemene gronden voor wijziging, schorsing of
                                    intrekking</titel></kop><al>Deze bepaling regelt de bevoegdheid om een vergunning te wijzigen,
                                schorsen of in te trekken. Met het schorsen van een vergunning wordt
                                bedoeld dat er <cursief>tijdelijk</cursief> geen gebruik gemaakt mag
                                worden van de vergunning. Het intrekken van de vergunning betekent
                                dat van de vergunning helemaal geen gebruik meer gemaakt kan worden.
                                Intrekking kan ook met terugwerkende kracht, bijvoorbeeld in het
                                geval er sprake is van vergunningverlening op basis van onjuiste of
                                onvolledig verstrekte gegevens.</al><al>Verder is expliciet opgenomen dat gedeeltelijke intrekking of
                                wijziging mogelijk is. Hierbij kan worden gedacht aan de
                                mogelijkheid TTO's van bepaalde standplaatsen in het door de
                                gemeenteraad aangewezen gebied uit te sluiten. </al><al>In artikel 1.5 zijn algemene gronden opgenomen die van toepassing
                                kunnen zijn naast specifieke gronden die in hoofdstuk 2 staan. Beide
                                soorten gronden, algemeen of specifiek, kunnen leiden tot het
                                intrekken, schorsen of wijzigen van een vergunning.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.5 onderdeel a</titel></kop><al>Onder a (onjuiste of onvolledige gegevens): dit is met name aan de
                                orde als het college een andere beslissing zou hebben genomen op de
                                aanvraag als destijds wel de juiste gegevens bekend waren geweest.
                                Het gaat dus om onjuistheden of onvolledigheden die van meer dan
                                ondergeschikte aard zijn. Of er met opzet onjuiste of onvolledige
                                gegevens zijn verstrekt is niet van belang. De intrekking is in zo'n
                                geval ook niet als bestraffing bedoeld maar hij is bedoeld om te
                                voorkomen dat een ongewenste situatie blijft voortbestaan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.5 onderdeel b</titel></kop><al>Onder b (veranderde wetgeving e.d.): regelgeving, beleid en
                                omstandigheden kunnen veranderen. In sommige situaties moet dat van
                                invloed kunnen zijn op bestaande vergunningen. Hiervan is
                                bijvoorbeeld sprake als de bescherming van het algemene belang van
                                het bevorderen van de kwaliteit van taxivervoer zwaarder weegt dan
                                het belang van de houder bij een ongewijzigde beschikking. Van deze
                                bevoegdheid zal echter niet lichtvaardig gebruik gemaakt
                                worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.5 onderdeel c</titel></kop><al>Onder c (de beschikking wordt niet gebruikt): wanneer de houder een
                                vergunning niet gebruikt of niet meer kan gebruiken is het
                                aannemelijk dat hij geen belang (meer) heeft bij het in stand laten
                                van deze beschikking. Als het college niet langer rekening wil
                                blijven houden met een ongebruikte vergunning, kan het de vergunning
                                intrekken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.5 onderdeel d</titel></kop><al>Onder d (de beschikking is in strijd met de wet): deze grond is
                                opgenomen omdat het college de mogelijkheid moet hebben fouten te
                                herstellen. Hierbij kan de vraag aan de orde komen of de houder van
                                de vergunning op de hoogte was of had kunnen zijn van het feit dat
                                een fout is gemaakt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.5 onderdeel e</titel></kop><al>Onder e (niet nakomen van de aan de vergunning verbonden
                                voorschriften of beperkingen) is opgenomen dat een vergunning
                                gewijzigd, geschorst of ingetrokken kan worden als de
                                vergunninghouder handelt in strijd met de voorschriften of
                                beperkingen die aan een vergunning verbonden zijn. Een dergelijke
                                maatregel is geen bestraffende sanctie maar heeft als doel de
                                kwaliteit van taxivervoer te verbeteren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1.6 Overdraagbaarheid</titel></kop><al>Dit artikel regelt dat de TTO-vergunning en de Taxxxivergunning niet
                                overdraagbaar zijn. Dit is onder meer om te voorkomen dat de
                                vergunningen verhandeld worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 2 Het aanbieden van taxivervoer op de
                                opstapmarkt</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.1 Nadere regels met betrekking tot
                                    verkeersveiligheid, bruikbaarheid van de weg of openbare
                                    orde</titel></kop><al>Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college om gebieden aan te
                                wijzen waar nadere regels gesteld kunnen worden als dit vanuit het
                                belang van verkeersveiligheid, bruikbaarheid van de weg of openbare
                                orde noodzakelijk is. Hierbij kan gedacht worden aan het stellen van
                                nadere regels voor toelating tot de standplaatsen, bijvoorbeeld door
                                het maximeren van het aantal toegestane taxi's. Dit kan bijvoorbeeld
                                het geval zijn op drukke uitgaansavonden of in situaties waarbij de
                                infrastructuur een te grote hoeveelheid taxi's niet toelaat. In het
                                algemeen geldt dat de TTO's als eerste de verantwoordelijkheid
                                hebben om deze situaties te reguleren. Mocht dit echter om welke
                                reden dan ook niet lukken en dreigen de verkeersveiligheid,
                                bruikbaarheid van de openbare weg of openbare orde in het geding te
                                komen, dan kan het college in het uiterste geval ingrijpen door zelf
                                nadere regels te stellen. De basis hiervoor is niet gelegen in de Wp
                                2000, maar in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 2a van de
                                Wegenverkeerswet 1994 (verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de
                                weg) en de autonome bevoegdheden van de burgemeester op basis van de
                                Gemeentewet (openbare orde). De nadere regels moeten passen binnen
                                de doelen van deze wet en bevoegdheden en van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.2 Minimumaantal TTO's met een
                                    TTO-vergunning</titel></kop><al>De wet verplicht de gemeente ingevolge het vierde lid van
                                    artikel 82b Wp 2000 aan te geven hoeveel organisatorische
                                    verbanden (TTO's) er minimaal op het gemeentelijk grondgebied
                                    betrokken moeten zijn (artikel 82b, vierde lid Wp 2000). Het
                                    uitgangspunt daarbij moet zijn dat er voldoende TTO's actief
                                    zijn voor een concurrerende markt in de zin van concurrentie
                                    tussen organisatorische verbanden. In artikel 2.2 van de
                                    verordening wordt geregeld dat het aantal organisatorische
                                    verbanden ten minste twee moet zijn. De keuze voor dit aantal is
                                    gelegen in het feit dat twee TTO's in principe zorgen voor een
                                    vorm van concurrentie en keuzemogelijkheden. Het minimumaantal
                                    van 100 chauffeurs (artikel 2.5, eerste lid, onderdeel c) geeft
                                    consumenten voldoende kans om een taxi van een concurrerende TTO
                                    te vinden. De verwachting is dat er meer dan twee TTO's in
                                    Amsterdam een vergunning zullen krijgen. Dit wordt verder aan de
                                    markt overgelaten, uiteraard wel zolang de TTO's voldoen aan de
                                    gemeentelijke regels. Komt het aantal TTO's toch onder het
                                    aantal van twee dan zijn er drie mogelijkheden: </al><lijst><li nr="1."><al id="anker-H91970_0_9_19_1_"> taxivervoer op de opstapmarkt wordt
                                    in zijn geheel (tijdelijk) verboden, of</al></li><li nr="2."><al id="anker-H91970_0_9_19_2_"> de gemeente hanteert regels op
                                    basis van artikel 82a Wp 2000 (algemene eisen voor chauffeurs);
                                    dit moet dan nader in een verordening worden uitgewerkt, of</al></li><li nr="3."><al id="anker-H91970_0_9_19_3_"> taxivervoer op de opstapmarkt
                                    blijft zoals de situatie was voor vaststelling van de
                                    verordening.</al></li></lijst><al>De verwachting is dat deze theoretische situatie zich niet gaat
                                    voordoen. Mochten er signalen zijn dat dit toch staat te
                                    gebeuren, dan zal de gemeente zich beraden op de
                                    consequenties.</al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 2 Verbodsbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.3 Taxxxivergunning en TTO-vergunning</titel></kop><al>Dit artikel strekt ertoe de kwaliteit van taxivervoer te bevorderen
                                en op termijn een goede kwaliteit in stand te houden, door de
                                invoering van een vergunningstelsel. De basis voor dit
                                vergunningstelsel is terug te vinden in het vijfde lid van artikel
                                82b Wp 2000.</al><al>In bijlage I bij de verordening zijn de delen van de openbare weg
                                aangegeven waar de vergunningplicht geldt. Het gebruik van deze
                                wegen voor het aanbieden van taxivervoer kan worden beperkt door het
                                bepaalde in artikel 2.8 van de verordening. Daarin is geregeld dat
                                het college kan verplichten dat TTO's die aangeslotenen taxivervoer
                                willen laten aanbieden in de gebieden C, D, E, F en G een
                                overeenkomst met het college moeten aan gaan. Deze verplichting
                                bestaat dus naast de vergunningplicht. Voor de indeling van deze
                                gebieden is gekozen, vanwege de bestaande druk op deze standplaatsen
                                en het belang van deze gebieden voor de Amsterdamse taximarkt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.3 eerste lid</titel></kop><al>Het eerste lid regelt de individuele vergunningplicht, de
                                Taxxxivergunning voor chauffeurs. Zonder deze vergunning kan op de
                                in bijlage I bij de verordening aangegeven delen van de openbare weg
                                geen taxivervoer aangeboden worden. </al><al>Het regelen van een individuele vergunningplicht laat onverlet dat
                                de TTO waar de chauffeur zich bij heeft aangesloten, primair
                                verantwoordelijk is en blijft voor de daadwerkelijke realisatie van
                                de basiskwaliteit van de aangesloten chauffeurs. De Taxxxivergunning
                                en de handhaving hierop door het college, is ondersteunend aan de
                                TTO om deze basiskwaliteit te kunnen realiseren. Tevens is deze
                                vergunning noodzakelijk om in het geval er sprake is van excessen
                                direct als gemeente te kunnen optreden naar individuele
                                chauffeurs.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.3 tweede lid</titel></kop><al>Het tweede lid regelt de groepsvergunning, de TTO-vergunning. Een
                                TTO zonder TTO-vergunning mag aangeslotenen niet toestaan
                                taxivervoer aan te bieden op de in bijlage I van de verordening
                                aangegeven delen van de openbare weg.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.4 Verbodsbepaling Taxxxilogo</titel></kop><al>Dit artikel regelt het verbod om zonder toestemming van het college
                                het Amsterdamse Taxxxilogo te gebruiken. Met het verlenen van een
                                TTO- en Taxxxivergunning wordt toestemming verleend voor het gebruik
                                van het Taxxxilogo. Overtreding van dit artikel is een zelfstandige
                                overtreding van de verordening. Op deze overtreding kan met het
                                bestuursrechtelijk handhavinginstrumentarium worden gereageerd, te
                                weten: met het opleggen van een last onder dwangsom of last onder
                                bestuursdwang. Strafrechtelijke handhaving is via de strafbepaling
                                van artikel 3.1 eveneens mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 3 TTO-vergunning</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde in het derde lid van artikel 82b Wp 2000
                                kunnen bij gemeentelijke verordening regels worden gesteld over de
                                eisen aan en de verplichtingen van het organisatorisch verband. In
                                deze paragraaf zijn voorwaarden (artikel 2.5) opgenomen waar een TTO
                                aan moet voldoen om voor een vergunning in aanmerking te komen en
                                voorschriften (artikel 2.7) waar de TTO zich aan moet houden. Zowel
                                het niet voldoen aan de voorwaarden als aan de voorschriften kan
                                leiden tot weigering, wijziging, schorsing of intrekking van de
                                vergunning. Het is niet alleen wenselijk dat de TTO bij
                                vergunningverlening voldoet aan alle eisen, maar ook dat deze zich
                                gedurende de looptijd van de vergunning hieraan houdt. Eveneens is
                                in deze paragraaf de looptijd van de vergunning opgenomen en de
                                mogelijkheid voor het college om maatregelen op te leggen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 Toelatingseisen TTO-vergunning</titel></kop><al>De wet stelt dat in de gemeentelijke verordening eisen en
                                verplichtingen gesteld kunnen worden aan een TTO. In een
                                niet-limitatieve opsomming is aangegeven welke punten in ieder geval
                                in de verordening behandeld moeten worden (artikel 82b, zesde lid,
                                onderdeel a t/m j). De uitwerking van deze niet-limitatieve
                                opsomming is terug te vinden in dit artikel en in artikel 2.7. In
                                artikel 2.5 zijn de voorwaarden vastgelegd waaraan een TTO moet
                                voldoen om in aanmerking te komen voor een vergunning. Het niet
                                voldoen aan één van deze voorwaarden leidt in principe tot weigering
                                van de vergunning.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid</titel></kop><al>In het eerste lid staan basiseisen waar een TTO aan moet voldoen.
                                Het stellen van deze eisen waarborgt een minimale kwaliteit van alle
                                TTO's. </al><al>Ingevolge artikel 82b, zesde lid, onderdeel b, van de wet dient de
                                juridische verhouding tussen het bestuur van een TTO en de
                                vervoerders en de chauffeurs die hiervan deel uitmaken aangegeven te
                                worden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid onderdeel a</titel></kop><al>Onder a is vastgelegd dat een TTO een rechtspersoon moet zijn. Bij
                                een rechtspersoon is men niet hoofdelijk aansprakelijk, maar als
                                rechtspersoon. Hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ongewenst geacht
                                omdat de TTO als geheel aansprakelijk moet zijn (en zich
                                verantwoordelijk moet voelen) voor de consequenties die samenhangen
                                met hun handelen of nalaten. Er is voor gekozen verder geen
                                beperkingen op te leggen aan de aard van de rechtspersoon van een
                                TTO, zodat de markt dit zelf kan bepalen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b is vastgelegd dat een TTO een postadres moet hebben. Dit is
                                van belang, onder andere voor het kunnen indienen van klachten per
                                post en voor officiële communicatie van de gemeente aan de TTO.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid onderdeel c</titel></kop><al>Onder c is aangegeven uit hoeveel aangesloten chauffeurs een TTO
                                minimaal moet bestaan. Deze aangesloten chauffeurs zijn actief
                                werkzaam op de opstapmarkt in Amsterdam. Aangeslotenen die enkel de
                                bel- en contractmarkt bedienen vallen hier dus buiten. Het aantal
                                van 100 aangesloten chauffeurs is gekozen omdat dit zorgt voor een
                                optimale mix van overzicht voor de consument (herkenbaarheid) en
                                keuzevrijheid voor zowel consument als chauffeur. Een lager aantal
                                zou geen recht doen aan de grootte van de Amsterdamse opstapmarkt
                                (circa 3.000 chauffeurs) en een hoger aantal zou de drempel voor
                                beginnende TTO's te hoog maken. Verwacht wordt dat een minimumaantal
                                van 100 chauffeurs de ruimte geeft aan individuen om een TTO op te
                                zetten maar dat dit wel een flinke toetredingsdrempel is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid onderdeel d</titel></kop><al>Onder d is de bepaling opgenomen dat ook vervoerders, waar
                                aangesloten chauffeurs deel van uitmaken, zich bij een TTO moeten
                                aansluiten. Door deze verplichting op te leggen moeten zowel
                                chauffeurs als vervoerders op dezelfde wijze en uitgaande van
                                dezelfde normen en waarden, de kwaliteit van taxivervoer bevorderen.
                                Door het niet opnemen van deze eis zou een leemte kunnen ontstaan
                                tussen de verplichtingen waar de chauffeur aan moet voldoen
                                ingevolge het reglement van de TTO en de voorwaarden die de
                                vervoerder aan de chauffeur stelt. Ook de vervoerder mag, evenals de
                                aangesloten chauffeur, niet eveneens zijn aangesloten bij een andere
                                TTO die voorziet in het aanbieden van taxivervoer binnen de gemeente
                                Amsterdam. Dit is ter bevordering van de herkenbaarheid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid onderdeel e</titel></kop><al>Onder e is het minimum aantal voertuigen vastgelegd waarover de
                                aangeslotenen van de TTO gezamenlijk moeten kunnen beschikken. Voor
                                het aantal van 50 voertuigen is gekozen omdat dit in een redelijke
                                verhouding staat tot het opgelegde minimum aantal chauffeurs. </al><al>Deze auto's moet een TTO duurzaam ter beschikking hebben staan.
                                Hiermee wordt gewaarborgd dat de TTO niet slechts 50 kentekens heeft
                                geregeld om een vergunning aan te kunnen vragen, maar dat deze
                                auto's ook daadwerkelijk gebruikt worden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid onderdeel f</titel></kop><al>Onder f is aangegeven dat de TTO moet zijn ingeschreven bij de Kamer
                                van Koophandel, om er zeker van te zijn dat het een rechtspersoon
                                is. Het opgeven van het KvK nummer gebeurt via het
                                aanvraagformulier. Een bewijs hiervan hoeft niet te worden
                                overgelegd omdat deze gegevens door de gemeente zelf zijn na te
                                gaan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid onderdeel g</titel></kop><al>Onder g is vastgelegd dat een TTO een Verklaring Omtrent het Gedrag
                                voor Rechtspersonen (VOGrp) moeten overleggen. Dit is nodig om er
                                zeker van te zijn dat de bestuursleden van de TTO van onbesproken
                                gedrag zijn. Bij bestuursleden die niet door deze screening heen
                                komen, bestaat het risico dat zij niet kunnen voldoen aan de eisen
                                die gesteld worden om de kwaliteit van taxivervoer te
                                waarborgen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid onderdeel h</titel></kop><al>De eis onder h is bedoeld om te voorkomen dat bestuursleden die
                                eerder op een slechte wijze een TTO hebben geleid en die hierdoor
                                uiteindelijk van de markt zijn geweerd, binnen afzienbare tijd de
                                markt weer kunnen betreden. Dergelijke bestuursleden hebben er geen
                                blijk van gegeven de capaciteiten te hebben om de kwaliteit van
                                taxivervoer te kunnen waarborgen. Ook het opnieuw aanvragen van een
                                TTO-vergunning tijdens een lopende intrekkingsprocedure kan
                                consequenties hebben voor de afgifte van de vergunning. Uitzondering
                                hierop is de situatie dat door vergunninghouder om intrekking is
                                verzocht. In het geval zich de situatie zou voordoen dat een TTO,
                                vooruitlopend op een door de gemeente te initiëren
                                intrekkingsprocedure, zelf om intrekking verzoekt, kan de vergunning
                                geweigerd worden. De basis hiervoor is te vinden in artikel 2.6,
                                onderdeel c, waarin is bepaald dat, indien niet voldaan wordt of kan
                                worden voldaan aan de bij of krachtens artikel 2.7 gestelde eisen,
                                een vergunning geweigerd kan worden. Het (naar verwachting) niet
                                kunnen voldoen aan de in artikel 2.7, tweede lid, gestelde eis dat
                                bestuursleden en vertegenwoordigers van de TTO zich naar oordeel van
                                het college moeten gedragen op een wijze die de kwaliteit van
                                taxivervoer niet aantast, kan dus alsnog leiden tot weigering van de
                                vergunning.</al><al>De gemeente kan ervoor kiezen hierbij ook resultaten uit andere
                                gemeenten met groepsverplichtingen mee te wegen. In al deze
                                gemeenten is immers ook sprake van het moeten bijdragen aan de
                                kwaliteit van het taxivervoer.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 eerste lid onderdeel i</titel></kop><al>Hier is opgenomen dat de naam van de TTO voldoende onderscheidend
                                moet zijn van andere TTO's. Van belang is dat de consument
                                onderscheid kan maken tussen verschillende TTO's. Namen, dan wel
                                afkortingen, mogen dan niet te veel op elkaar lijken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 tweede lid</titel></kop><al>Het tweede lid regelt dat elke TTO een reglement over moet leggen
                                bij de aanvraag van een vergunning. De TTO heeft een zekere mate van
                                vrijheid in het invullen van dit reglement maar de gemeente stelt
                                wel minimumeisen hieraan. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 tweede lid onderdeel a</titel></kop><al>Met de onder a opgenomen bepaling moet de TTO in het reglement
                                vastleggen welke visie zij hebben ten aanzien van de kwaliteit van
                                taxivervoer en wat hun belangrijkste doelstellingen zijn. Door het
                                opnemen hiervan geeft een TTO aan waarom zij onderscheidend zijn van
                                een andere TTO en met welke instelling zij aan de kwaliteit van
                                taxivervoer willen werken. Dit geeft het college handvatten voor het
                                kunnen beoordelen van de in het reglement opgenomen afspraken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 tweede lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b is bepaald dat het reglement in ieder geval moet bestaan uit
                                vier protocollen: een normen- en waardenprotocol, een
                                klachtenprotocol, een internecontroleprotocol en een
                                maatregelenprotocol. Naast de verplichtingen genoemd in het
                                3<sup>e</sup> t/m het 7<sup>e</sup> lid kan het college nadere eisen
                                stellen aan de uitwerking van deze protocollen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 tweede lid onderdeel c</titel></kop><al>Onder c wordt de TTO verplicht aan te geven op welke wijze de TTO
                                gaat voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 2.7. Met
                                de uitwerking hiervan maakt de TTO inzichtelijk hoe de
                                verplichtingen uit de verordening en het reglement worden
                                geïmplementeerd en worden nageleefd. Dit is van belang om na te gaan
                                in hoeverre de TTO in staat is de verplichtingen uit artikel 2.7 uit
                                te voeren en om na te gaan in hoeverre de TTO daadwerkelijk werk kan
                                maken van kwaliteit.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 derde lid</titel></kop><al>Aan de uitwerking van het normen- en waardenprotocol worden minimale
                                eisen gesteld. Deze eisen zijn onderverdeeld in 5 categorieën. Deze
                                onderverdeling in categorieën komt overeen met de onderverdeling in
                                categorieën als genoemd in artikel 2.14 van de verordening. De
                                onderverdeling is bedoeld om prestaties van TTO's vergelijkbaar te
                                maken en overzichtelijk te kunnen presenteren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 derde lid onderdeel a</titel></kop><al>Onder a gaat het om de categorie ‘professionaliteit' en
                                herkenbaarheid voor de klant. Onder deze categorie vallen
                                gedragingen waarmee de chauffeur laat zien dat hij een professional
                                is in het beroep dat hij uitoefent en dat hij voldoende herkenbaar
                                is. Het gaat hierbij onder meer om voldoende talen- en
                                stratenkennis, herkenbaarheid en gedragingen in het algemeen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 derde lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b gaat het om de categorie ‘gedrag op of in de omgeving van de
                                standplaats'. De in deze categorie opgenomen gedragingen richten
                                zich specifiek op het gewenste gedrag van de chauffeur als deze
                                taxivervoer wil aanbieden vanaf een standplaats. Het gaat hierbij
                                onder meer om het niet hinderen of stremmen van verkeer op of in de
                                omgeving van de standplaats, het in acht nemen van het maximaal
                                aantal parkeervakken op de standplaats, het gebruik van de
                                standplaats, en het gedrag in het algemeen op of in de omgeving van
                                de standplaats.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 derde lid onderdeel c</titel></kop><al>Onder c gaat het om de categorie ‘acceptatie ritten en keuzevrijheid
                                consument'. Hierbij gaat het onder meer om het opnemen van de
                                vervoerplicht, het niet maken van vervoersafspraken, de consument
                                niet hinderen bij het kiezen van een taxi en het niet actief werven
                                van consumenten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 derde lid onderdeel d</titel></kop><al>Onder d gaat het om de categorie ‘veiligheid'. Het gaat hierbij om
                                de veiligheid van de consument, maar ook van medeweggebruikers en
                                andere betrokken personen (zoals handhavers en de taxigastheren op
                                de standplaatsen). Het gaat hierbij onder meer om verkeersveiligheid
                                maar ook om het gevoel van veiligheid ervaren door de consument of
                                andere betrokken personen gelet op het gedrag van de chauffeur.
                                Daarnaast is het essentieel dat de chauffeur beschikt over de
                                benodigde vergunningen (zoals de chauffeurskaart en de Amsterdamse
                                Taxxxivergunning, maar ook dat de chauffeur rijdt voor een
                                onderneming die beschikt over een geldige ondernemersvergunning.
                                Eveneens dient een chauffeur te allen tijde te beschikken over een
                                geldig rijbewijs.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 derde lid onderdeel e</titel></kop><al>Onder e gaat het om de categorie ‘berekenen ritprijs'. In deze
                                categorie gaat het onder meer om het berekenen van de wettelijk
                                geldende ritprijs en gedragingen ter bevordering hiervan zoals het
                                verstrekken van het ritbewijs na afloop van iedere rit.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vierde lid</titel></kop><al>In het vierde lid zijn de eisen voor het klachtenprotocol opgenomen.
                                Hierin moet de TTO in ieder geval in hoofdlijnen beschrijven wat het
                                belang is van klachten voor de TTO en hoe zij met klachten omgaat. </al><al>Het vastleggen van de onder a t/m e opgenomen bepalingen is
                                essentieel om bij audits of inspecties na te gaan of de klachten op
                                een deugdelijke wijze worden afgehandeld. </al><al>In de verordening is een aantal onderwerpen vastgelegd dat minimaal
                                terug moeten komen in het betreffende protocol. Het college kan
                                nadere eisen aan de uitwerking hiervan stellen en beoordeelt
                                uiteindelijk of de wijze waarop het protocol is opgesteld bijdraagt
                                aan de kwaliteit van taxivervoer. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vierde lid onderdeel a</titel></kop><al>De TTO is verplicht in het klachtenprotocol op te nemen dat klachten
                                worden geregistreerd en afgehandeld. De TTO kan ervoor kiezen zelf
                                de afhandeling van klachten en alles wat daarmee samenhangt uit te
                                voeren, maar zij kan het ook door een derde partij laten doen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vierde lid onderdeel b</titel></kop><al>In het klachtenprotocol zal opgenomen moeten worden dat de TTO en
                                haar aangeslotenen meewerken aan de afhandeling van klachten
                                binnengekomen via het Landelijk Klachtenmeldpunt Taxi of via de
                                gemeente. Deze medewerking is van groot belang omdat de consument
                                erop moet kunnen vertrouwen dat het de consument vrij staat om te
                                bepalen waar deze de klacht wenst in te dienen en hierdoor niet alle
                                klachten rechtstreeks bij de TTO zullen binnenkomen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vierde lid onderdeel c</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde onder c is de afhandeling van de klacht, maar
                                ook het sturen van een ontvangstbevestiging of het niet in
                                behandeling nemen van een klacht aan termijnen gebonden. Deze
                                termijnen moeten redelijk zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vierde lid onderdeel d</titel></kop><al>Onder d is vastgelegd dat de TTO eisen moet stellen aan de manier
                                waarop de inhoud van het klachtenprotocol bekend wordt gemaakt
                                binnen de taxi. Mogelijk dat dit via een folder of een verwijzing
                                naar de website van de TTO is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vierde lid onderdeel e</titel></kop><al>Onder e is vastgelegd dat de TTO aan kan geven welke klachten niet
                                in behandeling hoeven te worden genomen. Hierbij kan gedacht worden
                                aan klachten die niet voor de TTO bestemd zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vijfde lid</titel></kop><al>In het vijfde lid zijn de verplichtingen opgenomen ten aanzien van
                                het internecontroleprotocol. Dit protocol regelt de wijze waarop de
                                TTO de aangeslotenen controleert op naleving van de in het reglement
                                gestelde regels. </al><al>Het college beoordeelt of de wijze waarop de TTO hierop wil toezien
                                bijdraagt aan de kwaliteit van taxivervoer.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vijfde lid onderdeel a</titel></kop><al>Zo is onder a bepaald dat de TTO moet aangeven op welke wijze zij
                                inzichtelijk maakt hoe de noodzakelijke informatie verzameld wordt
                                om naleving van het reglement en de verordening te kunnen
                                controleren. Zo kan gedacht worden aan de wijze waarop de TTO zelf
                                mystery-guests inzet en onaangekondigde controles verricht. De TTO
                                krijgt op deze wijze zelf inzicht in de mate waarin de aangeslotenen
                                het reglement en de verordening naleven en of er al dan niet
                                aanvullende maatregelen getroffen moeten worden. De TTO is
                                eerstverantwoordelijke. Het internecontroleprotocol van de TTO laat
                                onverlet dat de gemeente zelf ook mystery-guests kan inzetten om de
                                aangesloten chauffeurs te controleren op naleving van reglement en
                                verordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vijfde lid onderdeel b</titel></kop><al>Bij het registreren van de gegevens van de interne controle dient
                                een onderverdeling gemaakt te worden naar de in het
                                maatregelenprotocol opgenomen prioriteiten en de overige
                                verplichtingen uit het reglement. Deze onderverdeling is gewenst
                                omdat de in het maatregelenprotocol opgenomen gedragingen een hogere
                                prioriteit hebben dan de overige verplichtingen en op deze wijze
                                direct inzichtelijk is wat de resultaten zijn van de interne
                                controle ten aanzien van deze prioriteiten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vijfde lid onderdeel c</titel></kop><al>Onder c is bepaald dat de TTO de frequentie van de controles moet
                                aangeven. Hierbij moet de TTO onderbouwd aangeven waarom de gekozen
                                frequentie leidt tot voldoende kwaliteit. Deze onderbouwing volgt
                                onder andere uit de door de TTO op te stellen risicoanalyse (onder
                                het zevende lid).</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vijfde lid onderdeel d</titel></kop><al>Ingevolge het bepaalde in het zevende lid moet een risicoanalyse
                                overgelegd worden. In het internecontroleprotocol moet tot
                                uitdrukking worden gebracht op welke wijze de in die risicoanalyse
                                geconstateerde risico's kunnen worden verkleind middels het
                                uitvoeren van interne controles.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vijfde lid onderdeel e</titel></kop><al>Hierin wordt de verplichting opgelegd de keuzes als genoemd onder b,
                                c en d te onderbouwen. Een onderbouwing is noodzakelijk omdat een
                                TTO op die wijze laat zien nagedacht te hebben over de gemaakte
                                keuzes en eventueel daaruit voorvloeiende consequenties.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vijfde lid onderdeel f</titel></kop><al>Onder f is opgenomen dat de TTO in ieder geval moet aangeven op
                                welke wijze deze haar aangeslotenen controleert op of in de omgeving
                                van de standplaatsen Centraal Station, Leidseplein, RAI, PTA en
                                Arena. Door toezicht van de gemeente en controle door de TTO op de
                                standplaatsen zou het voeren van capaciteitsbeleid niet meer nodig
                                moeten zijn. Gelet hierop is het essentieel dat de TTO aangeeft op
                                welke wijze zij dan hun controles gaan doen. De in het convenant als
                                bedoeld in artikel 2.8, opgenomen afspraken maken hier onlosmakelijk
                                onderdeel van uit. TTO's die niet op de standplaatsen Centraal
                                Station en Leidseplein mogen rijden, omdat zij dit convenant niet
                                hebben getekend, hoeven in hun reglement niet aan te geven op welke
                                wijze de controles op de standplaatsen Centraal Station en
                                Leidseplein plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 vijfde lid onderdeel g</titel></kop><al>In het internecontroleprotocol moet ook worden vastgelegd op welke
                                wijze de bevindingen worden gedeeld met de aangeslotenen, de
                                auditorganisatie en het college. Het delen van de uitkomsten met het
                                college is niet vrijblijvend: de gemeente moet te allen tijde de
                                uitkomsten in kunnen zien om te kunnen beoordelen of de TTO en haar
                                aangeslotenen naar behoren functioneren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zesde lid</titel></kop><al>In het zesde lid wordt voorgeschreven welke onderwerpen minimaal in
                                het maatregelenprotocol opgenomen moeten worden. Daarbij zal de
                                invulling van de maatregelen opgelegd door de TTO aan aangeslotenen,
                                moeten bijdragen aan de bevordering van de kwaliteit van
                                taxivervoer. Dit moet worden onderbouwd, o.a. aan de hand van de
                                risicoanalyse genoemd in lid 7. De TTO is primair verantwoordelijk
                                voor de bevordering van de kwaliteit van taxivervoer en kan dit
                                bewerkstelligen door het opleggen van maatregelen gesteld in het
                                maatregelenprotocol. Afhankelijk van de aard van de overtreding en
                                de door de TTO opgelegde maatregel, kan het college eveneens
                                besluiten de individuele chauffeur te sanctioneren. Het is wenselijk
                                dat de maatregelen van de TTO's niet te veel van elkaar gaan
                                afwijken. Een indicatie van de gelijkwaardigheid van deze
                                maatregelen kan door het college worden gegeven in een
                                voorbeeldmaatregelenprotocol. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zesde lid onderdeel a</titel></kop><al>Onder a is vastgelegd dat alle normen- en waarden opgenomen in het
                                normen- en waardenprotocol, terug moeten komen in het
                                maatregelenprotocol met daarbij de door de TTO op te leggen
                                maatregel in het geval een van die normen of waarden wordt
                                geschonden. Daarbij is het van belang dat een relatie gelegd wordt
                                tussen de risicoanalyse en de op te nemen maatregelen. De in de
                                risicoanalyse geconstateerde risico's moeten daarbij door de zwaarte
                                van de op te nemen maatregelen, verkleind worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zesde lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b is aangegeven dat er een termijn gesteld moet worden voor
                                het beslissen op een geconstateerde overtreding. Deze termijn moet
                                redelijk zijn met het oog op het bevorderen van de kwaliteit van
                                taxivervoer. Het uitblijven van een beslissing of het pas na enige
                                tijd opleggen van een maatregel heeft mogelijk tot gevolg dat het
                                gewenste effect op het gedrag van de chauffeur zal uitblijven.
                                Tevens zal de periode waarbinnen de maatregel wordt opgelegd in het
                                protocol tot uitdrukking moeten komen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zesde lid onderdeel c</titel></kop><al>Onder c is bepaald dat de TTO moet beschrijven hoe een beslissing is
                                genomen over een maatregel. Bij het nemen van een beslissing moet de
                                TTO rekening houden met de aard van de overtreding en het verleden
                                van de chauffeur.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zesde lid onderdeel d</titel></kop><al>Onder d is bepaald dat de TTO in het maatregelenprotocol moet
                                aangeven op welke wijze zij controleert op de uitvoering van de
                                opgelegde maatregel. Dit is van belang om inzichtelijk te maken dat
                                de TTO kan voldoen aan de onder artikel 2.7 opgelegde
                                verplichtingen. Een auditorganisatie kan hierop controleren bij het
                                auditen van een TTO. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zevende lid</titel></kop><al>Het zevende lid stelt verplicht dat een risicoanalyse overgelegd
                                moet worden ten behoeve van het internecontroleprotocol en het
                                maatregelenprotocol. Een risicoanalyse is een methode waarbij nader
                                benoemde risico's worden gekwantificeerd door het bepalen van de
                                kans dat een dreiging zich voordoet en de gevolgen daarvan.</al><al>Op grond van een risicoanalyse kunnen de volgende maatregelen worden
                                genomen:</al><lijst><li nr="•"><al>preventie: het voorkomen dat iets gebeurt of het verminderen
                                        van de kans dat het gebeurt; </al></li><li nr="•"><al>repressie: het beperken van de schade wanneer een bedreiging
                                        optreedt; </al></li><li nr="•"><al>correctie: het instellen van maatregelen die worden
                                        geactiveerd zodra iets is gebeurd om het effect hiervan
                                        (deels) terug te draaien; </al></li><li nr="•"><al>acceptatie: geen maatregelen, men accepteert de kans en het
                                        mogelijke gevolg van een bedreiging. Als dit naar oordeel
                                        van het college leidt tot aantasting van de kwaliteit van
                                        het taxivervoer, dan kan het college ervoor kiezen het
                                        reglement af te keuren. </al></li></lijst><al>De bedoeling van een risicoanalyse is dat er na de analyse wordt
                                vastgesteld op welke wijze de risico's beheerst kunnen worden, of
                                teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau.</al><al>Aan de risicoanalyse worden minimale eisen gesteld omdat hiermee het
                                risico dat de risicoanalyse slecht onderbouwd is, kleiner wordt. De
                                risicoanalyse is aan de hand hiervan beter objectief te beoordelen.
                                Bovendien zijn hiermee de risicoanalyses van de verschillende TTO's
                                onderling goed vergelijkbaar.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zevende lid onderdeel a</titel></kop><al>De onder a gestelde eis verplicht de TTO inzichtelijk te maken welke
                                risicofactoren in de TTO groot genoeg zijn om daar extra aandacht
                                voor te hebben. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan de specifieke
                                samenstelling van de TTO, de mogelijke gerichtheid van aangeslotenen
                                op specifieke standplaatsen of specifieke omstandigheden, zoals
                                openbaarvervoerstakingen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zevende lid onderdeel b</titel></kop><al>De onder b gestelde eis verplicht de TTO per gedraging inzichtelijk
                                te maken of hier voor de TTO een verhoogd risico ligt. Een voorbeeld
                                is de situatie dat TTO-chauffeurs volledig afhankelijk zijn van de
                                opstapmarkt, waardoor wellicht het risico op ritweigeringen groter
                                is, omdat alleen de lucratieve ritten vanaf de standplaats gereden
                                worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zevende lid onderdeel c</titel></kop><al>De onder c gestelde eis verplicht de TTO inzichtelijk te maken of er
                                bepaalde risicotijden zijn waarop er een groter risico is dat
                                aangeslotenen zich niet aan de verplichtingen van de verordening en
                                het reglement houden. De controles en de preventie van de TTO zouden
                                zich dan hierop moeten richten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zevende lid onderdeel d</titel></kop><al>De onder d gestelde eis verplicht de TTO inzichtelijk te maken of er
                                bepaalde locaties zijn waar er een groter risico is dat
                                aangeslotenen zich niet aan de verplichtingen van de verordening en
                                het reglement houden. De controles en de preventie van de TTO zouden
                                zich dan hierop moeten richten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 zevende lid onderdeel e</titel></kop><al>In dit onderdeel is opgenomen dat de TTO, naast de in het
                                maatregelenprotocol en het internecontroleprotocol genoemde
                                risicobeperkingen, nog moet aangeven op welke andere wijze zij meent
                                de risico's nog meer te kunnen beperken. Hierbij kan gedacht worden
                                aan preventie of het voeren van ‘functioneringsgesprekken' met de
                                aangeslotenen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 achtste lid</titel></kop><al>Het achtste lid geeft het college de mogelijkheid nadere regels te
                                stellen aan het reglement en de risicoanalyse. Dit kan nodig zijn
                                als blijkt dat op een aantal punten de TTO's toch de kwaliteit van
                                taxivervoer aantasten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.5 negende en tiende lid</titel></kop><al>In het negende en tiende lid van dit artikel is de mogelijkheid voor
                                het college opgenomen dat voor TTO's met alleen voertuigen zonder
                                directe uitstoot van schadelijke stoffen (zoals NO2, fijnstof en
                                CO2) andere toelatingseisen gelden ten aanzien van het aantal
                                aangesloten chauffeurs en voertuigen. Dit is in afwijking van de
                                standaardregel dat een TTO uit 100 chauffeurs en 50 voertuigen moet
                                bestaan. De overweging hiervoor is dat de taxibranche als geheel er
                                baat bij heeft dat innovatieve en milieuvriendelijke alternatieven
                                toch tot de opstapmarkt kunnen toetreden. Hierdoor neemt de
                                keuzevrijheid van de klant toe en krijgt de taxibranche een beter
                                imago. Bovendien zou een te hoge drempel voor TTO's met voertuigen
                                zonder directe uitstoot van schadelijke stoffen schade toebrengen
                                aan de verbeteringen van de luchtkwaliteit in Amsterdam. Een
                                generieke verlaging van het aantal chauffeurs en voertuigen voor
                                alle TTO's zou ervoor zorgen dat de optimale mix, als genoemd in lid
                                1 onder c, er niet meer is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.6 Bijzondere weigeringsgronden
                                    TTO-vergunning</titel></kop><al>Onder a tot en met c zijn weigeringsgronden opgesomd op basis
                                waarvan het college de vergunning kan weigeren. Er is sprake van een
                                discretionaire bevoegdheid van het college.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.6 onderdeel a</titel></kop><al>Onder a is aangegeven dat er sprake is van een weigeringsgrond
                                indien niet voldaan wordt of kan worden voldaan aan de eisen gesteld
                                bij of krachtens artikel 2.5. Dit geldt dus voor zowel de eisen uit
                                artikel 2.5 als voor de eventuele nadere eisen die door het college
                                aan het reglement zijn gesteld (ingevolge het achtste lid van
                                artikel 2.5). Dit betekent bijvoorbeeld dat de vergunning onder meer
                                geweigerd kan worden in het geval uit de aanvraag blijkt dat de TTO
                                niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of bij de aanvraag
                                een reglement over wordt gelegd welke niet voldoet aan een van de
                                bij of krachtens artikel 2.5, tweede tot en met het achtste lid,
                                minimaal gestelde eisen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.6 onderdeel b</titel></kop><al>Dit artikellid betreft een weigeringsgrond op basis van de inhoud
                                van het reglement van de TTO. Indien de TTO voldoet aan de minimaal
                                gestelde eisen (en de weigeringsgrond van artikel 2.6, onderdeel a,
                                dus niet van toepassing is), heeft de TTO bij de verdere invulling
                                van het reglement een bepaalde mate van vrijheid. Mocht blijken dat
                                het reglement en/of de daarin opgenomen protocollen zodanig zijn dat
                                zij onvoldoende garanties geven voor het waarborgen van de kwaliteit
                                van taxivervoer, dan kan de vergunning op basis van artikel 2.6,
                                onderdeel b, afgewezen worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.6 onderdeel c</titel></kop><al>Onder cis de mogelijkheid opgenomen de vergunning te weigeren indien
                                op voorhand duidelijk is dat niet voldaan wordt of
                                    <cursief>kan</cursief> worden voldaan aan de in artikel 2.7
                                gestelde verplichtingen. Het is wenselijk een dergelijke bepaling op
                                te nemen omdat het verlenen van een vergunning waarvan op voorhand
                                al duidelijk is dat de voorschriften niet zullen worden nageleefd,
                                onwenselijk is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 Verplichtingen voor een TTO met
                                    vergunning</titel></kop><al>In artikel 2.7 is vastgelegd waar een TTO aan moet voldoen, als de
                                vergunning eenmaal verleend is. Samen met artikel 2.5 vormt dit alle
                                eisen en verplichtingen waaraan een TTO moet voldoen. Hiermee wordt
                                voldaan aan de verplichtingen die de wet ingevolge het bepaalde in
                                artikel 82b Wp 2000 oplegt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid</titel></kop><al>Het eerste lid regelt een aantal verplichtingen voor de TTO die
                                nodig zijn om het systeem van groepsvorming goed te laten
                                functioneren. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel a</titel></kop><al>Onder a is vastgelegd dat een TTO voor het bevoegd gezag en derden
                                altijd bereikbaar moet zijn. Dit is bijvoorbeeld nodig om in het
                                geval van calamiteiten contact met de TTO op te kunnen nemen en
                                zodoende benodigde informatie op te kunnen vragen. Een dergelijke
                                bereikbaarheid zou bereikt kunnen worden door het invoeren van
                                piketdiensten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b staat de verplichting dat de TTO ervoor zorgt dat
                                aangeslotenen een daklicht en informatiekaart gebruiken welke
                                voldoen aan de door het college te stellen eisen. Dit kan op
                                verschillende manieren. Zo kan de TTO zelf voorzien in daklichten en
                                deze verstrekken aan de chauffeurs, of de TTO kan de aangeslotenen
                                toestemming geven zelf een daklicht bij een fabrikant te bestellen.
                                In ieder geval moet zowel het daklicht als de informatiekaart
                                voldoen aan de door het college te stellen eisen.</al><al>Tevens draagt de TTO er zorg voor dat het daklicht en de
                                informatiekaart ingenomen worden in het geval de Taxxxivergunning is
                                geschorst, vervallen of ingetrokken. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel c</titel></kop><al>Onder c staat opgenomen dat een TTO moet weten waar een aangesloten
                                chauffeur op welk tijdstip is en dat een TTO deze informatie in het
                                geval van klachten, calamiteiten of op verzoek van de gemeente over
                                kan leggen. Dit is van belang voor het kunnen traceren van een
                                aangesloten chauffeur bij klachten of overtredingen die zijn
                                gemaakt. Een chauffeur moet al getraceerd kunnen worden als
                                duidelijk is bij welke TTO deze hoort maar ook enkel op bijvoorbeeld
                                een kenteken. Kenmerken van het voertuig moeten voor de TTO ook
                                kunnen leiden tot een match. Zonder deze verplichting is het voor
                                zowel TTO als gemeente niet mogelijk de kwaliteit van het
                                taxivervoer te bewaken. Het staat de TTO vrij te kiezen op welke
                                wijze zij de informatie verkrijgt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel d</titel></kop><al>De verplichte aansluiting bij een geschillencommissie, als genoemd
                                onder d, is opgenomen omdat de Wp 2000 er niet in voorziet dat een
                                TTO als organisatie verplicht is een geschillencommissie te hebben.
                                Dit heeft echter wel een meerwaarde in het geval de
                                klachtafhandeling naar het oordeel van de consument niet naar
                                tevredenheid is. Een geschil volgt in principe op een klacht, als
                                deze klacht niet naar tevredenheid is afgedaan. Een uitspraak over
                                een geschil is bindend. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel e</titel></kop><al>Op basis van het bepaaldeonder e moet de TTO aangeven welke
                                natuurlijke personen het bestuur vormen, wie er aanspreekpunt is en
                                wie de voordvoerder is. Het actief verstrekken van actuele
                                informatie van de bestuursleden is van belang omdat deze
                                bestuursleden op voorhand, maar ook gedurende de looptijd van de
                                vergunning gescreend moeten kunnen worden op hun gedrag. Het
                                aangeven van een aanspreekpunt is van belang omdat het voor de
                                gemeente duidelijk moet zijn welke persoon als contactpersoon
                                fungeert. De woordvoerder is een gemachtigde van de TTO die tevens
                                bevoegd is om uitspraken te kunnen doen namens de TTO.</al><al>In alle gevallen is het van belang dat de gemeente erop moet kunnen
                                vertrouwen dat gesproken wordt met iemand die in de betreffende
                                situatie de bevoegdheid heeft om namens de TTO te spreken. Het
                                aanspreekpunt en de woordvoerder kunnen één en dezelfde persoon
                                zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel f</titel></kop><al>Onder f staan de minimale registratievereisten voor een TTO. Daarbij
                                gaat het om het registreren van relevante gegevens met betrekking
                                tot de TTO zelf, de aangeslotenen, auto's en ritten. Het college kan
                                in nadere regels specificeren welke zaken nodig zijn. Deze
                                registratie is van groot belang, omdat onder andere aan de hand
                                hiervan de TTO gecontroleerd kan worden of de opgelegde regels goed
                                worden uitgevoerd. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel g</titel></kop><al>Onder g wordt het reglement nogmaals genoemd maar nu als
                                voorschrift. Dit voorschrift regelt dat het reglement, dat ingevolge
                                het tweede lid van artikel 2.5 verplicht is gesteld, ook
                                daadwerkelijk wordt nageleefd, zowel door de TTO als door de
                                aangeslotenen. Niet-naleving van het reglement kan door het college
                                worden gesanctioneerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel h</titel></kop><al>Onder h is opgenomen dat een TTO continu moet zorgen voor het
                                optimaliseren van straten- en talenkennis. Verwacht wordt dat de TTO
                                een actieve rol vervult ten aanzien van het bewerkstelligen van een
                                goede straten- en talenkennis bij de aangeslotenen. Het wordt verder
                                aan de TTO overgelaten hoe dit wordt bewerkstelligd. Vooralsnog
                                stelt de gemeente geen extra eisen aan deze opleidingen, met
                                uitzondering van de opleiding die gevolgd moet worden (CCV
                                certificaat) om een ontheffing lijnbusbaan/-strook te kunnen
                                verkrijgen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel i</titel></kop><al>Onder i is de eis opgenomen dat wijziging van gegevens ten opzichte
                                van de gegevens die bij de aanvraag zijn ingediend meteen aan het
                                college moeten worden doorgegeven. Het stellen van deze eis is van
                                belang omdat het wijzigingen in de oorspronkelijke gegevens ertoe
                                zou kunnen leiden dat niet meer voldaan wordt aan één van de
                                criteria genoemd in artikel 2.5. Het college moet de mogelijkheid
                                hebben om dit na te gaan. Dit betekent ook dat ingevolge dit lid
                                nieuw aangesloten chauffeurs bij de gemeente aangemeld moeten worden
                                en op verzoek een afschrift van de overeenkomst overgelegd kan
                                worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel j</titel></kop><al>Onder jis vastgelegd dat de TTO ervoor moet zorgen dat aangeslotenen
                                een ritbewijs aan de consument kunnen verstrekken waar naam en
                                contactgegevens van de TTO op staan. De plicht tot het verstrekken
                                van een ritbewijs is al vastgelegd in de landelijke ‘Regeling
                                maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer'. Deze bepaling
                                is in aanvulling op de landelijke regelgeving en draagt bij aan de
                                herkenbaarheid en herleidbaarheid van chauffeurs.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel k</titel></kop><al>De TTO moet periodiek aan het college verantwoording afleggen over
                                haar prestaties. Aan deze rapportages en de frequentie waarmee deze
                                moeten worden overgelegd kunnen nadere eisen worden gesteld door het
                                college. Deze rapportages moeten het college nader inzicht
                                verschaffen in de TTO en haar aangeslotenen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 eerste lid onderdeel l</titel></kop><al>Onder l is opgenomen dat TTO's verplicht zijn om binnen de
                                organisatie audits te laten uitvoeren. Een audit is bedoeld om na te
                                gaan of een TTO de reglementen op orde heeft en of de processen
                                binnen de TTO uitgevoerd worden conform het reglement. Het college
                                kan hieromtrent nadere eisen stellen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 tweede lid</titel></kop><al>Het tweede lid bepaalt dat, indien naar het oordeel van het college,
                                het gedrag van bestuursleden en vertegenwoordigers de kwaliteit van
                                taxivervoer aantast, dit consequenties kan hebben voor de
                                TTO-vergunning. Hun handelen moet getuigen van professionaliteit.
                                Ongepast gedrag van hun kant betekent dat de kwaliteit van
                                taxivervoer mogelijk onvoldoende gewaarborgd is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 derde lid</titel></kop><al>Het derde lid regelt dat alle aangeslotenen zich privaatrechtelijk
                                binden aan de regels van de TTO. Hierdoor wordt gewaarborgd dat de
                                TTO zich als primair verantwoordelijke voor het gedrag van de
                                aangeslotenen opstelt. De TTO kan maatregelen opleggen indien
                                aangeslotenen zich niet houden aan het reglement. De gemeente
                                controleert in eerste instantie de TTO maar kan de TTO ook
                                aanspreken op het gedrag van de aangesloten chauffeurs.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 vierde lid</titel></kop><al>Het vierde lid regelt dat de TTO te allen tijde informatie verstrekt
                                die naar oordeel van het college nodig is voor het uitoefenen van
                                toezicht. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan gegevens over
                                de locatie van een aangesloten chauffeur op een bepaald tijdstip
                                maar ook aan constateringen van ernstige overtredingen. Het niet
                                voldoen aan deze eis kan leiden tot sancties voor de TTO.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 vijfde lid</titel></kop><al>Het vijfde lid ligt in het verlengde van het vorige lid, met dien
                                verstande dat de TTO op eigen initiatief onverwijld actuele
                                informatie verstrekt aan de gemeente. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 vijfde lid onderdeel a</titel></kop><al>Zo moet ingevolge het bepaalde onder a de gemeente op de hoogte zijn
                                van veranderingen aan de voorgeschreven kenmerken van daklichten, om
                                te voorkomen dat er chauffeurs van verschillende TTO's rondrijden
                                met daklichten die nauwelijks te onderscheiden zijn. Tevens is het
                                in het kader van handhaving van belang dat de handhavers op de
                                hoogte zijn door welke TTO's taxivervoer wordt aangeboden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 vijfde lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b wordt gewaarborgd dat het college te allen tijde actuele
                                adresgegevens en telefoonnummers van aangeslotenen heeft. Dit is
                                onder meer nodig om in geval van calamiteiten actie te kunnen
                                ondernemen en officiële correspondentie naar het juiste adres te
                                sturen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 vijfde lid onderdeel c</titel></kop><al>De actualiteit van de aanspreekpunten van een TTO is eveneens van
                                belang, gezien het belang dat de gemeente zekerheid moet hebben dat
                                zij afspraken maakt met de juiste, daartoe bevoegde persoon van de
                                TTO.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 vijfde lid onderdeel d</titel></kop><al>Onder d is vastgelegd dat de TTO wijzigingen in het reglement in
                                ieder geval moet doorgeven aan het college. De voorgestelde
                                wijzigingen moeten de kwaliteit van taxivervoer voldoende
                                waarborgen. Uit artikel 2.10 eerste lid onder c volgt dat deze
                                wijzigingen moeten worden goedgekeurd door het college.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.7 zesde lid</titel></kop><al>Het zesde lid geeft de mogelijkheid aan het college nadere regels te
                                stellen over de opleidingseisen waar chauffeurs aan moeten voldoen.
                                Dit heeft een relatie met het eerste lid onderdeel h, waar de TTO
                                zelf actief de opleidingen moet regelen. Mocht blijken dat een TTO
                                hier onvoldoende werk van maakt, dan kan het college ervoor kiezen
                                zelf eisen te stellen om de kwaliteit van taxivervoer te
                                waarborgen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.8 Overige verplichtingen</titel></kop><al>Om aangeslotenen taxivervoer aan te kunnen laten bieden in Amsterdam
                                kan de verplichting opgenomen worden een overeenkomst met het
                                college af te sluiten over de wijze waarop de TTO's toezien op de
                                aangeslotenen in de gebieden C en D (de standplaatsen CS en
                                Leidseplein en omgeving). Op deze wijze wordt gewaarborgd dat een
                                TTO investeert in bevorderen van de kwaliteit van taxivervoer op
                                deze standplaatsen. Een aantal onderwerpen dat in de overeenkomst
                                nader omschreven moet worden is dwingend voorgeschreven. Indien de
                                TTO de gemaakte afspraken niet nakomt, kan besloten worden de
                                overeenkomst te ontbinden. Daardoor hebben de aangeslotenen van die
                                TTO ook geen recht meer om taxivervoer aan te bieden in Amsterdam.
                                In het artikel is de term ‘in ieder geval' opgenomen. Dit betekent
                                dat de overeenkomst op meer betrekking kan hebben dan alleen de
                                gebieden C en D.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.8 onderdeel a</titel></kop><al>Hier is bepaald dat in de overeenkomst tot uitdrukking moet komen op
                                welke wijze de TTO zal toezien op de aangeslotenen. Gedacht kan
                                worden aan bijvoorbeeld de inzet van eigen personeel, ingehuurd
                                personeel, of het verstrekken van een financiële tegemoetkoming
                                zodat anderen de aangeslotenen kunnen controleren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.8 onderdeel b</titel></kop><al>Door deze bepaling in de overeenkomst op te nemen zijn de TTO's
                                verplicht erop toe te zien dat het maximaal aantal toegestane taxi's
                                op de standplaatsen CS en Leidseplein niet wordt overschreden. De
                                bepaling stelt echter dat TTO's ook preventieve maatregelen moeten
                                nemen om te voorkomen dat er te veel chauffeurs op deze
                                standplaatsen en omgeving komen. Dit is van belang omdat er onder de
                                regeling van dit artikel geen sprake meer zal zijn van
                                capaciteitsbeleid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.8 onderdeel c</titel></kop><al>Het opnemen van deze inspanningsverplichting in de overeenkomst
                                heeft tot doel dat het op de betreffende standplaatsen aangeboden
                                taxivervoer kwalitatief kan worden verbeterd. Deze standplaatsen
                                zijn het visitekaartje van de stad. Toeristen en overige personen
                                die gebruik maken van taxivervoer moeten weer het vertrouwen krijgen
                                in de kwaliteit van het op deze standplaatsen aangeboden
                                taxivervoer. Daarvoor is het nodig de beste chauffeurs dit
                                taxivervoer aan te laten bieden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.9 Looptijd TTO-vergunning</titel></kop><al>De looptijd van een vergunning is in dit artikel op drie jaar
                                gesteld. Gelet op het feit dat de situatie met TTO's voor zowel de
                                markt als de gemeente nieuw is en gelet op de met de vergunning
                                gepaard gaande administratieve lasten is voor deze periode gekozen.
                                Het is onvermijdelijk dat er een situatie komt die vraagt om
                                aanpassing van de regelgeving. De verwachting is echter dat het een
                                aantal jaar zal duren voordat inzichtelijk is op welke punten de
                                regelgeving aangepast moet worden. Het college krijgt de
                                mogelijkheid van de looptijd van drie jaar af te wijken. Het zou ook
                                kunnen dat in individuele gevallen besloten wordt tot het stellen
                                van een kortere (of langere) looptijd. Het ligt in de lijn der
                                verwachting dat op termijn en bij gebleken goede evaluaties de
                                vergunningen een langere looptijd krijgen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.10 Bijzondere gronden voor wijziging, schorsing of
                                    intrekking TTO-vergunning</titel></kop><al>Dit artikel regelt dat het college een vergunning kan wijzigen
                                (bijvoorbeeld aanscherpen van voorschriften), schorsen (voor een
                                bepaalde duur intrekken) of intrekken (definitief intrekken, zonder
                                terugwerkende kracht). Ingevolge het vijfde lid van artikel 82b Wp
                                2000 zijn eveneens artikel 6, vierde en vijfde lid, en artikel 99,
                                eerste lid, onderdeel c, en tweede lid van overeenkomstige
                                toepassing (Wet Bibob).</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.10 eerste lid onderdeel a</titel></kop><al>In het eerste lid, onder a, is geregeld dat hier sprake van is als
                                niet meer voldaan wordt of kan worden voldaan aan de eisen gesteld
                                in artikel 2.5. Alleen onderwerpen waarvan de gemeente heeft
                                aangegeven dat zij relevant zijn voor het optimaliseren van de
                                kwaliteit van taxivervoer, worden betrokken bij de afweging om te
                                schorsen, wijzigen of intrekken. Zo zal een door de TTO ingevoerde
                                regel (bijvoorbeeld het dragen van stropdassen) bij overtreding
                                nooit kunnen leiden tot wijziging, schorsing of intrekking door de
                                gemeente.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.10 eerste lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b gaat het om de situatie dat niet meer voldaan wordt of kan
                                worden voldaan aan de eisen gesteld in artikel 2.7. Het niet meer
                                kunnen voldoen aan een of meerdere voorschriften kan leiden tot
                                wijziging, schorsing of intrekking van de vergunning. In het geval
                                er sprake is van schorsing of intrekking, is er niet sprake van een
                                bestraffende sanctie maar van een noodzakelijke maatregel omdat de
                                vergunning niet in de huidige vorm in stand kan blijven.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.10 eerste lid onderdeel c</titel></kop><al>De onder c opgenomen bepaling heeft tot doel een vergunning te
                                kunnen wijzigen, schorsen of intrekken in het geval de TTO het
                                reglement zodanig wijzigt dat deze naar oordeel van het college
                                onvoldoende garanties geeft voor het waarborgen van de kwaliteit van
                                taxivervoer. Om het risico op intrekking van de vergunning te
                                voorkomen zal een wijziging van het reglement daarom dus altijd op
                                voorhand moeten worden voorgelegd aan het college.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.10 tweede lid</titel></kop><al>In het tweede lid is vastgelegd dat, in het geval een TTO onder het
                                minimum aantal aangesloten chauffeurs of beschikbare auto's komt,
                                het college de TTO gedurende een bepaalde periode in de gelegenheid
                                kan stellen alsnog te voldoen aan de ingevolge artikel 2.5, eerste
                                lid, onderdeel c en e opgelegde verplichting. Deze bepaling is
                                opgenomen om te voorkomen dat een TTO die tijdelijk onder de 100
                                aangesloten chauffeurs of 50 beschikbare auto's terecht komt, meteen
                                van de markt af moet.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.11 Maatregelen</titel></kop><al>De mogelijkheid voor het college om maatregelen op te leggen, anders
                                dan bedoeld als sanctie, is geregeld in dit artikel.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.11 eerste lid onderdeel a</titel></kop><al>De mogelijkheid om de TTO te verplichten een uitgebreidere audit uit
                                te laten voeren is geregeld in het eerste lid. Met een uitgebreidere
                                audit krijgt het college meer zekerheid over de prestaties van de
                                TTO.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.11 eerste lid onderdeel b</titel></kop><al>Het gevraagde verbeterplan zal aan het college voorgelegd worden
                                zodat bekeken kan worden of daarmee het gewenste effect, het
                                tegengaan van de geconstateerde problemen, kan worden bereikt. Het
                                niet conform uitvoeren van de acties in het verbeterplan, kan leiden
                                tot nadere maatregelen of sancties.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.11 tweede lid</titel></kop><al>Uitsluiting tot één of meer gebieden moet, evenals voorgaande
                                maatregelen, ertoe bijdragen dat de TTO erop toeziet dat haar
                                aangeslotenen uiteindelijk de gewenste kwaliteit van taxivervoer
                                gaan leveren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Paragraaf 4 Taxxxivergunning</titel></kop><al>Ingevolge het bepaalde in het derde lid van artikel 82b Wp 2000
                                worden bij gemeentelijke verordening regels gesteld over de eisen
                                aan en de verplichtingen van vervoerders en bestuurders van de in
                                het eerste lid van artikel 82b Wp 2000 bedoelde auto's.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 Toelatingseisen chauffeur</titel></kop><al/><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 eerste lid</titel></kop><al>Onder het eerste lid is vastgelegd aan welke eisen een chauffeur
                                moet voldoen om in aanmerking te komen voor een Taxxxivergunning.
                            </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 eerste lid onderdeel a</titel></kop><al>Onder a is geregeld dat een chauffeur over een geldig rijbewijs moet
                                beschikken. Het aanvragen van een Taxxxivergunning met een
                                geschorst, ingetrokken, ingehouden of ingenomen rijbewijs is dus
                                niet mogelijk. In principe zou volstaan kunnen worden met een
                                afschrift van een rijbewijs. Het college zal echter in het geval van
                                twijfel over de juistheid van het document kunnen verlangen dat de
                                chauffeur het originele rijbewijs toont.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 eerste lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b is opgenomen dat een chauffeur over een geldige
                                chauffeurskaart beschikt. Hiermee wordt voorkomen dat een
                                niet-taxichauffeur of een taxichauffeur met een geschorste
                                landelijke chauffeurskaart in aanmerking zou kunnen komen voor een
                                Taxxxivergunning. Ook hier zou in principe volstaan kunnen worden
                                met een afschrift, waarbij in geval van twijfel verzocht zal worden
                                om het origineel. Overigens wordt in die gevallen waar de chauffeur
                                nog niet beschikt over een chauffeurskaart, ook de chauffeurspas
                                bedoeld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 eerste lid onderdeel c</titel></kop><al>Onder c is geregeld dat een chauffeur bij indiening van de aanvraag
                                voor een Taxxxivergunning beschikt over een Amsterdams CCV
                                certificaat (dan wel SVON-certificaat). Met het overleggen van een
                                afschrift van dit certificaat kan tegelijkertijd met het aanvragen
                                van de Taxxxivergunning de ontheffing medegebruik
                                lijnbusbaan/-strook voor taxi's (TBO) aangevraagd worden. Deze
                                ontheffing is noodzakelijk om de consument goed te kunnen bedienen.
                                Zonder deze ontheffing zal namelijk eerder omgereden moeten worden
                                hetgeen de consument onnodig op kosten jaagt. Een kopie van het
                                certificaat is in principe voldoende, waarbij het college in geval
                                van twijfel alsnog kan vragen om het origineel.</al><al>In het geval er sprake is van een situatie dat de Taxxxivergunning
                                geweigerd wordt kan - afhankelijk van de weigeringsgrond voor de
                                Taxxxivergunning - nog steeds een TBO worden aangevraagd. De
                                chauffeur kan dan weliswaar geen taxivervoer aanbieden op de
                                Amsterdamse opstapmarkt (in de aangewezen gebieden), maar kan de TBO
                                wel gebruiken indien hij op de bel- en/of contractmarkt wil
                                werken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 eerste lid onderdeel d</titel></kop><al>Onder d is vastgelegd dat de vervoerder waar de chauffeur voor rijdt
                                een geldige ondernemersvergunning moet hebben. Dit is om zekerheid
                                te hebben dat de chauffeur zich heeft aangesloten bij een
                                goedgekeurde vervoerder.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 eerste lid onderdeel e</titel></kop><al>Onder e is de eis opgenomen dat een chauffeur zich bij een TTO moet
                                hebben aangesloten, die in het bezit is van een geldige
                                TTO-vergunning. Deze aansluiting kan op verschillende manieren
                                plaats vinden. Zo zou er sprake van kunnen zijn dat aangeslotene een
                                lid of werknemer is van de TTO, of een overeenkomst met de TTO is
                                aangegaan. Afhankelijk van de rechtsvorm is de juridische
                                constructie anders. In alle gevallen zal de TTO echter aangesproken
                                worden op het gedrag van de aangeslotene. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 eerste lid onderdeel f</titel></kop><al>De onder f opgenomen vaste woon- of verblijfplaats is noodzakelijk
                                ten behoeve van de communicatie met de chauffeur.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 eerste lid onderdeel g</titel></kop><al>Onder g is vastgelegd dat de chauffeur die in een periode van twee
                                jaar voorafgaand aan de aanvraag zich zodanig heeft gedragen dat
                                deze, naar oordeel van het college, de kwaliteit van taxivervoer
                                heeft aangetast of naar verwachting (gelet op het gedrag van de
                                afgelopen twee jaar) zal aantasten, niet in aanmerking komt voor een
                                Taxxxivergunning. Te veel klachten en/of overtredingen kunnen
                                hiertoe leiden. Het doel van deze bepaling is het zo veel mogelijk
                                voorkomen dat slechte chauffeurs de markt betreden. De
                                terugkijktermijn van twee jaar is gekozen, om de chauffeur de tijd
                                te geven het gedrag te herstellen en later alsnog weer een aanvraag
                                te kunnen doen. Een langere periode zou disproportioneel zijn. De
                                verwachting is dat het weren van chauffeurs die zware misdrijven
                                hebben begaan wordt afgedekt door de verplichting een VOG te
                                overleggen, waarbij vijf jaar wordt teruggekeken. Een kortere
                                periode zou geen recht doen aan de problemen die het slechte gedrag
                                van taxichauffeurs veroorzaken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.12 tweede lid</titel></kop><al>Het tweede lid regelt dat een chauffeur bij de aanvraag een goed
                                gelijkende pasfoto moet overleggen. Deze foto wordt gebruikt op de
                                Taxxxiraamkaart die tevens dient als bewijs voor de ontheffing
                                medegebruik lijn-/busbaan. Aan de hand van de foto op het document
                                kan vergeleken worden of dit dezelfde persoon is als degene die
                                taxivervoer aanbiedt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.13 Bijzondere weigeringsgronden
                                    Taxxxivergunning</titel></kop><al>In aanvulling op de algemene weigeringsgrond als bedoeld in artikel
                                1.3 zijn in dit artikel de bijzondere weigeringsgronden opgenomen.
                            </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.13 eerste lid</titel></kop><al>Zo is in het eerste lid bepaald dat het niet voldoen of niet kunnen
                                voldoen aan één van de eisen uit artikel 2.12, eerste lid,
                                onderdelen a t/m f zonder meer leidt tot weigering van de
                                vergunning. Een verdere afweging is in het geval sprake is van een
                                van deze gronden, niet nodig.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.13 tweede lid</titel></kop><al>In het tweede lid is een ‘kan-bepaling' opgenomen hetgeen de
                                discretionaire bevoegdheid van het college weergeeft. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.13 tweede lid onderdeel a</titel></kop><al>Onder a is sprake van het kunnen weigeren van de vergunning indien
                                is gebleken dat de chauffeur zich in de twee jaar voorafgaand aan
                                het indienen van de aanvraag zodanig heeft gedragen dat het college
                                van oordeel is dat dit gedrag de kwaliteit van taxivervoer aantast.
                                Via deze bepaling kunnen gedragingen uit het verleden van invloed
                                zijn bij de beoordeling van de aanvraag Taxxxivergunning. Daarbij
                                wordt een terugkijktermijn van twee jaar redelijk geacht. Tevens
                                zal, bij de beoordeling of er sprake is van aantasting van de
                                kwaliteit van taxivervoer, gekeken worden naar gedragingen die
                                genoemd zijn in de door het college gestelde nadere eisen aan het
                                gedrag van de chauffeur (ingevolge het bepaalde in artikel 2.14).
                                Indien op voorhand is gebleken dat het gedrag van de chauffeur
                                zodanig is dat deze strijdig is met het bepaalde in artikel 2.14 of
                                de op grond van artikel 2.14 gestelde nadere regels, kan de
                                vergunning geweigerd worden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.13 tweede lid onderdeel b</titel></kop><al>Het bepaalde onder b biedt de mogelijkheid een Taxxxivergunning te
                                weigeren indien op voorhand aannemelijk is dat de vervoerder waar de
                                chauffeur voor rijdt zich niet houdt aan de geldende wettelijke
                                bepalingen. De basiselementen die moeten leiden tot kwalitatief goed
                                taxivervoer zijn dan niet aanwezig. Op deze wijze zijn ook
                                vervoerders verplicht zich zodanig te gedragen dat zij kunnen
                                bijdragen aan de kwaliteit van taxivervoer.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.13 tweede lid onderdeel c</titel></kop><al>Met het bepaalde onder c wordt voorkomen dat een Taxxxivergunning
                                wordt verleend terwijl er sprake is van een redelijk vermoeden dat
                                de chauffeur in kwestie een misdrijf heeft gepleegd welke de
                                kwaliteit van het taxivervoer ernstig aantast.</al><al>Een gestarte VOG-procedure geeft aan dat het gerechtvaardigd is een
                                dergelijke chauffeur vooralsnog niet toe te laten tot de Amsterdamse
                                opstapmarkt. De aanvraag kan gedurende een redelijke termijn worden
                                aangehouden in afwachting van de VOG. Mocht de VOG alsnog over
                                worden gelegd dan zal de Taxxxivergunning eveneens kunnen worden
                                verleend.</al><al>Indien na vergunningverlening blijkt dat de chauffeur was verzocht
                                om een nieuwe VOG en hij deze heeft verzuimd te overleggen, kan op
                                basis van het bepaalde in artikel 1.5, onderdeel a, de vergunning
                                worden ingetrokken (onjuiste gegevens).</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.14 Verplichtingen voor een chauffeur met een
                                    Taxxxivergunning</titel></kop><al>In dit artikel en in de ingevolge dit artikel gestelde nadere
                                regels, wordt het gedrag beschreven dat van de chauffeur wordt
                                verwacht. Het gaat hierbij in principe om gedrag van de chauffeur
                                binnen werktijd, maar er zijn ook situaties denkbaar waarbij
                                overtredingen of misdrijven gepleegd buiten werktijd, meegerekend
                                worden. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan situaties waar een
                                mededeling Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer wordt opgemaakt
                                of bijvoorbeeld sprake is van een zedendelict. Dit artikel richt
                                zich expliciet tot de houder van de Taxxxivergunning, de chauffeur.
                                In die zin ligt in dit artikel een rechtstreekse relatie tussen
                                gemeente en chauffeur. Deze relatie is met name bedoeld om snel te
                                kunnen ingrijpen bij overtredingen van gewenst gedrag, welke de
                                veiligheid van individuen kunnen aantasten, die de
                                verkeersveiligheid in gevaar brengen of die zodanig de kwaliteit van
                                het taxivervoer aantasten dat de betrouwbaarheid en
                                geloofwaardigheid in het geding komen. Dit raakt altijd aan de
                                integriteit en veiligheid van personen in of buiten de taxi en aan
                                openlijke geweldpleging. Deze gedragingen zijn dusdanig ernstig dat
                                de gemeente hier primair op zal handhaven. Dit doet overigens niets
                                af aan de rol van de TTO's: als de TTO een overtreding van een
                                aangeslotene constateert of de gemeente een overtreding aan de TTO
                                doorgeeft, hoort deze eveneens privaatrechtelijk in te grijpen en de
                                gemeente van hun handelen op de hoogte stellen.</al><al>Alle gedragingen opgenomen in het normen- en waardenprotocol komen
                                ook terug in de door het college te stellen nadere eisen aan de
                                verplichtingen van een chauffeur in het bezit van een
                                Taxxxivergunning. Al deze gedragingen zijn opgenomen om als gemeente
                                de mogelijkheid te behouden, op te kunnen treden op het moment dat
                                de kwaliteit van taxivervoer in het geding komt en de TTO geen actie
                                onderneemt, of de situatie vraagt om snel ingrijpen. Uitgangspunt
                                blijft echter dat de TTO in deze gevallen zelf ook optreedt. De TTO
                                zal worden aangesproken in het geval een maatregel van hun zijde (te
                                lang) uitblijft. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.14 eerste lid</titel></kop><al>In het eerste lid zijn de globale normen opgenomen waar een
                                chauffeur in het bezit van een Taxxxivergunning aan moet voldoen. De
                                uitwerking van deze normen vindt plaats in de door het college te
                                stellen nadere regels. Deze gedragingen zijn gelijk aan de
                                gedragingen opgenomen in het normen- en waardenprotocol.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.14 eerste lid onderdeel a t/m e</titel></kop><al>Voor de motivering van de onder a t/m e genoemde uitgangspunten
                                wordt verwezen naar de motivering genoemd in deze toelichting bij
                                artikel 2.5, derde lid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.14 tweede lid</titel></kop><al>Dit lid regelt de bevoegdheid van het college om nadere regels te
                                kunnen stellen aan de gedragingen en verplichtingen van de onder het
                                eerste lid gestelde eisen. Het gaat hier om een verdere
                                    <cursief>invulling</cursief> van de onder a t/m e genoemde
                                normen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.14 derde lid</titel></kop><al>De bevoegdheid van het college om ingevolge dit lid nadere eisen te
                                kunnen stellen, voorziet in de mogelijkheid om
                                    <cursief>aanvullend</cursief> aan de onder het eerste lid
                                gestelde normen, nieuwe normen te kunnen stellen. Mocht blijken dat
                                de normen gesteld onder a t/m e onvoldoende zijn dan vormt dit
                                artikel de basis voor het benoemen van de norm en het verder
                                uitwerken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.15 Toonplicht</titel></kop><al>Deze bepaling regelt de toonplicht van de Taxxxiraamkaart, het
                                bewijs van de Taxxxivergunning en de keycard. De toonplicht houdt
                                tegelijkertijd een aanwezigheidsplicht in. Tonen op eerste vordering
                                (dat wil zeggen direct zodra erom wordt gevraagd) is immers alleen
                                mogelijk wanneer deze binnen handbereik is. De reden om te voorzien
                                in deze plicht is het ondersteunen van het toezicht en de
                                handhaving. Zonder inzage in de Taxxxiraamkaart en de keycard is de
                                controle op de naleving niet goed mogelijk. Het niet voldoen aan de
                                toonplicht vormt een zelfstandige overtreding van de verordening.
                                Dit artikel richt zich tot de houder van de Taxxxivergunning, i.c.
                                de chauffeur.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.16 Looptijd Taxxxivergunning</titel></kop><al>De looptijd van een Taxxxivergunning is in dit artikel op drie jaar
                                gesteld. Gelet op het feit dat de situatie met TTO's voor zowel de
                                markt als de gemeente nieuw is en gelet op de met de vergunning
                                gepaard gaande administratieve lasten is voor deze periode gekozen.
                                Het is onvermijdelijk dat er een situatie komt die vraagt om
                                aanpassing van de regelgeving. De verwachting is echter dat het een
                                aantal jaar zal duren voordat inzichtelijk is op welke punten de
                                regelgeving aangepast moet worden. Het college krijgt de
                                mogelijkheid van de looptijd van drie jaar af te wijken. Het zou ook
                                kunnen dat in individuele gevallen besloten wordt tot het stellen
                                van een kortere (of langere) looptijd. Het ligt in de lijn der
                                verwachting dat op termijn en bij gebleken goede evaluaties de
                                vergunningen een langere looptijd krijgen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 Bijzondere gronden voor schorsing of intrekking
                                    Taxxxivergunning</titel></kop><al>In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.5 is in het eerste lid de
                                schorsing en in het tweede lid de intrekking van de Taxxxivergunning
                                opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 eerste lid</titel></kop><al>De verplichting om de Taxxxivergunning te schorsen of te laten
                                vervallen is van belang, omdat hiermee voorkomen wordt dat deze
                                vergunning in stand blijft terwijl de daaraan ten grondslag liggende
                                documenten blijken te zijn geschorst of ingetrokken. De
                                Taxxxiraamkaart dient ingevolge het bepaalde in artikel 3.4 direct
                                ingeleverd te worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 eerste lid onderdeel a</titel></kop><al>In het eerste lidonder a is de schorsing van de Taxxxivergunning
                                opgenomen in het geval het rijbewijs van vergunninghouder is
                                geschorst, ingevorderd, ingehouden of ingenomen. Het schorsen van de
                                Taxxxivergunning hoeft niet nader gemotiveerd te worden omdat het
                                hebben van een geldig rijbewijs een verplichting is en bij het
                                vervallen van deze geldigheid door schorsing, invordering, inhouden
                                of innemen het college niet anders kan dan de Taxxxivergunning
                                schorsen. Achterliggende gedachte voor het opnemen van deze bepaling
                                is dat de chauffeur in deze situatie niet mag autorijden en dus ook
                                geen taxivervoer mag aanbieden, zodat consumenten zo min mogelijk
                                aan verkeersveiligheidsrisico's bloot worden gesteld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 eerste lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b is de schorsing van de Taxxxivergunning opgenomen in het
                                geval de Inspectie Leefomgeving en Transport de chauffeurskaart van
                                vergunninghouder schorst als de ernst van een overtreding van de
                                chauffeur daarom vraagt. Ook hiervoor geldt dat het in het
                                veiligheidsbelang van de consumenten is dat de Taxxxivergunning dan
                                ook wordt geschorst, zodat consumenten niet aan onnodige
                                veiligheidsrisico's worden blootgesteld. Met het schorsen van de
                                chauffeurskaart mag de vergunninghouder in het geheel geen
                                taxivervoer meer aanbieden. Het schorsen van de Taxxxivergunning
                                omdat de chauffeurskaart is geschorst is een logisch gevolg. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 eerste lid onderdeel c</titel></kop><al>Onder cis de tijdelijke intrekking van de TBO genoemd. De
                                Amsterdamse ontheffing medegebruik lijnbusbaan/-strook geeft
                                chauffeurs het recht op de vrije tram-/busbanen in Amsterdam te
                                rijden. Deze tram-/busbanen geven chauffeurs de mogelijkheid
                                consumenten op een snelle en efficiënte wijze door Amsterdam te
                                rijden. Het niet hebben van een dergelijke ontheffing brengt het
                                risico met zich mee dat de kortste route niet gereden kan worden en
                                hierdoor sprake is van een langere ritduur, hetgeen hogere kosten
                                voor de consument met zich meebrengt. In die zin leidt het schorsen
                                van een ontheffing lijnbusbaan/-strook tot het aantasten van de
                                kwaliteit van het taxivervoer, hetgeen direct gevolgen heeft voor de
                                Taxxxivergunning omdat deze voor een gelijke duur dient te worden
                                geschorst. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 eerste lid onderdeel d</titel></kop><al>Onder d is geregeld dat de Taxxxivergunning van de chauffeur wordt
                                geschorst als de TTO de aansluiting met de chauffeur schorst,
                                bijvoorbeeld omdat sprake is van slecht gedrag. Denkbaar is dat de
                                TTO hier een andere naam voor gebruikt, maar deze bepaling strekt er
                                toe te regelen dat, zolang de chauffeur in de ogen van het college
                                geen geldige aansluiting met een TTO heeft (bijvoorbeeld omdat de
                                chauffeur tijdelijk niet mag rijden voor de TTO) er geen sprake kan
                                zijn van het aanbieden van taxivervoer op de opstapmarkt. De
                                Taxxxivergunning wordt daarom direct geschorst, om niet het risico
                                te lopen dat de chauffeur alsnog onder de vlag van de TTO de weg op
                                gaat.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 eerste lid onderdeel e</titel></kop><al>Onder e is geregeld dat de Taxxxivergunning van een chauffeur die
                                bij een TTO rijdt waarvan de TTO-vergunning is geschorst, geschorst
                                wordt. In deze bepaling komt tot uitdrukking dat het schorsen van
                                een TTO-vergunning verregaande consequenties heeft voor de
                                aangeslotenen. Een TTO die geschorst is mag op dat moment geen
                                enkele aangeslotene laten rijden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 eerste lid onderdeel f</titel></kop><al>Onder f wordt geregeld dat een chauffeur die een ontzegging besturen
                                motorrijtuigen opgelegd heeft gekregen niet alsnog via de
                                Taxxxivergunning taxivervoer kan aanbieden. Dit is vergelijkbaar met
                                het rijbewijs, dat onder a is genoemd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 tweede lid</titel></kop><al>In het tweede lid wordt geregeld dat de Taxxxivergunning onder
                                bepaalde omstandigheden ingetrokken wordt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 tweede lid onderdeel a t/m e</titel></kop><al>Het bepaalde in a tot en met e is hierbij vergelijkbaar met de
                                schorsingen uit het eerste lid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 tweede lid onderdeel f</titel></kop><al>Onder f wordt geregeld dat de chauffeur niet meer over een
                                Taxxxivergunning kan beschikken, als hij niet kan aantonen over een
                                vaste woon- of verblijfplaats te beschikken. Het niet voldoende
                                herleidbaar zijn van de chauffeur is reden om te betwijfelen of de
                                chauffeur de kwaliteit van taxivervoer nastreeft. Het hebben van een
                                vaste woon- of verblijfplaats is überhaupt een vereiste om voor
                                vergunningverlening in aanmerking te komen. Het ligt in de rede dat
                                het niet kunnen aantonen dat nog steeds aan deze vereiste wordt
                                voldaan, tot gevolg heeft dat de vergunning per direct ingetrokken
                                wordt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 derde lid</titel></kop><al>In het derde lid is opgenomen dat het college de Taxxxivergunning
                                kan intrekken als aannemelijk wordt gemaakt dat de vervoerder waar
                                de chauffeur voor werkt niet voldoet aan de wettelijke eisen. De
                                kans is te groot dat hierdoor de kwaliteit van taxivervoer aangetast
                                wordt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 vierde lid</titel></kop><al>In het vierde lid is opgenomen dat de Taxxxivergunning kan worden
                                geschorst of ingetrokken als de chauffeur naar oordeel van het
                                college de kwaliteit van taxivervoer aantast. Dit lid is opgenomen
                                om te voorzien in die situaties, die dusdanig ernstig zijn en
                                daarmee de kwaliteit van het taxivervoer aantasten maar waar de
                                verordening en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten nu niet in
                                voorzien. Om die reden zal toepassing van dit lid altijd moeten
                                worden onderbouwd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2.17 vijfde lid</titel></kop><al>In het vijfde lid wordt geregeld dat het college de vergunninghouder
                                onverwijld van de opheffing van de schorsing op de hoogte stelt. Dit
                                kan betekenen dat er sprake is van een schriftelijke maar ook
                                mondelinge mededeling. In ieder geval zal de chauffeur weer willen
                                beschikken over de ingenomen Taxxxiraamkaart en is het denkbaar dat
                                naar aanleiding van een telefonisch contact de Taxxxiraamkaart door
                                chauffeur wordt opgehaald, dan wel dat de pas wordt
                                toegezonden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdstuk 3 Handhaving</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.1 Strafbepalingen</titel></kop><al>De aanhef van artikel 3.1 bepaalt dat het niet-naleven van de in dit
                                artikel genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning
                                zijn verbonden, een strafbaar feit opleveren. Deze bepaling is
                                noodzakelijk aangezien de Wet op de Economische Delicten in artikel
                                1, onder 4° de tekst bevat: ‘voor zover aangeduid als strafbare
                                feiten'. Dit brengt met zich mee dat deze feiten ook als zodanig in
                                de verordening zullen moeten worden aangeduid. </al><al>Artikel 3.1 geeft verder een opsomming van de voorschriften op
                                overtreding waarvan straf is gesteld. Deze opsomming is uitputtend.
                                Wanneer een bepaling niet is genoemd in artikel 3.1 kan deze ook
                                niet strafrechtelijk worden gehandhaafd. Dat laat onverlet dat
                                bestuursrechtelijke handhaving wel mogelijk is. De uitzondering voor
                                overtredingen die ingevolge een andere wettelijke regeling als
                                strafbare gedraging gesanctioneerd worden is opgenomen omdat het
                                college in nadere regels eisen kan stellen aan het gewenste gedrag
                                van de chauffeur. Dit brengt het risico met zich mee dat in de
                                uitwerking hiervan ook gedragingen worden opgenomen welke op reeds
                                zichzelf strafbaar zijn gesteld (rijden zonder geldig rijbewijs). In
                                die situaties is het niet mogelijk een sanctie als bedoeld in de Wet
                                op de Economische Delicten op te leggen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 Bestuursrechtelijke maatregelen en sancties aan
                                    TTO</titel></kop><al/><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 eerste lid</titel></kop><al>Het eerste lid regelt dat naast de strafsanctie die ingevolge de WED
                                opgelegd kan worden overtreding van het bepaalde bij of krachtens de
                                artikelen 2.5 en 2.7 eveneens gesanctioneerd kan worden met een
                                aantal reparatoire maatregelen en sancties variërend van een
                                waarschuwing tot het uiteindelijk intrekken van de vergunning.</al><al>De toepassing van de maatregelen genoemd onder b t/m d zal verder
                                uitgewerkt worden in het handhavingsbeleid.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 eerste lid onderdeel a</titel></kop><al>Onder a is aangegeven dat gesanctioneerd kan worden met een
                                waarschuwing. Op het moment dat door het college geconstateerd wordt
                                dat de TTO de opgelegde voorwaarden en/of voorschriften niet of
                                onvoldoende naleeft dan wel de aangeslotenen van de TTO zich niet
                                aan de gestelde regels houden, kan een waarschuwing worden gegeven.
                                De TTO wordt dan geattendeerd op de gemaakte overtredingen met het
                                doel dat zij op korte termijn verbetering laat zien.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 eerste lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b is de maatregel opgenomen dat door het college verzocht kan
                                worden om uitgebreidere audits in het geval de TTO in onvoldoende
                                mate bijdraagt aan het bevorderen van de kwaliteit van taxivervoer.
                                De uitgebreidere audits worden als onderdeel van de sanctieprocedure
                                opgelegd. Deze maatregel is dan blijkbaar nodig als onderdeel van
                                een stappenplan om de kwaliteit van taxivervoer te verbeteren. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 eerste lid onderdeel c</titel></kop><al>Indien verbetering uit blijft kan verzocht worden een verbeterplan
                                op te stellen. Dit verbeterplan zal aan het college voorgelegd
                                worden zodat bekeken kan worden of daarmee het gewenste effect, het
                                tegengaan van de geconstateerde problemen, kan worden bereikt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 eerste lid onderdeel d</titel></kop><al>Onder d wordt de situatie aangegeven dat een TTO en/of haar
                                aangeslotenen zodanig gedrag blijven vertonen dat deze van bepaalde
                                standplaatsen uitgesloten kan worden. Het zal hierbij onder meer
                                gaan om de twee meest lucratieve standplaatsen, te weten Centraal
                                Station en Leidseplein. Een dergelijke uitsluiting zal over het
                                algemeen een tijdelijk karakter hebben omdat deze is bedoeld om de
                                TTO in de gelegenheid te stellen de organisatie en haar
                                aangeslotenen op orde te krijgen. In de tussentijd kunnen zij met
                                hun gedrag op de overige standplaatsen aantonen in hoeverre zij
                                alsnog het gewenste gedrag kunnen tonen, teneinde de kwaliteit van
                                taxivervoer te waarborgen. Is dit gedrag onvoldoende voor
                                kwalitatief goed taxivervoer, dan kan alsnog worden overgegaan tot
                                andere maatregelen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 eerste lid onderdeel e</titel></kop><al>De schorsing van de vergunning als genoemd onder e is een maatregel
                                die grote consequenties heeft voor zowel de TTO als de
                                aangeslotenen. De aangeslotenen mogen gedurende de schorsingsperiode
                                van de TTO geen taxivervoer aanbieden op de aangewezen weggedeelten.
                                Schorsing zal, gelet op de zwaarte van de sanctie, niet zo maar
                                worden toegepast. Indien sprake is van schorsing is dit echter wel
                                een duidelijk signaal voor de TTO dat zij het eigenlijk al te ver
                                heeft laten komen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 eerste lid onderdeel f</titel></kop><al>Onder f is de intrekking van de vergunning genoemd. Dit is de
                                zwaarste sanctie die kan worden opgelegd. De TTO verliest de
                                vergunning en de bestuursleden kunnen vijf jaar lang geen plaats
                                meer nemen in het bestuur van een andere TTO (artikel 2.5, eerste
                                lid, onderdeel h). De aangesloten chauffeurs zijn hun vergunning
                                kwijt en moeten zich bij een andere TTO aansluiten om opnieuw
                                vergunning aan te kunnen vragen</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3. 2 tweede lid</titel></kop><al>In het tweede lid wordt aangegeven welke overwegingen ten grondslag
                                kunnen liggen aan de onder het eerste lid genoemde maatregelen en
                                sancties. Deze overwegingen zijn niet-limitatief opgesomd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 tweede lid onderdeel a</titel></kop><al>Zo is onder a bepaald dat rekening gehouden wordt met het soort en
                                aantal overtredingen begaan door de TTO. Het gaat hierbij onder
                                andere om het niet op orde hebben van de klachtenbehandeling of
                                andere registratiegegevens. Ook het aantal overtredingen per soort
                                zijn relevant.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 tweede lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b gaat het om het soort en aantal overtredingen begaan door de
                                aangeslotenen en de maatregelen (door de TTO en/of gemeente) en
                                sancties (door gemeente) die als gevolg daarvan zijn opgelegd. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 tweede lid onderdeel c</titel></kop><al>Ook is van belang hoe vaak er sprake is van het herhalen van
                                overtredingen binnen een periode van één jaar. Hiermee wordt bedoeld
                                dat na constatering van een overtreding over een termijn van één
                                jaar terug gekeken wordt. Bij iedere geconstateerde overtreding zal
                                dit bekeken worden. Het totaal aantal overtredingen (waarbij het om
                                verschillende overtredingen kan gaan) binnen één jaar is bepalend
                                voor de uiteindelijk op te leggen maatregel.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 tweede lid onderdeel d</titel></kop><al>Onder d wordt vervolgens ingegaan op de gelijkwaardigheid van de
                                door de TTO aan aangeslotenen opgelegde maatregelen ten opzichte van
                                de geconstateerde overtredingen. Zo zou sprake kunnen zijn van het
                                opleggen van, naar het oordeel van het college, te lichte
                                maatregelen in verhouding tot de door aangeslotenen begane
                                overtredingen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.2 tweede lid onderdeel e</titel></kop><al>Onder e wordt tot uitdrukking gebracht dat de wijze van optreden van
                                de TTO naar aanleiding van de geconstateerde overtredingen, eveneens
                                van belang is. Door snel (en adequaat) te handelen geeft de TTO aan
                                haar positie, als eerstverantwoordelijke voor het gedrag van haar
                                aangeslotenen, serieus te nemen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.3 Bestuursrechtelijke maatregelen en sancties
                                    chauffeurs</titel></kop><al>In dit artikel zijn de bestuursrechtelijke sancties voor chauffeurs
                                en daaraan mogelijk ten grondslag liggende overwegingen opgenomen.
                            </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.3 eerste lid</titel></kop><al>In het eerste lid wordt aangegeven dat sancties kunnen worden
                                opgelegd in het geval er sprake is van overtreding van het bepaalde
                                bij of krachtens de artikelen 2.12 en 2.14. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.3 eerste lid onderdeel a</titel></kop><al>Onder a wordt de schorsing van de Taxxxivergunning genoemd.
                                Schorsing betekent dat sprake is van intrekking van de vergunning
                                voor een bepaalde duur. Het is een reparatoire sanctie bedoeld om
                                ervoor te zorgen dat de chauffeur de tijd krijgt om orde op zaken te
                                stellen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.3 eerste lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder bwordt de intrekking van de Taxxxivergunning genoemd. Een
                                dergelijke intrekking is een reparatoire sanctie maar zal als
                                punitieve sanctie ervaren worden omdat de chauffeur met intrekking
                                van de Taxxxivergunning in Amsterdam geen taxivervoer meer op de
                                opstapmarkt kan aanbieden. De chauffeur zal voor toetreding tot de
                                Amsterdamse opstapmarkt een nieuwe aanvraag moeten doen voor een
                                Taxxxivergunning. In het kader van de toelatingseisen zal bekeken
                                worden of sprake is van een van de in de verordening opgenomen
                                weigeringsgronden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.3 tweede lid</titel></kop><al>In het tweede lid is aangegeven dat in het geval er sprake is van
                                schorsing van de Taxxxivergunning het college de chauffeur onder
                                meer kan verplichten tot het volgen van een opleiding. De chauffeur
                                zal deze opleiding zelf moeten bekostigen. Hierbij kan bijvoorbeeld
                                gedacht worden aan opleidingen op het gebied van straten- of
                                talenkennis. Het initiatief tot het verplicht stellen van een
                                opleiding ligt in eerste instantie bij de TTO. Deze bepaling strekt
                                er toe dat het college kan handelen in het geval de TTO dit nalaat
                                of de opleiding van onvoldoende kwaliteit blijkt te zijn. Het
                                college kan ook besluiten tot het opleggen van andere
                                maatregelen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.3 derde lid</titel></kop><al>In het derde lid wordt aangegeven met welke overwegingen, bij
                                toepassing van de in het eerste lid genoemde sancties, het college
                                rekening kan houden. De betreffende overwegingen zijn
                                niet-limitatief opgesomd. Zo zou bijvoorbeeld aan de overwegingen
                                informatie ten grondslag kunnen liggen welke naar voren is gekomen
                                uit een antecedentenonderzoek bij de politie.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.3 derde lid onderdeel a</titel></kop><al>Onder a wordt aangegeven dat het soort en aantal overtredingen van
                                de chauffeur wordt betrokken bij de overweging om tot intrekking of
                                schorsing over te gaan. Het gaat hierbij ook om de categorie waarin
                                de overtreding valt. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.3 derde lid onderdeel b</titel></kop><al>Onder b is de mate van herhaling van het aantal overtredingen binnen
                                een periode van één jaar genoemd. Hiermee wordt bedoeld dat na
                                constatering van een overtreding over een termijn van één jaar
                                teruggekeken wordt. Bij iedere geconstateerde overtreding zal dit
                                bekeken worden. Het totaal aantal overtredingen (waarbij het om
                                verschillende overtredingen kan gaan) binnen één jaar is bepalend
                                voor de uiteindelijk op te leggen maatregel.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.4 Inleveren Taxxxiraamkaart</titel></kop><al>In dit artikel is opgenomen dat de Taxxxiraamkaart direct na
                                schorsing of intrekking bij een door het college aan te wijzen
                                persoon dient te worden ingeleverd. Deze bepaling strekt er toe
                                misbruik van de Taxxxiraamkaart zo veel mogelijk te voorkomen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3.5 Overige bepalingen</titel></kop><al>Deze bepaling is opgenomen om ervoor te zorgen dat ook het niet
                                naleven van opgelegde maatregelen en sancties, gesanctioneerd kan
                                worden of strafbaar gesteld als bedoeld in de WED.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Amsterdam/i283134.pdf">Bijlage I delen van de openbare weg waar het verboden is zonder vergunning van het college taxivervoer aan te bieden als bedoeld in artikel 2.3.</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Amsterdam/i283026.pdf">Bijlage II taxxxilogo</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>