<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR432572_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8, 36">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-07-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Participatiewet; </al></li><li nr="b."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Oisterwijk; </al></li><li nr="c."><al>Raad: de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk; </al></li><li nr="d."><al>Peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                                aanvraagt, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop
                                belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan
                                te vragen; </al></li><li nr="e."><al>Referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum;
                            </al></li><li nr="f."><al>Individuele inkomenstoeslag: toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van
                                de wet; </al></li><li nr="g."><al>Vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet; </al></li><li nr="h."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; </al></li><li nr="i."><al>WSF 2000: Wet Studiefinanciering; </al></li><li nr="j."><al>Voor de individuele inkomenstoeslag gaan we uit van de volgende
                                normen: </al></li><li nr="o"><al>norm gehuwden: de norm zoals genoemd in artikel 21 sub b
                                Participatiewet; </al></li><li nr="o"><al>norm alleenstaande ouder: 90% van de norm gehuwden; </al></li><li nr="o"><al>norm alleenstaande: 70% van de norm gehuwden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor een individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de persoon
                                van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde
                                leeftijd, die gedurende de referteperiode aangewezen is geweest op
                                een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de voor hem geldende
                                norm, zoals opgenomen in artikel 1, onder j, van deze Verordening,
                                geen in aanmerking te nemen vermogen heeft, en geen uitzicht heeft
                                op inkomensverbetering. </al></li><li nr="2."><al>Niet voor de individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de
                                belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan
                                wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000. </al></li><li nr="3."><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
                                Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college
                                vastgesteld formulier. </al></li><li nr="4."><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                                Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden</al></li><li nr="5."><al>Voor toepassing van het eerste, tweede en vierde lid is de situatie
                                op de peildatum bepalend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden: 41 % van de norm gehuwden; </al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaande ouders: 41 % van de norm alleenstaande
                                        ouder; </al></li><li nr="c."><al>voor alleenstaanden: 41 % van de norm alleenstaande. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s en worden
                                jaarlijks in januari vastgesteld en gelden voor het gehele
                                kalenderjaar. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitvoering en nadere regels</titel></kop><al>Het college kan met betrekking tot de uitvoering van deze verordening nadere
                        regels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onvoorziene situaties</titel></kop><al>In situaties en omstandigheden waarin deze regeling niet voorziet, beslist
                        het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De "Verordening Langdurigheidstoeslag 2015 gemeente Oisterwijk” wordt met de
                        inwerkingtreding van de “Verordening individuele inkomenstoeslag 2017”
                        ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze Verordening kan aangehaald worden als: Verordening Individuele
                        Inkomenstoeslag 2017. </al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><al>Toelichting Verordening Individuele Inkomenstoeslag. </al><al><vet>Algemeen </vet></al><al><cursief>Langdurigheidstoeslag wordt individuele inkomenstoeslag
                        </cursief></al><al>Per 1 januari 2015 is de Wet werk en bijstand (WWB) aangepast en opgenomen
                        in de Participatiewet. Met de wetswijziging is de langdurigheidstoeslag
                        (LDT) omgevormd naar een individuele inkomenstoeslag. </al><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                        bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch
                        kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen
                        zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen
                        perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te
                        verhogen. Er is dan sprake van bestaansverschraling. Om die reden is bij de
                        invoering van de Wet werk en bijstand in 2004 de langdurigheidstoeslag in
                        het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag
                        gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een
                        bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015
                        vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien
                        is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een
                        discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele
                        inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden
                        daarvoor. </al><al><vet>Bevoegdheid gemeenten </vet></al><al><cursief>Vast te leggen regels in verordening </cursief></al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het
                        is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig
                        een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die
                        persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste
                        lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld
                        worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in
                        artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval
                        betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                        begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Daarnaast moet bij verordening de
                        hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. </al><al><cursief>Beleidsregels </cursief></al><al>Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer
                        sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van
                        artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te
                        worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium
                        'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met
                        de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de
                        Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden
                        gerekend: </al><lijst><li nr="o"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en </al></li><li nr="o"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                                inkomensverbetering te komen. </al></li></lijst><al>Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking
                        komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen (geen)
                        uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                        gedacht aan personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd
                        wegens een schending van een arbeidsverplichting of een
                        re-integratieverplichting.</al><al><cursief>Wijziging leefvorm </cursief></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon
                        kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien
                        gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte
                        van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen
                        moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden
                        voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden
                        moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen. </al><al><vet>Mogelijkheden voor eigen beleid. </vet></al><al>Op grond van de nieuwe wet zijn er diverse mogelijkheden voor het invullen
                        van eigen gemeentelijk beleid. </al><al>Naast de genoemde onderwerpen kan het daarbij ook gaan om de afstemming van
                        het beleid op het gemeentelijke armoede en participatie beleid. Hierna wordt
                        op de verschillende onderwerpen nader ingegaan. </al><al><cursief>Doelgroep </cursief></al><al>De nieuwe individuele inkomenstoeslag geeft gemeenten nadrukkelijk de
                        mogelijkheid deze ook van toepassing te laten zijn op werkenden met een laag
                        inkomen. De raad kiest ervoor deze 'werkende armen' tot de doelgroep van de
                        individuele inkomenstoeslag te blijven rekenen. Op deze manier is de
                        individuele inkomenstoeslag onderdeel van het integrale gemeentelijk beleid
                        op het gebied van armoedebestrijding. Een belangrijke focusgroep binnen de
                        armoedebestrijding is namelijk de groep van werkenden met een laag inkomen.
                        We hebben in deze verordening, om werkende armen in aanmerking te kunnen
                        laten komen op de toeslag, de norm aangepast waarmee wordt gerekend. Als we
                        de individuele inkomenstoeslag zouden koppelen aan de nieuwe
                        kostendelersnorm komen veel werkenden niet in aanmerking. De
                        kostendelersnorm rekent namelijk met een lager uitkeringsbedrag naarmate er
                        meer volwassenen in een huis wonen. Omdat werkende mensen minimaal het
                        wettelijk minimumloon verdienen hebben zij bij inwoning altijd een hoger
                        inkomen dan de kostendelersnorm. Als we de kostendelersnorm zouden hanteren,
                        zouden werkenden dus niet in aanmerking komen voor de inkomenstoeslag. Dit
                        willen we voorkomen. Daarom koppelen we het recht op toeslag aan een
                        percentage van de norm gehuwden tussen 21 jaar en de pensioengerechtigde
                        leeftijd zoals opgenomen in de Participatiewet en hanteren we niet de
                        kostendelersnorm.</al><al><cursief>Hoogte van de toeslag </cursief></al><al>Tot 2009 was de hoogte van de langdurigheidstoeslag centraal bepaald.
                        Oorspronkelijk was de hoogte van de toeslag gekoppeld aan het verschil
                        tussen de bijstandsnorm en de AOW van 65+ers. Deze hoogte hanteren wij bij
                        benadering nog. Het waren vaste bedragen, als percentage van de voor de
                        persoon toepasselijke bijstandsnorm. Vanaf 1 januari 2009 bepalen gemeenten
                        zelf de hoogte van de toeslag. Ook met de Participatiewet blijft dat zo. </al><al>Bij het vaststellen van het bedrag moet een aantal zaken bedacht worden. Een
                        te laag bedrag doet geen recht aan het karakter van de individuele
                        inkomenstoeslag, namelijk dat deze is bedoeld voor mensen die financieel
                        geen mogelijkheden hebben gehad te reserveren voor onverwachte uitgaven. Een
                        te hoog bedrag kan leiden tot het optreden van de armoedeval. Immers, wordt
                        op enig moment een hoger inkomen bereikt, dan vervalt direct de hele
                        toeslag. </al><al>Met de Participatiewet wordt ook de kostendelersnorm ingevoerd. Hierdoor
                        ontstaan bij het bepalen van de hoogte van uitkeringsbedragen veel
                        verschillende categorieën van bedragen; meer dan in de vroegere situatie.
                        Dat maakt het lastig uit te gaan van de geldende bijstandsnorm; die is er
                        immers in veel varianten. Door te kiezen voor een percentage van de norm
                        gehuwden, hoeft slechts gerekend te worden met één bedrag dat jaarlijks
                        wordt vastgesteld. Bovendien hoeft op deze manier niet jaarlijks apart
                        geïndexeerd te worden. De raad heeft ervoor gekozen om de hoogte van de
                        individuele inkomenstoeslag ten opzichte van de vorige verordening minimaal
                        aan te passen door niet meer uit te gaan van de geldende bijstandsnorm maar
                        van het van toepassing zijnde percentage van de norm gehuwden. </al><al><cursief>Langdurig </cursief></al><al>De raad heeft ervoor gekozen de referteperiode van 36 maanden, zoals deze
                        ook werd gehanteerd bij de langdurigheidstoeslag, te handhaven. </al><al><cursief>Laag inkomen </cursief></al><al>Vanaf 2015 heeft de gemeente Oisterwijk een maximale inkomensgrens van 110%
                        van het sociaal minimum gehanteerd. In 2017 kiest Oisterwijk er voor de
                        grens van 120% te handhaven, berekend naar een percentage van de norm
                        gehuwden voor respectievelijk gehuwden (100%) en alleenstaande ouders (90%)
                        en alleenstaanden (70%). Hiermee blijft de doelgroep verruimd met ‘werkende
                        armen’, en is de toeslag ongevoelig voor conjuncturele schommelingen,
                        terwijl de druk op het budget niet toeneemt. </al><al><cursief>Vorm verstrekking </cursief></al><al>De toekenning gebeurt in beginsel op aanvraag. Het onderzoek om vast te
                        stellen of klanten met een bijstandsuitkering of andere
                        inkomensondersteunende regeling van de gemeente Oisterwijk in aanmerking
                        komen voor individuele inkomenstoeslag, zal zoveel mogelijk uitgevoerd
                        worden met gebruikmaking van gegevens uit de administratie door middel van
                        geautomatiseerde gegevensselectie. We voldoen daarmee aan belangrijke
                        pijlers van gemeentelijk en landelijk beleid: tegengaan van niet-gebruik
                        (armoedemaatregel), beperken van administratieve last en verhogen van
                        dienstverlening aan klanten, individuele toetsing en het beperken van
                        gegevensuitvraag en efficiencymaatregelen in relatie tot uitvoeringskosten.
                        Ook voldoen we hiermee aan de Wet eenmalige gegevensuitvraag. </al><al>De overige inwoners van de gemeente die nog niet in onze administratie
                        zitten kunnen de individuele inkomenstoeslag aanvragen en moeten de
                        noodzakelijke gegevens aanleveren.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Dit artikel bevat de definitiebepalingen. </al><al><cursief>Peildatum </cursief></al><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                        aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                        persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen
                        vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op
                        de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering
                        heeft. De peildatum kan niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich
                        heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen. </al><al><cursief>Normbedragen </cursief></al><al>De normbedragen verdienen een toelichting. Per 1 januari 2015 is de
                        kostendelersnorm ingevoerd. Hierdoor wordt de uitkering lager al naar gelang
                        er meer volwassenen in dezelfde woning wonen. Als we de individuele
                        inkomenstoeslag koppelen aan de kostendelersnorm komen veel werkenden niet
                        in aanmerking, omdat zij minimaal het wettelijk minimumloon verdienen en bij
                        inwoning dus een hoger inkomen hebben dan de kostendelersnorm. Dit willen we
                        voorkomen. Daarom koppelen we het recht op toeslag aan een percentage van de
                        norm gehuwden voor respectievelijk gehuwden (100%), alleenstaande ouders
                        (90%) en alleenstaanden (70%). Dit is dus bewust niet de toepasselijke
                        bijstandsnorm. We laten de hoogte van de tegemoetkoming aan dezelfde normen
                        gekoppeld als aan de langdurigheidstoeslag tot 2015. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al>In dit artikel worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag
                        inkomen uitgewerkt. Het laag inkomen wordt uitgedrukt in maximaal 120% van
                        de voor persoon toepassing zijnde norm </al><lijst><li nr="o"><al>norm gehuwden: 100% norm gehuwden; </al></li><li nr="o"><al>norm alleenstaande ouder: 90% norm gehuwden; </al></li><li nr="o"><al>norm alleenstaande: 70% norm gehuwden. </al></li></lijst><al>Wettelijk is geregeld dat de individuele inkomenstoeslag bestemd is voor
                        mensen tussen 21 </al><al>jaar en de pensioengerechtigde leeftijd. </al><al>Langdurig wordt aangeduid met 3 jaar (36 maanden). Gedurende deze periode
                        moet een laag inkomen zijn geweest, niet hoger dan het in aanmerking te
                        nemen percentage van de norm. De gemeente verstrekt een eenvoudig
                        aanvraagformulier om de aanvraag in te dienen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><al>In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. In dit model wordt
                        uitgegaan van </al><al>41 % van het toepasselijke percentage van de norm gehuwden, verschillend
                        naar de categorieën: gehuwden (100% norm gehuwden, alleenstaande ouder (90%
                        norm gehuwden) of alleenstaand (70% norm gehuwden). Afronding vind plaats op
                        hele euro's naar boven. Door te kiezen voor een percentage van de norm
                        gehuwden, hoeft slechts gerekend te worden met één bedrag dat jaarlijks
                        wordt vastgesteld. Bovendien hoeft op deze manier niet jaarlijks apart
                        geïndexeerd te worden. </al><al>De norm van januari is de maatstaf en daar wordt de berekening van de
                        toeslag op aangepast. </al><al>Er zijn geen bedragen opgenomen in deze verordening om te voorkomen dat deze
                        onderhoudsgevoelig wordt door de wijzigingen in de normbedragen. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>