<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR431744_1</dcterms:identifier><dcterms:title>De raad van de gemeente Landerd</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Arena</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Landerd 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=212">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging tekstueel</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>4865-2016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>De raad van de gemeente Landerd</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8
                        november 2016; </al><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;</al><al/><al>besluit</al><al/><al> vast te stellen de Financiële verordening Landerd 2017:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.Begripsbepaling</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en
                                verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen,
                                functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de
                                verantwoording die daarover moet worden afgelegd; - afdeling: iedere
                                organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een
                                eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college; </al></li><li nr="-"><al>inkomsten: totaal van de baten voor toevoegingen en onttrekking
                                reserves; </al></li><li nr="-"><al>netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de
                                geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31
                                december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan
                                het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden,
                                crediteurenvorderingen en overlopende passiva. Onder geldelijke
                                bezittingen wordt verstaan het totaal van leningen aan deelnemingen,
                                leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden,
                                langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen,
                                debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa; </al></li><li nr="-"><al>onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting: verschil
                                tussen de opbrengst onroerende zaakbelasting bij de tarieven die
                                minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van
                                de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerende
                                zaakbelasting; </al></li><li nr="-"><al>overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke
                                rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met
                                rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met
                                een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is
                                het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een
                                personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon
                                deelneemt;</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2. Programma-indeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een
                                programma-indeling voor die raadsperiode vast.</al></li><li nr="2."><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op basis van de
                                door het college aan de programma’s toegewezen taakvelden de
                                onderverdeling van de programma’s vast.</al></li><li nr="3."><al>De raad stelt op voorstel van het college per programma de
                                beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten
                                minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25,
                                tweede lid, onder a, van het Besluit Begroting en Verantwoording
                                provincies en gemeenten.</al></li><li nr="4."><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke
                                onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen
                                in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil worden
                                geïnformeerd.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de
                                programma’s, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het
                                overzicht van de overhead de baten en lasten per taakveld
                                weergegeven.</al></li><li nr="2."><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                                investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende
                                investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming
                                van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende
                                boekjaar weergegeven.</al></li><li nr="3."><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het
                                Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten inzicht
                                gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de
                                begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de
                                grondexploitaties.</al></li><li nr="4."><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de
                                geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de
                                totale uitgaven en inkomsten weergegeven.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4. Kaders begroting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt voor 30 juni aan de raad een nota aan met een
                                voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting
                                voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad
                                stelt deze nota voor 31 juli vast.</al></li><li nr="2."><al>In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en
                                de lasten per programma.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de raad een activiteit welke
                                onderdeel is van een programma, als prioriteit aanwijzen en daarvoor
                                de baten en lasten apart autoriseren.</al></li><li nr="3."><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                                investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige
                                nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het
                                vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.</al></li><li nr="4."><al>Het college informeert de raad als ze verwacht, dat de lasten van
                                een programma of een prioriteit de geautoriseerde lasten dreigen te
                                overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet
                                het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of
                                de baten een programma of een prioriteit de geautoriseerde baten
                                dreigen te overschrijden. De raad geeft aan of hij een voorstel wil
                                voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma of
                                de prioriteit, voor het wijzigen van het geautoriseerde
                                investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid.</al></li><li nr="5."><al>Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in
                                artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van
                                de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de
                                geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het
                                beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet
                                het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van
                                geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de
                                geautoriseerde investeringskredieten.</al></li><li nr="6."><al>Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het
                                vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college
                                voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een
                                investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een
                                investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan €
                                1.000.000 informeert het college de raad in het voorstel over het
                                effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente.</al></li><li nr="7."><al>Budgetten van de grondexploitatie kunnen naar voor worden gehaald
                                zonder voorafgaande toestemming van de raad.</al><al/></li></lijst><al>Voorwaarden zijn, dat: </al><al/><al>- de uitgaven geraamd zijn binnen het complex</al><al>- er door het naar voren halen geen tekorten optreden binnen die totale
                        uitgaven van het complex (hele looptijd complex)</al><al>- het college hierover de raad achteraf informeert bij een Burap of in de
                        jaarrekening</al><al/><al><vet>Artikel 6. Tussentijdse rapportage</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de raad tijdig over de realisatie van de
                                begroting van de gemeente over het lopende boekjaar.</al></li><li nr="2."><al>De inrichting van de tussenrapportages sluit aan bij de programma-
                                en taakveldindeling</al></li></lijst><al>van de begroting.</al><lijst><li nr="3."><al>De tussenrapportages gaan in op de afwijkingen die zich in de
                                uitvoering van de begroting over het lopende boekjaar hebben
                                voorgedaan.</al></li><li nr="4."><al>Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het
                                college voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde budgetten
                                en investeringskredieten en bijstelling van het beleid.</al></li><li nr="5."><al>In de tussenrapportage worden afwijkingen op de ramingen van de
                                baten en lasten en van de investeringskredieten groter dan € 10.000
                                toegelicht. Het betreft afwijkingen op programmaniveau.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 7. Informatieplicht</vet></al><al>Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een
                        besluit nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en
                        bedenkingen ter kennis van het college te brengen indien het college:</al><lijst><li nr="a."><al>wil overgaan tot aankoop of verkoop van goederen, werken en diensten
                                voor een bedrag hoger dan € 25.000;</al></li><li nr="b."><al>nieuwe investeringen wil doen voor een bedrag groter dan €
                                25.000;</al></li><li nr="c."><al>lopende investeringen gaat overschrijden met minimaal 10%, met een
                                minimum van € 10.000, en bij alle overschrijdingen van meer dan €
                                20.000;</al></li><li nr="d."><al>nieuwe meerjarige verplichtingen wil aangaan waarvan de lasten
                                groter zijn dan € 10.000;</al></li><li nr="e."><al>het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen,</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 8. EMU-saldo</vet></al><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                        collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3,
                        zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden,
                        informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is.
                        Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel
                        voor het wijzigen van de begroting. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Financieel beleid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa</vet></al><al>Waardering en afschrijving van vaste activa vindt plaats volgens de regels
                        zoals in de “Notitie Waardering en afschrijving vaste activa” zijn
                        opgenomen. Deze nota geeft regels voor de waardering en afschrijving van de
                        vaste activa binnen de wettelijke kaders. </al><al/><al><vet>Artikel 10</vet>. <vet>Voorziening voor oninbare vorderingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een
                                voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een vast bedrag
                                van € 15.000.</al></li><li nr="2."><al>Voor individuele vorderingen groter dan € 15.000 wordt een aparte
                                voorziening wegens oninbaarheid gevormd.</al></li><li nr="3."><al>Voor de vorderingen op derden (debiteuren sociale zaken) wordt een
                                voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele
                                beoordeling op oninbaarheid van de openstaande vorderingen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en
                                de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en
                                voorzieningen aan de taakvelden plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en
                                voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en
                                behandelt:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding van voorzieningen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor
                                een investeringsvoornemen (dekking kapitaaluitgaven) wordt minimaal
                                aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve;</al></li><li nr="b."><al>de voeding van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve; en</al></li><li nr="d."><al>de maximale looptijd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen (dekking
                                kapitaaluitgaven) binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft
                                geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt
                                deze aan de algemene reserve toegevoegd.</al></li><li nr="5."><al>Het college informeert de raad jaarlijks, gelijktijdig met de in lid
                                2 genoemde nota, over de actuele ontwikkelingen inzake reserves en
                                voorzieningen.</al></li><li nr="6."><al>Het college is bevoegd voorzieningen in te stellen voor (meerjarige)
                                doeluitkeringen waarvan het bedrag, rekening houdend met de looptijd
                                / periode van de uitkering(en), gemiddeld genomen kleiner is dan €
                                50.000 op jaarbasis.</al></li><li nr="7."><al>De raad stelt de bedragen die gestort worden in de reserve bestemde
                                budgetten direct bij het vaststellen van de jaarrekening beschikbaar
                                aan het college.</al></li><li nr="8."><al>Het college is bevoegd om tot een bedrag van € 50.000 per jaar (per
                                reserve) uitgaven te doen ten laste van de elk jaar in de begroting
                                expliciet benoemde bestemmingsreserves.</al></li><li nr="9."><al>Het college rapporteert over deze uitgaven in de eerstvolgende
                                Burap.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 12. Kostprijsberekening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen
                                waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken
                                en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden,
                                wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd.
                                Bij deze kostentoerekening worden de directe kosten en de
                                overheadkosten betrokken.</al></li><li nr="2."><al>Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en
                                onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van
                                de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik
                                zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in
                                rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele
                                belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten
                                van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten
                                die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels
                                worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen
                                het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende
                                verantwoording over de besteding toegerekend aan de
                                activiteiten.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten
                                die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting,
                                binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de
                                belastingaangifte aan de kostprijs van de
                                vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.</al></li><li nr="5."><al>Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van
                                rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en
                                van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan
                                overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als
                                bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van
                                een aandeel in de totale overheadkosten door deze totale
                                overheadkosten te delen door de totale geraamde directe kosten van
                                de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1
                                Ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende
                                goederen, werken, diensten en heffingen. Het percentage van deze
                                berekening is het opslagpercentage op de geraamde directe kosten,
                                per kostenplaats, van de economische categorien 1.1 Salarissen en
                                sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan
                                de desbetreffende goederen, werken, diensten en heffingen.</al></li><li nr="6."><al>Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor
                                de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het
                                eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het
                                percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen
                                gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de
                                rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende
                                leningen en kredieten en het rentepercentage van de rentevergoeding
                                over de reserves en de voorzieningen zoals bepaald overeenkomstig
                                het achtste en negende lid. De uitkomst van dit percentage van de
                                omslagrente wordt op een half procent afgerond.</al></li><li nr="7."><al>In afwijking van het zesde lid wordt bij een verstrekte lening voor
                                de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in
                                de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de
                                financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente
                                kan worden verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.</al></li><li nr="8."><al>In afwijking van het eerste lid worden bij
                                vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties
                                alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de
                                kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de
                                werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt
                                uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de
                                portefeuille leningen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 13. Prijzen economische activiteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente
                                aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie
                                met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale
                                kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek
                                belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten
                                afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek
                                belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of
                                werken wordt gemotiveerd.</al></li><li nr="2."><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale
                                kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek
                                belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit,
                                waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt
                                gemotiveerd.</al></li><li nr="3."><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding
                                van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte
                                middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college
                                vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang
                                van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.</al></li><li nr="4."><al>Raadbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld
                                in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale
                                kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>leveringen van goederen, diensten of werken en het
                                        verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere
                                        overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn
                                        bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die
                                        andere overheid;</al></li><li nr="b."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij
                                        wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li><li nr="c."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                        toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                        prijsvoorschriften gelden;</al></li><li nr="d."><al>een bevoordeling van sociale werkplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>een bevoordeling van onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="f."><al>een bevoordeling van publieke media-instellingen; en</al></li><li nr="g."><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                        staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese
                                        Unie en daarmee verenigbaar is.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                            prijzen </vet></al><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de
                        gemeentelijke tarieven voor de belastingen, heffingen, leges en rechten . </al><al/><al><vet>Artikel 15. Financieringsfunctie </vet></al><al>Het college neemt in het treasurystatuut de regels op die zij hanteert
                        voor:</al><al>• het dagelijkse beheer van valutarisico; </al><al>• kredietrisico en relatiebeheer;</al><al>• intern liquiditeitsrisico en geldstromenbeheer;</al><al>• administratieve organisatie;</al><al>• interne controle van de financieringsfunctie. </al><al/><al>Het college biedt het treasurystatuut, en het wijzigen ervan, aan ter
                        behandeling en vaststelling aan de raad. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Paragrafen </vet></al><al/><al><vet>Artikel 16. Lokale heffingen</vet></al><al>1.Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                        lokale heffingen</al><al>naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit
                        begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het
                                bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 12, zesde lid;</al></li><li nr="b."><al>de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde
                                overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in
                                rekening worden gebracht;</al></li><li nr="c."><al>de mate van kostendekkendheid;</al></li><li nr="d."><al>de opbrengsten per lokale heffing;</al></li><li nr="e."><al>het volume en bedrag aan kwijtscheldingen;</al></li><li nr="f."><al>de (ontwikkeling) van de lokale lastendruk per huishouden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 17. Financiering</vet></al><al>In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het
                        college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het
                        Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval
                        op: </al><lijst><li nr="a."><al>de schulden met een looptijd korter dan een jaar en het
                                verschuldigde rentepercentage;</al></li><li nr="b."><al>de schulden met een looptijd langer dan een jaar en het
                                verschuldigde rentepercentage;</al></li><li nr="c."><al>de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende
                                vier jaar;</al></li><li nr="d."><al>de rentevisie voor de komende vier jaar.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 18. Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de
                                begroting en de jaarstukken geeft het college de risico’s van
                                materieel belang aan en een inschatting van de kans dat deze
                                risico’s zich voordoen. Ook wordt het gewenste weerstandsvermogen
                                bepaald en wordt aangegeven in hoeverre dit toereikend is voor het
                                opvangen van de risico’s.</al></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing aan.</al></li></lijst><al>In deze nota wordt ingegaan op:</al><al>• het risicomanagement;</al><al>• het opvangen van risico’s door verzekeringen;</al><al>• voorzieningen;</al><al>• het weerstandsvermogen of anderszins. </al><al>In de nota wordt het beleid omtrent de gewenste weerstandscapaciteit en de
                        gemeentelijke risico’s bepaald. De raad stelt de nota vast.</al><al/><al><vet>Artikel 19</vet>.<vet> Onderhoud kapitaalgoederen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond
                                van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording
                                provincies en gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voortgang van het geplande onderhoud;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het achterstallig onderhoud.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                onderhoudsplan wegen aan. Het plan geeft het kader weer voor het
                                beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten
                                van het onderhoud voor het wegen. De raad stelt het plan vast.</al></li><li nr="3."><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde
                                onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van
                                de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele
                                uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.</al></li><li nr="4."><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te
                                plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke
                                gebouwen. De raad stelt het plan vast.</al></li><li nr="5."><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                onderhoudsplan openbare verlichting aan. Het plan bevat voorstellen
                                voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de
                                openbare verlichting. De raad stelt het plan vast.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 20. Bedrijfsvoering</vet></al><al>In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het
                        college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het
                        Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval
                        op: </al><lijst><li nr="a."><al>de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de
                                loonkosten;</al></li><li nr="b."><al>de kosten van inhuur derden;</al></li><li nr="c."><al>de huisvestingskosten;</al></li><li nr="d."><al>de automatiseringskosten;</al></li><li nr="e."><al>de budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de
                                accountant.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 21. Verbonden partijen</vet></al><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                        verbonden partijen de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het
                        Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Grondbeleid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt
                                het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van
                                16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
                                gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>het verloop van de grondvoorraad;</al></li><li nr="b."><al>de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten,</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een nota
                                grondbeleid aan. Deraad stelt de nota vast. In de nota wordt
                                aandacht besteed aan:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                gemeente;</al></li><li nr="b."><al>te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;</al></li><li nr="c."><al>het verloop van de grondvoorraad;</al></li><li nr="d."><al>de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer</vet></al><al/><al><vet>Artikel 23. Administratie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder
                                geval dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in
                                        de gemeente als geheel en in de afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de
                                        omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen,
                                        schulden, contracten;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de
                                        toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het
                                        maken van kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met
                                        betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en
                                        diensten en de maatschappelijke effecten van het
                                        gemeentelijke beleid;</al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                        doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde
                                        bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                        begroting en relevante wet- en regelgeving; en</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en
                                        van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de
                                        controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                        doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                        gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en
                                        regelgeving.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 24. Financiële organisatie</vet></al><al>Het college draagt zorgt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                verantwoordelijkheden;</al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                investeringskredieten;</al></li><li nr="d."><al>de interne regels voor taken en bevoegdheden, de
                                verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van
                                de financieringsfunctie;</al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren
                                prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en
                                uitputting van middelen;</al></li><li nr="f."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en
                                lasten aan de taakvelden;</al></li><li nr="g."><al>het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding
                                van goederen, werken en diensten;</al></li><li nr="h."><al>het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de
                                toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en</al></li><li nr="i."><al>het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en
                                oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen,
                                opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording
                                wordt voldaan.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 25. Interne controle</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de
                                Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de
                                Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid
                                van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen
                                tot herstel.</al></li><li nr="2."><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie
                                en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van
                                de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden,
                                de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten,
                                de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van
                                crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd. Bij afwijkingen in de
                                registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de
                                tekortkomingen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 6. Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De “Financiële verordening gemeente Landerd 2015” wordt ingetrokken,
                                met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening
                                en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar
                                voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt
                                en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende
                                stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin
                                deze verordening in werking treedt.</al></li><li nr="2."><al>Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die
                                voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de “Financiële verordening
                                gemeente Landerd 2015” van toepassing zoals deze gold op de dag voor
                                de inwerkingtreding van deze verordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017, met dien
                                verstande dat de programmabegroting, de jaarstukken en de
                                uitvoeringsinformatie met ingang van het jaar 2017 voldoen aan de
                                bepalingen in deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening
                                gemeente Landerd 2017.</al><al/></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 8 december 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad vernoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>A.M. Morsinkhof</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.C. Bakermans</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Toelichting op de artikelen</al><al/><al>Artikel 1. Begripsbepaling</al><al>Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 23 van de
                    verordening. Het begrip afdeling is gedefinieerd ten behoeve van de artikelen 23
                    en 24 van de verordening. De begrippen inkomsten, netto schuld per inwoner en
                    onbenutte belastingcapaciteit zijn gedefinieerd ten behoeve van artikel 18 van
                    de verordening. Hiervoor zijn de definities gevolgd die
                    www.waarstaatjegemeente.nl toepast voor de financiële kengetallen over de
                    gemeentefinanciën. Tot slot is het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om in
                    artikel 13 van de verordening nadere invulling te kunnen geven aan de
                    verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de
                    hoogte van prijzen.</al><al/><al>Artikel 2. Programma-indeling</al><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het Besluit begroting en verantwoording
                    provincies en gemeenten (hierna: BBV) bepaalt in aanvulling hierop, dat de
                    taakvelden aan de programma’s moeten worden toegewezen. Het tweede lid regelt,
                    dat de taakvelden op voorstel van het college aan de programma’s worden
                    toebedeeld. Het derde lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad
                    beleidsindicatoren per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken
                    van de begroting. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de
                    (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in
                    programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt in artikel
                    25, tweede lid, onder a, van het BBV. Overigens bepaalt dit artikel niet dat
                    elke nieuwe raadsperiode de gehele begroting en jaarstukken moeten worden
                    herzien. In de meeste gevallen is dat niet raadzaam. Als de indeling en
                    gebruikte beleidsindicatoren de vorige raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen
                    deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine)
                    bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende. Het BBV schrijft een aantal
                    verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt de raad integraal over een
                    bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Het vierde lid
                    bepaalt, dat de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode kan aangeven, welke
                    paragrafen hij nog meer wenst. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
                    paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid. </al><al/><al>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken</al><al>In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten
                    onder de programma’s in de begroting per taakveld worden weergegeven. In het
                    tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting
                    aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen, dat
                    er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de
                    investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van
                    investeringskredieten mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden
                    gedacht aan grondexploitaties. Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het
                    bepaalde in het BBV de gevolgen van de begroting en meerjarenraming voor de
                    gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt. In het vierde lid wordt
                    voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van investeringskredieten
                    geregeld.</al><al/><al>Artikel 4. Kaders begroting</al><al>Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het
                    opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de
                    bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV. Het eerste
                    lid van het artikel bepaalt, dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de
                    begroting een nota vaststelt, waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de
                    financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven
                    richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Deze systematiek wordt in veel gemeenten toegepast en deze nota
                    draagt vaak de naam kadernota of voorjaarsnota. Artikel 8 van het BBV zegt, dat
                    het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in het programmaplan. In het
                    tweede lid van artikel 4 wordt een nadere invulling aan deze wettelijke
                    verplichtingen gegeven door de omvang van het bedrag voor onvoorzien vast te
                    leggen. </al><al/><al>Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten </al><al>Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de
                    begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de
                    Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de
                    beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting
                    beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel
                    192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De
                    gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting
                    zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen
                    op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de
                    baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma’s (eerste lid). In
                    het tweede lid is opgenomen dat de raad binnen een programma een activiteit als
                    prioriteit kan bestempelen, waarvoor hij apart de baten en lasten wil
                    autoriseren. Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder
                    investeringen in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door
                    de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten
                    is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (derde lid).
                    Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven, welke
                    investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de
                    raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de
                    behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag
                    voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene
                    uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet
                    bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan. Het college dient
                    dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten en
                    dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten bij het bekend worden aan
                    de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden
                    gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld. Voor het behandelen van de
                    daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid is er voor
                    gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussenrapportages (vijfde
                    lid). Bij investeringen met een meerjarig karakter waaronder ook
                    grondexploitaties, bepaalt het vijfde lid ook, dat bij elke begroting een
                    actualisatie van de ramingen plaatsvindt en het college aan de raad voorstellen
                    doet voor het wijzigen van de investeringskredieten. Meestal komen gedurende het
                    begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel, die bij het opstellen van
                    de begroting niet waren voorzien. Het vijfde lid van het artikel regelt de
                    autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de
                    begroting. Dus ook voor investeringen die pas in de loop van het begrotingsjaar
                    worden voorzien. Daarbij draagt dit lid aan het college op bij grote
                    investeringen aan te geven wat het effect is op de schuldpositie van de
                    gemeente.</al><al/><al>Artikel 6. Tussentijdse rapportage</al><al>De tussenrapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en
                    controlcyclus voor de raad. Op basis van tussenrapportages wordt de raad
                    geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de
                    voortgang van de uitvoering van het beleid. Het vijfde lid bepaalt, welke
                    afwijkingen ten opzichte van de begroting het college in de tussenrapportages
                    moet toelichten. </al><al/><al>Artikel 7. Informatieplicht</al><al>In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de
                    informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een
                    uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel
                    verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad
                    inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de
                    uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft
                    voor de gemeente. In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf
                    aan het aangaan van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg,
                    indien het aangaan van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen
                    overschrijden. De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de
                    informatieplicht in andere gevallen. Ook moeten besluiten van het college voor
                    het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van
                    het beleid dat door de raad is uiteengezet. Het artikel schept slechts
                    duidelijkheid tussen het college en de raad over wanneer de raad in elk geval
                    vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn
                    wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken.</al><al/><al>Artikel 8. EMU-saldo</al><al>Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een
                    aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt
                    dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten
                    overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of
                    tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook
                    zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa
                    leidt. Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het
                    gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende
                    begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie
                    van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met
                    een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun
                    begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel
                    ongedaan te maken. In het artikel is opgenomen, dat het college de raad
                    informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het
                    toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als
                    daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het
                    wijzigen van de begroting.</al><al/><al>Artikel 9. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</al><al>In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat
                    de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving
                    van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. Voor de bepalingen
                    over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en
                    materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de nota. Een
                    mogelijkheid is om voor bepaalde vaste activa een maximale afschrijvingstermijn
                    op te nemen in plaats van een vaste afschrijvingstermijn. Van een maximale
                    afschrijvingstermijn kan met de afschrijvingstermijn naar beneden worden
                    afgeweken. Reden hiervoor is, dat de economische levensduur van bijvoorbeeld
                    nieuwe riolering langer is dan die van oude riolering. Door het opnemen van de
                    maximale afschrijvingstermijn kan voor oude riolering een kortere
                    afschrijvingstermijn worden toegepast zonder hiervoor in de verordening een
                    aparte bepaling op te nemen. Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van
                    investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke
                    beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen
                    afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel
                    het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn
                    van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt
                    nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast. </al><al/><al>Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen</al><al>Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen.
                    Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze
                    voorziening. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke
                    aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige
                    vorderingen. Vorderingen van de gemeente worden individueel beoordeeld op
                    oninbaarheid. Maar voor de in het derde lid genoemde vorderingen op derde
                    (debiteuren op sociale zaken) wordt een voorziening getroffen op basis van een
                    individuele beoordeling op oninbaarheid van de openstaande vorderingen. Op zich
                    zijn de bepalingen van artikel 10 niet noodzakelijk. De accountant controleert
                    bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening sowieso de hoogte
                    van deze voorziening. Hij zal indien over de waarderingsgrondslagen geen
                    afspraken bestaan, mogelijk aandringen op het hanteren van een methodiek voor
                    het onderbouwen van de hoogte van deze voorziening. </al><al/><al>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</al><al>Met de wijziging van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart
                    worden verantwoord. Daarom is het noodzakelijk geworden kostprijzen van rechten
                    en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden
                    geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen.
                    Daarmee vervalt ook de noodzaak de rentevergoeding over reserves en
                    voorzieningen in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag
                    en de jaarrekening aan de taakvelden toe te rekenen. Het eerste lid bepaalt
                    daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de
                    beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening
                    aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt
                    meegenomen. Het tweede lid bepaalt, dat het college eens in de 4 jaar een nota
                    over de reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van
                    deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en
                    voorzieningen. Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve
                    vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee
                    wordt op de balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht, dat een toekomstige
                    investering in de loop van de jaren middels de afschrijvingen een beslag op het
                    eigen vermogen gaat leggen. In het derde lid zijn de voorwaarden voor een
                    voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.
                    Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het
                    gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het
                    geheel geen investeringsvoornemen meer bestaan. Door voor elke nieuwe
                    bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen een maximale
                    “houdbaarheidsdatum” op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor is in de
                    verordening de bepaling opgenomen dat bestemmingsreserves die de
                    houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen en weer aan de algemene
                    reserve worden toegevoegd (vierde lid).</al><al/><al>Artikel 12. Kostprijsberekening</al><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening
                    in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet
                    milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij
                    overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten
                    en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de
                    opbouw van de kostprijs. Met de herziening van het BBV met ingang van 2017
                    moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente
                    niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de
                    integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden
                    van de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de
                    jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel
                    worden berekend en vastgelegd. Het eerste lid van artikel 12 bepaalt, dat de
                    kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen
                    bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead. Het tweede lid
                    bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de
                    noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van
                    de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de
                    gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht
                    zoals de rioolheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW
                    en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen. Het derde lid
                    geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan specifieke
                    uitkeringen en subsidies, apart onder het taakveld overhead in de administratie
                    worden afgezonderd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding
                    aan specifieke uitkeringen en subsidies worden toegerekend. Dit afzonderen kan
                    door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten
                    voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken. Het vierde en vijfde lid gaan
                    over de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en
                    heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en over de kostprijs van
                    prijzen van goederen, diensten en werken die worden geleverd aan
                    overheidsbedrijven en derden. Het vierde lid geeft aan, dat de overheadkosten
                    die kunnen worden toegerekend aan de activiteiten die onder de
                    vennootschapsbelastingplicht vallen, apart onder het taakveld overhead in de
                    administratie worden afgezonderd en in de belastingaangifte aan deze
                    activiteiten worden toegerekend. Dit afzonderen kan door voor deze kosten aparte
                    (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten voortaan op deze
                    (hulp-)kostenplaatsen te boeken. Het vijfde lid geeft de definitie van de
                    kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadkosten aan de
                    kostprijzen van rechten en heffingen waarmee de gemeente kosten in rekening
                    brengt zoals de afvalstoffenheffing, en voor de toerekening van de
                    overheadkosten aan de kostprijzen van goederen, werken en diensten die door de
                    gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. Er wordt voor de
                    toerekening van de overheadkosten bepaalt, dat deze plaatsvindt naar rato van
                    het aandeel van de personeelslasten inclusief inhuur derden in de totale
                    personeelslasten inclusief inhuur derden. Het zesde, zevende en achtste lid
                    handelen over de toerekening van rente over de inzet van vreemd vermogen voor de
                    financiering van activa aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten
                    in rekening worden gebracht, en aan de kostprijs van goederen, werken en
                    diensten die aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. Deze regels
                    wijken af van de omslagrente voor de toerekening van rentekosten en
                    renteopbrengsten aan de taakvelden van de begroting, het jaarverslag en de
                    jaarrekening uit het eerste lid van artikel 11 van deze verordening. Het eerste
                    lid van artikel 11 handelt niet over de onderbouwing van de kostprijzen, maar
                    over de toerekening van de werkelijke rente aan de taakvelden in de
                    verslaglegging. Het zesde lid van artikel 12 geeft de berekeningswijze van de
                    omslagrente voor het toerekenen van de rente aan de kostprijs voor de inzet van
                    vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van activa. Het
                    percentage van de omslagrente wordt afgeleid van de bij de begroting geraamde
                    rentekosten over het vreemd vermogen als percentage van het aangetrokken vreemd
                    vermogen voor de financiering. Het zevende lid geeft voor de omslagrente voor de
                    kostprijs van verstrekte leningen een afwijkend voorschrift. Die kostprijs wordt
                    gebaseerd op de rente van de lening die is aangetrokken voor de verstrekte
                    lening. Die rente kan worden verhoogd met een risico-opslag voor de kans dat de
                    (een deel van) de lening niet wordt terugbetaald. Dit heet het debiteurenrisico.
                    Daarnaast moeten voor het bepalen van die kostprijs natuurlijk als directe
                    kosten ook de afsluitkosten e.d. worden meegenomen. Het achtste lid van artikel
                    12 bepaalt tenslotte, dat in de kostprijs van vennootschapsbelastingplichtige
                    activiteiten en grondexploitaties geen rente over de inzet van reserves en
                    voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt door de rijksbelastingdienst
                    niet als kosten geaccepteerd. Grondexploitaties vallen bij de meeste gemeenten
                    ook onder de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten, maar dit hoeft altijd
                    het geval te zijn. Voor de methodiek van het bepalen van de omslagrente wordt in
                    dit lid aangesloten bij de Notitie Grondexploitaties (bijlage 3) van de
                    Commissie BBV. </al><al/><al>Artikel 13. Prijzen economische activiteiten</al><al>Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of
                    derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische
                    activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee
                    de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. Het
                    bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs
                    voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen
                    garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht. Van deze verplichting
                    kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het
                    publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang
                    van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als
                    een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden
                    bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                    huis-aan-huisblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden
                    kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit een
                    bezwaarschrift indienen bij de gemeente (artikel 6:7 van de Algemene wet
                    bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het
                    bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de
                    Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de
                    dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is
                    verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen
                    bij de bestuursrechter. Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een
                    integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor
                    het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal
                    uitzonderingen. Deze uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd. </al><al/><al>Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen </al><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is
                    een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd
                    (artikel 156 van de Gemeentewet). Het eerste lid van artikel 14 bepaalt, dat de
                    raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing
                    jaarlijks vaststelt. Een gemeenteraad die ook voor andere rechten, leges en
                    heffingen de tarieven jaarlijks wenst vast te stellen, kan het eerste lid met
                    deze rechten, leges en heffingen uitbreiden. Het betekent, dat de bijbehorende
                    verordeningen jaarlijks moeten worden herzien. Eventueel kan overwogen worden om
                    ook de verordening ‘kwijtschelding gemeentelijke belastingen’ jaarlijks te
                    herzien. Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke
                    goederen, diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 van de
                    Gemeentewet, is een privaatrechtelijke besluit. Deze besluiten zijn een
                    bevoegdheid van het college (eerste lid, onder e, van artikel 160 van de
                    Gemeentewet), maar hebben wel invloed op de hoogte van de inkomsten en raken
                    daarom ook het budgetrecht van de raad. </al><al/><al>Artikel 15. Financieringsfunctie </al><al>Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de financiële verordening
                    in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen
                    en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 15 geeft invulling aan
                    deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders
                    voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 25
                    van deze verordening.</al><al/><al>Hoofdstuk 4. Paragrafen</al><al>Het BBV geeft in de artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen
                    lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud
                    kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en
                    grondbeleid ten minste moet staan. In de financiële verordening kan de raad
                    bepalen, dat hij ook over aanvullende zaken in de paragrafen wil worden
                    geïnformeerd. Hoofdstuk 4 van de financiële verordening geeft hier invulling
                    aan.</al><al/><al>Artikel 16. Lokale heffingen</al><al>In het BBV staat in artikel 10, welke informatie de paragraaf lokale heffingen
                    in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag
                    van de raad gedefinieerd. Een deel van de aanvullende informatie dient voor het
                    met de begroting vaststellen van de gehanteerde omslagrente voor de
                    kostprijsberekening van rechten en leges waarmee kosten in rekening worden
                    gebracht. Ook wordt gevraagd de toerekening van de rente en de toerekening van
                    de overheadkosten aan de verschillende rechten, leges en heffingen in beeld te
                    brengen. </al><al/><al>Artikel 17. Financiering</al><al>In het BBV staat in artikel 13, welke informatie de paragraaf financiering in
                    elk geval moet bevatten. In aanvulling daarop is in dit artikel de aanvullende
                    informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd.</al><al/><al>Artikel 18. Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</al><al>In het BBV staat in artikel 11, welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen
                    en risicobeheersing in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de
                    aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd.</al><al/><al>Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen</al><al>In het BBV staat in artikel 12, welke informatie de paragraaf onderhoud
                    kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. In het eerste lid wordt de
                    aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf geformuleerd. Het
                    tweede, derde, vierde en vijfde lid bevatten bepalingen waaruit volgt, dat het
                    college ten minste eens in de 4 jaar de raad onderhoudsplannen aanbiedt over
                    respectievelijk onderhoud wegen, het onderhoud riolering, het onderhoud gebouwen
                    en het onderhoud openbare verlichting. Hiermee kan de raad de kaders voor het
                    toekomstig onderhoudsniveau vaststellen.</al><al/><al>Artikel 20. Bedrijfsvoering</al><al>In het BBV staat in artikel 14, welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in
                    elk geval moet bevatten. In dit artikel is de aanvullende informatievraag van de
                    raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er is opgenomen, dat de raad in de
                    paragraaf bedrijfsvoering ook wordt geïnformeerd over de kosten, de opbouw en
                    het verloop van het personeelsbestand, de kosten inhuur derden, de
                    huisvestingskosten, de automatiseringskosten en de budgetten voor de raad, de
                    griffie, de rekenkamer en de accountant.</al><al/><al>Artikel 21. Verbonden partijen</al><al>In het BBV staat in artikel 15, welke informatie de paragraaf verbonden partijen
                    in elk geval moet bevatten.</al><al/><al>Artikel 22. Grondbeleid</al><al>In het BBV staat in artikel 16, welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk
                    geval moet bevatten. In het eerste lid van artikel 22 is de aanvullende
                    informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Het tweede lid
                    bepaalt, dat het college eens de 4 jaar aan de raad een nota grondbeleid
                    aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid
                    vaststellen.</al><al/><al>Artikel 23. Administratie</al><al>Onder artikel 23 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de
                    vastlegging er van moeten voldoen. </al><al/><al>Artikel 24. Financiële organisatie</al><al>Artikel 24 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het
                    college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van
                    de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze
                    bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie,
                    blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het
                    nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet.
                    Artikel 24 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie
                    het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te
                    geven ligt het voor de hand, dat het college een organisatiebesluit en een
                    treasurystatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de
                    kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt. Bij
                    het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht
                    worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden. Bij
                    het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat
                    het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor
                    diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en de
                    gemeentelijke subsidieverordening waarborgen. In geval van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende
                    verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een
                    gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan
                    rechthebbenden. De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om
                    voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor
                    rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de
                    randvoorwaarden, waarop de interne controle en de accountantscontrole kan
                    steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen met
                    een financieel gevolg en de getrouwheid van de jaarrekening. </al><al/><al>Artikel 25. Interne controle</al><al>De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft
                    van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die
                    eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel
                    25 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of
                    vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de
                    administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen
                    die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen,
                    rechtmatig (zijn) verlopen. Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen
                    treft, zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen
                    zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het
                    financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen,
                    debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk
                    bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd. </al><al/><al>Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</al><al>Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden
                    ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een
                    kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar
                    t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en
                    wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening
                    is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar
                    t+1 en later. De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van
                    toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting en
                    jaarstukken van het jaar t. Hiervoor is in artikel 26 een overgangsbepaling
                    opgenomen. </al><al/><al>Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel</al><al>Met ingang van 1 januari 2017 gelden vanwege de wijzigingen van het BBV andere
                    bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met
                    maatschappelijk nut. In het tweede lid van artikel 27 is een overgangsbepaling
                    opgenomen. Voor investeringen met maatschappelijk nut voor 2017 zijn de
                    bepalingen uit de oude financiële verordening nog van kracht.</al><al/><al>Vaststelling</al><al>Uitgaande stukken van de raad moeten door de burgemeester worden ondertekend
                    (eerste lid artikel 75 van de Gemeentewet). De griffier moet de uitgaande
                    stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c van de Gemeentewet). De
                    financiële verordening moet worden gepubliceerd. Binnen twee weken na
                    vaststelling door de raad moet het college de verordening aan gedeputeerde
                    staten zenden (artikel 214 van de Gemeentewet). Gedeputeerde staten kunnen te
                    allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de
                    financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 van de Gemeentewet
                    (artikel 215 van de Gemeentewet). </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>