<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR431392_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening gemeente Korendijk 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-180623.html">Gemeenteblad 2016, 180623</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening Korendijk 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=212">Gemeentewet, artikel 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-03-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financien en economie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële verordening gemeente Korendijk 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Financiële verordening 2017</vet></al><al/><al><vet>Financiële </vet><vet>verordening</vet><vet>
                        201</vet><vet>7</vet></al><al>De raad van de gemeente Korendijk; </al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        11 november 2016; </al><al/><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gezien het advies van de Auditcommissie d.d. 22 november 2016</al><al/><al>besluit vast te stellen de Financiële verordening gemeente Korendijk
                        2016:</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><onderstreept>administratie</onderstreept>: het systematisch
                                    verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie
                                    ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de
                                    gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet
                                    worden afgelegd;</al></li><li nr="-"><al><onderstreept>afdeling</onderstreept>: iedere organisatorische
                                    eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen
                                    rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college;</al></li><li nr="-"><al><onderstreept>inkomsten</onderstreept>: totaal van de baten voor
                                    toevoegingen en onttrekkingen van reserves;</al></li><li nr="-"><al><onderstreept>overheidsbedrijf</onderstreept>: onderneming met
                                    privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een
                                    personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de
                                    gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere
                                    publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te
                                    bepalen of een onderneming in de vorm van een
                                    personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke
                                    rechtspersoon deelneemt;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan bij de aanvang van iedere raadsperiode een
                                programma-indeling voor die raadsperiode vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan bij de aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van
                                het college de taakvelden per programma vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt op voorstel van het college per programma de
                                beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten
                                minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25,
                                tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording
                                provincies en gemeenten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan bij aanvang bij aanvang van iedere raadsperiode
                                vaststellen over welke onderwerpen hij in extra paragrafen, naast de
                                verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken, kaders wil
                                stellen en wil worden geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de
                                programma’s, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen, het
                                overzicht van de overhead en de baten en lasten per taakveld
                                weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                                investeringskrediet weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in
                                aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het
                                Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht
                                gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de
                                begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de
                                grondexploitatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de
                                geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de
                                totale uitgaven en inkomsten weergegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><al>1.Het college biedt voor 1 juli aan de raad een nota aan met een
                            voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor
                            het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en
                                de lasten per programma.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                                investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige
                                nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het
                                vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in
                                artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van
                                de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de
                                geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het
                                beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet
                                het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van
                                geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de
                                geautoriseerde investeringskredieten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij investeringen groter dan € 1.000.000 informeert het college de
                                raad in het voorstel over het effect van de investering op de
                                schuldpositie van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de raad door middel van tussentijdse
                                rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over
                                de eerste 4 maanden en de eerste 9 maanden van het lopende
                                boekjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tussenrapportages bevatten:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het
                                beleid;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>een indicatie van ontwikkelingen van het risicoprofiel van de
                                gemeenten</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>een overzicht met de bijgestelde raming van:</al><lijst><li nr="a."><al>de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar
                                        taakvelden;</al></li><li nr="b."><al>het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen uitgesplitst
                                        naar taakvelden;</al></li><li nr="c."><al>het overzicht van de overhead en de geraamde
                                        vennootschapsbelasting;</al></li><li nr="d."><al>het totale saldo van de baten en lasten volgend uit de
                                        onderdelen a, b en c;</al></li><li nr="e."><al>de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per
                                        programma; </al></li><li nr="f."><al>het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e; en</al></li><li nr="g."><al>de realisatie en raming van de uitputting van de
                                        investeringskredieten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de tussenrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke
                                ramingen van de baten en lasten van taakvelden, prioriteiten en
                                investeringskredieten in de begroting groter dan € 25.000
                                toegelicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><al>Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een
                            besluit nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en
                            bedenkingen ter kennis van het college te brengen voor zover het betreft
                            niet bij begroting en investeringsprogramma vastgestelde afzonderlijke
                            verplichtingen inzake:</al><lijst><li nr="a)"><al>aankoop van goederen en diensten groter dan € 25.000,- excl.
                                    BTW;</al></li><li nr="b)"><al>het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan
                                    € 100.000,-;</al></li><li nr="c)"><al>het aangaan van meerjarige verplichtingen waarvan de jaarlijkse
                                    lasten groter zijn dan</al><al>€ 20.000,- excl. BTW.</al></li></lijst><al>In gevallen waarbij sprake is van niet in de begroting opgenomen
                            spoedeisende uitgaven wordt melding gedaan aan de raad waarna alsnog
                            bekrachtiging via raadsvoorstel plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>EMU-saldo</titel></kop><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                            collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel
                            3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben
                            overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de
                            begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het
                            college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Waardering afschrijving vaste
                            activa</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven
                                    volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de nota
                                    ‘Activabeleid’ die eens in de vier jaar aan de raad ter
                                    vaststelling wordt aangeboden.</al></li><li nr="2."><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten
                                    laste van de exploitatie gebracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><al>Voor de vorderingen op derden, inclusief openstaande vorderingen
                            betreffende de lokale heffingen, wordt een voorziening wegens
                            oninbaarheid gevormd op basis van de omvang en historisch percentage van
                            de oninbaarheid van de openstaande vorderingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en
                                de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en
                                voorzieningen aan de taakvelden plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota reserves en
                                voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en
                                behandelt:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding van voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor
                                een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve;</al></li><li nr="b."><al>de voeding van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve; en</al></li><li nr="d."><al>de maximale looptijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de
                                aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering,
                                valt de bestemmingsreserve vrij.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en
                                    heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van
                                    goederen, werken en dienstendie worden geleverd aan
                                    overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel
                                    van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening
                                    worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente
                                    van de inzet van vreemd vermogen en voorzieningen voor de
                                    financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.</al></li><li nr="2."><al>Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en
                                    onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging
                                    van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in
                                    gebruik zijn de activa. Voor de rechten en de heffingen waarmee
                                    kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de
                                    compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de
                                    gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.</al></li><li nr="3."><al>De totale apparaatskosten verdelen wij onder in kosten ten
                                    behoeve van het primaire proces (directe loonkosten) en overhead
                                    (loonkosten ondersteunend personeel, huisvesting, ICT etc.). De
                                    directe loonkosten rekenen wij op basis van de geraamde
                                    tijdsbesteding rechtstreeks toe aan de taakvelden waar de
                                    medewerkers hoofdzakelijk werkzaam voor zijn. De overheadskosten
                                    reken wij toe via een opslagpercentage op de directe loonkosten
                                    (extracomptabel) toe aan de tarieven. Het percentage bepalen wij
                                    door de totale overhead te delen door de totale directe
                                    loonkosten.</al></li><li nr="4."><al>Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente
                                    voor de financiering van de in gebruik zijnde activa en
                                    rentevergoeding over de voorzieningen wordt jaarlijks met de
                                    begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt
                                    bepaald door de totale rentekosten te delen door de boekwaarde
                                    van de totale activa aan het begin van het boekjaar. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Prijzen economische activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente
                                aan overheidsbedrijven en derden, waarbij de gemeente in
                                concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde
                                integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een
                                publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze
                                activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin
                                het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen,
                                diensten of werken wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale
                                kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek
                                belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit,
                                waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding
                                van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte
                                middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college
                                vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang
                                van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld
                                in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale
                                kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:</al><lijst><li nr="a)"><al>leveringen van goederen, diensten of werken en het
                                        verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere
                                        overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn
                                        bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die
                                        andere overheid;</al></li><li nr="b)"><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij
                                        wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li><li nr="c)"><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                        toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                        prijsvoorschriften gelden;</al></li><li nr="d)"><al>een bevoordeling van sociale werkplaatsen;</al></li><li nr="e)"><al>een bevoordeling van onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="f)"><al>een bevoordeling van publieke media-instellingen; en</al></li><li nr="g)"><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                        staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese
                                        Unie en daarmee verenigbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                                prijzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van
                                de gemeentelijke tarieven voor de belastingen en lokale
                                heffingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota aan met de
                                kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen,
                                werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren
                                en de erfpachten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen
                                de volgende kaders in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het aantrekken van financieringen met een looptijd
                                        langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij
                                        verschillende financiële instellingen gevraagd; en</al></li><li nr="b."><al>er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als
                                        bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering
                                        decentrale overheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en
                                het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college
                                indien mogelijk zekerheden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Financiële organisatie en financieel beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Administratie</titel></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval
                            dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                    gemeente als geheel en in de afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                    van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en
                                    contracten.</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                    budgetten en investeringskredieten en voor het maken van
                                    kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking
                                    tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                    maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; </al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                    relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                    wet- en regelgeving; en</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van
                                    de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                    gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                    begroting en relevante wet- en regelgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt zorgt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                    afdelingen; </al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden; </al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten; </al></li><li nr="d."><al>de interne regels voor taken en bevoegdheden, de
                                    verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                    van de financieringsfunctie; </al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren
                                    prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                    frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten
                                    en uitputting van middelen; </al></li><li nr="f."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten
                                    en lasten aan de taakvelden;</al></li><li nr="g."><al>het beleid en de interne regels voor de inkoop en de
                                    aanbesteding van goederen, werken en diensten; </al></li><li nr="h."><al>het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de
                                    toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;
                                    en</al></li><li nr="i."><al>het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik
                                    en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en
                                    eigendommen,</al></li></lijst><al>opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt
                            voldaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de
                                Gemeentewet en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de
                                Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid
                                van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen
                                tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie
                                en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van
                                de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden,
                                de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten,
                                de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van
                                crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en
                                bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vier jaar. Bij afwijkingen
                                in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de
                                tekortkomingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr></kop><al><vet>Intrekken oude verordening</vet><vet> en overgangsrecht</vet></al><al>1.De Financiele Verordening Korendijk 2015 wordt ingetrokken, met dien
                            verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het
                            jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand
                            aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de
                            begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het
                            begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in
                            werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening
                                    Korendijk 2017.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 6 december
                        2016.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de artikelen</titel></kop><tussenkop>Algemeen.</tussenkop><al>De onderstaande toelichtingen zijn gebaseerd op de modelverordening van de
                    VNG.</al><al>Daar waar is afgeweken van de modelverordening is de motivatie voor het afwijken
                    steeds toegelicht</al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><al>Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 16 van de
                    verordening. </al><al>Het begrip afdeling is gedefinieerd ten behoeve van de artikelen 16 en 17 van de
                    verordening.</al><al>Tot slot is het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om in artikel 13 van de
                    verordening nadere invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen
                    uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen.</al><tussenkop>Artikel 2. Programma-indeling</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s kan bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het <cursief>Besluit begroting en
                        verantwoording provincies en gemeenten</cursief> (hierna: BBV) bepaalt in
                    aanvulling hierop, dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden
                    toegewezen.</al><al>Het tweede lid regelt, dat de taakvelden op voorstel van het college aan de
                    programma’s worden toebedeeld. </al><al>Het derde lid bepaalt dat op voorstel van het college de raad beleidsindicatoren
                    per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken van de begroting. Wat
                    de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële)
                        <cursief>Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in
                        programma’s en programmaverantwoording</cursief>, welke zijn grondslag vindt
                    in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.</al><al>Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele
                    begroting en jaarstukken moeten worden herzien. In de meeste gevallen is dat
                    niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren de vorige
                    raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden
                    vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen
                    meestal voldoende.</al><al>Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt
                    de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt,
                    geïnformeerd. </al><al>Het vierde lid bepaalt, dat de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode kan
                    aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                    gedacht aan een paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid.</al><tussenkop>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken</tussenkop><al>In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten
                    onder de programma’s in de begroting per taakveld worden weergegeven. </al><al>In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de
                    begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te
                    bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van
                    de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van
                    investeringskredieten mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden
                    gedacht aan grondexploitaties. </al><al>Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen
                    van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie
                    inzichtelijk worden gemaakt. </al><al>In het vierde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van
                    investeringskredieten geregeld.</al><tussenkop>Artikel 4. Kaders begroting</tussenkop><al>Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het
                    opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de
                    bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV. </al><al>Het eerste lid van het artikel bepaalt, dat de gemeenteraad vooraf aan het
                    opstellen van de begroting een nota vaststelt, waarin de hoofdlijnen voor het
                    beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders
                    geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Deze systematiek wordt in veel gemeenten toegepast en deze nota
                    draagt de naam kadernota.</al><tussenkop>Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten </tussenkop><al>Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de
                    begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de
                    Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de
                    beslissing welke bedragen hij voor taken en activiteiten op de begroting
                    beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel
                    192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De
                    gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting
                    zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen
                    op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. </al><al>Autorisatie door de raad van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau
                    van programma’s.<cursief>.</cursief></al><al>Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder investeringen
                    in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden
                    geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is er voor
                    gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (tweede lid). Wel kan de
                    raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven, welke investeringskredieten hij op
                    een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van
                    politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de
                    inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke
                    investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad
                    autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen
                    voor de investering aan te gaan.</al><al>Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen
                    van beleid is er voor gekozen deze ten minste mee te nemen bij de behandeling
                    van de tussenrapportages (derde lid). </al><al>Het vierde lid draagt dit lid aan het college op bij grote investeringen aan te
                    geven wat het effect is op de schuldpositie van de gemeente.</al><tussenkop>Artikel 6. Tussentijdse rapportage</tussenkop><al>De tussenrapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en
                    controlcyclus voor de raad. Op basis van tussenrapportages wordt de raad
                    geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de
                    voortgang van de uitvoering van het beleid. </al><al>Er is gekozen voor twee tussenrapportages, waarvan de eerste op tijd is om te
                    gebruiken als input voor de voorjaarsnota. </al><al>Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage,
                    waarbij informatie over de grondexploitatie valt onder de investeringskredieten. </al><al>Het derde lid bepaalt, welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het
                    college in de tussenrapportages moet toelichten. In afwijking van de vorige
                    Financiele verordening is het bedrag van de rapportagegrens opgehoogd van €
                    10.000 naar € 25.000 waardoor dit beter aansluit bij de rapportagegrens zoals
                    die ook door de accountant wordt gehanteerd.</al><tussenkop>Artikel 7. Informatieplicht</tussenkop><al>In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de
                    informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een
                    uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel
                    verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad
                    inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de
                    uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft
                    voor de gemeente. </al><al>In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan
                    van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan
                    van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden en
                    deze niet in de begroting zijn opgenomen.</al><al>De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht
                    in andere gevallen.</al><al>Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke
                    rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is
                    uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de
                    raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in
                    de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college
                    kenbaar te maken.</al><tussenkop>Artikel 8. EMU-saldo</tussenkop><al>Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een
                    aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt
                    dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten
                    overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of
                    tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook
                    zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa
                    leidt. </al><al>Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk
                    aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt
                    te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is
                    gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel
                    EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting
                    neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan
                    te maken. </al><al>In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente
                    van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle
                    gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de
                    gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.</al><tussenkop>Artikel 9. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</tussenkop><al>In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat
                    de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving
                    van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. Voor de bepalingen
                    over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en
                    materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de aparte nota
                    ‘Activabeleid’. In de bijlage van deze nota zijn naast de methodiek de
                    afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën immateriële vaste
                    activa, materiële vaste activa met economisch nut en materiële vaste activa met
                    maatschappelijk nut opgenomen. </al><al>Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk
                    nut verplicht (in Korendijk deden we dit al). Het BBV laat een aanzienlijke
                    beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen
                    afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel
                    het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn
                    van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt
                    nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast. </al><tussenkop>Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen</tussenkop><al>Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen.
                    Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze
                    voorziening. Bij het artikel is geen onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke
                    aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige
                    vorderingen. </al><al>De accountant controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de
                    jaarrekening sowieso de hoogte van deze voorziening en de onderbouwing ervan. </al><tussenkop>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</tussenkop><al>Met de wijziging van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart
                    worden verantwoord. Daarom is het noodzakelijk geworden kostprijzen van rechten
                    en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden
                    geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen.
                    Daarmee vervalt ook de noodzaak de rentevergoeding over reserves en
                    voorzieningen in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag
                    en de jaarrekening aan de taakvelden toe te rekenen. Het eerste lid bepaalt
                    daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de
                    beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening
                    aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt
                    meegenomen.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college eens in de vier jaar een nota over de
                    reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze
                    nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en
                    voorzieningen.</al><al>Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een
                    deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de
                    balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht, dat een toekomstige investering
                    in de loop van de jaren middels de afschrijvingen een beslag op het eigen
                    vermogen gaat leggen. In het derde lid zijn de voorwaarden voor een voorstel
                    voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.</al><al>Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het
                    gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het
                    geheel geen investeringsvoornemen meer bestaan. Door voor elke nieuwe
                    bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen een maximale
                    “houdbaarheidsdatum” op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor is in de
                    verordening de bepaling opgenomen dat bestemmingsreserves die de
                    houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 12.</tussenkop><tussenkop> Kostprijsberekening</tussenkop><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening
                    in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet
                    milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij
                    overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten
                    en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de
                    opbouw van de kostprijs.</al><al>Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart
                    worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de
                    taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de
                    administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de
                    financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De
                    kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd.</al><al>De bepalingen in dit artikel zijn aangepast aan de sytematiek die in de
                    programmabegroting 2017 is gehanteert.</al><tussenkop>Artikel 13. Prijzen economische activiteiten</tussenkop><al>Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of
                    derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische
                    activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee
                    de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. </al><al>Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale
                    kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van
                    leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.</al><al>Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid
                    in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een
                    raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het
                    raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene
                    strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege
                    uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan
                    voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na
                    bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente
                    (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes
                    weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als
                    bedoeld in <onderstreept>artikel 7:13</onderstreept> van de Algemene wet
                    bestuursrecht is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die
                    waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij
                    afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de
                    bestuursrechter.</al><al>Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor
                    de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van
                    leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze
                    uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd. </al><tussenkop>Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                    prijzen </tussenkop><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is
                    een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd
                    (artikel 156 van de Gemeentewet). Het eerste lid van artikel 14 bepaalt, dat de
                    raad de tarieven voor de belastingen en heffingen jaarlijks vaststelt. Ook de
                    verordening ‘kwijtschelding gemeentelijke belastingen’ wordt jaarlijks herzien. </al><al>Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen,
                    diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet, is een
                    privaatrechtelijke besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college
                    (eerste lid, onder e, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel
                    invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de
                    raad. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college aan de raad periodiek een nota aanbiedt
                    met daarin de kaders voor de te hanteren prijzen, huren en tarieven voor
                    erfpacht. De raad stelt deze nota vast. </al><tussenkop>Artikel 15. Financieringsfunctie </tussenkop><al>Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling dat de financiële verordening
                    in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen
                    en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 15 geeft invulling aan
                    deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders
                    voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 24
                    van deze verordening.</al><al>In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden en
                    daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal
                    aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële derivaten. </al><al>Gemeenten mogen alleen leningen en garanties verstrekken en financiële
                    participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 van
                    de Wet fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 van de Gemeentewet,
                    dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen,
                    maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge
                    waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een
                    ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van
                    het college heeft kunnen brengen. </al><al>Het tweede lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, garanties
                    en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico
                    waaraan de gemeente bloot komt te staan, te verminderen. Dit is zeker als het om
                    grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als instellingen bij een gemeente
                    aankloppen voor een lening of garantiestelling dan hebben de banken er in de
                    regel niet al te veel vertrouwen meer in. </al><tussenkop>Paragrafen</tussenkop><tussenkop>Het BBV geeft in de artikelen 16 tot en met 20 aan wat er in de
                    paragrafen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud
                    kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en
                    grondbeleid ten minste moet staan.</tussenkop><tussenkop>In de financiële verordening kan de raad bepalen dat hij ook over
                    aanvullende zaken in de paragrafen wil worden geïnformeerd. Gelet op de
                    wijzigingen van de voorschriften BBV per 2017 is ons college van mening dat het
                    voldoen aan de voorschriften BBV voldoende basis biedt voor een goede
                    informatievoorziening aan de raad. Het opnemen van extra bepalingen in de
                    financiele verordening achten wij daarom niet noodzakelelijk. </tussenkop><tussenkop>Artikel 16. Administratie</tussenkop><al>Onder artikel 16 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de
                    vastlegging er van moeten voldoen. </al><tussenkop>Artikel 17 Financiële organisatie</tussenkop><al>Artikel 17 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het
                    college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van
                    de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze
                    bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie
                    blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het
                    nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet. </al><al>Dit artikel geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie
                    het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te
                    geven ligt het voor de hand dat het college een organisatiebesluit en een
                    treasurystatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten, alsook
                    de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt. </al><al>Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht
                    worden aan het gemeentelijke Inkoop en –aanbestedingsbeleid.</al><al>Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking
                    gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels
                    voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en
                    de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.</al><al>In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het
                    treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een
                    aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk
                    worden verstrekt aan rechthebbenden. </al><al>De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het
                    financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid,
                    controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de
                    interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de
                    rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de
                    getrouwheid van de jaarrekening.</al><tussenkop>Artikel 18. Interne controle</tussenkop><al>De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft
                    van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die
                    eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel
                    18 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of
                    vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de
                    administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen
                    die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig
                    (zijn) verlopen.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt
                    gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen,
                    voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen
                    zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen,
                    debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk
                    bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd. </al><al>Eens in vier jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van
                    registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. </al><tussenkop>Artikel 19. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden
                    ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een
                    kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar
                    t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en
                    wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening
                    is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar
                    t+1 en later. </al><al>De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de
                    jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting en jaarstukken van het
                    jaar t. Hiervoor is in artikel 26 een overgangsbepaling opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2017 gelden vanwege de wijzigingen van het BBV andere
                    bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met
                    maatschappelijk nut. In het tweede lid van artikel 20 is een overgangsbepaling
                    opgenomen. </al><tussenkop>Vaststelling</tussenkop><al>Uitgaande stukken van de raad moeten door de burgemeester worden ondertekend
                    (eerste lid artikel 75 van de Gemeentewet). De griffier moet de uitgaande
                    stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c van de Gemeentewet). De
                    financiële verordening moet worden gepubliceerd. </al><al>Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening
                    aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 van de Gemeentewet). Gedeputeerde
                    staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de
                    inrichting van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 van de
                    Gemeentewet (artikel 215 van de Gemeentewet). </al><tussenkop>Toelichting verwijzingen van de afwijkingen modelverordening
                    VNG.</tussenkop></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>